| Plan: | Smidsbaerd Meliskerke |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0717.0112WPZeesterMlk-VG01 |
Initiatiefnemer heeft het voornemen om aan de Smidsbaerd in Meliskerke de maatschappelijke bestemming om te zetten naar een woonbestemming. Op deze locatie was voorheen basisschool De Zeester gevestigd. Het plan is om zes betaalbare woningen toe voegen aan de woningvoorraad van de gemeente Veere.
In de regels van het geldende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de beoogde bestemmingswijziging mogelijk gemaakt kan worden. De gemeente is bereid planologische medewerking te verlenen aan het verzoek en hiervoor de wijzigingsbevoegdheid toe te passen. In dit wijzigingsplan wordt aandacht besteed aan de voorwaarden die opgenomen zijn in het bestemmingsplan 'Kom Meliskerke' om de bestemming 'Maatschappelijk' om te zetten in de bestemming 'Wonen'. Hierbij zal een toets aan de wijzigingsvoorwaarden plaatsvinden.
Om toepassing te geven aan de wijzigingsbevoegdheid, is het noodzakelijk dat een wijzigingsplan wordt opgesteld. In voorliggend wijzigingsplan zal worden aangetoond dat de wijzigingen in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening en vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord zijn.
Het plangebied is gelegen in de kern Meliskerke en wordt omsloten door de Smidsbaerd, Pauwhoekstraat en Sivertstraat. Het plangebied is in figuur 1.1. aangegeven.
Figuur 1.1 Globale ligging plangebied (Bron: Rho adviseurs)
In figuur 1.2 is een uitsnede van de verbeelding te zien behorend bij het geldende bestemmingsplan 'Kom Meliskerke', vastgesteld d.d. 3 maart 2011.
Het perceel aan de Smidsbaerd heeft in het geldende bestemmingsplan 'Kom Meliskerke' de enkelbestemming Maatschappelijk met de dubbelbestemming
Waarde - Archeologie - 3. Daarnaast heeft het perceel de aanduidingen bouwvlak met maatvoeringsaanduidingen 'maximum bebouwingspercentage terrein 80%' en 'maximum goothoogte: 6 m'. Ook is de gebiedsaanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied -4' opgenomen waarmee de bestemming 'Maatschappelijk' gewijzigd kan worden in de bestemming 'Wonen'.
Figuur 1.2 Uitsnede bestemmingsplan 'Kom Meliskerke' (Bron: Ruimtelijke plannen, bewerking Rho adviseurs)
Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van het plan zijn beschreven:
Het plangebied is gelegen ten westen van de kern Meliskerke en gelegen aan de Smidsbaerd, Pauwhoekstraat en Sivertstraat. Het perceel staat kadastraal bekend als MRK-E-522 en heeft een oppervlakte van circa 1.800 m2.
Het plangebied was voorheen in gebruik als basisschool, genaamd De Zeester. In 2008 is de basisschool gesloten en in 2011 gesloopt. Sindsdien bestaat het plangebied uit een grasland met een aantal bomen en een heg daaromheen.
Het plangebied bevindt zich in een woonwijk, rondom de locatie staan woningen. Dit zijn met name woningen met één of twee lagen met een kap.
Figuur 2.1 Het plangebied (blauw omkaderd) is omgeven door woningen (Bron: Rho adviseurs)
Figuur 2.2 Aanzicht plangebied, gezien vanaf de Smidsbaerd (Bron: Google Maps)
Op de voormalige schoollocatie worden 6 woningen gebouwd ten behoeve van senioren. Deze woningen worden in 3 blokjes van 2 gebouwd. De woningen zullen 3 zijden worden georiënteerd, namelijk de Smidsbaerd, Pauwhoekstraat en Sivertstraat. De seniorenwoningen zullen bestaan uit één laag met kap. De woningen sluiten qua bouwvorm, massa en materiaal aan op de bestaande bebouwing die aanwezig zijn in de omgeving. Ook qua situering wordt aangesloten bij de bestaande bebouwing . De woningen bestaan uit een langskap.
De goot- en bouwhoogte van de nieuwe woningen bedragen respectievelijk 3 en 8 meter. Alle woningen hebben een eigen tuin aan de achterzijde van de woningen. Daar waar tuinen grenzen aan openbaar gebied zal er voldoende ruimte overgelaten worden voor bomen en overig openbaar groen. Op alle scheidingen tussen privé en openbaar (aan de achterzijdes van de woningen) worden hagen aangelegd.
Het inrichtingsplan voorziet in de openbare ruimte in 12 parkeerplaatsen, waarvan 3 aan de zuidzijde van het project, 5 aan de westzijde en 4 aan de noordzijde. Deze parkeerplaatsen doen geen afbreuk aan de bestaande parkeercapaciteit en daarmee voorziet dit bouwplan in de eigen parkeerbehoefte. Deze parkeerplaatsen zijn een aanvulling op de al aanwezige parkeerplaatsen.
Ten behoeve van deze ontwikkeling is een beeldkwaliteitskader opgesteld. Dit beeldkwaliteitskader is opgenomen in bijlage 1.
Figuur 2.3 Plattegrond beoogde ontwikkeling (Bron: gemeente Veere)
De wijzigingsbevoegdheid is opgenomen in artikel 20.3 van de regels van het basisplan. Daarin is bepaald dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn de bestemming 'Maatschappelijk' te wijzigen in de bestemming 'Wonen'.
Om de wijzigingsbevoegdheid te kunnen toepassen zal aan de wijzigingsvoorwaarden uit het betreffende artikel moeten worden voldaan. In tabel 3.1 zijn de wijzigingsvoorwaarden vermeld en is het initiatief aan de betreffende bepalingen getoetst.
Tabel 3.1 Wijzigingsregels en toetsing wijzigingsbevoegdheid naar Wonen
| Criterium | Toetsing | |
| a. | In het gebied mogen ten hoogste zes woningen worden gebouwd. |
Er worden zes woningen gebouwd. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. |
| b. | De goothoogte van een hoofdgebouw bedraagt en hoogste 6 en de bouwhoogte ten hoogste 11 m. | De goothoogte van de beoogde woningen zal ten hoogste 3 meter bedragen en de bouwhoogte ten hoogste 8 meter. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. |
| c. | De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast. |
De ontwikkeling betreft de bouw van 6 nieuwe woningen in een bestaand woongebied. Dat veroorzaakt geen onevenredige beperking van de gebruiksmogelijkheden van de bestaande woningen. In paragraaf 5.7 wordt dat nader beschreven. |
Conclusie
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het beoogde plan past binnen de gestelde wijzigingsvoorwaarden.
In het basisplan waarin de mogelijkheid van de woningen door middel van een wijzigingsbevoegdheid wordt mogelijk gemaakt is getoetst aan Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Dit beleid en de toetsing daaraan zijn voor het grootste deel nog steeds actueel. In onderstaande beleidsparagrafen is de toetsing aan het actueel beleidskader toegevoegd.
De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Aan de hand van een toekomstperspectief 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld.
In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050
Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land:
Nationale belangen
Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden.
De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.
Voor dit project relevante nationale belangen zijn:
Keuzes
De belangrijkste keuzes zijn:
Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd.
Toetsing en conclusie
Het planvoornemen is op nationaal niveau dermate kleinschalig dat het geen invloed heeft op de nationale belangen. Het beleid van het moederplan 'Kom Meliskerke' inzake het mogelijk maken van bestemmingswijziging van 'Maatschappelijk' naar 'Wonen' is dan ook neergelegd bij de decentrale overheden. Deze ontwikkeling zorgt voor een toename van de bestaande woningvoorraad. Daarnaast is deze ontwikkeling een duurzame ontwikkeling omdat er invulling wordt gegeven aan een inbreidingslocatie. In dit wijzigingsplan zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent een aantal nationale belangen zoals genoemd in de NOVI. Dit initiatief raakt geen rijksbelangen uit het Barro.
Samenvatting beleidskader
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, artikel 3.1.6 lid 2) is opgenomen dat bij een ruimtelijk plan, dat een nieuw stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen moet worden. De reden hiervoor is om een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte in Nederland te bevorderen. Een stedelijke ontwikkeling houdt in dat er nieuwe bebouwing wordt toegevoegd aan de huidige bebouwing. De ladder bestaat uit twee stappen: de eerste stap bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. De tweede stap omvat, indien de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Toetsing en conclusie
De ontwikkeling is van dusdanig kleinschalige omvang (6 extra woningen) dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Een uitgebreide toetsing van de ladder is niet noodzakelijk. Het voornemen is het toestaan van zes extra woningen op gronden gelegen binnen de bebouwde kom en waarop voorheen bedrijfsactiviteiten plaatsvonden. Daarnaast past de beoogde ontwikkeling binnen het regionale woningbouwprogramma. De ontwikkeling sluit aan bij de behoefte. Het beleid geformuleerd in het Bro vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
De Zeeuwse Omgevingsvisie is een strategische langetermijnvisie voor Zeeland en beschrijft de uitdagingen voor de periode tot 2050, de Zeeuwse ambities voor 2050 en tussendoelen voor 2030.
De Zeeuwse Omgevingsvisie beschrijft vier Zeeuwse Ambities voor 2050:
In 2050 is er voor ieder een passende woning beschikbaar. In de omgeving van je huis kun je je veilig voelen. De verandering van de bevolkingssamenstelling en de noodzaak voor toegankelijke voorzieningen heeft tot vernieuwing van de Zeeuwse woningmarkt geleid. Hierbij is de noodzaak om barrières weg te nemen zodat alle Zeeuwen gemakkelijk deel kunnen nemen aan de samenleving. Hierbij draagt een schone, gezonde en veilige woonomgeving aan mee.
Toekomstbestendige bereikbare woon-, werk- en verblijfsomgeving
Woningvoorraad
Sinds 2014 is er in Zeeland sprake van een stabiele tot licht groeiende bevolking. De Zeeuwse bevolking neemt naar verwachting de komende jaren nog geleidelijk toe
tot bijna 400.000 in 2040 (bron: Provinciale bevolkings- en huishoudensprognose 2019). De groei is voornamelijk toe te schrijven aan de toestroom van nieuwe Zeeuwen. De vraag naar extra woningen neemt toe in steden en in goed bereikbare kernen met voorzieningen. Bundeling van voorzieningen in combinatie met een goede bereikbaarheid daarvan is een gezamenlijke uitdaging. Door de aanvullende woningbouw te concentreren in stedelijk gebied wordt niet alleen gebouwd waar de markt om vraagt, maar wordt ook het draagvlak voor voorzieningen in de directe omgeving behouden. Daarnaast zal het nodig blijven om de woningbouw in dorpen te faciliteren, dit zal dan primair via herstructurering, inbreiding binnen de bestaande kern, vervangende nieuwbouw en het verleggen van bestaande plannen naar nieuwe kansrijke locaties moeten gebeuren.
Bij woningbouw staan de ruimtelijke doelen van bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik hoog op de agenda. Doel is om een samenhangende gebiedsgerichte aanpak van stedelijke gebieden mogelijk te maken. Het is van provinciaal belang dat Zeeuwse steden de sociaaleconomische motor blijven van de provincie.
Wonen
Door vergrijzing en ontgroening neemt het aantal gezinnen af en (oudere) alleenstaande huishoudens juist toe. Hierdoor neemt de behoefte aan woningen nabij voorzieningen in steden en centrumkernen toe. Woningbouwprojecten hebben een gemeentegrensoverschrijdende impact. Het omgevingsplan benadrukt dan ook het belang van regionale woningmarktafspraken. De regionale woningmarktafspraken zijn bedoeld om regionaal woningbouwbeleid vast te stellen en dienen mede als onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Toetsing
De ontwikkeling is een aanvulling op de bestaande woningvoorraad binnen bestaand stedelijk gebied, op korte afstand van voorzieningen. Het gaat om een inbreidingslocatie binnen het dorp Meliskerke. Het bouwen op een inbreidingslocatie sluit aan bij het beleid van de provincie om aanvullende woningbouw te concentreren in stedelijk gebied en de ruimtelijke doelen van bundeling van zorgvuldig ruimtegebruik. De ontwikkeling is onderdeel van de nieuwbouwprogrammering en daarmee onderdeel van de Zeeuwse Woondeal. De woningen sluiten aan bij de vraag naar levensloopbestendige seniorenwoningen.
Conclusie
De ontwikkeling is in overeenstemming met de Zeeuwse Omgevingsvisie.
Een aantal onderwerpen uit het Omgevingsplan is juridisch vertaald in de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Voor woningbouw zijn in de omgevingsverordening alleen regels opgenomen voor kleinschalige woningbouw in het buitengebied. Verder zijn er algemene regels opgenomen die betrekking (kunnen) hebben op zowel het buitengebied als het bestaand stedelijk gebied. Een beperkt aantal regels heeft vooral betrekking op stedelijke functies. Ten behoeve van deze ontwikkeling is daarvan is geen sprake.
Van gemeenten wordt een bijdrage verwacht aan de uitvoering van de beleidsdoelen. Verder streeft de provincie naar realisering van beleidsdoelen. Daartoe wordt verwezen naar de inhoud van het Zeeuwse Omgevingsplan.
Conclusie
De ontwikkeling is in overeenstemming met de regels uit de Provinciale Omgevingsverordening Provincie Zeeland 2018.
De Omgevingsvisie Veere 2047 is op 23 maart 2023 vastgesteld door de raad van de gemeente Veere. Met de omgevingsvisie wordt er richting gegeven aan de toekomstige ontwikkelingen van de gemeente Veere. Het vormt een strategisch lange termijn visie op de fysieke leefomgeving. De visie beschrijft de kwaliteiten en ambities van de gemeente en de ontwikkelingen waar de gemeente voor staat en hoe deze bereikt kunnen worden.
De basis van de Omgevingsvisie Veere 2047 wordt gevormd door een gezamenlijke ambitie van de gemeente, inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties. De ambitie luidt als volgt: 'een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving met een vitale samenleving en economie'.
Om de ambitie te verwezenlijken zijn in de omgevingsvisie acht thema's met de belangrijkste doelstellingen opgenomen. Per thema zijn de belangrijkste opgaven voor de komende 25 jaar aangegeven. Met de mix aan opgaven geeft de gemeente aan wat nodig is om de doelen te kunnen realiseren. Dit vormt een kader waar de gemeente samen met initiatiefnemers, ondernemers en inwoners aan willen werken als gezamenlijke verantwoordelijkheid. De doelstellingen van de gemeente Veere zijn:
Toetsing en conclusie
In de kern van Meliskerke is voldoende vraag naar nieuwe woningen. Daarnaast worden alle woningen gasloos uitgevoerd waarmee er een bijdrage wordt geleverd aan de doelstellingen voor een duurzaam Veere. Het planvoornemen geeft dan ook uitwerking aan de doelen uit de 'Structuurvisie Veere 2047', namelijk de realisatie van levensloopbestendige woningen.
Samenvatting
Het cultureel erfgoed biedt in ieder geval mogelijkheden voor gemeente, bewoners en ondernemers. Om dat te bewerkstelligen heeft de gemeente Veere in juli 2015 de Structuurvisie Cultuurhistorie opgesteld met als rode draad Behoud door Ontwikkeling. In figuur 3.1. is een uitsnede van de kaart van de structuurvisie opgenomen. Daarnaast beschikt ook de provincie Zeeland over een uitgebreid bestand met gebouwde cultuurhistorische objecten.
Figuur 3.1 Fragment kaart Structuurvisie Cultuurhistorie Veere, rood omkaderd het plangebied (Bron: Gemeente Veere, bewerking Rho adviseurs)
Toetsing en conclusie
Uit figuur 3.1 blijkt dat het plangebied ligt in een gebied met een beperkt cultuurhistorisch waarde buiten de historische kern van Meliskerke.
Aanvullend is van belang dat de nieuwbouw zich goed voegt in de ruimtelijke-stedenbouwkundige structuur van het gebied en het ontwerp van de nieuwe gebouwen zal worden afgestemd op de omgeving. In dat kader zal vroegtijdig contact worden gezocht met de welstandscommissie.
Toetsingskader
In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig of projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Wanneer niet voldaan wordt aan de drempelwaarden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Daarbij lettend op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een milieueffectrapportage nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan, ondanks dat het ruim onder de drempelwaarde blijft, mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een 'vormvrije' mer-beoordeling.
Voor de terinzagelegging van een ontwerpbestemmingsplan moet een m.e.r.-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.
Bij een (vormvrije) mer-beoordeling is een van de aspecten waar naar gekeken moet worden cumulatie van effecten met andere ruimtelijke ontwikkelingen. Uit de wetgeving en bijbehorende toelichting blijkt niet duidelijk wat daar precies onder moet worden verstaan en hoe daarmee moet worden omgegaan.
Toetsing en conclusie
In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een aaneengesloten gebied met een oppervlakte van 100 hectare of meer, of 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. De beoogde ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarde.
Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een m.e.r-beoordelingsnotitie opgesteld. De m.e.r.-beoordelingsnotitie is opgenomen in bijlage 2.
Een goede ontsluiting en voldoende parkeerfaciliteiten zijn belangrijk voor een goed functionerende ontwikkeling. In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de gevolgen van het plan op de verkeerssituatie in de omgeving, de verkeersgeneratie, de ontsluiting en de wijze waarop voldoende parkeergelegenheid in het plan is gewaarborgd.
Gemotoriseerd verkeer
Het plangebied wordt omgeven door de Smidsbaerd, Sivertstraat en Pauwkoekstraat. Deze wegen zijn erftoegangswegen met een snelheidsregime van 30 km/uur. De Sivertstraat staat in directe verbinding met de Cornelis Jaspersestraat. Via deze straat kan in noordelijke richting de kern Aagtekerke bereikt worden. In zuidelijke richting kunnen de kernen Biggekerke, Zoutelande en de provinciale weg N288 bereikt worden. De ontsluiting van het plangebied voor gemotoriseerd verkeer voor de beoogde woningbouw is goed.
Langzaam verkeer
Fietsers maken gebruik van de erftoegangswegen. Rond het plangebied zijn geen gescheiden fietspaden aanwezig. Voor voetgangers is aan één zijde van de erftoegangswegen een voetpad aanwezig.
Openbaar vervoer
Aan de Kaasboerweg ten zuidoosten van het plangebied op circa 300 meter afstand is de bushalte 'Meliskerke, Dorp' gelegen. Hier halteren de bussen 53 en 647 elk uur. Deze bussen gaan richting Domburg en Middelburg.
Voor het realiseren van sociale huurwoningen dient rekening gehouden te worden met maximaal 6 verkeersbewegingen per woning. De extra verkeersbelasting komt hiermee op 36 verkeersbewegingen op met name de Sivertstraat. Deze Sivertstraat kent een zeer lage verkeersintensiteit aangezien enkel bestemmingsverkeer gebruik maakt van deze route. De Sivertstraat is van voldoende maatvoering en kan de extra verkeersbewegingen als gevolg van dit bouwplan goed verwerken.
De gemeente Veere heeft het parkeerbeleid vastgelegd in de Nota Parkeernormen gemeente Veere 2022. Deze normen zijn gebaseerd op de CROW publicatie 381 uit 2018.
In de Nota Parkeernormen gemeente Veere is opgenomen dat voor een sociale huurwoning rekening moet worden gehouden met 2 parkeerplaatsen per woning. Hierdoor is de extra parkeerbehoefte als gevolg van dit bouwplan 12 parkeerplaatsen. Het inrichtingsplan voorziet in de openbare ruimte in 12 parkeerplaatsen, waarvan 3 aan de zuidzijde van het project, 5 aan de westzijde en 4 aan de noordzijde. Deze parkeerplaatsen doen geen afbreuk aan de bestaande parkeercapaciteit en daarmee voorziet dit bouwplan in de eigen parkeerbehoefte. Deze parkeerplaatsen zijn een aanvulling op de al aanwezige parkeerplaatsen.
Op het gebied van verkeer en parkeren worden geen negatieve gevolgen op de bestaande situatie verwacht. De intensiteit kent een kleine toename die goed kan worden verwerkt en de extra parkeerbehoefte wordt volledig voorzien in het inrichtingsplan.
Toetsingskader
In het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk is opgenomen dat gemeenten bij het nemen van ruimtelijke besluiten rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
Toetsing en conclusie
In de Zeeuwse Omgevingsvisie of in de Omgevingsverordening 2018 van de provincie Zeeland is het plangebied en omgeving niet aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol gebied en zijn in de omgeving ook geen cultuurhistorisch waardevolle objecten aangegeven. Conform de Structuurvisie Cultuurhistorie Veere ligt het plangebied in een gebied met een beperkt cultuurhistorisch waarde buiten de historische kern van Meliskerke.
Hierdoor is van belang dat de nieuwbouw zich goed voegt in de ruimtelijke-stedenbouwkundige structuur van het gebied en het ontwerp van de nieuwe gebouwen zal worden afgestemd op de omgeving. In dat kader zal vroegtijdig contact worden gezocht met de welstandscommissie.
Toetsingskader
Op grond van de Wro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening worden gehouden. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.
Op basis hiervan zijn drie verschillende archeologische verwachtingszones onderscheiden. De archeologische verwachtingszones zijn in het bestemmingsplan 'Kom Meliskerke' vertaald naar drie archeologische dubbelbestemmingen. In de bouwregels van deze bestemmingen is bepaald dat er ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor betrokken bestemming geldende (bouw)regel - uitsluitend worden gebouwd indien het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologische deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is. Indien niet is voldaan aan voorgaande, zal de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport overleggen waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien in het genoemde rapport de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door een omgevingsvergunning voor het bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologische deskundige. Ook voor het uitvoeren van werkzaamheden die het bodemprofiel kunnen aantasten, is een vergunning met onderzoek en advies nodig. De dubbelbestemmingen verschillen van elkaar op het punt van de oppervlakte die is vrijgesteld van onderzoek.
Wettelijke meldingsplicht
Ook als er bij vooronderzoek geen behoudenswaardige archeologische waarden worden aangetroffen, is de kans aanwezig dat archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de graaf- en inrichtingswerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht ex artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Bij graafwerkzaamheden dient men dan ook attent te zijn op eventuele vondsten. Opdrachtgever verplicht de aannemers om attent te zijn op eventuele vondsten en/opsporen tijdens de werkzaamheden en verplicht hen archeologische vondsten onverwijld te melden bij de gemeente.
Toetsing en conclusie
In het bestemmingsplan 'Kom Meliskerke' is voor het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3' opgenomen. In deze bestemming is bepaald dat archeologisch onderzoek en advies niet nodig zijn indien de oppervlakte van de bodemverstoring niet meer dan 500 m2 bedraagt of als het gaat om een bodemverstoring die niet dieper reikt dan 40 cm.
In 2012 is door de Walcherse Archeologische Dienst (WAD) een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd. Het rapport is opgenomen in bijlage 4. Het volgende is geconcludeerd.
Uit het onderzoek is gebleken dat de kans op het aantreffen van archeologische resten op het terrein erg klein is. Het oude kaartmateriaal laat geen bebouwing zien in deze zone. Bovendien is de top van de kreek over zeker twee derde van het terrein vergraven bij de bouw van de school eind jaren ’70, begin, jaren ’80 van de vorige eeuw. Eventuele archeologische resten ter hoogte van de speelplaats zullen slechts fragmentarisch bewaard zijn gebleven door de aanleg van enkele zandbakken en toestellen. Op een dieper niveau bevinden zich geen archeologische resten meer. De diepe erosieve werking van de voormalige kreek zal mogelijke resten uit IJzertijd of Romeinse Tijd hebben weggespoeld.
Concluderend kan worden gesteld dat er zich binnen het plangebied geen behoudenswaardige archeologische resten bevinden. De WAD beveelt daarom dan ook geen archeologisch vervolgonderzoek aan op de locatie. Mochten er tijdens de werken onverhoopt toch nog archeologische vondsten en/of sporen worden aangetroffen, moet contact opgenomen worden met de Walcherse Archeologische Dienst
Toetsingskader
Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging, dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
Toetsing en conclusie
In 2017 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport is opgenomen in bijlage 5. Het volgende is geconcludeerd.
Wet bodembescherming
Geconcludeerd kan worden dat zowel de bovengrond als de ondergrond niet verontreinigd is. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, molybdeen en xylenen.
Besluit bodemkwaliteit
Geconstateerd kan worden dat zowel de bovengrond als de ondergrond voldoet aan de
achtergrondwaarde. De eventueel tijdens de bouwactiviteiten vrijkomende bovengrond is geschikt voor hergebruik ter plaatse. Mogelijk kan de bovengrond voldoen aan de eisen voor achtergrondwaarden grond. Voor een formeel oordeel van de toepassingsmogelijkheden van de vrijkomende grond (hergebruik) dient voldaan te
worden aan hetgeen beschreven staat in de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit (aanwezigheid bodemfunctiekaart en/of AP04 onderzoek). Vooralsnog dienen voor de overtollige grond, afkomstig van de onderzoekslocatie, de eisen van het binnen de gemeente van toepassing zijnde beleid in acht genomen te worden.
Gezien de resultaten van het onderzoek dient de gestelde hypothese "niet verdachte locatie" formeel gezien verworpen te worden. Gezien de geringe overschrijdingen en het van nature voorkomen van verhoogde achtergrondgehaltes in het grondwater is het echter gerechtvaardigd de gestelde hypothese te accepteren.
Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden dat binnen de huidige functieklasse geen gebruiksbeperkingen hoeven te worden gesteld aan de onderzoekslocatie. De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek.
De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering om de voorgenomen bouwplannen ter plaatse te realiseren. Geadviseerd wordt de resultaten van het onderzoek bij de aanvraag om omgevingsvergunning te voegen.
Het uitgevoerde bodemonderzoek is inmiddels zes jaar oud, sindsdien zijn op deze locatie geen andere functies uitgeoefend die voor bodemverontreiniging kunnen zorgen. Daarnaast is in 2020 een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd.
Geadviseerd wordt de resultaten van het onderzoek bij de aanvraag om omgevingsvergunning te voegen.
PFAS
In 2020 is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport is opgenomen in bijlage 6. Het volgende is geconcludeerd.
Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen grondtransacties en herontwikkelingen van de te onderzoeken percelen. In het kader van hergebruik van grond conform het ‘Tijdelijke Handelingskader voor hergebruik van PFAS houdende grond en baggerspecie’, is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ten aanzien van PFAS weten op de onderzoekslocatie onderzocht.
Op basis van de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat in geen van de geanalyseerde grondmengmonsters verhoogde gehalten ten opzichte van de actuele achtergrondwaarde aan PFAS (PFOS, PFOA of overige PFAS) zijn aangetoond. Op basis van de (huidige) toepassingsnormen voor PFAS voldoen de grondmengmonsters voor toepassing in bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur.
Overige NEN 5740 parameters zijn in onderhavig onderzoek niet onderzocht. Hiervoor wordt aangesloten bij de resultaten uit eerder in 2017 uitgevoerd bodemonderzoek.
Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Ten behoeve van het wijzigingsplan is het aanmeldformulier van het waterschap voor de watertoets ingevuld voor (zie bijlage 3). Dit aanmeldformulier moet voorgelegd worden aan het waterschap.
Toetsing en conclusie
Uit het aanmeldformulier blijkt dat er geen belangrijke aandachtspunten voor de waterhuishouding zijn.
Het aspect geluid kan betrekking hebben op:
De locatie valt niet binnen de geluidzone van een gezoneerd bedrijventerrein. Daarnaast is geen sprake van een geluidhinder producerend bedrijf in de omgeving. De aspecten industrielawaai en inrichtingslawaai zijn daarom niet relevant. Op het aspect wegverkeerslawaai wordt hierna ingegaan.
Toetsingskader
Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals woningen, aannemelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan de wettelijke geluidnormen indien deze zijn gelegen binnen de wettelijke geluidzone van gezoneerde wegen. Wegen zijn gezoneerd indien hier een maximum snelheid geldt van 50 km/uur of hoger. De breedte van de geluidzone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de binnen-of buitenstedelijke ligging.
Indien gelegen binnen de geluidzone van een weg dient in principe op de gevel van de geluidgevoelige functies voldaan te worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend, nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidbelasting op de gevel van geluidgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te bovengaan. De maximale ontheffingswaarde voor wegen is op grond van artikel 83 Wgh afhankelijk van de ligging van de bestemmingen (binnen-of buitenstedelijk). Onderhavig plan kent een ligging binnen de bebouwde kom. De maximale ontheffingswaarde bedraagt 63 dB.
Zoals gesteld zijn wegen met een maximumsnelheid van 30 km/u of lager op basis van de Wgh niet gezoneerd. Akoestisch onderzoek zou achterwege kunnen blijven. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Indien dit niet het geval is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidbelasting aan de gevels noodzakelijk, mogelijk en/of doelmatig zijn.
Toetsing
De ontwikkeling maakt gevoelige functies mogelijk welke aan de normen van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen te worden getoetst indien gelegen binnen de geluidzone van gezoneerde wegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dienen relevante niet gezoneerde wegen (30 km/u wegen) meegenomen worden in het onderzoek. Het gaat hier om de Smidsbaerd, Pauwhoekstraat en Sivertstraat. De verkeersbelasting op de Smidsbaerd, Pauwhoekstraat en Sivertstraat is dusdanig laag dat dit weinig geluid genereert en akoestisch onderzoek niet noodzakelijk is.
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft.
Onderzoek en conclusie
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van woningen. Rondom het plangebied bevinden zich woningen. Aan de Sivertstraat 46, op circa 10 meter, is conform het bestemmingsplan 'Kom Meliskerke' een kantoor en bedrijfswoning mogelijk. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter. Daarnaast ligt het bestemmingsplan 'Kernen Veere Plus' als voorontwerp ter inzage. In dit bestemmingsplan is de bestemming van de Sivertstraat 46 gewijzigd van kantoor naar wonen. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat de komst van de woningen zal geen gevolgen hebben voor het woon- en leefklimaat ter plaatse.
Het aspect milieuzonering staat de vaststelling van dit plan niet in de weg. Bedrijven worden niet in hun belangen geschaad en er is voor de nieuwe woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Toetsingskader
De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'Niet in betekenende mate' (het besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM. Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen.
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1. weergegeven.
Tabel 4.1. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
| stof | toetsing van | grenswaarde | |
| stikstofdioxide (NO2)) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ | ||
| Fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie | 25 µg/m³ | |
NIBM
In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
Toetsing en conclusie
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient het aspect luchtkwaliteit te worden onderzocht. In de huidige situatie is al een woning aanwezig. De verkeersgeneratie blijft gelijk en draagt daarom 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nagegaan hoe het met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is gesteld. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool die bij het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIML) hoort. De dichtstbijzijnde voor luchtkwaliteit relevante weg is de Walcherseweg (zie figuur 4.1). Hieruit blijkt dat zowel in 2021 als in 2030 voldaan wordt aan de voor dit jaar geldende normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in tabel 4.1.
Tabel 4.2 Toetsing aan grenswaarden maatgevende stoffen Wm
| stof | grenswaarde | maximale waarden in jaar 2021 | maximale waarden in jaar 2030 |
| stikstofdioxide (NO2) | 40 µg/m³ | 13,0 µg/m³ | 10,8 µg/m³ |
| fijn stof (PM10) | 40 µg/m³ | 14,6 µg/m³ | 13,2 µg/m³ |
| max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ | 6,0 µg/m³ | 6,0 µg/m³ | |
| Fijn stof (PM2,5) | 25 µg/m³ | 7,1 µg/m³ | 5,8 µg/m³ |
Figuur 4.1 Luchtkwaliteit, plangebied rood omcirkeld (Bron: CIML-monitoringstool)
Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk:
In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Risicorelevante inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.
Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water. De concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.
Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 -waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheid afstanden (PR 10-6 -contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.
Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.
Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
Buisleidingen
Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgevonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Onderzoek
Risicovolle inrichtingen
Er zijn in of nabij het plangebied geen Bevi of Brzo bedrijven aanwezig en leidt daarom niet tot ruimtelijke beperkingen voor de wijziging van het bestemmingsplan.
Het plangebied is niet gelegen in het invloedsgebied van de Westerschelde waarover
gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
In of nabij het plangebied bevinden zich geen leidingen voor bijvoorbeeld gastransport. Er zijn geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
Toetsingskader
Wet natuurbescherming
In de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht tot één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming
Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro.
Natura 2000-gebieden
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) h wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).
Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
De bescherming van deze gebieden heeft een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. In de provincie Zeeland heten deze gebieden dan ook NNZ (Natuurnetwerk Zeeland). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in het beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming
In het Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.
Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zeeland
In de provincie Zeeland worden in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage IV bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos , wezel en woelrat.
Onderzoek
Gebiedsbescherming
Natura 2000/Natuurbeschermingswet
Het plangebied is geen Beschermd Natuurmonument of Natura 2000-gebied. De afstand tot een Natura 2000-gebied bedraagt circa 2.500 meter. Dit betreft het Natura 2000-gebied 'Westerschelde & Saeftinghe', zie figuur 4.2.
Figuur 4.2 Ligging van de planlocatie (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebied (Bron: Provincie Zeeland)
Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De gevolgen voor verzuring en vermesting zijn niet op voorhand uit te sluiten daarom is onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie. De berekening naar de aanleg- en gebruiksfase en de bijbehorende memo zijn opgenomen in bijlage 7. Uit de rekenresultaten blijkt dat voor zowel de aanleg- als gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied. Derhalve is in het kader van de Wet natuurbescherming geen vergunning noodzakelijk. De stikstofdepositie vormt geen probleem voor de vergunningverlening.
Natuurnetwerk Zeeland
Het plangebied ligt niet in een gebied dat begrensd is in het kader van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Het dichtstbijzijnde gebieden dat deel uitmaakt van het NNZ ligt op ongeveer 1.500 meter. Dit is het gebied 'Zoutelande'. De geplande activiteit ligt op geruime afstand van de gebieden. De bouw en het gebruik van de woningen hebben vanwege de afstand en de ligging geen negatief effect op de natuurwaarden van de gebieden die zijn begrensd in het kader van het Natuurnetwerk Zeeland.
Figuur 4.3 Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natuurnetwerk Zeeland (Bron: Provincie Zeeland)
Soortenbescherming
Voor de ontwikkeling is een quickscan ecologie uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 8. Het volgende is geconcludeerd.
In het plangebied zijn enkele volwassen vitale bomen het behouden waard. In de zwarte elzen aan de noordkant van het plangebied is klimop in de zwarte elzen naar boven gegroeid. Naast deze zwarte elzen staat een zomereik van enkele tientallen jaren oud. De bomengroep met klimop heeft een belangrijke functie voor allerlei insecten. Bloeiende klimop is een belangrijke voedselleverancier in het late najaar en winter. Insecten komen op de nectar en stuifmeel af van de klimop. Vogels eten de rijpe bessen. Vleermuizen foerageren weer op de insecten.
In de zuidwesthoek staan drie walnootbomen. Eén exemplaar heeft aan de stam diverse beschadigingen en bij een wond van een afgebroken tak is een grote holte ontstaan. In deze holte zijn geen sporen van vogels of zoogdieren gevonden. Op termijn is het raadzaam om dit exemplaar te verwijderen. De andere zijn vitaal en het behouden waard. De noten zijn een bron van voedsel voor diverse vogels en zoogdieren. Ook buurtbewoners weten walnoten te waarderen. In de noordwesthoek bevindt zich een gewone vogelkers. Ook deze is vitaal en heeft een volwassen omvang. Bij de planvorming is het evident om de vitale bomen, hiervoor genoemd, in het nieuwe ontwikkelingsplan op te nemen.
Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden moeten de bomen beschermd worden voor beschadigingen aan de bast. Dit geldt ook voor de boomspiegels. In de buurt van de bomen geen zware materialen tijdelijk opslaan. Door de zware belasting van het bouwmateriaal op de ondergrond kan het wortelstelsel van de boom ernstig beschadigd raken.
De hagen rond het plangebied zijn van een grote omvang. Op enkele plaatsen zelfs meer dan 4 meter breed. De samenstelling van het plantmateriaal is zeer divers. In de loop van de jaren zijn er allerlei struiken verwilderd.
De haag heeft zich hierdoor ontwikkeld tot een rijke voedselbron voor allerlei vlinders en andere insecten en fungeert als schuilgelegenheid voor de aanwezige kleine zoogdieren. Het is aan te bevelen om de haag op de plaatsen waar dit mogelijk is te behouden. Voor de aanwezige fauna is deze haag met zijn gevarieerde samenstelling aan struiken en kruiden een belangrijke foerageerroute. Bij de herinrichting kan de breedte van de haag wat smaller gemaakt worden. Belangrijk punt en het behouden waard zijn de in de straat aanwezige groene lijnvormige elementen met de volwassen bomen. Eventuele verblijfplaatsen van grondgebonden kleine zoogdieren blijven zo ook behouden.
Kleine marterachtigen hebben een groot territorium. Incidenteel is het mogelijk dat zij het plangebied bezoeken en als jachtterrein gebruiken. De kans is echter klein dat kleine marterachtigen zich in de bebouwde kom laten zien. Van de steenmarter zijn wel gegevens bekend dat zij zich vaker ophouden in schuurtjes en verlaten zolders in de bebouwde kom. Meldingen van steenmarter uit de omgeving van Meliskerke zijn echter niet bekend of dat ook daadwerkelijk zo is. In het plangebied zijn geen beschermde natuurwaarden vastgesteld. In de omgeving komen wel diverse soorten vleermuizen voor. De vleermuizen maken gebruik van de lijnvormige elementen in het plangebied om er te foerageren. Tevens dienen ze ter oriëntatie om naar andere gebieden te migreren.
De werkzaamheden hebben in en op de omgeving geen significante verstoring op beschermde natuurwaarden. Bij de werkzaamheden dient te allen tijde de zorgplicht vanuit de Wet Natuurbescherming in acht genomen te worden.
Conclusie
De Wnb en het beleid van de Provincie Zeeland staan de ontwikkeling niet in de weg.
Toetsingskader
Planologisch relevante kabels en leidingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:
Toetsing en conclusie
In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij de percelen hoeft in de ruimtelijke onderbouwing geen rekening te worden gehouden.
Toetsingskader
Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe gebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Bijna Energieneutraal Gebouwen (BENG). Hierbij kan op verschillende manieren omgegaan worden met energie zuinigheid.
Toetsing en conclusie
Voor alle nieuwbouw geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Per 1 juli 2018 is het daarnaast verplicht gasloos te bouwen. De beoogde woningen worden bijna energieneutraal en worden zonder gasaansluiting gebouwd. Daarnaast worden er een warmtepompen en zonnepanelen aangelegd.
Dit wijzigingsplan is een wijziging van het geldende bestemmingsplan 'Kom Meliskerke' (hierna: basisplan) zoals dat op 3 maart 2011 door de gemeenteraad van Veere is vastgesteld. De wijziging vindt plaats op basis van de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 20.4 van dat basisplan. Op basis van die bepaling is de bestemming 'Maatschappelijk' gewijzigd naar de bestemming 'Wonen'. Tot slot is de bouwaanduiding 'twee-aan-een' en de functieaanduiding 'erf' toegevoegd.
Omdat er sprake is van een wijzigingsbevoegdheid is het opstellen van een complete set regels niet noodzakelijk en volstaat een verwijzing naar de regels van het basisplan. De regels van de bestemmingen 'Wonen' en 'Waarde - Archeologie 3' uit het basisplan zijn daarmee van toepassing.
Verder dienen volgens paragraaf 3.2 van het Besluit ruimtelijke ordening standaardregels in bestemmingsplannen te worden opgenomen. In artikel 1.1.1 sub 3 van dat besluit is bepaald dat onder een bestemmingsplan ook een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6. eerste lid onder a of b van de Wet ruimtelijke ordening wordt verstaan. Om deze reden zijn ook een anti-dubbeltelregel en het overgangsrecht opgenomen.
Een exploitatieplan is enkel noodzakelijk als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is. Het kostenverhaal is anderszins verzekerd. De gemeente Veere is eigenaar van de gronden binnen het plangebied. Na de vaststelling en inwerkingtreding van voorliggend wijzigingsplan, wordt het plangebied verkocht. Ten behoeve van dit plan heeft de gemeenteraad van Veere derhalve de grondexploitatie De Zeester Meliskerke vastgesteld.
Op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) dient bij de voorbereiding van een wijzigingsplan overleg plaats te vinden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Ter voldoening aan het bepaal de in artikel 3.8 lid 1, sub b, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) juncto artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het ontwerpwijzigingsplan toegezonden aan de Provincie Zeeland en Waterschap Scheldestromen. De Provincie Zeeland en het Waterschap Scheldestroom hebben aangegeven akkoord te zijn met het wijzigen van de maatschappelijke bestemming naar de bestemming Wonen.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van 6 weken, van 2 november 2023 tot en met 14 december 2023, voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon iedereen over het ontwerpbestemmingsplan een schriftelijke of mondelinge zienswijze indienen. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt.