6.3.1 Toelaatbare bebouwing
In aanvulling op het bepaalde in lid 6.1 is het toegestaan om niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bouwen met in achtneming van de volgende bepalingen:
-
a. de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelgrens mag niet minder dan 5 m bedragen;
-
b. de afstand van een gebouw tot de voorste perceelsgrens van het bouwperceel mag niet minder dan 5 m bedragen;
-
c. op het voorerf zijn geen aan-, uit-, en bijgebouwen en overkappingen toegestaan;
-
d. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan:
-
1. ter plaatse van de besluitsubvlakken 'Bedrijventerrein - Haven van categorie 2 - 3.1', 'Bedrijventerrein - Haven van categorie 3.1', 'Bedrijventerrein - Haven van categorie 3.2' , 'Bedrijventerrein - Haven van categorie 4.1' en 'Bedrijventerrein - Haven van categorie 4.1 - 4.2': 25 m;
-
2. ter van de besluitsubvlakken 'Bedrijventerrein - Haven van categorie 4.1 - 5.1': 40 m;
-
e. de bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, mag niet meer bedragen dan:
-
1. erf- en terreinafscheidingen: 3 m;
-
2. verlichtingsmasten en andere masten: 15 m;
-
3. procesinstallaties en silo's: 99 m;
-
4. schoorstenen: 99 m;
-
5. van hijskranen: 60 m;
-
6. van windturbines 20 m; in afwijking van het bepaalde in 17.3 wordt de bouwhoogte van deze windturbines gemeten vanaf het peil tot aan het uiteinde of de tip van de rotor in de hoogste stand;
-
7. zendmast: 50 m;
-
8. van een opslagtank of -silo: 40 m;
-
9. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 6 m.