5.3.1 Toelaatbare bebouwing
In aanvulling op het bepaalde in lid 5.1 is het toegestaan om niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bouwen met in achtneming van de volgende bepalingen:
-
a. een bouwperceel mag worden bebouwd tot niet meer dan 80%;
-
b. de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelgrens mag niet minder dan 3 m bedragen;
-
c. de afstand van een gebouw tot de voorste perceelsgrens van het bouwperceel mag niet minder dan 4 m bedragen;
-
d. op het voorerf zijn geen aan-, uit-, en bijgebouwen en overkappingen toegestaan;
-
e. de goothoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste:
-
1. ter plaatse van het besluitsubvlak 'Bedrijventerrein - B van categorie 2': de bestaande goothoogte dan wel 6 m in geval dat de bestaande goothoogte minder bedraagt dan 6 m;
-
2. voor het overige: de maximum bouwhoogte;
-
f. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan:
-
1. ter plaatse van het besluitsubvlak 'Bedrijventerrein - B van categorie 2': 4 m meer dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte;
-
2. voor het overige: 15 m;
-
g. de bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, mag niet meer bedragen dan:
-
1. erf- en terreinafscheidingen: 3 m;
-
2. verlichtingsmasten en andere masten 15 m;
-
3. procesinstallaties en silo's: 15 m;
-
4. schoorstenen: 15 m;
-
5. van windturbines 20 m; in afwijking van het bepaalde in 17.3 wordt de bouwhoogte van deze windturbines gemeten vanaf het peil tot aan het uiteinde of de tip van de rotor in de hoogste stand;
-
6. zendmast: 50 m;
-
7. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 6 m.