13.3.1 Toelaatbare bebouwing
In aanvulling op het bepaalde in lid 13.1 is het toegestaan om gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bouwen, met inachtneming van de volgende bepalingen:
-
a. de onderlinge afstand van niet-aaneengebouwde gebouwen op hetzelfde bouwperceel mag niet minder dan 1 m bedragen;
-
b. voorzover de gebouwen en overkappingen niet in de perceelsgrens worden gebouwd, mag de afstand tot de perceelsgrens niet minder dan 3 m bedragen;
-
c. de goothoogte van een gebouw mag niet meer dan 3,5 m bedragen;
-
d. de bouwhoogte van een gebouw mag niet meer dan 7 m bedragen;
-
e. de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen mag per volkstuin niet meer dan 10 m² bedragen;
-
f. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen, met dien verstande dat:
-
1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen;
-
2. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 1 m mag bedragen.