| Plan: | Terneuzen Midden, Van der Peijlstraat |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0715.BPTMD12-VG01 |
Woningcorporatie Clavis is voornemens om op de locatie van de voormalige schippersschool "De Groene Zwaan" aan de Van der Peijlstraat 1 in Terneuzen een complex voor begeleid wonen te realiseren. De voormalige school wordt gesloopt.
Voor de nieuwbouw heeft VG Architecten uit Sas van Gent een ontwerpstudie vervaardigd en een definitief ontwerp uitgewerkt. Het ontwerp gaat uit van 2 gekoppelde woonblokken met in totaal 16 appartementen. In paragraaf 1.2 is de globale ligging van het plangebied weergegeven. In hoofdstuk 2 wordt de toekomstige situatie van de locatie beschreven.
De beoogde ontwikkeling past niet in het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Terneuzen Midden' (vastgesteld 2009). Omdat het gaat om begeleid wonen is de gemeente Terneuzen bereid hieraan planologische medewerking te verlenen en hiervoor het bestemmingsplan te herzien. Voorliggend document bevat dit nieuwe bestemmingsplan.
Het begeleid wonen zal worden aangeboden door Zeeuwse Gronden die met Clavis een huurcontract zal aangaan voor naar verwachting ten minste 10 jaar. Om leegstand te voorkomen na afloop van het huurcontract is het gewenst om de appartementen te kunnen gebruiken als reguliere woningen. In dit bestemmingsplan wordt hierop geanticipeerd en wordt daarom ook aangetoond dat de gronden voor een woonfunctie geschikt zijn.
Het plangebied ligt in het noorden van de kern Terneuzen op de hoek van de Van Cantfortstraat en de Van der Peijlstraat. Direct ten noorden, oosten en zuiden van het plangebied bevinden zich woningen. Aan de westzijde bestaat de begrenzing echter uit een brede groenstrook die als buffer naar het havengebied fungeert.
Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Terneuzen, sectie M, perceelsnummer 1552.
Figuur 1.1: Kadastrale kaart met luchtfoto met plangebied blauw omlijnd (Bron: kadastralekaart.com)
Het plangebied ligt in het geldende bestemmingsplan 'Terneuzen Midden' dat is vastgesteld d.d. 17 december 2009. Daarin zijn de gronden ter plaatse bestemd als 'Maatschappelijk' en voorzien van de lettertekenaanduiding 'geluidsgevoelig maatschappelijk object'. Door middel van maatvoeringsaanduidingen is het bebouwingspercentage vastgelegd op 80% van het terrein en is de maximum goothoogte vastgelegd op 3 meter. Op deze gronden mogen binnen het bouwvlak gebouwen worden opgericht ten behoeve van de betreffende bestemming.
Binnen de bestemming 'Maatschappelijk' is (begeleid) wonen niet zonder meer toegestaan. Daarvoor zou een extra functieaanduiding moeten zijn opgenomen. Een dergelijke aanduiding ontbreekt nu. Bovendien voldoet het bouwplan niet aan de maatvoeringen die zijn opgenomen en is de beoogde functie niet meer te kwalificeren als een extra "geluidsgevoelig maatschappelijk object".
Om het planvoornemen ter plaatse te kunnen realiseren, is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Door middel van onderhavig bestemmingsplan wordt de gewenste situatie juridisch-planologisch vastgelegd.
Figuur 1.2: Aanduiding plangebied (in blauw) binnen het geldende bestemmingsplan 'Terneuzen Midden'
De toelichting op het bestemmingsplan heeft de volgende opzet:
Momenteel staat het gebouw aan de Van der Peijlstraat leeg. De locatie was voorheen in gebruik als zogenoemde ligplaatsschool (of schipperschool) "De Groene Zwaan". Als aanvulling van het onderwijs aan boord was het voor varende kinderen mogelijk om hier onderwijs te genieten. Door het gebrek aan leerlingen moest de school echter sluiten. Tot recent was in het voormalige schoolgebouw de voedselbank Zeeuws Vlaanderen gevestigd. De voedselbank is inmiddels verhuisd naar een andere locatie.
Figuur 2.1: Foto locatie anno 2014 (bron: Google Streetview © Google)
De leegstand heeft een negatieve uitstraling op de kwaliteit van de omgeving, nodigt uit tot vandalisme en leidt tot verloedering.
Figuur 2.2: Luchtfoto plangebied (bron: Geoloket Provincie Zeeland, 2017)
Al enige tijd is Clavis in gesprek met de gemeente Terneuzen over de herontwikkeling van het voormalige schoolgebouw aan de Van der Peijlstraat 1 te Terneuzen. In samenwerking met Zeeuwse Gronden, een instelling voor psychiatrische zorg, is een bouwplan voor de realisatie van complex voor begeleid wonen ontwikkeld.
Tussen Clavis en Zeeuwse Gronden zal een contract worden afgesloten voor het begeleid wonen. De insteek van beide partijen is een zo lang mogelijk periode, mogelijk de gehele planperiode (10 jaar) of langer. Deze speciale vorm van wonen wordt als dwingende eis in het bestemmingsplan vastgelegd.
Het bouwplan is voor Clavis echter alleen uitvoerbaar als de appartementen na opzegging huur direct door henzelf kunnen worden verhuurd als reguliere appartementen. Het gebruik voor wonen zonder begeleid wonen wordt nu weliswaar niet voorzien en is ook niet mogelijk omdat er binnen de regionale woningmarktafspraken geen capaciteit beschikbaar is en ook nog niet voldoende parkeren voor een gewone woonbestemming worden gerealiseerd. Maar na het vertrek van Zeeuwse Gronden moet het mogelijk zijn om snel te kunnen omschakelen naar reguliere sociale woningbouw. Hiervoor is een regeling dit bestemmingsplan opgenomen. Voor een verdere toelichting daarop wordt verwezen naar paragraaf 5.2.3.
Zeeuwse Gronden is een geestelijke gezondheidszorgorganisatie vooral voor mensen met een psychiatrische ziekte. De organisatie is opgericht om die doelgroep zo goed mogelijk te laten wonen. Het wonen is – voor ieder mens – bij uitstek de concrete vormgeving van het leven. Zeeuwse Gronden ontwikkelt, in samenwerking met plaatselijke gemeenten en woningbouwverenigingen, woonlocaties die bestaan uit een groep van zelfstandige appartementen en een gemeenschappelijke voorziening.
De woonlocaties van Zeeuwse Gronden maken het mogelijk om geïntegreerde zorg te bieden in de vorm van kleinschalig wonen, begeleiding, behandeling en dagbesteding aan personen voor wie geheel zelfstandig wonen (tijdelijk) niet langer mogelijk is. De combinatie van zelfstandigheid en gemeenschappelijkheid is belangrijk in het concept van Zeeuwse Gronden. Mensen wonen zelfstandig in een eigen appartement maar ontmoeten elkaar in de gemeenschappelijke ruimte. Ze gaan nieuwe sociale verbanden aan, wat een wezenlijke bijdrage levert aan hun herstel.
De familie van de bewoners wordt nauw betrokken bij het leven op de woonlocaties, ze zoeken hun familieleden op en er is regelmatig overleg met de begeleiding. Voor familie betekent dit dikwijls een herstel van contact met hun kinderen, die door hun psychiatrische ziekte in een sociaal isolement verkeerden en niet meer aanspreekbaar waren.
Zeeuwse Gronden is niet een instelling van hulpverleners, maar van cliënten, familie en medewerkers. Initiatieven rond dagbesteding, werken, kunstzinnige activiteiten worden samen ontwikkeld. De organisatie streeft er bewust naar een leef-, woon- en werkgemeenschap te zijn. Het doel is niet ‘destigmatiseren’ door voor te wenden dat een psychiatrische ziekte ‘gewoon’ is. Een psychiatrische ziekte is niet gewoon. Vaak brengt die ernstige beperkingen met zich mee en verwarring rond de eigen identiteit. Zeeuwse Gronden wil mensen in hun anders zijn een gewone plaats in de samenleving geven, met recht op wonen, werken en relaties. Kortom het gewone leven van iedere burger.
Het concept is gebaseerd op geïntegreerde zorg. Dat houdt een nauwe afstemming in tussen wonen, begeleiding in het dagelijkse leven en de behandeling. Wanneer de psychiater op bezoek komt, eet hij mee aan tafel en behandelt niet alleen de mensen in de spreekkamer. Korte lijnen, direct contact tussen cliënten, ouders, verpleegkundigen en psychiater – waardoor ook mensen met een ernstig verstoord functioneren zo zelfstandig mogelijk kunnen wonen.
Het doel is binnen iedere gemeente van Zeeland een woonlocatie te ontwikkelen zodat mensen met een ernstige psychiatrische ziekte in hun gemeente van herkomst zo zelfstandig mogelijk kunnen wonen.
Het beoogde complex voor begeleid wonen bestaat uit 3 verschillende gedeelten. De 2 woongedeelten zijn gesitueerd aan de buitenzijden en in het midden is een gemeenschappelijke ruimte geprojecteerd. Het gebouw bestaat uit twee verdiepingen. Op de begane grond zijn 7 appartementen voorzien en is een gemeenschappelijke ruimte met grote woonkamer/leefkeuken, een kantoor en een spreekkamer voorzien. Ook is hier de entree met de centrale hal gesitueerd. Op de eerste verdieping worden 9 appartementen gerealiseerd. Het totaal aantal appartementen bedraagt daarmee 16 stuks.
Aan de achterzijde van het gebouw een gemeenschappelijke fietsenberging gerealiseerd, losstaand van het hoofdgebouw. De exacte locatie moet nog worden bepaald.
Parkeren vindt plaats op eigen terrein. Conform de parkeernorm voor begeleid wonen (0,6 parkeerplaatsen per appartement) is het noodzakelijk om minimaal 10 parkeerplaatsen te realiseren. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 11 parkeerplaatsen op eigen terrein en voldoet daarmee aan de parkeernorm (zie ook paragraaf 4.1.3). Aan de achterzijde van het perceel waarop de plannen worden ontwikkeld en de bestaande woningen aan de Tramstraat wordt een brandgang aangelegd.
Figuur 2.3: Beoogde situatie (tekening: VG Architecten)
Figuur 2.4: Impressie; vooraanzicht vanuit Van der Peijlstraat (tekening: VG Architecten)
Figuur 2.5: Impressie; vooraanzicht vanuit Van Cantfortstraat (tekening: VG Architecten)
Meer volledige tekeningen van het bouwplan zijn opgenomen in bijlage 1.
Levensloopbestendig
De te realiseren appartementen in het woonzorgcomplex voldoen aan de eisen van levensloopbestendigheid, toegankelijkheid en gebruiksvriendelijkheid.
Energieneutraal
Het woonzorgcomplex wordt zoveel mogelijk energieneutraal gerealiseerd. De benodigde energiebronnen worden zelf opgewekt zodat er geen extra kosten zijn voor de bewoners.
Het bouwplan is zo opgezet dat na beëindiging van het huurcontract met Zeeuwse Gronden de hiervoor genoemde gemeenschappelijke ruimten (woonkamer/leefkeuken, kantoor en spreekkamer) kunnen worden verbouwd naar 2 gewone appartementen. Als dan ook de eis van begeleid wonen komt te vervallen, komt het totaal op appartementen voor gewone bewoning op 18. Een van de voorwaarden om de woningen dan aan te kunnen bieden als gewone woningen is dat moet worden voldaan aan de parkeernorm die op dat moment geldt. Voor reguliere appartementen geldt echter een hogere parkeernorm dan voor appartementen begeleid wonen. Conform de parkeernota 2015-2020 dient momenteel uitgegaan te worden van een parkeernorm van 1,25 parkeerplaatsen per appartement. In dat geval dienen dus 23 parkeerplaatsen (18 x 1,25) op eigen terrein te worden gerealiseerd. De huidige parkeerdruk in de omgeving biedt geen gelegenheid om parkeren (deels) op te vangen in het openbare gebied. Bij de huidige bouwplannen en inrichting van het gebied is daarom al rekening gehouden met de mogelijke toekomstige invulling met 23 parkeerplaatsen op eigen terrein. De 12 extra parkeerplaatsen die dan nodig zijn, zullen dan aan de achterzijde van het gebouw worden aangelegd.
Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
De drie rijksdoelen zijn uitgewerkt in 13 nationale belangen, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.
Toetsing
Voor het plangebied geldt dat bij de ontwikkeling van het voorgenomen plan geen nationale belangen uit de structuurvisie in het geding zijn. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het nationale belang van het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden worden behouden.
Het Rijk heeft met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) de nationale ruimtelijke belangen juridisch vastgelegd. Het gaat om regels voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, Natuur Netwerk Nederland, de kust, grote rivieren en militaire terreinen. Met de AMvB Ruimte maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen.
Toetsing
De regels van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn niet rechtstreeks van belang voor voorliggend bestemmingsplan.
In het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) is geregeld dat voor stedelijke ontwikkelingen - waaronder het bouwen van woningen - een onderbouwing in het bestemmingsplan noodzakelijk is (artikel 3.1.6. van het Bro). In de toelichting van een bestemmingsplan dat woningbouw mogelijk maakt, moet een onderbouwing worden opgenomen volgens de 'Ladder voor duurzame verstedelijking', die ook wel 'duurzaamheidsladder' wordt genoemd.
Via de duurzaamheidsladder stimuleert het Rijk de herstructurering van bestaand stedelijk gebied om de ontwikkeling van nieuwe terreinen te verminderen. Dit draagt bij aan economische dynamiek, zorgvuldig gebruik van ruimte en infrastructuur en behoud van de leefbaarheid van het stedelijk en landelijk gebied.
Op 12 mei 2017, is het besluit tot wijziging van de ladder voor duurzame verstedelijking in het Staatsblad verschenen. De wijziging voorziet in een aanpassing van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en is in werking getreden op 1 juli 2017. De belangrijkste wijzigingen betreffen een vereenvoudiging door het loslaten van de afzonderlijke 'treden' en het vervangen van het begrip 'actuele regionale behoefte' door 'behoefte'. Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt voor de wijziging is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting.
Geestelijke gezondheidsorganisatie Zeeuwse Gronden krijgt in de regio Terneuzen veel aanvragen voor begeleid wonen. De twee begeleid-wonen locaties in Terneuzen bieden niet voldoende ruimte om te voorzien in de aanvragen. Er is dus nadrukkelijk en aantoonbaar behoefte aan appartementen waar begeleid wonen wordt aangeboden. De beoogde nieuwbouw aan de Van der Peijlstraat 1 in Terneuzen dient te vervanging van de locatie Klaasenstraat te Terneuzen. Wat er met die locatie gaat gebeuren is nog niet bekend. Het gebouw heeft in het bestemmingsplan Terneuzen - centrum de bestemming Wonen. hergebruik voor deze functie ligt voor de hand.
Onderhavig bestemmingsplan voorziet tevens in een wijzigingsbevoegdheid naar een reguliere woonfunctie. Als voorwaarde voor de wijziging is onder andere opgenomen dat de actuele behoefte aan de te realiseren reguliere woningen moet worden aangetoond en passend moet zijn binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan het relevante rijksbeleid.
Inzet van beleid
In het omgevingsplan Zeeland 2012-2018 geeft de provincie haar beleidsvisie op de toekomst van Zeeland. Een sterke economie, een goed woon- en werkklimaat en kwaliteit van water en landelijk gebied zijn sleutelbegrippen. De verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid wordt primair bij de samenwerkende gemeenten gelegd. De provincie beperkt zich tot het bevorderen van de regionale samenwerking en het bewaken van een aantal eigen belangen.
Kort samengevat wordt ingezet op:
De voor de provincie relevante beleidskaders uit het Omgevingsplan zijn uitgewerkt in de Verordening Ruimte Provincie Zeeland (zie hierna paragraaf 3.2.2).
Een aantal onderdelen uit het Omgevingsplan is uitgewerkt in de Verordening Ruimte Provincie Zeeland (hierna PRV). Voor een belangrijk deel gaat het om regels die betrekking hebben op het buitengebied, zoals:
Verder zijn er algemene regels die betrekking (kunnen) hebben op zowel het buitengebied als het bestaand stedelijk gebied, zoals:
Een beperkt aantal regels heeft vooral betrekking op stedelijke functies, namelijk:
Van gemeenten wordt een bijdrage verwacht aan de uitvoering van de beleidsdoelen. Verder streeft de provincie naar realisering van beleidsdoelen met de inzet van andere instrumenten. Daartoe wordt verwezen naar de inhoud van het Omgevingsplan.
Toetsing
De locatie ligt binnen het gebied dat is aangeduid als bestaand stedelijk gebied. Door transformatie wordt de locatie ingevuld en krijgt deze een kwaliteitsimpuls.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan het provinciaal beleid.
Door een gestage verandering in het demografisch profiel is de regio Zeeuws-Vlaanderen aan een structurele transitie onderhevig. Vergrijzing, ontgroening en gezinsverdunning leiden tot een andere vraag naar woningen, voorzieningen en omgevingskwaliteit. Deze combinatie van factoren leidt tot een zekere zorg over de woningmarkt. De geprognosticeerde ontwikkelingen laten tegelijkertijd ook zien dat er kansen zijn voor de regio Zeeuws-Vlaanderen.
Het veranderlijk demografisch profiel leidt ook tot veranderingen in woonvoorkeuren. De verdere vergrijzing en huishoudensverdunning impliceert een toenemende vraag naar gebruiksvriendelijke en comfortabele woningen. Levensloopbestendigheid, duurzaamheid en flexibiliteit vormen daarbij het credo. Niet alleen de kwaliteit van de woning, ook de kwaliteit van de woonomgeving zal in toenemende mate een rol gaan spelen. De omgeving dient als het ware mee te groeien met de veranderende bewonersspiegel. Aard en omvang van het voorzieningenniveau zijn daarbij eveneens van belang.
Het scheiden van wonen en zorg is een actueel thema. De verzorgingsplaatsen verdwijnen (extramuralisering) en de verpleeghuiscapaciteit slinkt. Dit komt enerzijds door overheidsmaatregelen en anderzijds omdat ouderen langer zelfstandig willen blijven wonen. Scheiding van wonen en zorg vraagt een grotere zelfredzaamheid van de burger en onderstreept het nut en de noodzaak om levensloopbestendige woonconcepten te realiseren in combinatie met een daartoe afgestemd zorg(voorzieningen)beleid.
De visie geeft, binnen het regionale kader, perspectief en ruimte om lokaal passende maatregelen te treffen.
Toetsing
Het begeleid wonen concept dat in onderhavig bestemmingsplan is verwerkt komt voort uit een directe en acute behoefte van Zeeuwse Gronden. Het betreft een concept waarbij cliënten (nog) niet geheel in staat zijn zelfstandig te wonen en er dus een beperkte vorm van zorg noodzakelijk is.
Het nieuwe complex is in een later stadium (door middel van de wijzigingsbevoegdheid) eenvoudig te verbouwen ten behoeve van levensloopbestendige en flexibele, duurzame sociale woningen. Daarmee wordt nadrukkelijk aangesloten op het regionale beleid.
In de Structuurvisie Terneuzen 2025 wordt op hoofdlijnen vastgelegd waar de gemeente Terneuzen op maatschappelijk, economisch en ruimtelijk gebied zou moeten staan in 2025. De structuurvisie steunt op diverse beleidsdocumenten zoals de Gebiedsvisie Zeeuws-Vlaamse Kanaalzone en een aantal sectorale notities zoals de Structuurvisie Detailhandel, het wegencategoriseringsplan, het actieplan Economie en de notitie 'Op pad' van de provincie Zeeland, die als bouwstenen hebben gediend.
Bij het opstellen van de structuurvisie is gebruik gemaakt van de zogenaamde lagenbenadering die de kwaliteiten in een gebied met elkaar in verband brengt. De lagenbenadering wordt gezien als een zorgvuldige methode om ruimtelijke keuzes te onderbouwen.
Voor dit bestemmingsplan is met name het thema zorg van belang.
Zorg
Toetsing
De voorgenomen ontwikkeling speelt in op de veranderende vraag van de bevolking. Door de ontwikkeling van het begeleid wonen concept ter plaatse kan worden voldaan aan het uitgangspunt van de structuurvisie om zorg op maat dicht bij huis te bieden.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling past binnen het regionale en gemeentelijke beleid.
Op 6 juni 2013 is het beleidsstuk "Samenwerken aan Zorg en Veiligheid: Waar veiligheid, zorg en bestuur samen komen rond complexe problematiek" in werking getreden. Gemeenten hebben afgelopen jaren steeds meer (wettelijke) taken en verantwoordelijkheden gekregen voor de regie van zorg voor kwetsbare burgers met problemen op (meerdere) leefgebieden. In de nabije toekomst komen nog meer taken naar gemeenten in het kader van de transities op het sociale domein.
De wetgever verwacht dat gemeenten in het sociale domein zullen sturen op samenhang, zowel in beleid als in uitvoering. Samenhang betekent een (integrale)multidisciplinaire aanpak bij meervoudige problematiek en dus vergaande samenwerking, zowel tussen de partners in het veld als tussen de gemeenten en die partners.
Missie
De ambitie is om door samenwerking tussen de domeinen Veiligheid en Zorg, de zorg voor burgers te verbeteren.
Visie
Samenwerking maakt integrale aanpak van complexe probleemsituaties en hulpverlening krachtiger, effectiever en efficiënter. De uitgangspunten van de Wet Maatschappelijke Ontwikkeling, Concept Jeugdwet en het Landelijk Kader Veiligheidshuizen worden omarmd.
Vanaf 2013 voeren gemeenten de regie op het Veiligheidshuis. Gemeenten zijn daarmee verantwoordelijk voor de coördinatie op de samenwerking en de aansluiting tussen Veiligheid en Zorg. Op het terrein van zorg en veiligheid worden taken gedecentraliseerd naar gemeenten. Dit maakt het mogelijk meer samenhang en een betere verbinding te organiseren tussen de (lokale) zorgketens en (het) Veiligheid(shuis). Het veiligheidshuis dient goed aan te sluiten op de lokale behoeften.
Conclusie
Het plan is tot stand gekomen in samenwerking met de ontwikkelende partij, de gemeente Terneuzen en geestelijke gezondheidsorganisatie Zeeuwse Gronden. Het planvoornemen voorziet in het verbeteren van de zorg door te voorzien in een directe behoefte aan begeleid wonen voor mensen met een psychiatrische aandoening.
Het planvoornemen sluit nadrukkelijk aan op het beleid zoals vertaald in "Samenwerken aan Zorg en Veiligheid Zeeland".
Om een bijdrage te leveren aan de reductiedoelstellingen uit klimaatverdragen en aan andere broeikasgassen voor Nederland beschikt de gemeente Terneuzen over Activiteitenprogramma Klimaat en Duurzaamheid (vastgesteld door de gemeenteraad op 20 april 2017). In paragraaf 4.11 Energie en duurzaamheid wordt hierop verder ingegaan en wordt de voorgenomen ontwikkeling aan dit beleid getoetst.
Het plangebied wordt ontsloten op de Van der Peijlstraat en wordt via de Van Cantfortstraat verder geleid naar de gebiedsontsluitingsweg Axelsestraat. Zowel de Van der Peijlstraat als de Van Cantforstraat zijn gecategoriseerd als erftoegangswegen binnen de bebouwde kom met een maximum snelheid van 30 km/uur. De kruispunten zijn gelijkwaardig en (recent) voorzien van plateau's om de snelheid te remmen.
Voor het fietsverkeer vindt de ontsluiting op gelijke wijze plaats als voor het gemotoriseerd verkeer. Op de Van der Peijlstraat en de Van Cantfortstraat maken fietsers en gemotoriseerd verkeer gebruik van dezelfde rijbaan. De Axelsestraat is voorzien van fietssuggestiestroken. Voor voetgangers zijn langs alle wegen trottoirs aanwezig.
De ontwikkeling heeft ten opzichte van de huidige situatie een verkeerstoename tot gevolg. Ten opzichte van de planologische situatie waarbij ter plaatse een school is toegestaan, kent het planvoornemen eerder een verkeersafname. De verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling kan bepaald worden op basis van kencijfers van het CROW zoals opgenomen in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (2012).
Op basis van de gemeentelijke parkeernota ('Parkeernota 2015-2020 – Gemeente Terneuzen') geldt voor Terneuzen een matig stedelijke omgeving en ligt de ontwikkeling in het restgebied van de bebouwde kom. Daarbij gaat de gemeente Terneuzen uit van het gemiddelde van de door de CROW gegeven bandbreedte. De ontwikkeling betreft de realisatie van 16 begeleid wonen appartementen. Het gaat hierbij om zelfstandige woningen met beperkte zorgvoorzieningen (CROW functie aanleunwoning/ serviceflat). Voor dit type woningen geldt ten aanzien van de verkeersgeneratie een kencijfer van 2,45 mvt/etmaal per woning per weekdag.
Voor de realisatie van reguliere woningen (mogelijk via wijzigingsbevoegdheid) geldt een kencijfer van 3,6 mvt/etmaal per woning per weekdag (CROW functie huur, etage, midden/goedkoop). De totale verkeersgeneratie op een weekdag bedraagt op basis van 18 reguliere woningen 66 mvt/etmaal. Omrekening naar een werkdag vindt plaats op basis van een omrekenfactor van 1,11. Dit leidt tot een totale verkeersgeneratie op een werkdag van 74 mvt/etmaal. Een dergelijke verkeersgeneratie is dermate beperkt dat dit niet zal leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Voor erftoegangswegen geldt een maximaal wenselijke intensiteit van 5.000/6.000 mvt/etmaal. Deze intensiteit zal ook inclusief de verkeersgeneratie van de planontwikkeling niet overschreden worden.
In paragraaf 2.2.3 is al ingegaan op de geldende parkeernorm van 1,25 parkeerplaatsen per regulier appartement. De parkeernorm is ontleend aan de 'Parkeernota 2015-2020 – Gemeente Terneuzen'.
Dit bestemmingsplan voorziet in een wijzigingsbevoegdheid naar een reguliere woonfunctie met maximaal 18 appartementen. Aangetoond dient te worden dat de betreffende wijziging mogelijk is. Vooral het aspect parkeren is daarvoor relevant. Aan de achterzijde van het gebouw is voldoende ruimte aanwezig om de 12 extra parkeerplaatsen die dan nodig zijn, aan de achterzijde van het gebouw aan te leggen.
De verkeersontsluiting is voor alle modaliteiten goed. Daarnaast leidt de verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling niet tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Het plan voorziet ook in voldoende parkeerplaatsen om aan de parkeernormen van de gemeente Terneuzen te voldoen.
Toetsingskader
Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met cultuurhistorie. Hierin is opgenomen dat gemeenten bij het nemen van ruimtelijke besluiten rekening moeten houden met de aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging.
Voor de beoordeling van het aspect cultuurhistorie is de cultuurhistorische waardenkaart, als onderdeel van de structuurvisie 2025 van de gemeente Terneuzen beschikbaar.
Cultuurhistorische waardenkaart
De cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Terneuzen bestaat uit drie kaartbladen: 'behoud', 'behoud door ontwikkeling' en 'vernieuwing mogelijk'. in figuur 4.1 - 4.3 zijn de drie kaartenbladen voor de locatie weergegeven, inclusief legenda. Hierna wordt per kaartblad uitgelegd welke strategie voor de locatie geldt.
Figuur 4.1: Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Terneuzen - kaartblad 'Behoud'
Figuur 4.2: Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Terneuzen - kaartblad 'Behoud door ontwikkeling'
Figuur 4.3: Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Terneuzen - kaartblad 'Vernieuwing mogelijk'
Toetsing
In het plangebied liggen geen cultuurhistorische waarden. Tevens valt de locatie niet binnen één van de strategieën van de structuurvisie om cultuurhistorische waarden te versterken. Wel ligt de locatie binnen een gebied waar herstructurering mogelijk is. Het planvoornemen sluit daar nadrukkelijk op aan.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling past binnen het gemeentelijk cultuurhistorische beleid.
Inleiding
Op grond van de Wro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening worden gehouden. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan bij een ruimtelijk plan worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld.
Gemeentelijk archeologiebeleid
Op 27 januari 2011 is door de gemeenteraad van Terneuzen het interimbeleid archeologie vastgesteld. De insteek van dit beleid is het regelen van archeologie in ruimtelijke plannen. In een cyclus van 10 jaar zullen alle ruimtelijke plannen aangepast worden, waarbij archeologie in de plannen zal worden ingebracht of geactualiseerd aan de hand van het dan geldende beleid. Zolang de bescherming van archeologische waarde niet is geregeld in een ruimtelijk plan (bestemmingsplan of beheersverordening) fungeert als vangnet de Erfgoedverordening Terneuzen 2011. Deze verordening is geactualiseerd en is in samenhang met het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld.
In lijn met de intentie van de wetgever wordt een algemene vrijstelling van archeologisch onderzoek verleend tot 100 m2 en een reeds verstoorde diepte van 0,5 meter voor de zogenaamde kruimelgevallen.
Naast de hiervoor vermelde algemene vrijstelling kan vrijstelling van archeologisch onderzoek worden verleend indien reeds eerder aantoonbaar verstoring heeft plaatsgevonden. Hierbij kan gedacht worden aan ophogingen, ontgrondingen, wegcunetten, rioleringsleuven, bodemsanering en dergelijke. Een en ander dient ter beoordeling aan het bevoegd gezag (in de meeste situaties de gemeente) te worden voorgelegd.
Tot slot kan vrijstelling van archeologisch onderzoek eveneens worden verleend als:
Een en ander is uitgewerkt in een stroomschema dat is opgenomen in bijlage 1 van 'De onderste steen boven? Interim-beleid archeologie gemeente Terneuzen'. Voor de duidelijkheid is dit schema ook opgenomen in de bijlage 2 bij deze toelichting. Ook als er wel archeologische waarden aanwezig kunnen zijn, is niet altijd archeologisch onderzoek nodig. Aan de hand van de archeologische verwachtingswaarde wordt per deelgebied een grens gesteld waarboven archeologisch onderzoek verplicht is en waaronder vrijstelling wordt verleend.
Voor een aantal gebieden is de huidige kennis ontoereikend. Deze leemten worden in de toekomst ingevuld.
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen en vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening zal de toets aan het stroomschema het uitgangspunt zijn voor de beoordeling. Vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening is alleen aan de orde voor een gemeentelijk monument en een rijksmonument, niet voor archeologisch verwachtingsgebieden. Daarvoor geldt een verbodsregeling zonder de mogelijkheid van ontheffing.
Het toepassen van een grotere 'vrijstellingsdiepte' is in sommige gebieden denkbaar. Voor een weloverwogen afweging hierover beschikt de gemeente over een 'Vrijstellingenkaart Archeologie'. Hierop is aangegeven of en tot op welke diepte werkzaamheden op of in een terrein kunnen worden vrijgesteld van het opstellen van een archeologisch onderzoek(srapport). De vrijstellingenkaart wordt in bestemmingsplannen gekoppeld aan archeologische dubbelbestemmingen.
De 'Vrijstellingenkaart Archeologie' is geen statisch document, maar wordt op basis van nieuwe informatie om de paar jaar geactualiseerd. Op 14 november 2017 is de 'Vrijstellingenkaart Archeologie 2017' gepresenteerd.
Het archeologiebeleid is inmiddels in alle bestemmingsplannen en beheersverordeningen verwerkt. In het geldende bestemmingsplan is voor de gehele kern Terneuzen geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. In de plannen en verordeningen is, voor zover dat op grond van dat beleid nodig is, een regeling ter bescherming van mogelijk aanwezige verwachtingswaarden opgenomen waaraan een nieuwe bouwactiviteit met bodemverstorende werkzaamheden moeten worden getoetst.
Toetsing aan het beleid
In de bestemmingsplannen wordt doorgaans een diepte van ten hoogste 0,5 meter beneden het maaiveld gehanteerd waarvoor het verlenen van een omgevingsvergunning (voor het bouwen en voor grond- en sloopwerkzaamheden) vrijgesteld is van het opstellen van een onderzoek(srapport).
Hierna wordt beoordeeld of in het bestemmingsplan een regeling (onderzoeksplicht en vergunningstelsel) moet worden opgenomen die eventuele archeologische waarden planologisch beschermt.
Het plangebied maakt geen deel uit van een gemeentelijk of rijksmonument.
Figuur 4.4. AMK en IKAW (bron: https://archeologieinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/amk-en-ikaw)
Aan de hand van de geologische kaart kan nagegaan worden welke geologische, voor de archeologie relevante, bodemlagen aanwezig zijn.
In de gemeente Terneuzen kunnen archeologische resten in de bodem voorkomen tot in de Pleistocene afzettingen.
Op de geologische kaart blijkt dat 'Kreekafzettingen van Duinkerke DIIIa' (Do.3a ) aanwezig zijn (zie figuur 4.5):
Figuur 4.5 Geologische kaart Van Rummelen met aanduiding plangebied (in blauw)
Kreekafzettingen van Duinkerke DIIIa' (geologische laag Do.3a) zijn oudere afzettingen van Duinkerke (huidige benaming is Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren) uit de transgressie-regressie-periode 800 - 1000 na Chr. Aangezien het gaat om kreekafzettingen, is er een grote kans dat mogelijk in het verleden daar aanwezige resten zijn verdwenen. Om deze reden geldt voor afzettingen van Duinkerke III geen onderzoeksplicht.
Een uitsnede van de vrijstellingenkaart Terneuzen 2017 met het plangebied is opgenomen in figuur 4.6.
Figuur 4.6. Uitsnede 'Vrijstellingenkaart Archeologie 2017' met indicatieve aanduiding plangebied
Op de vrijstellingenkaart van de gemeente Terneuzen is het plangebied volledig vrijgesteld. Dit betekent dat er ook in het voorliggende bestemmingsplan geen regeling (dubbelbestemming) voor archeologie behoeft te worden opgenomen. Er hoeft ook geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.
Conclusie
Het aspect archeologie staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. Er behoeft ook geen regeling in het bestemmingsplan te worden opgenomen.
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren).
In opdracht van de gemeente Terneuzen is in februari 2017 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 3. In het onderzoek zijn in de grond, met zwakke bijmengingen van puin, kolengruis en/of metaal, overschrijdingen van de achtergrondwaarden voor enkele zware metalen, minerale olie en PAK aangetoond. In het grondwater zijn geen verhoogde gehalten van de geanalyseerde parameters aangetoond. Voor het onderzoek is uitgegaan van de hypothese verdacht voor bodemverontreiniging met diverse stoffen. De geconstateerde gehalten geven echter geen aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend of nader bodemonderzoek. Er dient wel rekening te worden gehouden dat ook licht verontreinigde grond niet zonder meer mag worden verplaatst of afgevoerd.
De huidige bodemkwaliteit levert geen belemmeringen op voor de toekomstige functie.
Ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling dient een watertoets met het waterschap overlegd te worden. Bij de watertoets gaat het om allerlei waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Bij het tot stand komen van deze paragraaf wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in de watertoets.
Bij het Waterschap Scheldestromen wordt gebruik gemaakt van een aanmeldformulier watertoets. In dit formulier zijn de hierboven genoemde aspecten verwerkt. Het formulier is opgenomen in bijlage 4. Uit de watertoets komt naar voren dat inzichtelijk dient te worden gemaakt wat de toename van verharding is ten opzichte van de huidige situatie. De huidige verharding bedraagt circa 1.200 m² waarvan ongeveer 450 m² aan bebouwing. Het toekomstige woongebouw krijgt een oppervlakte van circa 1.555 m². Daarachter wordt nog een gemeenschappelijke fietsenberging gebouwd met een oppervlakte van circa 100 m2. Aangezien de verharding van het voormalige schoolplein wordt verwijderd en de beoogde parkeerplaatsen worden uitgevoerd met grastegels, is er geen sprake van een toename van het oppervlak aan verharding. Er zal eerder sprake zijn van een afname. Dat zal naar verwachting ook het geval zijn wanneer een deel van de gronden achter het gebouw moeten worden ingericht voor extra parkeerplaatsen als het gebouw na afloop van het huurcontract tussen Zeeuwse Gronden en Clavis een gewone woonbestemming krijgt. Van het Waterschap Scheldestromen is een positief wateradvies d.d. 26 november 2018 ontvangen. Het advies is eveneens opgenomen in bijlage 4.
Gezien het voorgaande is het niet noodzakelijk om watercompenserende maatregelen te treffen. Het planvoornemen heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. Van het Waterschap Scheldestromen is een positief wateradvies ontvangen.
Toetsingskader
Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals woningen, aannemelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan de wettelijke geluidnormen indien deze zijn gelegen binnen de wettelijke geluidzone van gezoneerde wegen. Wegen zijn gezoneerd indien hier een maximum snelheid geldt van 50 km/uur of hoger.
De breedte van de geluidzone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de binnen- of buitenstedelijke ligging. Gezien de locatie zijn alleen wegen met een binnenstedelijke ligging van belang. De zone wordt gemeten vanaf de kant van de weg en is gelegen vanuit de as van de weg. De wegen in de omgeving van het plangebied hebben 1 of 2 rijstroken. Voor deze wegen bedraagt de zonebreedte aan weerszijden van de weg 200 meter.
Indien gelegen binnen de geluidzone van een weg dient in principe voldaan te worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend, nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidbelasting op de gevel van geluidgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde voor wegen is op grond van artikel 83 Wgh afhankelijk van de ligging van de bestemmingen (binnen- of buitenstedelijk). Onderhavig plan kent een ligging binnen de bebouwde kom. De maximale ontheffingswaarde bedraagt 63 dB.
Zoals gesteld zijn wegen met een maximumsnelheid van 30 km/u of lager op basis van de Wgh niet gezoneerd. Akoestisch onderzoek zou achterwege kunnen blijven. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Indien dit niet het geval is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidbelasting aan de gevels noodzakelijk, mogelijk en/of doelmatig zijn.
Ter onderbouwing van de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting wordt bij gebrek aan wettelijke normen aangesloten bij de benaderingswijze die de Wgh hanteert voor gezoneerde wegen. Vanuit dat oogpunt worden de voorkeursgrenswaarde en de uiterste grenswaarde als referentiekader gehanteerd. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB geldt hierbij als richtwaarde en de maximale ontheffingswaarde van 63 dB volgens de Wgh als maximaal aanvaardbare waarde.
Onderzoek
Binnen een afstand van 200 meter zijn de Kennedylaan, de Axelsestraat, de Verlengde van Steenbergenlaan en de Kerkhoflaan gezoneerde wegen. Deze wegen liggen op een afstand van respectievelijk 140, 120, 60 en 165 meter van het plangebied. Gezien de relatief grote afstand en de ligging achter (winkel)bebouwing, is de verwachting dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op het plangebied niet zal worden overschreden.
De Van der Peijlstraat en Van Cantfortstraat liggen in een 30 km zone. De verkeersintensiteiten op deze niet-gezoneerde wegen zijn dusdanig beperkt dat met een maximum snelheid van 30 km/u naar verwachting een akoestisch aanvaardbaar geluidniveau aanwezig is. Dit betekent dat de richtwaarde van 48 dB ook voor deze wegen naar verwachting niet wordt overschreden.
Akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai wordt hierdoor niet nodig geacht. Bovendien was de voormalige school ook een geluidgevoelige functie. Het geldende bestemmingsplan stond daarmee al een geluidgevoelige functie toe. Met onderhavig bestemmingsplan worden nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt in hetzelfde akoestische woon- en leefklimaat.
Conclusie
Het plangebied ligt op relatief grote afstand van gezoneerde wegen, waardoor overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt verwacht. Voor de aanliggende 30 km/u wegen wordt, door de lage snelheid en lage verkeersintensiteiten, ook geen overschrijding van de richtwaarde van 48 dB verwacht. Doordat in het geldende bestemmingsplan ook een geluidgevoelige functie bestemd was, kan worden gesteld dat de woningen in een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat worden mogelijk gemaakt.
Toetsingskader
De zonebreedte van spoorwegen is afhankelijk van de hoogte van het vastgestelde Geluidproductieplafond (GPP) en wordt gemeten uit de kant van de buitenste spoorstaaf. Meest nabijgelegen spoorlijn is de spoorlijn tussen Terneuzen en Sas van Gent (goederenspoor). Indien nieuwe woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de geluidzone van een spoorweg worden gerealiseerd, dient onderzoek plaats te vinden naar de geluidbelasting vanwege deze spoorweg. Voor nieuwe woningen bedraagt de voorkeursgrenswaarde van een spoorlijn 55 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. De maximale ontheffingswaarde mag daarbij niet worden overschreden. De maximale ontheffingswaarde voor nieuwe woningen bedraagt 68 dB.
Onderzoek
Voor het meest nabijgelegen spoortraject tussen Terneuzen en Sas van Gent (goederenspoor), geldt op basis van de vastgestelde GPP's een geluidzone van 100 meter. Het plangebied is gelegen op meer dan 300 meter van het spoor, waardoor akoestisch onderzoek naar spoorweglawaai achterwege kan worden gelaten. Er zal ten aanzien van het spoor sprake zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat.
Toetsingskader
Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) dienen alle industrie- en bedrijventerreinen, waarop inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, gezoneerd te zijn. De bedoelde inrichtingen - vroeger ook wel 'A-inrichtingen' genoemd - zijn nader genoemd in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht. Rondom deze industrieterreinen dient een geluidzone te worden vastgesteld en vastgelegd in bestemmingsplannen. Buiten deze zone mag de geluidbelasting als gevolg van het industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen. Bij het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige functies dient rekening te worden gehouden met de zonering van industrielawaai.
Onderzoek
Het voorliggende plangebied grenst aan de geluidzone van het industrieterrein Oostelijke Kanaaloever, zie ook figuur 4.7. De locatie ligt er echter niet binnen. De geluidzone vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen.
Figuur 4.7. Geluidzone industrieterrein Oostelijke Kanaaloever buiten plangebied
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft.
Het plangebied wordt naast woningen omgeven door bouwmarkten, detailhandel en een ergotherapiepraktijk. Er is dan ook sprake van een gemengd gebied.
Een ergotherapiepraktijk wordt niet specifiek in de VNG-publicatie genoemd maar is vergelijkbaar met een artsenpraktijk of consultatiebureau. Hiervoor geldt een richtafstand van 0 meter in een gemengd gebied. De ergotherapiepraktijk vormt dan ook geen milieuhinder ter plaatse van het plangebied en de beoogde woningbouw zal de bedrijfsvoering van de praktijk niet belemmeren.
De gronden aan de west- en noordzijde van het plangebied zijn bestemd voor 'Gemengd'. Binnen deze bestemming is een bouwvlak opgenomen dat is gesitueerd op een afstand van 7 meter vanaf het plangebied en binnen die afstand zijn (op basis van de aanduiding 'groenstrook') uitsluitend groenvoorzieningen toegestaan (zie figuur 4.8).
Figuur 4.8. Fragment bestemmingsplan Kennedylaan met bestemming 'Gemengd' en aanduiding 'groen'
Binnen de bestemming 'Gemengd' en binnen het bouwvlak zijn functies zoals garageboxen, groen en groenvoorzieningen, opslag en verkeer toegestaan. De zwaarste functie die is toegestaan is opslag. Voor opslaggebouwen geldt volgens de VNG-publicatie een richtafstand van 10 meter in een gemengd gebied. Het nieuwe woongebouw wordt op een afstand van minimaal 3 meter tot de plangrens gerealiseerd. Daarmee is planologisch en juridisch vastgelegd dat aan de richtafstand wordt voldaan.
Op grotere afstand (30 meter en meer) ten westen van het plangebied zijn ook detailhandel en horeca mogelijk. Hier zijn momenteel bedrijven als Gamma, BCC en Leen Bakker aanwezig. Voor dergelijke bedrijven geldt een richtafstand van maximaal 10 meter in een gemengd gebied. De afstand tot het plangebied bedraagt 25 meter. Aan de richtafstand wordt dan ook ruimschoots voldaan.
Verder zijn in de omgeving geen bedrijven aanwezig die een belemmering vormen voor de milieusituatie ter plaatse van het plangebied, of die door de beoogde ontwikkeling worden belemmerd in hun bedrijfsvoering.
Ter plaatse van het plangebied zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens worden de omliggende bedrijven ten gevolge van de beoogde ontwikkeling niet in de eigen bedrijfsvoering beperkt.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven.
Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
| Stof | Toetsing van | Grenswaarde |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ | |
| fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie | 25 µg /m³ |
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate
In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
De ontwikkeling betreft de realisatie van 16 appartementen voor begeleid wonen en een wijzigingsbevoegdheid naar een reguliere woonfunctie met maximaal 18 appartementen. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2017 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Guido Gezellestraat. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2016 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen.
Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden.
Risicovolle inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.
Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.
Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht.
Besluit externe veiligheid buisleidingen
In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Overeenkomstig de professionele risicokaart (https://nederlandprof.risicokaart.nl) waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn meerdere risicobronnen in de omgeving aanwezig (zie tabel 4.2).
Tabel 4.2 Overzicht risicobronnen
| Risicobron | Afstand tot plangebied (m) | PR 10-6 (m) of veiigheids zone |
Invloedsgebied GR (m)/ effectafstand | Binnen PR of invloedsgebied? | Signaleringszone plangebied | Verantwoording GR | |
| LPG Tankstation | 280 | 25 | 150 | geel | ja | ||
| Emplacement Terneuzen | 300 | - | - | nee | - | nee | |
| Katoennatie Westerschelde Containerterminal | 5.000 | Veiligheidszone DOW | 7659 | binnen effectafstand toxisch | - | nee | |
| Aardgasleiding Z-555-01 | 890 | - | 95 | nee | - | nee | |
| Spoor | >2.000 | - | >4.000 (D4) | binnen effectafstand toxisch | - | nee | |
| Kanaal Gent-Terneuzen | 950 | tot oevers | 1.070 (GT3) | effectafstand toxisch | geel | ja | |
| Westerschelde | 1.400 | tot oevers | 1.070 (GT3) | effectafstand toxisch | oranje | ja | |
| Chloorbleek opslag Scheldorado | 560 | - | 1.500 | binnen effectafstand toxisch | geel | ja | |
Uit bovenstaande tabel blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het plaatsgebonden risico 10-6/jaar van inrichtingen, transportroutes en buisleidingen dan wel binnen veiligheidscirkels van inrichtingen, zoals genoemd in het Revi.
Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied c.q. veiligheidscirkel van de inrichting Katoennatie, het spoor en kanaal Gent-Terneuzen. Door wijziging van bestemming Maatschappelijk in Wonen zal het aantal personen in het plangebied nauwelijks wijzigen en heeft de ontwikkeling weinig tot geen invloed op het groepsrisico.
Figuur 4.9: Uitsnede Signaleringskaart Veiligheidsregio Zeeland en ligging plangebied (zwarte cirkel)
Het plangebied ligt in de gele signaleringszone van het LPG-tankstation, kanaal Gent-Terneuzen en de inrichting Chloorbleek opslag Scheldorado. Dit betekent dat er sprake is van een beperkt risico. Er geldt een verantwoordingsplicht voor de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Het plangebied ligt daarnaast in de oranje signaleringszone van de Westerschelde. Dit betekent dat sprake kan zijn van een significant risico.
Verantwoording groepsrisico
Vanwege de ligging binnen de gele signaleringszone van het LPG tankstation, Kanaal Gent Terneuzen en Chloorbleekopslag Scheldorado en de oranje signaleringszone van de Westerschelde is een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Gelet op de ruime afstand en de beperkte omvang van de beoogde ontwikkeling zal het groepsrisico niet toenemen. Daarom kan worden volstaan met een beknopte verantwoording. In het kader van het wettelijk vooroverleg zal advies worden gevraagd aan de veiligheidsregio.
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid
Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn.
De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van en incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering te allen tijde een belangrijke rol.
Het plangebied wordt ontsloten op de Van der Peijlstraat en wordt via de Van Cantfortstraat verder geleid naar de gebiedsontsluitingsweg Axelsestraat. Via deze ontsluiting kan van de bron af gevlucht worden en is het plangebied goed bereikbaar voor hulpdiensten.
De mogelijkheden voor hulpverleningsdiensten zijn beperkt bij een toxische wolk en zijn vooral gericht op detectie en alarmering van bewoners “ramen, deuren en ventilatie openingen sluiten”.
Zelfredzaamheid
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een complex voor begeleid wonen. De aanwezigen zullen daarom verminderd zelfredzaam zijn. Er wordt vanuit gegaan dat het aanwezige personeel de verminderd zelfredzame personen zullen begeleiden.
Het maatgevende scenario betreft hier toxisch. Bij een calamiteit met toxische gassen kunnen, afhankelijk van de windsnelheid, personen binnen enkele kilometers gevaar lopen. Blootstelling kan alleen worden voorkomen als de aanwezige personen kunnen schuilen in gebouwen. De zelfredzaamheid wordt vergroot doordat mechanische ventilatie handmatig door gebruikers kan worden uitgezet en het gebouw “lekdicht” te maken. Hierdoor is het gebouw geschikt om te kunnen schuilen voor een toxische wolk. Daarnaast zal de zelfredzaamheid worden vergroot door preventieve voorlichting/communicatie richting de bewoners, bijvoorbeeld door het waarschuwings- en alarmeringssysteem-WAS dat wordt aangestuurd vanuit de gemeenschappelijke meldkamer Zeeland.
Het plangebied ligt binnen verschillende signaleringsgebieden van risicobronnen. Gelet op de ruime afstand tot de risicobronnen en beperkte omvang van de beoogde ontwikkeling zal het groepsrisico niet toenemen. Uit de verantwoording blijkt dat de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid voldoende zijn. De aanwezigen in het plangebied zijn verminderd zelfredzaam waardoor begeleiding van deze personen van belang is.
Wet natuurbescherming
Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming
Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro.
Natura-2000 gebieden
De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).
Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.
Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zeeland
In de provincie Zeeland worden in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage IV bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.
Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 (figuur 4.10). Het plangebied maakt ook geen deel uit van Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe, ligt op een afstand van circa 630 meter. Het dichtstbijzijnde NNZ-gebied ligt op gelijke afstand (figuur 4.11).
Figuur 4.10 Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. Natura 2000-gebied. Bron: Aerius Calculator
Figuur 4.11. Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Bron: provincie Zeeland
Het plangebied ligt niet in beschermde natuurgebieden. Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen daarom worden uitgesloten. Gezien de afstand kunnen ook effecten als verstoring en effecten op de waterhuishouding worden uitgesloten. Vanwege de geringe ontwikkeling en de ruime afstand tot stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe (circa 6 km), genereert de beoogde ontwikkeling qua stikstofdepositie evenmin problemen. De ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende soorten en typen uit Natura 2000-gebieden. Gezien bovenstaande conclusies staat de Wet natuurbescherming 2017 en het beleid van de provincie, de uitvoering van het plan niet in de weg.
Soortenbescherming
Om de effecten op beschermde soorten te kunnen bepalen is een quickscan uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 5.
In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het van belang om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of te werken op een manier dat vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt uitgesloten.
Op grond van het uitgevoerde onderzoek is geconcludeerd dat er geen effecten zijn op beschermde planten- en diersoorten; de voorgenomen sloop en nieuwbouw zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.
De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen,
hoogspanningsverbindingen aanwezig waarmee in dit bestemmingsplan rekening moet worden gehouden. Het aspect leidingen en kabels staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.
In 1992 is onder verantwoordelijkheid van de Verenigde Naties in Rio de Janeiro een Klimaatverdrag afgesloten met tot doel de emissies van broeikasgassen te reduceren en daarmee ongewenste gevolgen van klimaatverandering te voorkomen. Vrijwel alle lidstaten van de Verenigde Naties, waaronder Nederland, hebben het verdrag geratificeerd. In het verlengde daarvan is in 1997 het Kyoto-protocol overeengekomen en in 2015, op de Klimaatconferentie van Parijs 2015 het Akkoord van Parijs.
In het klimaatverdrag van Parijs hebben 195 landen ervoor getekend om de mondiale temperatuurstijging tot ruim onder 2 graden Celsius te beperken, en daarbij te streven naar een verdere beperking van de opwarming tot maximaal 1,5 graad Celsius. De Europese Unie heeft namens alle lidstaten harde toezeggingen gedaan om de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met ten minste 40 procent te verminderen ten opzichte van 1990. De Nederlandse Rijksoverheid legt de lat echter hoger dan deze toezegging en acht maatregelen noodzakelijk die voorbereiden op een extra reductie van 9 procent. In het verlengde hiervan is in het regeerakkoord van het Kabinet Rutte III vastgelegd dat er in nieuwbouwwijken niet meer standaard een gasnet wordt aangelegd. De aansluitplicht van woningen op gas wordt vervangen door een warmterecht, waarmee eindgebruikers aanspraak kunnen maken op een aansluiting op een (verzwaard) elektriciteitsnet of een warmtenet.
Een duurzame ontwikkeling stelt eisen aan het energiegebruik en de energiebronnen van de locatie. Het beperken van het energieverbruik is geregeld in het Bouwbesluit. Daarin worden namelijk eisen gesteld aan de energiezuinigheid van nieuwe woningen. Naast de eisen aan de EnergiePrestatieCoëfficiënt (EPC) staan in het Bouwbesluit de eisen aan thermische isolatie en luchtdoorlatendheid. Voor woningen geldt vanaf 1 januari 2015 de EPC-eis 0,4. Dit is een scherpe eis. Als gevolg van het regeerakkoord van het Kabinet Rutte III worden vanaf eind 2020 ook de energieprestatie-eisen voor nieuwbouw aangescherpt. In plaats van de EPC komen drie nieuwe eisen voor 'bijna energieneutrale gebouwen'. De reden daarvoor is dat een lage EPC niet betekent dat een gebouw ook duurzaam wordt gebouwd. Het primair energiegebruik van nieuwe woningen mag in de toekomst niet hoger zijn dan 25 kWh per m2 per jaar. (Ter vergelijking: dit komt ongeveer overeen met een EPC van 0,2.)
Het kabinet maakt ook afspraken met gemeenten, provincies, waterschappen en netbeheerders om de gebouwde omgeving te verduurzamen. Dit wordt nader uitgewerkt in het Landelijke Klimaatakkoord.
Relevant voor de beoogde ontwikkeling is de wijziging van de Gaswet per 1 juli 2018. Door de wijziging van de Gaswet mag de netbeheerder geen gasaansluitingen meer realiseren bij nieuwbouw. Per 1 juli 2018 is het niet meer toegestaan om een bouwvergunning aan te vragen voor een nieuw bouwwerk met een gasaansluiting van maximaal 40m3 gas per uur.
Om een bijdrage te leveren aan de reductiedoelstellingen uit de klimaatverdragen en aan andere broeikasgassen voor Nederland beschikt de gemeente Terneuzen over haar Activiteitenprogramma Klimaat en Duurzaamheid (vastgesteld door de gemeenteraad op 20 april 2017).
Relevante ambities en activiteiten uit het Activiteitenprogramma Klimaat en Duurzaamheid voor de beoogde ontwikkeling zijn:
De gemeente Terneuzen zal de mogelijkheden onderzoeken om Nul-Op-De-Meter nieuwbouw en renovatie te faciliteren en te stimuleren. In deze fase zal dit gericht zijn op het bevorderen van samenwerking tussen partijen in de bouwkolom. Hiervoor heeft de gemeente op 10 februari 2017 het Zeeuws Energieakkoord mee ondertekend. Er is een Zeeuwse Stroomversnelling in voorbereiding waarbij de Zeeuwse woningcorporaties een trekkersrol hebben met Nul-Op-De-Meter of Bijna-Energie-Neutrale nieuwbouw- en renovatieprojecten (Activiteit 19. Aandacht voor energie in prestatieafspraken met woningcorporaties en in projecten).
Voor de beoogde ontwikkeling is relevant dat wordt ingezet op:
Verder stimuleert de gemeente Terneuzen de toepassing van warmte- en koudeopslag in de bodem (bodemenergiesystemen). De gemeente beschikt over een (concept) kansenkaart waarop relevante informatie voor bodemenergiesystemen is aangegeven.
Er zijn in het Activiteitenprogramma geen (nieuwe) acties benoemd voor de thema's bodem, luchtkwaliteit en geluid. Hiervoor wordt verwezen naar bestaande beleidsplannen met bijbehorende activiteiten en budgetten.
Voor openbare verlichting zal de gemeente Terneuzen de beleidslijn uit het Beleidsplan Openbare Verlichting 2015-2024 voortzetten om LED of andere energiezuinige types verlichting verder uit te bouwen (met de bijbehorende geraamde budgetten) (Activiteit 10. Energiezuinige Openbare Verlichting verder uitrollen).
Ingezet wordt op een laag energieverbruik en lage onderhoudskosten. Er is geen verplichting om energieneutraal te bouwen, maar gestreefd wordt naar een zo energiezuinig mogelijk gebouw. Het zal minimaal voldoen aan de EPC-eisen uit het bouwbesluit (bij voorkeur woningbouw en anders gezondheidszorg). Ten behoeve van de omgevingsvergunning voor bouwen zal een energie-prestatieberekening worden uitgevoerd. Waar mogelijk binnen de genormeerde investeringskosten, worden energiebesparende maatregelen door duurzame klimaatinstallaties toegepast (warmteterugwinning minimaal 80%).
Uit het voorgaande blijkt dat nieuwbouwplannen en dus ook het plan voor de ontwikkeling van het plangebied niet meer de verplichting hebben om op het gasnet te worden aangesloten. Om gasloos te bouwen zijn er verschillende opties:
In het plan van Woningcorporatie Clavis voor een complex voor begeleid wonen wordt geen gebruik gemaakt van aardwarmte. In plaats daarvan is gekozen voor het plaatsen van zonnepanelen op het dak. Indien technisch en financieel haalbaar zullen installaties voor warmte- en koudeopslag (WKO) worden toegepast. Dit zal in de uitvoeringsfase worden onderzocht.
Naast maatregelen om energie en daarmee CO2 uitstoot te beperken worden andere duurzaamheidsmaatregelen toegepast. Zo worden voor de bouw worden duurzame- en onderhoudsarme materialen gebruikt. Vooral de gevels en gevelopeningen worden met onderhoudsarm materiaal uitgevoerd.
Ook worden maatregelen genomen om het waterverbruik te beperken, zoals waterbesparende toiletten met een spoelcapaciteit van 4 liter (instelbaar) en wordt afstromend hemelwater van terrein en daken geïnfiltreerd in de bodem of vertraagd worden afgevoerd op het oppervlaktewater.
Op verschillende niveaus van de planontwikkeling wordt ingezet op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling.
Toetsingskader
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig (bijlage C en D), projectmer-plichtig (bijlage C) of mer-beoordelingsplichtig (bijlage D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Onder deze drempelwaarden is een ontwikkeling niet rechtstreeks planmer-, projectmer of mer-beoordelingsplichtig.
Concreet voor deze situatie heeft de ontwikkeling betrekking op de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen , is deze situatie vermeld in de bijlage D. onderdeel D11.2 van het Besluit m.e.r is hier niet het geval.
Sinds 7 juli jl. is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een MER nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan - ondanks dat het ruim onder de drempelwaarde blijft - mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een “vormvrije” mer-beoordeling.
Onderzoek en conclusie
Kenmerken
De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 16 begeleid wonen appartementen (18 reguliere appartementen na wijziging). De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Het plan is daarom als zodanig niet MER-plichtig.
Ligging locatie
Het plangebied ligt niet in gevoelig gebied zoals bedoeld in kolom 2 van D.8.1 van bijlage bij het Besluit m.e.r.. Het plan rechtvaardigt dan ook geen MER.
Kenmerken potentiële effecten
De effecten van de ontwikkeling op ecologische waarden zijn onderzocht. Verwezen wordt naar paragraaf 4.9 en bijlage 5. Hieruit blijkt de ontwikkeling niet leidt tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en op beschermde soorten.
De nieuwe woonfunctie veroorzaakt geen evenmin andere milieueffecten naar de omgeving die aanleiding moeten zijn om een MER uit te voeren. Voor de onderbouwing hiervan wordt verwezen naar de toetsing aan de milieu- en omgevingsaspecten in de voorgaande paragrafen.
Gelet op de plaats en de kenmerken van de potentiële effecten kan op voorhand worden geconcludeerd dat er geen belangrijke negatieve milieugevolgen aan de orde zijn die een milieueffectrapportage rechtvaardigen.
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde ruimtelijke ordeningsstandaarden (thans SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar.
Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is van belang voor bestemmingsplannen.
Ten aanzien van de opzet van de bestemmingsregeling (verbeelding en planregels) is het volgende van belang.
Eisen aan de verbeelding
Belangrijke eis is dat het bestemmingsplan dient te voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en voor één uitleg vatbaar dient te zijn. In aansluiting hierop en in relatie tot de digitale verplichting verdient het de voorkeur zoveel mogelijk onderdelen van de regeling op de verbeelding zichtbaar te maken en de regels zo transparant mogelijk te houden.
Op de verbeelding wordt met bestemmingen en aanduidingen aangegeven welk gebruik is toegestaan en of er ten behoeve van die bestemmingen mag worden gebouwd. De bestemmingen worden door middel van hoofdletters aangeduid, zoals 'W' voor 'Wonen'. Met aanduidingen kan het gebruik nader worden gespecificeerd en het bouwen worden gereguleerd.
De gehanteerde bestemmingen
Voor het gehele plangebied is de enkelbestemming 'Wonen' opgenomen. Binnen deze bestemming zijn ook de mogelijkheden opgenomen voor de ordening van de openbare ruimte.
Op grond van SVBP2012 hebben de hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, de volgende vaste volgorde.
Ook bij de opstelling van een Bestemming (Hoofdstuk 2 van de regels) moet een vaste volgorde gebruikt worden: Een bestemmingsregel behoeft niet alle voorgeschreven elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels.
Voorts is in het Bro een aantal bepalingen opgenomen waaraan de regels van het bestemmingsplan moeten voldoen. Het gaat hierbij om een aantal begrippen, regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti-dubbeltelbepaling.
Tot slot dienen de regels zoveel mogelijk aan te sluiten bij de regels van andere bestemmingsplan binnen de gemeente Terneuzen.
Wonen (Artikel 3)
Wonen met zorg is er in vele vormen. Zonder volledig te zijn is er:
De vraag is hoe deze uiteenlopende vormen te bestemmen. De eerste categorie is duidelijk wonen en de laatste categorie maatschappelijk. De feitelijke omstandigheden van de woonvorm bepalen of sprake is van zorg of wonen. De mate van zorg en de mate van zelfstandigheid zijn hierin leidend.
In het project van Zeeuwse Gronden is sprake van zelfstandige bewoning met begeleiding. Dit gegeven en de wens dat de appartementen later eventueel ook als reguliere woningen kunnen worden gebruikt, heeft geleid tot een woonbestemming. Omdat woningbouwcontingenten voor deze locatie nog niet beschikbaar zijn, en er nog niet voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd voor reguliere woningen, mogen de appartementen vooralsnog alleen worden gebruikt voor begeleid wonen. Het gebruik van de appartementen zonder een indicatie van Zeeuwse Gronden is daarom niet toegestaan. Dit is geregeld met de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - maatschappelijke woonvoorziening'. Ook is het aantal appartementen/woningen gemaximeerd op 16. Wanneer de twee belemmeringen voor een reguliere woonfunctie zijn weggenomen, kunnen de appartementen alsnog daarvoor worden gebruikt. Hiervoor is binnen de bestemming een Wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - maatschappelijke woonvoorziening' te verwijderen. Aan die wijzigingsbevoegdheid zijn enkele voorwaarden verbonden waaronder het maximaal aantal woningen van 18. Dit betreft het (fysiek) maximale aantal mogelijke appartementen binnen de beoogde bebouwing. Verder dient de actuele behoefte aan de woningen te worden aangetoond en te passen binnen de regionale woningmarktafspraken Zeeuws-Vlaanderen.
Binnen de bestemming zijn tevens de mogelijkheden opgenomen voor bij de bestemming behorende voorzieningen in de (openbare) ruimte, zoals groen, speelvoorzieningen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en toegangswegen. Hoofdgebouwen zijn enkel toegestaan binnen het bouwvlak. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen zijn toegestaan binnen de hele bestemming.
Om de openbare ruimte ten aanzien van de parkeerdruk niet zwaarder te belasten is het belangrijk dat het noodzakelijk aantal parkeerplaatsen op eigen terrein wordt gerealiseerd. Om dit ook planologisch-juridisch te borgen is een specifieke parkeerregeling opgenomen (zie 3.3.1). Daarin wordt geregeld dat, afhankelijk van de soort woning (begeleid of regulier), voldaan moet worden aan de parkeernorm geldend voor de betreffende woningtypologie en parkeren op eigen terrein moet worden opgelost.
Deze algemene regels bestaan uit een aantal algemene, niet aan specifieke bestemmingen gekoppelde, bepalingen.
Anti-dubbeltelregel ( Artikel 4 )
Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Bro vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen. De anti-dubbeltelbepaling voorkomt dat het overgedragen erf nog eens in de beoordeling van de bouwmogelijkheden op het oorspronkelijk deel erf kan worden betrokken.
Algemene bouwregels (Artikel 5)
Dit artikel bevat één lid, namelijk "Overschrijding bouwgrenzen" (lid 5.1): Dit is een regeling voor beperkte en ondergeschikte overschrijding van de grenzen van bouwvlakken.
Algemene aanduidingsregels
In het plan zijn geen algemene aanduidingen opgenomen.
Algemene afwijkingsregels (Artikel 6)
Voor ondergeschikte afwijkingen van de bestemmingsplanbepalingen (de bouwregels) is een algemene afwijkingsregel opgenomen.
Algemene wijzigingsregels (Artikel 7)
In dit artikel (lid 7.1) is een algemene flexibiliteitsbepaling opgenomen om voor bepaalde onderdelen van bestemmingen of gebouwen dan wel bouwwerken af te wijken van de bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Deze bepaling gaat verder dan die van artikel 5.1. Vandaar dat hier altijd een wijziging voor nodig is van burgemeester en wethouders. Overigens geldt ook hier dat deze bepalingen als algemene regel gelden voor alle bestemmingen.
Het criterium 'van belang voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken' kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als bij nader inzien:
Het gaat in de meeste gevallen om de praktische uitvoering van het plan, waarbij geen belangen van derden worden geschaad.
Het criterium 'in verband met de werkelijke toestand van het terrein' is vooral aan de orde in situaties waarbij een terrein of gebied een geheel nieuwe inrichting krijgt en waarbij in het veld maar weinig aanknopingspunten zijn. Bij het uitzetten van het gebied blijkt dat de afmetingen niet exact gelijk zijn aan de coördinaten op tekening/in het digitale bestand en dat de situering van de nieuwe openbare wegen en de uitgeefbare percelen iets moet worden aangepast. Gezien de nauwkeurigheid van tegenwoordig, gaat het daarbij om centimeters in plaats van meters.
Overige regels ( Artikel 8 )
Ook dit artikel bevat één bepaling, namelijk "Werking wettelijke regeling". In een (toenemend) aantal gevallen wordt in de regels van bestemmingsplannen verwezen naar een (andere) wettelijke regeling of wordt een procedure, begrip en / of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard). Ook in de begripsbepalingen komen die verwijzingen voor. Op grond van jurisprudentie mag een bestemmingsplan slechts volgens de vereiste procedure van de Wro worden gewijzigd. Het impliciet wijzigen van een bestemmingsplan door wijzigingen in wetgeving in de bepalingen waarnaar wordt verwezen is niet toegestaan. Het is dan ook nodig dat verwijzingen naar toepasbare wettelijke regelingen worden gefixeerd, namelijk naar de tekst ervan zoals die op het moment van vaststelling van het plan gold. Uit praktische overwegingen is er voor gekozen in dit hoofdstuk van de regels een artikel "Wettelijke regelingen" op te nemen, waarin is bepaald dat alle wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan. Hierdoor behoeft niet meer telkens te worden verwezen naar publicaties in het staatsblad.
In artikel 9 Overgangsrecht is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. In lid 9.1 is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen. In lid 9.2 is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen.
Clavis is in staat om alle voorbereidings- en uitvoeringskosten geheel uit eigen middelen te financieren, inclusief de aankoop van de grond Ook de exploitatie van de woonvoorziening is gegarandeerd door Zeeuwse Gronden. De ontwikkeling komt niet ten laste van de publieke middelen. De financiële uitvoerbaarheid is daarmee afdoende aangetoond. Gelet op het vertrouwelijke karakter zijn financiële gegevens niet in deze paragraaf opgenomen.
In de Wro zijn regels opgenomen over de grondexploitatie. Deze regels verplichten tot kostenverhaal door de gemeente. Hiervoor dient de gemeenteraad bij vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen.
Er is sprake van kostenverhaal (6.2.3. tot en met 6.2.5. van het Bro) als een bouwplan zoals aangegeven in 6.2.1 Bro wordt mogelijk gemaakt. Het bouwplan wordt als dergelijk bouwplan aangemerkt. Op grond van artikel 6.12.2 sub a van de Wet ruimtelijke ordening hoeft geen exploitatieplan opgesteld te worden indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd.
De standaard procedurekosten (dit exclusief de reguliere bouwleges) zijn, naast andere relevante zaken, op voorhand vastgelegd in een grondexploitatieovereenkomst tussen gemeente Clavis. Omdat het kostenverhaal anderszins is verzekerd, hoeft er geen exploitatieplan te worden vastgesteld.
Woensdag 5 juli 2017 heeft er een informatieavond voor omwonenden plaatsgevonden, georganiseerd door Clavis en als ondersteunend partner gemeente Terneuzen. De informatieavond was de start van het ontwikkeltraject. Er zijn verschillende schetsen getoond van het nieuwe gebouw, deze schetsen moeten nog definitief goedgekeurd worden. De bijeenkomst is goed bezocht door buurtbewoners en de vragen van de belangstellenden zijn beantwoord.
Het plan is voor overleg toegestuurd aan de gebruikelijke instanties en overlegpartners. De ontvangen opmerkingen zijn onverkort verwerkt in ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan 'Terneuzen Midden, Van der Peijlstraat' heeft in het kader van de vaststellingsprocedure ter inzage gelegen van donderdag 15 november 2018 tot en met donderdag 27 donderdag december 2018. Binnen genoemde termijn zijn er geen zienswijzen ontvangen. Van het Waterschap Scheldestromen is een positief wateradvies d.d. 27 november 2018 ontvangen. Van DNWG is nog een aantal opmerkingen ontvangen voor wat betreft de in het plangebied aanwezige kabels en leidingen . Deze opmerkingen zijn met name van belang bij de uitvoering van onderhavig project. Deze opmerkingen zijn onverkort onder de aandacht gebracht van de initiatiefnemer.