direct naar inhoud van 3.4 Archeologie
Plan: Bedrijventerrein Koegorsstraat
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0715.BPKGP03-VG99

3.4 Archeologie

Conclusie

Archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Archeologiebeleid

In 1992 heeft Nederland het Verdrag van Valletta (Malta) ondertekend. Dit verdrag bepaalt, dat er op verantwoorde wijze dient te worden omgegaan met het archeologisch erfgoed, onder andere in ruimtelijke planontwikkelingen. Dit verdrag heeft inmiddels zijn weerslag verkregen in een wijziging van de Monumentenwet 1988, die op 1 september 2007 in werking is getreden, de Wet op de archeologische monumentenzorg (WAMZ). Een belangrijk uitgangspunt, is dat het behoud in situ (op de oorspronkelijke plaats) voorgaat op het behoud ex situ (opgraven en bewaren in depot). Van belang is dat door middel van vooronderzoek tijdig inzicht wordt verkregen in de archeologische waarden van een gebied, zodat deze bij beoogde planontwikkelingen kunnen worden betrokken. Voor de ruimtelijke ordening is een belangrijke bepaling, dat de wet niet van toepassing is op projecten met oppervlakte kleiner dan 100 m2; de gemeenteraad kan een hiervan afwijkende andere oppervlakte vaststellen.

Door de provincie Zeeland is geanticipeerd op deze wetgeving door het vaststellen van een provinciale richtlijn voor het opnemen van archeologie in bestemmingsplannen. Daarnaast is door de provincie de basis gelegd voor eigen beleid, door het vaststellen van de Archeologische MonumentenKaart (AMK) en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). In 2009 werd de beleidsnota 'Archeologie naar deltahoogte' en de 'Provinciale OnderzoeksAgenda Zeeland' (POAZ) vastgesteld.

In oktober 2008 is de Erfgoedverordening door de gemeenteraad vastgesteld. Op dit moment wordt samen met 8 andere Zeeuwse gemeenten gewerkt aan archeologiebeleid.

Vooruitlopend hierop is een verkenning uitgevoerd naar het opstellen van interim-beleid en het herzien van de erfgoedverordening. In de praktijk wordt al gewerkt volgens het interim-beleid. Hierdoor vormt archeologie een integraal onderdeel van de werkprocessen binnen de gemeente. De bestemmingsplannen zullen de basis vormen waarin archeologie is geregeld. De Erfgoedverordening fungeert als vangnet voor de bestemmingsplannen die nog niet zijn geactualiseerd.

Aan de hand van de archeologische toets zal bij planvorming de verwachtingswaarde van de locatie of het gebied worden beoordeeld. Wanneer bij een omgevingsvergunning afwijken niet mogelijk is dient de archeologische cyclus van onderzoek, waardering en waar nodig behoud te worden doorlopen. Het is daarbij van belang deze zo vroeg mogelijk te starten en hiervoor tijd en middelen te reserveren om oponthoud in de ruimtelijke of realisatieprocessen te voorkomen.

Lagenbenadering

Voor de toetsing van het aspect archeologie wordt gewerkt met een lagenbenadering. De bodemopbouw van de gemeente kenmerkt zich door een opbouw van verschillende bodemlagen. De oudste bodemlaag, die relevant is voor een archeologische verwachtingswaarde, is het pleistocene zand. Deze laag kenmerkt zich door een hoge ligging in het zuidoosten, waar deze laag dagzoomt, en een diepere ligging naar het noordwesten.

Op het pleistocene zand is, waar deze laag dieper ligt, Hollandveen afgezet. Op het Hollandveen kunnen lagen afgezet zijn van de formatie van Naaldwijk, lagenpakket van Walcheren.

Naargelang de historie van het gebied kunnen bodemlagen verstoord zijn door menselijk handelen zoals moernering, zandwinning en inundaties. Ook natuurlijke processen zoals overstromingen, erosie en dergelijke zijn van invloed geweest op de bodemopbouw.

De bodemopbouw is weergegeven in bodemkaarten waarvan die van Van Rummelen (1977) het beste inzicht geeft in de aanwezige bodemlagen en de daaraan gekoppelde archeologische verwachtingswaarden vanwege het daar gemaakte onderscheid in Duinkerke II en III. Dit onderscheid is wat het ontstaan betreft gedateerd maar voor de archeologische verwachting goed bruikbaar.

Archeologische toets

Om inzicht te krijgen in de archeologische verwachtingswaarde van een gebied of locatie dient aan 5 criteria te worden getoetst.

  • De Archeologische Monumentenkaart (AMK). Deze kaart geeft de wettelijk beschermde archeologische monumenten weer en de door de RCE gewaardeerde gebieden met een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde.
  • De Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). Deze kaart geeft de verwachtingswaarde weer voor de bovenste (bovenste 1,20 meter), dagzomende, bodemlaag.
  • ARCHIS. Dit is de landelijke database waarin alle recent uitgevoerde archeologische onderzoeken en vondsten worden opgeslagen. Deze database geeft een indicatie van de vondsten die gedaan zijn. Veel of belangrijke vondsten geven een hogere archeologische verwachtingswaarde.
  • Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA). In dit archief berusten de verslagen van alle in het verleden in Zeeland uitgevoerde bodemonderzoeken, gegevens over losse vondsten en dergelijke. Dit archief geeft een indicatie van de vondsten die in het verleden gedaan zijn. Veel of belangrijke vondsten geven een hogere archeologische verwachtingswaarde.
  • Aan de hand van de bodemkaart kan nagegaan worden welke geologische, voor de archeologie relevante, bodemlagen aanwezig zijn, namelijk:
    • 1. pleistoceen: vanaf de Steentijd;
    • 2. hollandveen: vanaf de IJzertijd en Romeinse tijd;
    • 3. Duinkerke II: vanaf de Middeleeuwen;
    • 4. Duinkerke III; vanaf de Nieuwe tijd, lage of zeer lage trefkans.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPKGP03-VG99_0004.jpg"

Figuur 3.1. Toetsing plangebied ArchisII (bron: SCEZ)

In het plangebied is één vondst bekend van prehistorische boomresten. Deze zijn te relateren aan de in een groot deel van het plangebied aanwezige veenlaag.

Op figuur 3.2 is weergegeven dat de veenlaag zich bevindt in het plangebied, volgens de milieuonderzoeken, op meer dan 2 meter diepte. Het pleistoceen bevindt zich op grotere diepte.

Ten aanzien van de bodemopbouw kan vermeld worden dat de veenlaag zich bevindt in het plangebied, volgens de milieuonderzoeken, op meer dan 2 meter diepte. Het pleistoceen bevindt zich op grotere diepte.

Ten aanzien van de bodemopbouw kan vermeld worden dat de veenlaag zich bevindt in het plangebied, volgens de milieuonderzoeken, op meer dan 2 meter diepte. Het pleistoceen bevindt zich op grotere diepte.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPKGP03-VG99_0005.jpg"

Figuur 3.2. Uitsnede plangebied geologische kaart Van Rummelen

Reeds aanwezige verstoringen en archeologische verwachtingswaarde

In het plangebied zijn 4 historische boerderijcomplexen aanwezig geweest, Koegorsstraat 1, 2 (later gesplitst in 2 en 2a), Koegorsstraat 4 en Koegorsstraat 6. Alle vier deze boerderijcomplexen dateren oorspronkelijk van net na de herdijking van de polder en zijn geheel of gedeeltelijk afgebrand en/of gesloopt. Daarbij zijn alle funderingen, erfverhardingen e.d. opgeruimd.

Op het erf van Koegorsstraat 4 is monumentale beplanting aanwezig die behouden blijft.

Ter plaatse van de gedempte kreek is sprake van een voormalige stortplaats die in 2009 is gesaneerd.

De waterbodem en oevers van de ten zuiden van de Koegorsstraat gelegen kreek zijn in 2009/10 gesaneerd.

Gelet op het ontbreken van archeologische indicatoren en de verstoringen door de bodemsanering alsmede de sloop van de boerderijen kan de archeologische verwachtingswaarde voor de bodemlagen van Duinkerke IIIb, IIIa en II als zeer laag gewaardeerd worden.

De veenlaag en het pleistocene zand zijn niet meer aanwezig. Hierdoor is voor dit gebied eveneens een zeer lage verwachtingswaarde van toepassing.

Voor het gebied waar de veenlaag en het pleistocene zand nog aanwezig zijn geldt een verwachtingswaarde vanaf de steentijd tot en met de Romeinse tijd. Deze lagen zijn vanaf 2 meter onder het huidige maaiveld aanwezig.

Archeologie in het bestemmingsplan bedrijventerrein Koegorsstraat

Door de Stichting cultureel Erfgoed Zeeland (SCEZ) is advies uitgebracht ten behoeve van het bestemmingsplan. Gelet op bij de gemeente aanwezige nadere informatie wordt afgeweken van het advies van SCEZ.

Voor de bodemlagen van Duinkerke IIIb, IIIa en II geldt een archeologische vrijstelling.

Voor de plaatsen waar veen aanwezig is geldt vanaf een diepte van 2 meter en een oppervlakte groter dan 1.000 m2 geldt een dubbelbestemming waarde archeologie.