direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Dow, Mosselbanken en Logistiek Park, uitbreiding transformatorstation
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0715.BPIDM06-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel bestemmingsplan

Het bestaande transformatorstation aan de H.H. Dowweg in Terneuzen dient te worden uitgebreid. Deze uitbreiding heeft twee redenen. In de eerste plaats wordt op het terrein van de Mosselbanken een zonnepark ontwikkeld. Om de door dit park geproduceerde stroom op het elektriciteitsnet te kunnen brengen, dient de capaciteit van het transformatorstation te worden uitgebreid. Daarnaast is het nodig om de capaciteit van het bestaande transformatorstation uit te breiden in verband met toekomstige ontwikkelingen op het terrein van Dow of in de directe omgeving. Denk daarbij aan lokaal opgewekte duurzame energie en het aansluiten van nieuwe bedrijven. Als wettelijk aangewezen netbeheerder faciliteert Stedin Netbeheer B.V. (tot 1-1-2022 Enduris b.v.) daarbij ook de energie-transitie. Het totaal opgesteld elektrisch vermogen van het transformatorstation zal gefaseerd ongeveer 490 MVA bedragen. Op basis van de huidige regels met betrekking tot storingsreserve geldt dat het totaal vermogen dat tegelijkertijd in bedrijf is, ten hoogste 345 MVA zal bedragen.

In overleg met Dow, als eigenaar van de omliggende gronden, en de gemeente Terneuzen is een locatie bepaald voor de uitbreiding van het transformatorstation direct grenzend aan het bestaande transformatorstation: in de huidige landschappelijke inpassing van het Dow-terrein aan de H.H. Dowweg, ter hoogte van de Elstacentrale.

Op basis van de geldende beheersverordening is de realisatie van het transformatorstation op deze locatie niet mogelijk. Aan de locatie is het besluitvlak 'Groen' toegekend. Met het opstellen van voorliggend bestemmingsplan wordt de beoogde realisatie van het transformatorstation mogelijk gemaakt.

1.2 Coördinatieregeling

Als een bestemmingsplanprocedure wordt doorlopen, bestaat de mogelijkheid om de procedures voor de omgevingsvergunning bouwen, de omgevingsvergunning milieu en eventuele andere vergunningen en de planologische procedure gecoördineerd te doorlopen. Dit is geregeld in artikel 3.30 lid 1 onder b Wet ruimtelijke ordening.

Het toepassen van de coördinatieregeling betekent dat het bestemmingsplan tegelijkertijd met de omgevingsvergunning bouwen, de omgevingsvergunning milieu en eventueel andere vergunningen één beroepsprocedure bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State doorloopt, voor zowel het ruimtelijk besluit als de gecoördineerde vergunningen. De beroepsprocedure is bij toepassing van de coördinatieprocedure ook korter dan zonder coördinatieprocedure (6 maanden in plaats van een jaar). De procedure voor voorliggend bestemmingsplan wordt gecoördineerd doorlopen met de omgevingsvergunning voor het bouwen en de omgevingsvergunning voor milieu.

1.3 Ligging plangebied

De beoogde locatie van het nieuwe transformatorstation ligt tussen de H.H. Dowweg en de Elstacentrale, aan de zuidzijde van Dow Benelux. Het perceel wordt ontsloten via de inrit van Ravago.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPIDM06-VG01_0001.png"

Figuur 1.1. Ligging plangebied

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting op het bestemmingsplan heeft de volgende opzet.

  • In hoofdstuk 2 wordt de huidige situatie beschreven en wordt de voorgenomen ontwikkeling (het initiatief) toegelicht. Direct daaropvolgend is aangegeven op welke wijze de nieuwe situatie planologisch-juridisch is geregeld in voorliggend bestemmingsplan.
  • In hoofdstuk 3 is de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan vastgesteld en voorgenomen beleid van verschillende overheden.
  • In hoofdstuk 4 is het plan getoetst aan sectorale wetgeving en aspecten.
  • In hoofdstuk 5 en 6 wordt ingegaan op de financiële en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

In deze toelichting en in de regels van het bestemmingsplan zijn veelvuldig relatieve verwijzingen toegepast ('hyperlinks'). Hiermee is op een snelle en eenvoudige manier onderliggende informatie benaderbaar. Zo kunnen binnen de bestemmingsartikelen gehanteerde begrippen worden aangeklikt waarmee direct wordt gesprongen naar de betreffende begripsbepalingen. Ook kan vanuit de regels de toelichting worden geraadpleegd en kunnen omgekeerd vanuit de toelichting (vooral in paragraaf 2.3 met de juridische planbeschrijving) de regels direct worden benaderd.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

De locatie voor de uitbreiding van het transformatorstation maakt op dit moment deel uit van de landschappelijke inpassing van het Dow-terrein aan de H.H. Dowweg dat bestond uit een met bomen beplant perceel. De beplanting is inmiddels gekapt. Het gaat om een gebied van bijna 7.900 m². In figuur 2.1 is de begrenzing van het plangebied weergegeven. Ten zuiden van het plangebied ligt de H.H. Dowweg. Aan de westzijde grenst de locatie aan het bestaande transformatorstation, aan de noordzijde aan de Elstacentrale en aan de oostzijde aan het parkeerterrein van het 3PL-terrein van Ravago.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPIDM06-VG01_0002.png"

Figuur 2.1 Weergave plangebied in de huidige situatie (bron: ESRI)

2.2 Toelichting op de beoogde ontwikkeling

Noodzaak

Het bestaande transformatorstation aan de H.H. Dowweg heeft onvoldoende capaciteit om het zonnepark Mosselbanken aan te kunnen sluiten en om andere ontwikkelingen, zoals het elektrificeren van functies voor bedrijven, woningen, mobiliteit en de opwek van duurzame energie in de omgeving te kunnen faciliteren. Netbeheerders zijn op grond van de Elektriciteitswet 1998 verplicht iedereen die daarom verzoekt aan te sluiten op het net en het transport van die elektriciteit uit te voeren. Hiervoor is het noodzakelijk dat het bestaande transformatorstation wordt uitgebreid. Het volledige zonnepark Mosselbanken wordt op de uitbreiding aangesloten. Het zonnepark krijgt een totale omvang van ruim 30 hectare waarbinnen 111.114 panelen zijn opgesteld. De hoeveelheid jaarlijks opgewekte elektriciteit is ongeveer 56 miljoen kilowattuur, dit staat gelijk aan een jaarverbruik van ruim 15.000 huishoudens.

Locatiekeuze

De uitbreiding van het bestaande transformatorstation moet aansluiten op op het landelijk hoogspanningsnet op het bestaande station. Hiervoor komen alleen de percelen die direct grenzen aan het bestaande transformatorstation in aanmerking. De locaties ten westen en ten oosten van het huidige station zijn in eigendom van DOW èn vrij van bebouwing. De locatie ten westen van het huidige transformatorstation is niet beschikbaar voor het beoogde transformatorstation van Stedin Netbeheer B.V. omdat deze locatie ook in beeld is voor het project TNZ2030 van DOW voor het reduceren van CO2 uitstoot. Hiermee is alleen het perceel ten oosten van het trafostation beschikbaar voor de uitbreiding.

Het bestaande transformatorstation ligt centraal in het voorzieningengebied. Op de uitbreiding worden ook andere ontwikkelingen in de omgeving aangesloten. Een transformatorstation nabij het zonnepark Mosselbanken is geen optie, omdat de niet-centrale ligging ertoe leidt dat er teveel voorzieningen aangelegd moeten worden om andere ontwikkelingen aan te kunnen sluiten. Dit heeft grotere impact op de omgeving dan uitbreiding van het bestaande transformatorstation.

De beoogde ontwikkeling

De uitbreiding van het bestaande transformatorstation bestaat (in de eindfase) uit 6 transformatoropstellingen met een maximale bouwhoogte van 8 meter en 4 gebouwen met technische installaties (zie figuur 2.2).

De fasering is als volgt:

Fase   Nieuwe transformator   Nieuw gebouw   buiten werking op huidige terrein  
1   2 x 150/20KV (TR151 en TR152) (2 x 100MVA)   20KV hal    
2   2 x 20/10KV (TR21 en TR22)
(2 x 45MVA)  
10KV hal   transformatoren TR51 en TR52  
3   1 x 150/20KV (TR153)
(1 x 100MVA)  
uitbreiding fase 1 met 20KV    
4   1 x 150/20KV (TR154)
(1 x 100MVA)  
20 KV    

De totale opstelling heeft een elektrisch vermogen van 4x 100MVA + 2x 45MVA = 490MVA. Vanwege de huidige regels met betrekking tot storingreserve bedraagt het totale vermogen dat tegelijkertijd in bedrijf is ten hoogste 3x 100MVA + 1x 45MVA = 345MVA.

De transformatoropstellingen zijn voorzien van zogenoemde bliksempieken van maximaal 15 meter hoog. De beoogde gebouwen en transformatoropstellingen zullen gefaseerd worden gerealiseerd. Bij de realisatie van het transformatorstation zullen met name langs de (noord)oostrand van het plangebied nieuwe bomen worden ingeplant waarmee het zicht op de achterliggende Elstacentrale deels wordt ontnomen (zie figuur 2.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPIDM06-VG01_0003.png"

Figuur 2.2 Schetsontwerp beoogde ontwikkeling (Bron: Stedin Netbeheer B.V. 18-01-2022)

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPIDM06-VG01_0004.png"

Figuur 2.3 Zijaanzicht transformatoropstelling (Bron: Stedin Netbeheer B.V.)

Er is geen sprake van een reguliere personele bezetting van de 10kV en/of 20kV schakelgebouwen noch van het Centraal Diensten Gebouw. Het station is onbemand. Slechts bij periodieke inspectierondes, regulier beheer en onderhoud, projecten of eventuele calamiteiten zijn er personen op het station aanwezig. Er is geen sprake van een kantoorgebouw.

Verlichting en geluid

Er komt terreinverlichting zoals ook aanwezig is op het bestaande transformatorstation. Er worden circa 8 lantaarnpalen geplaatst met een hoogte van maximaal 4 meter. De lampen zijn naar de grond gericht en hebben een sterkte van 5 lux. Dit is vergelijkbaar met openbare straatverlichting.

Het verdwijnen van de beplanting zorgt er niet voor dat er sprake is van extra lichthinder van verlichting op het terrein van DOW, omdat de hoge geluidswand in stand blijft die ook voorkomt dat sprake is van lichthinder.

Om in beeld te brengen wat de geluidbijdrage van het plan op de omgeving is, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn beschreven in paragraaf 4.6 en Bijlage 6.

Rooien beplanting en herplant

Om uitbreiding van het transformatorstation mogelijk te maken is het noodzakelijk de aanwezige beplanting te rooien. Rho heeft een studie uitgevoerd naar de visuele gevolgen van het rooien van de beplanting. Daaruit komt naar voren dat groot deel geluidswand Elsta al zichtbaar was vanuit het westen (Braakman) en dat er vanwege aanwezige beplanting langs dijken en op erven al een

gefilterd beeld aanwezig is.

Omdat er in het plangebied beschermde soorten voorkwamen die verstoord zouden worden is door Stedin Netbeheer B.V. op 15 december 2021 een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd. Deze ontheffing is op 11 februari 2022 verleend (zie paragraaf 4.10 voor een uitgebreide beschrijving). In de ontheffing is opgenomen dat de aanwezige beplanting in het plangebied in principe alleen mag worden verwijderd buiten het broedseizoen. Vanaf 1 maart 2022 is gestart met het kappen van de bomen zodat de werkzaamheden voor het broedseizoen zouden plaats vinden. Voor het kappen van de bomen is een melding ingediend bij de provincie voor het vellen van de houtopstand als bedoeld in artikel 4.2 Wet natuurbescherming.

Op 15 februari 2022 is aan aanvraag voor een omgevingsvergunning, onderdeel 'aanleggen' (artikel 2.1.1.b) ingediend voor het vellen van houtopstand waarbij stobben worden verwijderd (vanwege de bestemming Waarde - Archeologie en de bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden). Deze omgevingsvergunning is op 24 maart 2022 verleend. Na afloop van de bezwaartermijn zijn de stobben verwijderd.

Voor het rooien van de houtopstanden geldt een herplantplicht (zie paragraaf 4.10 voor een uitgebreide beschrijving).

Geldend planologisch regime

In de geldende 'Beheersverordening Dow, Mosselbanken, Logistiek Park, inclusief 1ste wijziging, waterstofgasleiding' uit 2018 is aan de gronden binnen het plangebied de functie 'Groen' toegekend. De realisatie van het beoogde transformatorstation is binnen de geldende beheersverordening niet mogelijk. Om de uitbreiding van het transformatorstation mogelijk te maken is Stedin Netbeheer B.V. voornemens om een zelfstandig bestemmingsplan op te stellen.

Op de projectlocatie gelden verder de functies 'Waarde-Archeologie-1' en 'Waarde-Archeologie-2'. Op gronden met de functie 'Waarde-Archeologie-1' is bij bodemingrepen dieper dan 50 centimeter en groter dan 100 m² een archeologisch onderzoek noodzakelijk waarin aangetoond wordt dat er geen archeologische waarden geschaad worden door de ontwikkelingen. Voor de gronden met de functie 'Waarde-Archeologie-2' geld dit voor bodemingrepen dieper dan 50 centimeter en groter dan 500 m². Het deel van het plangebied waar de functie 'Waarde-Archeologie-1' geldt betreft een zeer smalle strook aan de westkant van het plan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPIDM06-VG01_0005.png" 

Figuur 1.4 Uitsnede geldende beheersverordening met het plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

2.3 Toelichting op de juridische regeling

2.3.1 Wettelijk kader

In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde ruimtelijke ordeningsstandaarden (thans SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar.

Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is van belang voor bestemmingsplannen.

2.3.2 Opzet van de bestemmingsregeling

Ten aanzien van de opzet van de bestemmingsregeling (verbeelding en planregels) is het volgende van belang.

Verbeelding

Eisen aan de verbeelding

In relatie tot de digitale verplichting verdient het de voorkeur zoveel mogelijk onderdelen van de regeling op de verbeelding zichtbaar te maken en de regels zo transparant mogelijk te houden.

Op de verbeelding wordt met bestemmingen en aanduidingen aangegeven welk gebruik is toegestaan en of er ten behoeve van die bestemmingen mag worden gebouwd. De bestemmingen worden door middel van hoofdletters aangeduid, zoals 'BT' voor 'Bedrijventerrein'. De gronden met deze aanduiding zijn bestemd voor opgaande beplanting ten behoeve van de landschappelijke inpassing van het betreffende en achterliggende terrein

Naast enkelbestemmingen die met een kleur worden aangeduid, zijn er dubbelbestemmingen die op de verbeelding herkenbaar zijn aan arceringen.

De gehanteerde bestemmingen

Voor het gehele perceel is de bestemming 'Bedrijventerrein - A' (BT-A) opgenomen. Daarnaast zijn de delen waar archeologische waarden kunnen voorkomen (zie paragraaf 4.3.2) beschermd met de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2 en is de gasleiding in het noordoosten van het plangebied voorzien van de dubbelbestemming Leiding - Gas - gemengd 2.

Regels

Op grond van SVBP2012 hebben de hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, de volgende vaste volgorde.

  • In hoofdstuk 1 (Inleidende regels) worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald.
  • In hoofdstuk 2 (Bestemmingsregels worden in alfabetische volgorde van de naam van de bestemmingen de regels gegeven waarmee die bestemmingen zoals die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven.
  • Hoofdstuk 3 (Algemene regels) bevat een aantal regels (voorheen bepalingen genoemd) die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelbepaling of de bepaling welke wettelijke regeling van toepassing).
  • Hoofdstuk 4 (Overgangs- en slotregels ten slotte bevat het overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan. Ook al is in het plangebied nu geen bebouwing aanwezig, de regeling is wettelijk voorgeschreven.

Ook bij de opstelling van een bestemmingsbepaling (Hoofdstuk 2 van de regels) moet een vaste volgorde gebruikt worden: Een bestemmingsregel behoeft niet alle voorgeschreven elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels.

Voorts is in het Bro een aantal bepalingen opgenomen waaraan de regels van het bestemmingsplan moeten voldoen. Het gaat hierbij om een aantal begrippen, regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti-dubbeltelbepaling.

Tot slot dienen de regels zoveel mogelijk aan te sluiten bij de regels van andere bestemmingsplannen binnen de gemeente Terneuzen en de beheersverordening Dow, Mosselbanken en Logistiek Park, 1ste wijziging, waterstofgasleiding die op 15 maart 2018 is vastgesteld. Voor meer informatie over de geldende regelingen wordt verwezen naar paragraaf 3.4.5.

2.3.3 Toelichting op de gehanteerde bestemmingen

Bedrijventerrein - A (Artikel 3)

Voor het plangebied is de bestemming 'Bedrijventerrein - A' (BT-A) opgenomen conform de omliggende gronden. Binnen deze bestemming is, in afwijking van de geldende beheersverordening, vastgelegd dat een transformatorstation is toegestaan met een vermogen tussen de 200 en 1.000 kWh (als aangewezen Wgh-inrichting). Binnen deze bestemming worden alle activiteiten en voorzieningen die met het transformatorstation samenhangen, zoals transformatoropstellingen, installatiegebouwen, leidingen en bliksempieken mogelijk gemaakt zonder dat de exacte positionering daarvan wordt vastgelegd. Met aanduidingen wordt het gebruik nader gespecificeerd en het bouwen gereguleerd. Zo is een specifieke aanduiding voor groen opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding is alleen opgaande beplanting ten behoeve van de landschappelijke inpassing van het betreffende en achterliggende terrein toegestaan. Verder zijn voorzieningen toegestaan die gebruikelijk zijn op een bedrijventerrein, zoals parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en watervoorzieningen.

Dubbelbestemmingen Leiding - Gas - gemengd 2

Deze bestemmingen is opgenomen voor de in paragraaf 4.11 genoemde aardgas-/waterstofgasleiding Deze planologisch relevante leiding heeft een doorgaande transportfunctie. Leidingen, die op het terrein van een inrichting liggen en ook deel uitmaken van die inrichting, zijn niet planologisch relevant en hoeven daarom niet op de verbeelding te worden weergegeven. De afweging of nieuwe functies en bebouwing binnen de bebouwings- en toetsingsafstanden van deze leidingen aanvaardbaar zijn, vindt plaats in het kader van de milieuwetgeving die voor het bedrijf geldt.

De breedte van de dubbelbestemming is opgebouwd uit het werkelijke ruimtebeslag (de breedte van de leiding) en de bijbehorende belaste strook (belemmeringenstrook). Deze strook heeft in het plangebied een breedte van 5 m aan weerszijden van de leiding.

In verband met risicowetgeving en -beleid zijn het soort gas dat door de leiding mag worden getransporteerd en de druk en diameter vastgelegd.

Ten behoeve van deze dubbelbestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Ten behoeve van de samenvallende bestemmingen dient het bouwen steeds aan het leidingenbelang te worden getoetst.

Dit geldt ook voor het uitvoeren van werkzaamheden die geen direct verband houden met het bouwen en die de grond roeren, zoals het aanbrengen of rooien van diepwortelende beplantingen en bomen. Deze werkzaamheden zijn alleen mogelijk met een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (voorheen aanlegvergunning genoemd), die alleen kan worden verleend na advies van de betrokken leidingbeheerder en als het leidingbelang niet wordt geschaad.

Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2 (Artikel 5)

In het bestemmingsplan is op basis van het gemeentelijke archeologiebeleid een archeologische dubbelbestemming opgenomen (zie ook paragraaf 4.3). De dubbelbestemming valt samen met andere bestemmingen en heeft tot doel de bescherming en veiligstelling van het archeologisch erfgoed in de bodem. De regeling is gebaseerd op de standaardregels die de gemeente voor bestemmingsplannen heeft opgesteld.

Voordat er ten behoeve van een samenvallende bestemming (bijvoorbeeld 'Bedrijven') een activiteit mag worden uitgevoerd die de bodem roert, moet worden nagegaan of daardoor geen onevenredige schade aan de archeologische waarden wordt toegebracht. Om deze afweging mogelijk te maken is het bouwen afhankelijk gemaakt van een omgevingsvergunning en is voor andere werkzaamheden dan bouwen (bijvoorbeeld graven) ook een omgevingsvergunning nodig. Deze wordt niet verleend indien daardoor in onevenredige mate schade aan de archeologische waarde wordt of kan worden toegebracht. Onder bepaalde voorwaarden is geen omgevingsvergunning noodzakelijk.

2.3.4 Toelichting op de algemene regels

De algemene regels bestaan uit een aantal algemene, niet aan specifieke bestemmingen gekoppelde, bepalingen.

Anti-dubbeltelbepaling (Artikel 6)

Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Bro vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.

Algemene afwijkingsregels (Artikel 7)

Voor ondergeschikte afwijkingen van de bestemmingsplanbepalingen (de bouwregels) is een algemene afwijkingsregel opgenomen.

Algemene wijzigingsregels (Artikel 8)

Overschrijding bestemmingsgrenzen

In lid 8.1 is een algemene flexibiliteitsbepaling opgenomen om voor bepaalde onderdelen van bestemmingen of gebouwen dan wel bouwwerken af te wijken van de bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Deze bepaling gaat verder dan die van artikel 7 lid 7.1 vandaar dat hier altijd een wijziging voor nodig is van burgemeester en wethouders.

Het criterium 'in verband met de werkelijke toestand van het terrein' is vooral aan de orde in situaties waarbij een terrein of gebied een geheel nieuwe inrichting krijgt en waarbij in het veld maar weinig aanknopingspunten zijn. Bij het uitzetten van het gebied blijkt dat de afmetingen niet exact gelijk zijn aan de coördinaten op tekening in het digitale bestand en dat de situering van de nieuwe openbare wegen en de uitgeefbare percelen iets moet worden aangepast. Gezien de nauwkeurigheid van tegenwoordig, gaat het daarbij om centimeters in plaats van meters.

Overige regels (Artikel 9)

Dit artikel bevat één bepaling, namelijk "Werking wettelijke regeling (lid 9.1)" In een aantal gevallen wordt in de regels van bestemmingsplannen verwezen naar een (andere) wettelijke regeling of wordt een procedure, begrip en / of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard. Ook in de begripsbepalingen komen die verwijzingen voor. Op grond van jurisprudentie mag een bestemmingsplan slechts volgens de vereiste procedure van de Wro worden gewijzigd. Het impliciet wijzigen van een bestemmingsplan door wijzigingen in wetgeving in de bepalingen waarnaar wordt verwezen is niet toegestaan. Het is dan ook nodig dat verwijzingen naar toepasbare wettelijke regelingen worden gefixeerd, namelijk naar de tekst ervan zoals die op het moment van vaststelling van het plan gold. Uit praktische overwegingen is er voor gekozen in dit hoofdstuk van de regels een artikel "Wettelijke regelingen" op te nemen, waarin is bepaald dat alle wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan. Hierdoor behoeft niet meer telkens te worden verwezen naar publicaties in het staatsblad.

2.3.5 Toelichting op de overgangs- en slotbepalingen

Overgangsrecht (Artikel 10)

Op grond van artikel 7.10 Wet ruimtelijke ordening is het verboden gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. In artikel 10 van de regels is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. In lid 10.1 is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen. In lid 10.2 is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen.

Slotregel (Artikel 11)

De titel of de naam van het bestemmingsplan is vastgelegd in artikel 11 van de regels.

Hoofdstuk 3 Toetsing aan beleid en visies

3.1 Toetsing aan Rijksbeleid

3.1.1 Programma Energiehoofdstructuur

Het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) stelt nationale kaders op zodat overheden en bouwers deze nieuwe energie-infrastructuur goed kunnen plannen. Zo worden de kabels en leidingen veilig en verantwoord voor natuur en landschap aangelegd. De afspraken in het Programma Energiehoofdstructuur gaan over het hele Nederlandse grondoppervlak, behalve de Noordzee. Met energiehoofdstructuur worden de kabels, leidingen, opslag- en conversielocaties die van nationaal belang zijn, zoals hoogspanningskabels bedoeld.

Het PEH actualiseert de inhoud van de Structuurvisies Windenergie op Land, Buisleidingen en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening (SEV III).

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI, september 2020) vormt een overkoepelend beleidskader voor het

Programma Energiehoofdstructuur en bevat zodoende diverse principes en beleidsuitgangspunten die

relevant zijn voor de uitwerking van dit programma. Centraal in de NOVI staat de samenhang en

afstemming tussen verschillende belangen in de leefomgeving, met als doel een goede

leefomgevingskwaliteit.

3.1.2 Nationale omgevingsvisie (NOVI)

Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Deze opgaven moeten worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties.

Met de NOVI wordt een perspectief geboden om deze grote opgaven aan te pakken, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen.

Een van de nationale opgaven die in de NOVI wordt behandeld is het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. De opgave is het waarborgen van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, het vervangen van fossiele energiebronnen door duurzame bronnen (inclusief besparing), de aanpassing van de netwerken voor warmte, gas en elektriciteit en het inpassen en zoveel mogelijk beperken van de ruimtebehoefte voor opwekking, conversie, opslag en transport van energie.

Met de realisatie van het transformatorstation op het terrein van DOW, op korte afstand van de locatie waar de energie wordt gewonnen èn afgezet, wordt invulling gegeven aan deze opgave.

3.1.3 Energieakkoord

In september 2013 werd door ruim veertig organisaties, waaronder de overheid, werkgevers, vakbeweging, natuur- en milieuorganisaties, maatschappelijke organisaties en financiële instellingen het Energieakkoord voor duurzame groei gesloten. Het akkoord heeft als doel het terugbrengen van de energievraag door middel van energiebesparingen met gemiddeld 1,5% per jaar, het terugdringen van het gebruik van aardgas en een toename van het aandeel hernieuwbare energieopwekking naar 14% in 2020 en 16% in 2023. Dit vraagt een intensieve inzet op verschillende bronnen van hernieuwbare opwekking, zoals wind op land, wind op zee, diverse vormen van lokale opwekking zoals zonne-energie, en de inzet van biomassa.

In 2016 is het nieuwe Energierapport gepresenteerd waarin wordt aangegeven dat het Klimaatakkoord van Parijs van belang is voor het Nederlandse energie- en klimaatbeleid. De belangrijkste vormen van hernieuwbare energie in Nederland zijn zonne-energie, windenergie, bio-energie en aardwarmte. In het Regeerakkoord Rutte III 'vertrouwen in de toekomst 2018 - 2021' is afgesproken om de uitstoot van broeikasgassen in 2050 met 95% terug te dringen ten opzichte van 1990. Dit komt neer op een emissiereductiedoel van 49% in 2030. Om deze doelen te behalen moet een transitie plaatsvinden naar een duurzamere energievoorziening. Naast productie op zee, is ook productie op land nodig, waaronder zonne-energie. Zonne-energie zal in de toekomst een steeds groter onderdeel uitmaken van de energiemix. De nationale overheid stimuleert op verschillende manier de grootschalige opwekking van zonne-energie, onder meer door de Stimuleringsregeling Duurzame Energie (SDE+). In het Regeerakkoord is een nieuw Klimaatakkoord aangekondigd met verdergaande ambities en doelen.

3.1.4 Klimaatakkoord

Op 28 juni 2019 is het Klimaatakkoord vastgesteld. Het Kabinet heeft met het nationale klimaatakkoord een centraal doel: het terugdringen van de uitstoot van broeikassen in Nederland met 49% ten opzichte van 1990. Het kabinet pleit in Europa voor een broeikasgasreductie van 55% in 2030. Het centrale doel van het Klimaatakkoord, het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen, raakt aan het leven van alledag.

Het beoogde transformatorstation draagt bij aan de doelstellingen zoals genoemd in het Klimaatakkoord.

3.2 Toetsing aan provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsplan Zeeland

Inzet van beleid

Het Omgevingsplan Zeeland 2018 bevat de hoofdlijnen van het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving. Het omgevingsplan heeft betrekking op de onderwerpen economie, ruimte, mobiliteit, natuur, cultuur, water en milieu. Het Omgevingsplan 2018 bevat slechts beperkt nieuw beleid ten opzichte van het Omgevingsplan 2012-2018. Het Omgevingsplan Zeeland 2018 beoogt naast een concrete invulling voor de vier grote strategische opgaven (duurzame en concurrerende economie, klimaatbestendige en neutrale samenleving, waardevolle leefomgeving en toekomstbestendige bereikbare woon-, werk- en verblijfsomgeving) ook een eerste aanzet te geven voor de lange termijn strategische doelen. De verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid wordt primair bij de samenwerkende gemeenten gelegd. De provincie beperkt zich tot het bevorderen van de regionale samenwerking en het bewaken van een aantal eigen belangen.

Landschappelijke inpassing

Ten behoeve van de uitbreiding van het transformatorstation zal de nodige bosbeplanting worden gerooid. De herplant vindt grotendeels plaats op een andere locatie. De ruimte voor landschappelijke inpassing van het nieuwe transformatorstation is zeer beperkt. Aan de noordoostzijde van het plangebied zijn gronden gereserveerd voor de aanplant van opgaande beplanting, die het zicht op de achterliggende Elstacentrale beperkt. Langs de H.H. Dowweg zal een aantal bomen en struiken worden geplant. Deze aanplant is bedoeld als versterking van de alternatieve vliegroute voor vleermuizen.

3.3 Toetsing aan regionaal beleid

3.3.1 Regionale Energiestrategie

In het nationaal Klimaatakkoord (KA) staat hoe we in Nederland de mondiale klimaatafspraken van Parijs vertalen naar een beleid en een uitvoeringsagenda. Zeeland is als gehele provincie één van de 30 RES-regio’s. In de Regionale Energie Strategie (RES) 1.0 Zeeland staat welke gebieden qua infrastructuur geschikt zijn voor de opwek van zonne- en/of windenergie, waarbij rekening wordt houden met ruimtelijke kwaliteit en andere maatschappelijke opgaven en acceptatie. Ook staat in de RES welke infrastructuur nodig is om het opwekvermogen aan het net te koppelen en wat daarvan de consequenties zijn (ruimtelijk, financieel, planmatig en voor de besluitvorming). Onderdeel van de RES is een zogenaamde Regionale Structuur Warmte (RSW), waarin afspraken zijn gemaakt over de regionale verdeling van het warmteaanbod als voorbereiding op de Transitievisie Warmte (TVW) die iedere gemeente in 2021 af moet hebben. Ook maakt een duurzame mobiliteitsstrategie, inclusief een tank- en laadinfrastructuur, onderdeel uit van de Zeeuwse RES.

Toetsing

De uitbreiding van het bestaande transformatorstation wordt gebouwd om in eerste instantie het zonnepark op de Mosselbanken aan te sluiten op het netwerk, maar ook om andere toekomstige elektrificatiewerken in de Kanaalzone te kunnen bedienen. De beoogde ontwikkeling sluit dan ook geheel aan bij de Regionale Energiestrategie.

3.4 Toetsing aan gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Terneuzen 2025

In de structuurvisie Terneuzen wordt op hoofdlijnen vastgelegd waar de gemeente Terneuzen op maatschappelijk, economisch en ruimtelijk gebied zou moeten staan in 2025. De structuurvisie omvat een beschrijving van de lagen van het gemeentelijk grondgebied. Tevens worden de lange-termijnbeelden van het duurzaam ruimtelijk structuurbeeld en het duurzaam maatschappelijk structuurbeeld beschreven. Daarnaast komen verschillende programmatische opgaven aan bod met o.a. (boven)regionale ontwikkelingen, de industrieel-logistieke ontwikkeling in de Kanaalzone, de ontwikkeling van de infrastructuur en de leefomgevingskwaliteit.

Een onderdeel binnen leefomgevingskwaliteit is klimaat en energie. Klimaat en energie staan nationaal en internationaal sterk in de belangstelling. De gemeente Terneuzen is al langer bezig met klimaat en energie en profileert zich als energiebewuste gemeente. Het opwekken van duurzame energie wordt gestimuleerd, zowel door te blijven zoeken naar koppelingsmogelijkheden met het aanbod van restwarmte bij industriële bedrijven, maar ook door de plaatsing van zonnepanelen of kleine windturbines mogelijk te maken.

Toetsing

De uitbreiding van het bestaande transformatorstation wordt gebouwd om in eerste instantie het zonnepark op de Mosselbanken aan te sluiten op het netwerk, maar ook om andere toekomstige elektrificatiewerken in de Kanaalzone te kunnen bedienen. De beoogde ontwikkeling sluit dan ook aan bij de gemeentelijke structuurvisie.

3.4.2 Structuurvisie zonne-energie

De Structuurvisie Zonne-energie en ruimtelijke compensatie (2020) borgt de mogelijkheden voor verduurzaming en vergroening en vormt het toetsingskader voor nieuwe initiatieven met betrekking tot zonnepaneelparken. Het doel van deze structuurvisie is het vastleggen van voorwaarden, eisen en doelstellingen waarom en waarvoor de ruimtelijke compensatie voor grootschalige grondgebonden zonnepaneelparken wordt geheven.

Toetsing

De uitbreiding van het bestaande transformatorstation wordt gerealiseerd om onder andere het zonnepark Mosselbanken aan te sluiten op het electriciteitsnetwerk. Voor het zonnepark Mosselbanken is een afzonderlijke planologische procedure doorlopen waarbij is getoetst aan de structuurvisie zonne-energie.

3.4.3 Transitie Visie Warmte

In het Nederlandse Klimaatakkoord is afgesproken dat in 2050 alle woningen en gebouwen van het aardgas af zijn. Wijken en dorpen gaan dus overschakelen naar duurzame energie. Dit warmteplan op wijkniveau geeft dus de route aan naar aardgasloze en energieneutrale wijken en kernen van de gemeente Terneuzen in 2050. De gemeente is begonnen met het opstellen van de Transitievisie Warmte. In opdracht van de Zeeuwse gemeenten is de Energie Transitie Atlas opgesteld als bouwsteen hiervoor. De mogelijkheden van een restwarmtenet in de Kanaalzone worden onderzocht.

Toetsing

De uitbreiding van het bestaande transformatorstation maakt het mogelijk dat meer gebouwen kunnen overschakelen naar duurzame energie.

3.4.4 Geluidbeleid

Visiedocument geluid

In het visiedocument voor geluid (september 2007) zijn vier verschillende ambities onderscheiden namelijk

  • 1. Het voorkomen van nieuwe geluidhindersituaties.
  • 2. Het beheersen van bestaande en geaccepteerde geluidhindersituaties.
  • 3. Het opheffen van niet-acceptabele geluidhindersituaties.
  • 4. Het ontwikkelen van beleid en activiteiten ter beperking van geluidbelasting op langere termijn.

Uit akoestisch onderzoek dat in het kader van dit bestemmingsplan is uitgevoerd (zie paragraaf 4.6 en bijlage 6), blijkt dat van niet-acceptabele geluidhindersituaties geen sprake is. De ontwikkeling zorgt niet voor een onaanvaardbare geluidsituatie in de omgeving. Na toevoeging van het beoogde transformatorstation aan het gezoneerde industrieterrein Terneuzen-West/Logistiek Park wordt namelijk voldaan aan de grenswaarden die gelden voor de zonegrens en de binnen de zone gelegen geluidsgevoelige objecten.

3.4.5 Geldende beheersverordening Dow, Mosselbanken en Logistiek Park

Het plangebied is momenteel planologisch-juridisch geregeld in de beheersverordening Dow, Mosselbanken en Logistiek Park, 1ste wijziging, waterstofleiding' die op 15 maart 2018 door de gemeenteraad is vastgesteld (planidentificatie: NL.IMRO.0715.BVIDM02-VG01).

Op de verbeelding van de beheersverordening zijn besluitvlakken met gebiedsaanduidingen aangegeven die dezelfde betekenis hebben als bestemmingen in een bestemmingsplan. De beoogde locatie heeft daarin de gebiedsaanduidingen Groen en Waarde - Archeologie 1 en 2. Daarnaast is er een besluitvlak dat gelijk gesteld kan worden met een aanduiding in het bestemmingsplan 'geluidzone - industrielawaai. De bescherming van de planologisch relevante leiding(en) is geregeld met een kaart in de regels die is gekoppeld aan het artikel Leiding.

Hoofdstuk 4 Toetsing aan omgevingsaspecten

4.1 M.e.r.-beoordeling

Toetsingskader

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunningplanmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, moet een besluit worden genomen of een milieueffectrapportage nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan, ondanks dat het ruim onder de drempelwaarde blijft, mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een 'vormvrije' mer-beoordeling.

Toetsing

In het Besluit milieueffectrapportage is de bijlage in categorie D (sectie D 11.3) opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. De beoogde ontwikkeling blijft ruim onder deze drempelwaarden (0,76 hectare). Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. In Bijlage 1 is de m.e.r.-beoordeling opgenomen. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en dat het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure niet noodzakelijk is. Het college heeft dan ook op 5 juli 2022 besloten dat het opstellen van een milieueffectrapport niet nodig is.

4.2 Verkeersaspecten

Ontsluiting

Het nieuwe transformatorstation wordt ontsloten via de Herbert H. Dowweg. De Herbert H. Dowweg is een gebiedsontsluitingsweg waar een maximum snelheid geldt van 80 km/uur. Fietsers maken langs deze weg gebruik van een vrij liggend fietspad. De Herbert H. Dowweg sluit aan de oostzijde aan op de rotondes van de N252 van/naar de N62 richting Westerscheldetunnel/Goes en Sluiskil/Gent en de stad Terneuzen.

Parkeren

In 2019 heeft de gemeente Terneuzen een facetbeheersverordening Parkeren vastgesteld. Hiermee is vastgelegd dat een uniforme gemeente-brede parkeerregeling in de beheersverordening is verankerd. Vastgelegd is dat, indien wijzigen van het gebruik van gronden en/of bouwwerken daartoe aanleiding geeft, voldoende ruimte moet worden aangebracht voor het parkeren. Hierbij moet worden getoetst aan de gemeentelijke parkeernota.

Er zijn in de gemeentelijke parkeernota geen normen opgenomen voor een transformatorstation. Het transformatorstation is onbemand. Uitsluitend ten behoeve van inspectie, onderhoud, beheer en reparatie zullen medewerkers aanwezig zijn. Hiervoor zijn in het stedenbouwkundig plan 8 parkeerplaatsen op eigen terrein opgenomen (zie figuur 2.2). Hiermee voorziet het plan in ruime mate in de parkeerbehoefte.

Verkeer 

De beperkte verkeersgeneratie zal afgewikkeld worden op de H.H. Dowweg. Het transformatorstation is in principe onbemand. In de gebruiksfase bestaat de verkeersgeneratie uitsluitend uit voertuigbewegingen in verband met inspectie, onderhoud, beheer van het transformatorstation. Het gaat hierbij om:

  • inspectieronde: 1x per 2 weken, 1 dag, 1 tot 2 man;
  • onderhoud: 1x per jaar, 1 week, 2 man.

De verkeersbewegingen zullen opgaan in het huidige verkeersbeeld en hebben geen gevolgen voor de verkeersafwikkeling.

Conclusie

Parkeren vindt op eigen terrein plaats. De zeer beperkte toename van de verkeersintensiteit als gevolg van de beoogde ontwikkeling, zal geen gevolgen hebben voor de verkeersafwikkeling op de H.H. Dowweg.

4.3 Cultuurhistorie en archeologie

4.3.1 Cultuurhistorie

Toetsingskader

Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het nemen van ruimtelijke besluiten rekening moeten houden met de aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging.

Voor de beoordeling van het aspect cultuurhistorie is de cultuurhistorische waardenkaart, als onderdeel van de structuurvisie 2025 van de gemeente Terneuzen beschikbaar.

Toetsing aan Cultuurhistorische waardenkaart

De cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Terneuzen bestaat uit drie kaartbladen: 'behoud', 'behoud door ontwikkeling' en 'Vernieuwing mogelijk' (zie figuren 4.1 t/m 4.3). Op de kaartbladen 'Behoud door ontwikkeling ' en 'Vernieuwing mogelijk' zijn binnen het plangebied geen elementen die van belang zijn voor de beoogde ontwikkeling. Voor het beoogde transformatorstation is het eerste kaartblad wel van belang. Voor het plangebied geldt de strategie 'Beschermen'.

Het plangebied is onderdeel van het gebied 'Grootschalige industrieel-logistieke complexen'. Deze complexen bestaan uit de vestigingen van Dow en het Valuepark in het noorden, de concentratie rond Yara en de Axelse Vlakte bij Sluiskil en de bedrijvigheid rondom Cargill bij Sas van Gent. Deze complexen hebben een zodanig economische waarde voor de gemeente Terneuzen en Zeeuws-Vlaanderen dat het functioneren van deze bedrijvigheid bescherming verdient. De bedrijfsvoering van deze bedrijven wordt beschermd tegen ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving die de bedrijfsvoering kunnen beperken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPIDM06-VG01_0006.png"

Figuur 4.1: Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Terneuzen - kaartblad 'Behoud'

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPIDM06-VG01_0007.png"

Figuur 4.2: Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Terneuzen - kaartblad 'Behoud door ontwikkeling'

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPIDM06-VG01_0008.png"

Figuur 4.3: Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Terneuzen - kaartblad 'Vernieuwing mogelijk'

Toetsing aan Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) Zeeland

De kaart 'Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zeeland' toont waar cultuurhistorische waardevolle aspecten van het landschap gevonden kunnen worden, zoals aardkundige waardevolle gebieden, zeeweringen of historische landschappen (zie figuur 4.4).

Binnen het plangebied zijn geen elementen aanwezig van de kaart 'Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zeeland'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPIDM06-VG01_0009.png"

Figuur 4.4: Kaart 'Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zeeland' (Bron: Geoloket provincie Zeeland)

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling past binnen het gemeentelijk cultuurhistorische beleid. Uit het cultuurhistorisch beleid van de gemeente blijkt dat het plangebied valt binnen het gebied Grootschalige industrieel-logistieke complexen. De bedrijfsvoering van deze bedrijven wordt beschermd tegen ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving die de bedrijfsvoering kunnen beperken.

4.3.2 Archeologie

Archeologie toets

Inleiding

Op grond van de Wro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening worden gehouden. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan bij een ruimtelijk plan worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld.

Gemeentelijk archeologiebeleid

Als beleidskader geldt het interimbeleid archeologie 'De onderste steen boven?!' en de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Terneuzen. Op 27 januari 2011 is door de gemeenteraad van Terneuzen het interimbeleid archeologie vastgesteld. De insteek van dit beleid is het regelen van archeologie in ruimtelijke plannen. In een cyclus van 10 jaar zullen alle ruimtelijke plannen aangepast worden, waarbij archeologie in de plannen zal worden ingebracht of geactualiseerd aan de hand van het dan geldende beleid. Als vangnet fungeert de Erfgoedverordening Terneuzen 2011. Deze verordening is geactualiseerd en is in samenhang met het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. In lijn met de intentie van de wetgever wordt een algemene vrijstelling voor archeologie verleend tot 100 m² en een diepte van 0,50 meter voor de zogenaamde kruimelgevallen. De achterliggende gedachte van het archeologiebeleid is het in beeld brengen van de gebieden in de gemeente Terneuzen met een archeologische verwachtingswaarde. Deze verwachtingswaarde kan per gebied en per geologische laag verschillen. De insteek is daarbij soepel waar het kan en streng waar nodig.

Aan de hand van de archeologische verwachtingswaarde wordt per deelgebied een grens gesteld waarboven archeologisch onderzoek verplicht is en waaronder vrijstelling wordt verleend. Een en ander is uitgewerkt in een stroomschema in bijlage 1 van 'De onderste steen boven? Interim-beleid archeologie gemeente Terneuzen'. Voor de duidelijkheid is dit schema ook opgenomen in de Bijlage 2 bij deze toelichting.

Wanneer archeologisch onderzoek verplicht is, dient de Archeologische monumentenzorg cyclus (AMZ-cyclus) doorlopen te worden. Deze cyclus is er op gericht om te beoordelen of verdergaand onderzoek of behoud noodzakelijk is. Voor de uitvoering en de beoordeling van de onderzoeken wordt aangesloten bij de landelijke en provinciale regelgeving. Door deze cyclus op een goede manier te doorlopen kan een gedegen afweging gemaakt worden waar behoud ter plaatse (in-situ) of een opgraving (ex-situ) noodzakelijk is of achterwege kan blijven.

Toetsing aan het beleid

Om inzicht te krijgen in de archeologische verwachtingswaarde van het gebied werd aan vijf criteria getoetst:

  • De Archeologische Monumentenkaart (AMK). Deze kaart geeft de wettelijk beschermde archeologische monumenten weer, waarvoor het Rijk bevoegd gezag is. Daarnaast bevat de kaart de door de RCE gewaardeerde gebieden met een (zeer) (hoge) archeologische verwachtingswaarde.

Het plangebied maakt geen deel uit van een archeologisch monumententerrein.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPIDM06-VG01_0010.png"

Figuur 4.5. AMK en IKAW (bron: https://www.cultureelerfgoed.nl/ onderwerpen/bronnen-en-kaarten/overzicht/archeologie-in-nederland-amk-en-ikaw )

  • De Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). Deze kaart geeft de verwachtingswaarde weer voor de bovenste 1,2 m van de bodem. Deze kaart is gebaseerd op de geomorfologische en geologische kaart van Nederland. Bij een hoge trefkans wordt aangesloten bij de wettelijke vrijstelling van honderd vierkante meter. Voor een middelhoge trefkans kan een ruimere norm gelden. Deze wordt arbitrair vastgelegd op vijfhonderd vierkante meter.

Het plangebied ligt in een gebied met een lage trefkans op de IKAW.

  • Archis (Archeologische Informatie Systeem). Dit is de landelijke database waarin alle recent uitgevoerde archeologische onderzoeken en vondsten worden opgeslagen. Deze database geeft een indicatie van de vondsten die gedaan zijn. Veel of belangrijke vondsten geven een hogere archeologische verwachtingswaarde.

Binnen, of direct grenzend aan, het plangebied worden in Archis geen vindplaatsen weergegeven.

Het plangebied maakt wel deel uit een groter onderzoeksgebied: het Kennisplan Buitengebied Terneuzen / Project Leemten in Kennis in 2014 (Archisnummer 2439204100). De vermoedelijke ligging van verdwenen dorpen binnen het grondgebied van de huidige gemeente Terneuzen is onderzocht in het kader van het project Leemten in Kennis (figuur 17). Op basis van een literatuurvermelding wordt het tweede Vremdijcke/Vroondijke, dat tijdens een storm in 1601 verdronk, op korte afstand ten westen van het plangebied gesitueerd. De omschrijvende cirkel rond de mogelijke vindplaats valt echter buiten het huidige plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPIDM06-VG01_0011.png"

Figuur nummer toekennen Situering van verdronken dorpen in de omgeving van het plangebied, op basis van onderzoek in 2014. Bron: De Visser & Emaus 2014.

  • Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA). In dit archief rusten de verslagen van alle in het verleden in Zeeland uitgevoerde archeologische onderzoeken, gegevens over losse vondsten en dergelijke. Dit archief geeft een indicatie van de vondsten die in het verleden gedaan zijn. Veel of belangrijke vondsten geven een hogere archeologische verwachtingswaarde.

Navraag bij het Zeeuws Archeologisch Depot (mail helpdesk archeologie d.d. 30 september 2021) heeft geen informatie over bekende vindplaatsen in, of direct grenzend aan, het plangebied opgeleverd.

  • De bodemopbouw. Aan de hand van de geologische kaart kan nagegaan worden welke geologische, voor de archeologie relevante, bodemlagen aanwezig zijn.
    • 1. Pleistoceen: vanaf de steentijd
    • 2. Hollandveen: vanaf de ijzertijd en Romeinse tijd
    • 3. Duinkerke II, inclusief „oudere afzettingen van Duinkerke": vanaf de middeleeuwen
    • 4. Duinkerke III: vanaf de nieuwe tijd

Het plangebied maakt deel uit van een zone met code F0.3b met witte ruitjes. Dit wil zeggen dat hier sprake is van afzettingen van Duinkerke IIIb op oudere afzettingen van Duinkerke (beide vallen volgens de nieuwe nomenclatuur onder het Laagpakket van Walcheren) op Hollandveen op Pleistoceen. Volgens de bijkaarten van de Geologische Kaart heeft het Hollandveen ter hoogte van het plangebied een dikte van 1 tot 1,5 m. Het pleistocene dekzand kan volgens de bijkaarten worden verwacht op een diepte van 2 tot 3 m -NAP.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPIDM06-VG01_0012.png"

Figuur 4.6 Geologische kaart Van Rummelen met aanduiding plangebied

Conclusie

Binnen het plangebied zijn geen archeologische (rijks)monumenten, (gemeentelijke) vindplaatsen of vermeldingen in het Zeeuws Archeologisch Depot bekend. Het ligt bovendien in een gebied dat op de IKAW een lage trefkans krijgt toegekend. Op basis van de eerste 4 toetsingscriteria uit het stroomschema bestaat dus geen onderzoeksplicht. Het plangebied is echter volledig gesitueerd in een gebied waar volgens de Geologische Kaart van Nederland afzettingen van Duinkerke IIIb op oudere afzettingen van Duinkerke (IIIa of II) op Hollandveen op Pleistoceen voorkomen. Voor dit gebied geldt conform het stroomschema een onderzoeksplicht voor bodemingrepen die groter zijn dan 500 m2. én dieper reiken dan 0,50 m –mv.

Volgens het gemeentelijke beleid moeten dergelijke gebieden in de ruimtelijke plannen worden voorzien van de dubbelbestemming of gebiedsaanduiding Waarde - Archeologie 2. In gebieden met een Waarde Archeologie-2 geldt een onderzoeksplicht bij een te verstoren oppervlak >500 m2, die dieper reikt dan 0,50 m –mv.

In het kader van de beoogde ontwikkeling is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 3). Dit onderzoek zal worden gebruikt om per fase van de ontwikkeling te beoordelen of vervolgonderzoek noodzakelijk is.

4.4 Bodemkwaliteit

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Toetsing en conclusie

In het voorjaar van 2021 is door ABO-milieuconsultant B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 4). Daarbij is een lichte verontreiniging met molybdeen aangetoond. Deze verontreiniging is dermate gering dat nader bodemonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. De huidige bodemkwaliteit is geen belemmering voor de toekomstige functie.

4.5 Watertoets

Toetsingskader

Ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling dient een watertoets met het waterschap overlegd te worden. Bij de watertoets gaat het om allerlei waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Bij het tot stand komen van deze paragraaf wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder.

Toetsing

Er heeft overleg plaatsgevonden met het Waterschap Scheldestromen. De resultaten hiervan zijn opgenomen in het ingevulde 'Aanmeldformulier watertoets' aangepast en aangevuld (zie Bijlage 5). De waterbergingsopgave is berekend op 199 m3. Het waterschap Scheldestromen heeft aangegeven dat het watersysteem van DOW voldoende capaciteit heeft om deze opgave op te vangen. De realisatie van aanvullende waterberging is niet noodzakelijk.

Conclusie

Het aspect water levert geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Industrielawaai

Toetsingskader

Een geluidzone wordt vastgesteld rond industrieterreinen waar inrichtingen zijn gevestigd die 'in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken' zoals bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Dergelijke bedrijven worden in de volksmond ook wel 'grote lawaaimakers' genoemd. In dat kader is in het verleden voor de industrieterreinen Terneuzen West/logistiek park een geluidzone vastgesteld.

Op grond van de wet behoort tot de geluidzone het gebied tussen het industrieterrein zelf en de buitengrens van de zone. Het industrieterrein zelf maakt dus geen deel uit van de geluidzone. Volgens de Wet geluidhinder mag de geluidbelasting van alle bedrijven op een gezoneerd industrieterrein, buiten de zone niet hoger zijn dan 50 dB(A) etmaalwaarde. Tevens dient rekening te worden gehouden met de in het verleden vastgestelde MTG's (Maximaal Toegestane Geluidbelasting) en hogere waarden ter plaatse van geluidgevoelige functies binnen de geluidzone.

Toetsing

De inrichting ligt op industrieterrein Dow en maakt onderdeel uit van het gezoneerde industrieterrein Terneuzen West. Het zonebeheer van industrieterrein Terneuzen-West is door het bevoegd gezag belegd bij de Regionale Uitvoeringsdienst Zeeland (RUD).

Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting in de omgeving als gevolg van de uitbreiding van het bestaande transformatorstation. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 6 Akoestisch onderzoek.

Uit de rekenresultaten volgt dat de hoogste geluidbelasting op de zonegrens is berekend voor fase 1 . De voor deze situatie berekende geluidniveaus worden nagenoeg volledig bepaald door de huidige transformatoren. Na realisatie van de fasen 2, 3 en 4 worden lagere geluidniveaus berekend. Dit komt omdat de nieuw te plaatsen transformatoren 10 à 11 dB stiller zijn dan de huidige transformatoren. Vanaf fase 2 zijn twee van de huidige transformatoren volledig uit bedrijf genomen (en verwijderd).

De op de zonegrens berekende etmaalwaarde bedraagt ten hoogste 24 dB(A). Deze waarde is 26 dB lager dan de maximale, voor het gehele industrieterrein toegestane geluidbelasting. Vastgesteld wordt dat de geluidbijdrage van het HS-station van Stedin op de zonegrens volledig verwaarloosbaar is.

Ter plaatse van de woningen binnen de geluidszone wordt een geluidbelasting berekend van maximaal 44 à 45 dB(A) etmaalwaarde. Het betreft de woningen aan de Lovenpolderstraat nr. 19 en 18.Voor deze woningen is een MTG-waarde vastgesteld van 61 dB(A). De berekende geluidbelasting is derhalve 16 dB lager dan de maximale, voor het gehele industrieterrein toegestane geluidbelasting ter plaatse. Vastgesteld wordt dat de geluidbijdrage van het HS-station bij de woningen in de zone eveneens nagenoeg verwaarloosbaar is.

In het onderzoek is rekening gehouden met de weerkaatsing van het geluid vanwege het transformatorstation op de schermen van de Elsta-centrale. De totale bijdrage van het direct geluid op de woningen en het indirecte geluid op de woningen vanwege de reflectie is berekend. Er treedt geen overschrijding op van de vastgestelde waarden.

Conform de beoordelingsmethodiek van de Wet geluidhinder is vooralsnog geen rekening gehouden met het karakter van het geluid. Het is evenwel mogelijk dat het geluid ter plaatse van de dichtstbij gelegen woningen als 'tonaal' wordt aangemerkt. Dit hangt mede af van het ter plaatse heersende omgevingsgeluid (vanwege overige bronnen op het industrieterrein, wegverkeerslawaai e.d.).

Indien het geluid ter plaatse als tonaal wordt aangemerkt, dient, conform de Handleiding

meten en rekenen industrielawaai, een toeslag (K1) van 5 dB in rekening te worden gebracht

op het berekende geluidniveau alvorens toetsing aan de grenswaarden plaatsvindt. De berekende geluidniveaus zijn ook inclusief deze toeslag nog steeds vergunbaar.

Maximale geluidniveaus

Uit de berekeningen volgt dat maximale geluidniveaus tot circa 67 dB(A) kunnen optreden door het schakelen met de vermogensschakelaars. Het aantal keer dat wordt geschakeld is beperkt. Het schakelen vindt normaliter alleen in de dagperiode plaats, behoudens bij storingen.

Vastgesteld wordt dat overal wordt voldaan aan de toe te passen grenswaarde

van 70 dB(A) voor de dagperiode. Vanwege de nieuw te plaatsen vermogensschakelaars zullen de maximale geluidniveaus op de gevel van nabij gelegen woningen beperkt blijven tot ten hoogste 58 dB(A).

Laagfrequent geluid

Uitgaande van het aan de buitengevel van woningen maximaal berekende geluidniveau in de tertsband met middenfrequentie 100 Hz van maximaal 51 dB, kan worden vastgesteld dat het geluidniveau binnen in de hoogst belaste woning naar verwachting niet hoger zal zijn dan 32 à 37 dB. Deze waarden zijn lager dan de strengste grenswaarde in het VROMonderzoek voor de tertsband van 100 Hz, te weten 39 dB. Hierbij kan nog worden opgemerkt dat de optredende geluidniveaus, vanaf de realisatie van fase 2, nog enigszins lager zullen worden.

Toetsing zonebeheerder

De zonebeheerder heeft op 28 januari 2022 in een schriftelijke reactie laten weten dat de voorgenomen uitbreiding van het industrieterrein Terneuzen-West met het hoogspanningsstation aan de Herbert H. Dowweg 9 in Hoek past binnen de kaders van de Wet geluidhinder (zie Bijlage 7). Reeds op het industrieterrein aanwezige bedrijven worden door deze ontwikkeling niet noemenswaardig beperkt in hun toekomstige uitbreidingsmogelijkheden. De voorgenomen uitbreiding van het gezoneerde industrieterrein stuit dan ook niet op akoestische bezwaren en het opnemen van aanvullende akoestische maatregelen in het bestemmingsplan is op dit moment niet aan de orde.

Verdwijnen beplanting

Dichte beplanting kan zorgen voor een demping van het geluid. Afhankelijk van het type beplanting geldt dit alleen in het zomerhalfjaar. In het zonebeheersmodel is de beplanting niet gemodelleerd. De maximale geluidbelasting op woningen wordt berekend zonder geluiddempende werking van aanwezige beplanting. De situatie na uitbreiding van het transformatorstation wijzigt hier niks aan.

Conclusie

Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbijdrage van het hoogspanningsstation verwaarloosbaar is op de buitengrens van de zone en op de nabijgelegen woningen. In alle uitbreidingsfasen is sprake van een vergunbare situatie. Het aspect industrielawaai vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.

4.7 Wegverkeerslawaai

Er worden ten behoeve van het beoogde transformatorstation geen nieuwe wegen aangelegd of geluidgevoelige functies gerealiseerd. De wet geluidhinder is dan ook niet van toepassing. Wanneer echter sprake is van een substantiële toename van de verkeersbewegingen op de wegen in de omgeving (met meer dan 20%) is het gewenst de effecten daarvan op omliggende geluidgevoelige bestemmingen te onderzoeken. In paragraaf 4.2 is vermeld dat de verkeersgeneratie uitsluitend bestaat uit voertuigbewegingen in verband met bedrijfsvoering, beheer en onderhoud van het transformatorstation. Daarom wordt geconcludeerd dat akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai niet nodig is.

4.8 Milieuhinder en bedrijven

Toetsingskader

Normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de richtafstanden uit VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

Toetsing

In de beoogde situatie wordt een transformatorstation van maximaal 490 MVA gerealiseerd, waarvan maximaal 345 MVA gelijktijdig in bedrijf. Hiermee wordt een milieuhinderlijke functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. Conform de geldende beheersverordening voor Dow, Mosselbanken en Logistiek Park wordt uitgegaan van omgevingstype 'gemengd gebied' voor gevoelige functies in de omgeving. Dit omdat de locatie zich op een industrieterrein bevindt en rondom het industrieterrein verschillende functies aanwezig zijn, die omgevingstype 'gemengd gebied' rechtvaardigen. Zo is er sprake van bedrijvigheid en ontsluitingswegen zoals de N252 (Herbert H. Dowweg).

In de geldende beheersverordening maakt het plangebied deel uit van het gezoneerd industrieterrein. Daarbij hoort een aangepaste Standaard Bedrijfsindeling (SBI) vanwege het gegeven dat het gaat om een Wgh gezoneerd industrieterrein. Uit de SBI is op te maken dat er geen richtafstand voor geluid is opgenomen vanwege de geluidszonegrens van het gezoneerde industrieterrein. Voor het aspect geluid wordt verwezen naar paragraaf 4.6.

Volgens de VNG-brochure vallen transformatorstations met een vermogen van 490 MVA (waarvan 345 MVA gelijktijdig in bedrijf) in milieucategorie 4.2. Het maatgevende aspect betreft geluid met een richtafstand van 200 meter in een gemengd gebied. Zoals eerder genoemd bevindt de locatie zich op een gezoneerd industrieterrein. Voor het aspect geluid wordt verwezen naar de geluidsparagraaf. Voor het aspect gevaar is de richtafstand 50 meter. De dichtstbijzijnde gevoelige bestemmingen betreffen de woningen aan Lovenpolderstraat 18 en Lovenweg 16. De afstanden tot het plangebied betreffen respectievelijk 240 en 250 meter. Voor de aspecten geur en stof geldt een richtafstand van 0 meter. Er wordt aan de richtafstanden voldaan.

In de regels is vastgelegd dat een transformatorstation met een vermogen tussen de 200 en 1.000 MVA is toegestaan. Hiermee is geborgd dat geen andere functies mogelijk zijn.

Conclusie

Er wordt aan de richtafstanden voldaan. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen bedrijven belemmerd en ter plaatse van de woningen in de omgeving is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect milieuzonering staat de uitvoering van het bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

4.9 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.2. weergegeven.

Tabel 4.2. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Stof   Toetsing van   Grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³  
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg /m³  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek

De beoogde ontwikkeling heeft de volgende verwachte verkeersgeneratie:

  • inspectieronde: 1x per 2 weken, 1 dag, 1 tot 2 man;
  • onderhoud: 1x per jaar, 1 week, 2 man.

Dit komt neer op een verkeersgeneratie van 0,091 mvt/etmaal, waarvan 0% zwaar verkeer. Uit de NIBM-tool blijkt dat de maximale bijdrage NO2 0,00 µg/m³ bedraagt en de maximale bijdrage voor PM10 0,00 µg/m³ (figuur 4.5). Hierdoor draagt de beoogde ontwikkeling niet in betekenende mate bij aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPIDM06-VG01_0013.png"

Figuur 4.5 Uitkomst NIBM-tool

Conclusie

De conclusie is dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet belemmert. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse van zowel het plangebied als nabijgelegen woningen.

4.10 Ecologie en Landschappelijke inpassing

Toetsingskader

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten, de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland en handhaving van de oppervlakte houtopstanden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.

Daarnaast geldt op grond van de Wnb een herplantplicht voor het vellen van houtopstanden. In artikel 4.3 Wnb is vastgelegd dat binnen 3 jaar na het vellen van de houtopstand de houtopstand op bosbouwkundig verantwoorde wijze moeten worden herplant op dezelfde locatie. Er is een ontheffingsmogelijkheid om te herplanten op een andere locatie.

Toetsing

Soortenbescherming

Om de effecten op beschermde soorten te kunnen bepalen is een quickscan uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in Bijlage 8.

Geconcludeerd wordt dat bij de voorgenomen ontwikkeling verstoring en/of vernietiging van verblijfplaatsen onvermijdbaar is. Voor verstoring van het leefgebied van het konijn en de verblijfplaatsen van de vleermuizen is ontheffing vereist. Deze ontheffing is op 11 februari 2022 verleend (zie Bijlage 9). Hiervoor zijn aanvullend mitigerende maatregelen genomen. Voor de broedlocatie voor algemene broedvogels en vliegroutes voor vleermuizen zijn aanvullende maatregelen genomen, waardoor er geen effect is op de aanwezige functies. Daarom is een ontheffing voor deze werkzaamheden niet nodig.

Naast de verplichte maatregelen zijn er enkele aanvullende maatregelen uitgevoerd ten behoeve van in het verleden aanwezige soorten en in het gebied aanwezige algemene soorten. Hoewel er geen broedende roofvogels(buizerd) in het plangebied zijn aangetroffen, is het habitat in theorie en de praktijk geschikt voor de soort. Daarom zijn in de directe omgeving maatregelen genomen zodat het totaal aantal geschikte broedlocaties niet afneemt. Om de mogelijke impact van het plan voor grondgebonden zoogdieren, zoals de egel en marter, te verzachten zijn in de directe omgeving in geschikt habitat enkele egel- en marterkasten geplaatst. Hierdoor zal de hoeveelheid geschikte verblijfplaatsen niet afnemen.

Om de vliegroutes voor vleermuizen in stand te houden zijn er in maart 2021 500 stuks beplanting aangeplant op de nabijgelegen dijk (noordzijde). De beplanting kan uitgroeien tot een brede haag. In verband met de aanwezigheid van hoogspanningsmasten zijn bomen op deze locatie niet toegestaan. Voor het onderhoud en het in standhouden van de beplanting zijn afspraken gemaakt met de

eigenaar van de dijk (waterschap Scheldestromen). Hiermee wordt deze vliegroute aantrekkelijker voor vleermuizen en zal deze de volledige functie van vliegroutes over kunnen nemen van de route ten noorden van de H.H. Dowweg.

Op ongeveer 100 meter afstand van het plangebied komen verschillende soorten orchideeën voor. Deze komen op de Rode Lijst voor. De werkzaamheden hebben geen negatief effect op deze orchideeën. In het plangebied zelf is de brede wespenorchis (enkele exemplaren) aanwezig. De zeldzaamheidsklasse is algemeen voorkomend.

Gebiedsbescherming

De planlocatie ligt binnen het industrieterrein Terneuzen in een gebied waar nu een bosvak aanwezig is. Een overzichtsplaatje van de planlocatie is opgenomen in figuur 4.8. Hieruit blijkt eveneens dat de planlocatie niet in maar wel nabij Natuur Netwerk Nederland (NNN) gebieden gelegen is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPIDM06-VG01_0014.png"

Figuur 4.8 Ligging plangebied in rode contour met in groen NNN gebieden (bron: Geoweb Zeeland)

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPIDM06-VG01_0015.png"

Figuur 4.9 ligging plangebied in rode contour met in geelgroen Natura2000 gebied Westerschelde & Saeftinghe (bron ondergrond Kaarten Zeeland)

De locatie is niet gelegen in NNN danwel Natura 2000-gebied (zie figuur 4.9). Ten westen van de planlocatie ligt het dichtstbijzijnde NNN gebied Braakmankreek (op circa 600 m afstand). Daarnaast is op circa 30 meter NNN gebied Binnendijk Nieuw aanwezig. Gezien de beperkte omvang van de werkzaamheden en de grote afstand van > 100 m tot regulier NNN gebied (Niet zijnde Binnendijken, waarvoor deze afwegingszone niet geldt) zijn de werkzaamheden niet van invloed op deze gebieden.

Natura 2000-gebied de Westerschelde & Saeftinghe ligt op ca 1,9 kilometer afstand aan de andere zijde van een industrieterrein; er vindt als gevolg van het planvoornemen geen kwaliteitsverlies of versnippering plaats. Aangezien het transformatorstation onbemand is en er uitsluitend sprake zal zijn van incidenteel verkeer ten behoeve van inspectie, onderhoud, beheer en reparatie en gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied, is er ook geen sprake van stikstofdepositie vanwege het gebruik op de Westerschelde & Saeftinghe. Voor de bouwfase is een stikstofberekening uitgevoerd (zie Bijlage 10). Uit de berekening blijkt dat de emissie die als gevolg van dit plan vrijkomt leidt tot een depositieresultaat van 0,00 mol N/ha/jaar.

Houtopstanden 

Ten behoeve van de realisatie van de uitbreiding van het transformatorstation is de bestaande bosopstand gerooid. Hiervoor is op 21 januari 2022 een melding ingediend. Voor het vellen van deze houtopstanden geldt een herplantplicht. De gerooide bosopstand heeft niet alleen een ecologische maar ook een landschappelijke waarde. Compensatie kan voor een klein deel als onderdeel van de landschappelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling worden gerealiseerd door herplant op de planlocatie aan de oost- en zuidrand. Voor herplant binnen het plangebied is een plan gemaakt met een visualisatie (zie figuur 2.2 en 2.3).

Vanwege de uitbreiding van het transformatorstation is volledige herplant op de locatie niet mogelijk. Er kan een ontheffing worden verleend voor het herplanten op een andere locatie. Het college van Terneuzen heeft op 13 juli 2021 besloten dat een dergelijke compensatie alleen mag plaatsvinden op niet-natuurbestemmingen. De herplantingsplicht verloopt op 1 maart 2025, dan moet de ontheffing zijn verleend en de bomen zijn aangeplant.

In de regels van voorliggend bestemmingsplan is geborgd dat binnen 3 jaar nieuwe houtopstanden worden gerealiseerd, met dien verstande dat de realisatie van nieuwe houtopstanden niet op gronden plaatsvindt met een groen- of natuurbestemming.

Conclusie

Soortenbescherming

Geconcludeerd wordt dat bij de voorgenomen ontwikkeling verstoring en/of vernietiging van verblijfplaatsen onvermijdbaar is. Voor verstoring van het leefgebied van het konijn en de verblijfplaatsen van de vleermuizen is ontheffing vereist. Deze ontheffing is op 11 februari 2022 verleend. Voor overige beschermde soorten zijn voorafgaand aan de werkzaamheden maatregelen getroffen. De werkzaamheden zijn in overeenstemming met de Wet natuurbescherming.

Gebiedsbescherming

Geconcludeerd wordt dat als gevolg van het planvoornemen geen kwaliteitsverlies, versnippering of stikstofdepositie plaatsvindt.

Houtopstanden

Vanwege het vellen van houtopstanden ten behoeve van de uitbreiding van het transformatorstation is herplant van 0,8 hectare bos vereist. Hiervoor is in de regels van voorliggend bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

4.11 Planologisch relevante leidingen en externe veiligheid

4.11.1 Toetsingskader en referentiesituatie

Het relevante toetsingskader ten aanzien van planologisch relevante kabels en leidingen is

  • Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen;
  • de Wet ruimtelijke ordening (criterium 'goede ruimtelijke ordening)
  • het provinciaal Omgevingsplan Zeeland (herzien 2018)
  • advies van het Ministerie van Infrastructuur en milieu met betrekking tot hoogspanningslijnen
  • het 'Handboek Risicozonering Windturbines (2020)'.

Planologisch relevantie

Planologisch relevante kabels en leidingen dienen in het bestemmingsplan te worden geregeld (lees: te worden beschermd). Deze zijn namelijk van groot maatschappelijk of bedrijfseconomisch belang. Deze kabels en leidingen hebben een relatief grote invloed op het gebruik van gronden in de directe omgeving of dienen te worden beschermd tegen invloeden van buitenaf. In ieder geval zijn buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen die vallen onder het Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen planologisch relevant. Deze leidingen hebben externe veiligheidscontouren.

De volgende buisleidingen vallen onder de reikwijdte van het Bevb/Revb:

  • a. aardgas met een uitwendige diameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPA of meer;
  • b. aardolieproducten met een uitwendige diameter van 70 mm of meer en een druk van 1.600 kPA of meer (aardolie, aardgasolie, vloeibare aardolieproducten, en derivaten);
  • c. brandbare stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer;
  • d. vergiftige stoffen, (stoffen die zijn geclassificeerd als acuut toxisch) en;
  • e. specifieke stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer (kooldioxide, zuurstof en stikstof).

Het Bevb is niet van toepassing op:

  • Leidingen op het continentaal plat of in de territoriale zee. Voor buisleidingen in de mijnbouw geldt een aparte regeling (zie artikel 3 van de Revb).
  • Gasleidingen (<1600 kPa) die deel uitmaken van het gasdistributienet (deze vallen onder de Gaswet).
  • Andere mogelijk planologisch relevante buisleidingen zoals elektriciteits-, afvalwater- en rioolwaterleidingen (zie verder in dit document)
  • Leidingen voor vervoer van gevaarlijke stoffen die deel uitmaken van een inrichting,

Voor deze leidingen geldt dat deze in het bestemmingsplan moeten worden aangegeven als deze op het terrein van een inrichting liggen maar geen deel uitmaken van die betreffende inrichting, In het Bevb is voorts bepaald dat het hart van de leiding alsmede de daarbij behorende belemmeringenstrook op de verbeelding moeten worden aangegeven.

Door de gemeente Terneuzen worden hoogspanningsleidingen en -verbindingen van 50 kV en hoger die geen deel uitmaken van een inrichting als bedoeld in artikel 1 van de Wet milieubeheer als planologisch relevant aangemerkt.

Grondroeringsregeling (WION)

In principe zijn leidingen ook beschermd tegen schade door graafwerkzaamheden vanwege de meldingsplicht op basis Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION). De WION verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke 'mechanische grondroering' bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen.

Hoogspanningsleidingen

Ook hoogspanningsverbindingen vanaf een bepaald voltage kunnen planologisch relevant zijn. In oktober 2005 heeft het Ministerie van VROM aan te houden afstanden geformuleerd (in de praktijk ook wel Teslazones genoemd) van gevoelige functies tot bovengrondse hoogspanningsverbindingen (> 150 kV) vanwege een mogelijke relatie tussen straling en leukemie bij kinderen. De gemeente Terneuzen hanteert als uitgangspunt dat hoogspanningsverbindingen met een spanning van 50 kV of meer planologisch relevant zijn.

Er geldt een voorzorg beleid vanuit de rijksoverheid voor het weren van gevoelige bestemmingen binnen de 0,4 microtesla zone langs bovengrondse hoogspaningsverbindingen vanwege statistisch aangetoond verband op kinderleukemie

Het bestaande transformatorstation is verbonden met een 150 kV hoogspanningsleiding. De uitbreiding van het transformatorstation, waar dit bestemmingsplan in voorziet, verandert niks aan deze hoogspanningsleiding. De 0,4 microtesla norm wordt op een afstand van 40 meter buiten het hekwerk nergens overschreden. Op minder dan 40 meter afstand uit het hek zijn er geen bestemmingen of verblijfplaatsen waar kinderen verblijven. De kortste afstand in de bestaand situatie is circa 120 meter tot de dichtstbij gelegen gevoelige bestemming (woning). Vanwege de uitbreiding wordt deze afstand niet korter. Buiten het hekwerk van het hoogspanningsstation wordt nergens de aanbevelingsnorm van de Europese Unie van 100 microtesla overschreden.

In het plangebied zelf worden geen gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. De bestaande hoogspanningsverbinding levert dan ook geen beperkingen voor de beoogde ontwikkeling.

4.11.2 Toetsing en conclusie

In het gebied van de beheersverordening Dow, Mosselbanken en Logistiek Park is een groot aantal ondergrondse buisleidingen aanwezig. Verwezen wordt naar de leidingenkaart die behoort bij de regels van de beheersverordening. Door middel van een KLIC-melding is bepaald dat binnen het plangebied van het voorliggend bestemmingsplan de volgende planologisch relevante leiding ligt:

  • een aardgasleiding/waterstofleiding van Gasunie Waterstof Service: 16 inch, 66 bar aardgas of 40 bar waterstof.

De hiervoor genoemde leiding en de belemmeringenstroken, voor zover gelegen in het plangebied, zijn opgenomen op de verbeelding en in de planregels. Binnen de leidingbestemmingen gelden beperkingen voor het bouwen en voor het uitvoeren van werkzaamheden die los staan van bouwwerkzaamheden en die de grond roeren. De regeling in het bestemmingsplan verzet zich tegen het aanbrengen van nieuwe diepwortelende beplanting en het rooien daarvan. Dit kan niet zonder omgevingsvergunning. Verwezen wordt naar paragraaf 2.3.3. In het plangebied zijn verder geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig.

Daarnaast geldt dat een transformatorstation niet als kwetsbaar object of BEVI-inrichting is aangemerkt. Er is namelijk geen sprake van een reguliere personele bezetting van de 10kV en/of 20kV schakelgebouwen noch van het Centraal Diensten Gebouw. Het station is onbemand. Slechts bij periodieke inspectierondes, regulier beheer en onderhoud, projecten of eventuele calamiteiten zijn er personen op het station aanwezig. Er is geen sprake van een kantoorgebouw.

Het transformatorstation kan wel aangemerkt worden als vitale infrastructuur. Uitval hiervan als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen in de omgeving kan leiden tot maatschappelijke ontwrichting. Tevens kunnen werkzaamheden bij bouw van het station leiden tot externe veiligheidsrisico's voor de omgeving. Daarom is het van belang om de risico's met betrekking tot externe veiligheid in kaart te brengen.

De beoogde locatie van het station ligt binnen het invloedsgebied van een aantal risicovolle inrichtingen. Dit betreft DOW Benelux, Bertschi BV, Oiltanking Terneuzen BV en Maschem. Voor al deze inrichtingen betreft het vrijkomen van giftige stoffen het maatgevend scenario. Dit scenario zal niet leiden tot aantasting van de transformatorvelden en gebouwen. Indien zich een incident voordoet waarbij een gifwolk vrijkomt, kan dit wel gevolgen hebben voor eventueel aanwezige personen op het station. De Veiligheidsregio heeft hiervoor een advies gegeven. Dit advies is opgenomen in Bijlage 11.

Het plangebied ligt ook binnen het invloedsgebied van twee buisleidingen. Dit betreft leidingen X-804 en A523. Het maatgevende scenario voor buisleidingen betreft een fakkelbrand als gevolg van beschadiging van de leiding. Het voornaamste effect hierbij is hittestraling. De hittestraling bij een fakkelbrand in de nabijheid van het station kan variëren van 10 tot meer dan 35 kW/m2. Dit kan leiden tot aantasting van de transformatorvelden en de gebouwen. Zie Bijlage 11 voor het advies van de Veiligheidsregio hierover.

De beoogde uitbreiding van het transformatorstation zorgt niet voor een uitbreiding van de bestaande Teslazones. Deze zones leveren ook geen belemmering voor de boogde ontwikkeling.

4.12 Niet-gesprongen explosieven

De NGE-risicokaart van REASeuro uit 2018 heeft de locatie niet als verdacht gebied c.q. aandachtsgebied gemarkeerd. Het aspect niet-gesprongen explosieven vormt derhalve geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan. Indien nodig wordt ingezet op het handelen op basis van het protocol ‘Toevalstreffer conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog’.

4.13 Klimaat

Het klimaat verandert. Dit uit zich in heftige neerslag en langere periodes van droogte. In de komende decennia worden klimaatveranderingen en de effecten hiervan steeds heviger. Extreme neerslag, hitte/droogte en verhoging van de zeespiegel zijn daarbij de belangrijkste bedreigingen.

Heftige neerslag kan leiden tot wateroverlast en/of aantasting van de constructies als water niet in afdoende mate afgevoerd kan worden. Door extreme hitte of droogte kan uitzetting van materialen en uitdroging leiden tot uitval.

4.13.1 Toetsing en conclusie

In het advies van de Veiligheidsregio, dat is opgenomen in Bijlage 11, wordt geadviseerd om in het bestemmingsplan maatregelen te benoemen zodat in voldoende mate rekening wordt gehouden met de neerslag, hitte en droogte als gevolg van klimaatwijzigingen voor de komende decennia. De wijze waarop met waterberging wordt omgegaan is in paragraaf 4.5 beschreven. Overtollig water kan in afdoende mate worden afgevoerd. De materialen waarmee het transformatorstation wordt gebouwd zijn berekend op hoge temperaturen en daarmee voorbereid op hitte. Droogte heeft geen gevolgen voor de beoogde ontwikkelingen.

Klimaatwijzigingen hebben gevolgen voor de zeespiegelstijging. Vanwege de ligging van het plangebied nabij de Westerschelde kan de zeespiegelstijging negatieve effecten hebben op het functioneren van het transformatorstation. Het plangebied ligt echter achter een primaire waterkering. Het functioneren van deze waterkering is een verantwoordelijkheid van de rijksoverheid.

Hoofdstuk 5 Financiële aspecten

5.1 Financiële uitvoerbaarheid

Stedin Netbeheer B.V. in staat om alle voorbereidings- en uitvoeringskosten geheel uit eigen middelen te financieren, inclusief het recht van erfpacht en opstal van de grond van Dow. De ontwikkeling komt niet ten laste van de publieke middelen. De financiële uitvoerbaarheid is daarmee afdoende aangetoond. Gelet op het vertrouwelijke karakter zijn financiële gegevens niet in deze paragraaf opgenomen.

5.2 Grondexploitatie

Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening dient de gemeenteraad een exploitatieplan vast te stellen als er sprake is van een aangewezen bouwplan. In artikel 6.2.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd wat onder een aangewezen bouwplan wordt verstaan. Dit is onder andere de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Het plan van Stedin Netbeheer B.V. voorziet daarin. Een exploitatieplan is niet verplicht in gevallen waarin:

  • a. het totaal van de exploitatiebijdragen dat (..) kan worden verhaald, minder bedraagt dan € 10.000,-;
  • b. er geen verhaalbare kosten zijn als bedoeld in artikel 6.2.4., onderdelen b tot en met f van het Bro;
  • c. de verhaalbare kosten, bedoeld in artikel 6.2.4., onderdelen b tot en met f, uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen.

Een exploitatieplan is evenmin verplicht indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins verzekerd is (artikel 6.12 lid 2 onder a van het Bro). Met een anterieure overeenkomst wordt het kostenverhaal vastgelegd.

Hoofdstuk 6 Resultaten overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1.1 Omgevingsdialoog

Op 14 december 2021 is het plan voor de uitbreiding van het transformatorstation in een online bijeenkomst aan de Stichting Dorpsbelangen Hoek (de Dorpsraad) gepresenteerd en op 7 februari 2022 aan de omwonenden. Tijdens deze avonden zijn vragen gesteld over onder andere geluid. De reacties op het plan zijn meegenomen bij het opstellen van dit bestemmingsplan.

Op 2 februari 2022 en 22 juni 2022 heeft een overleg plaatsgevonden met de lokale natuurvereniging De Steltkluut. De Steltkluut heeft onder andere vragen gesteld over de noodzaak van de uitbreiding, over de locatie en over de effecten van de te kappen bomen op het geluid van het terrein van DOW. De antwoorden zijn zoveel mogelijk verwerkt in de toelichting van dit bestemmingsplan. De Steltkluut zal ook worden betrokken bij de plannen voor de herplant.

6.1.2 Vooroverleg

In het kader van het wettelijk vooroverleg heeft afstemming plaatsgevonden met het waterschap en is het plan voorgelegd aan de Veiligheidsregio. De afspraken en reacties zijn verwerkt in dit bestemmingsplan.

6.1.3 Zienswijzen

Het ontwerp van het bestemmingsplan "Dow, Mosselbanken en Logistiek Park, uitbreiding transformatorstation", en de daarmee gecoördineerd behandelde omgevingsvergunning voor de bouw hebben van 21 juli 2022 tot en 31 augustus 2022 ter inzage gelegen voor de vaststellingsprocedure (terinzagelegging op grond van artikelen 3.8, lid 1, en 3.30 Wet ruimtelijke ordening). Er zijn twee zienswijze ontvangen. De 'Antwoordnota zienswijzen' van burgemeester en wethouders, waarmee het bestemmingsplan ter vaststelling is voorgelegd aan de gemeenteraad, is opgenomen Bijlage 12.