direct naar inhoud van Toelichting
Plan: herziening Buitengebied, Van Wuyckhuiseweg 1/1a en Binnendijk 22/22a Hoek
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0715.BPBG10-VG99

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Aanleiding

Aanleiding voor het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan is primair het volgende:

  • burgemeester en wethouders wensen medewerking te verlenen aan de sanering van de voormalige bedrijfsbebouwing op het perceel Binnendijk 22/22a in combinatie met het juridisch-planologisch regelen van 1 woning aan de van Wuyckhuiseweg 1a;
  • ondergeschikt aan deze ontwikkeling wensen burgemeester en wethouders de bestemmingsregeling ten aanzien van het loon- en grondverzetbedrijf aan de Van Wuyckhuiseweg 1 aan te passen aan de huidige situatie.

Sanering bedrijfsbebouwing in combinatie met realiseren compensatiewoningen

Het provinciaal beleid biedt de mogelijkheid om ongewenste of in onbruik geraakte objecten in het buitengebied te saneren in ruil voor planologische ontwikkelingsruimte (bijvoorbeeld in de vorm van een woon- of recreatieve functie). Aan de uitvoer van deze regeling worden voorwaarden gesteld, onder andere dat maximaal 3 woningen mogen worden gerealiseerd. In hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op het beleidskader.

De (compensatie)woningen mogen op de bestaande locatie, maar ook elders worden gerealiseerd. In de voorliggende situatie wordt de locatie Binnendijk 22/22a volledig gesaneerd en wordt vervolgens een agrarisch grondgebruik zonder bouwmogelijkheden voorgestaan. Het gaat om een bedrijfslocatie van ruim 10.000 m² met circa 4.000 m² bebouwing.

Op locatie Van Wuijkhuiseweg 1 wordt één van de drie (compensatie)wooneenheden geprojecteerd. Er resteren zodoende nog twee bouwmogelijkheden elders, die in een later stadium kunnen worden aangewend.

Planologische regeling grondverzetbedrijf Van Wuyckhuiseweg

In het bestemmingsplan Buitengebied is ter plaatse van het perceel Van Wuyckhuiseweg al een bedrijfsbestemming opgenomen. Ter plaatse zijn maximaal bedrijven uit bedrijfscategorie 2 toegestaan. Het loon- en grondverzetbedrijf is zwaarder, maar is bij de algehele herziening van het buitengebied echter op de verbeelding niet correct aangeduid. Voorzien wordt nu in een passende aanduiding. Tevens wordt de toegestane bouwhoogte vastgelegd op de huidige 8 meter in plaats van 6 meter in het actuele bestemmingsplan Buitengebied.

Doel

Het geldende bestemmingsplan Buitengebied van Terneuzen voorziet niet in afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden om de beoogde sanering en de realisering van de woning mogelijk te maken. De activiteiten voor het loon- en grondverzetbedrijf zijn niet binnen de huidige actuele regeling mogelijk. Echter voorzag het tot juli 2013 geldende plan wel in regels daartoe. Dit betekent dat een herziening van het bestemmingsplan nodig is. Voorliggend ruimtelijk plan voorziet dan ook in een herziening van het geldende bestemmingsplan, waarbij:

  • het toegestane juridisch-planologisch gebruik van perceel Binnendijk 22/ 22a wordt herzien in Agrarisch, zonder bouwmogelijkheden;
  • het juridisch-planologisch gebruik van het perceel Van Wuijkchuiseweg 1a deels wordt herzien in 'Wonen' en 'Tuin';
  • het juridisch-planologisch gebruik van het resterende deel van het perceel Van Wuyckhuiseweg 1 wordt toegesneden op het loon- en grondverzetbedrijf.

1.2 Plangebied

De herziening van het bestemmingsplan heeft betrekking op twee plangebieden:

  • Binnendijk 22/22a te Hoek;
  • Van Wuyckhuiseweg 1/1a te Hoek.

De plangebieden zijn aangeduid op figuur 1.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG10-VG99_0001.jpg"

Locatie Binnendijk 22/22a

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG10-VG99_0002.jpg"

Van Wuyckhuiseweg 1 / 1a

Figuur 1.1 Plangebieden

Binnendijk 22/22a

De begrenzing van het plangebied laat zich als volgt beschrijven.

  • Ten noorden, westen en zuiden van het plangebied ligt agrarisch gebied (akkerland).
  • Aan de oostzijde van het plangebied ligt een watergang met een natuurbestemming. Ten oosten daarvan ligt de N252 en het kanaal van Gent naar Terneuzen.

Van Wuyckhuiseweg 1 / 1a

De randen van het plangebied kenmerken zich door het volgende.

  • Aan de noordzijde ligt een bestemming 'Natuur' (Natuurgebied De Nol).
  • Ten westen en oosten ligt agrarisch gebied (akkerland en grasland).
  • Ten zuiden van het gebied bevindt zich aan de oostzijde van de Van Wuijckhuiseweg en de kruising met de Langeweg lintbebouwing.

1.3 Planopzet

Deze toelichting heeft de volgende opzet.

  • In hoofdstuk 1 is een korte toelichting gegeven op de aanleiding en het doel van de herziening en de ligging van het plangebied.
  • In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en de ontwikkeling beschreven. Direct daaropvolgend is aangegeven op welke wijze de nieuwe situatie juridisch-planologisch is geregeld in voorliggende herziening van het bestemmingsplan Buitengebied.
  • In de hoofdstukken 3 en 4 wordt de gerealiseerde ontwikkeling getoetst aan het geldende beleidskader van verschillende overheden en aan ruimtelijke en planologische aspecten.
  • In hoofdstuk 5 wordt tot slot ingegaan op de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Beschrijving huidige situatie

Locatie Binnendijk 22/22a

De locatie kent een voormalige bedrijfsmatig gebruik. Het perceel is grotendeels bebouwd met enkele loodsen. De loodsen zijn reeds gedeeltelijk ontmanteld: van een deel van deze voormalige bedrijfsbebouwing ontbreekt namelijk reeds de dakbedekking.

De locatie is grotendeels verhard met stelconplaten. Aan de noordzijde is een deel onverhard (grasland).

Locatie Van Wuyckhuiseweg 1 /1a

Perceel

Er is sprake van een bedrijfsmatig gebruik van de gronden. Het perceel is daarbij efficiënt ingericht.

  • Het perceel is in belangrijke mate verhard. Er is een brede toerit tot het perceel aan de westzijde.
  • Er staat een bedrijfswoning in de zuidoosthoek van het perceel. Ten noorden hiervan liggen parkeerplaatsen voor personeel en bezoekers.
  • Achter de bedrijfswoning is de bedrijfsbebouwing gesitueerd. Deze bestaat uit verschillende opslagloodsen.
  • Achter de bedrijfsbebouwing bevinden zich enkele sleufsilo's voor grond- en andere bouwmaterialen.
  • De noordelijke gronden van het perceel zijn grotendeels onverhard (grasland). In de directe nabijheid van Van Wuyckhuiseweg liggen stelconplaten, waarop tijdelijke gebouwunits zijn gesitueerd.

Verkeer en vervoer

De Van Wuyckhuiseweg maakt deel uit van de ontsluiting van Philippine (route Kanaalpolderweg, Van Wuyckhuiseweg, Mauritsfort, N61).

Er is geen openbaar vervoer in de directe omgeving van de locatie.

Ondergrondse infrastructuur

Ten oosten van de planlocatie ligt een planologisch-relevante aardgasleiding. Verwezen wordt naar paragraaf 4.6 en 4.7.

Water

Ten aanzien van water geldt het volgende.

  • De Van Wuyckhuiseweg ligt direct naast een regionale waterkering. Ter plaatse van het plangebied ligt de beschermingszone A en B. Verwezen wordt naar paragraaf 4.2.
  • Oppervlaktewater is niet of nauwelijks aanwezig. langs de Van Wuyckhuiseweg is een bermsloot aanwezig. Ten noorden van het plangebied ligt een kreekrestant.

Landschap

Het perceel is landschappelijk ingepast door beplantingen aan de noord-, oost- en zuidzijde van de locatie.

Ten westen van de Van Wuyckhuiseweg ligt een dijk. Deze is aangewezen als regionale waterkering en heeft een landschappelijke waarde.

Archeologie en cultuurhistorie

De planlocatie heeft volgens het gemeentelijk beleid geen archeologische waarden. Verwezen wordt naar paragraaf 4.4.

De cultuurhistorische waarde van de dijk is vastgelegd in het bestemmingsplan Buitengebied.

2.2 Geldend bestemmingsplan

Bestemmingsplan Buitengebied

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Terneuzen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG10-VG99_0003.jpg"   afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG10-VG99_0004.jpg"  
Locatie Binnendijk 22/22a
Bestemming 'Bedrijf'
'bedrijven uit ten hoogste categorie 2'

Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2'
'geluidszone - industrie - 2'  
Locatie Van Wuyckhuiseweg 1 /1a
Bestemming 'Bedrijf'
'bedrijven uit ten hoogste categorie 2'

Dubbelbestemming 'Leiding - Water'
 

Figuur 2.1 Geldende regelingen

Binnendijk 22/22a

Ter plaatse geldt een bestemming 'Bedrijf'. Er is geen bouwvlak voorzien. Ter plaatse zijn bedrijfsmatige activiteiten uit ten hoogste milieucategorie 2 toegestaan. Er is sprake van een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2'. Dit betekent dat activiteiten tot 500 m² waarbij minder dan 50 cm diep de bodem wordt verstoord zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Tot slot ligt een geluidszone over de locatie. Nieuwe geluidsgevoelige objecten zijn hier niet toegestaan.

De beoogde ontwikkeling ziet toe op een sanering van het huidige gebruik, waarbij wordt overgegaan tot het omliggend agrarisch grondgebruik. Het bestemmingsplan voorziet niet in een dergelijke wijziging. In voorliggende herziening wordt dit mogelijk gemaakt.

Van Wuyckhuiseweg 1 /1a

Ter plaatse geldt een bestemming 'Bedrijf'. Er is voorzien in een bouwvlak. Toegestaan zijn bedrijfsmatige activiteiten uit ten hoogste milieucategorie 2. Er is één bedrijfswoning toegestaan. Voor het bouwen geldt dat:

  • de bedrijfswoning een goot- en bouwhoogte mag hebben van 6 respectievelijk 10 m;
  • de bedrijfswoning een inhoud heeft van maximaal 750 m³;
  • de bedrijfsbebouwing een goot- en bouwhoogte heeft van maximaal 6 respectievelijk 10 m en beoogd is dat de oppervlakte van de bebouwing maximaal 4.800 m² mag bedragen.

Ter plaatse is een aannemingsbedrijf gevestigd. Op de verbeelding van het recent vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied is de aanduiding (specifieke vorm van bedrijf - bouw - en aannemersbedrijf) niet overgenomen en de regelgeving in bijlage 3 is niet correct. Ook is de maximaal toelaatbare goothoogte niet in overeenstemming met de voorheen geldende situatie. Daarnaast is de realisering van een nieuwe (burger)woning gewenst. Het bestemmingsplan voorziet niet in een afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid. Voorliggende herziening beoogd de huidige planregels te herzien, af te stemmen op de bedrijfsvestiging en de realisering van de burgerwoning mogelijk te maken.

De dubbelbestemming 'Leiding - Water' tipt net aan het noordwestelijk deel van het plangebied.

2.3 Beschrijving ontwikkeling en juridische regeling

2.3.1 Ontwikkeling

Binnendijk 22/22a

De bebouwing en verharding wordt geamoveerd. Het terrein wordt opnieuw in gebruik genomen als agrarische (productie)grond. Er wordt circa 4.000 m² gebouw gesloopt.

Van Wuyckhuiseweg 1/1a

Beoogd is de realisering van een vrijstaande woning in het noordelijke deel van het plangebied. De woning is geprojecteerd buiten de beschermingszone van de dijk aan de westzijde van de Van Wuyckhuiseweg (zie ook paragraaf 4.2). De woning wordt op ten minste 3 m uit de noordelijke en zuidelijke perceelsgrens gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG10-VG99_0005.jpg"

Figuur 2.2. Schets inrichting Van Wuyckhuiseweg 1a

Op dit moment is nog geen ontwerp van de woning beschikbaar. Ten aanzien van de woning geldt het volgende.

  • De woning mag niet worden gebouwd binnen de kernzone van de regionale waterkering.
  • Het grondoppervlak van de woning beslaat circa 12 m bij 14 m. De goothoogte bedraagt maximaal 6 m, de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 10 m. De inhoud bedraagt niet meer dan 750 m³.
  • Bij de woning is een bijgebouw voorzien met een grondoppervlakte van circa 50 m².
  • Het perceel dat aan de bedrijfsbestemming wordt onttrokken, heeft een oppervlak van circa 1.350 m².
2.3.2 Opzet juridische regeling

Inhoud herziening

De herziening ziet toe op het volgende.

  • Het bestemmen van het perceel Binnendijk 22/22a tot 'Agrarisch' in combinatie met het bestemmen van een deel van het perceel Van Wuyckhuiseweg 1a tot 'Wonen'.
  • De planologische regeling wordt afgestemd op de bedrijfsvoering van het grondverzetbedrijf. Voorzien wordt in de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bouw- en aannemersbedrijf' ter plaatse van het perceel Van Wuyckhuiseweg 1 en het opnemen van de op de situatie afgestemde maximaal toelaatbare bouwmogelijkheden.
  • De waterleiding is komen te vervallen als dubbelbestemming.

Het gemeentebestuur acht de voorgenomen ontwikkeling planologisch aanvaardbaar. Voor de ontwikkeling bestaan geen ruimtelijke en milieubelemmeringen. In de hoofdstukken 3 en 4 wordt op die aspecten nader ingegaan.

De verbeelding

Op de verbeelding is in de ondergrond de bestaande situatie weergegeven. Daarbij is gebruikgemaakt van een zo actueel mogelijk digitaal bestand. Op deze ondergrond zijn vlakken getekend waarin is aangegeven welke bestemming ter plaatse zal gaan gelden.

  • Het perceel Binnendijk 22 is overeenkomstig de huidige regeling van het bestemmingsplan buitengebied bestemd tot 'Agrarisch', zonder bouwvlak. De archeologische dubbelbestemming is behouden.
  • Het perceel Van Wuyckhuiseweg 1 is overeenkomstig bestaand gebruik voorzien van een bestemming 'Bedrijf'. Het bouwvlak is voor het bedrijfsgedeelte van het perceel gehandhaafd. Ook de andere aanduidingen zijn gehandhaafd. Voorzien is in een nieuwe aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bouw - en aannemersbedrijf'.
  • Ter plaatse van de geprojecteerde woning is een bestemming 'Wonen' opgenomen.
  • De locatie met bodemverontreiniging is op de verbeelding als bestemming 'Groen" opgenomen met een aanduiding 'tuin'.

De regels

Er is sprake van een planherziening. Het bestemmingsplan herziening Buitengebied, Van Wuyckhuiseweg 1/1a en Binnendijk 22/22a Hoek maakt zodoende deel uit van het basisplan: het bestemmingsplan Buitengebied Terneuzen, zoals vervat in het bestand NL.IMRO.0715.BPBG01-VG99.

De regels bevatten zodoende alleen de noodzakelijke bepalingen. Voor de inhoud omtrent het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of nog op te richten bouwwerken is verwezen naar het basisplan Buitengebied Terneuzen.

In het artikel 'Bedrijf' is de goothoogte voor 'overige bedrijfsgebouwen en overkappingen' aangepast van 6 meter naar 8 meter.

In bijlage 3 is ten aanzien van het perceel Van Wuyckhuiseweg 1 opgenomen in kolom 3 de aanduiding (sb-aan) 'specifieke vorm van bedrijf - aannemersbedrijf'. Hiermee wordt de bouwregeling ten aanzien van het maximaal toelaatbaar bebouwd oppervlak goed geregeld.

Het artikel Groen is aangevuld met een aanduiding 'tuin' en een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Het voorkomen van verstoring is daarmee vastgelegd.

Hoofdstuk 3 Toetsing aan beleid en visies

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De ontwikkeling is van dien aard en schaal dat géén sprake is van belemmeringen vanuit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

AMvB Ruimte en Duurzaamheidsladder

AMvB Ruimte

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (AMvB Ruimte) stelt het Rijk een aantal regels voor met betrekking tot de inhoud van bestemmingsplannen, onder andere ten aanzien van de (her)ontwikkeling van locaties buiten bestaand stedelijk gebied.

Duurzaamheidsladder

Belangrijk uitgangspunt van de AMvB Ruimte is de toepassing van de zogenaamde duurzaamheidsladder. Hierna volgt een korte toelichting.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
  • b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins en;
  • c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Ook indien de locatie door middel van een provinciale verordening voor stedelijke ontwikkeling is aangewezen dient aan de ladder van duurzame verstedelijking te worden voldaan.

Toetsing en conclusie

De duurzaamheidsladder vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Verwezen wordt naar een uitgebreide toetsing in paragraaf 3.4. Navolgend de conclusies.

  • Er is sprake van een sanering van voormalige bedrijfsbebouwing in het buitengebied aan de Binnendijk en de realisering van een compensatiewoning aan de Van Wuyckhuiseweg 1a.
  • Het project wordt ingepast binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur van het bebouwingslint aan de Van Wuijckhuijseweg. Tegelijkertijd wordt een voormalige bedrijvenlocatie volledig gesaneerd, waardoor per saldo de verstening van het buitengebied afneemt.
  • De compensatiewoningen gaan niet ten koste van de regionale woningbouwplanning. Er is sprake van een actuele behoefte en een concreet initiatief.
  • De ontwikkeling draagt niet bij aan een verslechtering van de bereikbaarheid en zorgt niet voor een significante toename van de automobiliteit.

Toetsing en conclusie

Het rijksbeleid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

3.2 Provinciaal beleid

Omgevingsplan Zeeland 2012-2018

Analyse

Voor een krachtig Zeeland zijn economische groei, ontwikkeling en innovatie nodig. De provincie Zeeland draagt daar als regionaal bestuur met eigen taken en verantwoordelijkheden actief aan bij. De provincie zet in op een sterke economie, een goed woon- en werkklimaat en kwaliteit van water en landelijk gebied. In het Omgevingsplan 2012-2018 beschrijft de provincie wat zij de komende jaren zal doen om Zeeland op deze punten vooruit te helpen.

De provincie wil de kernkwaliteiten van Zeeland verder benutten, (h)erkennen en versterken. Het karakter van verschillende delen van Zeeland, met sterke, beeldbepalende economische sectoren en eigenheid van de omgeving, is daarvoor de basis. De provincie onderscheidt drie deelgebieden:

  • Produceren op Land aan Zee;
  • Beleven van Land en Zee;
  • Bloeien op Land en in Zee.

Terneuzen maakt deel uit van het deelgebied 'Produceren op Land aan Zee'.

Wonen

Ten aanzien van wonen gelden de volgende uitgangspunten voor het beleid. Ruimtelijk zet de provincie in op bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik en hanteert hiervoor de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Ook bij woningbouwontwikkelingen wordt hieraan vastgehouden. Dit houdt in dat bij elk ruimtelijk plan de afweging wordt gemaakt of het plan voorziet in een regionale, intergemeentelijke vraag, of realisatie kan binnen bestaand gebouwd gebied en – indien dat niet mogelijk is – of de ontwikkellocatie multimodaal ontsloten is of wordt.

Ruimte voor ruimte

het provinciaal beleid biedt de mogelijkheid om ongewenste of in onbruik geraakte objecten in het buitengebied te saneren in ruil voor planologische ontwikkelingsruimte, bijvoorbeeld in de vorm van een woon- of recreatieve functie. Aan de uitvoer van deze regeling op gemeentelijk niveau worden de volgende voorwaarden gesteld.

  • Er kunnen maximaal 3 (compensatie)woningen worden gerealiseerd. Voor de realisatie van een woning/bouwkavel wordt uitgegaan van een te slopen oppervlak van 500 m² schuur of 0,5 ha glas of andere (bedrijfs)bebouwing van een vergelijkbare grootte. Hiervan kan worden afgeweken indien:
    • 1. uit een financiële onderbouwing blijkt dat onvoldoende kostendragers kunnen worden gegenereerd voor de sloop van het betreffende object;
    • 2. dit aantoonbare meerwaarde oplevert voor het landschap.
  • Het dient te gaan om niet cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Onder cultuurhistorisch waardevolle bebouwing wordt verstaan:
    • 1. categorie A-bebouwing uit de inventarisatie historische boerderijen, deze mag niet gesloopt worden;
    • 2. categorie B-bebouwing uit de inventarisatie historische boerderijen, deze mag in principe niet gesloopt worden. Maatwerk is mogelijk. Om in aanmerking te komen voor maatwerk zal door initiatiefnemer aangetoond moeten worden dat behoud van het bestaande object niet mogelijk is.
  • Sloop en het voorkomen van heroprichting dienen te worden gewaarborgd.

Toetsing

De voorliggende planherziening ziet toe op het onttrekken van een bedrijfsfunctie en het omzetten hiervan in een bestemming Agrarisch zonder bouwmogelijkheden. Aan het voorkomen van heroprichting van de bedrijfsbebouwing is zodoende voldaan.

Er wordt circa 4.000 m² bedrijfsbebouwing gesloopt. Er zijn drie compensatiewoningen gedacht, waarvan 1 aan de Van Wuyckhuiseweg 1a. In deze voorliggende herziening wordt juridisch-planologisch alleen de compensatiewoning aan de van Wuyckhuiseweg 1a geregeld. Op termijn kunnen in een andere herziening de andere 2 compensatiewoningen worden geregeld. Er worden niet meer dan drie woningen voorzien. Zodoende is het niet noodzakelijk verder in te gaan op de afwijkingsvoorwaarden voor het toestaan van meer dan 3 compensatiewoningen.

De te slopen bedrijfsbebouwing betreft geen cultuurhistorische bebouwing. Het betreft reguliere bedrijfsloodsen, zonder enige architectonische of cultuurhistorische waarde.

Verordening Ruimte Provincie Zeeland 2012 (VRPZ 2012)

Slechts een select aantal onderdelen uit het Omgevingsplan is geregeld in de Verordening. Van gemeenten wordt een loyale bijdrage verwacht aan de uitvoering van de beleidsdoelen van het plan, ook ten aanzien van die onderdelen van het plan die niet in de verordening zijn opgenomen. Verder streeft de provincie naar realisering van beleidsdoelen met de inzet van andere instrumenten. Daartoe wordt verwezen naar de inhoud van het Omgevingsplan.

Toetsing

De volgende artikelen zijn relevant voor de ontwikkeling.

Artikel 2.1 Algemene regels voor duurzame verstedelijking

'In de toelichting bij een bestemmingsplan voor nieuwe bedrijventerreinen, haventerreinen, kantoren, detailhandel, niet zijnde kleinschalige detailhandel, woningbouwlocaties en andere stedelijke voorzieningen alsmede de uitbreiding daarvan, wordt aannemelijk gemaakt dat het plan voorziet in een aantoonbare regionale behoefte waarbij in die behoefte primair wordt voorzien binnen een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van bedrijvigheid, haventerrein, kantoren en wonen alsmede daarbij behorende voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur, met uitzondering van lineaire bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken, door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten. Eerst indien in die behoefte aantoonbaar niet kan worden voorzien binnen een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing wordt een locatie benut die passend, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, ontsloten is of als zodanig wordt ontwikkeld.'

Verwezen wordt naar de uitgebreide toetsing aan de duurzaamheidsladder in paragraaf 3.4. Er is sprake van een sanering, waarbij door middel van de ruimte voor ruimte regeling in totaal 3 compensatiewoningen zijn voorzien.

Artikel 2.3 Wonen

'In de toelichting bij een bestemmingsplan waarin een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie in het landelijk gebied wordt toegelaten wordt aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de in bijlage 3 bij deze verordening bedoelde voorwaarden. Nieuwe kleinschalige woningbouwlocaties in het landelijk gebied, die niet voldoen aan de in bijlage 3 bedoelde voorwaarden, worden in een bestemmingsplan niet toegelaten.'

Van belang is bijlage 3. Daaruit wordt de regeling Ruimte voor Ruimte toegepast. verwezen wordt naar de toetsing onder het Omgevingsplan. Nu sprake is van sanering van 4.000 m² bedrijfsbebouwing, het voorkomen van heroprichting en maximaal 3 compensatiewoningen, waarvan nu 1 compensatie juridisch-planologisch wordt geregeld is voldaan aan dit artikel uit de Verordening.

Overige artikelen

De overige artikelen vormen geen belemmering voor de voorliggende planherziening.

3.3 Gemeentelijk beleid

Geluidsbeleidsplan

Analyse

In het Geluidsbeleidsplan 2010-2015 (vastgesteld door de raad op 27 december 2009) zijn de doelstellingen uit het Visiedocument Geluid (vastgesteld door de raad op 6 september 2007) voor de geluidsthema's industrielawaai, wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai, horeca en evenementen nader uitgewerkt in concrete ambities en actiepunten. Deze doelstellingen zijn het voorkomen van nieuwe geluidshinder, via zonering en segmentering de maximale geluidsbelasting vastleggen, het beheersen van bestaande geluidshindersituaties, het opheffen van niet-acceptabele geluidshindersituaties en het ontwikkelen van beleid om geluidshinder op langere termijn te beperken of te voorkomen.

Toetsing

Verwezen wordt naar paragraaf 4.8. Geconcludeerd is dat ter plaatse na toepassing van een hogere waarde een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Situering van de woning naar achteren is uit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt niet wenselijk , omdat daarmee de bebouwingsstructuur van het bebouwingslint wordt doorbroken. Voorts worden de gebruiksmogelijkheden van het resterende deel van het bedrijfsperceel van het loon- en grondverzetbedrijf onevenredig aangetast.

Conclusie

De gemeente is van mening dat een hogere waarde kan worden verleend. Verwezen wordt ook naar paragraaf 4.8. Het geluidsbeleidsplan vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

Beleidsnotitie voor het agrarisch gebied/bestemmingsplan Buitengebied

Analyse

Het Omgevingsplan biedt de mogelijkheid om door middel van sloop van niet cultuurhistorisch waardevolle vrijkomende (agrarische) bedrijfsbebouwing, hiervoor in de plaats een hoogwaardige (compensatie)woning te realiseren. Uitgangspunt is dat er minimaal 500 m² aan bebouwing dan wel 0,5 ha aan glas gesloopt moet worden, om 1 woning terug te mogen bouwen. Het maximum aantal compensatiewoningen per perceel bedraagt 3.

Steeds is uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse verbeterd wordt. Dit dient te blijken uit een ruimtelijke onderbouwing waarin nadrukkelijk aandacht aan het aspect beeldkwaliteit (streekeigen en landelijk karakter, erfinrichtings- of beplantingsplan) wordt besteed.

Verder geldt dat karakteristieke en cultuurhistorisch waardevolle bebouwing niet mag worden gesloopt en dat er geen belemmeringen mogen optreden voor de agrarische bedrijven in de omgeving.

In het bestemmingsplan Buitengebied is de bouw van compensatiewoningen via een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Deze bevoegdheid kan in de meeste situaties worden toegepast, waarbij vervangende nieuwbouw op dezelfde locatie plaatsvindt. In de gevallen waar sprake is van een specifieke situatie die niet binnen de wijzigingsregels past – bijvoorbeeld als de sloop op een andere locatie plaatsvindt, dan waar de vervangende nieuwbouw wordt gerealiseerd – maar wel voldoet aan de hierboven genoemde uitgangspunten, zal een zelfstandige planologische procedure worden gevolgd. Dat is hier aan de orde.

Toetsing

Het beleidskader biedt mogelijkheden voor een zelfstandige procedure om compensatiewoningen op een andere locatie te realiseren. Met de voorliggende planherziening is voorzien in een ruimtelijke onderbouwing, waaruit blijkt dat aan de uitgangspunten en voorwaarden wordt voldaan.

Conclusie

Voorliggende planherziening voorziet in de uitvoering van het beleid.

3.4 Ladder van duurzame verstedelijking

Binnen het rijksbeleid (paragraaf 3.1) en het provinciaal beleid (paragraaf 3.2) neemt de ladder van duurzame verstedelijking een prominente plek in. Voor de ladder van duurzame verstedelijking dient de volgende toetsing te worden doorlopen.

  • a. Er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.
  • b. Indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins.
  • c. Indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Toetsing aan onderdeel a

Er is sprake van een sanering van voormalige bedrijfsbebouwing in het buitengebied aan de Binnendijk en de realisering van een compensatie woning aan de Van Wuyckhuiseweg 1a. In totaal zijn 3 compensatiewoningen toegestaan. De compensatiewoningen gaan niet ten koste van de regionale woningbouwplanning. Er is sprake van een actuele behoefte en een concreet initiatief.

Toetsing aan onderdeel b

Er is sprake van een Ruimte voor Ruimte-regeling. Er zijn in totaal 3 compensatiewoningen mogelijk, waarvan nu 1 compensatiewoning wordt geregeld. Deze woning is geprojecteerd aan de van Wuyckhuiseweg 1a. Een deel van het bestaande bedrijfsperceel van het loon- en grondverzetbedrijf wordt gewijzigd in een woonbestemming.

Door de sanering van de bedrijfsbebouwing aan de locatie Binnendijk 22/22a en het feit dat een deel van het bedrijfsperceel aan de van Wuyckhuiseweg 1 wordt gewijzigd in een woonbestemming, neemt het ruimtebeslag van bebouwing binnen het landelijk gebied af. Het project wordt ingepast binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur van het bebouwingslint aan de Van Wuijckhuijseweg. Er is zodoende sprake van transformatie en herstructurering.

Toetsing aan onderdeel c

De Van Wuyckhuiseweg 1a is gesitueerd binnen het landelijk gebied. Per definitie zijn in een landelijk woonmilieu weinig tot geen vormen van openbaar vervoer aanwezig. De locatie is wel goed ontsloten voor autoverkeer.

Voor wat betreft verkeersbewegingen en ontsluiting van de compensatielocatie geldt dat uitgegaan kan worden van circa 6 aanvullende motorvoertuigbewegingen per dag. Er is zodoende geen sprake van een significant grotere belasting van de verkeersstructuur in het buitengebied van de gemeente.

Door de sanering van de bedrijfslocatie vervallen verkeersbewegingen. Voor dit type bedrijvigheid geldt in een niet stedelijke omgeving in het buitengebied een verkeersgeneratie van minimaal 3,9 mvt/weekdagetmaal per 100 m² bvo. Voor de 4.000 m² bebouwing bedraagt de verkeersgeneratie dan circa 160 mvt/weekdagetmaal. Omgerekend naar een werkdag (factor 1,33) zijn dit circa 210 mvt/etmaal. Voor details wordt verwezen naar hoofdstuk 4.

3.5 Conclusie

De beleidskaders van de rijksoverheid, de provincie en de gemeente bieden de beleidsmatige mogelijkheden medewerking te verlenen aan het initiatief.

Er wordt voldaan aan de 'Ladder van duurzame verstedelijking' en er wordt voorzien in de sanering van bedrijfsbebouwing in het buitengebied in het kader van de regeling 'ruimte voor ruimte'. Aan de specifieke voorwaarden van deze regeling wordt voldaan. De beleidskaders vormen zodoende geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

Hoofdstuk 4 Toetsing aan overige aspecten

4.1 Bodem

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

Onderzoek

Aanleiding en doel

In opdracht van Rho Adviseurs heeft Laboratorium Zeeuws-Vlaanderen B.V. op de locatie Van Wuyckhuiseweg 1 te Hoek (kadastraal bekend: Terneuzen K 2125, 2126 en 2157 (allen gedeeltelijk) een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in verband met de voorgenomen realisatie van een nieuw te bouwen woning. Het onderzoek is gebaseerd op de onderzoeksstrategie voor verkennend bodemonderzoek zoals omschreven in de NEN 5740 van het Nederlands Normalisatie Instituut 2009 nl.

Het doel van het verkennend bodemonderzoek is inzicht te verkrijgen in de huidige bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie, c.q. inventariseren of het voormalige of huidige gebruik van het terrein en zijn omgeving heeft geleid tot verontreiniging van de bodem (grond en grondwater).

Conclusies

Het onderzoek is opgenomen in bijlage 1. Het volgende wordt op basis van het onderzoek geconcludeerd.

  • In de sporen textielhoudende en sporen puinhoudende ondergrond met een zwakke teergeur uit boring 6 (GM04; traject 1.0 - 1.5 m-mv) worden een sterk verhoogde concentratie zink boven de interventiewaarde, een matig verhoogde concentratie cadmium en lood boven het toetsingscriterium voor de noodzaak van een nader onderzoek en licht verhoogde concentraties kobalt, koper, kwik molybdeen, nikkel PAK(som) en minerale olie aangetroffen.
  • In de sporen tot zwak kolengruishoudende en puinhoudende grondmengmonster grond uit de bovenlaag van de boringen 1 en 6 (MM03; traject boring 1: 0.0 - 0.5 m-mv en boring 6: 0.5 - 0.8 m-mv) worden een sterk verhoogde concentratie PAK(som10) boven de interventiewaarde, een matig verhoogde concentratie zink boven het toetsingscriterium voor de noodzaak van een nader onderzoek (index> 0.5) en licht verhoogde concentraties cadmium, kobalt, koper, kwik, lood en nikkel boven de achtergrondwaarden geconstateerd.
  • In de zwak naar olie geurende ondergrond uit boring 1 (GM01, traject 1.5 - 2.0 m·mv) zijn licht verhoogde concentraties kobalt, koper, nikkel en zink geconstateerd.
  • In de zwak kolengruishoudende ondergrond uit boring 4 (GM03, traject 0.65 - 1.0 m-mv) is een licht verhoogde concentratie PAK (som 10) geconstateerd.
  • In grondmengmonster MM01 dat samengesteld is van de zintuiglijk schone bovengrond (traject 0.15 - 0.65 m-mv, boringen 3, 4, 5, 7) is een licht verhoogde concentratie zink geconstateerd.
  • In grondmengmonster MM02 dat samengesteld is van de zintuiglijk schone ondergrond (traject 0.5 - 1.5 m-mv, boringen 3, 5, 7 en 8) is eveneens een licht verhoogde concentratie zink geconstateerd.
  • De zintuiglijk sporen slakhoudende ondergrond uit boring 2 (GM02, traject 0.65 - 1.0 m-mv) bevat geen verhoogde concentraties.
  • Het grondwater uit peilbuis P1 (boring 1, WM01) en peilbuis P2 (boring 6, WM02) bevat geen verhoogde concentraties.

Op basis van de sterk verhoogde concentratie zink boven de interventiewaarde en de matig verhoogde concentratie cadmium en lood boven het toetsingscriterium voor de noodzaak van een nader onderzoek in ondergrondmonster GM04 uit boring 6 en de sterk verhoogde concentratie PAK(som10) boven de interventiewaarde en de matig verhoogde concentratie zink boven het toetsingscriterium voor de noodzaak van een nader onderzoek in grondmengmonster MM03 samengesteld uit de boringen 1 (traject 0.0 - 0.5 m-mv) en 6 (traject 0.5 - 0.8 m-mv) wordt formeel vervolgonderzoek noodzakelijk geacht, er kunnen ter plaatse van de boringen 1 en 6 mogelijk risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn.

Echter op grond van de zintuiglijke waarnemingen tijdens het opboren van de grond en de situering van de voormalige stortplaats is het zeer aannemelijk dat zowel boring 1 als boring 6 op de rand van deze voormalige stortplaats zijn uitgevoerd. De aangetoonde verontreinigingen in de grond komen overeen met de soort verontreinigingen die destijds tijdens het voorgaand onderzoek in 2001 zijn aangetoond. Toen zijn ter plaatse van de voormalige stortplaats koper, lood en zink in verhoogde concentraties boven de interventiewaarden aangetoond en arseen wordt in een verhoogd gehalte boven de tussenwaarde geconstateerd. Cadmium, kwik, nikkel, PAK (som 10) en minerale olie worden in verhoogde concentraties boven de streefwaarden aangetoond.

Destijds zijn in 2001 in het grondwater verhoogde concentraties chryseen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen, benzo(k)fluorantheen en indeno(1,2,3-c)pyreen boven de interventiewaarden aangetoond en arseen is in een verhoogde concentratie boven de tussenwaarde aangetoond. Minerale olie wordt in een verhoogd gehalte boven de streefwaarde aangetoond. Opgemerkt dient te worden dat het grondwater zowel in 2011 (onderzoek SMA) als tijdens onderhavig verkennend bodemonderzoek niet geanalyseerd is op PAK (som 10).

Aanbevelingen

Dit resulteert in de volgende aanbeveling.

  • Gezien de aard van de aangetoonde verontreinigingen en de situering van de boringen waarin deze verontreinigingen in onderhavig bodemonderzoek zijn aangetoond en de vaststelling van de ligging van de stortplaats in 2001 en 2011 waarvoor in 2012 door provincie Zeeland een beschikking is afgegeven is het niet wenselijk om nader onderzoek uit te voeren naar de aangetoonde verontreinigingen.
  • Geadviseerd wordt om het bouwblok te verplaatsen in zuidoostelijke richting, parallel aan de ligging van de voormalige stortplaats. Geadviseerd wordt om de voorzijde van het bouwblok te situeren ter hoogte van de boringen 4 en 7. Hiermee zou het bouwblok circa 13 m in zuidoostelijke richting moeten worden verplaatst. Gezien de situering van de uitgevoerde boringen tijdens onderhavig bodemonderzoek kan vastgesteld worden dat ter plaatse van de boringen 2, 5, 4, 7 en 8 geen relevante verontreinigingen in de grond aanwezig zijn en dat voldoende informatie bekend is over de bodemkwaliteit ter plaats (zie bijlage 2).

Aanvullend onderzoek

Aanleiding en doel

In opdracht van Rho Adviseurs heeft Laboratorium Zeeuws-Vlaanderen B.v. op de locatie Van Wuyckhuiseweg 1 te Hoek (kadastraal bekend: Terneuzen K 2125,2126 en 2157 (allen ged.)) een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd in verband met de voorgenomen realisatie van een nieuw te bouwen woning.

Ten tijde van het voorgaand verkennend bodemonderzoek (projectnummer 14A0008) is geadviseerd om het bouwblok te verplaatsen in zuidoostelijke richting, parallel aan de ligging van de voormalige stortplaats. Geadviseerd is om de voorzijde van het bouwblok te situeren ter hoogte van de boringen 4 en 7. Hiermee zou het bouwblok circa 13 m in zuidoostelijke richting moeten worden verplaatst (zie bijlage 2). Gezien de situering van de uitgevoerde boringen tijdens voorgaand verkennend bodemonderzoek kan vastgesteld worden dat ter plaatse van de boringen 2, 5, 4, 7 en 8 geen relevante verontreinigingen in de grond aanwezig zijn. De eigenaar heeft aangegeven dat het verplaatsen van het bouwblok met een afstand van 13 meter voor hem niet wenselijk is.

Het doel van het aanvullend onderzoek is om door het uitvoeren van extra boringen meer

inzicht te verkrijgen in de mogelijkheden om het bouwblok minder ver in zuidoostelijke richting te

verplaatsen.

Conclusies

Op basis van het aanvullende onderzoek wordt het volgende geconcludeerd:

  • Zintuiglijk zijn geen bijzonderheden aangetroffen. Er zijn zeker geen materialen waargenomen die gerelateerd kunnen worden aan de naastgelegen stortplaats. Zintuiglijk zijn eveneens geen asbestverdachte materialen aangetroffen.
  • In grondmonster GM02 (traject 1.00 -1.50 uit boring 103) zijn licht verhoogde concentraties cadmium, lood en zink boven de achtergrondwaarden aangetoond. Het toetsingscriterium voor de noodzaak van een nader onderzoek wordt niet overschreden.
  • In grondmonster GM04 (traject 0.50 - 0.80 uit boring 106) is een licht verhoogde concentratie PCB (som 7) boven de achtergrondwaarde aangetoond. Het toetsingscriterium voor de noodzaak van een nader onderzoek wordt niet overschreden.
  • In de grondmonsters GM01 (traject 0.00 - 0.50 uit boring 101) en GM03 (traject 1.00 -1.50 uit boring 106) zijn geen verhoogde concentraties aangetoond.

Op basis van de voorliggende resultaten worden vervolgonderzoek en/of nader te nemen maatregelen niet noodzakelijk geacht, er zijn in de huidige situatie en met betrekking tot de toekomstige activiteiten geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig. Dit betekent dat de lijn door de ten behoeve van onderhavig aanvullend bodemonderzoek uitgevoerde boringen aangehouden kan worden als lijn voor de voorzijde van het bouwblok. Er is geen aanvullend onderzoek meer nodig.

Indien grondafvoer plaatsvindt is een partijkeuring conform het Besluit bodemkwaliteit vereist,

onderhavig onderzoeksrapport kan in dat geval door het bevoegd gezag als niet afdoende worden beschouwd.

Conclusie

Indien de voorste grens van het bouwvlak is gesitueerd in de op basis van het aanvullend bodemonderzoek aanbevolen lijn, zijn er geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen realisering van de woning.

4.2 Water

Ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling dient een watertoets aan het waterschap overlegd te worden. Bij de watertoets gaat het om allerlei waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Bij het tot stand komen van deze paragraaf is overleg gevoerd met de waterbeheerder. De opmerkingen van de waterbeheerder zijn vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.

Bij het Waterschap Scheldestromen wordt hiervoor een watertoetstabel gebruikt. In deze tabel zijn de hiervoor genoemde aspecten verwerkt. Onderstaande watertoetstabel is ingevuld voor de ontwikkeling. Deze is ook kortgesloten met het waterschap. Reacties van het waterschap zijn verwerkt in deze tabel. Omdat Rijkswaterstaat belanghebbende is in het kader van de nabijgelegen waterkering, is ook Rijkswaterstaat geraadpleegd. Ook de reactie van Rijkswaterstaat is in de tabel verwerkt.

Toetsing

thema en water(beheer)doelstelling   uitwerking  
Waterveiligheid
Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.  
Het bouwvlak is gelegen nabij een regionale waterkering. Het plangebied is gelegen binnen de beschermingszone B, maar buiten de beschermingszone A, of de kernzone. De waterkering vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling. Wel dient er bij de omgevingsvergunning voor bouwen eveneens een watervergunning aangevraagd te worden, voor zover wordt gebouwd binnen deze zone. Het bouwvlak van de woning is buiten deze zone geprojecteerd.

De locatie Binnendijk is geprojecteerd binnen de beschermingszone A en B, maar hier zijn geen consequenties: de bestaande bouwwerken worden geamoveerd.

De legger wordt overigens geactualiseerd.  
Wateroverlast (vanuit oppervlaktewater)
Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende hoog bouwpeil om inundatie vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.  
In de huidige situatie is het plangebied nagenoeg volledig verhard in verband met de werkzaamheden die hier plaatsvinden. De ontwikkeling betreft de realisatie van een woning met bijgebouwen met een grondoppervlak van circa 200 m² en daarbij behorende erfverharding. De bebouwde oppervlakte inclusief erfverharding zal in totaal niet meer bedragen dan de huidige verharding. Watercompenserende maatregelen zijn niet noodzakelijk.  
Grondwaterkwantiteit en verdroging
Tegengaan/verhelpen van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en benutten van infiltratiemogelijkheden.  
De ontwikkeling voorziet niet in het oppompen van grondwater. Tevens beschikt de ontwikkellocatie niet tot beperkt over infiltratiemogelijkheden. Daarom is infiltratie ook niet mogelijk. Ten opzichte van de huidige situatie zal er geen (negatief) effect optreden.  
Hemel- en afvalwater
(inclusief water op straat/overlast)
Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.  
Het afvalwater ten gevolge van de ontwikkeling zal afgevoerd worden op de aanwezige gemeentelijke riolering. Daarbij wordt gebruik gemaakt van het bestaande, te verlengen, vrije vervalriool. Het hemelwater van de geprojecteerde woning wordt rechtstreeks afgevoerd op de sloot aan de Van Wuyckhuiseweg.  
Volksgezondheid
(water gerelateerd)
Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via onder andere de daarvoor benodigde ruimte.  
De ontwikkeling heeft geen invloed op de water gerelateerde volksgezondheid.  
Bodemdaling
Voorkomen van maatregelen die (extra) maaivelddalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken.  
De ontwikkellocatie is in weinig zettingsgevoelig gebied gelegen. Dit aspect vormt verder geen belemmering voor de ontwikkeling.  
Oppervlaktewaterkwaliteit
Behoud/realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden en zuiveren.  
Om te voorkomen dat hemelwater verontreinigd raakt, dient het gebruik van uitlogende materialen zoals zink en lood te worden voorkomen en dient het gebruik van duurzame bouwmaterialen te worden bevorderd.  
Grondwaterkwaliteit
Behoud/realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.  
De grondwaterkwaliteit wordt door het plan eveneens niet negatief beïnvloed.  
Natte natuur
Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur.  
De ontwikkeling zorgt niet voor (negatieve) effecten op de in de nabije omgeving aanwezige natte natuur.  
Onderhoud oppervlaktewater
Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.  
De ontwikkeling vormt geen belemmering voor de onderhoudsstroken ten gevolge van het onderhouden van het oppervlaktewater.  
Andere belangen waterbeheerder(s)  
Relatie met eigendom waterbeheerder
Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren.  
De ontwikkeling vormt geen belemmering voor eigendommen van de waterbeheerder.  
Scheepvaart en/of wegbeheer
Goede bereikbaarheid en in stand houden van veilige vaarwegen en wegen in beheer en onderhoud bij Rijkswaterstaat, de provincie en/of het waterschap.  
Dit aspect is opgenomen in de verkeersparagraaf.  

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.3 Ecologie

Inleiding

In dit bureauonderzoek is de bestaande situatie vanuit ecologisch oogpunt beschreven en is vermeld welke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Vervolgens is aangegeven waaraan deze ontwikkelingen – wat ecologie betreft – moeten worden getoetst. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen het toetsingskader dat door wettelijke regelingen wordt bepaald en het toetsingskader dat wordt gevormd door het beleid van Rijk, provincie en gemeente.

Huidige situatie

Het plangebied bestaat uit twee locaties, de Van Wuyckhuiseweg 1 / 1a en de Binnendijk 22/22a in Hoek. De Van Wuyckhuiseweg bestaat uit erfbeplanting, verharding, grasland en bebouwing. De locatie aan de Binnendijk 22/22a bestaat uit bebouwing, verharding en wat ruigte.

Beoogde ontwikkelingen

Het bestemmingsplan voorziet in de sloop van de bebouwing aan de Binnendijk 22/22a en de bouw van één woning aan de Van Wuyckhuiseweg 1a. Hiervoor moeten de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd:

  • verwijderen beplanting aan de Van Wuyckhuiseweg 1a;
  • bouwrijp maken aan de Van Wuyckhuiseweg 1a;
  • bouwwerkzaamheden aan de Van Wuyckhuiseweg 1a;
  • sloopwerkzaamheden op de locatie Binnendijk 22/22a.

Beleidskader

Provinciale Verordening

Het rijksbeleid ten aanzien van de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van de leefgebieden van soorten (habitats) is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De uitwerking van dit nationale belang ligt bij de provincies.

De begrenzing van de EHS is in Zeeland door Gedeputeerde Staten vastgesteld in het Omgevingsplan Zeeland. In het Omgevingsplan staan ook de spelregels hoe om te gaan met de EHS. De wijzigingen van de EHS-begrenzing worden door Gedeputeerde Staten vastgesteld in het Natuurbeheerplan Zeeland. Het plan wordt jaarlijks geactualiseerd.

Flora- en faunawet

Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische Zaken. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:

  • er sprake is van een wettelijk geregeld belang (waaronder het belang van land- en bosbouw, bestendig gebruik en dwingende reden van groot openbaar belang);
  • er geen alternatief is;
  • geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.

Met betrekking tot vogels hanteert het Ministerie van Economische Zaken de volgende interpretatie van artikel 11:

De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar gebroed wordt, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, én slechts gedurende de periode dat er gebroed wordt. Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen, te weten:

Nesten die het hele jaar door zijn beschermd

Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Ffw het gehele seizoen.

  • 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil).
  • 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus).
  • 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk).
  • 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruikmaken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil).

Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd

In de 'aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.

  • 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het hele jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. De soorten uit categorie 5 vragen soms wel om nader onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd. Categorie 5-soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

De Ffw is voor dit bestemmingsplan van belang, omdat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

Natuurbeschermingswet 1998

Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:

  • a. door de minister van EZ (voormalig Ministerie van EL&I/LNV) aangewezen gebieden, zoals bedoeld in de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • b. door de minister van EZ (voormalig Ministerie van EL&I/LNV) aangewezen beschermde natuurmonumenten;
  • c. door Gedeputeerde Staten aangewezen beschermde landschapsgezichten.

De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de minister van EZ). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingsplan. De speciale beschermingszones (a) hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Natuurbeschermingswet 1998 de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 zal kunnen worden verkregen.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Beide locaties vormen geen onderdeel van en liggen niet nabij een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. De locatie Van Wuyckhuiseweg 1a ligt wel ten zuiden van het EHS-gebied Mauritsfort. Het natuurdoel voor dit gebied is moeras.

 afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG10-VG99_0006.jpg"

Figuur 4.1 Ligging plangebied (Van Wuyckhuiseweg 1a= rode cirkel, Binnendijk 22/22a= oranje cirkel) ten opzichte van beschermde natuurgebieden (bron: geoweb provincie Zeeland)

Binnen het bouwvlak aan de Van Wuyckhuiseweg 1a wordt één extra woning gerealiseerd. Tussen het plangebied en de EHS is een brede struweelhaag aanwezig. De realisatie van slechts één woning binnen een bestaand agrarisch bouwvlak leidt niet tot aantasting van dit moerasgebied.

De Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.

Soortenbescherming

De huidige ecologische waarden zijn vastgesteld aan de hand van foto's van het plangebied, algemene ecologische kennis en verspreidingsatlassen/gegevens (onder andere Ravon en www.waarneming.nl).

Binnendijk 22/22a

De locatie aan de Binnendijk bestaat uit enkelsteensbebouwing met dakplaten. Deze bebouwing is ongeschikt voor vaste verblijfplaatsen van broedvogels en vleermuizen. In de bebouwing komt mogelijk alleen de niet beschermde huismuis voor.

Van Wuyckhuiseweg 1a

In de struweelbeplanting rond de Van Wuyckhuiseweg 1/1a kunnen vogels broeden. Broedvogels met vaste nesten worden hier niet verwacht. De locatie maakt mogelijk deel uit van het leefgebied van konijn, egel, mol, veldmuis en huisspitsmuis. In watergang komt mogelijk de matig beschermde kleine modderkuiper voor. De struweelbeplanting vormt mogelijk foerageergebied voor vleermuizen.

Algemeen voorkomende, licht beschermde amfibieën als bruine kikker, bastaardkikker, kleine watersalamander en gewone pad zullen zeker gebruikmaken van het plangebied als schuilplaats in struiken, onder stenen en als voortplantingsplaats in de waterpartijen. Gezien de aanwezige biotopen komen hier geen zwaarder beschermde soorten voor.

Er zijn, gezien de aanwezige biotopen, geen beschermde vaatplanten, reptielen en/of bijzondere insecten of overige soorten te verwachten op de planlocatie. Deze soorten stellen hoge eisen aan hun leefgebied; het plangebied voldoet hier niet aan.

In tabel 4.1 staat aangegeven welke beschermde soorten er binnen het plangebied (naar verwachting) aanwezig zijn en onder welk beschermingsregime deze vallen.

Tabel 4.1 Naar verwachting aanwezige beschermde soorten binnen het plangebied en het beschermingsregime

  nader onderzoek nodig  
Vrijstellings-
regeling Ffw  
tabel 1     mol, egel, huisspitsmuis, veldmuis en konijn

bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en de bastaardkikker  
nee  
Ontheffings-
regeling Ffw  
tabel 2     kleine modderkruiper   ja, indien werkzaamheden in de watergang plaatsvinden  
  tabel 3   bijlage 1 AMvB   geen   ja  
    bijlage IV HR   alle vleermuizen (foeragerend)   nee  
  vogels   cat. 1 t/m 4   geen   ja  

Het bestemmingsplan voorziet in sloop van de bebouwing aan de Binnendijk 22/22a en de bouw van één woning aan de Van Wuyckhuiseweg 1a. De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden.

  • Er is geen ontheffing nodig voor de tabel 1-soorten van de Ffw omdat hiervoor een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen van de Ffw. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving.
  • Tijdens werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Verstoring van broedende vogels is verboden. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In het kader van de Ffw wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden overigens tussen 15 maart en 15 juli (bron: website vogelbescherming).
  • De struweelbeplanting vormt mogelijk foerageergebied voor vleermuizen. Voor de realisatie van de oprit wordt een klein deel van de struweelbeplanting verwijderd. Dit is niet van invloed op de functie als mogelijk foerageergebied.
  • In de watergangen is mogelijk de kleine modderkruiper (tabel 2-soort) aanwezig. Aantasting van de kleine modderkruiper tijdens werkzaamheden aan of het dempen van watergangen dient voorkomen te worden door de soort voorafgaand aan de werkzaamheden te verplaatsen. Deze werkzaamheden kunnen zonder ontheffing uitgevoerd worden, indien de aannemer beschikt over een goedgekeurde gedragscode. Als dit niet het geval is, moet een ontheffing aangevraagd worden.

Gezien de bovenstaande conclusies staat de Flora- en faunawet, met inachtneming van de voorgestelde maatregelen, de uitvoering van het plan niet in de weg.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.4 Archeologie en cultuurhistorie

Toetsingskader

Het gemeentelijk beleid ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie is vertaald in het bestemmingsplan Buitengebied Terneuzen.

Binnendijk 22/22a

Archeologie

In het bestemmingsplan buitengebied is aan deze locatie een dubbelbestemming Waarde - Archeologie toegekend. Voor de sloop van de gebouwen is evenwel een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk, aangezien eventuele archeologische waarden door de realisering van de gebouwen in het verleden al zijn geroerd. Sloop zal de archeologische waarden niet schaden. De sloop van de gebouwen is overigens reeds vergund. De regeling zoals deze is opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied is daarbij van toepassing.

Voor het rooien van bos of boomgaarden en grondbewerkingen geldt een aanlegvergunningenplicht. Ter plaatse is evenwel geen sprake van bos of boomgaard. Het rooien van individuele beplantingen valt niet onder de werkingssfeer van de aanlegvergunning. Grondbewerkingen dieper dan 50 cm worden niet voorzien.

Archeologie vormt zodoende geen belemmering voor de ontwikkeling.

Cultuurhistorie

Er is geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing.

Van Wuyckhuiseweg 1a

Archeologie

De locatie Van Wuyckhuiseweg heeft geen archeologische dubbelbestemming vanwege het ontbreken van archeologische verwachtingswaarden. Archeologisch onderzoek in verband met de realisering van de woning is niet nodig.

Cultuurhistorie

Er is geen sprake van aanwezige cultuurhistorische bebouwing. De dijk ten westen van de locatie is in het bestemmingsplan Buitengebied Terneuzen niet aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol object en wordt bovendien door de voorgestelde bebouwing niet geschaad.

Conclusie

Archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.5 Afstemming omliggende functies

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de realisatie van woningen nabij bedrijven of visa versa:

  • een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd ter plaatse van de woningen;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de eventueel in de omgeving aanwezige bedrijven/inrichtingen.

Om in dit bestemmingsplan de belangenafweging tussen een goed woon- en leefklimaat en de bedrijfsvoering goed mee te nemen, wordt voor dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze uitgave is een lijst opgenomen met allerhande activiteiten en bijbehorende richtafstanden die gehanteerd worden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Naarmate de milieubelasting van de activiteiten groter is, wordt uitgegaan van een grotere richtafstand. Ingeval van een omgevingstype 'gemengd gebied' mag worden uitgegaan van een kleinere richtafstand. De richtafstanden vormen een eerste indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende activiteiten worden gesitueerd. Bouwen binnen de richtafstanden is eveneens aanvaardbaar, indien uit onderzoek blijkt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening waarbij milieuhinder voorkomen wordt.

Onderzoek

Ten zuiden van het plangebied is een loonwerkbedrijf aanwezig. Een dergelijke inrichting beschikt conform de VNG-publicatie over milieucategorie 3.1. De daarbij behorende richtafstand bedraagt 50 m ten opzichte van woningen in een rustige woonwijk of een rustig buitengebied. Het maatgevende aspect hierbij bedraagt het geluidsaspect. Overige aspecten spelen in mindere mate een rol. Aan deze afstand wordt niet voldaan. In het kader daarvan is door Kraaij Akoestisch adviesbureau een akoestisch onderzoek verricht naar de akoestische situatie ter plaatse. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4.

Uit dit onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, het maximale geluidsniveau en de indirecte hinder voldoen aan de normen als gesteld in de VNG-brochure en het Activiteitenbesluit. De woning kan hier gerealiseerd worden zonder dat dit een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van het loonwerkbedrijf. Ter plaatse van de woning is eveneens sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.

De woning kan daarbij nog enige meters worden verschoven, waarbij in alle gevallen wordt voldaan aan de normen. Nu de woning op basis van het aanvullend bodemonderzoek wordt geprojecteerd op 33 meter uit de as van de weg, is gebleken dat hier voldaan wordt aan de gestelde normen. Deze situatie wordt vastgelegd in het bestemmingsplan.

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.6 Externe veiligheid

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen.

In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Risicorelevante inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

In de circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen is het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, wegen en spoorwegen opgenomen. Op basis van de circulaire geldt voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als een richtwaarde. Op basis van de circulaire geldt bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR of een toename van het GR een verantwoordingsplicht. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. De circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Vooruitlopend op de vaststelling van het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid is de circulaire RVGS per 1 januari 2010 gewijzigd. Met deze wijziging zijn de veiligheidsafstanden uit het Basisnet Weg en het Basisnet Water opgenomen in de circulaire. In het BTEV worden tevens plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Vooruitlopend op de vaststelling van het BTEV wordt, aan de hand van de Basisnetten, al geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.

Buisleidingen

Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Onderzoek

Risicovolle inrichtingen

In (de nabije omgeving van) het plangebied zijn geen Bevi- of BRZO-bedrijven aanwezig. De dichtstbijzijnde BEVI-inrichting reikt niet met de PR-contour over het plangebied. Voor een tweetal inrichtingen geldt wel dat deze over een invloedsgebied of effectafstand beschikken tot over het plangebied. Dit betreffen de inrichtingen Pompstation Braakman en Katoennatie.

Pompstation Braakman

Voor het pompstation Braakman geldt dat het invloedsgebied voor het groepsrisico niet over het plangebied is gelegen. De effectafstand (1% letaliteitsafstand) reikt wel tot het plangebied. Bij een mogelijk incident kunnen effecten optreden tot aan het plangebied. Conform het beleid van de gemeente Terneuzen is een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk indien de toename van het groepsrisico minder dan 10% bedraagt. Van een (significante) toename ten gevolge van de ontwikkeling is geen sprake, een verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet noodzakelijk.

Katoennatie

Voor de Katoennatie geldt dat de ontwikkeling binnen het invloedsgebied is gelegen. Het groepsrisico bedraagt in de huidige situatie minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, en de ontwikkeling zorgt niet voor een toename van het groepsrisico. Een toename van het groepsrisico (of overschrijding van de oriëntatiewaarde) is dan ook niet aan de orde. Omdat het plangebied wel gelegen is binnen het invloedsgebied dient er een (beknopte) verantwoording van het groepsrisico opgesteld te worden. Deze is in deze paragraaf opgenomen. Daarmee vormt de leiding geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

Transport gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Ten westen van het plangebied zijn twee hogedruk aardgasleidingen gelegen. Dit betreffen de leidingen Z-551-03 en Z-55-08. Voor alle hogedruk aardgasleidingen binnen de gemeente Terneuzen is een QRA opgesteld voor de gemeente door de RMD. Uit deze QRA blijkt dat het PR ten gevolge van deze leidingen niet buiten de leiding is gelegen en derhalve geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. Het GR ten gevolge van deze leidingen is dermate klein dat er geen GR is vast te stellen. Er is geen reële kans op een incident met minimaal 10 personen. De realisatie van één woning binnen het invloedsgebied heeft een dermate geringe invloed op het GR dat deze niet significant toeneemt. Het GR zal in ieder geval niet stijgen tot boven de 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Met een beknopte verantwoording van het GR kan worden volstaan. Deze is in deze paragraaf opgenomen. Daarmee vormt de leiding geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

Schuilzone Kerncentrale

Tevens is in de gemeente Borsele de kerncentrale EPZ gevestigd. Het plangebied valt binnen de schuilzone van de kerncentrale. De kerncentrale valt onder de Kernenergiewet en niet onder de wetgeving m.b.t. externe veiligheid, derhalve wordt er in deze paragraaf niet verder ingegaan over dit aspect. Desalniettemin geldt dat de ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een woning. In de woning kan geschuild worden, en daarmee heeft de ontwikkeling een positief effect op de risico's ten gevolge van de kerncentrale.

Verantwoording GR

Effectscenario

Met betrekking tot de hogedruk aardgastransportleiding Z-543-01 (291 mm, 40 bar) is een incident mogelijk veroorzaakt door leidingbreuk en ontsteking van het uitstromende gas met een fakkelbrandscenario tot gevolg. De effectafstanden ten gevolge van een incident met de leiding zijn sterk afhankelijk van de grootte van het lek van de leiding. Het zwaarste incident betreft een guillotine. Hierbij scheurt de leiding ineens volledig af, ten gevolge van bijvoorbeeld graafwerkzaamheden. Bij kleinere lekken in de leiding is de schade relatief beperkt.

Met betrekking tot de inrichtingen Katoennatie en de het pompstation de Braakman is een incident mogelijk waarbij een gifwolk ontstaat maatgevend, het toxisch scenario. Het scenario 'toxische wolk' treedt op wanneer een tank of leiding lek raakt door een externe bron, bijvoorbeeld een aanrijding. Toxische vloeistoffen kunnen verdampen waardoor een gaswolk ontstaat die over de omgeving uitwaait. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment.

Voor een fakkelbrandscenario geldt dat er directe ontsteking plaatsvindt waardoor er sprake is van een snel scenario. Op het moment dat de hulpverlening ter plaatse komt, kan worden begonnen met het redden van slachtoffers. De duur van de zogenaamde 'flare' is afhankelijk van de snelheid waarop de leiding kan worden afgesloten en is niet door de hulpverlening te beïnvloeden. Het afsluiten van de leiding gebeurt door de leidingbeheerder, in dit geval de Gasunie. Op het moment dat de druk bij een leiding wegvalt zal de gastoevoer (automatisch) worden afgesloten. De effecten kunnen worden beperkt door een snelle inzet van de brandweer, deze inzet zal zich richten op het voorkomen van uitbreiding van de brand en het redden van slachtoffers.

Voor een toxisch scenario geldt dat er een gaswolk ontsnapt, die vervolgens met de wind meedrijft waardoor er sprake is van een relatief langzaam scenario. Belangrijk is dat ten tijde van een eventueel incident omwonenden zo snel mogelijk geinformeerd worden, zodat er geëvacueerd kan worden, of dat ramen en deuren gesloten kunnen worden. Voorde hulpverlening is het prioriteit eerst de mensen de informeren en vervolgens mogelijk te evacueren alvorens begonnen kan worden met het dichten van het lek.

Ongevallen met gasleidingen komen zelden voor, maar kunnen wel tot forse problemen leiden. Er is kans op een gaswolkexplosie, of een fakkelbrandscenario. De effecten kunnen op enkele tientallen meters direct letaal zijn en hangen sterk af van de situatie en de weersomstandigheden. Het worstcasescenario betreft een zomerse dag, waarbij veel slachtoffers buitenshuis zijn.

Naast het slachtofferbeeld dient rekening gehouden te worden met zwaar beschadigde gebouwen binnen een straal van 200 m.

De effectafstanden van een toxisch scenario zijn erg afhankelijk van de windrichting, de windsnelheid en overige weersomstandigheden. De effectafstanden van de inrichtingen Pompstation Braakman en Katoennatie variëren van 3.500 tot 7.500 meter.

Maatregelen ter beperking van risico's

Met betrekking tot het transport van aardgas door de leiding is het verminderen van het transport een maatregel die op relatief grote bezwaren leidt. De leiding voorziet een deel van Zeeuws Vlaanderen van aardgas. Zonder deze leiding is het niet mogelijk om alle woningen te voorzien van aardgas.

Met betrekking tot het opslaan van toxische stoffen is het verminderen van de opslaan een mogelijkheid, echter geldt hiervoor dat deze hoeveelheden reeds vergund zijn en er sprake is van vergunde rechten.

Maatregelen ter beperking van effecten

Los van de risico's kunnen aan de kant van de ontvanger maatregelen worden getroffen om de effecten ingeval van een calamiteit te beperken. Voor het meest geloofwaardige scenario geldt dat deze maatregelen erop gericht moeten zijn om mensen te kunnen beschermen tegen de hitte en/of een gifwolk. Ook moeten de gebouwen en de directe omgeving geschikt zijn om het gebied te kunnen ontvluchten waarbij de aanwezige personen tijdig moeten kunnen worden geïnstrueerd. De volgende maatregelen worden door de VRR geadviseerd.

Maatregel met betrekking tot de omgeving:

  • 1. voorkomen van obstakels in vluchtroute (doodlopende straat, hekwerk, sloot en dergelijke);
  • 2. vluchtroute loodrecht op risicobron.

Maatregelen op gebouwniveau:

  • 1. verminderen aantal (te openen) ramen aan de zijde risicobron.
  • 2. luchtdicht kunnen afsluiten van het gebouw
  • 3. ventilatie in één keer kunnen uitschakelen.

De uitvoering van deze maatregelen kan niet zeker worden gesteld in het bestemmingsplan. Deze maatregelen komen aan de orde ten tijde van de bouwvergunning en moeten in overleg tussen gemeente en initiatiefnemer worden verwerkt in het ontwerp van de gebouwen en de vergunningaanvraag. Op deze aspecten wordt door de brandweer toegezien in de vergunningfase.

Mogelijkheden voor bestrijdbaarheid van calamiteiten

Van de VRR is nog geen advies ontvangen met betrekking tot de bestrijdbaarheid van calamiteiten. Aangenomen wordt dat het plangebied voldoende toegankelijk is voor hulpdiensten. Over de beschikbaarheid van primaire, secundaire en tertiaire bluswatervoorzieningen wordt overlegd met de regionale brandweer.

Beschouwing van zelfredzaamheid

In het plangebied is geen sprake van de aanwezigheid van groepen personen met een verminderde zelfredzaamheid zodat er geen bijzondere maatregelen nodig zijn. In het algemeen wordt gesteld dat de zelfredzaamheid van de aanwezige personen kan worden verhoogd door het bieden van handelingsperspectief. Voor het plangebied geldt, evenals de rest van Terneuzen, dat er wordt gezorgd voor een dekking van het Waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS).

Conclusie

Na uitvoering van bovenstaande maatregelen is sprake van een minimaal restrisico. Dit restrisico wordt, gelet op de zelfredzaamheid en de mogelijkheden tot bestrijding van calamiteiten, aanvaardbaar geacht.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van de herziening van het bestemmingsplan.

4.7 Planologisch relevante leidingen

Afwegingskader

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.

Onderzoek en conclusie

Naast de in paragraaf 4.6 genoemde aardgasleiding is er sprake van nog één planologisch relevante leiding. Dit betreft een waterleiding groter dan 400 mm van Delta. Deze leiding is op de verbeelding weergegeven. Deze leiding vormt geen belemmering voor het bouwvlak. Binnen de belemmeringenstrook van 5 m rondom deze leiding geldt dat er geen bouwwerken gerealiseerd mogen worden. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het projectgebied hoeft in deze planherziening geen rekening te worden gehouden. Ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden zal hiervoor een KLIC-melding worden gedaan.

Conclusie

Er wordt geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het project niet in de weg staat.

4.8 Geluid

Beoogde ontwikkeling

Op het perceel aan de Van Wuyckhuiseweg 1a wordt de realisatie van een nieuwe woning mogelijk gemaakt. Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder geluidsgevoelige functies waarvoor, indien deze gelegen zijn binnen de geluidszone van een gezoneerde weg, akoestisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Het perceel ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Van Wuyckhuiseweg.

Toetsingskader

Normstelling

Langs alle wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg moet worden getoetst. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.

Nieuwe situaties

Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de uiterste grenswaarde niet te boven gaan. De uiterste grenswaarde is op grond van artikel 83 Wgh afhankelijk van de ligging van de woningen (binnen- of buitenstedelijk). Voor de beoogde buitenstedelijke ontwikkeling geldt een maximaal toelaatbare hogere waarde van 53 dB voor wegverkeerslawaai. De geluidswaarde binnen de geluidsgevoelige bestemming (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB.

Aftrek ex artikel 3.4 RMG 2012

Krachtens artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder (RMG) 2012 mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een representatief te achten snelheid lager dan 70 km/h geldt een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/h of hoger geldt een aftrek van 2 dB. Op de Van Wuyckhuiseweg geldt een maximumsnelheid van 60 km/h. Hiervoor vindt dus een aftrek plaats van 5 dB.

Uitgangspunten

De ontwikkeling ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Van Wuyckhuiseweg. Deze weg heeft een geluidszone van 250 m uitgaande van een enkele rijstrook en een buitenstedelijke ligging. Voor de te realiseren woning geldt een maximale bouwhoogte van 10 m, waarmee de woning uitgevoerd kan worden in drie bouwlagen (begane grond, eerste en tweede verdieping). Zodoende is een berekening uitgevoerd voor de waarneemhoogten 1,5 m, 4,5 m en 7,5 m. De woning ligt 33 m uit de as van de weg.

Intensiteiten

Voor het akoestisch onderzoek dienen de verkeersintensiteiten voor het jaar 2025 gehanteerd te worden. Voor de intensiteit op de Van Wuyckhuiseweg is als basis gebruikgemaakt van de Verkeersstromenkaart 2012 van de provincie Zeeland. De hierop opgenomen verkeersintensiteit is op basis van een autonome groei van 0,78% ('Grenzen aan de groei?!', Rho Adviseurs voor leefruimte 2009) per jaar opgehoogd naar het planjaar 2025. De toename van de verkeersintensiteit door realisatie van de nieuwe woning is dermate gering dat deze wegvalt binnen de autonome groei. In tabel 4.2 zijn de intensiteitgegevens voor de Van Wuyckhuiseweg opgenomen.

Tabel 4.2 Verkeersintensiteit (mvt/etmaal)

weg   intensiteit 2012   intensiteit 2025  
Van Wuyckhuiseweg   3.600   3.980  

Voor de voertuig- en etmaalverdeling op de Van Wuyckhuiseweg is aangesloten bij de standaardverdeling die geldt voor landelijke ontsluitingswegen. De gehanteerde voertuig- en etmaalverdeling is opgenomen in de volgende tabel.

Tabel 4.3 Voertuig- en etmaalverdeling

weg   voertuigverdeling (%)
(licht/middelzwaar/zwaar)  
dag-, avond-, nachtpercentages  
Van Wuyckhuiseweg   dagperiode: 91,08/6,42/2,50
avondperiode: 91,08/6,42/2,50
nachtperiode: 91,08/6,42/2,50  
6,70/2,70/1,10  

Maximumsnelheid en wegverharding

Op de Van Wuyckhuiseweg geldt een snelheidslimiet van 60 km/h. De Van Wuyckhuiseweg is uitgevoerd in dicht asfaltbeton (referentiewegdek).

Onderzoek en resultaten

Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd volgens Standaard Rekenmethode I (SRM I) conform het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012. De uitkomsten zijn opgenomen in bijlage 5.

Uit de berekeningen blijkt dat de geluidsbelasting op een afstand van 33 m uit de as van de Van Wuyckhuiseweg maximaal 51 dB bedraagt (waarneemhoogten 7,5 m). Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. De uiterste grenswaarde van 53 dB wordt niet overschreden.

Maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting ten aanzien van schetsontwerp

Voor de ontwikkeling is sprake van een hogere geluidsbelasting dan 48 dB ten gevolge van de Van Wuyckhuiseweg. Bezien is of met maatregelen de geluidsbelasting doelmatig kan worden teruggedrongen. Er is een aantal maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting denkbaar. Een mogelijkheid is om de functie van de weg, samenstelling van het verkeer of de maximumsnelheid te wijzigen. De functie als erftoegangsweg buiten de bebouwde kom met de daarbij behorende maximumsnelheid van 60 km/h dient behouden te blijven voor de ontsluiting van het omliggende gebied. Erftoegangswegen behoren tot de laagste wegcategorie. Wijziging hiervan of van de samenstelling van het verkeer ten behoeve van verdere geluidsreductie is daarom niet wenselijk of mogelijk.

Andere mogelijkheden zijn het toepassen van een geluidsreducerend asfalttype, het toepassen van een geluidsscherm of het vergroten van de afstand tussen de geluidsbron en de gevel van de woning. Gezien de beperkte omvang van de ontwikkeling leiden het toepassen van een geluidsarm asfalttype en geluidsschermen tot bezwaren van financiële aard. De kosten voor dit type maatregelen zijn in verhouding met de ontwikkeling van één woning hoog. Het vergroten van de afstand tussen de gevel van de woning en de Van Wuyckhuiseweg is mogelijk. Uit berekeningen blijkt dat de woning dan op minimaal 51,2 m uit de wegas geplaatst moet worden. Gezien de ligging van de naastgelegen woningen ten zuiden van de ontwikkeling zal dit echter leiden tot bezwaren van stedenbouwkundige aard. Bovendien worden de bouw- en gebruiksmogelijkheden van het loon- en grondverzetbedrijf door verdere positionering naar achteren onevenredig aangetast.

Conclusie

Ten aanzien van de nieuw te realiseren blijkt een maximale geluidsbelasting van 51 dB. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. De uiterste grenswaarde wordt niet overschreden.

Verder wordt geconcludeerd dat redelijkerwijs geen maatregelen mogelijk zijn om de geluidsbelasting door wegverkeer op de Van Wuyckhuiseweg voldoende te reduceren of dat maatregelen daartoe op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, bedrijfseconomische, landschappelijke, verkeerskundige, vervoerskundige of financiële aard stuiten. Ook het realiseren van de woning buiten de 48 dB-contour is uit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk. Om de ontwikkeling van de woning mogelijk te maken, dient daarom een hogere waarde vastgesteld te worden van 51 dB. Deze hogere waarde wordt als bijlage opgenomen in het vast te stellen bestemmingsplan.

4.9 Luchtkwaliteit

Regelgeving

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet luchtkwaliteit (hierna: Wlk). In het Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' is exact bepaald in welke gevallen een project niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit een oogpunt van bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit.

Toetsing

De beoogde ontwikkeling betreft het amoveren van voormalige bedrijfsmatige bebouwing en het voorkomen van toekomstige bouwmogelijkheden op dit perceel door het toekennen van een bestemming Agrarisch zonder bouwvlak en de realisering van een woning.

Het project is wat aard en omvang en ruimtelijke effecten betreft, vergelijkbaar met een project dat 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Uitgaande van de achtergrondconcentraties binnen de gemeente Terneuzen, wordt geconcludeerd dat de luchtkwaliteit voldoet aan de normen van de Wlk.

Conclusie

De Wlk staat de realisering van het project niet in de weg.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Financiële uitvoerbaarheid

Regelgeving

Belangrijk onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de Grondexploitatiewet, waarbij een exploitatieplan verplicht wordt gesteld indien nieuwe bouwplannen rechtstreeks mogelijk worden gemaakt door middel van een bestemmingsplan en er voor de gemeente sprake is van verhaalbare kosten (kostensoortenlijst Besluit ruimtelijke ordening). Een exploitatieplan is niet vereist indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld door het sluiten van overeenkomsten van grondexploitatie met alle eigenaren in het exploitatiegebied, waar bouwmogelijkheden gerealiseerd kunnen worden of volledig grondeigendom).

In een bestemmingsplan is sprake van kostenverhaal (artikel 6.2.3. tot en met 6.2.5. Bro) als een bouwplan (artikel 6.2.1 Bro) wordt mogelijk gemaakt. De wetgever heeft de volgende verschillende bouwplannen vastgelegd:

  • bouw een of meer andere hoofdgebouwen;
  • uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² of met één of meer woningen;
  • verbouwing van een of meer gebouwen voor andere doeleinden mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m² bedraagt.

In onderhavige situatie is sprake van een bouwplan.

Toetsing

Voor de beoogde ontwikkeling is tussen initiatiefnemer en de gemeente een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten waarin de (financiële) afspraken over het plan zijn vastgelegd, inclusief kostenverhaal. Deze overeenkomst wordt aangemerkt als anterieure overeenkomst.

Conclusie

Voor de gemeente Terneuzen zijn er ten aanzien van het plan geen financieel-economische risico's verbonden. De risico's daaromtrent liggen bij de initiatiefnemer.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Regelgeving

In artikel 3.1.6. van het Bro is tevens bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving moet worden opgenomen van de wijze waarop maatschappelijke organisaties en burgers bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. De verplichting om tijdens de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met instanties die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn is vastgelegd in artikel 3.1.1 van het Bro.

De ontwerpherziening van het bestemmingsplan is toegezonden aan de Veiligheidsregio Zeeland, het Waterschap Scheldestromen en de provincie voor een inhoudelijke reactie. Het Waterschap en Rijkswaterstaat hebben inhoudelijk gereageerd; de reacties zijn verwerkt in de Waterparagraaf 4.2. De provincie heeft geen inhoudelijke reactie en stemt in met de ontwikkeling. De veiligheidsregio heeft niet gereageerd.

Het ontwerpbestemmingsplan herziening Buitengebied, Van Wuyckhuiseweg 1/1a en Binnendijk 22/22a Hoek wordt ter inzage gelegd voor de vaststellingsprocedure.

In deze paragraaf worden te zijner tijd de resultaten van de procedure vermeld.