direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Hogeweg 1, Yerseke
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0703.YeBPHogeweg1-va01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op de hoek van de Breeweg-Hogeweg te Yerseke is een perceel gelegen met daarop een garagebox. De initiatiefnemers zijn voornemens hier een vrijstaande woning op te realiseren. Het realiseren van een vrijstaande woning is niet mogelijk op basis van het huidige bestemmingsplan 'Yerseke', vastgesteld op 27 januari 2015. De gemeente Reimerswaal heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan het wijzigen van het bestemmingsplan. Hiervoor is dit bestemmingsplan opgesteld.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen op de hoek van de Breeweg-Hogeweg te Yerseke en heeft een oppervlakte van 1.716m2 . Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Reimerswaal, Sectie V, nummer 738. Het plangebied ligt aan de westelijke rand van de kern Yerseke. Het plangebied wordt begrensd door woningen aan de noord-, oost- en zuidzijde. In het westen grenst het plangebied aan een tuin en aan de overzijde van de Breeweg bevinden zich agrarische gronden met enkele agrarische bedrijfsgebouwen. In figuur 1.1 is de situering van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.YeBPHogeweg1-va01_0001.png" Figuur 1.1 - Ligging plangebied (luchtfoto, 2021)

1.3 Geldend bestemmingsplan

In figuur 1.2 is een uitsnede van de verbeelding te zien behorend bij het huidige bestemmingsplan 'Yerseke', vastgesteld op 27 januari 2015. Het plangebied heeft in het geldende bestemmingsplan 'Yerseke' de enkelbestemmingen:

  • Tuin
  • Wonen

De dubbelbestemming:

  • Waarde - Archeologie - 2

En de aanduidingen:

  • Bouwvlak met maatvoeringsaanduidingen
    • 1. Maximum bouwhoogte: 5m
    • 2. Maximum goothoogte: 3m
  • Functieaanduiding: Garage

Binnen de aanduiding garage is het bouwen van een vrijstaande woning niet mogelijk. Daarnaast is het bouwvlak en zijn de maatvoeringsaanduidingen te klein voor het realiseren van een vrijstaande woning.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.YeBPHogeweg1-va01_0002.png"

Figuur 1.2 - Uitsnede bestemmingsplan 'Yerseke' (www.ruimtelijkeplannen.nl)

Op het perceel gelden ook de bestemmingsplannen Parapluherziening Wonen Kernen Reimerswaal (2023) en de Parapluherziening Kernen en Bedrijventerreinen (2017). Deze parapluherzieningen bevatten regels over voldoende parkeergelegenheid en geven een actualisatie van de regels voor de dubbelbestemming Waarde Archeologie 2 en diverse wijzigingsbevoegdheden. Ook zijn aangescherpte definities gegeven van het begrip wonen. Deze regels zijn toegepast in het bestemmingsplan voor Hogeweg 1.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van het plan zijn beschreven:

  • Hoofdstuk 2 Beschrijving van de situatie;
  • Hoofdstuk 3 Beleidskader;
  • Hoofdstuk 4 Toetsing aan omgevingsaspecten;
  • Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving;
  • Hoofdstuk 6; Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid;

Hoofdstuk 2 Beschrijving van de situatie

2.1 Huidige situatie

Het plangebied ligt op de hoek van de Breeweg-Hogeweg te Yerseke en heeft een oppervlakte van 1.716m2. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Reimerswaal, Sectie V, nummer 738.

Het plangebied wordt begrensd door woningen aan de noord-, oost- en zuidzijde. In het westen grenst het plangebied aan een tuin en aan de overzijde van de Breeweg bevinden zich (in het noordwesten) enkele agrarische gronden.

Het plangebied bestaat uit een grasveld met daarop een houten schuurtje met een garagedeur. Het plangebied is omheind met een hekwerk en het grasveld wordt regelmatig gemaaid. In figuur 2.1 t/m 2.4 zijn enkele aanzichten van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.YeBPHogeweg1-va01_0003.png"

Figuur 2.1 - Bovenaanzicht plangebied (Rho Adviseurs, 2023)

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.YeBPHogeweg1-va01_0004.png"

Figuur 2.2 - Aanzicht vanaf de Hogeweg (Rho Adviseurs, 2023)

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.YeBPHogeweg1-va01_0005.png"

Figuur 2.3 - Aanzicht vanaf de rotonde (Rho Adviseurs, 2023)

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.YeBPHogeweg1-va01_0006.png"

Figuur 2.4 - Aanzicht vanaf de Breeweg (Rho Adviseurs, 2023)

2.2 Toekomstige situatie

Initiatiefnemer is voornemens een vrijstaande woning te realiseren op het perceel op de hoek van de Hogeweg - Breeweg. Bij de situering van de woning is rekening gehouden met de voorgevelrooilijnen van zowel de Hogeweg als de Breeweg. De vrijstaande woning is georiënteerd op de Hogeweg, via deze weg heeft men ook toegang tot het woonperceel. De woning is, in overleg met de gemeente, enigszins gedraaid ten opzichte van de voorgevelrooilijn van de Hogeweg, zodat tevens de rooilijn van de Breeweg gevolgd kan worden. Dit geeft een indeling van het perceel die goed aansluit op de perceelsindeling en het straatbeeld in de directe omgeving. In figuur 2.5 en figuur 2.6 zijn de inrichtingstekeningen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.YeBPHogeweg1-va01_0007.png"

Figuur 2.5 - Inrichtingstekening (Sjaak Goud Architect B.V., 2023)

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.YeBPHogeweg1-va01_0008.png"

Figuur 2.6 - Inrichtingstekening (Sjaak Goud Architect B.V., 2023)

De vrijstaande woning wordt gerealiseerd in twee bouwlagen. De nieuwe woning heeft een oppervlakte van circa 290 m2 en wordt levensloopbestendig gebouwd. Het bouwvlak wordt hierbij circa 500 m2. Er is ruimte voor een eventueel bijgebouw in de toekomst met in achtneming het maximum bebouwd oppervlak in de bouwregels van 325m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.YeBPHogeweg1-va01_0009.png"

Figuur 2.7 - Inrichtingstekening (Sjaak Goud Architect B.V., 2023)

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Gemeenten, provincies en het Rijk worden verplicht om een omgevingsvisie op te stellen vanuit de nieuwe Omgevingswet. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. In de NOVI wordt aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 de langetermijnvisie in beeld gebracht. Het Rijk wil sturen op de nationale belangen. De inzet van het Rijk is samengevat in vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dit houdt in dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies,
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen

Toetsing

Het beleid uit de NOVI bevat geen specifieke zaken die betrekking hebben op de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Sindsdien zijn vele wijzigingen in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Ruimtereservering parallelle Kaagbaan, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nationaal Natuurnetwerk, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied.

Toetsing

Het Barro heeft voor wat betreft de genoemde onderwerpen en gezien de aard en kleinschaligheid van het planvoornemen, geen gevolgen voor de realisatie van het planvoornemen.

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is de Ladder voor duurzame verstedelijking in artikel 3.1.6 Bro opgenomen. De toepassing van de Ladder heeft tot veel onduidelijkheid geleid bij overheden, juristen en planologen. Derhalve is de wet gewijzigd, deze wijziging is van kracht sinds 1 juli 2017. De Ladder is een instrument waarmee tot een gebalanceerde regionale ontwikkeling kan worden gekomen. De kernbepaling van de nieuwe Ladder, artikel 3.1.6 lid 2 Bro, luidt als volgt: ‘De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.’

Sinds de nieuwe Ladder-systematiek moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken hieraan worden getoetst. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro wordt een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling gegeven. Een stedelijke ontwikkeling is een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. De Laddertoets geldt alleen voor de toevoeging van nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Bij ontwikkelingen moet worden beoordeeld of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan kon worden gerealiseerd. Uit jurisprudentie volgt dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Ook in het geval er geen sprake is van een formele ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’, moet er toch het nut en de noodzaak aan die ontwikkeling worden aangetoond.

Toetsing

Het juridisch-planologisch mogelijk maken van 1 extra woning binnen bestaand stedelijk gebied is geen stedelijke ontwikkeling. Bij het ontwikkelen van 12 woningen is immers pas sprake van een stedelijke ontwikkeling (uitspraak Raad van State van 16 september 2015, zaaknummer 201501297). Derhalve is toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk.

3.2 Provinciaal beleid


Omgevingsvisie Zeeland
De Provincie Zeeland heeft de Zeeuwse Omgevingsvisie op 21 november 2021 vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft aan de hand van 27 bouwstenen de provinciale visie en provinciale belangen op Zeeland weer, waar de Provincie Zeeland een (groot) belang aan hecht. Per bouwsteen worden de beleidsdoelstellingen voor 2030 beschreven, de acties die daaraan bijdragen en welke partijen daar een rol bij spelen.

In de Omgevingsvisie zijn de volgende vier Zeeuwse ambities omschreven voor de provincie in 2050.

• Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland;

• Balans in de grote wateren en het landelijk gebied;

• Een duurzame en innovatieve economie;

• Klimaatbestendig en CO2 neutraal Zeeland.

Het benoemen en beschrijven van uitdagingen en ambities is geen garantie voor het maken van de beste keuzes voor Zeeland. Bij het kiezen en prioriteren wil de provincie zowel de Zeeuwse kernkwaliteiten behouden als kansen en mogelijkheden benutten.

Hiervoor dienen de volgende afwegingsfactoren:

• Doe meer met minder grond;

• Werk samen en deel kosten en baten;

• Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten;

• Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.

Nieuwe ontwikkelingen moeten passen binnen de kernkwaliteiten van Zeeland.

• Genieten en opladen;

• Waarderen en beschermen van het mooie Zeeuwse landschap;

• We voelen ons verbonden met de historie;

• Kernkwaliteitswens: passende werkgelegenheid en ontwikkelmogelijkheden voor iedereen in Zeeland.

Toetsing

De beoogde ontwikkeling vindt plaats in bestaand stedelijk gebied, en komt op de plaats van een huidige garagebox. Omdat er sprake is van stedelijke herstructurering, is er geen sprake van extra ruimtebeslag. Daarnaast wordt de toekomstige woning levensloopbestendig, duurzaam en gasloos uitgevoerd. De Zeeuwse Omgevingsvisie staat de ontwikkeling niet in de weg.

Omgevingsverordening Zeeland 2018

Een aantal onderwerpen van het provinciale ruimtelijke beleid zijn uitgewerkt en vastgelegd in de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Voor de planlocatie geldt dat er sprake is van bestaand stedelijk gebied. De provincie Zeeland heeft in de Omgevingsverordening geen voorschriften voor het toevoegen van woningen in bestaand stedelijk gebied. Verder zijn er op de kaarten en in de regels van de Omgevingsverordening geen bijzonderheden te zien die van toepassing zijn voor het plangebied.

Het planvoornemen is in overeenstemming met het provinciale beleid.

3.3 Regionaal beleid

Regionale Woningmarktafspraken

De regio De Bevelanden heeft regionale woningmarktafspraken opgesteld en opgenomen in de 'Woningmarktafspraken De Bevelanden 2020 - 2030' (mei 2020). In dit document zijn de volgende uitgangspunten opgenomen:

Algemeen

• Niet méér bouwen dan de behoefte;

• Uitsluitend producten die echt iets toevoegen; goede producten op goede plekken;

• Lokaal maatwerk, aansluiten bij DNA van de plek;

• Flexibiliteit in de plannen;

• Onderling bespreken en afstemmen aan de voorkant.

Ruimtelijk

• Hoge dichtheid in de kernen, lage in het landschap;

• In principe binnen de kernen, bij voorzieningen;

• Inbreiden voor uitbreiden;

• Vooral focus op kleine huishoudens in stad en dragende kernen;

• Inzetten op “mooie woondorpen”.

Programmatisch

• Duurzaam, extra energiebesparende maatregelen;

• Levensloop- en toekomstbestendig;

• Aandacht voor groen en water;

• Omvang voorraad sociale huurwoningen gelijk;

• Extra middenhuurwoningen;

• Meer hoogwaardige grondgebonden nultreden en semipermanente woningen.

Vanuit het afsprakenkader wordt ingezet op:

1. Realistische woningbouwproductie met ambitie.

2. De juiste kwaliteit, Product/Markt/Combinaties en woonmilieus.

3. Er wordt gestreefd naar een optimale match tussen vraag en aanbod.

Toetsing

Met de bouw van één extra levensloopbestendige woning, die binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd, wordt aangesloten op de uitgangspunten van de regionale woningmarktafspraken.

Regionale woonvisie

Met de Regionale Woonvisie De Bevelanden 2019 - 2023 beogen de vijf Bevelandse gemeenten inzicht te geven in de gezamenlijke missie en ambities van de regiogemeenten op het gebied van het wonen (oktober 2019). De visie is een parapluvisie voor verdere uitwerking in lokaal beleid. De Regionale Woonvisie bevat de volgende missie: 'Wij willen een aantrekkelijke regio zijn waar men graag woont, met een regionaal passend, duurzaam en toekomstbestendig woningaanbod'. Vanuit deze missie zijn de volgende vijf ambities geformuleerd:

1. De Bevelanden zet in op een duurzame en toekomstbestendige woningvoorraad: De Bevelanden heeft forse ambities op het gebied van duurzaamheid. In de woningvoorraad kan nog veel energie bespaard worden.

2. De Bevelanden voor iedereen: De regio De Bevelanden wil een complete regio zijn, met een passend woningaanbod voor jong en oud, rijk en arm, kleine en grote huishoudens, met en zonder ondersteuning, permanent en tijdelijk.

3. De Bevelanden zet alleen in op nieuwbouw die echt iets toevoegt: De Bevelanden streeft naar evenwicht in vraag en aanbod op de woningmarkt. De verwachte huishoudensgroei is de belangrijkste onderlegger voor het regionale woningbouwprogramma.

4. De Bevelanden benut het bestaande: De Bevelanden streeft naar een toekomstbestendige woningvoorraad. Dit betekent continu investeren in onderhoud, aanpasbaarheid en verduurzaming van de bestaande woningvoorraad. Naast de focus op vastgoed zal er ook aandacht moeten zijn voor de aanpak van sociale problematiek en de kwaliteit van de openbare ruimte.

5. De Bevelanden zorgt: Regio De Bevelanden wil een zorgzame regio zijn, waar vraag en aanbod naar wonen met zorg in balans zijn, ook voor de meest kwetsbare groepen. Hierbij ziet de regio kansen voor innovatieve vormen van wonen met zorg die de diversiteit aan woonmilieus voor regionale woningmarkt als geheel zullen vergroten.

Toetsing

De ontwikkeling van een levensloopbestendige woning is een particulier initiatief. Een levensloopbestendige woning draagt een bijdrage aan een duurzame en toekomstbestendige woningvoorraad. Daarnaast is in Yerseke vraag naar vrijstaande woningen, hiervoor levert de bouw van een vrijstaande woning ook een bijdrage aan het woningaanbod. De ontwikkeling geeft daarmee invulling aan het beleid uit de Regionale Woonvisie.

3.4 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Kernen en Bedrijventerreinen

In deze structuurvisie is het gemeentelijke wensbeeld van de kernen en bedrijventerreinen van Reimerswaal vastgelegd. De volgende daarin opgenomen beleidsitems zijn voor de voorliggende ontwikkeling van belang.

Beleidsvisie wonen algemeen

Ten aanzien van wonen is het beleid gericht op ’lokaal wonen en leven’: met woningbouw inspelen op lokale behoeften en gericht op het versterken van de kwaliteiten van de kern. De gemeente wil de leefbaarheid en kwaliteit van de woonkernen (aantrekkelijke woon- en leefomgeving) verder versterken door:

• het versterken van de diversiteit aan (woon-)culturen en woonmilieus tussen de dorpskernen, versterken van de kernkwaliteiten;

• het afstemmen van de woningvoorraad en de woningbouw op de lokale behoefte (per kern): zowel kwantitatief = het juiste aantal, als kwalitatief = het juiste type voor de doelgroep;

• het inzetten van woningbouw om ruimtelijke aandachtslocaties en herstructureringsgebieden aan te pakken;

• het realiseren van bijzondere woonprojecten voor specifieke doelgroepen.

Ten aanzien van woningbouwprojecten gelden hierbij de volgende aandachtspunten

• Behoud dorpskarakter van de kernen, door behoud en ontwikkeling van kwalitatief groen in en aan de randen van de kernen.

• Zorgen voor kwalitatief goede huisvesting voor eenpersoonshuishoudens, starters, ouderen, ‘nieuwe Zeeuwen’ en permanente arbeidsmigranten.

• Dit kan zowel binnen de bestaande voorraad als in nieuwbouwwoningen, afhankelijk van de bestaande voorraad en de behoefte per kern.

Beleidsvisie kern Yerseke

Voor Yerseke, evenals voor alle andere kernen van de gemeente Reimerswaal, zijn de ruimtelijke projecten, ontwikkelingen en hoofdstructuren weergegeven op een kaartbeeld. In figuur 3.1 is een uitsnede van de beleidskaart voor Yerseke opgenomen

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.YeBPHogeweg1-va01_0010.png" Figuur 3.1 - Uitsnede beleidskaart Yerseke Structuurvisie Kernen en Bedrijventerreinen

Ten behoeve van woningbouwontwikkeling zijn in Yerseke meer plannen dan dat er behoefte is. Zowel ten opzichte van de vraag aan woningen tot 2020 als ten opzichte van de vraag tot 2030 is een structureel overaanbod zichtbaar. Het is belangrijk om keuzes te maken om ook op ruimtelijke aandachtslocaties met woningbouw ruimtelijke verbetering te realiseren.

Gestreefd wordt naar het optimaliseren van het woon- en leefklimaat en naar het versterken van de kwaliteit van het wonen in Yerseke door het beter afstemmen van de woningbouw op de behoeften en het verbeteren van de zwakke delen van de woningvoorraad door herstructurering. Hierbij wordt prioriteit gegeven aan inbreiding en aan herstructurering van bestaande woongebieden boven nieuwe uitleglocaties, zodat ook gewerkt kan worden aan de ruimtelijke kwaliteit in de bestaande woningvoorraad. Er wordt primair ingezet op de herstructurering van de ruimtelijke aandachtsgebieden.

Toetsing

Het plangebied betreft een leegstaand perceel in bestaand stedelijk gebied met een woonbestemming met daarop een vervallen garagebox. Er is sprake van een binnenstedelijke herstructureringslocatie, die geen extra ruimtebeslag met zich mee brengt. De ontwikkeling van één levensloopbestendige woning is in lijn met het beleid van de structuurvisie ten aanzien van deze locatie.

Woonvisie gemeente Reimerswaal

De woonvisie vormt een uitnodiging voor inwoners en woonpartners om concrete projecten te realiseren. Daarnaast vormt de woonvisie een afwegingskader voor nieuwe woningbouwplannen. De gemeente Reimerswaal geeft in de woonvisie de doelstellingen weer die ingaan op de ontwikkeling van alle kernen en de functie van wonen daarin. Concreet is per kern aangegeven welke woningvraagstukken van belang zijn.

In Yerseke ontstaat een tekort aan levensloopbestendige, twee-onder-een-kap- en vrijstaande woningen. De gemeente wil hier snel actie ondernemen, omdat ook na 2025 de vraag zal blijven groeien. Er is en blijft tegelijkertijd een fors overschot in het aantal rijwoningen. Omdat de vraag naar middeldure woningen toeneemt en er een overschot is in goedkope woningen ligt transformatie van deze woningen voor de hand. De woningbouwplanning voor de kern Yerseke biedt ruimte voor het bouwen van één vrijstaande levensloopbestendige woning op de locatie aan de Hogeweg. Dit past binnen de woonvisie van de gemeente Reimerswaal en zal tevens een bijdrage leveren aan de doorstroming van de lokale woningmarkt. De woonvisie staat de ontwikkeling niet in de weg.

Hoofdstuk 4 Toetsing aan omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk zullen de relevante uitvoeringsaspecten bij het plan worden besproken. Hierin is aandacht voor de verschillende milieuaspecten zoals flora en fauna en luchtkwaliteit, en is er aandacht voor milieuzonering, verkeer en parkeren en externe veiligheid.

4.1 Archeologie en cultuurhistorie

4.1.1 Wettelijk kader

Vanaf 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaal belang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht wordt geregeld.

Als gevolg van deze wet wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het erfgoed meegewogen zoals alle andere aspecten die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.

4.1.2 Archeologie

Beleid

Sinds 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet zal straks samen met de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. Om hierin als gemeente eigen afwegingen te kunnen maken is het noodzakelijk te beschikken over een eigen archeologisch beleid. In 2011 is hiertoe het archeologiebeleid van de gemeente Reimerswaal vastgesteld. Bij het opstellen van het archeologiebeleid is gebruik gemaakt van alle archeologische gegevens tot 2009.

Evaluatie Archeologiebeleid 2016

Tot en met 2015 is naar aanleiding van onder andere het gemeentelijk archeologiebeleid een aanzienlijke hoeveelheid onderzoek uitgevoerd. Dit heeft er toe geleid dat veel gebieden met een verwachting zijn onderzocht waardoor hier:

  • 1. de archeologische verwachtingswaarde (naar beneden) kon worden bijgesteld;
  • 2. door het uitvoeren van onderzoek geen archeologische resten meer aanwezig zijn;
  • 3. de aanwezige archeologische resten door planaanpassing in situ zijn behouden.

Uit de evaluatie blijkt dat het beleid in zijn huidige vorm goed functioneert en dat inhoudelijke aanpassingen niet direct noodzakelijk zijn.

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening worden gehouden. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan bij een ruimtelijk plan door het bevoegd gezag (in dit geval de gemeente) worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld.

Op basis hiervan zijn vier verschillende archeologische verwachtingszones onderscheiden. De archeologische verwachtingszones zijn in het bestemmingsplan 'Yerseke' vertaald naar drie archeologische dubbelbestemmingen. In de bouwregels van deze bestemmingen is bepaald dat er ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag worden gebouwd mits de betrokken archeologische waarden door de voorgenomen bouwactiviteiten niet worden geschaad. Hiervoor zal de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een archeologisch onderzoeksrapport moeten overleggen en is instemming van de archeologische deskundige vereist. Ook voor het uitvoeren van werkzaamheden die het bodemprofiel kunnen aantasten, is een vergunning met onderzoek en advies nodig. De dubbelbestemmingen verschillen van elkaar op het punt van de oppervlakte die is vrijgesteld van onderzoek.

In het bestemmingsplan 'Yerseke' is voor het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde -Archeologie - 2 ' opgenomen. In deze bestemming is bepaald dat archeologisch onderzoek en advies niet nodig zijn indien de oppervlakte van de bodemverstoring niet meer dan 250 m2 bedraagt of als het gaat om een bodemverstoring die niet dieper reikt dan 40 cm. Gezien de grootte van de vrijstaande woning en grootte van het bouwvlak gaan we er vanuit dat de verstoring van de bodem niet groter is dan 250m2 en dieper dan 40cm, waardoor geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

Voor het voorkomen van zoveel mogelijk bodemverstoring worden de gronden in het plangebied opgehoogd, zodat er voor de bouw van de woning niet dieper dan 40 centimeter gegraven hoeft te worden. Het ophogen van de gronden is een goede maatregel om verstoring van de archeologische resten te voorkomen. Door het overnemen van de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2' is geborgd dat zonder ophogen van de gronden, archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Mocht tijdens de vergunningverlening blijken dat het ophogen van het terrein niet mogelijk is, dan kan alsnog in het kader van de vergunningverlening een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden.

Kortom, de dubbelbestemming 'Waarde -Archeologie - 2 ' uit het bestemmingsplan Yerseke (inclusief de geactualiseerde regels uit de Parapluherziening Kernen en Bedrijventerreinen) wordt overgenomen in het bestemmingsplan om eventuele verstoring te voorkomen.

4.1.3 Cultuurhistorie

De cultuurhistorische waardevolle objecten zijn door de provincie aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Op de uitsnede in figuur 4.1 is te zien dat nabij het plangebied (rood omcirkeld) geen cultuurhistorische objecten zijn gelegen. De blauwe stippen zijn rijksmonumenten en de paarse stippen zijn MIP objecten. Deze zijn allebei op ruime afstand van het projectgebied gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.YeBPHogeweg1-va01_0011.png" Figuur 4.1 - Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart Provincie Zeeland

Het planvoornemen heeft zodoende geen effect op cultuurhistorisch waardevolle elementen.

4.1.4 Conclusie

Met de gewenste ontwikkeling worden cultuurhistorische panden of structuren niet aangetast. Voorts vindt de ontwikkeling plaats in beschermd archeologisch gebied. Indien er in de toekomst ontwikkeling plaatsvinden op het perceel zal archeologisch onderzoek uitgevoerd moeten worden wanneer er meer dan 250 m2 gebouwd wordt en dieper dan 40 cm gegraven wordt. Er zijn geen belemmeringen vanuit cultuurhistorie en archeologie voor de beoogde ontwikkeling.

4.2 Bedrijven en milieuhinder

4.2.1 Wettelijk kader

Voor de toetsing aan het aspect milieuhinder dient rekening te worden gehouden met de bepalingen uit de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 2.25). Daarnaast geldt op basis van jurisprudentie dat te allen tijde sprake moet zijn van een 'goede ruimtelijke ordening'. Voldaan moet worden aan wettelijke milieueisen indien sprake is van een milieuhinderlijk en/of milieugevoelige functie. Daarbij moet ter plaatse van de woning een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd en rekening gehouden worden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de omliggende bedrijven.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een rustige woonwijk.

4.2.2 Toetsing

Met het planvoornemen worden bedrijfshindergevoelige functies gerealiseerd. In figuur 4.2 zijn omliggende bedrijfshinderveroorzakende functies weergegeven. De maatschappelijke bestemming ten zuidoosten betreffen zorgwoningen, deze zullen geen hinder opleveren. Echter kunnen volgens het vigerend bestemmingsplan ook culturele activiteiten worden gehouden, hiervoor geld een richtafstand van 30 meter. De afstand tot het nieuwe bouwvlak bedraagt 40 meter, hier wordt aan voldaan. Het meest nabijgelegen bedrijf is het agrarisch bedrijf ten westen, de richtafstand hiervoor bedraagt 30 meter. De afstand tot het bestemmingsvlak bedraagt 112 meter, de afstand tot het nieuwe bouwvlak bedraagt circa 140 meter. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.YeBPHogeweg1-va01_0012.png"

Figuur 4.2 - Bedrijfshinderveroorzakende functies ten opzichte van het plangebied (blauw omkaderd)

4.2.3 Conclusie

Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening.

4.3 Geluidhinder

4.3.1 Wettelijk kader

Wegverkeer en railverkeer
Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd.

Industrielawaai

Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd.

4.3.2 Wegverkeerlawaai

Woningen worden door de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) als geluidgevoelige functie aangemerkt. Indien in een bestemmingsplan nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dan is volgens de Wgh akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de geluidzone van een weg. Daarnaast dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau.

Met de ontwikkeling van de woning wordt een geluidgevoelige functie gerealiseerd. De Hogeweg is geen gezoneerde weg. De Breeweg is gedeeltelijk een gezoneerde weg. De Breeweg gaat na circa 60 meter vanaf de rotonde, van een 30km/h weg over in een 60km/h weg. Hierdoor is het plangebied gelegen in de zone van de Breeweg. Het gezoneerde deel is echter op 60 meter afstand gelegen en de intensiteit van deze weg is onder de 1000mvt/etmaal. De intensiteit bedraagt namelijk circa 700 mvt/etmaal, bron: Verkeersmetingen gemeente Reimerswaal 2023). Een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder mag derhalve zeker niet worden verwacht.

De Hogeweg betreft een 30 km/h weg en wordt dus niet getoetst aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB zoals opgenomen in de Wet geluidhinder. De Hogeweg is verder van de geprojecteerde woning gelegen dan de Breeweg. Hierdoor mag ook vanwege de verkeersintensiteit (1.400 mvt/etmaal, Verkeersmetingen gemeente Reimerswaal 2022) op de Hogeweg niet worden verwacht dat dit dusdanig van invloed is op het woon- en leefklimaat dat dit een belemmering zou kunnen vormen voor de realisatie van de woning.

4.3.3 Inrichtingslawaai

Op basis van paragraaf 4.2 kan geconcludeerd worden dat omliggende bedrijven geen effect hebben op het woon- en leefklimaat van de omliggende woningen.

4.3.4 Railverkeerslawaai

Er zijn geen spoorwegen gelegen binnen een straal van 2km van het plangebied. Het aspect railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.3.5 Industrielawaai

Er zijn geen geluidgezoneerde industrieterreinen gelegen rondom het plangebied. Dit aspect vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.3.6 Conclusie

Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor beoogde ontwikkeling.

4.4 Bodem

4.4.1 Wettelijk kader

Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.

Beleid gemeente Reimerswaal

De bodemfunctieklasse van het plangebied is op basis van de bodemfunctiekaart van gemeente Reimerswaal bodemfunctieklasse 'Wonen'.

Op basis van de Nota bodembeheer gemeente Reimerswaal valt het plangebied in de bodemkwaliteitszone Buitengebied en naoorlogse bebouwing. Dit houdt in dat verwacht wordt dat de bodem gemiddeld genomen niet verontreinigd is en geclassificeerd wordt als kwaliteitsklasse Achtergrondwaarde.

4.4.2 Toetsing

De (milieuhygiënische) bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de woonbestemming en mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. Hiervoor is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Econsultancy, d.d. 18 april 2023). Het volledig bodemonderzoek is bijgevoegd in bijlage 2.

In het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltige klei, matig fijn tot matig grof zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus.

De ondergrond bestaat plaatselijk uit veen (1,9 m -mv en dieper). De bovengrond is plaatselijk zwak tot sterk baksteenhoudend. Verder is de ondergrond sporadisch sterk baksteenhoudend.

Bijmengingen met baksteen zijn niet asbestverdacht. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen puin(resten) of andere asbestverdachte materialen aangetroffen. De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met cadmium, kobalt, kwik, lood, zink, PCB en PAK. In de ondergrond is geen verontreiniging aangetoond. In het grondwater is geen verontreiniging aangetoond.

De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht, niet lijnvormig" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen, verworpen. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging van de onderzoekslocatie.

4.4.3 Conclusie

Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'bodem' geen belemmering vormt voor het planologisch mogelijk maken van de vrijstaande woning.

4.5 Verkeer en parkeren

4.5.1 Wettelijk kader

Op het gebied van verkeer en vervoer is er geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er in de gebruiksfase de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is. Voor nieuwe ruimtelijke-functionele ontwikkelingen kan de verkeersgeneratie worden berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen). Hiervan kan worden afgeweken mits dit goed kan worden gemotiveerd.

De gemeente Reimerswaal heeft op 3 augustus 2016 de ‘Nota parkeernormen gemeente Reimerswaal 2016’ vastgesteld. Het gemeentelijk parkeerbeleid is gebaseerd op de meest recente parkeerkengetallen uitgegeven door het CROW. Ontwikkelingen waarbij de parkeerbehoefte toeneemt, dienen minimaal deze toename op te vangen.

4.5.2 Verkeer

Verkeersontsluiting

Het perceel aan de Hogeweg wordt ontsloten via de Hogeweg. De Hogeweg sluit aan op de Zweedijkseweg. Vanaf de Zweedijkseweg is via de Grintweg en de Welleweg de Molendijk (N673) bereikbaar. De Molendijk(N673) gaat over in de Zandddijk(N673) en sluit aan op de A58, vanaf hier is de rest van Zeeland en Nederland bereikbaar.

Verkeersgeneratie

CROW-publicatie 381 (2018) geeft kencijfers voor het berekenen van de verkeersgeneratie van een ontwikkeling. Het plangebied is gelegen in Yerseke in een gebied dat getypeerd kan worden als 'rest bebouwde kom'. De gemeente Reimerswaal is een 'weinig stedelijke gemeente'. Volgens de CROW-publicatie 381 (2018) neemt de verkeersgeneratie maximaal toe met 8,6 mvt/etmaal. Hiervoor is voldoende capaciteit op de huidige wegen. De minimale toename van de hoeveelheid verkeer leidt dan ook niet tot verkeerskundige problemen.

4.5.3 Parkeren

Het benodigd aantal parkeerplaatsen kan berekend worden aan de hand van de kencijfers van de publicatie 'Nota parkeernormen gemeente Reimerswaal' uit 2016. Het plangebied is gelegen in Yerseke in een gebied dat getypeerd kan worden als 'rest bebouwde kom'. De gemeente Reimerswaal is een 'weinig stedelijke gemeente'. Volgens de 'Nota parkeernormen gemeente Reimerswaal 2016’ geldt voor een vrijstaande koopwoning een maximaal parkeerkencijfer van 2,7. Dit betekent dat 3 parkeerplaatsen op eigen terrein moeten worden gerealiseerd. Hiervoor is voldoende ruimte op eigen terrein.

4.5.4 Conclusie

De verkeersgeneratie en parkeerbehoefte nemen minimaal toe. De beoogde ontwikkeling zal niet leiden tot verkeerskundige en/of parkeertechnische problemen.

4.6 Luchtkwaliteit

4.6.1 Wettelijk kader

De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'Niet in betekenende mate' (het besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM. Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.2 weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.YeBPHogeweg1-va01_0013.jpg"

Tabel 4.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

NIBM

In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2ìg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg.
4.6.2 Toetsing

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient het aspect luchtkwaliteit te worden onderzocht. De verkeersgeneratie neemt toe met 9 mvt per etmaal. Hiervoor is de NIBM-tool ingevuld. In figuur 4.3 is weergegeven dat de ontwikkeling Niet In Betekende Mate bijdraagt aan luchtverontreiniging.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.YeBPHogeweg1-va01_0014.png"

Figuur 4.3 - NIBM-tool

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nagegaan hoe het met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is gesteld. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit . De dichtstbijzijnde voor luchtkwaliteit relevante weg is de A58 (zie figuur 4.4). Hieruit blijkt dat de achtergrondconcentratie voor NO2 en PM10 respectievelijk 16,94 ug/m3 en 15,46 ug/m3 bedragen. Dit betekent dat voldaan wordt aan de geldende normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in tabel 4.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.YeBPHogeweg1-va01_0015.png"

Figuur 4.4 - Rekenpunt (blauwe cirkel) ten opzichte van plangebied (rode cirkel) (bron: Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit)

4.6.3 Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Ecologie

4.7.1 Wettelijk kader

Ter voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) de uitvoering van het plan niet in de weg staan.

Bij de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantsoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

Natura-2000

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000-gebieden. De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen van leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Zeeland

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Het NNN is in Zeeland uitgewerkt in het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten.


In de provincie Zeeland worden in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in paragraaf 2.10.2 van de Omgevingsverordening. Dit betreft de meest algemene soorten amfibieën en zoogdieren. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn) is er geen beleidsruimte en is de bescherming onveranderd.

4.7.2 Toetsing

Gebiedsbescherming

Natura-2000

Het perceel aan de Hogeweg is geen Beschermd Natuurmonument of Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn 'Yerseke en Kapelse Moer' en 'Oosterschelde', gelegen op respectievelijk 490 meter en 1000 meter afstand. In figuur 4.5 is de ligging tussen beide natuurgebieden weergegeven. Er is ten aanzien van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden onderzoek gedaan door middel van een AERIUS-berekening voor de aanleg- en gebruiksfase (bijlage 1). Hieruit blijkt voor beide fasen dat er geen resultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jr.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.YeBPHogeweg1-va01_0016.png"

Figuur 4.5 - Ligging Hogeweg 1 (rood gearceerd) ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden (bron: www.natura2000.nl)

Natuurnetwerk Zeeland

Het perceel aan de Hogeweg 1 ligt niet in een gebied dat begrensd is in het kader van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Het dichtstbijzijnde gebied is gelegen op ongeveer 250 meter, dit is aangeduid als 'bestaande natuur' (zie figuur 4.6). De geplande activiteit ligt op voldoende afstand van het gebied. Het planvoornemen heeft geen effect op de natuurwaarden van de gebieden die zijn begrensd in het kader van het Natuurnetwerk Zeeland.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.YeBPHogeweg1-va01_0017.png"

Figuur 4.6 - Ligging Hogeweg 1 (blauwe omkaderd) ten opzichte van Natuurnetwerk Zeeland

Soortenbescherming

Quickscan Wet Natuurbescherming

Bij de realisatie van de boogde ontwikkeling kunnen eventueel aanwezige beschermde soorten worden verstoord. Hiervoor is een ecologische quickscan uitgevoerd, deze is bijgevoegd in bijlage 4. Uit de quickscan is gebleken dat het niet noodzakelijk is om nader onderzoek te verrichten naar vaste stand- of verblijfplaatsen van vogels, vleermuizen, amfibieën, bijzondere beschermde planten en reptielen, vissen en overige soorten. Ook is gebleken dat het wel noodzakelijk is om nader onderzoek te doen naar kleine marterachtigen. Onderzoek naar deze dieren kan het gehele jaar gebeuren, maar met voorkeur in de voortplantingsperiode van 1 maart t/m 31 september.

Ecologisch vervolgonderzoek

Het ecologisch vervolgonderzoek naar kleine marterachtigen is uitgevoerd. Daaruit is gebleken dat verblijfplaatsen van deze dieren op het perceel kunnen worden uitgesloten. Een ontheffing of mitigerende maatregelen zijn niet nodig. de rapportage van het vervolgonderzoek is opgenomen als bijlage 6 bij de toelichting.

4.7.3 Conclusie

De beoogde ontwikkeling ondervindt voor wat betreft ecologie geen belemmeringen.

Het plan leidt niet tot een overtreding van de Wet Natuurbescherming.

4.8 Externe veiligheid

4.8.1 Wettelijk kader

Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico's:

  • risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.

Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar

Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.

Plaatsgebonden risico en groepsrisico

Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.

Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.

Risicovolle (Bevi-)inrichtingen

Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.

Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor

Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.

Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico's voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.

Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.

4.8.2 Toetsing

De beoogde ontwikkeling betreft slechts het toevoegen van een vrijstaande woning in de dorpskern van Yerseke. Er worden geen risicovolle bronnen mogelijk gemaakt met de ontwikkeling.

Risicovolle inrichtingen

Er bevinden zich geen relevante risicovolle inrichtingen in de omgeving van het plangebied.

Vervoer gevaarlijke stoffen

Het beoogde woonhuis ligt op grote afstand van verschillende transportroutes van gevaarlijke stoffen (spoor, weg en water). Daarnaast worden op grote afstand van het plangebied gevaarlijke stoffen vervoerd door buisleidingen.

Rijksweg 58

De ontwikkeling bevindt zich op ongeveer 3.100 meter van de A58, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Voor het betreffende tracé geldt een plasbrandaandachtsgebied (PAG) dat tot maximaal 30 meter reikt vanaf de buitenste rijlijn. Het plangebied is daarmee niet gelegen binnen het PAG. Het plangebied ligt verder buiten de PR 10-6 contour (0 meter) en buiten het invloedsgebied (1500 meter, Advieskader Omgevingsveiligheid van de Veiligheidsregio Zeeland). Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is niet nodig.

Spoortraject Roosendaal - Sloehaven

Het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor gebeurt op circa 2.600 meter. Voor het tracé geldt geen PAG. Het plangebied ligt verder buiten de PR 10-6 contour (0 meter) en het invloedsgebied (1500 meter, Advieskader Omgevingsveiligheid van de Veiligheidsregio Zeeland). Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is niet nodig.

Westerschelde en het kanaal door Zuid-Beveland

Het plangebied ligt op voldoende afstand en buiten de invloedsgebieden van de Westerschelde en het kanaal door Zuid-Beveland. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is niet nodig.

Buisleidingen

Ten zuiden van het plangebied liggen een aantal buisleidingen met gevaarlijke stoffen in een buisleidingenstrook. De afstand tot deze buisleidingen is voldoende groot waardoor het plangebied ruim buiten de invloedsgebieden en PR 10-6 contouren ligt.

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid

Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van en incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Hogeweg. Vanuit deze weg kan in verschillende richtingen van een bron worden weggevlucht. Ook is de locatie bereikbaar voor hulpdiensten.

Zelfredzaamheid

In de toekomstige situatie zal het plangebied bestaan uit een vrijstaande woning. De aanwezige personen zullen over het algemeen zelfredzaam zijn. Aanwezige kinderen en ouderen worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de ouders/verzorgers de kinderen en ouderen kunnen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid.

4.8.3 Conclusie

Het plangebied ligt niet binnen een invloedsgebied van een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Vanwege de geringe omvang van de beoogde ontwikkeling zal het groepsrisico niet aanzienlijk toenemen. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Op 30 november is de veiligheidsregio akkoord gegaan met het ontwerpbestemmingsplan. Het aspect externe veiligheid vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9 Water

4.9.1 Wettelijk kader

In het plangebied behartigt Waterschap Scheldestromen de belangen voor een goede waterstaatkundige verzorging van het beheergebied en de daaraan toegevoegde taken van wegbeheer en rioolwaterzuivering. Het beleid van het Waterschap Scheldestromen is vastgelegd in de Keur watersysteem waterschap Scheldestromen (2011).

Het watertoetsproces is voor het waterschap een belangrijk instrument in de planfase van een ruimtelijk plan. In dit proces kan in een vroeg stadium worden gezocht naar een optimale situatie voor de waterhuishouding. Het Waterschap Scheldestromen kent een brede watertoets. Dit houdt in dat in het watertoetsproces alle voor het waterschap relevante elementen worden onderzocht. Deze elementen zijn gebundeld in een aanmeldformulier voor het watertoetsproces.

4.9.2 Toetsing

Ten behoeve van het bestemmingsplan is het aanmeldformulier van het waterschap voor de watertoets ingevuld (zie Bijlage 3). Dit aanmeldformulier wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg ter beoordeling voorgelegd aan het waterschap. Op 5 december 2023 is het waterschap akkoord gegaan met het ontwerpbestemmingsplan.

4.9.3 Conclusie

Uit het aanmeldformulier blijkt dat er geen belangrijke aandachtspunten voor de waterhuishouding zijn.

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

5.1 Bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van een vrijstaande woning mogelijk. Het bestemmingsplan bestaat uit de enkelbestemming 'Wonen' en 'Tuin'. Verder wordt een dubbelbestemming 'Waarde Archeologie - 2' toegevoegd. Binnen de bestemming wonen wordt een bouwvlak toegevoegd. Ter plaatse van dit bouwvlak gelden de maatvoeringsaanduidingen: 'maximum goothoogte 4m', 'maximum bouwhoogte 8m' en 'maximum aantal wooneenheden - 1'. Ter plaatse van het bouwvlak geldt de bouwaanduiding 'vrijstaand'. Ter plaatse van de woonbestemming geldt de functieaanduiding ''specifieke vorm van wonen - levensloopbestendig' en binnen de bestemming 'Tuin' bevindt zich een gedeelte met de functieaanduiding 'parkeerterrein'. De bestemming 'Tuin' dient niet beschouwd te worden als erf. Vergunningvrij bouwen is zodoende uitgesloten voor de toekomst.

5.2 Regels

Bij het opstellen van de regels is in beginsel het basisplan, het bestemmingsplan 'Yerseke', aangehouden. Daarbij zijn enkele wijzigingen aangebracht zoals het enkel toestaan van aan-uit en bijgebouwen binnen het bouwvlak.

5.3 Anti-dubbeltelregeling en overgangsrecht

Verder dienen volgens paragraaf 3.2 van het Besluit ruimtelijke ordening standaardregels in bestemmingsplannen te worden opgenomen. Om deze reden zijn ook een anti-dubbeltelregel en het overgangsrecht opgenomen.

Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Wet Ruimtelijke ordening. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. Hiermee zijn de kosten anderszins verzekerd, zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2a van de Wet ruimtelijke ordening.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Inspraakprocedure

Op grond van de Inspraakverordening van de gemeente Reimerswaal heeft het voorontwerpbestemmingsplan van 31 augustus 2023 tot en met 27 september 2023 voor iedereen ter inzage gelegen. In deze periode hebben ingezetenen van Reimerwaal en belanghebbenden de gelegenheid gehad om een inspraakreactie in te dienen. Er zijn 7 inspraakreacties kenbaar gemaakt en deze zijn samengevat en beantwoord in de 'Nota inspraak en overleg" (bijlage 5). Daarnaast is het voorontwerpbestemmingsplan op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening voor vooroverleg toegezonden aan de provincie, het waterschap en de veiligheidsregio. De ingekomen overlegreacties zijn samengevat en beantwoord inde "Nota inspraak en overleg" (bijlage 5).

6.2.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 30 november 2023 zes weken ter inzage gelegen op het stadskantoor en was digitaal beschikbaar via de landelijke database www.ruimtelijkeplannen.nl. De bekendmaking vond plaats door publicatie in het Gemeenteblad en het lokale huis aan huisblad. Een ieder is in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan 'Hogeweg 1, Yerseke'. In totaal zijn er 4 zienswijzen ingekomen. De ingediende zienswijzen zijn samengevat en van een reactie voorzien in de 'Nota van Zienswijzen', die als bijlage bij de toelichting van dit bestemmingsplan is gevoegd. In deze Nota staan ook de doorgevoerde ambtelijke wijzigingen benoemd.

6.2.3 Beroep

Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad een besluit nemen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. De vaststelling van het bestemmingsplan moet vervolgens op de in artikel 3.8, derde lid van de Wro voorgeschreven wijze bekend worden gemaakt. Belanghebbenden kunnen binnen de wettelijke beroepstermijn tegen het besluit tot vaststellen van het bestemmingsplan beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.