direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Herontwikkeling kerklocatie Bathseweg, Rilland
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0703.05RiBPBathsewegk-va01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Algemeen

De Bathsewegkerk is een iconisch gebouw voor Rilland. Het gebouw staat echter al jaren leeg. Daarom wordt, na ruim twee decennia leegstand, de kerk gesloopt. De initiatiefnemer heeft de wens om op de vrijkomende locatie negen appartementen met berging te realiseren. De kenmerkende toren, welke aan de meest noordwestelijke zijde van het gebouw is gesitueerd, blijft behouden en wordt verkocht aan de gemeente.


Om de negen appartementen te realiseren is aanpassing van het bestemmingsplan nodig. Dit voorliggend bestemmingsplan voorziet in het planologisch mogelijk maken van de woningbouw.

1.2 Plangebied

Het plangebied ligt in het oosten van de kern Rilland. Het gebied wordt begrensd door de Bathseweg aan de noordzijde, de Burgemeester Jobselaan aan de oost- en zuidzijde en de Valckenisseweg aan de westzijde. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Reimerswaal, sectie R, nummer 250 en 1577 (gedeeltelijk). Ten noorden van het plangebied is één woning aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.05RiBPBathsewegk-va01_0001.png"  afbeelding "i_NL.IMRO.0703.05RiBPBathsewegk-va01_0002.png"

Afbeelding 1 | Luchtfoto met plangrens (bron: google.nl, bewerking: Juust)

1.3 Geldend bestemmingsplan

Het ontwikkelen van woningbouw op de betreffende locatie past niet binnen de huidige bestemmingen 'Maatschappelijk' en 'Groen'.

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Rilland' van de gemeente Reimerswaal (afbeelding 2) Dit bestemmingsplan is op 23 september 2014 door de gemeenteraad vastgesteld. De gronden met de bestemming 'Maatschappelijk' zijn bedoeld voor bejaardenzorg met bijbehorende bewoning, culturele voorzieningen, dienstverlening van overheidswege, godsdienstuitoefening, onderwijs, sociale voorzieningen, volksgezondheid en daarmee gelijk te stellen instellingen. Tevens voor het uitoefenen van openbaar bestuur en bij de bovenstaande functies behorende voorzieningen zoals: groen, water, nuts-, parkeer- en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Binnen het bouwvlak mag worden gebouwd tot een goothoogte van 6 meter en bouwhoogte 10 meter. Ter plaatse van de toren geldt een maatvoeringsaanduiding waarbij de maximum goothoogte 14 meter is en de maximale bouwhoogte op 17 meter ligt.

Buiten het bouwvlak zijn bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde toegestaan. Fietsenstallingen met een maximale bouwhoogte van 2 meter zijn wel toegestaan.

Het oostelijk gedeelte van het plangebied is bestemd als 'Groen'. Deze gronden zijn bestemd voor beplantingen, speelvoorzieningen, waterpartijen en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterhuishoudkundige voorzieningen en bij deze bestemming behorende voorzieningen. Bouwen buiten het bouwvlak is enkel toegestaan voor bruggen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' geldt voor het gehele gebied. Deze bestemming zorgt voor het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en aanwezige vindplaatsen. Op deze gronden mag enkel zonder archeologisch onderzoek worden gebouwd indien het bouwplan voorziet in een verstoring van maximaal 40 cm onder het maaiveld over een oppervlak minder dan 250 m². De gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' ligt over het gehele plangebied en zorgt voor de waarborging van de vrije windvang van de verderop gelegen molen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.05RiBPBathsewegk-va01_0003.png"

Afbeelding 2 | Uitsnede geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl, bewerking: Juust)

Ook geldt ter plaatse het bestemmingsplan 'Parapluherziening Kernen en Bedrijventerreinen' van de gemeente Reimerswaal. Dit bestemmingsplan is op 27 juni 2017 vastgesteld. In dit plan is een parkeerregeling opgenomen geldend voor de kernen en bedrijventerreinen in de gemeente Reimerswaal. Ook zijn in deze herziening enkele verbeteringen aangebracht met betrekking tot de wijzigingsbevoegdheid van 'Bedrijf, Detailhandel, Horeca, Kantoor en Maatschappelijk' in de bestemming 'Wonen', de regeling voor de overschrijding van bestemmingsgrenzen en het bouwvlak, de regeling voor archeologie, de bouwregels voor hoofdgebouwen binnen de bestemming 'Wonen'.

1.4 Doel

Het doel van dit bestemmingsplan is de realisatie van negen appartementen met berging planologisch mogelijk te maken. Het vaststellen van dit bestemmingsplan vormt de basis om met één of meer omgevingsvergunningen de uitvoering van het plan mogelijk te maken.

1.5 Leeswijzer

Dit bestemmingsplan bestaat uit deze toelichting, regels en een verbeelding. Deze toelichting bestaat naast dit inleidende hoofdstuk uit vijf hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt het project toegelicht. Hoofdstuk 3 beschrijft het geldende beleidskader. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 de verschillende milieuaspecten beoordeeld. In hoofdstuk 5 zijn de juridische aspecten toegelicht en tot slot wordt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 6 beschreven.

Hoofdstuk 2 Het project

2.1 Huidige situatie

Op de planlocatie staat momenteel de Bathsewegkerk. Het gebouw is nog niet gesloopt en wordt sporadisch gebruikt om kleinschalige bijeenkomsten te houden. Door de jarenlange leegstand en achterstallig onderhoud is opknappen van de kerk geen optie. Met name de toren is kenmerkend voor het dorp. De kerktoren dient - wil deze behouden blijven - grondig gerestaureerd te worden. De toren mag niet betreden worden. De klok op de toren functioneert nog. Het terrein rondom de kerk bestaat momenteel uit gras met aan de randen verwilderde struiken en enkele bomen. Een smalle oprit zorgt voor de toegang naar de kerk. De oostzijde van het plangebied bestaat uit een grote groenstrook met enkele grote bomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.05RiBPBathsewegk-va01_0004.png"

Afbeelding 3 | Huidige situatie plangebied (bron: Streetsmart.nl)

De kerktoren is onderdeel van de sinds 1928 bestaande kerk en is een beeldbepalend object binnen Rilland. Door de inwoners van de kern is meermaals uitgesproken dat het behouden van de toren met de luidklok en uurwerk gewenst is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.05RiBPBathsewegk-va01_0005.png"
Afbeelding 4 | Kenmerkende toren (bron: Juust)

2.2 Toekomstige situatie

De kerk wordt gesloopt waarbij de toren behouden blijft. De gemeente koopt de toren van de initiatiefnemer en zorgt nadat de initiatiefnemer dit heeft opgeknapt voor het onderhoud (turn key levering). Op het noordoostelijke deel van het perceel wordt een complex voor negen appartementen gebouwd. De huidige (oostelijke) groenstrook verdwijnt en aan de westelijke zijde wordt een nieuwe groenstrook aangelegd. Verder wordt voorzien in 12 parkeerplaatsen op eigen terrein (3 aan de voorzijde, 9 aan de achterzijde). Op afbeelding 5 is een impressie van de nieuwe situatie te zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.05RiBPBathsewegk-va01_0006.png"

Afbeelding 5 | Impressie toekomstige situatie plangebied (bron: Architecten Alliantie)

De gemeente is voornemens om rondom het plangebied de openbare ruimte aan te passen. De bedoeling is om een aaneengesloten groen dorpshart te creëren waar men kan ontspannen en waar kinderen kunnen spelen. In dat kader is door Bosch Slabbers een inrichtingsschets gemaakt, waarin ook de buitenruimte van de planlocatie is meegenomen. De inrichtingsschets is bijgevoegd Bijlage 1).

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte vastgesteld (SVIR). Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Hiernaar wordt gestreefd middels een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt.

Belangrijk thema in deze structuurvisie is de ladder voor duurzame verstedelijking. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. De ladder is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en luidt als volgt:

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
In welke gevallen er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is niet concreet vastgelegd.

Jurisprudentie geeft op het gebied van woningbouw wel een constante lijn aan. Daarbij geldt dat bouwplannen met minder dan 11 woningen niet worden aangewezen als stedelijke ontwikkeling. In dit geval is sprake van de ontwikkeling van 9 woningen. Deze ontwikkeling is niet aan te merken als nieuwe stedelijke ontwikkeling waardoor een toetsing aan de ladder derhalve achterwege kan blijven. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet uiteraard wel worden verantwoord dat dit aantal woningen op deze plaats passend is. Zie verder onder 3.3.

Voor het overige zijn geen regels opgenomen die specifiek op deze situatie van toepassing zijn. Het project is lokaal en kleinschalig. Het rijksbeleid verzet zich niet tegen de ontwikkeling.

Ontwerp Nationale Omgevingsvisie

Het Rijk werkt aan een nationale omgevingsvisie. Deze visie is als ontwerp beschikbaar, maar nog niet vastgesteld. De nationale omgevingsvisie (NOVI) bevat de hoofdzaken voor het beleid fysieke leefomgeving. Al het strategische beleid uit bestaande beleidsdocumenten én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving wordt opgenomen in de NOVI. Met de NOVI geeft het rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving van Nederland. Het rijk zet daarmee de koers uit om de kwaliteit van de leefomgeving te behouden en zoveel mogelijk te versterken.

Op dit moment zijn er verschillende visies voor verschillende opgaven en onderdelen van de fysieke leefomgeving, het beeld van het rijksbeleid is hierdoor versnipperd geraakt en daarom is het beleid en de uitvoering soms niet goed op elkaar afgestemd. De NOVI kijkt overkoepelend naar de verschillende opgaven en onderdelen van de fysieke leefomgeving en brengt ze met elkaar in verband.

De NOVI zal zo'n 80 bestaande sectorale visies en beleidsplannen van het rijk voor de fysieke leefomgeving vervangen. De NOVI zal geen optelsom van beleidsvisies worden, maar een integrale visie van het rijk op verschillende terreinen van de fysieke omgeving. De NOVI vervangt in ieder geval: het Milieubeleidsplan, de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, het Verkeer- en Vervoerplan en het Natuurbeleidsplan.

De NOVI gebruikt drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal
  • Afwentelen wordt voorkomen

De belangen op nationaal niveau worden bekend gemaakt in de NOVI, op basis van inrichtingsprincipes worden belangen afgewogen en vervolgens moeten er integrale strategische keuzes worden gemaakt.

De NOVI heeft 4 prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijke gebied.

Het plan is kleinschalig van aard, maar sluit aan bij de volgende nationale belangen:

  • Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving ;
  • Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving;
  • Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften.

Het plan, waarbij oude in onbruik geraakte bebouwing wordt vervangen voor nieuwbouw met woningen waaraan behoefte is, past binnen de ontwerp-NOVI.

3.2 Provinciaal beleid

Omgevingsplan Zeeland 2018
Op 21 september 2018 heeft het college van Gedeputeerde Staten het Omgevingsplan 2018 vastgesteld. Het Omgevingsplan geeft de provinciale visie en provinciale belangen op Zeeland weer, waar de Provincie Zeeland een (groot) belang aan hecht. Alle hoofdlijnen voor de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. Zowel op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling, maar ook economie, mobiliteit, natuur, cultuur, water en milieu. Binnen bestaand bebouwd gebied heeft de gemeente grote vrijheid bij de regie van ruimtelijke ontwikkelingen. In de woningmarkt is er steeds meer vraag naar stedelijk wonen. Door aanvullende woningbouw te concentreren in stedelijk gebied wordt gebouwd waar de markt om vraagt en wordt draagvlak voor voorzieningen in de directe omgeving behouden. Het plan past binnen het provinciaal beleid.

Het regionale schaalniveau wordt steeds belangrijker. Het stedelijk gebied en de omliggende dorpen en regio functioneren feitelijk als één geheel. Dit leidt tot verschillende opgaven. In de relatie tussen de stedelijke kernen en het ommeland is er behoefte aan een stedenbeleid om het voorzieningenniveau van Zeeland zowel in kwaliteit als in bereikbaarheid op peil te houden. De invulling van de regionale woningmarktprogrammering kan inspelen op het verschil in voorzieningenniveau en ontwikkelingsbehoefte van kernen. Naast het realiseren van woningen in het stedelijk gebied, blijft het nodig om woningbouw in dorpen te faciliteren. Hier ligt de opgave primair bij herstructurering, inbreiding binnen de bestaande kern en vervangende nieuwbouw. Als dit noodzakelijk is, behoort maatwerk door een beperkte uitbreiding tot de mogelijkheden. De woningmarktafspraken in de regio bieden hiervoor het kader (zie paragraaf 3.3).

De ontwikkeling zoals in dit plan opgenomen past binnen het beleid van de provincie Zeeland. Er wordt gebouwd binnen het bestaand bebouwd gebied binnen de dorpskern door middel van verdichting. Door deze inbreiding wordt er ingespeeld op de doorstroming op de woningmarkt binnen de dorpskern.

Landschap en erfgoed dragen in belangrijke mate bij aan de identiteit en de belevingswaarde van Zeeland. De identiteit en diversiteit van natuur- en cultuurhistorische waarden worden behouden en versterkt. De kerk aan de Bathseweg is formeel niet aangewezen als monument, maar heeft voor het dorp veel historische waarde en betekenis. Herkenbaarheid en identiteit gelden in het Zeeuwse beleid als belangrijke uitgangspunten. Er wordt daarom ingezet op behoud, versterken en het benutten van de meeste kenmerkende kwaliteiten en waarden. Behoud van de kerktoren draagt bij aan het provinciaal beleidsdoel.

Omgevingsverordening Zeeland 2018

De Omgevingsverordening Zeeland 2018 gaat net als het Omgevingsplan ook over de fysieke leefomgeving van de provincie. Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen is vooral hoofdstuk 2 welke gaat over het ruimtelijk domein van belang. Er zijn in de omgevingsverordening geen specifieke regels opgenomen die dit plan raken.

Provinciaal beleid staat de vaststelling van het plan niet in de weg.

3.3 Regionaal beleid

In de woningmarktafspraken 'Agenda Wonen in de Bevelanden 2025' zijn afspraken gemaakt over het toevoegen van woningen aan de woningvoorraad. In het jaar 2020 worden deze afspraken geactualiseerd. Afgesproken is dat nieuwbouw van woningen bijdraagt aan kwalitatieve beleidsdoelstellingen van deze afspraken en deze passen binnen de bandbreedtes van de verwachte huishoudensprognose. Er is ladderruimte aanwezig voor het toevoegen van nieuwbouw en de woningen zijn opgenomen in de woningbouwprogrammering.

De voorgenomen ontwikkeling valt binnen de zogenaamde kansrijke productcombinatie: ruime, levensloopbestendige appartementen in een landelijk woonmilieu. Het plan sluit aan bij het regionale beleid.

3.4 Gemeentelijk beleid

In de 'Structuurvisie kernen en bedrijventerreinen' van de gemeente Reimerswaal welke is vastgesteld op 29 mei 2012, zijn de uitgangspunten voor het ruimtelijk beleid opgenomen. Het is de kapstok voor bestaand en nieuw gemeentelijk beleid. Het integrale beleid uit deze visie vormt de basis voor sectoraal beleid dat wordt uitgewerkt in woonbeleid etcetera. Goede initiatieven worden met open armen ontvangen, maar moeten integraal passen binnen de ruimtelijke component. De visie biedt afwegingskaders voor initiatieven op het gebied van wonen, werken en welzijn. Tevens gaat de strategie in op daadwerkelijke uitvoering van initiatieven.

Rilland is een levendige kern. De leefbaarheid is goed en de sociale samenhang is hoog. Mede door het gevarieerde woningaanbod en gunstige ligging ten opzichte van diverse steden in Zeeland, Brabant, Zuid-Holland en België, weten forenzen Rilland goed te vinden. De visie is gericht op behoud van de kwaliteit van de kern. De locatie van de Bathsewegkerk is aangewezen als transformatie-locatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.05RiBPBathsewegk-va01_0007.png"

Afbeelding 7 | visie op Rilland (bron: Structuurvisie kernen en bedrijventerreinen, 2012)

Uit de woningbehoefteraming tot 2030 blijkt dat Rilland op lange termijn behoefte heeft aan meer woningen dan dat er nu staan gepland. In de huidige woningvoorraad zijn te weinig woningen aanwezig voor ouderen. Het levensloopbestendig, modern en duurzaam maken van woningen vraagt daarom aandacht.

De voorgenomen ontwikkeling in dit bestemmingsplan sluit aan bij de vraag naar woningen voor ouderen en sluit daarmee aan op het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Kwaliteit van de leefomgeving

4.1 Inleiding

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien deze beleidsvelden dan ook naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling wordt dan ook onderzocht welke milieuaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. Het is van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie
In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. In juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe Nederland omgaat met roerend cultureel erfgoed, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe Nederland daar toezicht op houdt.
Voor het plangebied geldt de archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Hiervoor geldt dat er geen archeologisch onderzoek nodig is wanneer de bodemingrepen een kleinere oppervlakte beslaan dan 250 m2 en niet dieper reiken dan 40 centimeter. Indien er sprake is van vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik gemaakt wordt van de bestaande fundering, is een archeologisch onderzoek niet benodigd. Het bouwplan voorziet in een verstoring van een oppervlak van circa 350m² waarbij de bodem tot 1 meter onder het maaiveld wordt ontgraven.

Transect heeft een archeologisch onderzoek (Bijlage 2, rapportage 24 september 2020) uitgevoerd. Er is een lage verwachting op het aantreffen van intacte archeologische waarden vastgesteld binnen een diepte van 4 meter onder het maaiveld. Het is onwaarschijnlijk dat eventuele archeologische waarden worden verstoord door de voorgenomen ontwikkeling.

Wat betreft de staat van de pleistocene ondergrond is het advies om na te gaan of het palenplan voor de fundering zodanig kan worden ingericht zodat er geen sprake zal zijn van buitensporige verstoring van de pleistocene ondergrond (Handreiking Archeologievriendelijk Bouwen, Roorda e.a., 2016). Dit advies zal worden meegenomen richting de uitvoering.

Het uitgevoerde onderzoek is getoetst door Oosterschelderegio Archeologisch Samenwerkingsverband (OAS). Op basis van het advies van OAS (Bijlage 3) wordt de dubbelbestemming 'Waarde - archeologie 2' gehandhaafd, maar de vrijstellingsdiepte wordt bijgesteld naar 4 meter onder het maaiveld in plaats van 40 centimeter onder het maaiveld. Vervolgonderzoek voor dit initiatief is niet nodig.

Indien er tijdens de uitvoering onverhoopt toch archeologische waarden worden aangetroffen, dient in het kader van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 direct melding te worden gedaan bij het bevoegd gezag (Gemeente Reimerswaal) en Erfgoed Zeeland.

Cultuurhistorie
Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het wettelijk verplicht om in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden of monumenten rekening is gehouden.

Molenbiotoop

De planlocatie is gelegen binnen de molenbiotoop van 'De Witte Molen'. Een molenbiotoop beschermt de vrije windvang van de molen. De molenbiotoop wordt opgenomen in het bestemmingsplan.

De afstand tussen de molen en het bouwvlak is circa 308 meter. Binnen een afstand van 100 tot 400 meter van de molen, mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 1/100 van die afstand tussen het bouwwerk en de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek. Er is sprake van een stellingmolen, de hoogte van de stelling is 4,2 meter. De onderste punt van de wiek ligt derhalve nog hoger. Indien we uitgaan van 4,5 meter dan mag het gebouw ca. 7,5 meter hoog worden. Het bouwplan voorziet in een bouwhoogte van 10 meter. Hierover is advies gevraagd aan vereniging 'De Hollandsche Molen'. Deze vereniging heeft ingestemd met het nieuwbouwplan.

Ten opzichte van de huidige situatie, waarbij sprake is van een kerkgebouw van zeker 10 meter hoog, wordt het vervangende appartementencomplex niet hoger opgericht. Het windbelemmerende oppervlak van het appartementencomplex is wel iets groter dan het huidige kerkgebouw, omdat het ten opzichte van de molen breder is. Echter, tussen de molen en de kerklocatie in, bevindt zich de dorpsbebouwing van Rilland. Dat betekent dat er sprake is van een tussenliggend terrein met vele obstakels die gezamenlijk voor een verminderde windvang zorgen. Daardoor is het effect van de herontwikkeling van de kerklocatie erg gering. De grote afstand, alsmede de aanwezigheid van de tussenliggende bebouwing en het feit dat het beoogde appartementencomplex niet significant hoger wordt opgetrokken dan het huidige aanwezige kerkgebouw, maakt dat er in de praktijk geen sprake is van nadelige effecten op de windvang, noch is de cultuurhistorische waarde van de molen in het geding.

Het realiseren van de nieuwbouw wordt op grond van artikel 13.1.2 daarom rechtstreeks toegestaan.

Karakteristieke bebouwing

Verder wordt, zoals aangegeven in hoofdstuk 2, de karakteristieke kerktoren behouden. Het is niet mogelijk gebleken om ook de kerk zelf te behouden.

Voor de Bathsewegkerk in Rilland is de realiteit dat het gebouw reeds in 1999 de functie als kerk heeft verloren. Het kerkgebouw heeft ernstige constructieve problemen. De zuidgevel is verzakt en is geheel losgescheurd van de rest van het gebouw. Omdat het destijds financieel niet haalbaar was om deze gebreken te herstellen is de kerk gesloten en verkocht. Inmiddels, na twee decennia leegstand, heeft de tand des tijds het kerkgebouw zodanig aangetast dat alleen volledige renovatie (wat neerkomt op herbouw) het gebouw nog zou kunnen redden. In de periode na de sluiting van de kerk zijn er door diverse ontwikkelaars plannen gemaakt voor herontwikkeling van de locatie van de Bathsewegkerk. Hierbij is ook serieus gekeken naar de mogelijkheden om het kerkgebouw te behouden. De mogelijkheden voor transformatie van een gebouw zijn van veel factoren afhankelijk. Ten aanzien van de Bathsewegkerk is in de loop der jaren duidelijk geworden dat het behoud van het volledige kerkgebouw geen haalbare optie is. De bouwkundige staat van het kerkgebouw is dusdanig slecht dat een complete renovatie voor de eigenaar financieel niet op te brengen is. Zowel bij de gemeente Reimerswaal als bij de provincie Zeeland zijn door de huidige eigenaar verzoeken ingediend voor het verkrijgen van subsidie voor herstel en instandhouding van het kerkgebouw. Mede omdat het kerkgebouw geen monumentale status (rijks- of gemeentelijk monument) heeft en ook een aanwijzing daartoe niet aan de orde was, zijn deze verzoeken afgewezen. Ook regels omtrent het verstrekken van staatssteun vormden hierbij een obstakel. Naast dit financiële aspect is ook het vinden van een realistische nieuwe gebruiksfunctie voor een te behouden kerkgebouw onhaalbaar gebleken. Het opknappen van een gebouw is namelijk niet zinvol als er geen gebruiksdoel voor het gebouw is. In een dorp met de omvang van Rilland liggen de alternatieve gebruiksfuncties voor een dergelijk gebouw niet voor het oprapen. Voor maatschappelijke functies (die passen binnen de huidige bestemming) zijn geen haalbare plannen in beeld geweest. Plannen voor woningbouw binnen de muren van het bestaande kerkgebouw stuiten op planologische obstakels. Om in het kerkgebouw woningen te kunnen realiseren, zou de maatschappelijke bestemming moeten worden veranderd naar een woonbestemming. Door de milieu-uitstraling van het naastgelegen agrarisch bedrijf is het echter niet mogelijk om woningen op deze locatie te ontwikkelen. Om deze reden is in het bouwplan dat dit bestemmingsplan mogelijk moet maken het appartementengebouw zoveel mogelijk in oostelijke richting gesitueerd en zijn op de locatie van het huidige kerkgebouw uitsluitend de entree en bergingen bij deze woningen voorzien.

Om het aanzicht van de locatie voor het dorp Rilland zoveel mogelijk te behouden, is ervoor gekozen om de kerktoren als landmark te laten staan. Ook de noord- en westgevel van het kerkgebouw blijven tot een hoogte van 4 meter behouden. Deze muren (inclusief de onderste raampartij) worden in het nieuwe pand gebruikt als gevel van de entree en de bergingen en dienen tevens als ondersteuning van de toren. De gemeente Reimerswaal neemt daarbij de toren over van de ontwikkelaar, waarmee de kosten voor restauratie kunnen worden gedekt. Daarmee is het voorliggende bouwplan het hoogst haalbare gebleken om recht te doen aan de historie van deze locatie. Met deze oplossing blijft een gedeelte van het kerkgebouw behouden voor het dorp en krijgt de locatie van de Bathsewegkerk na vele jaren eindelijk een nieuwe toekomst.

4.3 Bedrijven en milieuzonering

Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die planologisch mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving.

Op een afstand van circa 50 meter is een centrumbestemming met bouwvlak aanwezig. Volgens de geldende regels zijn hier bedrijven binnen categorie A en B1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten mogelijk. Dit betreffen bedrijven met een zeer beperkte milieu-uitstraling. De richtafstand die hier conform de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' bij hoort is 30 meter in een rustige woonwijk. Aan deze afstand wordt voldaan.

Op een afstand van circa 15 meter vanaf de woonbestemming is een agrarisch bedrijf (veehouderij) gevestigd. De afstand tot het bouwvlak voor de appartementen bedraagt 30 meter. In het gebied tussen het bouwvlak en de bestemmingsgrens zijn bergingen en parkeervoorzieningen voorzien. Deze gronden zijn niet bedoeld voor langdurig verblijf.

De richtafstand die hoort bij een rundveehouderij bedraagt in beginsel 100 meter in een rustig woongebied. Maatgevend is het aspect geur. Voor de aspecten geluid en stof geldt een afstand van 30 meter. Op die onderdelen wordt voldaan. Naar de geurbelasting is nader onderzoek gedaan. Dit is beschreven in paragraaf 4.7. Daaruit blijkt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe appartementen.

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan.

4.4 Bodem

Om het risico uit te sluiten, dat mensen gezondheidsproblemen krijgen als gevolg van een langdurig verblijf op verontreinigde grond, dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie.

Door Moerdijk Bodemsanering B.V. is een bodemonderzoek uitgevoerd ( Bijlage 4, rapportage 28 augustus 2020). Hieruit is gebleken dat er in de bovengrond sprake is van zeer licht verhoogde gehalten PCB, Lood en PAK. In de ondergrond en in het grondwater zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen. De verhogingen in de grond zijn gering en kunnen als niet significant worden beschouwd. Ten aanzien van asbest zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Er zijn ook geen verhoogde gehalten aan asbest aangetroffen. Nader onderzoek is niet nodig.

4.5 Externe veiligheid

De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen (zoals het gebruik, de opslag, de productie als het transport). Het beleid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met risicobronnen in de omgeving.

Bij het beoordelen van de externe veiligheid is het Advieskader Omgevingsveiligheid van de Veiligheidsregio Zeeland gebruikt.

Inrichtingen

Er zijn in of in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig.

Transportroutes vervoer gevaarlijke stoffen

Voor het transport van gevaarlijke stoffen is met name de Wet vervoer gevaarlijke stoffen relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden waarmee het verplicht is geworden transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd vast te leggen in het bestemmingsplan. Op 1 april 2015 is de Regeling basisnet in werking getreden. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Spoor

Ten noorden van het plangebied ligt, op een afstand van circa 900 meter het spoortraject

Sloehaven-Roosendaal West. Over dit traject worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het traject beschikt niet over een plasbrandaandachtsgebied en heeft een PR10-6 contour van 0 meter. De ontwikkeling ligt wel binnen het invloedsgebied (1.500 meter) van het spoortraject waardoor een beperkte verantwoording van het GR van toepassing is (Bevt, artikel 7).

A58

Op ongeveer 850 meter vanaf het plangebied ligt de snelweg A58. Het betreft het traject A58: afrit 32 (Kruiningen) - Knooppunt Markiezaat (wegvak Ze10). Voor dit tracé geldt een plasbrand-aandachtsgebied (PAG) dat reikt tot maximaal 30 meter vanaf de buitenste rijlijn. Dit gebied reikt daarmee niet tot het plangebied. Het plangebied ligt ook buiten de 10-6 contour (0 meter). De ontwikkeling ligt wel binnen het invloedsgebied (1.500 meter) van de A58 waardoor een beperkte verantwoording van het GR van toepassing is (Bevt, artikel 7).

Westerschelde

Het plangebied ligt op circa 1700 meter van de vaargeul van de Westerschelde en valt daarmee binnen het invloedsgebied van de Westerschelde. Conform de 'Actualisatiestudie 2011 risico's transport gevaarlijke stoffen Westerschelde en prognoses 2015-2030', uitgevoerd door Det Norske Veritas (DNV), is bepaald dat het invloedsgebied van de Westerschelde 2.887 meter is. Volgens het Bevt (zie artikel 7) moet in dat geval worden ingegaan op de gevolgen van het voorgenomen besluit voor de bestrijdbaarheid bij een ramp en de zelfredzaamheid van de bevolking.

Buisleidingen 

Ten oosten en zuiden van het plangebied op ruim 700 meter afstand is een propyleen-leiding van DOW en een hogedruk-aardgasleiding van de Gasunie aanwezig. Het plangebied ligt (ver) buiten de 10-6-contour en het invloedsgebied van beide leidingen waardoor een verantwoording van het GR niet van toepassing is.

Beperkte verantwoording groepsrisico

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid
Het plangebied wordt via twee ontsluitingswegen ontsloten, welke vanaf de omliggende vier straten goed bereikbaar zijn. Aan zowel de voorzijde als achterzijde is ruimte aanwezig voor het opstellen van een blusvoertuig. In de nabijheid is een open water in de vorm van een vijver aanwezig. Bij de nadere uitwerking van het plan zal gewaarborgd worden dat er voldoende bluswatervoorzieningen binnen daarvoor geldende afstanden aanwezig zijn, zodat de brandweer een eventuele escalatie kan voorkomen. Tevens wordt in het bouwplan rekening gehouden met centraal afsluitbare mechanische ventilatie.

 

Zelfredzaamheid
Gelet op het type woningen dat is voorzien mag ervan uitgegaan worden dat de bewoners volledig zelfredzaam zijn. De appartementen zijn bedoeld voor alleenstaanden of koppels zonder inwonende kinderen welke nog prima zelfstandig kunnen wonen.

Dit aspect vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.

4.6 Geluid

Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidhinder bij geluidgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) te voorkomen. De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai.

Een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt.

Het plangebied ligt binnen een 30 km/uur zone. In het kader van de Wet geluidhinder is akoestisch onderzoek niet benodigd. Echter, dient er wel te worden aangetoond dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

Door Kraaij Akoestisch Adviesbureau is daarom een onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege de Bathseweg/Hoofdweg, de Valckenisseweg en de Burgemeester Jobselaan (Bijlage 5, rapportage d.d. 22 juli 2020). Daaruit blijkt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwbouw voor negen appartementen voldoet aan de richtwaarde van 48dB. De geluidbelasting van de genoemde wegen is niet relevant voor het woon- en leefklimaat bij de nieuwbouw. Onderzoek naar aanvullende maatregelen is daarom niet nodig.

De gecumuleerde geluidbelasting vanwege wegverkeer is ten hoogste 52dB (oostzijde nieuwbouw). Het akoestisch woon- en leefklimaat bij de appartementen wordt daarmee volgens de Milieukwaliteitsmaat beoordeeld als 'redelijk' tot 'goed'.

Geconcludeerd kan worden dat er met betrekking tot het aspect geluid sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Gelet op de noodzakelijke geluidwering van 20dB conform het Bouwbesluit is een binnenwaarde van 33dB in de appartementen gewaarborgd en is in een later stadium het uitvoeren van een bouwakoestisch onderzoek niet nodig.

4.7 Geur

In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn normen en afstanden opgenomen waaraan de ligging en geurbelasting van dierenverblijven in het kader van een milieuvergunning worden getoetst. In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de Wgv verder uitgewerkt waarbij normen gelden ter plaatse van, en afstanden gelden tot aan geurgevoelige objecten.

Geurbelasting wordt getoetst en berekend met het verspreidingsmodel V-Stacks Gebied. Dit verspreidingsmodel geldt enkel voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Rgv. Bij dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden.

Er moet worden vastgesteld dat daar waar een gevoelige functie mogelijk wordt gemaakt, er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom geldt, dat bestaande veehouderijen niet onevenredig in hun belangen en bedrijfsvoering mogen worden geschaad door de te ontwikkelen gevoelige functie.

Door de Roever Omgevingsadvies is een geurraport opgesteld (rapportage 23 juli 2020, Bijlage 6). In het onderzoek is uitgegaan van de aanwezigheid van melkvee of zoogkoeien waarvoor geen geuremissiefactor geldt. Voor deze dieren geldt een afstand van 100 meter tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de gevel van een geurgevoelig object. Het plangebied ligt binnen deze afstand. Bestaande geurgevoelige objecten zijn ook binnen deze afstand aanwezig, waardoor het bedrijf in de huidige situatie niet kan uitbreiden in die richting. De appartementen worden ten opzichte van de kerk (die ook geurgevoelig is) op grotere afstand gesitueerd. De veehouderij wordt door het plan niet in haar belang geschaad.

Hoewel de locatie binnen de afstand van 100 meter ligt wil dit niet meteen zeggen dat er een onaanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat zou zijn. In het onderzoek is geconcludeerd dat de ontwikkeling in onderhavige situatie aanvaardbaar is vanwege de volgende redenen:

  • Er zijn bestaande geurgevoelige objecten op kortere afstand van de veehouderij gelegen.
  • Er zijn geen geurklachten bekend, ook niet bij woningen op kortere afstand van de veehouderij.
  • Er is sprake van een beperkt aantal dieren (maximaal 80 runderen) die waarschijnlijk niet in deze aantallen aanwezig zijn (wat ook de afwezigheid van klachten kan verklaren).
  • De berekende voorgrondbelasting van 3,2 odeur/m³ wordt als 'redelijk goed' woon- en verblijfsklimaat omschreven. Dit klimaat kan toenemen als er minder dieren aanwezig zijn. Dit is mogelijk het geval.
  • De berekende voorgrondbelasting van 3,2 odeur/m³ past binnen de bandbreedte die de Wet geurhinder en veehouderij biedt voor het aanpassen van de geurnorm tot maximaal 8,0 odeur/m³. Met die geurnorm kan kennelijk nog altijd sprake zijn van een aanvaardbare situatie.
  • Ten aanzien van de achtergrondbelasting is sprake van een 'goed' woon- en verblijfsklimaat. Uit jurisprudentie blijkt dat de achtergrondbelasting een belangrijke factor is bij de overweging van het woon- en verblijfsklimaat.

4.8 Kabels en leidingen

In het bestemmingsplan worden uitsluitend kabels en leidingen (gas, water, elektra, rioolpersleidingen) opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben, of van belang zijn in het kader van externe veiligheid, beheer of gezondheidsrisico. Voor deze kabels en leidingen geldt een waarborgzone omdat deze wellicht een risico met zich meebrengen. Het gaat hier met name om een verhoogd risico als ze bij werkzaamheden worden geraakt.

In of in de nabijheid van het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en/of leidingen die in het plan moeten worden beschermd. Wel is er in het noorden van het plangebied aan de Bathseweg een rioolpersleiding van het Waterschap aanwezig. Bij de uitvoering wordt rekening gehouden met deze leiding en indien noodzakelijk wordt daarvoor de afstemming met het Waterschap gezocht.

4.9 Luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Als het een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit betreft, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is, is geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig. Beoordeeld moet worden of de ontwikkeling 'Niet In Betekende Mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentraties van diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de buitenlucht.

Als een project tot een toename voor NO2 en PM10 leidt die lager is dan de NIBM grens van 1,2 µg/m3 hoeft het project niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Vanzelfsprekend moet er wel sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening.

In de regeling NIBM is aangegeven, dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen en één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In de voorgenomen ontwikkeling worden negen woningen gerealiseerd. De verkeersgeneratie van een koopappartement - duur segment in de rest bebouwde kom van een niet stedelijk gebied is 7,8 verkeersbewegingen per etmaal. Voor de te realiseren woningen komt dit in totaal neer op 71 verkeersbewegingen per etmaal. Met de NIBM-tool is berekend of nader onderzoek nodig is. De verkeersgeneratie draagt, zoals aangegeven in afbeelding 8 niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is niet nodig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.05RiBPBathsewegk-va01_0008.png"

Afbeelding 8 | Berekening luchtkwaliteit (NIBM-tool)

4.10 M.e.r-beoordeling

In onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt.  Hierbij moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden geldt een m.e.r.-plicht.

In onderdeel D is per activiteit de drempelwaarde benoemd. Als een activiteit voorkomt in onderdeel D en boven de drempelwaarde komt, geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht. Indien er activiteiten plaatsvinden die in onderdeel D zijn opgenomen, maar onder de drempelwaarde blijven, dient er nagegaan te worden of het project grote milieugevolgen heeft. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r..

De hoofdcriteria waaraan getoetst moet worden zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. De grondslag hiervoor is een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

In onderdeel D van het Besluit m.e.r. is de activiteit 'stedelijk ontwikkelingsproject' opgenomen met een drempelwaarde van 100 hectare of meer dan 2.000 woningen. Of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject is mede afhankelijk van de aard en omvang van het project en het gebied waarin de ontwikkeling plaatsvindt. In onderhavig plan is sprake van het wegbestemmen van een kerkgebouw en de toevoeging van negen woningen. Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling en de ligging van de locatie in een bestaand dorpsgebied, wordt deze ontwikkeling niet beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in het Besluit m.e.r.. Evenmin is er sprake van milieueffecten van enige omvang. Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is daarom niet nodig.

4.11 Natuur

De Wet natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. De beschermde flora en fauna mag niet worden verstoord, verjaagd of worden gedood. Voorafgaand aan een ontwikkeling moet worden onderzocht of er beschermde dieren- of plantensoorten in het plangebied leven.

Gebiedsbescherming

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen Natura 2000 gebieden aanwezig. De Ooster- en Westerschelde liggen op een afstand van respectievelijk 3 en 1,5 km. Op een afstand van circa 5 km ligt Natura 2000 gebied Markiezaat. De ontwikkeling is met 9 appartementen kleinschalig van aard. In de huidige situatie is een kerk aanwezig. Met AERIUS-calculator is berekend of er sprake is van enige effecten door stikstofneerslag in Natura 2000-gebieden. Uit het onderzoek (Bijlage 10 Stikstofberekening) blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstof als gevolg van het plan. Er is vanwege dit aspect geen vergunning Wet natuurbescherming nodig.

Soortenbescherming
De gronden rondom de aanwezige bebouwing zijn deels in gebruik als plantsoen en deels in gebruik als randbeplanting van het terrein. Een groot deel van het bestaande groen wordt verwijderd, er wordt ook nieuw groen aangeplant. Bij het rooien van bomen en verwijderen van beplanting wordt zorgvuldig omgegaan met mogelijk aanwezige flora en fauna. Onder andere wordt rekening gehouden met het broedseizoen en vindt vooraf controle plaats indien wel in het broedseizoen zou worden gewerkt.

Verder wordt de bestaande bebouwing gesloopt. Er is een quickscan uitgevoerd om na te gaan of beschermde soorten worden aangetast. Dit onderzoek is uitgevoerd door BTL Advies (Bijlage 8). Voor vogels met jaarrond beschermde nesten, vleermuizen, amfibieën en algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren kan niet zondermeer worden uitgesloten dat negatieve effecten optreden en moeten aanvullende maatregelen worden genomen.

Voor de sloop geldt dat indien algemene grondgebonden zoogdieren of amfibieën worden waargenomen deze een redelijke kans tot vluchten dienen te krijgen of indien inpandig aanwezig dat deze worden gevangen en elders in een geschikt habitat worden terug geplaatst. Voor amfibieën geldt specifiek dat in het geval de werkzaamheden plaatsvinden in de wintermaanden, dat dan een controle plaatsvindt door een ecoloog in de aanwezige kelder op aanwezige individuen. Indien aanwezig, worden deze individuen verplaatst tot buiten de invloedssfeer. Als het gebruik van kunstlicht in de periode maart - oktober noodzakelijk is dan worden de armaturen zodanig afgesteld dat ze alleen licht naar beneden en niet opzij uitstralen.

Door Idverde (voorheen BTL-advies) is naar aanleiding van de eerder uitgevoerde quickscan nader onderzoek uitgevoerd naar huismussen, vleermuizen en gierzwaluwen. Uit dat onderzoek is gebleken dat verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen en gierzwaluwnesten aanwezig zijn. Voor de sloop van de kerk is een ontheffing van de Natuurbeschermingswet nodig. Het aanvullend onderzoek en activiteitenplan dat nodig is voor de ontheffingsaanvraag zijn in één rapportage opgenomen (rapportage 15 januari 2021, Bijlage 9). De ontheffingsaanvraag wordt bij de provincie Zeeland ingediend.

Op het plantsoen is een 60 jaar oude rode beuk aanwezig. Deze wordt in het parkeerterrein geïntegreerd en blijft behouden.

4.12 Verkeer en parkeren

Een goede ontsluiting en voldoende parkeerfaciliteiten zijn belangrijk voor een goed functionerende ontwikkeling. In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de gevolgen van het plan op de verkeerssituatie in de omgeving, de verkeersgeneratie, de ontsluiting en de wijze waarop voldoende parkeergelegenheid in het plan is gewaarborgd.
Ontsluiting van het plangebied vindt plaats zowel via de Burgemeester Jobselaan en de Valckenisseweg richting de Bathseweg/Hoofdweg. Het aantal verkeersbewegingen ligt op basis van de CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' op gemiddeld 7,8 per dag per appartement binnen deze categorie. In totaal levert dit een verkeersgeneratie van (afgerond) 71 verkeersbewegingen per dag op. Er is geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de planologisch toegestane maatschappelijke functies.

 

Volgens de 'Nota parkeernormen gemeente Reimerswaal 2016' geldt voor de nieuwbouw een norm van 2,1 per appartement. Dit komt op een totaal van 9 x 2,1 = 18,9 (19) parkeerplaatsen. Het aandeel bezoekers daarin is 0,3 parkeerplaats per appartement. Het aantal parkeerplaatsen voor bezoekers is 3. Op het eigen terrein wordt voorzien in 12 parkeerplaatsen. Daarom moeten er 7 parkeerplaatsen in de openbare ruimte worden benut.

Beoordeeld is of er in de omgeving voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn. In de Burgemeester Jobselaan kan men langsparkeren, zowel aan de oostzijde van het plangebied, als aan de zuidzijde van het plangebied kan aan 1 zijde van de weg volledig geparkeerd worden. Er zijn ter plaatse geen echte vakken aanwezig. Voor de 4 bestaande woningen aan de Burgemeester Jobselaan zijn maximaal 7,6 (afgerond 8) parkeerplaatsen nodig (2 woningen sociale huur, norm 1,6, 2 koopwoningen 2^1kap, norm 2,2). Een van deze woningen heeft een eigen oprit die gebruikt kan worden als één parkeerplaats. Daarom moeten 6,6 (7) parkeerplaatsen in de openbare ruimte worden benut. In totaal zijn er voor de appartementen en de bestaande woningen dus 14 parkeerplaatsen in de openbare ruimte nodig. Op dit moment zijn er voldoende parkeerplaatsen aanwezig aan de Blauwe Reiger en langs de Burgemeester Jobselaan. De parkeerplaatsen aan de Blauwe Reiger komen na herinrichting te vervallen, maar in de inrichtingstekening (Bijlage 1) is rekening gehouden met de aanleg van voldoende nieuwe parkeerplaatsen.

Geconcludeerd wordt dat er voldoende parkeerplaatsen binnen het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn.

4.13 Water

Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. Beschreven moet worden op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Voorkomen moet worden dat ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc., te voorkomen.

Thema en water(beheer)doelstelling   Uitwerking  
Veiligheid waterkeringen
Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.  
Het plangebied is niet gesitueerd in of nabij een waterkering.  
Voorkomen overlast door oppervlaktewater
Het plan biedt voldoende ruimte voor het
vasthouden, bergen en afvoeren van water.
Waarborgen van voldoende bouwpeil om
overstroming vanuit oppervlaktewater in
maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.  
afbeelding "i_NL.IMRO.0703.05RiBPBathsewegk-va01_0009.png"
In de huidige situatie is het maximum te bebouwen oppervlak 520 m². Het nieuwe plan voorziet in een maximaal bebouwd oppervlak van 930 m². Ten behoeve van parkeerplaatsen zal een extra verhard oppervlak van circa 400 m² worden toegevoegd. In de huidige situatie is ook een verhard toegangspad / enige verharding aanwezig (ca. 100 m²). De totale extra verharding komt daarmee op 710 m². Uitgaande van een benodigde waterberging van 75 mm/m² is er 53,25 m³ compenserende berging nodig.
Binnen het plangebied is geen ruimte voor waterberging opgenomen. Daarom zal door de initiatiefnemer een bedrag worden gestort in het waterbergingsfonds van de gemeente. Dit naar rato van de benodigde compensatie. Hiermee kan de gemeente elders voorzien in watercompensatie.  
Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater
Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen.
Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.  
Hemel- en afvalwater is in de huidige situatie op het gemeentelijk rioolstelsel aangesloten. Voor de afvoer van hemelwater wordt geopteerd om aan te sluiten op de vijver aan de overzijde van de weg langs de Burgemeester Jobselaan. Nader overleg dient plaats te vinden over de exacte uitwerking hiervan.  
Grondwaterkwantiteit en verdroging
Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen
van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en –mogelijkheden.  
Het plan heeft geen gevolgen voor de grondwaterstand of grondwateroverlast.  
Grondwaterkwaliteit
Behoud of realisatie van een goede grondwater- kwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermings- gebieden.  
Het plan heeft geen gevolgen voor de grondwater- kwaliteit. Er worden geen uitlogende materialen gebruikt.  
Oppervlaktewaterkwaliteit
Behoud of realisatie van goede oppervlaktewater- kwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoon- houden, scheiden, zuiveren.  
Aan de overzijde van de straat is een vijver gelegen. Door het aansluiten van schoon regenwater vanuit het plangebied op deze vijver wordt de waterkwaliteit niet verslechterd.  
Volksgezondheid
Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.  
Het plan voorziet niet in nieuw open water. Er is geen gevaar voor de volksgezondheid.  
Bodemdaling
Voorkomen van maatregelen die (extra) maaivelds- dalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken.  
Bodemdaling ontstaat door het onttrekken van grondwater en/of het verhogen van de belastingen op het maaiveld.
In deze ontwikkeling zal geen permanente grondwateronttrekking plaatsvinden waardoor bodemdaling door grondwateronttrekking niet aanwezig is.  
Natte natuur
Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur.  
Dit is niet van toepassing.  
Onderhoud oppervlaktewater
Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden
worden. Rekening houden met obstakelvrije
onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.  
Er is aan de zuidzijde van het plangebied, aan de overzijde van de Burgemeester Jobselaan een vijver gelegen. De planontwikkeling heeft geen gevolgen voor de de mogelijkheden van onderhoud van deze vijver.  
Andere belangen waterbeheer  
Relatie met eigendom waterbeheerder
Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de
werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren.  
De locatie ligt niet in de nabijheid van eigendommen van het waterschap.  
Wegen in beheer bij het waterschap
* in de bouwfase:
Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats over waterschapswegen?



* na realisatie: verkeersaantrekkende wer- king
Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer?


* na realisatie: bereikbaarheid
Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en voetgangers uw plan kunnen bereiken.
Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd?

* na realisatie: parkeren
Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd?

* na realisatie: (ver)bouwen
Bent u voornemens om binnen 20 meter van een waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (zoals een woning of afscheiding (gefundeerd).
 

Voor de sloop en nieuwbouw zullen diverse voertuigen gebruik maken van de openbare wegen. De Valckenisseweg, welke in het verlengde van het plangebied ligt, is een weg in beheer van het Waterschap.

Het plan heeft een beperkte verkeersaantrekkende werking. Zie ook 4.12.



De huidige infrastructuur wijzigt niet. De toegang tot de appartementen vindt plaats aan de voorzijde. Aan zowel de voor- als achterzijde (via de Burgemeester Jobselaan) is een toegang naar de parking. Dit betreffen geen waterschapswegen.

Parkeren vindt plaats op eigen terrein. Bezoekers kunnen in de directe nabijheid van het plangebied parkeren.

Nee  
   

4.14 Conclusie

Omgevingsaspecten zijn onderzocht en vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Planologische medewerking aan het initiatief ligt dan ook in de rede.

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten

5.1 Planuitwerking

In dit nieuwe bestemmingsplan worden de bestemmingen 'Wonen', 'Maatschappelijk', 'Tuin', 'Verkeer' en 'Groen' als hoofdbestemmingen opgenomen, afgestemd op de nieuwe eigendomsgrenzen. Binnen de bestemming 'Wonen' is een bouwvlak opgenomen. In het oostelijke deel is de realisatie van de negen appartementen mogelijk. In het westelijke deel van het bouwvlak zijn geen woningen toegestaan. De functieaanduiding 'bijgebouwen' binnen de bestemming 'Wonen' zorgt ervoor dat een entree en bergingen ten behoeve van de appartementen wel tot stand kunnen komen. De te behouden toren behoudt de bestemming 'Maatschappelijk' en krijgt daarbij de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'. De groenstrook aan de westzijde van het plangebied krijgt een groenbestemming, de gronden aan de voorzijde van het gebouw (zuidzijde) worden bestemd als 'Verkeer'. De begrenzing van de bestemmingen 'Tuin', 'Verkeer' en 'Groen' zijn afgestemd op de nieuwe eigendomsgrenzen. De gebiedsaanduiding' 'vrijwaringszone - molenbiotoop' wordt uit het vigerende bestemmingsplan overgenomen. Naar aanleiding van de uitkomst van het archeologisch onderzoek is een aangepaste dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' opgenomen. Er geldt een specifieke vrijstellingsdiepte van 4,5 meter onder het maaiveld.

De bestemming 'Water' komt niet rechtstreeks op de verbeelding voor. Deze wordt wel in het plan opgenomen omdat binnen de bestemming 'Groen' de mogelijkheid aanwezig is om het plan te wijzigen naar deze bestemming.

5.2 Juridische planbeschrijving

In de Wet ruimtelijke ordening met bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening heeft het bestemmingsplan een belangrijke rol als normstellend instrument voor het ruimtelijk beleid van de gemeente, provincies en het rijk. In de ministeriële 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening' hierna (Rsro) is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (hierna SVBP 2012) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen, die tot doel heeft om te komen tot een geüniformeerde en gestandaardiseerde opzet van bestemmingsplannen in Nederland. Deze methodiek is onverkort gevolgd. Het bestemmingsplan is daarbij tevens digitaal vervaardigd en is daarom ook digitaal raadpleegbaar via internet.

Naast het feit dat de bestemmingen, aanduidingen en weergave van de verbeelding gestandaardiseerd zijn, vloeit de redactie van de regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti dubbeltelbepaling rechtstreeks voort uit het Besluit ruimtelijke ordening. De beleidsmatige inhoud van het bestemmingsplan is niet gestandaardiseerd. De gemeente behoudt haar vrijheid ten aanzien van de inhoud en vormgeving aangaande de toelichting.

Verbeelding
De verbeelding geeft de bestemmingen weer. Binnen de bestemmingsvlakken kunnen bouwvlakken, bouw-, gebieds-, functie-, en maatvoeringsaanduidingen aangegeven worden, waarbinnen een aantal specifieke bouwregels en functies kunnen worden aangegeven. Deze hebben juridische betekenis, omdat daar in de regels naar wordt verwezen. De topografische ondergrond die gebruikt is als basis voor de verbeelding heeft geen juridische status.

Op de verbeelding zijn de hoofdbestemmingen 'Wonen' voor de woningen, achterterrein en bergingen, 'Maatschappelijk' voor de kerktoren, 'Groen' en 'Verkeer' voor de (nieuw aan te leggen) openbare ruimte en het entreegebied en 'Tuin' voor de voortuin opgenomen. Ter plaatse van de te realiseren appartementen, entree, bergingen en kerktoren ligt een bouwvlak met diverse maatvoering en aanduidingen. Binnen het oostelijk gedeelte van het bouwvlak is de maatvoering 'maximum aantal wooneenheden 9' en 'maximum bouwhoogte 10' en bouwaanduiding 'gestapeld' opgenomen. Daar waar de entree en bergingen ten behoeve van de woningen zijn gesitueerd is een functieaanduiding 'bijgebouwen' met een maximum bouwhoogte van 4 meter opgenomen. De toren behoudt de bestemming 'Maatschappelijk' en heeft nog een extra aanduiding 'cultuurhistorische waarden' om het behoud van de toren veilig te stellen. Voor de toren is een maximum goothoogte van 15 meter en maximum bouwhoogte van 30 meter opgenomen, conform de werkelijke situatie.

De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' en de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone- molenbiotoop' worden ook opgenomen op de verbeelding.

Regels

Algemeen

De regels bevatten bepalingen over het gebruik van de gronden, over de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn, conform de wettelijk verplicht gestelde SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken:

- Hoofdstuk 1 Inleidende regels

- Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

- Hoofdstuk 3 Algemene regels

- Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Inleidende regels

Begripsbepalingen en Wijze van meten

De inleidende regels omvatten de begripsbepalingen en de bepalingen omtrent de wijze van meten. De begripsbepalingen geven de definities over de in de regels gehanteerde begrippen met betrekking tot bouwen en functies. De wijze van meten geeft uitsluitsel over de wijze waarop afstanden, hoogtes, oppervlakte etc. moeten worden gemeten.

Bestemmingsregels

Groen
De gronden binnen de bestemming 'Groen' zijn bestemd voor beplantingen, waterpartijen, speelvoorzieningen en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en waterhuishoudkundige voorzieningen en tevens voor bermen, bermsloten en voet- en fietspaden. Binnen deze bestemming is het toegestaan om met inachtneming van bepaalde hoogtes bouwwerken, geen gebouwen zijnde zoals bewegwijzering en straatmeubilair, erf- en terreinafscheidingen, (licht)masten en vrijstaande antennes te realiseren. De bestemming kan worden gewijzigd in andere functies met een openbaar karakter: Water en Verkeer. Hiertoe is een wijzigingsbevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders opgenomen.

Maatschappelijk
De gronden bestemd als 'Maatschappelijk' zijn bedoeld voor het behoud van de karakteristieke kerktoren. Om die reden is er bij de bouwregels een bepaling opgenomen dat bij bouwwerkzaamheden het uitwendig karakter van de toren niet mag worden aangetast. Evenmin mag er gesloopt worden zonder omgevingsvergunning.

De aanduiding 'cultuurhistorische waarden' zorgt ervoor dat het uitwendig karakter van de toren in bestaande toestand blijft behouden. Tevens is ter plaatse van de toren een maximum goot- en bouwhoogte van 15 en 30 meter opgenomen.

Tuin
Gronden met een tuinbestemming zijn bestemd voor al dan niet verharde (voor)tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. Hierbij geldt dat er onder bepaalde voorwaarden bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde zijn toegestaan. 

Verkeer

Deze gronden zijn naast wegen bestemd voor voetpaden, fietspaden, bermen, beplantingen en andere hierbij horende voorzieningen zoals afvalverzamelplaatsen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Bouwen is beperkt tot bouwwerken die bij de verkeersbestemming horen zoals bruggen, duikers en keermuren. De bestemming kan worden gewijzigd in andere functies met een openbaar karakter: Groen en Water. Hiertoe is een wijzigingsbevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders opgenomen.

Water

Deze gronden zijn bestemd voor waterberging, wateraan- en afvoer, waterlopen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Bouwen is beperkt tot bouwwerken die bij deze bestemming horen zoals bruggen, duikers, oeverbeschoeiingen en keermuren. De bestemming kan worden gewijzigd in andere functies met een openbaar karakter: Groen en Verkeer. Hiertoe is een wijzigingsbevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders opgenomen. Deze bestemming is niet rechtstreeks van toepassing in het plan, zoals reeds aangegeven in paragraaf 5.1.

Wonen
De bestemming 'Wonen' laat het wonen in een woning, al dan niet met aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten toe. Ook de bijbehorende voorzieningen zoals erven, parkeervoorzieningen op eigen terrein, toegangs- en achterpaden en tuinen horen hierbij.
Binnen het bouwvlak mogen hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden gerealiseerd met een maximale bouwhoogte ter hoogte van de 9 woningen van 10 meter. De aanduiding 'gestapeld' laat enkel de bouw van gestapelde woningen toe. Binnen de aanduiding bijgebouwen is het toegestaan om bijgebouwen met een maximum hoogte van 4 meter te realiseren.

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen, dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.

Algemene bouwregels
Dit artikel bevat een aantal algemene bepalingen ten aanzien van het overschrijden van de bouwgrenzen van verschillende bij gebouwen horende elementen zoals galerijen, afdaken en erkers. Tevens is een regeling opgenomen die waarborgt dat er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid bij nieuwbouw.

Algemene aanduidingsregels 

In dit artikel zijn regels met betrekking tot de molenbiotoop opgenomen. Aan de standaard bouwregels zoals die normaal gezien in bestemmingsplannen binnen de gemeente Reimerswaal worden opgenomen wordt met het bouwplan niet voldaan. Daarom is er een maatwerkregel opgenomen (13.1.2 onder c) waardoor nieuwbouw rechtstreeks, zonder afwijking, mogelijk is.

Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt overschrijding van bestemmingsgrenzen onder voorwaarden mogelijk gemaakt.

Overgangs- en slotregels
In deze regels is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling opgenomen, welke bepaling zowel de titel van het plan als de regels bevat.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Financiële uitvoerbaarheid

Voor bouwplannen zoals die zijn aangewezen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het uitgangspunt dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt. Van de verplichting een exploitatieplan vast te stellen kan onder andere worden afgeweken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door een anterieure overeenkomst of doordat de verplicht te verhalen kosten zijn verdisconteerd in de grondprijs.

In onderhavig plan is sprake van een bouwplan als bedoeld in eerdergenoemd wetsartikel. Tussen de gemeente en initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. Het vaststellen van een exploitatieplan is derhalve niet nodig.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Procedure inspraak

Het voorontwerpbestemmingsplan 'Herontwikkeling kerklocatie Bathseweg, Rilland' met planidentificatienummer NL.IMRO.0703.05RiBPBathsewegk-vo01 heeft met bijbehorende onderliggende stukken van 22 oktober 2020 tot en met 18 november 2020 ter visie gelegen op grond van de Inspraakverordening Reimerswaal. Tijdens de termijn van terinzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan hebben ingezetenen van Reimerswaal en belanghebbenden de gelegenheid gehad schriftelijk of mondeling inspraakreacties naar voren te brengen. Er zijn binnen de daarvoor gestelde termijn twee inspraakreacties ingediend op de vermelde datum. Bij de beantwoording is aangegeven of, en zo ja op welke wijze het bestemmingsplan naar aanleiding van de inspraakreactie is aangepast.

Inspreker 1 (6 november 2020)

Inspraakreactie

De inspreker geeft in de inspraakreactie het volgende aan:

  • 1. Inspreker heeft bezwaar tegen de wijziging van het bestemmingsplan (van 'maatschappelijk' en 'groen' naar 'wonen') en stelt dat het bouwvlak ongeschikt is voor woningbouw. Een oplossing is aangedragen in de vorm van het afbreken van de kerk, restauratie van de toren en het aanleggen van een tiny forest als park bij de toren.
  • 2. Inspreker maakt bezwaar tegen het heien in de directe omgeving van zijn woning om gevolgschade aan de woning te voorkomen. Enerzijds omdat de woning geen dilatatievoegen heeft en anderzijds omdat de woning niet op heipalen staat. Tevens wordt gevraagd of de gemeente financieel garant staat bij de afwikkeling van eventuele gevolgschade.
  • 3. Inspreker vraagt zich af of het verstandig is om te heien naast een kerktoren die op een betonplaat staat en op de plek van een kerk die verzakkingsverschijnselen vertoont. Tevens vraagt de inspreker of er naast archeologisch bodemonderzoek ook bouwtechnisch bodemonderzoek heeft plaatsgevonden.
  • 4. Inspreker maakt bezwaar tegen het aanpassen van de vrijstellingsdiepte van 40 centimeter naar 4,5 meter en stelt dat er nauwelijks rekening gehouden kan worden met verstoring van de pleistocene ondergrond.
  • 5. Afgevraagd wordt of aangegeven kan worden hoe de situatie in de bodem en het grondwaterpeil verstoord wordt en of gebouwen in de omgeving door de heiwerkzaamheden aangetast worden.
  • 6. Inspreker maakt bezwaar tegen het rooien van 60 jaar oude bomen die, volgens inspreker, nog volledig gezond zijn. Afgevraagd wordt waarom het college vergunning heeft verleend om de kastanjebomen, taxussen en vlierbessen te rooien terwijl nu het voorontwerpbestemmingsplan gepresenteerd wordt, waarin de strook weer de bestemming 'groen' krijgt. Ook wordt gevraagd hoe het verlies aan natuur gecompenseerd gaat worden.
  • 7. Inspreker stelt dat het plan in strijd is met de regelgeving betreffende geurcirkels omdat op een afstand van circa 15 meter vanaf de woonbestemming een agrarisch bedrijf (veehouderij) is gevestigd en de afstand tot het bouwvlak van de appartementen slechts 30 meter bedraagt. Hierdoor wordt niet voldaan aan de richtafstand van 100 meter. Daarnaast wordt aangegeven dat bestaande woningen binnen de 100 meter nu onterecht als rechtvaardiging wordt gebruikt om af te kunnen wijken van de richtafstand.
  • 8. Aangegeven wordt dat de regelgeving betreffende de molenbiotoop een bouwhoogte toelaat van 7,5 meter terwijl het appartementencomplex een bouwhoogte van maximaal 10 meter mag hebben.
  • 9. Inspreker vraagt zich af hoe het voorontwerpbestemmingsplan erin voorziet dat de privacy op het achtererf blijft bestaan.
  • 10. Afgevraagd wordt of er op een later moment nog een zienswijze ingediend kan worden en of het recht op planschade-compensatie verspeeld wordt indien er geen zienswijze ingediend wordt.
  • 11. Afgevraagd wordt of er een andere locatie in Rilland is om 350 m2 grond om te ruilen.

Gemeentelijke reactie

  • 1. Het geldende bestemmingsplan staat bebouwing op de locatie toe tot een goothoogte van 6 meter en een bouwhoogte van 10 meter. In het nieuwe bestemmingsplan wordt het bouwvlak verder van de perceelsgrens gesitueerd dan in de huidige situatie. De nieuwe afstand tussen de perceelsgrens en het hoofdgebouw bedraagt ten minste 10 meter. De bouwhoogte van het hoofdgebouw wordt 10 meter (3 bouwlagen), vergelijkbaar met de maximum bouwhoogtes van grondgebonden woningen in de omgeving, waarbij 2 bouwlagen met kap gerealiseerd kunnen worden. Aan de westzijde van het perceel worden uitsluitend bergingen gerealiseerd, daar is de bouwhoogte maximum 4 meter en dus een stuk lager dan in de huidige situatie. In feitelijke zin zal het perceel in de toekomstige situatie intensiever gebruikt worden dan de afgelopen decennia, echter een intensiever gebruik is ook op basis van het geldende bestemmingsplan al toegestaan. Een zorginstelling of school mag ter plaatse zonder bestemmingswijziging gerealiseerd worden. Gelet op de locatie binnen bestaand bebouwd gebied ligt herontwikkeling van het perceel in de rede. Hergebruik van de bestaande kerk is niet mogelijk gebleken en aan maatschappelijke functies is geen behoefte. Mede doordat er in de omgeving reeds voldoende groen aanwezig is, is er ook geen aanleiding om ter plaatse een tiny forest te realiseren. Bovendien zijn de gronden niet in eigendom van de gemeente. Het verzoek tot bestemmingswijziging is integraal beoordeeld en voldoet aan de uitgangspunten voor een goede ruimtelijke ordening.
  • 2. De heipalen zullen op een trillingsvrije manier worden ingebracht in de bodem. Voordat met de uitvoering wordt gestart zal door de aannemer een nulmeting worden gedaan bij alle gebouwen in een straal van 100 meter vanaf de projectlocatie. Eventuele schade als gevolg van de bouw valt onder de verzekering van de aannemer.
  • 3. Bij de keuze voor de fundering is rekening gehouden met de bodemgesteldheid ter plaatse. Zodra er een aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend zal ook een sonderingsonderzoek worden toegevoegd. Indien blijkt dat dit nodig is dan kan de funderingsmethode hierop worden aangepast. Dit is een afweging in het kader van het verlenen van de omgevingsvergunning voor het onderdeel 'bouwen'.
  • 4. De aanpassing van de vrijstellingsdiepte komt voort uit het uitvoeren van een archeologisch onderzoek en heeft geen relatie met het wel of niet toepassen van funderingspalen. Uit archeologisch onderzoek is gebleken dat de verwachting op het aantreffen van intacte archeologische waarden laag is tot op een diepte van 4 m onder het maaiveld. Het archeologisch onderzoek dat bij het voorontwerpbestemmingsplan was gevoegd is inmiddels vervangen door een definitieve versie. In de versie bij het voorontwerp werd uitgegaan van 4,5 meter onder het maaiveld. Dit is dus aangepast. Vanwege de lage verwachting hoeft er over een oppervlakte van 250 m² of meer en een diepte tot 4 meter onder het maaiveld geen nader archeologisch onderzoek meer plaats te vinden. Onder die diepte is nader onderzoek alleen nodig als er sprake is van een verstoring van meer dan 250 m². Dat zal hier niet het geval zijn aangezien uitsluitend die funderingspalen op die diepte verstorend zijn. De flexibiliteit voor het toepassen van funderingspalen is inderdaad beperkt, maar er kan wel rekening gehouden worden met type palen, de inbrengmethode en kritisch worden gekeken naar het aantal palen. Bijvoorbeeld minder, maar dikkere palen of zwaardere funderingsbalken gebruiken. De exacte werkwijze wordt bepaald bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor het onderdeel 'bouwen' en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure minder relevant.
  • 5. Zoals aangegeven wordt de funderingswijze afgestemd op de draagkracht van de bodem. De grondwaterspiegel bevindt zich tussen de -1,5 meter en -2,5 meter onder het maaiveld. Werkzaamheden vinden niet zo diep plaats, waardoor er geen bronbemaling nodig is en er wat dat betreft geen wijziging optreedt ten aanzien van het grondwater.
  • 6. Een van de 60 jaar oude beuken blijft behouden en wordt geïntegreerd in het parkeerterrein aan de noordzijde van het terrein. Dit is ook aangegeven op de in bijlage 1 bij de toelichting opgenomen inrichtingsschets voor de openbare ruimte in deze omgeving. Verder is op het nieuwe pleintje te midden van de bergingen een nieuwe boom voorzien met een minimale stamomtrek van 20 centimeter, gemeten op 1,30 meter boven het maaiveld. Deze herplant vindt binnen 1 jaar na oplevering van de nieuwbouw plaats. Een andere te kappen boom betreft een berkenboom. De boom is beoordeeld en gebleken is dat in de boom een berkenzwam aanwezig is, waardoor de levensverwachting nog slechts 3 tot 5 jaar bedraagt. Die boom wordt in het kader van regulier onderhoud gekapt. Ook aan de zijde langs de Valckenisseweg zijn nieuwe bomen en blokhagen voorzien tot aan de Bathseweg. De bosschages die in het verleden aanwezig waren, waren erg verwilderd. Voor het rooien van deze bosschages gold geen vergunningsplicht. Dit verwijderde groen worden nu gecompenseerd door een nieuwe groene inplanting. Dit zal een minder dichte begroeiing worden dan in het verleden aanwezig was, zodat ook de gerestaureerde kerktoren beleefbaar blijft. Van echte 'natuurcompensatie' is geen sprake en dit is ook niet aan de orde. Er is geen sprake van een natuurbestemming en dit ligt middenin bebouwd gebied ook niet in de rede.
  • 7. Waar het in het kader van het bestemmingsplan om gaat is met name de richtafstand (dus geen regel) vanuit de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Daarin staat inderdaad dat de richtafstand 100 meter zou moeten zijn. Die richtafstand is van toepassing ongeacht het aantal dieren wat gehouden wordt, waardoor geconcludeerd kan worden dat die richtafstand eigenlijk niet zoveel zegt over het woon- en leefklimaat in dit geval. Met het geuronderzoek dat is uitgevoerd is maatwerk geleverd ten aanzien van de aan te houden afstand. Daarin is geconcludeerd dat op basis van de huidige regelgeving wel sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarmee kan dus gemotiveerd worden afgeweken van de richtafstand. In het bouwplan is ook nadrukkelijk rekening gehouden met de situering van het woongebouw ten opzichte van de agrarische functie. Aan de westzijde van het perceel zijn de bergingen gesitueerd en is het gebruik als woning niet toegestaan.
  • 8. Het lager bouwen van dit nieuwe gebouw heeft geen effect op de vrije windvang van de molen omdat in de omgeving reeds hogere gebouwen aanwezig zijn. Het nieuwbouwplan is beoordeeld door vereniging 'De Hollandsche Molen'. Ten opzichte van de huidige situatie, waarbij sprake is van een kerkgebouw van zeker 10 meter hoog, wordt het vervangende appartementencomplex niet hoger opgericht. Het windbelemmerende oppervlak van het appartementencomplex is wel iets groter dan het huidige kerkgebouw, omdat het ten opzichte van de molen breder is. Echter, tussen de molen en de kerklocatie in, bevindt zich de dorpsbebouwing van Rilland. Dat betekent dat er sprake is van een tussenliggend terrein met vele obstakels die gezamenlijk voor een verminderde windvang zorgen. Daardoor is het effect van de herontwikkeling van de kerklocatie erg gering. De grote afstand, alsmede de aanwezigheid van de tussenliggende bebouwing en het feit dat het beoogde appartementencomplex niet significant hoger wordt opgetrokken dan het huidige aanwezige kerkgebouw, maakt dat er in de praktijk geen sprake is van nadelige effecten op de windvang, noch is de cultuurhistorische waarde van de molen in het geding. Om die reden is er ook in dit bestemmingsplan een gebruikelijke afwijkingsregeling opgenomen (artikel 13.1.3) waardoor het mogelijk is om tot 10 meter hoogte te bouwen. Een molendeskundige dient in een dergelijk geval goedkeuring te verlenen. De vereniging 'De Hollandsche Molen' heeft in het voortraject aangegeven in te kunnen stemmen met het nieuwbouwplan. De toelichting wordt op dit punt aangevuld.
  • 9. Privacy is in beginsel een privaatrechtelijke kwestie. Uiteraard dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan wel sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. In dit geval is het hoofdgebouw op minimaal 10 meter van de erfgrens gesitueerd. Er bevinden zich in de directe nabijheid van de perceelsgrens (binnen 2 meter) dan ook geen ramen of deuren van waaruit er directe inkijk is in de tuin van betrokken. De inkijk die er kan zijn is vanaf de noordzijde van het bouwplan. Aan die zijde bevinden zich de galerijen, voordeuren en een slaapkamerraam van de appartementen. Er is aan die zijde geen sprake van terrassen of woonkamers. Er is geen sprake van hoogbouw en ook in een situatie waarin grondgebonden woningen zouden worden gerealiseerd met een gebruikelijke goot- en bouwhoogte in deze omgeving, zou een dergelijke inkijk kunnen ontstaan. De situatie is niet anders dan in een reguliere woonwijk. Ruimtelijk gezien is er sprake van een aanvaardbare situatie. De initiatiefnemer is bereid met de inspreker in overleg te treden over opgaande beplanting op de erfgrens zodat de inkijk op het perceel van inspreker verder kan worden beperkt.
  • 10. Er wordt een ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Daarop kan inderdaad eenieder een zienswijze indienen. Het is niet noodzakelijk om een zienswijze in te dienen om later planschade te kunnen claimen.
  • 11. Bij een verzoek om planologische medewerking wordt beoordeeld of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Een alternatievenonderzoek hoort daar in beginsel niet bij. De onderhavige locatie is eigendom van de initiatiefnemer en in de gemeentelijke structuurvisie 'Structuurvisie kernen en bedrijventerreinen', vastgesteld op 29 mei 2012, is de locatie aangeduid als transformatielocatie. Verder voldoet het plan aan de criteria voor een 'goede ruimtelijke ordening' waardoor een alternatieve locatie niet aan de orde is.

Conclusie

De inspraakreactie is ontvankelijk, maar ongegrond. Naar aanleiding van de inspraakreactie is in de toelichting wel paragraaf 4.2 Archeologie en cultuurhistorie aangevuld met betrekking tot de molenbiotoop.

Inspreker 2 (17 november 2020)

Inspraakreactie

De inspreker geeft in de inspraakreactie het volgende aan:

  • 1. Inspreker geeft aan dat de voorziene woningbouw zijn huidige en beoogde bedrijfsvoering (veehouderij) - op het adres Hoofdweg 6, 4411 AC, Rilland - aantast. Op dit moment is naar het oordeel van de inspreker niet goed onderbouwd dat zijn belang niet wordt geschaad door onderhavig plan.
  • 2. Inspreker is van mening dat niet goed is onderbouwd dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is geborgd.
  • 3. Met betrekking tot de relevante milieugevolgen ligt er, volgens de inspreker, slechts een geurrapport, waarin er onder andere niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden c.q. invulling.

Gemeentelijke reactie

  • 1. Het maatgevende aspect in de afstemming tussen het bedrijf van de inspreker en de nieuwbouw is het aspect 'geur'. In het geuronderzoek, dat als bijlage bij het voorontwerpbestemmingsplan was gevoegd, is beoordeeld of er sprake is van belemmeringen ten opzichte van de veehouderij van de inspreker. Geconstateerd is dat er reeds meerdere geurgevoelige objecten (woningen) binnen de geurcontour aanwezig zijn. De veehouderij heeft reeds daarom geen mogelijkheid om uit te breiden. De bestaande kerk is ook een geurgevoelig object en de nieuwe woningen (appartementen) worden verder van het bedrijf gesitueerd dan de bestaande kerk. Uit het geurrapport blijkt dat de nieuwbouw geen extra belemmeringen voor de bedrijfsvoering van de inspreker met zich meebrengt.
  • 2. Of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt beoordeeld aan de hand van de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG. De richtafstand tussen een veehouderij en een woning bedraagt, zo is ook in de toelichting van het bestemmingsplan (paragraaf 4.3) beschreven, in beginsel 100 meter. Deze richtafstand geldt ongeacht het aantal dieren dat gehouden wordt. Van die richtafstand kan gemotiveerd worden afgeweken en maatwerk worden verleend. Voor de aspecten geluid, stof en gevaar wordt voldaan aan de daarvoor geldende richtafstanden. Op die punten is geen nadere afweging noodzakelijk. Voor het aspect geur wordt niet voldaan aan de richtafstand. Om die reden is een geuronderzoek uitgevoerd waarin nader onderzocht is of in dit specifieke geval sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit geuronderzoek was reeds als bijlage bij het voorontwerpbestemmingsplan gevoegd. Daarin is geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De voorgrondbelasting wordt als 'redelijk goed' gekwalificeerd en de achtergrondbelasting als 'goed'.
  • 3. Zoals aangegeven onder b. is nader onderzoek naar milieugevolgen uitsluitend voor het aspect 'geur' vereist. In het geuronderzoek is uitgegaan van de vergunde geursituatie en de worst-case geursituatie. Bestaande geurgevoelige objecten, waaronder ook de geldende maatschappelijke bestemming, belemmeren reeds uitbreidingen, waardoor nader onderzoek naar theoretische situaties niet zinvol is.

Conclusie

De inspraakreactie is ontvankelijk, maar ongegrond. Naar aanleiding van de inspraakreactie is het bestemmingsplan niet aangepast.

6.2.2 Vooroverleg

Het voorontwerpbestemmingsplan is in het kader van het voorgeschreven overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegezonden aan:

  • 1. Provincie Zeeland;
  • 2. Waterschap Scheldestromen.

Van deze overlegpartners zijn reacties op het voorontwerpbestemmingsplan ontvangen op de vermelde data. Bij de beantwoording is aangegeven of, en zo ja op welke wijze het bestemmingsplan naar aanleiding van de overlegreactie is aangepast.

Provincie Zeeland (23 november 2020 en 30 november 2020)

Overlegreactie

De provincie geeft in de overlegreactie het volgende aan:

  • 1. Verzocht wordt het plan op te nemen in de planmonitor.
  • 2. Uitgangspunt van provinciaal beleid is behoud, versterken en benutten van kenmerkende kwaliteiten en waarden die van belang zijn voor de herkenbaarheid en de Zeeuwse identiteit. In het plan wordt niet ingegaan op het feit dat de sloop van het kerkgebouw niet bijdraagt aan dit beleidsdoel. Onderbouwd dient te worden waarom een deel van de kerk kan worden behouden en een deel niet. In dit verband wordt ook gesuggereerd de resultaten van de gemeentelijke kerkenvisie af te wachten.
  • 3. De resultaten van het flora- en faunaonderzoek worden afgewacht.
  • 4. Ten aanzien van het aspect archeologie wordt gevraagd om het geaccordeerde rapport en de reactie hierop van de adviseur archeologie van de gemeente. Ook wordt aandacht gevraagd voor de mogelijkheid dat rond de kerk een begraafplaats heeft gelegen. Ter overweging wordt tevens gewezen op de mogelijkheid dat het pleistoceen dekzand verspoeld is geraakt, in welk geval het beter is het gebied vrij te geven en de dubbelbestemming voor archeologie te laten vervallen.

Gemeentelijke reactie

Het plan is inmiddels opgenomen in de planmonitor voor woningbouwprojecten.

  • 1. Terecht wordt opgemerkt dat de sloop van de Bathsewegkerk niet bijdraagt aan het beleidsdoel van de provincie ten aanzien van de herkenbaarheid en de Zeeuwse identiteit. Met de sloop van dit kerkgebouw gaat helaas een karakteristiek gebouw in Rilland met cultuurhistorische waarde verloren.
  • 2. De kansen voor behoud van karakteristieke en cultuurhistorisch waardevolle gebouwen zijn echter primair afhankelijk van de mogelijkheden om dergelijke gebouwen een nieuwe functie te geven. Door de eeuwen heen zijn de mogelijkheden om gebouwen te benutten en aan te passen aan een nieuwe gebruiker veelal bepalend geweest voor de kansen op instandhouding ervan. Gebouwen die nuttig konden worden gebruikt bleven, eventueel na aanpassing, behouden, terwijl bij gebouwen die geen functie meer hadden het verval intrad en uiteindelijk afbraak vaak onvermijdelijk werd. In dichtbevolkte gebieden met een grote ruimtevraag doen kansen voor revitalisering van oude gebouwen zich regelmatig voor. Kosten voor restauratie en aanpassing aan nieuwe functies zijn in die gevallen ook economisch en maatschappelijk te verantwoorden. Ook de bouwkundige eigenschappen van gebouwen spelen een grote rol bij de kansen op een nieuw leven voor oude gebouwen. Zo zijn er tussen bijvoorbeeld voormalige postkantoren, schoolgebouwen of kerken grote verschillen in de aanpasbaarheid vanwege de indeling en omvang van ruimtes in deze gebouwen. De grootte van een gebouw is eveneens een factor die daarbij meespeelt. Er bestaan legio voorbeelden van kleine voormalige dorpsschooltjes of zaalkerkjes die door creatieve initiatiefnemers tot één of enkele unieke en sfeervolle woningen zijn verbouwd. Bij een grote kruisbasiliek of een seminarie is de transformatieopgave aanmerkelijk gecompliceerder. Tenslotte zijn ook de planologische gebruiksmogelijkheden van invloed op de kansen op een nieuwe functie voor een in onbruik geraakt gebouw. Omgevingsfactoren en daarmee samenhangende wet- en regelgeving kunnen hergebruik van gebouwen voor bepaalde functies compliceren of zelfs onmogelijk maken. Zo is het mogelijk dat een voormalig bedrijfsgebouw dat waardevol is als industrieel erfgoed niet kan worden hergebruikt voor de realisatie van appartementen (ondanks de bouwkundige geschiktheid daarvoor), omdat in de directe omgeving van het bedrijfsgebouw nog milieuhinderlijke industriële activiteiten plaatsvinden die niet zijn te combineren met een nabije woonfunctie. Hoewel het dus in beginsel wenselijk is om karakteristieke en cultuurhistorisch waardevolle gebouwen te behouden, zijn er veel verschillende factoren die uiteindelijk bepalen of instandhouding daadwerkelijk realistisch is. Voor de Bathsewegkerk in Rilland is de realiteit dat het gebouw reeds in 1999 de functie als kerk heeft verloren. Het kerkgebouw heeft ernstige constructieve problemen. De zuidgevel is verzakt en is geheel losgescheurd van de rest van het gebouw. Omdat het destijds financieel niet haalbaar was om deze gebreken te herstellen is de kerk gesloten en verkocht. Inmiddels, na twee decennia leegstand, heeft de tand des tijds het kerkgebouw zodanig aangetast dat alleen volledige renovatie (wat neerkomt op herbouw) het gebouw nog zou kunnen redden. In de periode na de sluiting van de kerk zijn er door diverse ontwikkelaars plannen gemaakt voor herontwikkeling van de locatie van de Bathsewegkerk. Hierbij is ook serieus gekeken naar de mogelijkheden om het kerkgebouw te behouden. Zoals hiervoor is aangegeven, zijn de mogelijkheden voor transformatie van een gebouw van veel factoren afhankelijk. Ten aanzien van de Bathsewegkerk is in de loop der jaren duidelijk geworden dat het behoud van het volledige kerkgebouw geen haalbare optie is. De bouwkundige staat van het kerkgebouw is dusdanig slecht dat een complete renovatie voor de eigenaar financieel niet op te brengen is. Zowel bij de gemeente Reimerswaal als bij de provincie Zeeland zijn door de huidige eigenaar verzoeken ingediend voor het verkrijgen van subsidie voor herstel en instandhouding van het kerkgebouw. Mede omdat het kerkgebouw geen monumentale status (rijks- of gemeentelijk monument) heeft en ook een aanwijzing daartoe niet aan de orde was, zijn deze verzoeken afgewezen. Ook regels omtrent het verstrekken van staatssteun vormden hierbij een obstakel. Naast dit financiële aspect is ook het vinden van een realistische nieuwe gebruiksfunctie voor een te behouden kerkgebouw onhaalbaar gebleken. Het opknappen van een gebouw is namelijk niet zinvol als er geen gebruiksdoel voor het gebouw is. In een dorp met de omvang van Rilland liggen de alternatieve gebruiksfuncties voor een dergelijk gebouw niet voor het oprapen. Voor maatschappelijke functies (die passen binnen de huidige bestemming) zijn geen haalbare plannen in beeld geweest. Plannen voor woningbouw binnen de muren van het bestaande kerkgebouw stuiten op planologische obstakels. Om in het kerkgebouw woningen te kunnen realiseren, zou de maatschappelijke bestemming moeten worden veranderd naar een woonbestemming. Door de milieu-uitstraling van het naastgelegen agrarisch bedrijf is het echter niet mogelijk om woningbouw op deze locatie te ontwikkelen. Om deze reden is in het bouwplan dat het bestemmingsplan 'Herontwikkeling kerklocatie Bathseweg, Rilland' mogelijk moet maken het appartementengebouw zoveel mogelijk in oostelijke richting gesitueerd en zijn op de locatie van het huidige kerkgebouw uitsluitend de entree en bergingen bij deze woningen voorzien. Om het aanzicht van de locatie voor het dorp Rilland zoveel mogelijk te behouden, is ervoor gekozen om de kerktoren als landmark te laten staan. Ook de noord- en westgevel van het kerkgebouw blijven tot een hoogte van 4 meter behouden. Deze muren (inclusief de onderste raampartij) worden in het nieuwe pand gebruikt als gevel van de entree en de bergingen en dienen tevens als ondersteuning van de toren. De gemeente Reimerswaal neemt daarbij de toren over van de ontwikkelaar, waarmee de kosten voor restauratie kunnen worden gedekt. Daarmee is het voorliggende bouwplan het hoogst haalbare gebleken om recht te doen aan de historie van deze locatie. Met deze oplossing blijft een gedeelte van het kerkgebouw behouden voor het dorp en krijgt de locatie van de Bathsewegkerk na vele jaren eindelijk een nieuwe toekomst.
  • 3. Het ontwerpbestemmingsplan is aangevuld met de bevindingen uit het flora- en faunaonderzoek.
  • 4. Het geaccordeerde archeologisch onderzoeksrapport is als bijlage bij het ontwerpbestemmingsplan gevoegd, samen met het advies hierover van de adviseur archeologie van de gemeente. Het bureauonderzoek geeft inzicht in de historie van de kerk en de directe omgeving. Er is een booronderzoek uitgevoerd tot een maximale diepte van 4,5 meter beneden maaiveld. Diepere niveaus zijn dus niet getoetst, waardoor automatisch de (hypothetische) verwachting uit het archeologiebeleid en/of bureauonderzoek blijft bestaan. De kans bestaat dat ook het dekzand is verspoeld, maar er is evengoed een kans dat dit niveau intact is. Daarom blijft de dubbelbestemming gehandhaafd vanaf het niveau dat niet is onderzocht.

Conclusie

Naar aanleiding van de overlegreactie is in het ontwerpbestemmingsplan de paragraaf 4.2 Archeologie en cultuurhistorie aangevuld. In de paragraaf 4.11 Natuur zijn de bevindingen uit het flora- en faunaonderzoek verwerkt. Het geaccordeerde archeologisch onderzoeksrapport is als bijlage bij het ontwerpbestemmingsplan gevoegd, samen met het advies hierover van de adviseur archeologie van de gemeente.

Waterschap Scheldestromen (16 december 2020)

Overlegreactie

Het waterschap geeft in de overlegreactie het volgende aan:

  • 1. Met betrekking tot het waterbeheer dient de benodigde watercompensatie te worden 'afgekocht' door een bijdrage in het Waterbergingsfonds.
  • 2. De wegenstructuur is voldoende gedimensioneerd om de verkeersstromen af te wikkelen. De waterschapswegen worden niet beïnvloed.
  • 3. Voorgesteld wordt de hemelwaterafvoer aan te sluiten op de bestaande hemelwaterriolering in plaats van dit water af te voeren naar de vijver aan de overzijde van de Burgemeester Jobselaan.
  • 4. In paragraaf 4.8 Kabels en leidingen is de rioolpersleiding van het waterschap aan de Bathseweg niet genoemd. Op de hoek van de Bathseweg met de Valckenisseweg is een boom bovenop de leiding geprojecteerd. Voorgesteld wordt de positie van de boom aan te passen of maatregelen te treffen.

Gemeentelijke reactie

  • 1. De bijdrage van de initiatiefnemer aan het Waterbergingsfonds is in een overeenkomst vastgelegd.
  • 2. Van deze opmerking wordt met instemming kennis genomen.
  • 3. De voorkeur wordt gegeven aan afwatering op de vijver. Aansluiting op de bestaande hemelwaterriolering wordt niet als gunstiger oplossing beschouwd.
  • 4. De rioolpersleiding van het waterschap zal alsnog worden benoemd in paragraaf 4.8 Kabels en leidingen. Bij de uitwerking en uitvoering van het inrichtingsplan voor het openbaar gebied zal rekening worden gehouden met de ligging van deze leiding. De inrichtingstekening bij het plan wordt op dit moment hier niet op aangepast. Indien nodig wordt bij de uitwerking van de plannen afstemming gezocht met het waterschap.

Conclusie

Naar aanleiding van de overlegreactie is paragraaf 4.8 Kabels en leidingen aangevuld door het benoemen van de rioolpersleiding van het waterschap.

6.2.3 Ambtshalve aanpassingen voorontwerp

Ten opzichte van het voorontwerpbestemmingsplan is het ontwerpbestemmingsplan op een aantal onderdelen ambtshalve aangevuld en aangepast.

Archeologie

Naar aanleiding van een nadere toetsing van het archeologisch onderzoek door de adviseur archeologie van de gemeente is het archeologisch onderzoek aangepast en definitief gemaakt. De vrijstellingsdiepte in het plan dient bijgesteld te worden naar 4 meter in plaats van de oorspronkelijk opgenomen 4,5 meter. Dit is in de toelichting (paragraaf 4.2 Archeologie en cultuurhistorie) en in de regels (artikel 9) aangepast. Het definitieve onderzoek en het advies van de adviseur archeologie zijn als bijlage bij de toelichting opgenomen.

Bodem

Het bodemonderzoek is uitgebreid en aangevuld zodat er sprake is van een gebiedsdekkend onderzoek. Daarin is tevens het aspect 'asbest' onderzocht. Het eerder opgenomen bodemonderzoek is vervangen door de definitieve versie. Paragraaf 4.4 Bodem van de toelichting is hierop aangepast.

Natuur

Door Idverde (voorheen BTL-advies) is naar aanleiding van de eerder uitgevoerde quickscan nader onderzoek uitgevoerd naar huismussen, vleermuizen en gierzwaluwen. Uit dat onderzoek is gebleken dat verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen en gierzwaluwnesten aanwezig zijn. Voor de sloop van de kerk is een ontheffing van de Natuurbeschermingswet nodig. Het aanvullend onderzoek (rapportage 15 januari 2021), dat tevens het activiteitenplan voor de ontheffingsaanvraag bevat, is als bijlage bij het ontwerpbestemmingsplan gevoegd. De ontheffingsaanvraag wordt bij de provincie Zeeland ingediend. Paragraaf 4.11 Natuur van de toelichting is aangevuld met de bevindingen uit het onderzoek.

6.2.4 Zienswijzen ontwerpbestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan 'Herontwikkeling kerklocatie Bathseweg, Rilland' met planidentificatienummer NL.IMRO.0703.05RiBPBathsewegk-on01 heeft met bijbehorende onderliggende stukken vanaf 18 februari 2021 tot en met 31 maart 2021 ter visie gelegen.

Tijdens de termijn van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan hebben ingezetenen van Reimerswaal en belanghebbenden de gelegenheid gehad schriftelijk of mondeling zienswijzen naar voren te brengen. Er is 1 zienswijze ingediend op de vermelde datum. Hieronder volgt een samenvatting van de zienswijze en de gemeentelijke reactie daarop. Bij de beantwoording is aangegeven of, en zo ja op welke wijze, het bestemmingsplan naar aanleiding van de zienswijze is aangepast.

Indiener (30 maart 2021)

Zienswijze

De indiener geeft in de zienswijze het volgende aan:

Het ontwerpbestemmingsplan tast de huidige en beoogde bedrijfsvoering aan. De milieugevolgen van het bedrijf zijn onjuist en niet volledig beoordeeld. Niet gesteld kan worden dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en men niet onevenredig in de bedrijfsvoering wordt aangetast. Met betrekking tot het aspect geur, stelt de indiener dat het geuronderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd. In het geuronderzoek wordt uitgegaan van een kleiner plangebied dan in casu aan de orde is. Daarnaast is er geen rekening gehouden met de maximale planologische mogelijkheden voor zowel de bedrijfslocatie als het plangebied van de voorgenomen ontwikkeling. Het geuronderzoek beperkt zich uitsluitend tot het houden van 80 stuks vleesvee in de aanwezige stallen. De landbouwactiviteiten zijn volledig buiten beschouwing gelaten. De locatie wordt beweid en de veebezetting is de laatste jaren veel lager geweest dan maximaal is toegestaan. Verder is de aanvaardbaarheid van het verblijfsklimaat in de voorziene tuinen en bijgebouwen, buiten beschouwing gelaten. Met betrekking tot het aspect geluid, stelt de indiener dat er geen akoestisch onderzoek is verricht en niet voldaan wordt aan de richtafstand. Daarnaast moet niet enkel de directe hinder, maar ook de indirecte hinder afkomstig van de veehouderij en de landbouwactiviteiten beschouwd worden. Men is van mening dat een beoordeling van het verblijfsklimaat in de voorziene tuin(en) moet plaatsvinden.

Gemeentelijke reactie

Met het uitgevoerde geuronderzoek is inzichtelijk gemaakt welke invloed het aspect geur, zoals veroorzaakt door het agrarisch bedrijf, heeft op het woon- en leefklimaat van de beoogde appartementen op de locatie van het huidige kerkgebouw. Alleen het gedeelte van het bouwvlak waarbinnen geurgevoelige objecten (woningen) gerealiseerd kunnen worden is relevant in het kader van dit onderzoek. Tuinen zijn geen geurgevoelige objecten. Ook het entreegebied (in het ontwerpbestemmingsplan bestemd als 'Tuin'), de entreehal en de bijgebouwen (bergingen) zijn niet aan te merken als geurgevoelige objecten. Het bestemmingsplan sluit wooneenheden in dit gedeelte van het appartementencomplex nadrukkelijk uit doordat ter plaatse binnen de bestemming 'Wonen' het maximaal aantal wooneenheden op '0' is gesteld. Het bouwplan voorziet ook niet in tuinen als verblijfsgebied. Om mogelijk resterende twijfel over het gebruik van het entreegebied bij de indiener weg te nemen, is het echter niet bezwaarlijk om de bestemming 'Tuin' voor het entreegebied te wijzigen in de bestemming 'Verkeer'. Binnen deze bestemming is de beoogde inrichting van dit gebied eveneens realiseerbaar. Het geuronderzoek is uitgevoerd conform de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij, die voorschrijft dat uitgegaan moet worden van de vergunde of gemelde dieraantallen. Met de vaststelling van het bestemmingsplan 'Herontwikkeling kerklocatie Bathseweg, Rilland' ontstaan geen planologische mogelijkheden om op kortere afstand van het agrarisch bedrijf dan waarnaar onderzoek is gedaan geurgevoelige objecten op te richten. Bij het geuronderzoek is ook voor het agrarisch bedrijf van de maximale planologische mogelijkheden uitgegaan. Omdat ten opzichte van de bestaande geurgevoelige objecten rondom het agrarisch bedrijf reeds sprake is van een overbelaste situatie (niet voldaan kan worden aan geurnorm of afstand), heeft het bedrijf geen mogelijkheid om uit te breiden. De beoogde ontwikkeling van een nieuw appartementencomplex veroorzaakt derhalve voor het agrarisch bedrijf geen beperking voor de huidige bedrijfsvoering of toekomstplannen. Ten aanzien van overige relevante milieuaspecten is in de plantoelichting in paragraaf 4.3 Bedrijven en milieuzonering inzichtelijk gemaakt dat voor de beoogde appartementen voldaan wordt aan de richtafstanden uit de VNG-brochure voor de aspecten geluid en stof. De richtafstand wordt gemeten tussen de grens van de agrarische bestemming en de uiterste situering van de gevel van woningen, in dit geval de bouwvlakgrens van het hoofdgebouw. Die afstand bedraagt 32 meter. Activiteiten van het agrarisch bedrijf die niet vallen onder de vigeur van de Wet geurhinder en veehouderij conflicteren derhalve niet met de beoogde woonfunctie op de locatie van het huidige kerkgebouw.

Conclusie

De reactie is ontvankelijk en ongegrond. Naar aanleiding van de reactie is echter wel de bestemming van het entreegebied aangepast van 'Tuin' naar 'Verkeer'. Het is niet nodig gebleken om in het bestemmingsplan andere wijzigingen door te voeren.