direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Dreumel, Dorpsstraat 28a
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0668.DREDorpstraat28a-BOH1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor dit bestemmingsplan

Sinds 2016 biedt de gemeente West Maas en Waal de mogelijkheid om extra woningen toe te voegen aan de bestaande woningvoorraad in alle kernen. Ook voor Dreumel geldt dat extra woningen een bijdrage leveren aan de leefbaarheid. De gemeente voert hierbij proactief beleid en stimuleert met name haar inwoners hiervoor plannen in te dienen. De initiatiefnemer van voorliggend plan is voornemens om in lijn met het gemeentelijke beleid op een binnenstedelijke bedrijfslocatie drie woningen te realiseren. Het betreft de locatie aan de Dorpsstraat 28a te Dreumel. Van deze woningen worden er twee gevestigd in de huidige bedrijfswoning welke wordt verbouwd. De derde woning wordt vrijstaand gebouwd. op het perceel gerealiseerd.

In de huidige situatie bestaat het perceel uit bedrijfsmatige opstallen en een bedrijfswoning, in het vigerende bestemmingsplan is het plangebied ook als zodanig bestemd. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een passende juridisch-planologische verankering van de voorgenomen ontwikkeling.

1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied

Het plangebied ligt midden in het dorp Dreumel en wordt omsloten door woningen met tuinen. Kadastraal staat het plangebied bekend onder sectie G nummers 954, 953 en 952. Het oppervlak van het gehele plangebied bedraagt circa 1.365 m². Figuur 1.1 en 1.2 geven de ligging en begrenzing van het plangebied weer. Het betreft een bovenaanzicht wat betreft de ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Dreumel en een luchtfoto van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.DREDorpstraat28a-BOH1_0001.jpg"

Figuur 1.1: ligging van het plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.DREDorpstraat28a-BOH1_0002.jpg"

Figuur 1.2: begrenzing van het plangebied

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Dorpen, actualisatie 2021' welke op 27 januari 2022 door de gemeente West Maas en Waal is vastgesteld.

In het bestemmingsplan 'Dorpen, actualisatie 2021' heeft het plangebied de enkelbestemming 'Bedrijf'. Deze gronden zijn in de hoofdzaak bestemd voor de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten. Binnen deze bestemming is het mogelijk om een bedrijfswoning te realiseren. Hierbij zijn twee bouwvlakken opgenomen waarbij voor het meest ten westen gelegen bouwvlak de functieaanduiding bedrijfswoning van toepassing is. Hierbij geldt voor het westen gelegen bouwvlak een maatvoeringsvereiste van maximum goothoogte van 3 m en een maximum bouwhoogte van 7 m. Voor het oosten gelegen bouwvlak geldt een maatvoeringsvereiste van maximum goothoogte 5 m en maximum bouwhoogte 8 m. Daarnaast geldt de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1'. Hier wordt in paragraaf 4.4.1 Archeologie nader op ingegaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.DREDorpstraat28a-BOH1_0003.jpg"

Figuur 1.3: uitsnede van het bestemmingsplan 'Dorpen, actualisatie 2021'

Strijdigheid

De realisatie van de drie reguliere woningen zijn niet toegestaan binnen de bestemming 'Bedrijf'. Dit vanwege het ontbreken van bouwmogelijkheden voor reguliere woningen. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee niet binnen het vigerende bestemmingsplan waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een passend juridisch-planologisch kader.

1.4 Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit de drie planonderdelen bestaande uit een verbeelding, regels en de voorliggende toelichting. De toelichting is als volgt opgebouwd:

  • hoofdstuk 2 'Beschrijving van het plan' beschrijft de huidige situatie en het beoogde plan;
  • hoofdstuk 3 'Beleidskader' geeft een beschrijving van het relevante beleidskader op Rijksniveau, provinciaal niveau en gemeentelijk niveau;
  • hoofdstuk 4 'Verantwoording van milieu en omgevingswaarden' toont de haalbaarheid van het plan aan door middel van de omgevingsaspecten;
  • hoofdstuk 5 'Juridische planbeschrijving' geeft per bestemming een toelichting en de uitgangspunten weer;
  • hoofdstuk 6 'Uitvoerbaarheid' geeft de resultaten van de procedure weer en de economische uitvoerbaarheid;
  • hoofdstuk 7 'Procedure en overleg' geeft de procedurestappen weer.

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het plan

2.1 Historische ontwikkeling en huidige situatie

2.1.1 Algemeen

Dreumel maakt deel uit van de gemeente West Maas en Waal. In totaal liggen acht woonkernen verspreid over het grondgebied van de gemeente. Dit betreffen Altforst, Appeltern, Beneden-Leeuwen, Boven-Leeuwen, Maasbommel, Wamel, Alphen en Dreumel. Voorliggend plangebied is gelegen in het laatstgenoemde dorp.

2.1.2 Ruimtelijke ontwikkeling van Dreumel

Op de historische kaarten is goed te zien dat het dorp Dreumel tot circa 1950 langzaam groeit. Een forse groei is zichtbaar na de watersnoodramp in 1953. In de jaren erna worden veel woningen gebouwd, de zogenaamde geschenkwoningen/watersnoodwoningen. Deze woningen werden veelal geschonken door de Scandinavische landen en werden in rap tempo gebouwd om de slachtoffers van de watersnoodramp onderdak te bieden. Vanaf circa 1990/2000 begint het dorp Dreumel verder uit te breiden.

2.1.3 Het plangebied en directe omgeving

Het plangebied betreft een bedrijfslocatie midden in de kern Dreumel met de basisvoorzieningen op steenworp afstand. Te midden van het plangebied staat een woning met aangrenzend daarvan de voormalige werkplaats en achterop het perceel staat een loods van ongeveer 250 m2 met een asbesthoudend dak.

De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich als een woonomgeving met hoofdzakelijk woonpercelen. De bedrijfsbestemming is in het kader van een goede ruimtelijke ordening dan ook onwenselijk in dit type gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.DREDorpstraat28a-BOH1_0004.jpg"

Figuur 2.1: luchtfoto van het huidige plangebied met begrenzing

Ontsluiting

Het plangebied is momenteel bestemd als 'Bedrijf' waarbij twee brede inritten aanwezig zijn. De meest noordelijke inrit wordt gebruikt als ontsluiting van de loods, de zuidelijke inrit wordt gebruikt als ontsluiting van het achtererf. Beide ontsluitingen zijn ontsloten op de Dorpsstraat.

2.2 Toekomstige situatie

2.2.1 Beoogd programma

Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van twee meergeneratiewoningen en één eengezinswoning mogelijk. Het plan is ontwikkelt in lijn met het Dorpskwaliteitsplan West Maas en Waal en dorpspaspoort Dreumel. Voorafgaand aan het opstellen van dit bestemmingsplan heeft een stedenbouwkundige toets plaatsgevonden. In dit hoofdstuk wordt het nieuwe plan beschreven.

2.2.2 Ruimtelijke structuur

Woningen

De maat en de schaal van de bebouwing sluit aan bij de spelregels voor het bouwen van woningen in de dorpsstructuur. Door de herinrichting ontstaat meer ruimte voor vergroening wat past bij de dorpse uitstraling. De twee meergeneratiewoningen worden gerealiseerd binnen de bestaande bedrijfswoning, welke wordt verbouwd. De eengezinswoning wordt vrijstaand gebouwd ten zuiden van de meergeneratiewoningen. De toegestane maximum goothoogte is 5 meter en de bouwhoogte bedraagt maximaal 8 meter. Figuur 2.2 geeft een impressie weer van de toekomstige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.DREDorpstraat28a-BOH1_0005.png"

Figuur 2.2: impressie nieuwe situatie in het plangebied

Infrastructuur

Ontsluiting

De nieuwe woningen worden met eigen inritten ontsloten op de Dorpsstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.DREDorpstraat28a-BOH1_0006.png"

Figuur 2.4: situatietekening woningen en infrastructuur

Parkeren

Met de komst van de drie woningen neemt het aantal auto's toe. Parkeren van auto's als gevolg van de realisatie van de woningen moet plaatsvinden binnen de begrenzing van het plangebied. Het aantal parkeerplaatsen is afhankelijk van het type woning. Het parkeerbeleid van de gemeente West Maas en Waal is opgenomen in de 'Nota Parkeren 2019', hierin zijn ook de parkeernormen opgenomen.

Bij het bepalen van de parkeernorm speelt de ligging van een plangebied een belangrijke rol. In het parkeerbeleid van de gemeente West Maas en Waal wordt uitsluitend onderscheid gemaakt tussen de ligging ‘centrum’ en ‘rest bebouwde kom’. De ‘rest bebouwde kom’ omvat daarmee ook het gebied buiten de bebouwde kom. Reden hiervoor is dat de gemeente West Maas en Waal is aangemerkt als ‘niet stedelijk’. In deze categorie zijn de parkeernormen voor de ligging ‘rest bebouwde kom’ en ‘buitengebied’ hetzelfde.

Onderstaande parkeernormen dienen te worden gehanteerd bij voorliggend plan. In deze norm is het bezoekers aandeel meegenomen. Per woning wordt een bezoekers aandeel van 0,3 gehanteerd.

Tabel 1: parkeernormen 'Parkeernota West Maas en Waal'

Type woning   Parkeernorm per woning  
Vrijstaande woning   2,3  
Meergeneratiewoningen   2,4  
Aandeel bezoekers   0,3  
Totaal   7,2  

Gelet op bovenstaande tabel dient er in het plan ruimte te zijn voor 7 parkeerplaatsen In het plangebied zijn 7 parkeerplaatsen ingetekend, waarmee wordt voldaan aan de Nota Parkeren 2019.

Water

In de huidige situatie is van het totale perceel, met een omvang van 1.341 m2 maar liefst 1.228 m2 verhard. Met de beoogde ontwikkeling wordt dit verhard en bebouwd oppervlak beperkt tot 380 m2. In onderstaande figuur is een overzicht van het oppervlak weergegeven. In totaal gaat het om een afname van het verhard oppervlak van 848 m2. Het plan heeft een positief effect op de waterhuishouding in het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.DREDorpstraat28a-BOH1_0007.png"

Figuur 2.5: berekening verhard oppervlak

2.2.3 Borging ruimtelijke kwaliteit

In dit bestemmingsplan wordt positie van de woningen vastgelegd alsmede de aantallen. De maximale goot- en bouwhoogte worden vastgelegd op de verbeelding. Hiermee is de ruimtelijke kwaliteit van het plan gewaarborgd.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid en regelgeving

3.1.1 Nationale omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie.
  • Duurzaam economisch groeipotentieel..
  • Sterke en gezonde steden en regio's.
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren. In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte.
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere.
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie

In voorliggend plan is sprake van een lokale ontwikkeling waarmee geen Rijksbelangen zijn gemoeid. Het plan is dan ook niet in strijd met het Rijksbeleid zoals verwoord in de NOVI.

3.1.2 Besluit ruimtelijke ordening

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), artikel 3.1.6., tweede lid, zijn eisen opgenomen waaraan een bestemmingsplan moet voldoen als dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zoals een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor de omgeving.

In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijkswegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de EHS, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater, maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer en is het onderwerp duurzame verstedelijking in regelgeving opgenomen. Per 1 juli 2016 zijn er nog enkele wijzigingen van de Barro van kracht geworden. Deze wijzigingen hebben geen directe invloed op het voorliggende plan. Wel is de term 'Ecologische Hoofdstructuur' gewijzigd in 'Natuurnetwerk Nederland' ('NNN').

Daarom is het noodzakelijk dat in een bestemmingsplan, maar ook in een inpassingsplan van rijk of provincie of bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan, nadrukkelijk wordt stilgestaan bij de vraag of er behoefte is aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Ruimtebeslag

Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Inmiddels heeft jurisprudentie reeds bepaald bij welke minimale omvang sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Conform jurisprudentie is bij 11 woningen geen sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) en bij 12 woningen wel sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953).

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie

In het voorliggende plan wordt de bestaande bedrijfswoning verbouwd tot twee meergeneratiewoningen én er wordt een vrijstaande woning gebouwd. Blijkens jurisprudentie wordt een dergelijke kleinschalige ontwikkeling niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de Bro.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument.

Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.

Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'.

In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor:

- bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.

- stedelijke ontwikkeling: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´

Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie

In het voorliggende plan wordt de bestaande bedrijfswoning verbouwd tot twee meergeneratiewoningen en er wordt een vrijstaande woning gebouwd. Deze ontwikkeling is, gelet op bovenstaande definitie, niet aan te merken als een 'stedelijke ontwikkeling'. In voorliggend geval is de ladder voor duurzame verstedelijking dan ook niet van toepassing.

3.2 Provinciaal beleid

Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening vastgesteld. In de visie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de verordening de regels en afspraken om de opgaven uit de visie te realiseren. De beleidskaders zijn allebei op 1 maart 2019 in werking getreden.

De Omgevingsvisie en –verordening zijn dynamische instrumenten. Doordat wetten veranderen of door de komst van nieuwe initiatieven, kijkt de provincie 2 keer per jaar of de plannen moeten worden aangepast. De meest recente aanpassing is van 31 maart 2021.

3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

De wereld is continu aan verandering onderhevig waardoor er veel op de inwoners van Gelderland afkomt. Denk hierbij aan het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering. Deze onderwerpen vragen stevige antwoorden en oplossingen als investering in de toekomst. Met de schaarse ruimte en de vele uiteenlopende belangen en inzichten gaat dit niet vanzelf. Er moeten keuzes worden gemaakt over de voorliggende vraagstukken en de betekenis daarvan voor de inrichting van Gelderland. In onderling overleg zoeken naar synergie, samenhang en uitruilmogelijkheden. Daarom zet de provincie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal.

Om Gelderland aantrekkelijk te houden voor inwoners en bedrijf is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Denk hierbij aan:

  • goed bereikbare voorzieningen;
  • aansprekende evenementen;
  • unieke cultuurhistorie;
  • inspirerende culturele voorzieningen;
  • mooie natuur;
  • goed woonklimaat.

Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met zeer uiteenlopende stedelijke en landelijke woonkwaliteiten. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt van beleid. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en het concentreren van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan er aan de randen van steden of dorpen uitgebreid worden.

De dynamiek op de woningmarkt is momenteel erg groot. Mensen worden ouder, wonen steeds langer alleen en zelfstandig, worden steeds meer energiebewust en zijn mobieler dan vroeger, waardoor ze ook meer en makkelijker verhuizen. Het grootste deel van de woningen die in 2050 in Gelderland nodig zijn, staat er al. Maar deze woningen zijn niet klaar voor de toekomst en moeten aangepast of vervangen worden. Gelderland heeft de ambitie om een aanbod aan woningtypen en woonmilieus te hebben, dat past bij de diversiteit van de woningvraag; voor iedereen een passende (levensloopgeschikte), duurzame woning.

Voor de provincie staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen. De meeste woningen zijn verre van energieneutraal en klimaatbestendig. De provincie stimuleert innovaties op dit terrein, zoals het aardgasloos maken van bestaande woningen en het verduurzamen van woonwijken. Daarnaast is de provincie met haar partners in gesprek over hoe het vraagstuk van klimaatadaptatie en wonen slimmer aangepakt kan worden.

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie

Onderhavig plan betreft de realisatie van drie woningen waarbij wordt gebouwd voor feitelijke vraag vanuit de mark op een binnenstedelijke bedrijfslocatie. Het plan sluit daarmee aan bij de ambitie van de provincie Gelderland om een aanbod aan woningtypen en woonmilieus te hebben, dat past bij de diversiteit van de woningvraag; voor iedereen een passende (levensloopgeschikte), duurzame woning.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem.

In de omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. In de omgevingsverordening staan regels met betrekking tot woonlocaties. In artikel 2.1 (regionale woonagenda) staat dat per regio de gemeentebesturen een regionale woonagenda dienen op te stellen en een bestemmingsplan maakt nieuwe woningen alleen mogelijk als die ontwikkeling past binnen deze door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. Enkele voorwaarden daarbij zijn:

  • a. er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking;
  • b. de ontwikkeling past binnen het meest recente provinciale beleid;
  • c. er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden over deze ontwikkeling.

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie

Het toevoegen van drie woningen past binnen het gemeentelijke beleid en daarmee ook binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma. Gesteld wordt dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 2.1 uit de Omgevingsverordening.

3.2.3 Regionale Woonagenda Rivierenland 2020 - 2030

De colleges van de acht regiogemeenten hebben ingestemd met de Regionale woonagenda Rivierenland 2020-2030. Deze woonagenda is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met de provincie Gelderland. In deze samenwerkingsagenda zijn (woningbouw)afspraken tussen de gemeenten in de Regio Rivierenland onderling én tussen de regio en de provincie Gelderland vastgelegd. Hiermee vormt de regionale woonagenda een belangrijk kader voor de ontwikkeling van nieuwe woningen in de regio. Daarnaast bevat de agenda een thematische uitwerking van enkele (regionale) samenwerkingsprojecten.

West Maas en Waal

Wonen in West Maas en Waal gaat primair over de bestaande woningvoorraad en de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving; nieuwbouw is hieraan ondergeschikt. Om de kernen vitaal en leefbaar te houden is een goede kwaliteit van de leefomgeving en de bestaande woningvoorraad van groot belang.

De woningen die worden toegevoegd dienen dan ook primair bij te dragen aan de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van de kernen. De structuurvisie Dorpen en de daarbij horende Dorpskwaliteitsplannen vormen daarvoor de basis.

In de gemeentelijke woonvisie is verder opgenomen dat wordt uitgaan van het principe “de juiste woning, op de juiste plaats, op het juiste moment”. Hiermee wil de gemeente vooral, maar niet uitsluitend, de lokale kwalitatieve vraag invullen. Dit principe is verder uitgewerkt in een toetsingskader woningbouw.

Dit toetsingskader is een verdeelmodel voor het toevoegen van woningen aan de woningvoorraad. De Woonvisie en de Structuurvisie Dorpen, met de daarbij horende Dorpskwaliteitsplannen, vormen samen de basis voor dit verdeelmodel. Hiermee stuurt de gemeente op kwaliteit, zowel volkshuisvestelijk als ruimtelijk. Plannen moeten een minimale puntenscore halen op basis van verschillende criteria. Aan verzoeken die de minimale puntenscore hebben gehaald en positief beoordeeld zijn op de overige aspecten wordt in principe medewerking verleend.

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie

Het toetsingskader woningbouw is van toepassing op voorliggend plan. Deze toetsing heeft plaatsgevonden en het plan voldoet aan de minimale puntenscore. Het plan kan dus rekenen op medewerking van de gemeente. In hoofdstuk 3.3.4 Toetsingskader Woningbouw wordt nader ingegaan op de toetsing.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Woonvisie 2022-2026

De gemeenteraad heeft de begin 2022 de Woonvisie 2022-2026 vastgesteld. Een belangrijk vertrekpunt voor onze Woonvisie is de Regionale Woonagenda Rivierenland 2020-2030. Daarnaast is een regionaal woningbouwprogramma opgesteld. Dit is een belangrijk kader voor de nieuwbouwprogrammering van de regiogemeenten. De nieuwe visie speelt in op de veranderen marktomstandigheden en de toenemende vraag naar woningen. In de visie stelt de gemeente dat in sommige kleinere dorpen de afgelopen jaren weinig gebouwd. Veel woningbouw is in Beneden-Leeuwen geland, terwijl er ook in de andere kernen behoefte aan nieuwe woningen was. Er moet daarom een achterstand worden ingehaald.

Tot 2030 is er in West Maas en Waal behoefte minimaal 870 woningen. Er zijn ook altijd projecten die niet of moeizaam verlopen, en daardoor niet of maar gedeeltelijk gerealiseerd worden. Om in te kunnen spelen op tegenvallers, zoals planuitval of vertraging, rekenen we met een marge +30% op de behoefte. De gemeente zet tot 2030 in op minimaal 1.130 woningen. Van het totaal aantal woningen dat toegevoegd moet worden, wordt 30% in de sociale huursector gerealiseerd.

In grotere nieuwbouwprojecten wordt ingezet op gedifferentieerde bouw, met een programma waarmee de woningvoorraad wordt gevuld. Dit betekent niet alleen de bouw van gezinswoningen, maar ook kleinere woningen voor gezinnen en woningen voor senioren. Zo creëert de gemeente doorstroming en komen de bestaande gezinswoningen op termijn weer vrij voor nieuwe gezinnen. In onderstaande figuur is de behoefte per kern weergegeven, voor Dreumel is dat 190 woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.DREDorpstraat28a-BOH1_0008.png"

Figuur 3.1: overzicht woningbehoefte tot 2030

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie

Voorliggend plan sluit aan bij de kwantitatieve behoefte aan woningen in Dreumel.. Qua doelgroep sluit het plan met de senioren-en eengezinswoningen woningen goed aan bij de woonvisie.

3.3.2 Structuurvisie Dorpen 2025

De gemeente West Maas en Waal heeft de structuurvisie voor de dorpen vastgesteld op 30 april 2015. De structuurvisie is een uitwerking van de Visie Leefbaarheid Kernen 2030. Het ruimtelijk beleid voor de gemeente is erop gericht de leefbaarheid in de kernen te behouden en te verbeteren. Dit vraagt om een heldere weergave van het beleid op hoofdlijnen. Voor verschillende thema's, zoals wonen, werken, voorzieningen, milieu en veiligheid, zijn speerpunten en ambities opgesteld. Op onderhavig plan is het thema wonen van belang.

Uit de woningmarktscan 2011 van Companen blijkt dat er in de huidige situatie te weinig betaalbare woningen worden gerealiseerd of vrijkomen voor starters/gezinnen. In de huidige markt is er vrijwel alleen vraag naar grondgebonden woningen. Het is een algemene uitgangspunt dat er, zowel in kwantitatief als in kwalitatief opzicht, wordt gebouwd naar behoefte. Naast de algemene visie op wonen binnen de gemeente West Maas en Waal wordt er ook een visie geschetst op de ruimtelijke ontwikkeling per dorp.

Visie voor Dreumel

Om te komen tot een extra contigent woningbouw voor de komende jaren geeft de Structuurvisie Dorpen 2025 richting aan een aantal ruimtelijke opgaven aan in de kern Dreumel. Dreumel kenmerkt zich door de clustering van straten met hoofdzakelijk vrijstaande bebouwing, de ligging aan de dijk en de landschappelijke bebouwingslinten. Hierbij wordt onder andere genoemd de mogelijkheden tot woningbouw nabij historische structuren.

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie

De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats in de kern van Dreumel. De achterliggende tuinen worden gezien als structuurbepalend groen. De bouwgebieden binnen de historische structuur waren groot, waardoor diepe achtertuinen en binnen gebieden zijn ontstaan. De hoog opgaande beplanting in deze binnen gebieden is zichtbaar vanaf de straat en bepaalt mede het groene karakter van Dreumel. Met de ontwikkeling worden de bedrijfsgebouwen gesloopt en krijgen de nieuwe woningen diepe tuinen, aansluitend bij de historische structuur. Het plan draagt met de sloop ook bij aan het versterken van het structuurbepalend groen. De ontwikkeling sluit aan bij de huidige behoefte in de markt. Het plan past daarmee binnen de kaders van de structuurvisie Dorpen 2025.

3.3.3 Dorpskwaliteitsplan West Maas en Waal en dorpspaspoort Dreumel

Elk dorp binnen de gemeente West Maas en Waal heeft zijn eigen ruimtelijke kwaliteit en identiteit, deze zijn daarom benoemd en vastgelegd in het dorpskwaliteitsplan en in de dorpspaspoorten. Nieuwe plannen dienen te passen binnen de kernen met recht aan de geschiedenis en identiteit van de kern. Het dorpskwaliteitsplan vormt een leidraad voor nieuwe ontwikkelingen en bevat daarnaast de zogenaamde welstandseisen waaraan omgevingsvergunningen voor bouwen wettelijk worden getoetst.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.DREDorpstraat28a-BOH1_0009.png"

Figuur 3.2: uitsneden illustraties 'Dorpspaspoort Dreumel' plangebied aangeduid met rood kader

In figuur 3.2 is te zien dat het plangebied behoord tot een historisch lint. Binnen deze gebieden dienen de historische structuren behouden te blijven en de identiteit van de kern versterkt te worden. De spelregels voor ontwikkelingen in de bebouwingslinten zijn in figuur 3.3. weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.DREDorpstraat28a-BOH1_0010.png"

Figuur 3.3: uitsneden illustraties 'Dorpspaspoort Dreumel' en spelregels

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie

Het sluit goed aan bij het versterken van de dorpse identiteit en behoud daarmee ook de historische structuur. De woningen hebben een beperkte goot en bouwhoogte, waardoor ze aansluiten op de bestaande bebouwing in de directe omgeving. Voorafgaand aan het opstellen van dit bestemmingsplan heeft een stedenbouwkundige toets plaatsgevonden en is het plan besproken met het Gelders Genootschap.

Gesteld kan worden dat past binnen de spelregels behorend bij ontwikkelingen in bebouwingslinten en daarmee past binnen het Dorpskwaliteitsplan West Maas en Waal en dorpspaspoort Dreumel.

3.3.4 Toetsingskader Woningbouw

De gemeente West Maas en Waal hanteert, sinds 2016, voor nieuwe woningbouwplannen het "Toetsingskader Woningbouw". De Woonvisie en de Structuurvisie Dorpen met de daarbij horende dorpskwaliteitsplannen vormen samen de basis voor dit toetsingskader. Het toetsingskader woningbouw is een verdeelmodel voor het toevoegen van woningen aan de woningvoorraad. Hiermee stuurt de gemeente op kwaliteit, zowel volkshuisvestelijk als ruimtelijke kwaliteit. De volgende vraagstukken vallen binnen het toetsingskader:

  • Splitsen van woningen;
  • Meergeneratiewoningen;
  • Verplaatsen van woningen;
  • Bebouwingslinten Structuurvisie Dorpen.

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie

Voorliggend plan is in januari 2022 door de gemeente getoetst. Uit deze toetsing blijkt dat het plan de minimale puntenscore van 9 heeft behaald. . Het ingediende plan is op hoofdlijnen akkoord maar er dienen een aantal onderzoeken aangeleverd te worden, die zijn opgenomen in dit bestemmingsplan. Zie hoofdstuk 4.

3.3.5 Klimaatadaptatieplan gemeente West Maas en Waal

In december 2022 is het beleid voor klimaatadaptie in de gemeente West Maas en Waal vastgesteld. Dit beleid identificeert de uitdagingen met betrekking tot klimaatadaptieve inrichting van de fysieke leefomgeving van West Maas en Waal. Dat betekent voor West Maas en Waal dat (ruimtelijke) ontwikkelingen zo worden uitgevoerd dat deze het veranderende klimaat het hoofd kunnen bieden én een energie-opwekking realiseren waarbij uitstoot tot een minimum wordt teruggebracht. Het gaat om het vergroten van het aanpassingsvermogen (adaptatiecapaciteit) van de ruimtelijke omgeving bij een veranderend klimaat. Uit analyses blijkt dat het gebied kwetsbaar is voor hevige neerslag, kweltoename en overstromingen (natter), maar ook voor verdroging (droger) en extreme hitte (warmer). Deze kwetsbaarheden vormen een reële bedreiging voor de leefomgeving van de gemeente.

De Waallinten in het noorden van West Maas en Waal zijn de vier grotere dorpen binnen de gemeente. Doordat het meer versteende dorpen zijn, hebben ze meer last van 'stedelijke' klimaatproblemen, zoals:

  • Hittestress;
  • Wateroverlast;
  • Overmatige verharding.

Onderstaande figuur toont de ambities voor de klimaatadaptieve inrichting van de bebouwde omgeving van Dreumel. De hierin vervatte regels moeten als uitgangspunt worden meegenomen bij nieuwe ruimtelijke initatieven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.DREDorpstraat28a-BOH1_0011.jpg"

Figuur 3.4: Klimaatadaptatieplan Dreumel

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie

Het plangebied is in het klimaatadaptatieplan gedeeltelijk aangeduid als stedelijk gebied. Onderhavig bestemmingsplan maakt de herontwikkeling van het plangebied van bedrijfsperceel tot woonperceel mogelijk. De uitgangspunten en regels met betrekking tot de klimaatadaptieve inrichting van het plangebied zijn derhalve van toepassing op de ontwikkeling. Om een klimaatadaptieve inrichting te realiseren zijn groen en water van groot belang. In 2.2 Toekomstige situatie is de beoogde inrichting van het plangebied toegelicht.

De tuinen van de beoogde woningen zullen voor meer dan 50% onverhard worden ingericht. Parkeerplaatsen en ontsluitingen op de openbare weg worden met halfverharding uitgevoerd. Hiermee is de toepassing verhard oppervlak zo veel mogelijk beperkt. Ten behoeve van landschappelijke inpassing en schaduwwerking worden hoogstam-fruitbomen aangeplant. Hoogstam fruitbomen worden vaak 5 tot 7 meter hoog. Met deze hoogte zullen de bomen resulturen in schaduwwerking ter plaatse van de tuin en de omliggende percelen en woningen. In het kader van klimaatadaptatie en specifiek hittestress dragen de bomen derhalve bij aan de klimaatadaptiviteit van het plangebied. Tevens worden beukenhagen toegepast. Hemelwater van verharding wordt gescheiden op de perceelsgrens aangeboden zodat dit kan worden ontkoppeld op een infiltratieriool. Het plangebied betreft een voormalige vluchtheuvel, de waargenomen grondwaterstand is 3,7 m-mv. De bodem bestaat uit matig fijn zand, danwel klei sterk en matig zandig. Gelet hierop is infiltratie van overig hemelwater in de tuin mogelijk.

Op basis van het voorgaande voldoet het plan grotendeels aan de in het beleid genoemde regels voor nieuwe initiatieven.

In de bestaande situatie is het perceel zo goed als volledig verhard. Deze verharding kan met betrekking tot de gevolgen van klimaatverandering resulteren in negatieve gevolgen voor de waterhuishouding en hittestress (urban heat island). Als gevolg van de ontwikkeling neemt de mate van verharding sterk af (circa 850 m2). Onderhavig plan draagt daarmee bij aan het voorkomen van wateroverlast en hittestress. De externe werking, dus het afwentelen van wateroverlast en hittestress op de omliggende percelen, wordt bovendien verminderd.

Al met al voorziet de beoogde ontwikkeling in de klimaatadaptieve herontwikkeling van bestaand stedelijk gebied ten behoeve van woningbouw. Dit is in lijn met het klimaatadaptatieplan en geconcludeerd wordt dat onderhavig bestemmingsplan geen afbreuk doet aan de ambitie en visie met betrekking tot de klimaatadaptative inrichting van in West Maas en Waal.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Algemeen

Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de in dit kader van belang zijnde milieu- en omgevingsaspecten.

4.2 Bodem

4.2.1 Algemeen

Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf.

4.2.2 Onderzoek
4.2.2.1 Verkennend bodemonderzoek

Om de bodemkwaliteit ter plekke van het plangebied in beeld te brengen is door Lycens B.V. een historisch en verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 1 Verkennend bodemonderzoek behorend bij de toelichting van het bestemmingsplan. De belangrijkste conclusies en aanbevelingen zijn hieronder weergegeven.

Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat ter plaatse van deellocatie A overeenkomstig met het nader onderzoek uit 2006 een sterke verontreiniging met minerale olie is aangetoond in de ondergrond. De omvang van de verontreiniging is op dit moment onbekend. Tijdens voorgaand onderzoek is reeds geconcludeerd dat de verontreiniging voor 1987 is ontstaan. Er dient nader onderzoek uitgevoerd te worden om de omvang van deze verontreiniging vast te stellen. De sterke verontreiniging vormt een belemmering voor de geplande planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herontwikkeling van de locatie.

De in het grondwater gemeten concentratie aan minerale olie ter plaatse van deellocatie A overschrijdt de streefwaarde in geringe mate. Nader grondwateronderzoek wordt om die reden vooralsnog niet noodzakelijk geacht. Tijdens het nader onderzoek naar de verontreinigingssituatie in grond dient echter wel aandacht te worden besteedt aan een eventuele (sterke) grondwaterverontreiniging elders op dit terreindeel. Bij het vermoeden van verontreiniging kan alsnog nader grondwateronderzoek noodzakelijk zijn.

De (elders) gemeten hooguit licht verhoogde gehalten vormen geen belemmering voor de geplande planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herontwikkeling van de locatie.

De gestelde hypothese dat de locatie (buiten deellocaties A en B) als "onverdacht" beschouwd kan worden ten aanzien van chemische parameters is niet juist gebleken op basis van de aangetoonde licht verhoogde gehalten en concentraties in grond en grondwater. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter een representatief beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. De gestelde hypothese dat de deellocaties A en B als "verdacht" beschouwd kunnen worden ten aanzien van olieproducten is op basis van de licht tot sterk verhoogde gehalten in grond en de licht verhoogde concentraties in grondwater juist gebleken.

Lood

Uit de analyseresultaten blijkt dat de baksteen- en kolengruishoudende bovengrond een matig verhoogd gehalte aan lood bevat. Uit de resultaten van de uitsplitsing van het mengmonster van de bovengrond blijkt dat in boringen 01, 05, 06 en 08 licht verhoogde gehalten aan lood zijn aangetoond in de bovengrond. De licht verhoogde gehalten zijn vermoedelijk te relateren aan de waargenomen bodemvreemde bijmengingen met baksteen en kolengruis. In de bovengrond van boringen 03 en 07 zijn geen lood gehalten boven de achtergrondwaarde aangetoond. Het is niet duidelijk wat het matig verhoogde gehalte aan lood in het mengmonster heeft veroorzaakt. Aangezien de deelmonsters separaat zijn onderzocht worden de resultaten van de uitsplitsing representatief geacht. De gemeten licht verhoogde gehalten vormen geen belemmering voor de geplande planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herontwikkeling van de locatie.

De gehalten aan lood liggen boven de 90 mg/kg ds waardoor sprake is van gezondheidsrisico’s voor spelende kinderen indien zij in contact komen met "kale" grond (onverhard maaiveld). Dit is gebaseerd op een document dat is opgesteld door de GGD, aan dit document zijn geen wettelijke verplichtingen verbonden. In de huidige situatie is grotendeels sprake van een met klinkerverhard terrein. In de toekomstige situatie zal het perceel deels als tuin (onverhard) in gebruik zijn.

Om het optreden van gezondheidsrisico's voor, in de toekomstige tuinen, spelende kinderen te voorkomen kunnen deze risico's gemitigeerd of weggenomen worden.

De laag waarin de verhoogde lood gehalten zijn aangetoond bevindt zich onder een dunne zandlaag. Er bestaan daardoor geen directe contactmogelijkheden met de (uit klei bestaande) bodem waarin de lood gehalten zijn aangetoond. In het kader van de ontwikkeling wordt deze laag bij de uitvoering van de werkzaamheden zo veel mogelijk intact gehouden. Tevens wordt extra grond toegepast om te compenseren voor de verharding die wordt verwijderd en om het perceel te egaliseren. Hierdoor zal in de toekomstige situatie sprake zijn van een zodanige buffer tussen maaiveld en de vervuilde grond dat geen sprake is van een gezondheidsrisico voor spelende kinderen.

De in het verkennend bodemonderzoek aangetoonde loodgehalten vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.2.2.2 Nader & aanvullend bodemonderzoek

De aanleiding voor het nader onderzoek, dat is bijgevoegd als Bijlage 2 Nader bodemonderzoek, is de geplande planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herontwikkeling van de locatie. In het kader hiervan is reeds een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Lycens B.V. op de locatie Dorpsstraat 28A te Dreumel (projectnummer 2022-0361, d.d. 7 september 2022). Uit het verkennend bodemonderzoek is gebleken dat op het zuidoostelijke deel van de onderzoekslocatie een sterke verontreiniging aanwezig is met minerale olie.

Het doel van het nader bodemonderzoek is het bepalen van de omvang van de aangetoonde sterke verontreiniging. Op basis hiervan kan bepaald worden of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Tijdens het aanvullend onderzoek naar bestrijdingsmiddelen is in de bovengrond een zeer licht verhoogd gehalte aan DDD aangetoond. Dit is vermoedelijk te relateren aan het (mogelijke) historische gebruik van de locatie als boomgaard.

Chemisch-analytisch zijn in geen van de afperkende monsters minerale olie gehalten boven de detectiegrens aangetoond. Hiermee is de verontreiniging in zowel verticale als horizontale richting volledig afgeperkt. Op basis van de onderzoeksgegevens is het terreindeel over een oppervlakte van circa 12 m² sterk verontreinigd tussen circa 2,0 en 4,0 m-mv. De omvang van de sterke verontreiniging komt hiermee neer op circa 24 m³. Aangezien het volumecriterium van 25 m³ sterk verontreinigde grond niet wordt overschreden is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Zoals eerder beschreven is de verontreiniging voor 1987 ontstaan waardoor sprake is van een historische verontreiniging waarop de zorgplicht uit de Wet bodembescherming niet van toepassing is. De verontreiniging is hiermee en door de omvang niet direct saneringsplichtig. De verontreiniging kan echter een belemmering vormen voor een eventuele herontwikkeling van de locatie. Het is immers niet zondermeer toegestaan om graafwerkzaamheden in sterk verontreinigde grond uit te voeren. Bovendien kan de sterke verontreiniging een belemmering vormen voor het toekomstige gebruik van de locatie.

Derhalve dient de verontreinigde grond, die in het kader van de uitvoeringswerkzaamheden wordt geroerd door graafwerkzaamheden, gesaneerd te worden. Verontreinigde grond die niet wordt geroerd hoeft niet gesaneerd te worden. Om de bodemkwaliteit geschikt te maken voor de werkzaamheden moeten de volgende maatregelen worden genomen:

  • Plan van aanpak voor de sanering van de sterke grondverontreiniging met minerale olie. Het plan van aanpak dient met het bevoegd gezag te worden overlegd. De bodemsanering kan plaatsvinden gedurende of na de sloop van de loods te worden uitgevoerd. Bij de sloop van de loods dient niet in de sterke grondverontreiniging te worden gegraven;
  • De sanering van de sterke grondverontreiniging met minerale olie wordt door BRL 6000 en BL 7000 erkende en gecertificeerde bedrijven uitgevoerd;
  • Het evaluatierapport van de sanering van de sterke grondverontreiniging dient ter goedkeuring te worden ingediend bij het bevoegd gezag. Uit het evaluatierapport dient te blijken dat ter plaatse van de loods de bodemkwaliteit geschikt is voor de bestemming wonen.
4.2.3 Conclusie

Met de bodemonderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie gelegen aan de Dorpsstraat 28a in beeld gebracht. Buiten de sterke verontreiniging zijn (tijdens het verkennend en aanvullend bodemonderzoek) hooguit licht verhoogde gehalten aangetoond welke geen belemmering vormen voor de geplande planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herontwikkeling van de locatie.

4.3 Water en klimaatadaptatie

4.3.1 Algemeen

Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing:

  • Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2022 - 2027, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water;
  • Provinciaal beleid: Omgevingsvisie Gelderland;
  • Waterschapsbeleid: Watervisie 2050, Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 'Versterken, verbinden, vergroenen', Nota riolering 'Samen door één buis' (2019) en de Keur voor waterkeringen en wateren;
  • Gemeente: Beleidsplan Water en Riolering 2023-2027;
  • Klimaatadaptatieplan gemeente West Maas en Waal.

Nationaal beleid

Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid tot 2027, met een vooruitblik richting 2050. Het Rijk speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen. De mate van bepalendheid wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied.

Beleid waterschap

Het Waterbeheerprogramma beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022 - 2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit.

De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als:

  • 1. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren.
  • 2. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater moeten worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100 % afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding).
  • 3. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk.

Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit:

De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm.

De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt vooral voor droogvallende voorzieningen.

Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen.

Beleid gemeente

De gemeenteraad heeft het 'Beleidsplan Water en Riolering 2023-2027' vastgesteld. Doel van het beleid is het gemeentelijk (afval)watersysteem en de functies ervan te waarborgen. Deze functies zijn onder andere:

  • Het beschermen van de volksgezondheid;
  • Het schoonhouden van de bodem en het oppervlaktewater;
  • Het verminderen van overlast en het voorkomen van schade doorhevige regenval;
  • Het voorkomen en beperken van structureel nadelige gevolgen van te hoge- of te lage grondwaterstanden.

Met dit beleid wil de gemeente een duurzame toekomstgerichte en klimaatbestendige inrichting van de openbare ruimte behouden én realiseren. Het bodem- en watersysteem zijn sturend in de planvorming. Het beleidsplan beschrijft de meest belangrijke ambities, doelen en opgaven.

4.3.2 Onderzoek

Om in een goede waterhuishoudkundige inrichting, en daarmee tevens een goede ruimtelijke ordening, te voorzien worden navolgend het bestaande en toekomstige watersysteem beschreven. Op 4 december 2021 is het waterschap Rivierenland geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Het toets resultaat is opgenomen in Bijlage 3 Watertoets behorend bij de toelichting van dit bestemmingsplan. Uit de toets blijkt dat de normale watertoetsprocedure gevolgd dient te worden. Een aantal onderdelen dient daarbij gemotiveerd te worden.

Binnen het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren, waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging.

Grondwateroverlast voorkomen

Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. Het waterschap adviseert voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,00 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,30 meter. Zo wordt grondwateroverlast voorkomen. In gebieden met hoge grondwaterstanden kunnen maatregelen genomen worden. Voorbeelden van maatregelen zijn het ophogen van het maaiveld of bouwen zonder kruipruimte.

In voorliggend geval wordt de bestaande woning verbouwd tot twee meergeneratiewoningen. Bij de nieuwe eengezinswoning worden de adviezen voor drooglegging in acht genomen.

Infiltreren van hemelwater

Het waterschap wenst dat elk plan grondwaterneutraal is. Dit kan door hemelwater te laten infiltreren in de bodem. Zo hou je water vast voor drogere perioden. Dit kan alleen in gebieden waar de grondwaterstanden en de bodemopbouw dat toelaten.

Het plangebied ligt in een kwelgevoelig gebied en aangeduid wordt dat hier een significante toename aan kwel in 2050 wordt verwacht. Het is derhalve niet mogelijk en gewenst om op grote schaal hemelwater van verharding te infiltreren in de bodem.

In de bestaande situatie is het perceel zo goed als volledig verhard. Deze verharding kan met betrekking tot de gevolgen van klimaatverandering resulteren in negatieve gevolgen voor de waterhuishouding. Als gevolg van de ontwikkeling neemt de mate van verharding sterk af (circa 850 m2). In de toekomstige situatie is daarmee meer ruimte voor de natuurlijke infiltratie van hemelwater. Hemelwater dat in de tuin valt kan hier in de bodem infiltreren.

Hemelwater van verharding wordt gescheiden aangebodem op de perceelsgrens zodat het kan worden afgevoerd op een infiltratieriool. Hiermee wordt ingespeeld op de plaatselijke infiltratiecapaciteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.DREDorpstraat28a-BOH1_0012.jpg"

Figuur 4.1: toekomstige inrichting plangebied

Watercompensatie ter voorkoming van een overvloed aan oppervlaktewater

Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Verder kan aanleg van extra waterberging noodzakelijk zijn om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat. Zo wordt het verlies van berging in de bodem gecompenseerd. Het is mogelijk dat een plan voor een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht in aanmerking komt. De eenmalige vrijstelling geldt bij een toename in verharding van minder dan 500 m² in stedelijk gebied en minder dan 1500 m² in landelijk gebied.

In onderstaande figuur is de toename van het verharde oppervlak weergegeven. In totaal is er sprake van een afname van 848 m2 verharding en bebouwing. Als er wordt gekeken naar de nieuwe bebouwing en verharding wordt er 380 m2 toegevoegd, daarmee kan gebruik worden gemaakt van de vrijstelling van 500 m2. Een watercompensatie wordt niet noodzakelijk geacht en het plan is met de afname van verharding een verbetering van de waterhuishoudkundige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.DREDorpstraat28a-BOH1_0013.png"

Figuur 4.2: afname verharding

Klimaatadaptatie

Op basis van de klimaatatlas gemeente West Maas en Waal is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen als gevolg van klimaatverandering. De volgende gevolgen van klimaatverandering zijn in kaart gebracht: wateroverlast, hittestress, droogte en overstroming.

Wateroverlast

Op de kaarten van de klimaateffectatlas is zichtbaar dat het plangebied niet onder water komt te staan bij buien van meer dan 140 mm/2 uur. Tevens neemt de mate van verharding ter plaatse van het plangebied af waardoor water beter de mogelijk heeft te infiltreren in plaats van af te vloeien naar omliggende percelen. Wateroverlast vormt op basis van het voorgaande geen beletsel voor onderhavig plan.

Hittestress

Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat de temperatuur in het plangebied normaal zal zijn (niet extra koeler of extra warmer) op warme dagen. Het verminderen van verharding met circa 850 m2 is tevens bevorderlijk voor het verminderen en voorkomen van een toename van hitte. De aanwezigheid van groen zorgt namelijk voor verdampingskoeling. De bestaande bomen bieden schaduwrijke plekken en zullen derhalve helpen tegen hittestress. De nieuw aan te planten hoogstam fruitbomen zullen leiden tot schaduwwerking ter plaatse van het plangebied en de omliggende percelen. Schaduwwerking draagt bij aan het voorkomen van hittestress.

Daarnaast is sprake van nieuwbouwwoningen die goed geïsoleerd zijn conform de huidige normen. Daarmee zijn de woningen ook minder gevoelig voor de opwarming van de aarde; dit is relevant voor warmte in de nachtelijke periodes.

Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat in voorliggend plan voldoende wordt ingezet op het voorkomen en beperken van mogelijke risico's door hittestress als gevolg van klimaatverandering.

Droogte

Op basis van onderstaande kaartbeeld wordt ter plaatse van het plangebied een neerslagtekort van 210 - 240 mm neerslag verwacht in 2050 op basis van een ongunstig klimaatscenario. Er is daarmee sprake van een droogterisico. Droogte kan leiden tot schade aan groenstructuren (gras, erfbeplanting, bomen). Om dergelijke structuren niet te laten afsterven kan het noodzakelijk zijn extra (drink)water te sproeien. Dit draagt bij aan watertekorten en moet voorkomen worden. Het natuurlijk laten infiltreren en vasthouden van hemelwater is daarom belangrijk. Als gevolg van het plan zal meer hemelwater infiltreren in de bodem, droogte zal hierdoor minder snel tot grote schade leiden. Tevens zou het gebruiken van regentonnen voor het vasthouden van hemelwater voor besproeiing van de tuin goed zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.DREDorpstraat28a-BOH1_0014.jpg"

Figuur 4.3: potentieel maximaal neerslagtekort (gemiddeld)

Het plangebied ligt niet in een gebied waar een grotere kans op natuurbranden is bij langdurige droogte. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat in voorliggend plan voldoende wordt ingezet op het voorkomen of beperken van mogelijke risico's door droogte als gevolg van klimaatverandering.

Overstroming

De klimaateffectatlas toont dat het plangebied bij het bezwijken van een dijk van de Waal niet in de overstromingszone ligt. Er bestaat daarentegen een kleine overstromingskans (1x per 300 tot 3000 jaar) in 2050 op meer dan 50 cm water. Daarnaast is er een zeer kleine overstromingskans op meer dan 200 cm (1x per 3.000 tot 30.000 jaar). Gezien de geringe overstromingskans wordt daarnaast het mogelijke plaatsgebonden risico als gevolg van overstroming door het bezwijken van een dijk van de Waal geaccepteerd. Daarnaast wordt verwacht dat de Waterschappen c.q. verantwoordelijke medeoverheden zich inzetten om zorg te dragen voor een goede waterveiligheid in het stroomgebied van de Waal.

4.3.3 Conclusie

Op basis van voorgaande waterparagraaf voldoen dit bestemmingsplan en de daarin mogelijk gemaakt ontwikkeling aan het waterbeleid. Met betrekking tot klimaatadaptatie wordt geconcludeerd dat risico's als gevolg van klimaatverandering niet van zodanige aard zijn dat deze een belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling van woningbouw. Het aspect water en klimaatadaptatie vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.4 Erfgoed

4.4.1 Archeologie

Algemeen

Wet op de archeologische monumentenzorg

In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven.

Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.

Onderzoek

De gemeente West Maas en Waal heeft archeologisch beleid opgesteld (maart 2014 vastgesteld). Dit beleid geldt voor de gehele gemeente en is vastgelegd in het bestemmingsplan "Dorpen, actualisatie 2021". In onderstaande figuur is een uitsnede van het bestemmingsplan opgenomen. Binnen het plangebied geldt de archeologische dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1". Voor archeologie waarde 1 geldt dat bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 40 cm of/dan wel ophogen groter dan 100m2 en hoger dan 70 cm onderzoeksplichtig zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.DREDorpstraat28a-BOH1_0015.jpg"

Figuur 4.4: uitsnede archeologische bestemming in het plangebied

Conclusie

In de voorgenomen ontwikkeling wordt de bestaande bedrijfswoning intern verbouwd tot twee meergeneratiewoningen, hiermee zijn geen grondroerende werkzaamheden gemoeid. Voor de bouw van de vrijstaande woning zijn wel grondroerende werkzaamheden nodig, echter is de nieuwe woning circa 60 m2. Hiermee worden de vrijstellingsgrenzen niet overschreden. Het is dan ook niet te verwachten dat er sprake zal zijn van verlies of beschadiging van enige archeologische waarden. Daarom wordt archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. De dubbelbestemming is tevens over genomen in de regels van het bestemmingsplan, waarmee de archeologische waarden planologisch geborgd zijn.

Er bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

4.4.2 Cultuurhistorie

Algemeen

In de visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang.

In de visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat.

Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren:

  • 1. werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten;
  • 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren;
  • 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp;
  • 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie;
  • 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk.

Onderzoek

De provinciale waardenkaart en de gemeentelijke monumentenlijst zijn geraadpleegd, op basis van deze bronnen wordt gesteld dat er geen monumenten aanwezig zijn in het plangebied. Het woonhuis dateert van circa 1970 en is niet aangemerkt met een cultuurhistorische status. Ondanks het ontbreken van monumenten in het plangebied zijn er cultuurhistorische aspecten aanwezig in het plangebied volgens de Kwaliteitskaart van het Dorpspaspoort Dreumel. Het gaat in dit geval om een voormalige vluchtheuvel en een waardevol historisch wegtracé. In het ontwerp is rekening gehouden met behoud van het historisch wegtracé waardoor deze niet in zijn waarde wordt aangetast. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt bestaat er geen belemmering tegen de geringe nieuwbouw. Ook bestaat er geen beletsel tegen de sloop van de werkplaats en de loods. Sterker nog, de sloop van de loods heeft een positieve invloed op het landschap, omdat het zicht op de voormalige vluchtheuvel wordt hersteld. Het open groene karakter wordt daarmee versterkt.

Conclusie

Binnen het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. De bebouwing in het plangebied is niet aangewezen als (rijks)monument en het betreffen geen (bijzondere) karakteristieke gebouwen. Ondanks de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden worden deze niet geschaad als gevolg van de realisatie van onderhavig plan. Het zicht op de voormalige vluchtheuvel wordt zelfs hersteld en versterkt. Het aspect cultuurhistorie vormt geen derhalve belemmering voor de realisatie van het voorliggende plan.

4.5 Flora en fauna

4.5.1 Algemeen

Wet natuurbescherming

De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken.

Natura 2000

De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming. Natura 2000-is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden. In een habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend.

Soortbescherming

De Wet natuurbescherming kent naast het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden drie beschermingscategorieën onder het hoofdstuk 'soortbescherming':

  • 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels op grond van de Vogelrichtlijn (art 3.1).
  • 2. Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (art. 3.5).
  • 3. Nationaal beschermde 'andere soorten' (art.3.10) als vermeld in Bijlage A van de Wet Natuurbescherming alsmede alle de vaatplanten van de soorten genoemd in bijlage B van de Wet Natuurbescherming.

De Soortbescherming is alleen (met uitzondering van de zorgplicht) van toepassing op soorten genoemd onder deze drie beschermingscategorieën.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd. Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden.

Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Wanneer bij ruimtelijke ontwikkelingen een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd dient altijd een 'Nee, tenzij'- toets te worden uitgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden.

4.5.2 Onderzoek

In het kader van de Wet natuurbescherming is door MBH Consult een natuuronderzoek uitgevoerd, de bijbehorende rapportage is bijgevoegd in Bijlage 4 Quickscan wet natuurbescherming. Onderstaand zijn de bevindingen beknopt weergeven.

Gebiedsbescherming

Gezien de ligging ten opzichte van de Natura 2000-gebieden en uit te voeren activiteiten, (sloop en nieuwbouw), zijn geen directe effecten op de Natura2000-gebieden te verwachten. Wel kan er een mogelijk indirecte effect stikstofdepositie optreden. Derhalve is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd, de bevindingen zijn beschreven in 4.6 Stikstof. Nu het plangebied niet in het Gelders natuurnetwerk als genoemd in de Omgevingsverordening Gelderland (februari 2022) van de provincie Gelderland (Rijksoverheid, 2022) ligt, is geen sprake van aantasting van NNN.

Gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Soortenbescherming

In het onderzoek is geconcludeerd dat een vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van de huismus noodzakelijk is. Alle vogelnesten in functie zijn beschermd. Alle werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen (circa 15 maart –15 juli) plaats te vinden. Wanneer de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd, dient vooraf een broedvogelcheck te worden gedaan door een deskundige. Wanneer nesten worden aangetroffen die in gebruik zijn, dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden totdat het nest verlaten is. Er dient altijd rekening gehouden te worden met de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb).

Door MBH Consult is het vervolgonderzoek naar de huismus uitgevoerd, de bijbehorende rapportage is bijgevoegd in Bijlage 5 Vervolgonderzoek wet natuurbescherming. Tijdens het onderzoek zijn onder de pannen geen nesten waargenomen. Er zijn geen sporen zoals ontlasting en nestmateriaal waargenomen. In de omgeving zijn geen huismussen gehoord of gezien. Direct nadat is vastgesteld dat onder het dak geen enkel nest aanwezig is en huismussen geen gebruik maken van de ruimte onder de dakpannen is vogelschroot geplaats om te voorkomen dat huismussen zich in de toekomst alsnog onder de pannen kunnen vestigen.

De sloop van de schuur leidt niet tot een overtreding van verbodsbepaling artikel 3.1 lid 1(doden of vangen), lid 2 (verwijderen of vernielen nestplaatsen) en lid 4 (verstoren) van de Wet natuurbescherming. Een ontheffing of het treffen van mitigerende maatregelen is niet aan de orde.

Soortenbescherming vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Houtpopstanden

Er worden geen bomen gekapt in het plangebied. Het onderdeel Houtopstanden uit de Wet natuurbescherming is daarom niet van toepassing.

4.5.3 Conclusie

In het voorgaande is aangetoond dat het aspect flora en fauna geen belemmering vormt voor de vaststelling van voorliggend plan.

4.6 Stikstof

4.6.1 Algemeen

Ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen dient onderbouwt te worden of er sprake is van een significant negatief effect op omliggende Natura 2000-gebieden door de mogelijke toename aan stikstofdepositie afkomst van het plangebied. Als gevolg van de herontwikkeling van het plangebied ten behoeve van woningbouw neemt het aantal verkeersbewegingen van en naar het onderzoeksgebied, tijdens de gebruiksfase en de realisatiefase (tijdelijk), mogelijk toe ten opzichte van de huidige situatie. Gelet op de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van Natura 2000-gebied en gelet op de ligging binnen de bebouwde kom, kan een negatief effect van stikstof op een Natura 2000-gebied niet uitgesloten worden. Zodra er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar zijn, is er geen belemmering voor een plan op het gebied van stikstofdepositie.

4.6.2 Onderzoek

In dit geval ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Rijntakken' op een afstand van circa 500 meter. Om de stikstofdepositie van de ontwikkeling en kaart te brengen is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 6 Stikstofdepositieberekening. Uit de rekenresultaten van Aerius-calculator is gebleken dat als gevolg van onderhavig project zowel in de gebruiksfase als in de realisatiefase geen sprake is van stikstofdeposities op de omliggende Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol/ha/j. Stikstofemissie afkomstig van onderhavig project heeft geen significant negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstof in relatie tot Natura 2000 vormt geen belemmering voor de realisatie van het bouwplan en de verlening van de 'omgevingsvergunning, activiteit bouwen'. Daarnaast is geen (natuur)vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk, omdat er geen sprake is van een depositie hoger dan 0,00 mol/ha/j.

4.6.3 Conclusie

Het aspect stikstof vormt geen beletsel voor onderhavig plan.

4.7 Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai

4.7.1 Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen.

Wegverkeerslawaai

Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van:

  • de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied;
  • het aantal rijstroken.

In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:

  • wegen met een of twee rijstroken: 200 meter;
  • wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter.

In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:

  • wegen met een of twee rijstroken: 250 meter;
  • wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter;
  • wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter.

De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone:

  • wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied;
  • wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur.

Spoorweglawaai

Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen.

De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie.

Industrielawaai

Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art. 41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen.

De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd.

4.7.2 Onderzoek

In de omgeving van het plangebied zijn geen industrie terreinen of spoorwegen aanwezig, daarmee vormen deze geen belemmering voor de ontwikkeling. De woningen liggen aan de Dorpsstraat, dit betreft een 30 km/u weg. Om de geluidsbelasting van deze weg te berekenen is door Pull Rhenen een akoestisch onderzoek uitgevoerd welke terug te vinden is in Bijlage 7 Akoestisch onderzoek wegverkeer.

Op basis van het onderzoek kan worden gesteld dat het plangebied niet binnen de zone van een weg ligt. Alle nabij gelegen wegen zijn 30 km/uur-wegen, die volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geen zone hebben. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet het geluid van die wegen wel worden onderzocht. Daarom zijn voor het bouwplan de geluidsbelastingen ten gevolge van die 30 km/ uur-wegen berekend. De resultaten zijn getoetst aan de grenswaarde uit de Wgh.

Het geringe aanbod van wegverkeer in de Dorpsstraat zal geen belemmering vormen voor de ontwikkeling van het plan .De gemeten geluidswaarden vallen ruim onder de voorkeursgrenswaarde. De voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder (48 dB) wordt dus niet overschreden. De berekende geluidsbelastingen zijn opgenomen in Bijlage 7 Akoestisch onderzoek wegverkeer.

4.7.3 Conclusie

Het aspect wegverkeerslawaai geeft geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Aanvullend onderzoek naar wegverkeerslawaai is niet nodig.

4.8 Luchtkwaliteit

4.8.1 Algemeen

De 'Wet milieubeheer' is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:

  • negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken;
  • mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De paragraaf luchtkwaliteit in de 'Wet milieubeheer' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt, wat wil zeggen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3% ten opzichte van de grenswaarde);
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden, nadat de EU op 7 april 2009 derogatie heeft verleend.

NIBM-grens woningbouwlocatie, 3% criterium:

  • < 1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg, met een gelijkmatige verkeersverdeling;
  • < 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
4.8.2 Onderzoek

Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een drie woningen. De NIBM grens voor woningbouw wordt daarmee niet overschreden, de ontwikkeling kan daarom worden gezien als "niet In betekenende mate".

4.8.3 Conclusie

Het voorliggende plan past binnen de gestelde luchtkwaliteitseisen zoals beschreven in de 'Wet luchtkwaliteit' en vormt daarmee geen belemmering.

4.9 Geur

4.9.1 Algemeen

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader s als volgt:

  • voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object;
  • voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand voor veehouderijen ten opzichte van geurgevoelige objecten.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object (zoals een woning) in vier situaties, deze zijn weergegeven in de volgende tabel.

  binnen bebouwde kom   buiten bebouwde kom  
concentratiegebieden   3,0 (in ou/m3)   14,0 (in ou/m3  
niet concentratiegebieden   2,0 (in ou/m3)   8,0 (in ou/m3)  

Geurnormen Wet geurhinder en veehouderij

Voor veehouderijen met diercategorieën waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld geldt op grond van artikel 4 van de wet een minimumafstand ten opzichte van een geurgevoelig object. Binnen de bebouwde kom is deze minimumafstand 100 meter en daarbuiten 50 meter. Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij gelden niet de maximale geurbelastingen, maar gelden ook deze minimumafstanden.

Verder moet op grond van artikel 5 van de Wgv een minimale afstand tussen de gevel van een geurgevoelig object en de gevel van het dierenverblijf worden aangehouden. Deze afstand bedraagt ten minste 50 m voor objecten binnen de bebouwde kom en ten minste 25 m voor objecten buiten de bebouwde kom.

4.9.2 Onderzoek

Er is geen sprake van agrarische bedrijven in de directe omgeving met een geurcontour die (deels) over het plangebied gelegen is.

4.9.3 Conclusie

Het aspect 'geurhinder' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.10 Bedrijven en milieuzonering

Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wro, dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'.

VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering"

Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode).

De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken.

Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.).

Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype

Milieucategorie   Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk en buitengebied   Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn.

Spuitzones

Bij het mogelijk maken van een nieuwe voor drift gevoelige bestemming in de nabijheid van bestemmingen, die het toepassen van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet uitsluiten, is aandacht voor spuitzones nodig. Dit in verband met de risico's voor de volksgezondheid, vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift.

Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld, die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging, waardoor mens en dier in contact kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico's voor de gezondheid inhouden.

Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een spuitzone voor een voor driftgevoelige bestemming aangehouden van 50 m, gemeten vanaf de bestemmingsgrens. Deze 50 m is in diverse uitspraken van de Raad van State als “in het algemeen niet onredelijk” bevonden en geldt als een vaste richtafstand, waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Een kleinere afstand is dus mogelijk, mits dat goed onderbouwd wordt.

De richtafstand is in de open teelt met name van belang voor boomkwekerijen en boomgaarden, omdat gewasbeschermingsmiddelen daarbij niet alleen neerwaarts worden gespoten (onkruidbestrijding) maar ook zij- en opwaarts (voorkomen en bestrijden schimmels en plaagdieren). Omdat bij opwaarts spuiten de vloeistof op een grotere hoogte vrijkomt en er daardoor meer kans is op verspreiding, veroorzaakt het opwaarts spuiten de meeste drift en is om die reden maatgevend voor gezondheidsrisico's. Aanvullend is het zo dat het middelengebruik in de fruitteelt aanzienlijk hoger ligt dan in de boomteelt. Ook wat betreft toxiciteit van de gebruikte middelen scoort de fruitteelt het hoogst en is die teelt als maatgevend voor de spuitzone te beschouwen.

Activiteitenbesluit

Vanaf 1 januari 2018 is het vanuit het Activiteitenbesluit milieubeheer verplicht een 75 % reducerende spuittechniek (DRT75) toe te passen binnen een boomgaard. Bij teelt van in opwaartse of zijwaartse richting te bespuiten boomkwekerijgewassen geldt op basis van artikel 3.80a van het Activiteitenbesluit de verplichting tot toepassen van een 75% reducerende spuittechniek vanaf 1 januari 2021.

4.10.1 Onderzoek

Bedrijven

De omgeving van het plangebied kenmerkt zich hoofdzakelijk door woonbestemmingen. Ten zuiden van het plangebied ligt een winkelcentrum die detailhandel mogelijk maakt. Detailhandelfuncties kennen conform de VNG bedrijven en milieuzonering een richtafstand van 10 meter. De afstand van deze bestemming tot aan het plangebied is circa 40 meter, waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstand. De overige bedrijven liggen op dermate grote afstand dat deze geen belemmering zijn voor het planvoornemen. De omgeving kenmerkt zich door woonbestemmingen die voor alle omliggende bedrijven al de beperkende factor zijn. Het verwijderen van de bedrijfsbestemming in het plangebied heeft zelfs een positief effect op de bedrijven en milieuzonering in het plangebied en omgeving. Dit betekent dat de beoogde woningen ter plaatse van het plangebied geen bedrijven in hun bedrijfsvoering schaden en andersom de toekomstige woningen geen overlast ondervinden van de aanwezige bedrijvigheid. Er is dus sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Spuitzones

Ten noordwesten van het plangebied liggen gronden die zijn bestemd als 'Agrarisch', waarbij fruitboomgaard ligt. De richtafstand tot de nieuwe woningen is circa 50 meter. Opgemerkt wordt dat tussen het plangebied en de fruitboomgaard diverse woningen liggen die de verspreiding van eventuele gewasbeschermingsmiddelen tegengaan. Het toevoegen van de woningen geldt niet als belemmering voor de bedrijfsvoering, er liggen immers rondom de fruitboomgaard al woningen.

4.10.2 Conclusie

Op basis van vorenstaande wordt gesteld dat er geen sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast worden omliggende bedrijven niet beperkt in hun bedrijfsvoering.

4.11 Externe veiligheid

4.11.1 Algemeen

Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan.

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.

4.11.2 Onderzoek

Om uitspraken te kunnen doen over de externe veiligheid zijn de risicokaart Nederland en regionale signaleringskaarten geraadpleegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.DREDorpstraat28a-BOH1_0016.png"

Figuur 4.6: uitsnede risicokaart

Risicovolle bedrijven

Binnen de beoogde bestemming ‘Wonen’ passen geen risicovolle activiteiten, zoals Bevi-activiteiten. Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege risicovolle inrichtingen.

Vervoer gevaarlijke stoffen

Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van een transportroute is gelegen. De meest nabijgelegen transportroute is de Waal, echter is de afstand dusdanig groot (ruim 1.000 m) dat er geen sprake is van een belemmering.

Buisleidingen

Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstoffen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege buisleidingen.

4.11.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.12 Verkeer en parkeren

4.12.1 Algemeen

Om te bepalen of het plan geen negatieve effecten heeft op omliggende wegen en de parkeersituatie, wordt in deze paragraaf de effecten beschreven van het plan op het verkeer en parkeersituatie. Voor parkeren wordt getoetst aan de voor het plangebied geldende parkeernormen.

4.12.2 Onderzoek

Verkeer

De woningen zullen voor een lichte toename van het aantal verkeersbewegingen zorgen. Bij een gemiddelde van 8 vervoersbewegingen per woning per etmaal, worden er 24 bewegingen per dag gegenereerd. Bij een spitsuur-gemiddelde van 10%, leidt dit tot een beperkt aantal extra verkeersbewegingen. Gelet op de huidige functie als o.a. taxibedrijf zal het aantal verkeersbewegingen zelfs afnemen.

Parkeren

Met de komst van twee woningen, neemt ook het aantal auto's toe. Parkeren van auto's als gevolg van de realisatie van de woningen moet plaatsvinden binnen de begrenzing van voorliggend plan. Het aantal parkeerplaatsen is afhankelijk van het type woning. Het parkeerbeleid van de gemeente West Maas en Waal is opgenomen in de 'Nota Parkeren 2019', hierin zijn ook de parkeernormen opgenomen.

Bij het bepalen van de parkeernorm speelt de ligging van een plangebied een belangrijke rol. In het parkeerbeleid van de gemeente West Maas en Waal wordt uitsluitend onderscheid gemaakt tussen de ligging ‘centrum’ en ‘rest bebouwde kom’. De ‘rest bebouwde kom’ omvat daarmee ook het gebied buiten de bebouwde kom. Reden hiervoor is dat de gemeente West Maas en Waal is aangemerkt als ‘niet stedelijk’. In deze categorie zijn de parkeernormen voor de ligging ‘rest bebouwde kom’ en ‘buitengebied’ hetzelfde.

Onderstaande parkeernormen dienen te worden gehanteerd bij voorliggend plan. In deze norm is het bezoekers aandeel meegenomen. Per woning wordt een bezoekers aandeel van 0,3 gehanteerd.

Tabel 1: parkeernormen 'Parkeernota West Maas en Waal'

Type woning   Parkeernorm per woning  
Vrijstaande woning   2,3  
Meergeneratiewoningen   2,4  
Aandeel bezoekers   0,3  
Totaal   7,2  

Gelet op bovenstaande tabel dient er in het plan ruimte te zijn voor 7 parkeerplaatsen In het plangebied zijn 7 parkeerplaatsen ingetekend, waarmee wordt voldaan aan de Nota Parkeren 2019.

4.12.3 Conclusie

Gelet op het vorenstaande levert de gewenste ontwikkeling geen belemmeringen op voor het aspect 'verkeer en parkeren'.

4.13 Kabels en leidingen

4.13.1 Algemeen

In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.

4.13.2 Onderzoek

Aardgastransportleidingen

In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen.

Hoogspanningsleidingen

In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen.

Rioolleidingen

De rioolleidingen leiden voor dit plan leidt dit niet tot enige belemmering.

Watertransportleidingen

In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen.

Straalverbindingen

In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen .

Kabels en niet planologisch relevante leidingen

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de wettelijk verlichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netwerkbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netwerkbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden. Tijdens het bouwrijp maken van het plangebied worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd.

4.13.3 Conclusie

In en nabij het plangebied van dit bestemmingsplan zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn daarom geen belemmeringen te verwachting. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen.

4.14 M.e.r.-toets

4.14.1 Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:

  • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
  • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
  • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.

Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). In het geval dat een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig.

4.14.2 Onderzoek
4.14.2.1 Drempelwaarden Besluit m.e.r.

In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'.

Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden:

  • een oppervlakte van 100 hectare of meer;
  • een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of
  • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.

Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.

Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de verwachte milieuhinder en cumulatie met andere projecten), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in Hoofdstuk 4 opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets.

4.14.3 Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5 Juridische plantoelichting

5.1 Juridische aspecten

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan.

Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

De planregels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Tenslotte komt in hoofdstuk 4 het overgangsrecht en de slotbepaling aan bod.

Bevoegdheid

Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan echter incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk dan wel de provincie het bevoegd gezag is.

Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.

5.1.1 Inleidende regels
5.1.1.1 Begrippen

In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.

5.1.1.2 Wijze van meten

Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die bij het bouwen in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten.

5.1.2 Bestemmingsregels
5.1.2.1 'Wonen'

De bestemming 'Wonen' wordt opgenomen voor het woonperceel (met eventuele uitbreidingsmogelijkheden van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken).

Bij de bestemming 'Wonen' is de functie wonen toegestaan. Het begrip wonen is gedefinieerd als 'het zelfstandig gehuisvest zijn van één afzonderlijk huishouden'. Dit betekent dat kamerverhuur niet zonder meer is toegestaan.

Hoofdgebouwen worden in het bestemmingsvlak gebouwd. Uitbouwen, aanbouwen en bijgebouwen mogen ook buiten het bouwvlak worden opgericht (tot bepaalde maatvoeringen).

5.1.2.2 'Waarde - Archeologie -1'

De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' zijn opgenomen conform het vigerende bestemmingsplan "Bestemmingsplan archeologie West Maas en Waal". Deze bestemming heeft het doel tot het beschermen van de archeologische waarden ter plekke van het plangebied.

5.1.3 Algemene regels
5.1.3.1 Anti-dubbeltelregel

Het doel van de anti-dubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

5.1.3.2 Algemene gebruiksregels

Daarnaast wordt ter verduidelijking van het plan aangegeven dat het gebruiken van gronden ten behoeve van een seksinrichting in ieder geval strijdig is met de bestemming.

5.1.3.3 Algemene aanduidingsregels

De aanduidingen bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend.

5.1.3.4 Algemene afwijkingsregels

Er is een algemene afwijkingsregel opgenomen wanneer dit voor een betere technische realisering van bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is. Deze afwijkingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak om van de bestemmingsregeling af te wijken dient te worden aangetoond.

5.1.3.5 Algemene wijzigingsregels

In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. De bevoegdheid is bedoeld voor aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein.

5.1.3.6 Algemene procedureregels

Op de voorbereiding van het besluit tot wijziging is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing, met dien verstande dat burgemeester en wethouders binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzagelegging een besluit nemen omtrent de wijziging.

Voor het stellen van nadere eisen is geen procedure opgenomen in de wet. De procedure staat beschreven in hoofdstuk 3 "Algemene regels" van dit bestemmingsplan.

5.1.4 Overgangs- en slotregels
5.1.4.1 Overgangsregels

Voor de overgangsregels is onderscheid gemaakt tussen de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken en de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik. Zowel de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken als de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik gelden vanaf inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat zo weinig mogelijk gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht. Vooraf dient een afweging te worden gemaakt tussen legaliseren (positief bestemmen) dan wel handhaving van illegale situaties. De overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik zijn overgenomen uit artikelen 3.2.1 en 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

5.1.4.2 Slotregel

Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het voorliggende bestemmingsplan.

5.2 Handhaving

De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn:

  • de regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving;
  • handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren;
  • niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving.

Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (onder andere in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijken van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom.

Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol.

Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door:

  • de regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels;
  • het afwijkingenbeleid.

In dit bestemmingsplan is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden.

Verder zijn aan de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Financiële uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure dient op grond van artikel 3.1.6 lid f van het Bro onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan.

Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 is de gemeente verplicht, op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet, tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren in het exploitatiegebied waarmee niet is gecontracteerd. Gemaakte kosten (limitatief opgesomd in artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5 van het Bro) zoals plankosten, onderzoekskosten, kosten van inrichting van de openbare ruimte etc. kunnen worden verhaald door middel van een exploitatieplan dat gelijktijdig met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.

De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro (o.a. bouw van 1 of meer woningen, bouw van 1 of meer hoofdgebouwen). Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van meerdere woningen. Deze ontwikkeling maakt daarmee een bouwplan mogelijk in de zin van artikel 6.2.1 Bro.

De gemeente heeft met de initiatiefnemers een overeenkomst gesloten over grondexploitatie (een anterieure overeenkomst). Hierin zijn afspraken gemaakt over de betaling van de gemeentelijke kosten. De kosten van grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden zijn hiermee anderszins verzekerd. Het maken van een exploitatieplan is niet nodig.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

Wettelijk (voor)overleg

In het Bro is in artikel 3.1.1 opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.


Inspraak

In het kader van inspraak wordt het voorontwerpbestemmingsplan 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode kan één ieder zijn of haar reacties indienen.

Zienswijzen

Het ontwerp bestemmingsplan wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode kunnen belanghebbenden zienswijzen indienen.

Hoofdstuk 7 Procedure en overleg

In dit hoofdstuk is de procedure van het bestemmingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in het algemeen in een bestemmingsplanprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen stappen in de procedure van bestemmingsplan 'Dreumel, Dorpsstraat 28a'.

7.1 Procedurestappen

Een bestemmingsplan kent de volgende procedurestappen:

7.1.1 Ontwerp

Het ontwerp bestemmingsplan wordt behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Een ontwerp bestemmingsplan ligt vervolgens gedurende zes weken ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen bij de gemeenteraad.

7.1.2 Vaststelling

De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast. De ingediende zienswijzen kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp.

7.1.3 Beroep

Nadat de raad het bestemmingsplan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van een beroepsschrift bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Vooroverleg

Het voorontwerp bestemmingsplan heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen.

7.3 Zienswijzen

Het ontwerp bestemmingsplan heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Er zijn in deze periode geen zienswijzen ingediend.