direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Boven-Leeuwen, Molenstraat 2b-c
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0668.BOVMolenstraat2BC-BOH1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Initiatiefnemer is voornemens twee vrijstaande eengezinswoningen te realiseren in Boven-Leeuwen in de gemeente West Maas en Waal. Het planvoornemen is om deze woningen te realiseren op een agrarisch perceel ten noorden van Molenstraat 2b en ten zuiden van Molentraat 2c. Het plangebied bevindt zich daarmee nabij het einde van het bebouwingslint, op de grens van de bebouwde kom van Boven-Leeuwen.

Binnen het vigerende bestemmingsplan zijn de gronden bestemd als "Agrarisch - Oeverwal". Het plangebied is conform deze bestemming in gebruik. Vanwege de toenemende vraag naar woningen sluit voorliggend initiatief met de bouw van twee woningen aan bij de woningbouwbehoefte van de gemeente West Maas en Waal. Daarbij is de Molenstraat in de gemeentelijke structuurvisie aangeduid als verdichtingslocatie. Het verdichten van het bebouwingslint middels de realisatie van twee vrijstaande woningen is daarmee passend voor de locatie.

Het initiatief is binnen het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk vanwege de beperkte planologische mogelijkheden van de bestemming "Agrarisch - Oeverwal". Het gebruik en bouwen van reguliere burgerwoningen is binnen de vigerende planregels niet toegestaan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Het doel van voorliggende bestemmingsplanherziening is het creëren van een dusdanige planologisch-juridische situatie dat het voorgenomen initiatief kan worden gerealiseerd.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 3.865 m2 en ligt aan de Molenstraat te Boven Leeuwen. Het plangebied wordt in de bestaande situatie gebruikt voor agrarische doeleinden. Het betreffende perceel ligt ten noorden van Molenstraat 2b en ten zuiden van Molenstraat 2c en staat kadastraal bekend als kadastrale gemeente Wamel, sectie N, nummer 1302. Het plangebied ligt op de grens van de bebouwde kom van Boven-Leeuwen, ten zuiden van de woonkern en nabij de Van Heemstraweg. De Van Heemstraweg verbindt onder andere de kernen Druten, Boven-Leeuwen, Beneden-Leeuwen en Wamel. Ten noorden en zuiden van het plangebied zijn woonpercelen gesitueerd. Westelijk grenst het plangebied aan de Molenstraat en oostelijk grenst het plangebied aan agrarische percelen.

In figuur 1.1 wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van de omgeving weergegeven en in figuur 1.2 de bestaande situatie en begrenzing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BOVMolenstraat2BC-BOH1_0001.png"

Figuur 1.1: ligging plangebied ten opzichte van de omgeving

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BOVMolenstraat2BC-BOH1_0002.png"

Figuur 1.2: bestaande situatie en begrenzing plangebied

1.3 Vigerende bestemmingsplannen

1.3.1 Bestemmingsplan Buitengebied West Maas en Waal

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Buitengebied West Maas en Waal" (vastgesteld 09-07-2014). Het plangebied kent de enkelbestemming "Agrarisch - Oeverwal". Voor het plangebied is tevens de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie - Verwachtingswaarde Middel" toegekend. Deze dubbelbestemming is echter komen te vervallen met de inwerkingtreding van het archeologische bestemmingsplan "Archeologie West Maas en Waal" (vastgesteld 02-15-2015). In dit bestemmingsplan is het plangebied bestemd met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" en een gebiedsaanduiding "overige zone - waarde archeologie 2". Op het plangebied is geen bouwvlak van toepassing.

In 2014 en 2016 zijn gedeeltelijke herzieningen van het bestemmingsplan "Buitengebied West Maas en Waal" vastgesteld. De correcties staan hieronder toegelicht.

1.3.2 Buitengebied, West Maas en Waal correctie 2014

Voor de bestemming "Agrarisch - Oeverwal" zijn er enkele correcties doorgevoerd. Er zijn extra regels en bepalingen opgesteld voor aspecten omtrent een bedrijfswoning en voor de bouw van verblijfsruimten voor een zorgboerderij. Voor het veranderen van een agrarisch bedrijf naar niet agrarische functie zijn tevens de regels aangepast. Regels die hiervoor niet specifiek worden genoemd in het bijbehorende artikel behoren zich te conformeren aan de regels van de bestemming "Bedrijf". Tenslotte is de regel inzake een wijziging van glastuinbouwbedrijf in agrarisch bedrijf aangepast, met de correctie gaat het niet meer om een bedrijf dat ter plaatse aanwezig is maar ook om een bedrijf wat toekomstig ter plaatse zal worden gerealiseerd.

Voor de bestemming wonen is één wijziging opgenomen met betrekking tot de situering van de paardenbak en de algemene bouwregels voor de herbouw van woningen.

De correcties zijn allen niet direct van toepassing geweest op de huidige situatie. Er zijn geen functies aanwezig die worden beïnvloed door de wijziging van deze regels.

1.3.3 Buitengebied, West Maas en Waal correctie 2016

Tegen het besluit van vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied, West Maas en Waal correctie 2014" is een beroep ingesteld en dit beroep is gegrond verklaard. De uitspraak is van toepassing op een specifiek perceel, niet het plangebied van onderhavig bestemmingsplan. Voor dit specifieke perceel zijn in de correctie van 2016 aanpassingen doorgevoerd, de overige wijzigingen zijn direct overgenomen van de correctie uit 2014. Dit betekent dat ook hier geen aanwezige functies zijn aangetast als gevolg van vaststelling van dit bestemmingsplan.

1.3.4 Thematische herziening grootschalig grondverzet

Het plan "Thematische herziening Grootschalig grondverzet" stelt een verbod op grootschalig grondverzet, in het bestemmingsplan staan grenswaarden gegeven die definiëren wanneer er sprake is van een grootschalig grondverzet. Als hiervan sprake is dan moet via een omgevingsvergunning toestemming worden verleend. Dit bestemmingsplan heeft geen directe invloed op het bestaande gebruik. Er is in de huidige situatie geen sprake van grootschalig grondverzet.

1.3.5 Thematische herziening agrarische bedrijven

Het plan "Thematische herziening Agrarische bedrijven 2020" voorziet in een aanscherping van de regels ten aanzien van grondgebonden agrarische bedrijven. In dit plan zijn regels aangepast voor de bestemming "Agrarisch -Oeverwal". Binnen de regels is een grondgebonden agrarisch bedrijf mogelijk. Als aanvulling op de specifieke gebruiksregels wordt weergegeven dat het niet mogelijk is om binnen een gebouw dieren te houden op meer dan één bouwlaag. Dit bestemmingsplan heeft geen directe invloed op het bestaande gebruik. Het laten grazen van schapen valt onder de noemer "grondgebonden agrarisch bedrijf", de functie is blijvend toegestaan.

1.3.6 Vigerende planologische situatie

Onderstaande figuur 1.3 toont de vigerende planologische situatie ter plaatse van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BOVMolenstraat2BC-BOH1_0003.png"

Figuur 1.3: uitsnede vigerende bestemmingsplannen

Agrarisch - Oeverwal

De als "Agrarisch - Oeverwal" bestemde gronden zijn onder andere bestemd voor agrarische doeleinden en grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven met bijbehorende erven, uitoefening van nevenfuncties bij agrarische bedrijven en extensief recreatief medegebruik, met daarbij behorende gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken.

Strijdigheid

Het realiseren van burgerwoningen is niet mogelijk omdat dit niet aansluit bij de agrarische bestemming. Daarnaast is er ook geen bouwvlak aanwezig om deze woningen te realiseren.

Waarde - Archeologie - overige zone - waarde archeologie 2

Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de verwachtte en reeds vastgestelde archeologische waarden. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding "waarde archeologie 2" zijn, bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 40 cm of/dan wel ophogen groter dan 500 m2 en hoger dan 70 cm, alleen toegestaan indien een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden en / of een omgevingsvergunning voor het bouwen is verkregen. Voor het afgeven van een omgevingsvergunnig moet worden aangetoond middels archeologisch onderzoek dat de archeologische waarden niet worden geschaad.

Strijdigheid

Ten behoeve van de realisatie van de beoogde ontwikkeling zijn bodemingrepen noodzakelijk. Hierbij worden bovengenoemde drempelwaarden mogelijk overschreden, op voorhand valt dit niet met zekerheid te zeggen. Ten behoeve van de bescherming van de verwachtte en reeds vastgestelde archeologische waarden worden de vigerende archeologische dubbelbestemming en aanduiding in onderhavig bestemmingsplan overgenomen. Hiermee blijven de bepalingen met betrekking tot bodemingrepen en onderzoekslast onverminderd van toepassing. De bescherming van archeologische waarden is hiermee voldoende geborgd. Indien bij de realisatie van de in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ingrepen archeologische drempelwaarden worden overschreden dan dient middels archeologisch onderzoek worden aangetoond dat geen archeologische waarden worden geschaad. In die zin is geen sprake van strijdigheid met het vigerende planologische regime.

1.4 Bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan "Boven-Leeuwen, Molenstraat 2b-c" bestaat uit de volgende stukken:

  • toelichting;
  • bijlagen bij de toelichting;
  • verbeelding (tek.no. NL.IMRO.0668.BOVMolenstraat2BC-BOH1)
  • regels;
  • bijlagen bij de regels.

De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en moeten in samenhang 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de omschrijving, motivering en verantwoording van het bestemmingsplan.

1.5 Leeswijzer

De toelichting van het bestemmingsplan is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. De opbouw van de hoofdstukken is zodanig dat er sprake is van een logische volgorde in vraagstelling (wat, waarom, waar, hoe, etc.). Na dit inleidende hoofdstuk volgt in Hoofdstuk 2 een beschrijving van de bestaande situatie van het plangebied en de toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het relevante beleid op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de verschillende van invloed zijnde milieu- en omgevingsaspecten zoals geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit, ecologie en water die bij de totstandkoming van het bestemmingsplan zijn betrokken en beoordeeld. In Hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet toegelicht. Hier wordt de juridische procedure tot vaststelling beschreven en verantwoord. In Hoofdstuk 6 wordt de economische uitvoerbaarheid van het plan toegelicht, waarna tot slot in Hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan wordt beschreven aan de hand van de onderwerpen vooroverleg en zienswijzen.

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het plan

2.1 Huidige situatie

2.1.1 Algemeen

Boven-Leeuwen maakt deel uit van de gemeente West Maas en Waal. In totaal liggen acht woonkernen verspreid over het grondgebied van de gemeente. Dit betreffen Altforst, Appeltern, Alphen, Dreumel, Beneden-Leeuwen, Maasbommel, Wamel, en Boven-Leeuwen. Het plangebied is gelegen nabij de grens van de bebouwde kom van Boven-Leeuwen.

2.1.2 Bestaande situatie

Het plangebied ligt aan de oostzijde van de Molenstraat, ten zuiden van de woonkern Boven-Leeuwen. De Molenstraat is een bebouwingslint dat van noord naar zuid tussen de Waalbanddijk en de van Heemstraweg en door de kern van Boven-Leeuwen loopt. Ter hoogte van het plangebied bevinden zich aan de oostzijde van de Molenstraat woningen en agrarische gronden. Aan de overzijde van de weg is op 8 december 2022 een bestemmingsplan vastgesteld dat de realisatie van 24 woningen mogelijk maakt. In het ontwerp zijn twee clusters met woningen opgenomen, die zijn geïnspireerd op de lintbebouwing langs de Molenstraat. Elk cluster refereert naar een boerenerf met een 'boerderijwoning' en 'schuurwoningen'. Het programma is gevarieerd met vrijstaande woningen, rijwoningen en seniorenwoningen. Hiermee is de beoogde verdichting van het bebouwingslint langs de Molenstraat verder in gang gezet. Onderstaande figuur toont de planologische situatie in de omgeving van het plangebied. Hieruit blijkt dat sprake is van een ruim opgezet gebied met woningen en agrarische gronden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BOVMolenstraat2BC-BOH1_0004.jpg"

Figuur 2.1: planologische situatie omgeving plangebied

In de huidige situatie is het plangebied in gebruik voor agrarische doeleinden. Een deel van het plangebied wordt afwisselend ingezet voor het grazen van schapen. Aan de zuid- en westzijde ligt een sloot die ook als perceelsgrens dient. Aan de noordzijde grenst het perceel aan de woning Molenstraat 2b, de grensafscheiding wordt gemarkeerd door middel van een haag en een hek. Ditzelfde geldt voor de perceelsgrens zuidelijk aangrenzend aan de woning Molenstraat 2c. Aan de westzijde grenst het plangebied aan de Molenstraat, hier bevinden zich enkele bomen een fietsenstalling. Met de beschreven ruimtelijke situering is het plangebied afgekaderd ten opzichte van de omgeving.

2.2 Toekomstige situatie

Stedenbouwkundige invulling

Initiatiefnemer is voornemens twee vrijstaande eengezinswoningen te realiseren ter plaatse van het plangebied. Figuur 2.2 toont de beoogde stedenbouwkundige opzet en inrichting. De woningen worden ingepast in het bestaande bebouwingslint dat de Molenstraat herkenbaar maakt. Dit sluit aan bij de ontwikkelingsambities voor dit bebouwingslint. Figuur 2.3 toont een concept impressie van de beoogde invulling van het lint. De woningen zullen qua maat, schaal en situering aansluiten bij de bestaande bebouwing in het lint. Er is daarmee sprake van een logische invulling.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BOVMolenstraat2BC-BOH1_0005.jpg"

Figuur 2.2: beoogde inrichting plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BOVMolenstraat2BC-BOH1_0006.jpg"

Figuur 2.3: impressie stedenbouwkundige invulling plangebied

Impressie en maat

In het ontwerp en de situering van de woningen is rekening gehouden met de bestaande bebouwing in de Molenstraat. De beoogde woningen worden in lijn geplaatst met de bestaande woningen waardoor het woonlint vanuit stedenbouwkundig oogpunt wordt verdicht. De architectuur van de beoogde woningen zal aansluiten bij de bestaande woningen in het bebouwingslint. Met de opzet van de twee woningen worden de toegestane goot- en bouwhoogte van het vigerende bestemmingsplan in acht genomen. De woningen worden zo gesitueerd dat de openheid naar het achterliggende landschap wordt gewaarborgd.

Parkeren en ontsluiting

De afstand tussen de beoogde woningen is mede bepaald door de parkeernorm. De afstand tussen de aanbouwen bedraagt tenminste 3 meter waardoor er altijd twee auto's tussen de woningen geparkeerd kunnen worden. Het parkeerbeleid van de gemeente West Maas en Waal is vastgelegd in de "Nota Parkeren 2019", hierin zijn ook de parkeernormen opgenomen. Er geldt een norm van 2,3 paerkeerplaatsen per woning, waarvan 0,3 voor bezoekers. Het plan moet derhalve voorzien in 4,6 ofwel 5 parkeerplaatsen. In het ontwerp zijn 6 parkeerplaatsen ingetekend dus er wordt binnen de planbegrenzing voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Een uitgebreidere beschrijving van het aspect parkeren staat weergegeven in 4.11 Verkeer en parkeren.

Met een oprit worden de vrijstaande woningen direct verbonden met de Molenstraat. Ter plaatse van de beoogde inrit is een fietsenstalling gesitueerd. Deze fietsenstalling wordt derhalve enkele meters verplaatst in noordelijke richting. Hierdoor ontstaat ruimte voor een rechtstreekse ontsluiting van het erf op de Molenstraat.

Gezien de inrichting van de Molenstraat als ontsluitingsweg van Boven-Leeuwen, gaat het nieuw gegenereerde verkeer hier direct op in het heersende verkeersbeeld. Het plangebied en de aangesloten Molenstraat vallen officieel onder de bebouwde kom van Boven-Leeuwen en grenzen aan het buitengebied. In onderhavig gebied bestaan geen verkeerscongestie problemen.

Waterhuishouding

In de bestaande situatie kent het plangebied geen verharding, de verharding neemt als gevolg van het planvoornemen toe. De absolute verharding neemt toe met circa 475 m2. Omdat nieuwe verharding kan leiden tot extra afvoer naar het riool dient watercompensatie te worden gerealiseerd. Voor de berekening van de (mogelijke) verharding in de toekomstige situatie moet worden uitgegaan van 525 m2 verharding per perceel, maakt 1.050 m2 nieuwe verharding. Omdat de watercompensatie wordt gerealiseerd in open water dient 43,6 mm worden gecompenseerd per vierkante meter verharding. Ter invulling van de watercompensatie wordt derhalve een oppervlaktewater van circa 155 m2 gerealiseerd, hiermee wordt voorzien in minimaal 46 m3 waterberging. Hiertoe wordt de bestaande C-watergang naar binnen gehaald als open water. Hemelwater van daken wordt in de toekomstige situatie afgevoerd op de waterberging. Vuilwaterafvoer vindt gescheiden plaats en wordt afgevoerd op het bestaande riool onder de Molenstraat.

Om de kwaliteit, veiligheid en duurzaamheid van de waterhuishoudkundige en klimaatbestendige inrichting te waarborgen is een beheer- en onderhoudsplan opgesteld. Dit plan is opgenomen in Bijlage 1 Beheer- en onderhoudsplan. De verantwoordelijkheid voor het instandhouden van het betreffende onderhoudsniveau van de waterhuishoudkundige inrichtingen liggen bij de toekomstige bewoners van de woningen. De verplichting op het onderhoud van de benoemde percelen wordt in de koopovereenkomst juridisch vastgelegd.

Duurzaamheid

De woningen worden hoogstwaarschijnlijk verwarmd middels een warmtepomp en waar noodzakelijk aangevuld met zonnepanelen. Zonder esthetische aantasting kunnen voldoende zonnepanelen op het platte dak van de aanbouw worden geplaatst. In de verdere uitwerking van de woningontwerpen zullen de plaatsing van zonnepanelen of andere, duurzame installaties nader worden bepaald. De woningen zullen voldoen aan de huidige BENG-berekeningsmethode en een Triple A +++ certificaat krijgen.

Landschappelijke inpassing en klimaatadaptie

Ten behoeve van de landschappelijke en klimaatadaptieve inrichting wordt de toepassing van verharding waar mogelijk beperkt. Langs de ontsluiting en op de erfscheiding ontstaat de mogelijkheid voor het aanbrengen van lage haagjes. Deze kunnen het terrein verzachten en verdamping en infiltratie bevorderen. Aan de achterzijde van het perceel worden bomen geplaatst waar men onderdoor kan kijken. Met deze bomen kan de opwarming van de bebouwing in bepaalde mate worden voorkomen. De bomen geven een schaduwwerking ten opzichte van de gevel en het terras. De diversiteit aan beplanting heeft een positieve uitwerking op de erfuitstraling en de ruimtelijke kwaliteit. De landschappelijke inpassing sluit aan bij het landschapsontwikkelingsplan (LOP). Voor het ontwerp van de landschappelijke inrichting wordt verwezen naar Bijlage 2 Ontwerp landschappelijke inrichting

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid en regelgeving

3.1.1 Nationale omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie.
  • Duurzaam economisch groeipotentieel..
  • Sterke en gezonde steden en regio's.
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren. In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte.
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere.
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie

In voorliggend plan is sprake van een lokale ontwikkeling waarmee geen Rijksbelangen zijn gemoeid. Het plan is dan ook niet in strijd met het Rijksbeleid zoals verwoord in de NOVI.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere planologische kernbeslissingen (pkb's) met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden.

De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie

Het Barro bevat geen regels die van toepassing zijn voor het onderhavige plan. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit bestemmingsplan.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), artikel 3.1.6., tweede lid is beschreven dat wanneer een bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt dit plan een beschrijving omvat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Daarom is het noodzakelijk dat in een bestemmingsplan, maar ook in een inpassingsplan van rijk of provincie of bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan, nadrukkelijk wordt stilgestaan bij de vraag of er behoefte is aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Bij het invullen van de vraag naar de behoefte en locatie zijn de volgende uit artikel 1.1.1. Bro van toepassing:

  • 1. Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.
  • 2. Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Inmiddels heeft jurisprudentie reeds bepaald bij welke minimale omvang sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Conform jurisprudentie is bij 11 woningen geen sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) en bij 12 woningen wel sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953).

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie

Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van twee nieuwe vrijstaande woningen mogelijk. De realisatie van twee woningen is minder dan 11 woningen, blijkens jurisprudentie wordt een dergelijke kleinschalige ontwikkeling niet aangemerkt als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' in de zin van de Bro. Onderhavig plan maakt geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk, de Laddertoets hoeft daarom niet uitgevoerd te worden. Er is geen sprake van strijdigheid met het Bro.

3.2 Provinciaal beleid

Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening vastgesteld. In de visie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de verordening de regels en afspraken om de opgaven uit de visie te realiseren. De beleidskaders zijn allebei op 1 maart 2019 in werking getreden.

De Omgevingsvisie en –verordening zijn dynamische instrumenten. Doordat wetten veranderen of door de komst van nieuwe initiatieven, kijkt de provincie 2 keer per jaar of de plannen moeten worden aangepast. De meest recente aanpassing is van 21 december 2022.

3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

De wereld is continu aan verandering onderhevig waardoor er veel op de inwoners van Gelderland afkomt. Denk hierbij aan het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering. Deze onderwerpen vragen stevige antwoorden en oplossingen als investering in de toekomst. Met de schaarse ruimte en de vele uiteenlopende belangen en inzichten gaat dit niet vanzelf. Er moeten keuzes worden gemaakt over de voorliggende vraagstukken en de betekenis daarvan voor de inrichting van Gelderland. In onderling overleg zoeken naar synergie, samenhang en uitruilmogelijkheden. Daarom zet de provincie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal.

Om Gelderland aantrekkelijk te houden voor inwoners en bedrijf is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Denk hierbij aan:

  • goed bereikbare voorzieningen;
  • aansprekende evenementen;
  • unieke cultuurhistorie;
  • inspirerende culturele voorzieningen;
  • mooie natuur;
  • goed woonklimaat.

Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met zeer uiteenlopende stedelijke en landelijke woonkwaliteiten. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt van beleid. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en het concentreren van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan er aan de randen van steden of dorpen uitgebreid worden.

De dynamiek op de woningmarkt is momenteel erg groot. Mensen worden ouder, wonen steeds langer alleen en zelfstandig, worden steeds meer energiebewust en zijn mobieler dan vroeger, waardoor ze ook meer en makkelijker verhuizen. Het grootste deel van de woningen die in 2050 in Gelderland nodig zijn, staat er al. Maar deze woningen zijn niet klaar voor de toekomst en moeten aangepast of vervangen worden. Gelderland heeft de ambitie om een aanbod aan woningtypen en woonmilieus te hebben, dat past bij de diversiteit van de woningvraag; voor iedereen een passende (levensloopgeschikte), duurzame woning.

Voor de provincie staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen. De meeste woningen zijn verre van energieneutraal en klimaatbestendig. De provincie stimuleert innovaties op dit terrein, zoals het aardgasloos maken van bestaande woningen en het verduurzamen van woonwijken. Daarnaast is de provincie met haar partners in gesprek over hoe het vraagstuk van klimaatadaptatie en wonen slimmer aangepakt kan worden.

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie

Onderhavig plan maakt de realisatie van 2 woningen mogelijk. De woningen worden gerealiseerd ter plaatse van een open plek in een bestaand bebouwingslint in de bebouwde kom van Boven-Leeuwen. De woningen worden duurzaam gebouwd in de zin dat ze niet worden aangesloten op het gasnetwerk en volgens de huidige BENG-berekeningsmethode een Triple A +++ certificaat zullen hebben. Voor electriciteitopwekking worden mogelijk zonnepanelen geplaatst op dakvlakken.

De woningen zijn bovendien duurzaam in de zin dat zij geschikt zijn voor ombouw tot levensloopbestendige woning met de aanwezigheid van slaapkamer en badkamer op de begane grond. Overige kenmerkingen zijn de mogelijkheden tot drempelvrije ingangen, een lift of traplift en brede deuren en gangen. Het plan sluit in deze zin aan bij de ambitie van de provincie Gelderland om een aanbod aan woningtypen en woonmilieus te hebben, dat past bij de diversiteit van de woningvraag; voor iedereen een passende (levensloopgeschikte), duurzame woning.

Geconcludeerd wordt dat het plan in lijn ligt met de Omgevingsvisie en bijdraagt aan de ambities van de provincie Gelderland.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem.

In de omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. In de omgevingsverordening staan regels met betrekking tot woonlocaties. In artikel 2.1 (regionale woonagenda) staat dat per regio de gemeentebesturen een regionale woonagenda dienen op te stellen en een bestemmingsplan maakt nieuwe woningen alleen mogelijk als die ontwikkeling past binnen deze door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. Enkele voorwaarden daarbij zijn:

  • a. er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking;
  • b. de ontwikkeling past binnen het meest recente provinciale beleid;
  • c. er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden over deze ontwikkeling.

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie

Uit toetsing aan de regionale woonagenda (3.3.1 Regionale Woonagenda Rivierenland 2020 - 2030) en gemeentelijke woonvisie (3.4.1) blijkt dat de realisatie van twee woningen past binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma. Het plan voorziet niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling en de ladder is niet van toepassing. De regionale afstemming met betrekking tot de woningbouwopgave heeft reeds plaatsgevonden in het kader van de Woondeal Rivierenland welke in maart 2023 is ondertekend.

Gesteld wordt dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 2.1 uit de Omgevingsverordening. Naast artikel 2.1 zijn er geen artikelen waaraan het planvoornemen moet worden getoetst. De Omgevingsverordening Gelderland vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Regionale Woonagenda Rivierenland 2020 - 2030

De colleges van de acht regiogemeenten hebben ingestemd met de Regionale woonagenda Rivierenland 2020-2030. Deze woonagenda is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met de provincie Gelderland. In deze samenwerkingsagenda zijn (woningbouw)afspraken tussen de gemeenten in de Regio Rivierenland onderling én tussen de regio en de provincie Gelderland vastgelegd. Hiermee vormt de regionale woonagenda een belangrijk kader voor de ontwikkeling van nieuwe woningen in de regio. Daarnaast bevat de agenda een thematische uitwerking van enkele (regionale) samenwerkingsprojecten.

In maart 2023 heeft de gemeente West Maas en Waal, als één van de gemeenten van de regio Rivierenland de Woondeal Rivierenland ondertekend. De Woondeal Rivierenland is een aanscherping van de doelen en afspraken uit de woonagenda. Hiermee hebben de gemeenten afgesproken ongeveer 13.000 betaalbare huizen te bouwen. De woondeal is onderdeel van de grotere opgave van de provincie Gelderland om 104.000 woningen te bouwen tot en met 2030.

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie

De beoogde vrijstaande woningen zijn niet opgenomen in de harde plancapaciteit van de benodigde 13.000 woningen in de regio Rivierenland. Omdat een deel van de plannen in de harde plancapaciteit uitvallen is er altijd ruimte voor zachte plannen. De toevoeging van twee woningen aan de woningvoorraad van West Maas en Waal draagt bij aan de woningbouwambities van de gemeente in de zin dat wordt bijgedragen aan de doorstroming op de woningmarkt. Het plan draagt bij aan de ambities van de Regionale Woonagenda.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Woonvisie 2022-2026

De gemeenteraad heeft in begin 2022 de Woonvisie 2022-2026 vastgesteld. Een belangrijk vertrekpunt voor deze Woonvisie is de Regionale Woonagenda Rivierenland 2020-2030. Daarnaast is een regionaal woningbouwprogramma opgesteld. Dit is een belangrijk kader voor de nieuwbouwprogrammering van de regiogemeenten. De nieuwe visie speelt in op de veranderende marktomstandigheden en de toenemende vraag naar woningen. In de visie stelt de gemeente dat in sommige kleinere dorpen de afgelopen jaren te weinig is gebouwd. Veel woningbouw is in Beneden-Leeuwen geland, terwijl er ook in de andere kernen behoefte aan nieuwe woningen was. Er moet daarom een achterstand worden ingehaald.

Tot 2030 is er in West Maas en Waal behoefte aan minimaal 870 woningen. Er zijn ook altijd projecten die niet of moeizaam verlopen, en daardoor niet of maar gedeeltelijk gerealiseerd worden. Om in te kunnen spelen op tegenvallers, zoals planuitval of vertraging, wordt gerekend met een marge +30% op de behoefte. De gemeente zet tot 2030 in op minimaal 1.130 woningen. Van het totaal aantal woningen dat toegevoegd moet worden, wordt 30% in de sociale huursector gerealiseerd.

In grotere nieuwbouwprojecten wordt ingezet op gedifferentieerde bouw, met een programma waarmee de woningvoorraad wordt gevuld. Dit betekent niet alleen de bouw van gezinswoningen, maar ook kleinere woningen voor starters en woningen voor senioren. Zo creëert de gemeente doorstroming en komen de bestaande gezinswoningen op termijn weer vrij voor nieuwe gezinnen. Voor Boven-Leeuwen bestaat voor de periode 2021-2030 een behoefte aan 130 nieuwe woningen.

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie

Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van twee vrijstaande eengezinswoningen mogelijk. In de gemeente is sprake van voldoende behoefte aan vrijstaande eengezinswoningen. Bovendien is deze vorm van woningbouw passend bij het bebouwinglint Molenstraat. Daarbij kunnen de woningen op de lange(re) termijn worden ingezet als levensloopbestendige woningen. Het plan sluit daarmee aan bij de kwantitatieve als kwalitatieve behoefte aan woningen in Boven-Leeuwen. Omdat een deel van de plannen in de harde plancapaciteit uitvallen is er altijd ruimte voor zachte plannen. De toevoeging van twee woningen aan de woningvoorraad van West Maas en Waal draagt bij aan de woningbouwambities van de gemeente in de zin dat wordt bijgedragen aan de doorstroming op de woningmarkt.

3.4.2 Structuurvisie Dorpen 2025

De gemeente West Maas en Waal heeft de structuurvisie voor de dorpen vastgesteld op 30 april 2015. De structuurvisie is een uitwerking van de Visie Leefbaarheid Kernen 2030. Het ruimtelijk beleid voor de gemeente is erop gericht de leefbaarheid in de kernen te behouden en te verbeteren. Dit vraagt om een heldere weergave van het beleid op hoofdlijnen. Voor verschillende thema's, zoals wonen, werken, voorzieningen, milieu en veiligheid, zijn speerpunten en ambities opgesteld. Op onderhavig plan is het thema wonen van belang.

Uit de woningmarktscan 2011 van Companen blijkt dat er in de huidige situatie te weinig betaalbare woningen worden gerealiseerd of vrijkomen voor starters. In de huidige markt is er vrijwel alleen vraag naar grondgebonden woningen. Het is een algemeen uitgangspunt dat er, zowel in kwantitatief als in kwalitatief opzicht, wordt gebouwd naar behoefte. Naast de algemene visie op wonen binnen de gemeente West Maas en Waal wordt er ook een visie geschetst op de ruimtelijke ontwikkeling per dorp.

Visie voor Boven-Leeuwen

Om te komen tot een extra contigent woningbouw voor de komende jaren geeft de Structuurvisie Dorpen 2025 richting aan een aantal ruimtelijke opgaven aan in de kern Boven-Leeuwen. Boven-Leeuwen vormt een verbinding tussen de brede oeverwal en de Waalbandijk. De ruimtelijke hoofdstructuur van het dorp bestaat uit een aantal agrarische linten die haaks op de oeverwal liggen. Door de richting van deze linten heeft het dorp een sterke relatie met de brede uiterwaarden langs de Waal.

Voor Boven-Leeuwen worden zes ruimtelijke opgaven benoemd, waarvan één luidt 'Bebouwingslinten'. Eén van deze drie bebouwingslinten betreft de Molenstraat, de straat is één van de belangrijkste ontsluitingswegen van Boven-Leeuwen. De structuurvisie identificeert het volgende relevante ontwikkelingsproject.

'4.1 Onderzoek verdichting bebouwingslinten Boven-Leeuwen'

Een verdere grootschalige of clustergewijze uitbreiding van het dorp is niet gewenst. De verwachte woningbehoefte is zodanig dat deze kan worden opgevangen in kleinschalige ontwikkelingen. De bebouwingslinten geven mogelijkheden voor herontwikkeling en verdichting van erven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BOVMolenstraat2BC-BOH1_0007.jpg"

Figuur 3.1: uitsnede illustratie 'Structuurvisie Dorpen 2025'

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie

In de structuurvisie Dorpen 2025 benadrukt dat er een behoefte is aan woningen. Daarnaast wil de gemeente inzetten op kleinschalige ontwikkeling binnen bestaande bebouwingslinten. Met het planvoornemen wordt de realisatie van twee woningen mogelijk gemaakt, dit wordt beschouwd als een kleinschalige ontwikkeling op het gebied wonen. Daarnaast worden de woningen gerealiseerd in het bebouwingslint van de Molenstraat. Het planvoornemen sluit daarmee exact aan op de ruimtelijke opgaven zoals die staan geformuleerd in de structuurvisie Dorpen 2025.

3.4.3 Dorpskwaliteitsplan West Maas en Waal en dorpspaspoort Boven-Leeuwen

Elk dorp binnen de gemeente West Maas en Waal heeft zijn eigen ruimtelijke kwaliteit en identiteit, deze zijn daarom benoemd en vastgelegd in het dorpskwaliteitsplan en in de dorpspaspoorten. Nieuwe plannen dienen te passen binnen de kernen met recht aan de geschiedenis en identiteit van de kern. Het dorpskwaliteitsplan vormt een leidraad voor nieuwe ontwikkelingen en bevat daarnaast de zogenaamde welstandseisen waaraan omgevingsvergunningen voor bouwen wettelijk worden getoetst.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BOVMolenstraat2BC-BOH1_0008.png"

Figuur 3.2: uitsnede illustraties 'Dorpspaspoort Boven-Leeuwen' plangebieden aangeduid met blauwe punten

Ter plaatse van het plangebied gelden de Uitwerkingen H en J, deze moeten worden meegenomen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

H - Ontwikkeling bebouwingslinten

Op de dorpskwaliteitskaart worden drie bebouwingslinten getypeerd als een landelijk lint met verspreid daarlangs enkele (agrarische) erven. Dichter bij de kern liggen de erven dichter bij elkaar en zijn de landschappelijke openingen relatief klein. Verder buiten de kern, liggen de erven verder uit elkaar en zijn er meer zichtlijnen naar het landschap. De toevoeging van kleinschalige ontwikkelingen in de vorm van erven is bij alle linten goed denkbaar.

Voor de ontwikkelingen van de bebouwingslinten geeft het dorpspaspoort spelregels:

  • Behoud de drie bebouwingslinten als groene entrees naar het dorp.
  • Zorg ervoor dat nieuwe bebouwing in eerste instantie direct aan de weg staat, net zoals de bestaande bebouwing.
  • Zorg direct aan de weg voor een dorpse korrelgrootte: vrijstaande woningen of twee-onder-een-kapwoningen zijn hier passend.
  • Oriënteer deze woningen op de weg.
  • Achter de eerstelijnsbebouwing zou een verdere uitbreiding in de vorm van woningbouw of bedrijvigheid aan huis kunnen plaatsvinden, bijvoorbeeld in de vorm van een erf of een klein buurtje dat zich uit het zicht van de weg bevindt.
  • Zorg voor een groene uitstraling van het nieuwe erf/buurtje en voor groene erfafscheidingen naar alle zijden.
  • Sluit qua bouwhoogtes en kapvorm aan bij de omliggende bebouwing. Bouw maximaal twee lagen hoog met kap.
  • Moderne erfwoningen zijn goed denkbaar, mits ze een landelijke uitstraling hebben.
  • Bebouwing achter de hoofdwoning heeft de uitstraling van "bijgebouwen", bijvoorbeeld schuurwoningen.

J - Zuidelijke entrees

De spelregels hiervoor richten zich op verwelkomende entrees van Boven-Leeuwen. Eén van die entrees is het kruispunt van de Van Heemstraweg en Molenstraat. De spelregels focussen zich op de kruising en de inrichting van deze kruising met onder andere laanbeplanting.

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie

Gedurende de planvorming zijn het 'Dorpspaspoort Boven-Leeuwen' en de bovengenoemde spelregels in acht genomen. Met het ontwerp wordt rekening gehouden met het bouwvolume zodat de open ruimte achter de percelen nog voldoende zichtbaar blijft. Om hier in te voorzien worden de woningen compacter gebouwd in vergelijking de woningen op Molenstraat 2b en Molenstraat 2c. De openheid blijft voldoende gewaarborgd.

De woningen tasten het bebouwingslint van de Molenstraat niet aan. De woningen worden in een vergelijkbare stijl als de overige woningen gerealiseerd. Hiermee sluit het planvoornemen aan bij het bestaande karakter van het bebouwingslint. De beoogde bebouwing staat tevens direct aan de weg, hebben een dorpse korrelgrootte en staan georiënteerd op de weg. Ook wordt waar mogelijk het erf een groen karakter gegeven en sluiten de woningen qua bouwhoogte en kapvorm aan bij de naastgelegen bebouwing.

De beoogde ontwikkeling en landschappelijke inpassing van de twee vrijstaande woningen draagt bij aan de beleving van de dorpsentree.

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met de spelregels en ruimtelijke wensen van het dorpspaspoort Boven-Leeuwen

3.4.4 Toetsingskader Woningbouw

De gemeente West Maas en Waal hanteert, sinds 2016, voor nieuwe woningbouwplannen het "Toetsingskader Woningbouw". De Woonvisie en de Structuurvisie Dorpen met de daarbij horende dorpskwaliteitsplannen vormen samen de basis voor dit toetsingskader. Het toetsingskader woningbouw is een verdeelmodel voor het toevoegen van woningen aan de woningvoorraad. Hiermee stuurt de gemeente op kwaliteit, zowel volkshuisvestelijk als ruimtelijke kwaliteit. De volgende vraagstukken vallen binnen het toetsingskader:

  • Splitsen van woningen;
  • Meergeneratiewoningen;
  • Verplaatsen van woningen;
  • Bebouwingslinten Structuurvisie Dorpen.

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie

De voorgenomen ontwikkeling van twee woningen op een perceel binnen bestaand stedelijk gebied aan het te verdichten bebouwingslint Molenstraat behoort tot het vraagstuk 'Bebouwingslinten Structuurvisie Dorpen'.

In het toetsingskader heeft de gemeente verschillende toetsingscriteria opgesteld. Eén van punten richt zich op de woningbehoefte. Zoals verwoord in de woonvisie bestaat er in Boven-Leeuwen een woningbehoefte aan vrijstaande gezinswoningen, met de realisatie van het planvoornemen worden twee woningen gerealiseerd waarmee in wordt gespeeld op deze woningbehoefte. De woningen zijn daarnaast kunnen daarnaast levensloopbestendig worden gemaakt. Hiermee wordt tevens ingespeeld op de behoefte aan meergeneratiewoningen in de gemeente zoals vertaald in de Woonvisie. De Molenstraat staat bekend als toonaangevend bebouwingslint van Boven-Leeuwen. Het planvoornemen ligt in lijn met het bestaande karakter van het bebouwingslint en de nabijgelegen woningen. Daarnaast blijft de open ruimte achter de te realiseren huizen ook goed zichtbaar waardoor de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving blijft behouden.

Gesteld wordt dat het plan voldoende punten scoort voor het toetsingskader woningbouw. Het plan is in lijn met het toetsingskader Woningbouw.

3.4.5 Klimaatadaptatieplan gemeente West Maas en Waal

In december 2022 is het beleid voor klimaatadaptie in de gemeente West Maas en Waal vastgesteld. Dit beleid identificeert de uitdagingen met betrekking tot klimaatadaptieve inrichting van de fysieke leefomgeving van West Maas en Waal. Dat betekent voor West Maas en Waal dat (ruimtelijke) ontwikkelingen zo worden uitgevoerd dat deze het veranderende klimaat het hoofd kunnen bieden én een energie-opwekking realiseren waarbij uitstoot tot een minimum wordt teruggebracht. Het gaat om het vergroten van het aanpassingsvermogen (adaptatiecapaciteit) van de ruimtelijke omgeving bij een veranderend klimaat. Uit analyses blijkt dat het gebied kwetsbaar is voor hevige neerslag, kweltoename en overstromingen (natter), maar ook voor verdroging (droger) en extreme hitte (warmer). Deze kwetsbaarheden vormen een reële bedreiging voor de leefomgeving van de gemeente.

De Waallinten in het noorden van West Maas en Waal zijn de vier grotere dorpen binnen de gemeente. Doordat het meer versteende dorpen zijn, hebben ze meer last van ‘stedelijke’ klimaatproblemen, zoals:

  • Hittestress;
  • Wateroverlast;
  • Overmatige verharding.

Onderstaande figuur toont de ambities voor de klimaatadaptieve inrichting van de bebouwde omgeving van Boven-Leeuwen. De hierin vervatte regels moeten als uitgangspunt worden meegenomen bij nieuwe ruimtelijke initiatieven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BOVMolenstraat2BC-BOH1_0009.jpg"

Figuur 3.3: Klimaatadaptatieplan Boven-Leeuwen

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie

Het plangebied is in het klimaatadaptatieplan gedeeltelijk aangeduid als buitengebied. Onderhavig bestemmingsplan maakt de herontwikkeling van het plangebied tot stedelijk gebied mogelijk. Omdat het plangebied in het buitengebied is gesitueerd zijn de regels uit het klimaatadaptatieplan niet direct van toepassing op het initiatief. Desalniettemin voorziet het plan in een klimaatadaptieve inrichting. Om een klimaatadaptieve inrichting te realiseren zijn groen en water van groot belang. In 2.2 is de toekomstige inrichting van het plangebied reeds op hoofdlijnen beschreven.

De tuinen van de beoogde woningen zullen voor meer dan 50% onverhard worden ingericht. De toepassing van verhard oppervlak wordt zo veel mogelijk beperkt. Ten behoeve van landschappelijke inpassing en schaduwwerking wordt een variatie van beplanting bestaande uit bomen en hagen gerealiseerd. Hiermee wordt bijgedragen aan het voorkomen van 'urban-heat' ten tijde van extreme temperaturen.

Ten behoeve van het bergen van hemelwater wordt een bestaande watergang uitgebreid door nieuw oppervlaktewater aan te leggen binnen het plangebied. Dit maakt het mogelijk om het hemelwater van verharding op eigen terrein vast te houden. Hiermee wordt voorkomen dat overtollig hemelwater ten tijde van extreme regenval op het riool wordt afgevoerd. Zo wordt het optreden van wateroverlast voorkomen. Op basis van het voorgaande voldoet het plan grotendeels aan de in het beleid genoemde regels.

Er wordt daarmee voorzien in de klimaatadaptieve herontwikkeling van bestaand stedelijk gebied ten behoeve van woningbouw. Dit is in lijn met het klimaatadaptatieplan en geconcludeerd wordt dat onderhavig bestemmingsplan geen afbreuk doet aan de ambitie en visie met betrekking tot de klimaatadaptieve inrichting van West Maas en Waal.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Algemeen

Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de in dit kader van belang zijnde milieu- en omgevingsaspecten.

4.2 Bodem

4.2.1 Algemeen

Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf.

4.2.2 Onderzoek

In voorliggend plan worden gebouwen gerealiseerd voor menselijk verblijf, namelijk woningen. Daarom is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door NIPA milieutechniek B.V. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 4 Bodemonderzoek behorend bij de toelichting van dit bestemmingsplan. De conclusie is hieronder weergegeven.

Uit de resultaten is geconcludeerd dat aanvullend of nader onderzoek niet nodig is. Tegen voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie zijn geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren aan te voeren. Tijdens de uitvoering van het veldwerk is in boring 01 een spoortje baksteen waargenomen, verder zijn er zintuigelijk geen bijzonderheden waargenomen die op een mogelijke bodemverontreiniging duiden. Hierbij zijn ook geen asbestverdachte materialen waargenomen. In de mengmonsters van de boven- en de ondergrond zijn geen van de geanalyseerde parameters boven de achtergrondwaarde gemeten. In het grondwater is ter plaatse van peilbuis 03 een licht verhoogd gehalte aan barium aangetoond. Licht verhoogde gehaltes aan barium kunnen van nature in het grondwater voorkomen en duiden niet op een noemenswaardige verontreiniging. Voor de aanwezigheid van het licht verhoogde gehalte barium in het grondwater is geen oorzaak gevonden, het barium wordt daarom niet als een verontreiniging beschouwd.

Eventueel vrijkomende grond mag op de locatie worden hergebruikt. Indien grond van de locatie afgevoerd dient te worden, is de Regeling bodemkwaliteit van toepassing:

  • Op basis van het bodemonderzoek is de grond binnen het gebied van dezelfde bodemkwaliteitskaart herbruikbaar;
  • Vrijkomende grond die elders wordt hergebruikt, dient voorafgaand aan de toepassing als een partij gekeurd te worden conform het BRL SIKB 1000 VKB protocol 1001;
  • Afvoer van de vrijkomende grond naar een erkende grondbank of verwerker is op basis van het bodemonderzoek eveneens mogelijk.

Voor afvoer van de grond naar elders is een aanvullend onderzoek naar het voorkomen van PFAS noodzakelijk. Het bevoegd gezag stelt hierbij de noodzaak vast. Dit is in eerste instantie niet aan de orde. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen

4.2.3 Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan.

4.3 Water

4.3.1 Algemeen

Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing:

  • Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2022 - 2027, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water;
  • Provinciaal beleid: Omgevingsvisie Gelderland;
  • Waterschapsbeleid: Watervisie 2050, Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 'Versterken, verbinden, vergroenen', Nota riolering 'Samen door één buis' (2019) en de Keur voor waterkeringen en wateren;
  • Gemeente: Beleidsplan Water en Riolering 2023-2027.

Nationaal beleid

Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid tot 2027, met een vooruitblik richting 2050. Het Rijk speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen. De mate van bepalendheid wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied.

Beleid waterschap

Het Waterbeheerprogramma beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022 - 2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit.

De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als:

  • 1. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren.
  • 2. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater moeten worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100 % afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding).
  • 3. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk.

Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit:

De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm.

De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt vooral voor droogvallende voorzieningen.

Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen.

Beleid gemeente

De gemeenteraad heeft het 'Beleidsplan Water en Riolering 2023-2027' vastgesteld. Doel van het beleid is het gemeentelijk (afval)watersysteem en de functies ervan te waarborgen. Deze functies zijn onder andere:

  • Het beschermen van de volksgezondheid;
  • Het schoonhouden van de bodem en het oppervlaktewater;
  • Het verminderen van overlast en het voorkomen van schade doorhevige regenval;
  • Het voorkomen en beperken van structureel nadelige gevolgen van te hoge- of te lage grondwaterstanden.

Met dit beleid wil de gemeente een duurzame toekomstgerichte en klimaatbestendige inrichting van de openbare ruimte behouden én realiseren. Het bodem- en watersysteem zijn sturend in de planvorming. Het beleidsplan beschrijft de meest belangrijke ambities, doelen en opgaven.

4.3.2 Onderzoek

Om in een goede waterhuishoudkundige inrichting, en daarmee tevens een goede ruimtelijke ordening, te voorzien worden navolgend het bestaande en toekomstige watersysteem beschreven. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Marcus Architectuur een watertoets uitgevoerd. Op basis van de watertoets is geoordeeld dat het planvoornemen de normale procedure moet doorlopen. In het kader van de normale procedure heeft afstemming plaatsgevonden tussen initiatiefnemer, gemeente en waterschap. Dit heeft geleid tot aanpassing van het inrichtingsplan. De wijze waarop invulling wordt gegeven aan het aspect water wordt in de navolgende paragrafen toegelicht.

4.3.2.1 Bestaand watersysteem

Oppervlaktewater

Aan de oostzijde van het plangebied is een C-watergang gesitueerd. De watergang ligt gedeeltelijk binnen het plangebied ter plaatse van de perceelsgrens.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BOVMolenstraat2BC-BOH1_0010.png"

Figuur 4.1: Watergangen in de omgeving van het plangebied (Waterschap Rivierenland)

Het plangebied is gesitueerd in het peilgebied QVU127, hier is sprake van een zomerpeil van 4,85 mNAP en een winterpeil van 4,35 mNAP. In de zomer en winter is sprake van een marge van -0,15 m / +0,15 m.

Hoogteligging

Op basis van het Algemeen Hoogtebestand Nederland (AHN) is in het plangebied sprake van een hoogte van het maaiveld van 5,50 m - 5,80 m ten opzichte van het NAP. Dit hoogteverschil is niet zodanig dat er sprake is van belemmeringen voor de waterhuishouding. In het kader van bouwrijp maken wordt het plangebied geëgaliseerd.

Grondwater

Op basis van de klimaatatlas van waterschap Rivierenland is ter plaatse van het plangebied sprake van kwel. Dit houdt in dat er grondwater vanuit diepere grondlagen omhoog komt. Daardoor kan er bij een hoge waterstand in de Waal extra kwel en daarmee een verhoging van de grondwaterstand plaatsvinden.

Op basis van de Klimaatatlas van het waterschap Rivierenland varieert het kwel bij hoogwater tussen 1 - 3 mm per dag en >3mm per dag.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BOVMolenstraat2BC-BOH1_0011.png"

Figuur 4.2: Kwel in het plangebied

Wateroverlast

Vanwege klimaatverandering treden er steeds vaker intensere regenbuien op. Dit kan leiden tot wateroverlast omdat de afvoer van hemelwater stokt. Om de potentiële wateroverlast in kaart te brengen zijn stresstesten door de gemeenten van Nederland uitgevoerd, onderstaande kaartuitsnede toont de accumulatie van (hemel)water bij het optreden van een intense regenbui van 70 mm / 2 uur (1:100 jaar).

Uit de figuur volgt dat temidden van het plangebied met uitstraling naar het noorden wateroverlast kan ontstaan. Om toekomstige wateroverlast te voorkomen moet de mate van verharding worden beperkt en hemelwater zoveel mogelijk worden vastgehouden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BOVMolenstraat2BC-BOH1_0012.png"

Figuur 4.3: Accumulatie hemelwater bij regenbui 70 mm per 2 uur

4.3.2.2 Toekomstig watersysteem

Naar aanleiding van de watertoets heeft afstemming plaatsgevonden tussen initiatiefnemer, waterschap en gemeente over de waterhuishoudkundige inrichting van het plangebied. Dit heeft geresulteerd in de hieronder beschreven inrichting van het watersysteem.

Watercompensatie

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat het oppervlaktewatersysteem niet zonder meer belast mag worden met de afvoer van extra hemelwater. Of dit "extra" hemelwater op eigen terrein wordt vastgehouden of dat er nieuw open water moet worden gecreëerd is van het bestaande watersysteem afhankelijk en heeft gevolgen voor de wijze van compensatie.

In dit plan wordt waterberging gerealiseerd in de vorm van open water. Voor compensatie in open water geldt dat 436 m3 per hectare verhard oppervlak, met een minimaal extra bergend vermogen van 30 cm waterschijf boven op het hoogst gehanteerde streefpeil, moet worden gerealiseerd.

In paragraaf 2.2 Toekomstige situatie is de toekomstige inrichting van het plangebied beschreven. Als gevolg van de ontwikkeling neemt de absolute verharding ter plaatse van het plangebied toe met 475m2. Voor het berekenen van de watercompensatie heeft het waterschap Rivierenland in haar beleid standaardwaarden opgesteld op basis van de perceelgrootte. Volgens de rekenwaarden moet rekening worden gehouden met een totale toename in verharding van 1.050m2.

Vanwege deze toename in verharding moet watercompensatie worden gerealiseerd. Vanwege de bodemopbouw, grondwaterstand en de optreding van kwel, is infiltratie van hemelwater in de ondergrond geen toekomstbestendige oplossing. Waterberging wordt derhalve gerealiseerd in de vorm van open water door de bestaande C-watergang ten zuiden van het plangebied 'naar binnen te halen'. De watercompensatie moet voorzien in de waterberging van 1.050m2 x 0,0436 = 45,78m3 water. Omdat de watercompensatie in open water plaatsvindt moet een peilstijging van 0,3 m mogelijk zijn. Het oppervlaktewater moet derhalve een oppervlakte hebben van 45,8 m3 / 0,3 = 152,6m2. In het inrichtingsplan is derhalve een oppervlaktewater van 155m2 ingetekend. Hemelwater van verharding wordt op dit nieuwe oppervlaktewater afgevoerd.

Figuur 4.4 toont de beoogde waterhuishoudkundige inrichting in de toekomstige situatie. De realisatie van watercompensatie is geborgd in de planregels van dit bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BOVMolenstraat2BC-BOH1_0013.jpg"

Figuur 4.4: Watercompensatie toekomstige situatie

Beheer en onderhoud

Om de kwaliteit, veiligheid en duurzaamheid van de waterhuishoudkundige en klimaatbestendige inrichtingen binnen het plangebied te waarborgen is een beheer- en onderhoudsplan opgesteld. Dit plan is opgenomen als Bijlage 1 Beheer- en onderhoudsplan. De verantwoordelijkheid voor het instandhouden van het betreffende onderhoudsniveau van de bovenstaande onderdelen ligt bij de toekomstige bewoners van de beoogde woningen. De verplichting op het onderhoud van de benoemde percelen wordt in de koopovereenkomst juridisch vastgelegd.

Grondwater

Bij de bouw van de woningen moet rekening worden gehouden met de grondwaterstand om grondwateroverlast te voorkomen. Hiertoe kan drooglegging noodzakelijk zijn. Op basis van de bestaande waterhuishoudkundige situatie vormt grondwater(overlast) op voorhand geen probleem. Het bouwen van ondergrondse constructies is niet verboden, maar moeten waterdicht worden aangelegd.

Klimaatadaptatie

Om een toekomstbestendige inrichting van het plangebied te realiseren zijn klimaatadaptieve maatregelen noodzakelijk. Om wateroverlast te voorkomen wordt watercompensatie gerealiseerd middels het uitbreiden van de bestaande watergang. Hiermee wordt tevens overlast bij droogte voorkomen omdat meer oppervlaktewater kan worden opgeslagen in plaats van dat dit wordt afgevoerd op het riool. De tuinen zijn goed voorzien in groen in de vorm van hagen en bomen. Daarnaast ten behoeve van de erfafscheiding lage haagjes aangebracht. Groen voorziet in verkoeling en houdt water vast.

Woningbouwlocaties met veel verharding en afwezigheid van groen worden warmer bij het optreden van extreme temperaturen. Omdat het plan voorziet in een beperkte mate van verharding is met de toepassing van groen en realisatie van oppervlaktewater is de kans kleiner dat in de toekomst extreme hittestress optreedt ter plaatse van het plangebied. Dit bestemmingsplan voorziet daarmee in de klimaatadaptieve inrichting van het plangebied.

Afvalwater

Afvalwater van de nieuwe woningen wordt afgevoerd op het bestaande riool ter plaatse van de Molenstraat, hiervoor worden nieuwe aansluitingen gerealiseerd. Het bestaande rioolnetwerk is in staat om het afvalwater van de nieuwe wooneenheden te verwerken. Mede doordat de afvoer van schoon hemelwater in de toekomstige situatie niet langer op dit riool wordt afgevoerd.

Waterkwaliteit

In de ontwikkeling worden geen uitlogende materialen toegepast, hiermee worden negatieve effecten op de (grond)waterkwaliteit uitgesloten.

4.3.3 Conclusie

Op basis van voorgaande waterparagraaf voldoen dit bestemmingsplan en de daarin mogelijk gemaakt ontwikkeling aan het waterbeleid. Het aspect water vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.4 Erfgoed

4.4.1 Archeologie
4.4.1.1 Algemeen

Wet op de archeologische monumentenzorg

In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven.

Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.

4.4.1.2 Onderzoek

De gemeente West Maas en Waal heeft in het vigerende bestemmingsplan "Bestemmingsplan archeologie West Maas en Waal" regels opgesteld met betrekking tot de uitvoering van archeologisch onderzoek. Het plangebied kent de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" en de gebiedsaanduiding "overige zone - waarde archeologie 2". Er zijn grenswaarden aan deze aanduiding gekoppeld die verplichting tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek bij overschrijding van de grenswaarde. De grenswaarden zijn:

  • Bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 40 cm;
  • Bodemingrepen waarbij de bodem wordt opgehoogd met een oppervlakte groter dan 500m2 en hoger dan 70 cm.

Ten behoeve van de realisatie van de beoogde ontwikkeling zijn bodemingrepen noodzakelijk. Hierbij worden bovengenoemde drempelwaarden mogelijk overschreden, op voorhand valt dit niet met zekerheid te zeggen. Ten behoeve van de bescherming van de verwachtte en reeds vastgestelde archeologische waarden worden de vigerende archeologische dubbelbestemming en aanduiding in onderhavig bestemmingsplan overgenomen. Hiermee blijven de bepalingen met betrekking tot bodemingrepen en onderzoekslast onverminderd van toepassing. De bescherming van archeologische waarden is hiermee voldoende geborgd. Indien bij de realisatie van de in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ingrepen archeologische drempelwaarden worden overschreden dan dient middels archeologisch onderzoek worden aangetoond dat geen archeologische waarden worden geschaad.

Er bestaat daarnaast altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

4.4.1.3 Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.4.2 Cultuurhistorie
4.4.2.1 Algemeen

In de visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang.

In de visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat.

Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren:

  • 1. werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten;
  • 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren;
  • 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp;
  • 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie;
  • 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk.
4.4.2.2 Onderzoek

In het besluit principeverzoek heeft de gemeente West Maas en Waal aangegeven dat er geen bovengrondse cultuurhistorische belangen in het geding zijn. De Molenstraat is wel aangemerkt als een waardevolle historische weg waarvan de opbouw en oriëntatie moeten worden gerespecteerd. In 3.4.3 Dorpskwaliteitsplan West Maas en Waal en dorpspaspoort Boven-Leeuwen is dit nader toegelicht. Hier is tevens geconstateerd dat de beoogde ontwikkeling passend is bij de locatie en dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde spelregels voor ruimtelijke ontwikkelingen. De opbouw en oriëntatie van de Molenstraat in het kader van haar historische karakter worden gerespecteerd.

4.4.2.3 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.5 Flora en fauna

4.5.1 Algemeen

Wet natuurbescherming

De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken.

Natura 2000

De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden. In een habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend.

Soortbescherming

De Wet natuurbescherming kent naast het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden drie beschermingscategorieën onder het hoofdstuk 'soortbescherming':

  • 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels op grond van de Vogelrichtlijn (art 3.1).
  • 2. Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (art. 3.5).
  • 3. Nationaal beschermde 'andere soorten' (art.3.10) als vermeld in Bijlage A van de Wet Natuurbescherming alsmede alle de vaatplanten van de soorten genoemd in bijlage B van de Wet Natuurbescherming.

De Soortbescherming is alleen (met uitzondering van de zorgplicht) van toepassing op soorten genoemd onder deze drie beschermingscategorieën.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd. Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden.

Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Wanneer bij ruimtelijke ontwikkelingen een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd dient altijd een 'Nee, tenzij'- toets te worden uitgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden.

4.5.2 Onderzoek

Als gevolg van de beoogde ontwikkeling kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Door middel van een QuickScan Flora en Fauna zijn door Lycens B.V. de mogelijke wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld gebracht. Deze Quickscan is opgenomen als Bijlage 6 Quickscan flora en fauna.

Soortenbescherming

De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het onderzoeksgebied als foerageergebied en mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen en ongewervelden bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied en amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats.

Van de in het onderzoeksgebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.

Mogelijk komen algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën voor binnen het onderzoeksgebied. Deze soorten staan op de provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen. Er hoeft dan ook geen ontheffing voor de uitvoering van voorgenomen activiteiten te worden aangevraagd. Aanbevolen wordt om buiten de kwetsbare periode (augustus-oktober) van de soorten aan het werk te gaan.

In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het onderzoeksgebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied aangetast. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortenbescherming.

Gebiedsbescherming

Het onderzoeksgebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone, Nationaal landschap, natte landnatuur, Ganzenrustgebied, Weidevogelgebied of Natura 2000-gebied. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone en Nationaal landschap kent geen externe werking. Daarnaast hebben voorgenomen activiteiten een lokale invloedsfeer en is de afstand met het onderzoeksgebied dusdanig groot dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de natte landnatuur, Weidevogelgebied en Ganzenrustgebied hebben. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid.

Om een negatief effect van voorgenomen activiteiten op Natura 2000-gebied uit te sluiten is een stikstofberekening uitgevoerd. Deze berekening is bijgevoegd bij voorliggende toelichting als Bijlage 7 Stikstofberekening. Op basis van de berekening leidt hetgeen mogelijk gemaakt in dit bestemmingsplan niet tot stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebied. Een negatief effect in het kader van gebiedsbescherming is daarmee uitgesloten.

Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming.

Houtopstanden

Voor eventueel te rooien bomen is de bomenverordening van de gemeente West Maas en Waal van kracht. Er dient te worden nagegaan of een (omgevings-)vergunning aangevraagd moet worden voor het rooien van de desbetreffende bomen.

4.5.3 Conclusie

Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de instandhoudingsdoelstellingen van de Wet Natuurbescherming niet worden aangetast als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen. Het aspect Flora en fauna vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.6 Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai

4.6.1 Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen.

Wegverkeerslawaai

Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van:

  • de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied;
  • het aantal rijstroken.

In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:

  • wegen met een of twee rijstroken: 200 meter;
  • wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter.

In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:

  • wegen met een of twee rijstroken: 250 meter;
  • wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter;
  • wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter.

De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone:

  • wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied;
  • wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur.

Spoorweglawaai

Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen.

De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie.

Industrielawaai

Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art. 41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen.

De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd.

4.6.2 Onderzoek

Onderhavig plan maakt de realisatie van twee woningen mogelijk, dit betreffen geluidsgevoelige objecten. In de omgeving van het plangebied zijn geen industrieterreinen of spoorwegen aanwezig, die een belemmering kunnen vormen voor de ontwikkeling.

De Van Heemstraweg ten zuiden van het plangebied betreft een beoordelingsplichtige weg. Door NIPA milieutechniek B.V. is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd, dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 8 Akoestisch onderzoek.

Uit de berekeningsresultaten blijkt op de gevels van de nieuwe woonbestemming een geluidbelasting van ten hoogste 51 dB inclusief aftrek ex. artikel 110g Wgh vanwege het wegverkeer op de Van Heemstraweg. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt op de voor- en zijgevel van de zuidelijk gelegen geprojecteerde woning op 4,5 meter aan de zijde van de Van Heemstraweg met ten hoogste 3 dB overschreden. Een aanvraag om een hogere waarde voor wegverkeerslawaai is noodzakelijk, tenzij de betrokken gevels niet geluidgevoelig zijn en/of als ‘doof’ (zonder te openen delen) worden uitgevoerd.

Op grond van het Bouwbesluit is de geluidwering van een nieuwe woning in standaarduitvoering tenminste 20 dB. Hieruit volgt dat de (gecumuleerde) geluidbelasting niet hoger mag zijn dan 53 dB om aan de richtwaarde van het binnengeluidniveau van 33 dB te voldoen. Bij de berekende (ongecorrigeerde) geluidbelasting van ten hoogste 57 dB is een geluidwering van de gevel van minimaal (57-33=)24 dB vereist. Dit moet middels een onderzoek van de geluidwering van de gevel worden aangetoond.

4.6.3 Conclusie

Parallel aan de bestemmingsplanprocedure wordt een hogere waarde procedure worden doorlopen. Na vaststelling van een hogere waarde vormt het aspect geluid geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.7 Luchtkwaliteit

4.7.1 Algemeen

De 'Wet milieubeheer' is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:

  • negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken;
  • mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De paragraaf luchtkwaliteit in de 'Wet milieubeheer' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt, wat wil zeggen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3% ten opzichte van de grenswaarde);
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden, nadat de EU op 7 april 2009 derogatie heeft verleend.

NIBM-grens woningbouwlocatie, 3% criterium:

  • < 1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg, met een gelijkmatige verkeersverdeling;
  • < 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
4.7.2 Onderzoek

Voorliggend plan voorziet in de realisatie van twee woningen. De NIBM grens voor woningbouw wordt daarmee niet overschreden, de ontwikkeling kan daarom worden gezien als "niet In betekenende mate". Het planvoornemen heeft geen negatieve effecten op de luchtkwaliteit.

Tevens is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied goed:

  • Fijnstof (PM2,5): 8.9
  • Fijnstof (PM10): 15.9
  • Stikstof (NO2): 12.7

De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is niet zodanig dat sprake is van een belemmering voor de beoogde realisatie van twee burgerwoningen.

4.7.3 Conclusie

Het voorliggende plan past binnen de gestelde luchtkwaliteitseisen zoals beschreven in de 'Wet luchtkwaliteit' en vormt daarmee geen belemmering voor de luchtkwaliteit.

4.8 Geur

4.8.1 Algemeen

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:

  • voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object;
  • voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand voor veehouderijen ten opzichte van geurgevoelige objecten.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object (zoals een woning) in vier situaties, deze zijn weergegeven in de volgende tabel.

  binnen bebouwde kom   buiten bebouwde kom  
concentratiegebieden   3,0 (in ou/m3)   14,0 (in ou/m3  
niet concentratiegebieden   2,0 (in ou/m3)   8,0 (in ou/m3)  

Geurnormen Wet geurhinder en veehouderij

Voor veehouderijen met diercategorieën waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld geldt op grond van artikel 4 van de wet een minimumafstand ten opzichte van een geurgevoelig object. Binnen de bebouwde kom is deze minimumafstand 100 meter en daarbuiten 50 meter. Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij gelden niet de maximale geurbelastingen, maar gelden ook deze minimumafstanden.

Verder moet op grond van artikel 5 van de Wgv een minimale afstand tussen de gevel van een geurgevoelig object en de gevel van het dierenverblijf worden aangehouden. Deze afstand bedraagt ten minste 50 m voor objecten binnen de bebouwde kom en ten minste 25 m voor objecten buiten de bebouwde kom.

4.8.2 Onderzoek

De te ontwikkelen woningen betreffen geurgevoelige objecten, beoordeeld moet worden of ter plaatse van de woningen sprake zal zijn van geurbelasting. In de directe omgeving zijn geen intensieve veehouderijen aanwezig die geuroverlast veroorzaken. Ter plaatse van het plangebied zal geen sprake zijn van geuroverlast.

4.8.3 Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.9 Bedrijven en milieuzonering

4.9.1 Algemeen

Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijk ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wro, dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'.

VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering'

Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode).

De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken.

Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.).

Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype

Milieucategorie   Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk en buitengebied   Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn.

Spuitzones

Bij het mogelijk maken van een nieuwe voor drift gevoelige bestemming in de nabijheid van bestemmingen, die het toepassen van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet uitsluiten, is aandacht voor spuitzones nodig. Dit in verband met de risico's voor de volksgezondheid, vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift.

Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld, die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging, waardoor mens en dier in contact kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico's voor de gezondheid inhouden.

Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een spuitzone voor een voor driftgevoelige bestemming aangehouden van 50 m, gemeten vanaf de bestemmingsgrens. Deze 50 m is in diverse uitspraken van de Raad van State als "in het algemeen niet onredelijk" bevonden en geldt als een vaste richtafstand, waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Een kleinere afstand is dus mogelijk, mits dat goed onderbouwd wordt.

De richtafstand is in de open teelt met name van belang voor boomkwekerijen en boomgaarden, omdat gewasbeschermingsmiddelen daarbij niet alleen neerwaarts worden gespoten (onkruidbestrijding) maar ook zij- en opwaarts (voorkomen en bestrijden schimmels en plaagdieren). Omdat bij opwaarts spuiten de vloeistof op een grotere hoogte vrijkomt en er daardoor meer kans is op verspreiding, veroorzaakt het opwaarts spuiten de meeste drift en is om die reden maatgevend voor gezondheidsrisico's. Aanvullend is het zo dat het middelengebruik in de fruitteelt aanzienlijk hoger ligt dan in de boomteelt. Ook wat betreft toxiciteit van de gebruikte middelen scoort de fruitteelt het hoogst en is die teelt als maatgevend voor de spuitzone te beschouwen.

Activiteitenbesluit

Vanaf 1 januari 2018 is het vanuit het Activiteitenbesluit milieubeheer verplicht een 75 % reducerende spuittechniek (DRT75) toe te passen binnen een boomgaard. Bij teelt van in opwaartse of zijwaartse richting te bespuiten boomkwekerijgewassen geldt op basis van artikel 3.80a van het Activiteitenbesluit de verplichting tot toepassen van een 75% reducerende spuittechniek vanaf 1 januari 2021.

4.9.2 Onderzoek

Het plangebied grenst aan nabijgelegen woningen, daarnaast zijn er ook enkele bedrijven in de buurt gelegen. Het plangebied bevindt zich op de grens van dorpskern, in het kader van de VNG-publicatie wordt het gebied getypeerd als rustige woonwijk en buitengebied. Op figuur 4.5 is de vigerende planologische situatie ter plaatse van het plangebied en de nabije omgeving inzichtelijk gemaakt.

Op 85 meter van de beoogde woningen, in zuidelijke richting, bevindt zich een loon- en grondverzetbedrijf. De grootste richtafstand voor loonbedrijven bedraagt 50 meter, aan deze richtafstand wordt voldaan.

Op circa 220 meter in westelijke richting van de beoogde woningen bevindt zich een agrarisch bedrijf met opstallen en een boomgaard. Dit bedrijf beschikt over schapen en paarden. De grootste richtafstand voor een agrarisch bedrijf met paarden en/of schapen bedraagt 50 meter ('paardenfokkerijen' en 'overige graasdieren'). Er wordt aan de richtafstand voldaan.

Tenslotte bevindt zich in noordelijke richting op 210 meter van het plangebied een camping. De richtafstand voor een camping is 50 meter. Er wordt aan de richtafstand voldaan.

In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen (commerciële) boomgaarden. Het aspect spuitzones vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.

De te realiseren woningen zijn, gelet op het aspect milieuzonering, geen milieubelastende functies. De woningen worden buiten de richtafstanden van bestaande milieuhinderlijke bedrijven gerealiseerd. Nabijgelegen bedrijven worden niet in de bedrijfsvoering beperkt als gevolg van dit plan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BOVMolenstraat2BC-BOH1_0014.png"

Figuur 4.5: bedrijfsactiviteiten in de omgeving van het plangebied

4.9.3 Conclusie

Op basis van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast worden omliggende bedrijven niet beperkt in hun bedrijfsvoering danwel uitbreidingsmogelijkheden. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

4.10 Externe veiligheid

4.10.1 Algemeen

Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Die activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan, verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten kunnen een risico veroorzaken voor de leefomgeving. De risico's worden uitgedrukt in twee risicomaten: het plaatsgebonden en het groepsrisico.

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.

4.10.2 Onderzoek

Het plan voorziet niet in de oprichting van een Bevi-inrichting of een andere stationaire risicobron. Er is derhalve geen sprake van activiteiten die een belemmering vormen voor bestaande woningen of andere (beperkt) kwetsbare objecten.

Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid, te zien hieronder in figuur 4.6, blijkt dat het plangebied niet ligt binnen:

  • het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Bevi;
  • de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen;
  • het invloedsgebied van een relevante buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen;
  • het invloedsgebied van een relevante transportweg of een basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, de weg en het water.

Het aspect externe veiligheid vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BOVMolenstraat2BC-BOH1_0015.png"

Figuur 4.6: Uitsnede risicokaart

4.10.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.11 Verkeer en parkeren

4.11.1 Algemeen

Om te bepalen of het plan geen negatieve effecten heeft op omliggende wegen en de parkeersituatie, worden in deze paragraaf de effecten beschreven van het plan op het verkeer en parkeersituatie. Voor parkeren wordt getoetst aan de voor het plangebied geldende parkeernormen.

4.11.2 Onderzoek

Verkeer

In de huidige situatie is ter plaatse van het plangebied geen sprake van bebouwing met een verkeersaantrekkende werking. De verkeersgeneratie van de nieuwe situatie staat hieronder in tabel 4.1 weergegeven. Het aantal verkeersbewegingen in de toekomstige situatie is niet van een zodanige hoeveelheid dat er sprake zal zijn van negatieve verkeerseffecten. De verkeersgeneratiecijfers zijn afgeleid van de CROW publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, 2018'. Aangezien het plangebied zich officieel in de bebouwde kom bevindt is de gebiedsfactor 'rest bebouwde kom' aangehouden. Daarnaast is de gehele gemeente West Maas en Waal gecategoriseerd als 'niet stedelijk'.

Type woning   Verkeersgeneratie  
Vrijstaande woning   8,2  
Totaal   16,4  

Tabel 4.1: verkeersgeneratie toekomstig gebruik

De woningen zijn met een inrit rechtstreeks verbonden met de Molenstraat. Het gegenereerde verkeer kan rechtstreeks ontsluiten op de Molenstraat. Conform de NSL-monitoringstool is er geen sprake van congestie.

Parkeren

Met de realisatie van de twee nieuwe woningen neemt ook de parkeerbehoefte toe. Een toename in parkeerbehoefte als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling dient binnen de planbegrenzing te worden opgelost. Het aantal benodigde parkeerplaatsen is afhankelijk van het type woning dat wordt gerealiseerd. Het parkeerbeleid van de gemeente West Maas en Waal is opgenomen in de 'Nota Parkeren 2019', hierin zijn ook de parkeernormen opgenomen. Onderstaande tabel 4.2 geeft de parkeernormen uit de parkeernota weer.

Bij het bepalen van de parkeernorm speelt de ligging van een plangebied een belangrijke rol. In het parkeerbeleid van de gemeente West Maas en Waal wordt uitsluitend onderscheid gemaakt tussen de ligging ‘centrum’ en ‘rest bebouwde kom’. Het plangebied valt onder de categorie 'rest bebouwde kom'.

In deze norm is het bezoekers aandeel meegenomen. Per woning wordt een bezoekers aandeel van 0,3 gehanteerd.

Type woning   Parkeernorm per woning / kamer  
Woningen   2,3  
Seniorenwoningen   1,5  
Sociale huurwoning   1,8  
Kamerverhuur, zelfstandig (niet-studenten)   1  
Kamerverhuur, zelfstandig (studenten)   0,3  
Aanleunwoning   1,3  

Tabel 4.2: parkeernormen 'Parkeernota West Maas en Waal'

Er geldt een norm van 2,3 parkeerplaatsen per woning, waarvan 0,3 voor bezoekers. Het plan moet derhalve voorzien in 4,6 ofwel 5 parkeerplaatsen. In het ontwerp is per woning een lange oprit opgenomen met 2 parkeerplaatsen, welke voor 1,5 parkeerplaats tellen in het kader van de parkeernorm. Daarnaast zijn beide woningen voorzien van 1 parkeerplaats aan de straat, welke toegankelijk is voor bezoekers. Tezamen zijn dit 2,5 parkeerplaatsen per woning en dus 5 parkeerplaatsen in totaal, derhalve voorziet het plan in voldoende parkeerplaatsen en het voldoet hiermee aan de parkeernormennota.

4.11.3 Conclusie

De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.12 Kabels en leidingen

4.12.1 Algemeen

In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.

4.12.2 Onderzoek

Aardgastransportleidingen

In de plangebieden of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen.

Hoogspanningsleidingen

In de plangebieden of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen.

Rioolleidingen

De rioolleidingen leiden voor dit plan leidt dit niet tot enige belemmering.

Watertransportleidingen

In de plangebieden of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen.

Straalverbindingen

In de plangebieden of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen .

Kabels en niet planologisch relevante leidingen

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de wettelijk verlichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netwerkbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netwerkbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden. Tijdens het bouwrijp maken van het plangebied worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd.

4.12.3 Conclusie

In en nabij de plangebieden van dit bestemmingsplan zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn daarom geen belemmeringen te verwachten. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen.

4.13 MER-toets

4.13.1 Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffect-rapportage in aanraking komen:

  • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
  • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
  • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.

Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). In het geval dat een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig.

4.13.2 Onderzoek
4.13.2.1 Drempelwaarden Besluit m.e.r.

In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is mogelijk sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'.

Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden:

  • een oppervlakte van 100 hectare of meer,
  • een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of
  • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Daarom is er sprake van een vormvrije m.e.r. beoordelingsplicht.

In het kader van de bestemmingsplanprocedure is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld, deze is bijgevoegd bij voorliggende toelichting als Bijlage 9 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling. Op basis van deze aanmeldnotitie is geconcludeerd dat de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt niet zodanig van invloed zijn op het milieu dat een milieueffectrapportage moet worden doorlopen.

4.13.3 Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5 Juridische plantoelichting

5.1 Juridische aspecten

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan.

Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

De planregels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Tenslotte komt in hoofdstuk 4 het overgangsrecht en de slotbepaling aan bod.

Bevoegdheid

Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan echter incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk dan wel de provincie het bevoegd gezag is.

Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.

5.1.1 Inleidende regels
5.1.1.1 Begrippen

In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.

5.1.1.2 Wijze van meten

Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die bij het bouwen in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten.

5.1.2 Bestemmingsregels
5.1.2.1 "Wonen"

De bestemming "Wonen" wordt opgenomen voor het woonperceel (met eventuele uitbreidingsmogelijkheden van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken).

Bij de bestemming "Wonen" is de functie wonen toegestaan. Het begrip wonen is gedefinieerd als 'het zelfstandig gehuisvest zijn van één afzonderlijk huishouden'. Dit betekent dat kamerverhuur niet zonder meer is toegestaan.

Hoofdgebouwen worden in het bestemmingsvlak gebouwd. Uitbouwen, aanbouwen en bijgebouwen in een zone van 20 meter rondom de woning worden gebouwd.

In afwijking op de de standaard planregels wordt een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die er voor zorgt dan onbenutte bouwmogelijkheden vervallen na 2 jaar.

5.1.2.2 "Agrarisch - Oeverwal"

De bestemming "Agrarisch - Oeverwal" is opgenomen conform het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied West Maas en Waal". De voor "Agarisch - Oeverwal aangewezen gronden zijn bestemd voor onder andere agrarische doeleinden, het behoud, beheer en/of herstel van de landschappelijke en ecologische waarden en watergangen.

Onder deze bestemming is het ook mogelijk de geplande waterberging aan te leggen.

5.1.2.3 Dubbelbestemming "Waarde - Archeologie"

De dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" is opgenomen conform het vigerende bestemmingsplan "Bestemmingsplan archeologie West Maas en Waal". De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de verwachtte en reeds vastgestelde archeologische waarden. De ter plaatse van toepassing zijnde archeologische waarde is opgenomen middels een gebiedsaanduiding. Voor het gehele plangebied geldt de archeologische verwachtingswaarde "waarde archeologie 2".

5.1.3 Algemene regels
5.1.3.1 Anti-dubbeltelregel

Het doel van de anti-dubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

5.1.3.2 Algemene gebruiksregels

Daarnaast wordt ter verduidelijking van het plan aangegeven dat het gebruiken van gronden ten behoeve van een seksinrichting in ieder geval strijdig is met de bestemming.

5.1.3.3 Algemene aanduidingsregels

De aanduidingen bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend.

5.1.3.4 Algemene afwijkingsregels

Er is een algemene afwijkingsregel opgenomen wanneer dit voor een betere technische realisering van bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is. Deze afwijkingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak om van de bestemmingsregeling af te wijken dient te worden aangetoond.

5.1.3.5 Algemene wijzigingsregels

In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. De bevoegdheid is bedoeld voor aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein.

5.1.3.6 Algemene procedureregels

Op de voorbereiding van het besluit tot wijziging is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing, met dien verstande dat burgemeester en wethouders binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzagelegging een besluit nemen omtrent de wijziging.

Voor het stellen van nadere eisen is geen procedure opgenomen in de wet. De procedure staat beschreven in hoofdstuk 3 "Algemene regels" van dit bestemmingsplan.

5.1.4 Overgangs- en slotregels
5.1.4.1 Overgangsregels

Voor de overgangsregels is onderscheid gemaakt tussen de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken en de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik. Zowel de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken als de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik gelden vanaf inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat zo weinig mogelijk gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht. Vooraf dient een afweging te worden gemaakt tussen legaliseren (positief bestemmen) dan wel handhaving van illegale situaties. De overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik zijn overgenomen uit artikelen 3.2.1 en 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

5.1.4.2 Slotregel

Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het voorliggende bestemmingsplan.

5.2 Handhaving

De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn:

  • de regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving;
  • handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren;
  • niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving.

Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (onder andere in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijken van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom.

Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol.

Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door:

  • de regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels;
  • het afwijkingenbeleid.

In dit bestemmingsplan is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden.

Verder zijn aan de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Financiele uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure dient op grond van artikel 3.1.6 lid f van het Bro onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan.

Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 is de gemeente verplicht, op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet, tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren in het exploitatiegebied waarmee niet is gecontracteerd. Gemaakte kosten (limitatief opgesomd in artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5 van het Bro) zoals plankosten, onderzoekskosten, kosten van inrichting van de openbare ruimte etc. kunnen worden verhaald door middel van een exploitatieplan dat gelijktijdig met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.

De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro (o.a. bouw van 1 of meer woningen, bouw van 1 of meer hoofdgebouwen). Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van meerdere woningen. Deze ontwikkeling maakt daarmee een bouwplan mogelijk in de zin van artikel 6.2.1 Bro.

Het plan wordt door en voor rekening van initiatiefnemer gerealiseerd. Er wordt daarnaast een overeenkomst afgesloten om eventuele planschadekosten te kunnen verhalen. De kosten van grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden zijn hiermee anderszins verzekerd. Het maken van een exploitatieplan is niet nodig.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

Wettelijk (voor)overleg

In het Bro is in artikel 3.1.1 opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.


Inspraak

In het kader van inspraak wordt het voorontwerpbestemmingsplan 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens deze perioden kan één ieder zijn of haar reacties indienen.

Participatie

In het kader van participatie zijn de omwonenden over het plan geïnformeerd. Omwonenden en belanghebbende zijn hiermee in de gelegenheid gesteld om op het plan te reageren. Hierbij zijn geen bezwaren of bedenkingen kenbaar gemaakt.

Hoofdstuk 7 Procedure en overleg

In dit hoofdstuk is de procedure van het bestemmingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in het algemeen in een bestemmingsplanprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen stappen in de procedure van bestemmingsplan 'Boven-Leeuwen, Molenstraat 2b-c'.

7.1 Procedurestappen

Een bestemmingsplan kent de volgende procedurestappen:

7.1.1 Ontwerp

Het ontwerp bestemmingsplan wordt behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Een ontwerp bestemmingsplan ligt vervolgens gedurende zes weken ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen bij de gemeenteraad.

7.1.2 Vaststelling

De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast. De ingediende zienswijzen kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp.

7.1.3 Beroep

Nadat de raad het bestemmingsplan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van een beroepsschrift bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Vooroverleg

Het voorontwerpbestemmingsplan is in verband met het vooroverleg naar diverse instanties gestuurd, de reacties worden in dit hoofdstuk verwerkt.

7.3 Zienswijzen

Het ontwerp van het bestemmingsplan 'Boven-Leeuwen, Molenstraat 2b-c' heeft vanaf 28 december 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.