direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Alphen, Dijkgraaf de Leeuwweg 26
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0668.ALPdijkgrfleeuwweg-TOOH

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op de locatie aan de Dijkgraaf de Leeuwweg 26 in het buitengebied van Alphen is een agrarisch bedrijf gevestigd. De aanwezige bebouwing bestaat uit een bedrijfswoning, twee varkensstallen en een loods. De initiatiefnemer is voornemens het bedrijf te beëindigen en twee voormalige varkensstallen met een gezamenlijke oppervlakte van ca. 2.100 m² te slopen. Als compensatie voor sloop van de schuren wordt, met toepassing van het VAB-beleid, de mogelijkheid verkregen om een extra woning te bouwen op het perceel. De in 2006 gerealiseerde loods wordt niet gesloopt en krijgt een functie als bijgebouw bij de woning.

In juli 2023 heeft het college besloten om in te stemmen met het principeverzoek om medewerking te verlenen aan dit verzoek. Omdat deze ontwikkeling niet past in het omgevingsplan van de gemeente West Maas en Waal dat sinds de invoering van de Omgevingswet per 01-01-2024 van kracht is (voorheen: het bestemmingsplan), maar dit initiatief wel een passende ontwikkeling is, wordt middels voorliggende wijziging van het omgevingsplan (middels TAM-IMRO) medewerking verleend aan de voorgenomen activiteit. In dit document wordt toegelicht waarom er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties conform de Omgevingswet.

1.2 Ligging en begrenzing besluitgebied

Het plangebied is gelegen aan de Dijkgraaf de Leeuwweg 26 en maakt onderdeel uit van het buitengebied van Alphen, gemeente West Maas en Waal. De percelen staan kadastraal bekend onder de nummers APT00-H-745 en APT00-H-748 (Appeltern). Onderstaande afbeeldingen tonen de ligging van het plangebied in de omgeving en een luchtfoto van de locatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.ALPdijkgrfleeuwweg-TOOH_0002.png"

Globale ligging plangebied in omgeving (bron: OpenStreetMap)

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.ALPdijkgrfleeuwweg-TOOH_0003.png"

Luchtfoto van het plangebied (bron: kadastralekaart.com)

1.3 Huidige juridisch-planologische situatie

De gemeente West Maas en Waal beschikt nog niet over een omgevingsplan dat is opgesteld op grond van de Omgevingswet. Daarom is voorliggend initiatief getoetst aan het geldende, tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan omvat onder meer alle geldende bestemmingsplannen.

Voor de locatie geldt het bestemmingsplan 'Gouden Ham/De Schans, randzone', vastgesteld op 24 augustus 2016. De huidige bestemming is 'Agrarisch - Oeverwal' met een bouwvlak. Over het gehele plangebied ligt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie', met de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - archeologie 4'. Daarnaast is op 20 augustus 2020 het bestemmingsplan 'Thematische herziening agrarische bedrijven 2020' vastgesteld, waarin de gronden de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' hebben gekregen. Beide bestemmingsplannen zijn van kracht voor het plangebied.

Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.ALPdijkgrfleeuwweg-TOOH_0004.png"

Uitsnede geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Overige geldende bestemmingsplannen

  • Thematische herziening grootschalig grondverzet, vastgesteld (12-03-2020)
  • Veegplan schrappen wijzigingsbevoegdheden, vastgesteld (25-04-2024)

1.4 Leeswijzer

De voorliggende motivering bij het wijzigingsbesluit is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie in het besluitgebied, waarbij zowel de ruimtelijke aspecten als functionele aspecten aan de orde komen. Vervolgens wordt kort ingegaan op de nieuwe ontwikkeling en de strijdigheden met het (tijdelijke) omgevingsplan. Het derde hoofdstuk gaat in op de relevante geldende beleidskaders die van invloed zijn op de ontwikkeling. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in hoeverre de ontwikkeling gevolgen heeft op de fysieke leefomgeving. In het vijfde hoofdstuk wordt een juridische toelichting op het wijzigingsbesluit gegeven en hoofdstuk 6 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van de ontwikkeling. Tot slot bevat het laatste hoofdstuk een conclusie hoe de ontwikkeling aansluit op het principe van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Het plangebied is gelegen aan de Dijkgraaf de Leeuwweg 26 in het buitengebied ten noordoosten van de kern Alphen. Het dorp Alphen ligt aan de dijk langs de Maas. Het dorp is gegroeid langs een aantal langgerekte linten. De Dijkgraaf de Leeuwweg is één van deze linten, die vanuit Alphen richting het noordoosten loopt. Aan het lint liggen voornamelijk agrarische gronden en (voormalige) agrarische bedrijven. Het gebied gelegen tussen de Dijkgraaf de Leeuwweg en de Greffelingsestraat, is een intensief gebruikt gebied met diverse bedrijven en veel grote bedrijfsgebouwen die ver het achterland in steken. De eigenaar van het agrarisch bedrijf binnen het plangebied heeft hier al jarenlang een varkenshouderij gehad, maar heeft het voornemen om te stoppen. Op navolgende afbeelding is de huidige situatie van het plangebied en de te slopen bedrijfsbebouwing weergegeven.

De aanwezige bebouwing bestaat uit een bedrijfswoning, twee varkensstallen en een loods. De twee stallen hebben een gezamenlijke oppervlakte van ca. 2.100 m². De oppervlakte van de loods is ca. 800 m².

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.ALPdijkgrfleeuwweg-TOOH_0005.png"

Luchtfoto van het plangebied waarbij het plangebied rood is omkaderd (bron: Pdok)

2.2 Toekomstige situatie

Na beëindiging van het bedrijf zal de agrarische functie komen te vervallen en worden de twee stallen met een gezamenlijke oppervlakte van ca. 2.100 m² gesloopt. Ter compensatie van de sloop wordt een extra woning teruggebouwd op de locatie waar nu de varkensstallen staan, op het perceel ten zuidwesten van de bedrijfswoning. Er is een schetsontwerp gemaakt voor de toekomstige inrichting van het perceel. Deze tekening is ook opgenomen in bijlage 1 bij de regels.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.ALPdijkgrfleeuwweg-TOOH_0006.png"

Uitsnede schetsontwerp met landschappelijke inpassing Dijkgraaf de Leeuwweg 26. (ontwerp: Buro SRO)

Te behouden bebouwing

De voormalige bedrijfswoning blijft behouden en krijgt een functie als burgerwoning. De ontsluiting tot deze woning blijft overeenkomstig de huidige situatie gehandhaafd en er is voldoende ruimte om op het perceel te parkeren.


De bestaande loods achterop het perceel blijft eveneens behouden. Deze loods is nog in goede bouwtechnische staat en het zou kapitaalvernietiging en weinig duurzaam zijn om deze te slopen. De ligging van de loods gaat op in het beeld van de omgeving met zijn grote bedrijfsgebouwen. Aan alle kanten rondom de planlocatie liggen meerdere agrarische en niet-agrarische bedrijven en permanent aanwezige teeltondersteunende voorzieningen van een fruitteeltbedrijf. Aan de achterzijde grenst de loods aan de omvangrijke bedrijfsgebouwen van het bedrijf aan de Greffelingsestraat 51. Van een open agrarisch gebied is dus geen sprake; de loods gaat op tussen de bedrijfsgebouwen in de omgeving.

De loods krijgt een functie als bijgebouw bij de bestaande woning op nr. 26 en kan worden gebruikt voor opslag en/of caravanstalling. Het is niet de bedoeling dat de ruimte voor een bedrijf wordt gebruikt. Vanaf de bestaande inrit bij nr. 26 loopt reeds een pad naar achteren. Via dit pad kan de loods worden ontsloten.

Te realiseren nieuwe woning

Ter plaatse van de te slopen varkensstallen wordt een nieuwe woning gerealiseerd. Bij de situering van de nieuwe woning is rekening gehouden met de milieucontouren van omliggende bedrijven (rood gestippelde lijnen op bovenstaand schetsontwerp, in Hoofdstuk 4 wordt daar nader op ingegaan). Door de woning vanaf de weg gezien links van de bestaande inrit te situeren, ontstaat er voldoende ruimte voor bebouwing en een ruime tuin. Ten opzichte van de bestaande woning op nr. 26 wordt de nieuwe woning iets naar achteren geplaatst, zodat er geen direct zicht is tussen beide woningen.

Voor de ontsluiting van de woning wordt gebruik gemaakt van de bestaande inrit op de Dijkgraaf de Leeuwweg. Het parkeren vindt plaats op eigen terrein. Met ruimte voor drie parkeerplaatsen voldoet het plan aan de parkeernorm van de gemeente. Het initiatief wordt landschappelijk ingepast door de aanplant van nieuwe beplantingen. Aan de westzijde wordt een houtsingel aangeplant (samen met de ontwikkeling op Dijkgraaf de Leeuwweg 22). De bedrijfsbebouwing van Greffelingsestraat 51 zal aan het zicht worden onttrokken door een houtsingel met gebiedseigen soorten. De loods wordt aan het zicht onttrokken door aanplant van enkele bomen aan de voorzijde. Verder wordt het perceel ingepast met hagen en enkele solitaire bomen. De bestaande rode beuk voor op het perceel blijft behouden.

De landschappelijke inpassing is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit omgevingsplan, zie ook bijlage 1 bij de regels.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.ALPdijkgrfleeuwweg-TOOH_0007.png"

Huidige situatie Dijkgraaf de Leeuwweg 26 met de (te behouden) rode beuk

2.3 Strijdigheden met het (tijdelijke) omgevingsplan

Voorliggend plan heeft tot doel de bedrijfsbestemming van het perceel te wijzigen in de functie 'Wonen' en na sloop van de varkensstallen een nieuwe woning te bouwen. Dit kan niet worden gerealiseerd binnen de geldende regels.

In het bestemmingsplan 'Gouden Ham/De Schans, randzone' was in artikel 3.8.1 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee het college van B&W de bestemming 'Agrarisch – Oeverwal' van een bouwvlak kunnen wijzigen in 'Wonen'. Het instrument van de wijzigingsbevoegdheid bestaat echter niet meer onder de Omgevingswet. Wel is deze wijzigingsbevoegdheid opgenomen in het Delegatiebesluit omgevingsplan West Maas en Waal, waarmee hetzelfde wordt beoogd als met de wijzigingsbevoegdheid, namelijk dat het college van B&W van de gemeenteraad het mandaat krijgt om het omgevingsplan, onder voorwaarden, te wijzigen.

Voorliggend initiatief is daarom getoetst aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid. Deze toetsing is opgenomen in paragraaf 3.3.4.

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst.

3.1 Rijksbeleid en rijksregels

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Per januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.

Gebiedsgericht

De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in een Omgevingsplan of bij het vergunnen van een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden.

Het gaat hierbij over de instructieregels met het oog op:

  • 1. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  • 2. Het behoud van werelderfgoed en cultureel erfgoed;
  • 3. Natuurbescherming.

Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden

  • 4. Veiligheid primaire waterkeringen;
  • 5. Veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk;
  • 6. Kwaliteit van de buitenlucht;
  • 7. Waterkwaliteit;
  • 8. Kwaliteit van de zwemlocatie.
3.1.3 Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid

Gebiedsgericht

Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit de NOVI of het Bkl. Het initiatief heeft daarmee op voorhand geen effect op één of meerdere aspecten met een nationaal ruimtelijk belang. De toetsing aan de van toepassing zijnde omgevingswaarden vindt plaats in hoofdstuk 4.

3.2 Provinciaal beleid en provinciale regels

3.2.1 Provinciale omgevingsvisie

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer.

De provincie streeft naar een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door hierin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat:

  • Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;
  • Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;
  • Een voortvarend en innovatief circulair beleid;
  • Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit;
  • Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;
  • Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;
  • Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.

Naast deze zeven ambities blijft het beleid uit de Omgevingsvisie uit 2014 gelden. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze wordt regelmatig op onderdelen geactualiseerd. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen.

De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van instructieregels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen uit het Bkl.

Klimaatadaptatie

De provinciale omgevingsverordening die op 1 februari 2022 van kracht is geworden bevat de instructieregel klimaatadaptie (2.65b). Voor zover een plan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de toelichting een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. In paragraaf 4.13 is invulling gegeven aan de wijze waarop in dit plan is omgegaan met het voorkomen en/of beperken van de risico's van klimaatverandering.

3.2.3 Toetsing van het initiatief aan het provinciale beleid

Het plangebied ligt in een intrekgebied. In de omgevingsverordening zijn regels opgenomen die de kwaliteit van het drinkwater beschermen. Nieuwe ontwikkelingen binnen 'intrekgebieden' mogen geen functies bevatten die de winning van fossiele energie mogelijk maken. Voorliggend initiatief maakt de winning van fossiele energie niet mogelijk. Verder worden er in de provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening geen specifieke eisen aan voorliggende locatie gesteld.

De activiteit past binnen het beleid en regels van de provincie Gelderland.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie West Maas en Waal

De Omgevingsvisie West Maas en Waal 'Groots in kleinschalig' is in mei 2024 door de gemeenteraad vastgesteld. In de Omgevingsvisie is al het ruimtelijke beleid gebundeld in één overkoepelende visie. waarmee richting wordt gegeven aan keuzes op het gebied van ruimtegebruik en de inrichting van de openbare ruimte. De Omgevingsvisie functioneert daarbij als een afwegingskader.

De identiteit van West Maas en Waal vormt een belangrijk vertrekpunt voor de Omgevingsvisie. Het buitengebied is te onderscheiden in drie gebiedstypen die samenhangen met de geologische ondergrond: de komgronden, de oeverwallen en de uiterwaarden. De onderscheidende karakters van de verschillende landschappen in de gemeente worden gekoesterd en verder versterkt. Dat betekent weidse, natuurlijke

uiterwaarden, een dynamische, afwisselende oeverwal en rust en ruimte in de open komgrond.

Voor de landbouw is de oeverwal de juiste plek voor fruitteelt en akkerbouw en veeteelt op de lagere

komgrond.

In de omgevingsvisie zijn vijf hoofdambities geformuleerd:

  • 1. sociale basis op orde
  • 2. groeien vanuit de identiteit van de dorpen
  • 3. toekomstbestendige leefomgeving
  • 4. bloeiende lokale economie
  • 5. evenwichtige recreatie voor inwoner en toerist.

Planspecifiek

Voorliggend plangebied ligt op de oeverwal. Streefbeeld voor de oeverwal is een levendig mozaïek van lintbebouwing, akkerbouw, tuinbouw, boomgaarden, extensieve veeteelt, bospercelen en kleinschalige recreatieve voorzieningen. Voor de oeverwal bij Alphen is de ambitie aangegeven om de intensieve landbouw te verplaatsen van de oeverwal naar de kom. Voorliggend plan betreft een intensief veehouderijbedrijf op de oeverwal, die niet wordt verplaatst, maar wordt beëindigd. Door de afname van bebouwing en aanplant van groen wordt bijgedragen aan een toekomstbestendige leefomgeving en versterking van het mozaïeklandschap op de oeverwal met zijn diversiteit aan functies.

3.3.2 Structuurvisie Dorpen 2025

De Structuurvisie vormt het strategisch beleidsdocument dat de ruimtelijke ontwikkeling van West Maas en Waal tot 2023 op hoofdlijnen bevat. Centraal thema in de visie is de leefbaarheid in de dorpen. De komende jaren leiden sociale en economische ontwikkelingen tot veel veranderingen in de dorpen en in de relatie tussen de dorpen. Als uitwerking van de Visie Leefbaarheid Kernen 2030 wordt in de Structuurvisie voor de komende tien jaar aangegeven waarin moet worden geïnvesteerd. Er wordt ruimte geboden voor initiatieven die de identiteit en kwaliteit van de dorpen versterken.

De bevolking vergrijst en ontgroent, de rol van de overheid wijzigt, en op verschillende plekken ontstaat leegstand. Een goed voorzieningenniveau, passende zorg, een gezond verenigingsleven en het benutten van de kansen voor toerisme en recreatie moeten van West Maas en Waal een aantrekkelijke gemeente maken.

In de Structuurvisie zijn ontwikkelingsplannen voor de verschillende dorpen opgenomen. Voor de kern Alphen wordt ingezet op: de entrees van Alphen hebben een opvallende groene uitstraling. In het dorp wordt rondom de RK-kerk het centrum gevormd. In dit centrum ligt ook de basisschool. Het behouden en het, daar waar nodig, versterken van de ruimtelijke opbouw en de groenbeleving in Alphen is wenselijk. Voor Alphen worden vijf ruimtelijke opgaven benoemd:

  • 1. Ontwikkeling bebouwingslinten
  • 2. Landschappelijke afronding dorpsrand
  • 3. Dorpscentrum
  • 4. Bedrijventerrein
  • 5. Ontwikkelingen in het dorp

Planspecifiek

Onderhavig plangebied ligt buiten het dorp Alphen. Voor de locatie worden in de Structuurvisie Dorpen 2025 geen specifieke randvoorwaarden genoemd. De Dijkgraaf de Leeuwweg betreft een bebouwingslint. Met onderhavig initiatief wordt agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt waarvoor in de plaats één woning wordt teruggebouwd. De bestaande loods achterop het perceel blijft behouden. Deze loods is in goede bouwtechnische staat en het zou kapitaalvernietiging en weinig duurzaam zijn om deze te slopen. De ligging van de loods gaat op in het beeld van de omgeving met zijn grote bedrijfsgebouwen. Aan alle kanten rondom de planlocatie liggen meerdere agrarische en niet-agrarische bedrijven en permanent aanwezige teeltondersteunende voorzieningen van een fruitteeltbedrijf. Aan de achterzijde grenst de loods aan de omvangrijke bedrijfsgebouwen van het bedrijf aan de Greffelingsestraat 51. Van een open agrarisch gebied is dus geen sprake; de loods gaat op tussen de bedrijfsgebouwen in de omgeving.

Het geheel wordt zorgvuldig landschappelijk ingepast wat leidt tot de ontwikkeling van het bebouwingslint Dijkgraaf de Leeuwweg en een verbetering van het ruimtelijk beeld van het lint.

3.3.3 Woonvisie 2022 - 2026

Het woningbouwprogramma van de gemeente West Maas en Waal is met omliggende gemeenten afgestemd in de 'Regionale woningbouwagenda Rivierenland 2020-2030'. Hierin zijn afspraken gemaakt over de kwantitatieve en de kwalitatieve nieuwbouwopgave. Regionale afstemming moet zorgen voor voldoende woningen, voor de juiste doelgroepen en op de goede plek.

In de Woonvisie staan vier thema's centraal:

  • aandacht voor kwaliteit
  • onbezorgd wonen
  • goed wonen voor alle doelgroepen
  • toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad

Voor de gemeente West Maas en Waal is de woningbehoefte tussen 2021 en 2030 geraamd op minimaal 870 extra woningen.

Wat betreft de kwalitatieve behoefte wordt in de Woonvisie van de gemeente West Maas en Waal beschreven dat veranderingen in de bevolkingssamenstelling leiden tot een andere vraag naar woningen. Er is meer behoefte aan woningen die (ook) geschikt zijn voor ouderen en aan woningen die geschikt zijn voor een- en tweepersoonshuishoudens. Uit de Woonvisie blijkt tevens dat men graag in een grondgebonden woning woont. West Maas en Waal is een echte 'gezinsgemeente', en wil ook voorzien in de behoefte van mensen van buitenaf die de dorpen een impuls geven en zorgen voor extra draagvlak voor voorzieningen en verenigingen. Er is vooral behoefte aan woningen voor de doelgroepen middeninkomens, statushouders en kleine huishoudens en in de prijsklasse betaalbare huur of koop en middeldure huur.

Planspecifiek

In voorliggend plan wordt één vrijstaande woning gerealiseerd. Dit is wat op grond van het VAB-beleid is toegestaan. De woning valt daarmee in de duurdere prijscategorie. Het plan is niet geschikt om in te speken op de behoefte aan betaalbare woningen of kleine huishoudens. Wel draagt het plan op bescheiden schaal bij aan de kwantitatieve woningbehoefte en kan met de realisatie van de woning een bijdrage worden geleverd aan het op gang brengen van een doorstroom op de woningmarkt.

3.3.4 Geldend bestemmingsplan

In het geldende bestemmingsplan 'Gouden Ham/De Schans, randzone' is in artikel 3.8.1 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarin burgemeester en wethouders de bestemming 'Agrarisch – Oeverwal' van een bouwvlak kunnen wijzigen in 'Wonen'. In paragraaf 1.3 is beschreven dat er geen gebruik meer kan worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid, omdat de Omgevingswet dit instrument niet meer kent.

Het beleid voor functiewijziging van een agrarisch bedrijf blijft echter wel van toepassing. Voorliggend initiatief wordt daarom getoetst aan dezelfde voorwaarden uit artikel 3.8.1. Hieronder is de wijzigingsregeling in zijn volledigheid opgenomen, waarna wordt aangegeven op welke wijze het plan voldoet aan de gestelde voorwaarden.

Artikel 3.8.1 Wijziging agrarisch bedrijf in woonfunctie

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch - Oeverwal' van een bouwvlak wijzigen in 'Wonen' onder de volgende voorwaarden:

  • a. De regeling voor functieverandering geldt niet alleen voor vrijgekomen legale agrarische bedrijfsgebouwen die minstens vijf jaar rechtmatig in agrarisch gebruik zijn geweest.
  • b. Functieverandering mag niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende agrarische bedrijven.
  • c. Nieuwe bebouwing wordt alleen toegestaan wanneer deze op een goede landschappelijke en stedenbouwkundige wijze kan worden ingepast in het buitengebied. Een goede landschappelijke inpassing door streekeigen beplanting moet zijn gewaarborgd door een door burgemeester en wethouders goedgekeurd inrichtingsplan.
  • d. Bebouwing met monumentale of karakteristieke waarde mag volledig worden hergebruikt voor de nieuwe functie.
  • e. De belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad.
  • f. De initiatiefnemer heeft bij sloop van (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen de keuze zijn bestaande woning uit te breiden, een extra woning te bouwen of nieuwe bijbehorende bouwwerken op te richten:
    • 1. Bij sloop van alle bedrijfsgebouwen mag de (voormalige) bedrijfswoning tot maximaal 1.200 m3 worden uitgebreid. De toegestane inhoud van de uitbreiding is gerelateerd aan de totale oppervlakte van de gesloopte gebouwen zoals vermeld in onderstaande tabel:
gesloopte oppervlakte bedrijfsgebouwen in m2   extra uitbreiding woning in m3  
0 -750 m2   0,5 m3 per gesloopte m2  
>750 m2   0,35 m3 per gesloopte m2  

    • 1. Bij de bouw van een extra woning geldt dat de oppervlakte van de nieuwe woning maximaal 50% bedraagt van de oppervlakte van de gebouwen, die gesloopt mag worden om voor deze regeling in aanmerking te komen. De toegestane inhoud van de extra woning is gerelateerd aan de totale oppervlakte van de gesloopte gebouwen zoals vermeld in onderstaande tabel:
gesloopte oppervlakte bedrijfsgebouwen in m2   volume extra woning in m3  
0 - 1000 m2   bouw extra woning niet mogelijk  
>1000 m2   bouw extra woning maximaal 800 m3  

    • 1. Om bij de bouw van een extra woning voor saldering in aanmerking te komen gelden voor elk van de bij de saldering betrokken percelen de volgende voorwaarden:
      • voor elk perceel geldt dat alle vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen moeten worden gesloopt met een minimum van 250 m2.
      • de extra woning wordt gerealiseerd daar waar dat uit ruimtelijke oogpunt het meest passend is.
    • 2. Bij sloop van alle vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen mag 60% van de gesloopte oppervlakte als bijbehorend bouwwerk van de bestaande bedrijfswoning worden teruggebouwd onder voorwaarde dat de totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken (bestaand en nieuw) maximaal 200 m2 bedraagt.
  • g. De bestemming 'Agrarisch - Oeverwal' van het bouwvlak vervalt.
  • h. De regels voor 'Wonen' zijn overeenkomstig van toepassing.
  • i. De omgevingsvergunning voor het uitoefenen van een agrarisch bedrijf wordt ingetrokken.

Toetsing van het initiatief aan de wijzigingsbevoegdheid 

  • a. De initiatiefnemer heeft jarenlang een varkenshouderij gerund op het perceel aan de Dijkgraaf de Leeuwweg 26 en heeft nu het voornemen het bedrijf te beëindigen. De bedrijfswoning, varkensstallen en de loods zijn allemaal legaal gebouwd en bestemd;
  • b. In Hoofdstuk 4 is onderbouwd dat de omliggende (agrarische) bedrijven niet worden beperkt in hun ontwikkelingsmogelijkheden;
  • c. Voorliggend initiatief met de te realiseren nieuwe woning is zorgvuldig ingepast op het perceel en voorzien van een landschappelijke inpassing. Om te borgen dat de inrichting zoals opgenomen in de landschappelijk inpassing daadwerkelijk wordt gerealiseerd is deze landschappelijk inpassing voorwaardelijk verplicht gesteld in de regels van voorliggend omgevingsplan;
  • d. De bebouwing op het perceel heeft geen monumentale of karakteristieke waarde;
  • e. In Hoofdstuk 4 is voorliggend initiatief getoetst aan alle relevante omgevingsaspecten op het perceel en in de directe omgeving van het plangebied. Hier wordt geconcludeerd dat de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden niet onevenredig worden geschaad;
  • f. Na beëindiging van het bedrijf zullen de twee varkensstallen met een gezamenlijke oppervlakte van ca. 2.100 m² worden gesloopt. Dit is ruim meer dan de eis van 1.000 m² om een extra woning te mogen realiseren. De nieuwe woning mag een inhoud hebben van maximaal 800 m³, conform de regeling. Het behoud van de bestaande loods (met een oppervlakte van 800 m²) wijkt af van het beleid, maar passend uit oogpunt van duurzaamheid en voorkomen van kapitaalvernietiging. De loods wordt aangemerkt als bijgebouw bij de woning en kan worden gebruikt voor opslag of caravanstalling.
  • g. De bestemming 'Agrarisch -Oeverwal' en het bouwvlak vervalt. De gronden krijgen de functie 'Wonen' en deels behoudt het de agrarische functie, maar zonder bouwvlak
  • h. De regels van de bestemming 'Wonen' uit het bestemmingsplan "Gouden Ham/De Schans, randzone" zijn van toepassing verklaard in voorliggend wijzigingsplan;
  • i. De omgevingsvergunning voor het uitoefenen van een agrarisch bedrijf wordt ingetrokken.

Conclusie

Het initiatief voldoet aan de gestelde voorwaarden behorende bij de wijzigingsregeling uit artikel 3.8.1, met uitzondering van het behoud van de loods. Deze blijft behouden en beslaat een groter oppervlakte dan de regels voor 'Wonen' toestaan (maximaal 200 m²). Echter betekent de beëindiging van de varkenshouderij en de sloop van 2.100 m² een dermate aanzienlijke verbetering van de omgevingskwaliteit (zowel ruimtelijk als milieuhygiënisch) dat deze uitzondering hier gerechtvaardigd wordt geacht.

Hoofdstuk 4 Gevolgen fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze aangetoond wordt dat met de voorgenomen ontwikkeling een veilige en gezonde leefomgeving ontstaat en behouden blijft voor nu en in de toekomst. De bijgevoegde onderzoeken zijn uitgevoerd conform de Wro. De invoering van de Omgevingswet per 01-01-2024 leidt niet tot andere conclusies.

4.1 M.e.r.-beoordeling

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.

Beoordeling of een M.e.r. procedure of beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit.

  • 1. De eerste stap is te kijken of het project voldoet aan de omschrijving van een project in kolom 1.
  • 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen.
  • 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3.
    • a. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom? Dan geldt voor het project een 'project-mer-plicht'.
    • b. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-mer-beoordelingsplicht'.

Planspecifiek

Het onderhavige initiatief betreft de beëindiging van een agrarisch bedrijf, de sloop van stallen en de bouw van één woning. Dit betreft geen project dat staat genoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Het opstellen van een m.e.r.-beoordeling is niet nodig.

4.2 Bodem

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

  • de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
  • evenwichtig functies toe te delen aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • de resterende historische verontreinigingen en aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren.

Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

Planspecifiek

Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is voor het perceel waar de stallen staan een verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 1 Verkennend bodem- en asbestonderzoek. De belangrijkste conclusie van het verkennend bodemonderzoek is dat het terrein vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt is voor de huidige en toekomstige functie. Aanvullend onderzoek of nadere maatregelen zijn niet nodig.

Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd in 2023 conform NEN5740 en NEN 5707. De invoering van de Omgevingswet per 01-01-2024 leidt niet tot andere conclusies.

Voor de locatie van de bedrijfswoning is eveneens een bodemonderzoek uitgevoerd vanwege de voorgenomen wijziging van de bestemming van bedrijfswoning naar burgerwoning (zie Bijlage 2 Voorafgaand bodemonderzoek). In de bodem zijn licht verhoogde gehalten aan OCB aangetoond wat verklaard kan worden doordat de locatie in een voormalig boomgaardengebied ligt. Ook zijn er licht verhoogde gehalten met zware metalen en PAK aangetroffen. De aangetoonde gehalten zijn echter zodanig licht verhoogd dat de in het Omgevingsplan vastgelegde toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt wordt de locatie geschikt geacht voor het woongebruik.

4.3 Geluid

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig functie die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden).

Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel.

Geluidbronsoort   Standaardwaarde, in dB   Grenswaarde, in dB  
Rijks- en provinciale wegen. In Lden   50   60  
Gemeente- en waterschapswegen. In Lden   53   70  
Hoofd- en lokale spoorwegen. In Lden   55   65  
Industrieterrein   Lden   50   55  
  Lnight   40   45  

Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en .3.35 Bkl

Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluid door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde.

Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van artikel 5.78, lid 3 Bkl bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden:

  • op een aangewezen geluidgevoelig gebouw:
    • 1. op de gevel, als het gaat om een aanwezig geluidgevoelig gebouw
    • 2. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw
  • op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen en in geval van een binnenwaarde, in een geluidgevoelige ruimte

In lijn met het Bkl dient bij het realiseren van geluidgevoelige functies gekeken te worden naar het aandachtsgebied. Dit omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeerdrukte, rijsnelheid, afstand van het project tot de weg en eventuele afschermende bebouwing. Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied.

Planspecifiek

Met voorliggend plan wordt een geluidgevoelig object toegevoegd in de vorm van een woning. Daarom is het van belang te kijken naar de mogelijke gevolgen van wegverkeerslawaai. Spoorweglawaai en industrielawaai zijn hier niet aan de orde.

Voor het beoordelen van het wegverkeerslawaai is gebruik gemaakt van een eerder uitgevoerd akoestisch onderzoek bij het naastliggende adres Dijkgraaf de Leeuwweg 22. De geprojecteerde woonfunctie op nr. 22 is op 30 meter uit de as van de weg gesitueerd. De geluidbelasting op de gevel bedraagt hier 48 dB (incl. de toen nog geldende 5 dB aftrek, derhalve 53 dB zonder aftrek). De geluidbelasting door alle gezoneerde wegen samen (in geval van nr.22 de Dijkgraaf de Leeuwweg en de Elsweg) bedraagt 53 dB zonder aftrek.

Onder de Omgevingswet is de rekenmethode voor akoestisch onderzoek gewijzigd, maar er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de conclusies uit het eerdere rapport niet bruikbaar zijn:

  • De nieuwe woning in onderhavig plan staat op eenzelfde afstand (30 m) uit de as van de weg.
  • In het rapport is ook de geluidbelasting van de Elsweg meegenomen. De geluidbelasting van de gezoneerde wegen samen bedroeg 53 dB. Onderhavig plangebied ligt op 290 meter afstand van de Elsweg, deze hoeft derhalve hier niet meegenomen te worden.
  • Het is niet aannemelijk dat de verkeersintensiteiten in de afgelopen jaren dermate zijn toegenomen dat dit leidt tot (veel) meer wegverkeerslawaai. Er zijn in de omgeving geen woningbouwprojecten of bedrijfsontwikkelingen geweest die leiden tot een toename van verkeer.

Voor gemeentewegen bedraagt de standaardwaarde 53 dB. Daar wordt op grond van voorgaand onderzoek aan voldaan. De gemeente mag een hogere waarde als aanvaardbaar beoordelen. De Omgevingsdienst Rivierenland heeft voor onderhavig initiatief een akoestische berekening uitgevoerd en bevestigt deze conclusie. De geluidbelasting wordt meegewogen in de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4 Milieuzonering

Bedrijven (die activiteiten uitvoeren/ ondernemen) kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe woning bij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden.

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” van de VNG is, zeker ook gezien jurisprudentie, een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden.

Op weg naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG een nieuwe publicatie uitgegeven: Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2023. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. In de nieuwe systematiek wordt de toelating van activiteiten niet meer gekoppeld aan een bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met milieucategorieën. Dit maakt het ook niet mogelijk de ontwikkeling van nieuwe gevoeligere objecten te toetsen aan bestaande bedrijven. Om die reden wordt voor de beoordeling van de omliggende activiteiten/ functies nog aangesloten bij de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.

Planspecifiek

De nieuw te bouwen woning betreft een nieuw milieugevoelig object. In de onderstaande tabel zijn de omliggende functies en de bijbehorende richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' weergegeven.

Functie (adres)   Milieucategorie   Minimale richtafstand   Feitelijke afstand tot plangebied  
Fruitteeltbedrijf
Dijkgraaf de Leeuwweg 22  
2   30 meter   30 meter  
Loon- en grondverzetbedrijf met opslag zand en grind
Dijkgraaf de Leeuwweg 28  
3.2   100 meter   90 meter  
Agrarisch bedrijf
Dijkgraaf de Leeuwweg 23  
  50 meter   38 meter  
Loon-, grond- en spuitbedrijf
Dijkgraaf de Leeuwweg 25a  
3.1   50 meter   80 meter  
agrarisch bedrijf/ caravanstalling
Greffelingsestraat 51  
  50 meter   60 meter  

Uit voorgaande tabel is op te maken dat niet alle functies in de omgeving zich op voldoende afstand bevinden tot het plangebied en dat er niet overal voldaan kan worden aan de richtafstanden. Een nadere beschouwing laat het volgende zien:

  • Voor het loon- en grondverzetbedrijf aan de Dijkgraaf de Leeuwweg 28 is in maart 2024 een bestemmingsplan vastgesteld dat een uitbreiding van het bedrijf mogelijk maakt met de opslag van zand en grind. Deze uitbreiding, waardoor het bedrijf van milieucategorie 3.1 naar 3.2 gaat, vindt plaats aan de andere zijde van het bedrijf. In het betreffende plan is gemotiveerd dat voldaan wordt aan benodigde afstanden tot de huidige bedrijfswoning op nr. 26. De nieuw te bouwen woning ligt op grotere afstand.
  • De afstand tot het agrarisch bedrijf Dijkgraaf de Leeuwweg 23 (aan de overzijde van de weg) is gemeten tussen de grens van het agrarisch bouwvlak en de functie wonen. De feitelijke afstand tussen de bedrijfsgebouwen en de gevel van de nieuwe woning is veel groter. Qua geluid is de aan te houden richtafstand 30 meter, hier wordt aan voldaan en bovendien ligt er nog een weg tussen. Het aspect geur vormt evenmin een belemmering, zie daarvoor de onderbouwing in paragraaf 4.7.

Voor de overige bedrijven in de omgeving wordt voldaan aan de richtafstand.

Voor de te handhaven loods bestaat het voornemen om deze te gebruiken als caravanstalling. Dit gebruik is kleinschalig en ondergeschikt aan de woonfunctie. De loods heeft een oppervlakte van ca. 800 m². Bij aanname dat voor de stalling van een caravan/camper een oppervlakte van 25 m² nodig is, is er ruimte voor maximaal 32 caravans (worst-case scenario). Voor het halen en brengen van een caravan zijn 4 verkeersbewegingen nodig (heen en terug). Als een caravan gemiddeld 5 keer per jaar wordt gebracht zijn dat 4 x 5 x 32 = 640 verkeersbewegingen, grofweg in de periode april - september (180 dagen). Dit komt neer op gemiddeld 3,6 verkeersbewegingen per dag, alleen door lichte voortuigen. Dit wordt aanvaardbaar geacht ten opzichte van de woonfunctie.

4.5 Trillingen

Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Trilling wordt gezien als een milieubelastende activiteit. In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Vastgelegd wordt welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.

Planspecifiek

In de ruime omgeving van het plangebied zijn geen activiteiten aanwezig die trillingen kunnen veroorzaken zoals grote wegen, spoorlijnen en/of industriële machines.

4.6 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de 'omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit' opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een resultaatverplichting;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Niet in betekende mate (NIBM)

Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 (aanwijzing agglomeraties richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) Omgevingsregeling. De gemeente West Maas en Waal ligt niet in een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit.

Planspecifiek

Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief

De huidige luchtkwaliteit ter plaatse is getoetst met behulp van de gegevens van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit. Door de concentraties ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Ter hoogte van het meest nabij gelegen rekenpunt (51468751_1555962 aan de Van Heemstraweg ten noordwesten van het plangebied) komen de volgende concentraties komen naar voren:

  NO2 
(stikstofdioxide)  
PM10
(fijnstof)  
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof)  
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2022 (µg/m3)   14,8 µg/m3   17,5 µg/m3   9,8 µg/m3  
Grenswaarde concentratie (µg/m3)   40 µg/m3   40 µg/m3   25 µg/m3  

De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Bijdrage van het initiatief

Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief (slopen van agrarische bedrijfsbebouwing en realisatie één woning) van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof kan daarom achterwege blijven.

4.7 Geur

In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.

De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:

  • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);
  • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS);
  • Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS);
  • Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).

Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft.

Geurgevoelig gebouw   Standaardwaarde   Grenswaarde  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   2,0 ouE/m3   8,0 ouE/m3  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   3,0 ouE/m3   14,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   8,0 ouE/m3   20,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   14,0 ouE/m   35,0 ouE/m3  

Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw

In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden valt terug te voeren op een verschil in de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze.

(Afwijkende) omgevingswaarde – geurverordening

De gemeente West Maas en Waal ligt niet in een concentratiegebied. Een regel over geurbelasting door veehouderij in een gemeentelijke verordening (artikel 6, Wgv) wordt bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (artikel 4.6, lid 1 Invoeringswet Omgevingswet). In de Verordening Geurhinder en veehouderij van de gemeente West Maas en Waal n de Verordening aangegeven dat voor de oeverwallen (deelgebied C) een (afwijkende) waarde van geldt van 8,0 ouE/m3. Daarnaast is een (afwijkende) vaste afstand vastgesteld voor de gehele gemeente van 100 meter afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object en 50 meter voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom.

Planspecifiek

In het kader van voorliggend plan is een geuronderzoek uitgevoerd. Het rapport hiervan is opgenomen in bijlage 3. Aan de overzijde van de Dijkgraaf de Leeuwweg is op nummer 23 een paarden- en schapenhouderij gevestigd. Er is een geurberekening gemaakt om de voorgrondbelasting vanuit deze veehouderij te bepalen. hieruit blijkt dat de voorgrondbelasting 0,5 ouE/m3, waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de norm van 8,0 ouE/m3. De afstand tussen het bouwvlak waarbinnen de woning mag worden gerealiseerd en het agrarisch bouwvlak bedraagt meer dan 50 meter waarmee ook aan deze minimale afstand uit de geurverordening wordt voldaan.

4.8 Spuitzonering

Bij het telen van bollen-, boom- en fruit in de open lucht kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van belang zijn. Dit vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten. Er gelden, behoudens het niet mogen belasten van oppervlaktewater. In Nederland zijn er geen wettelijke bepalingen over een minimaal aan te houden afstanden tussen de teeltgronden en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen en bedrijven. In de praktijk wordt wel de vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een genoemde teelten en een gevoelige functie. Dit is een in de praktijk gegroeide indicatieve vuistregel.

Planspecifiek

Oostelijk van het plangebied liggen aan weerszijden van de Dijkgraaf de Leeuwweg gronden die in gebruik zijn voor fruitteelt. De afstand tussen deze teeltgronden en het plangebied bedraagt meer dan 80 meter. Er wordt derhalve voldaan aan de afstand van 50 meter.

4.9 Kabels en leidingen

Er zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig.

4.10 Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Planspecifiek

Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het plangebied is hier globaal aangegeven met de blauwe cirkel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.ALPdijkgrfleeuwweg-TOOH_0008.png"

Uitsnede risicokaart, plangebied blauw omcirkeld (bron: atlasleefomgeving.nl)

Uit de risicokaart is op te maken dat binnen het plangebied een gevaarlijke stof (propaan) ligt opgeslagen. De plaatsgebonden risicocontour van de propaantank ligt op 50 meter. Deze tank zal met het beëindigen van het agrarische bedrijf verwijderd worden.

Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het aandachtsgebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstoffen. Ten zuiden van het plangebied stroomt rivier de Maas. Het plangebied ligt niet binnen het aandachtsgebied van deze transportroute.

4.11 Gezondheid

De Omgevingswet benoemt een gezonde en veilige leefomgeving nadrukkelijker in haar doelen. Omdat het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en veiligheid tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit, (water)veiligheid en bodem. Eén omgevingswaarde of –norm voor gezondheid en veiligheid bestaat niet. Dit is een optelsom en weging van de verschillende deelaspecten.

Uit voorgaande paragrafen blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Ten aanzien van de aspecten geluid, geur, trilling, luchtkwaliteit, omgevingsveiligheid en bodem worden geen normen overschreden of bijna overschreden. Dat laatste is van belang omdat bij gezondheid en veiligheid juist de cumulatieve beoordeling van deze sectorale aspecten van belang is.

Met voorliggend plan wordt een varkenshouderij beëindigd. Dit betekent voor de omgeving een afname van geur, geluid en verkeer.

Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat met de ontwikkeling een veilige en gezonde leefomgeving kan worden gewaarborgd en dat daarmee sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.12 Water

Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap.

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen, betrokken.

De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld:

  • Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en (4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow);
  • Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow);
  • Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor het project moeten worden getroffen. Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder.

Beleid Waterschap Rivierenland

Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen' is bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen.

Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een waterschapsverordening. Hierin staan regels voor werken en werkzaamheden in, op en in de buurt van wateren, waterkeringen en wegen die in beheer van het waterschap zijn. Voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn, soms is een schriftelijke melding voldoende. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.

De realisatie van nieuw verhard oppervlak moet waterneutraal worden uitgevoerd. Dit betekent dat de aanvrager voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na het gereedkomen van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voordien.

Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc., moeten compenseren geldt er een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Deze vrijstelling geldt alleen voor particulieren.

Er moet voldoende berging zijn bij extremere omstandigheden. Voor ontwikkeling met een toename van verhard oppervlak tot 5.000 m² kan een standaardberekening worden toegepast, waarbij wordt uitgegaan van een maatgevende bui die eenmaal in de 10 jaar voorkomt. Vuistregel daarbij is dat 436 m³ waterberging per hectare verhard oppervlak nodig is.

Uit deze vuistregel volgt de volgende berekening:

Benodigde compensatie = Toename verhard opp (in m²) * 0,0436

Het waterschap Rivierenland hanteert onderstaande droogleggings- en ontwateringsnormen waaraan moet worden voldaan. Het beleid van de gemeente West Maas en Waal volgt het beleid van het waterschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.ALPdijkgrfleeuwweg-TOOH_0009.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.ALPdijkgrfleeuwweg-TOOH_0010.png"

Definities:

  • Drooglegging = de afstand tussen het zomerpeil (ZP) en het betrokken object/locatie,
  • Ontwateringsdiepte = De afstand tussen het maaiveld (grondoppervlak) en de hoogste grondwaterstand (GHG) tussen de ontwateringsmiddelen (sloten of bv drainage).
  • Opbolling = Het maximale hoogteverschil tussen de grondwaterstand en het oppervlaktewaterpeil.

Planspecifiek

Waterkeringen

Het plangebied ligt niet in een beschermingszone van een dijk.

Watergangen

Langs de noordzijde van het plangebied ligt een primaire watergang langs de Dijkgraaf de Leeuwweg. Tussen de twee kadastrale percelen van het plangebied is een tertiare watergang aanwezig en ook aan de westzijde van perceel H-748 (het perceel waar de stallen staan) ligt een sloot. Deze sloten staan de meeste tijd droog. De watergangen blijven met de voorgenomen ontwikkeling gehandhaafd. Voor de ontsluiting van het nieuwe woonperceel kan gebruik worden gemaakt van de bestaande inrit.

Maaiveld en peilhoogte

De maaiveld op de planlocatie ligt op circa 4,80 m +NAP. Het waterschap Rivierenland hanteert voor het oppervlaktewater een zomerpeil van 3,70 mNAP en een winterpeil van 3.30 mNAP (beide met een marge -0,10m/+0,10m).

Grondwater

De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) ligt hier op 0,4 tot 0,6 m -mv. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) ligt op 1 tot 1,5 m -mv. Op basis van de 'Overzichtskaart mate van kwel hoge rivierstanden' van de gemeente West Maas en Waal blijkt dat er ter hoogte van het plangebied de kans op kwel beperkt is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.ALPdijkgrfleeuwweg-TOOH_0011.png"

Bij de bouw van de woning moet rekening worden gehouden met de grondwaterstand om grondwateroverlast te voorkomen. Bij de bestaande woning op nr. 26 is het maaiveld opgehoogd, de bewoners geven aan dat er hier geen sprake is van grondwateroverlast. Ook bij de nieuwe woning kan het wenselijk c.q. noodzakelijk zijn om het maaiveld op te hogen en de nieuwe woning enkele decimeters hoger te bouwen. Voor een woning met kruipruimte geldt een ontwateringsdiepte van 0,9 meter t.o.v. bouwpeil Er is nog geen bouwplan voor de woning. Voor de bouw van de woning zal worden beoordeeld of en hoeveel het nodig is om het perceel op te hogen. Dit is goed uitvoerbaar.

Huidige situatie

De twee te slopen stallen hebben een gezamenlijke oppervlakte van 2.100 m². Daarnaast is er circa 700 m² aan erfverharding aanwezig. In totaal wordt er ca. 2.800 m² aan verhard oppervlak gesaneerd.

Tussen de twee stallen ligt een goot die het hemelwater afvoert naar de watergangen aan de voorzijde en aan weerszijden van het perceel.

Nieuwe situatie

Er is nog geen concreet bouwplan voor de ontwikkeling. Voor de nieuwe situatie wordt uitgegaan van het volgend verhard oppervlak:

woning: 150 m²

bijgebouwen: 80 m²

erfverharding: 275 m² (conform tekening schetsontwerp)

totaal: 505 m²

Met voorliggend plan neemt de hoeveelheid verharding op het perceel sterk af met naar schatting ca. 2.300 m². Compensatie van waterberging is daarom niet nodig. Het hemelwater dat op daken en verharding valt kan net als in de huidige situatie worden afgevoerd naar de watergangen aan weerszijden van het perceel.

Om te zorgen dat het afstromende hemelwater schoon blijft is mogen geen uitlogende bouwmaterialen worden gebruikt.

Voor het plan is een digitaal wateradvies gevraagd (zie bijlage 4). Uit het advies blijkt dat de normale procedure moet worden gevoerd. Dit vanwege de ligging van de primaire watergang. Deze watergang ligt aan de voorzijde van het perceel, net buiten het plangebied. Voorliggend plan heeft geen consequenties voor deze watergang. Zoals hierboven aangegeven vinden op dit deel van het perceel geen ingrepen plaats.

Het plan heeft geen nadelige effecten op de waterhuishoudkundige situatie.

4.13 Klimaatadaptatie

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten.

De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Planspecifiek

Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering.

Wateroverlast

Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat er in het plangebied tussen de huidige varkensstallen plasvorming kan ontstaan na een korte of lange extreme bui. Na sloop van de stallen en sanering van de verharding zal deze plasvorming niet meer optreden, omdat het hemelwater rechtstreeks wordt afgevoerd naar aanliggende watergangen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.ALPdijkgrfleeuwweg-TOOH_0012.png"

Hittestress

Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat er in heel Nederland meer tropische dagen en langere hitte verwacht kunnen worden. Door de sloop van de opstallen neemt het verhard oppervlak af. De geplande nieuwbouw is goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee voldoet de woning aan de toegenomen koelbehoefte die kan ontstaan als een gevolg van hittestress. Daarbij zal het plangebied rondom de woningen zo groen mogelijk worden ingericht en met zo min mogelijk verharding, ter voorkoming van hittestress.

Droogte

De bijbehorende kaartbeelden laten wat betreft droogte zien dat in heel Nederland een hoger neerslagtekort verwacht kan worden. Dit heeft gevolgen voor de grondwaterstanden en droogtegevoeligheid van het gebied. Door het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf. Het plangebied en omgeving is weinig gevoelig voor natuurbranden.

Overstroming

Uit de kaartbeelden blijkt dat de overstromingskans klein is (kans van 1:300 tot 1:3000 per jaar). Het risico is daarmee niet groter dan dat in nagenoeg de gehele gemeente West Maas en Waal.

4.14 Duurzaamheid

In de koersnotitie Duurzaamheid en Energiebeleid worden de kaders en hoofdlijnen van gemeente West Maas en Waal weergegeven. In de notie is beschreven hoe gemeente West Maas en Waal wil transformeren naar een duurzame gemeente, door middel van CO2 reductie. Voorliggende ontwikkeling is passend binnen de koersnotitie Duurzaamheid en Energiebeleid. De toekomstige woning vervangt twee grote varkensstallen. Dit zorgt voor een afname in CO2 uitstoot over de lange termijn.

Het initiatief is daarmee passend in het aspect duurzaamheid.

4.15 Natuur

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

Planspecifiek

Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is in juni 2023 een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd, zie Bijlage 5. De invoering van de Omgevingswet per 01-01-2024 leidt niet tot andere conclusies. De conclusies worden hier kort samengevat.

Soortenbescherming

Uit het onderzoek blijkt dat de te slopen varkensschuren potentiële verblijfplaatsen kunnen zijn voor verschillende vleermuissoorten (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis). Om de aan- of afwezigheid van vleermuizen vast te stellen dient aanvullend onderzoek plaats te vinden in de periode april-september. Ook voor de huismus wordt aanvullend onderzoek naar mogelijke nestlocaties noodzakelijk geacht. Het aanvullend onderzoek is in uitvoering en wordt in de zomer van 2025 afgerond. Er is geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde vergunningen niet verkregen zouden kunnen worden. De schuren zijn niet geschikt voor andere vogelsoorten als gierzwaluwen of uilen of andere beschermde planten- of diersoorten.

Gebiedsbescherming

In de omgeving van het plangebied is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Dit gebied ligt op ruim 4 kilometer afstand van het plangebied. Gelet op de aard van het voorgenomen initiatief (beëindiging van de varkenshouderij, sloop van agrarische bedrijfsbebouwing en de bouw en het gebruik van één woning), de grote afstand tot het te beschermen gebied kan het optreden van significante negatieve effecten (als gevolg van geluid, licht etc. en stikstof) worden uitgesloten.

4.16 Cultuurhistorie en archeologie

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.

Besluit kwaliteit leefomgeving

In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

Planspecifiek

Cultuurhistorie

In het plangebied en in de directe omgeving bevinden zich geen cultuurhistorische waarden waar het plan een effect op kan hebben.

Archeologie

Het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie', met de functieaanduiding 'waarde - archeologie 4'. Bij 'waarde archeologie 4' geldt een onderzoeksplicht bodemingrepen groter dan 1.000 m² en dieper dan 150 cm. Met de bouw van de woning wordt de onderzoeksgrens niet overschreden. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. In artikel 6 zijn regels opgenomen ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden.

4.17 Verkeer en parkeren

Onderdeel van de afweging of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur.

De hoeveelheid verkeer neemt als gevolg van de beëindiging van het agrarisch bedrijf en de bouw van één woning per saldo af. Er is geen sprake meer van (zwaar) bedrijfsverkeer.

Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt aangesloten bij de Nota Parkeren 2019 van de gemeente West Maas en Waal. Deze parkeernormen zijn gebaseerd op de parkeerkencijfers uit CROW-publicatie 381. Voor vrijstaande woningen in het buitengebied bedraagt de 2,0 tot 2,8 parkeerplaatsen per woning. In het plangebied is bij zowel de nieuwe als de bestaande woning voldoende ruimte om op eigen terrein minimaal 3 auto's te parkeren. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernorm.

4.18 Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen.

Planspecifiek

Volgens jurisprudentie hoeven woningen die worden gerealiseerd in het kader van een ruimte-voor-ruimte-regeling niet te worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Met de ontwikkeling wordt bebouwing gereduceerd en daarmee wordt het niet gezien als een stedelijke ontwikkeling (zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling: ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724).

4.19 Omgevingskwaliteit

In de Omgevingsvisie van West Maas en Waal is opgenomen dat de transitie van agrarische bedrijven naar andere functies, zoals woonfuncties, steeds vaker voorkomt. Dit geldt ook voor voorliggend initiatief, waarbij de agrarische functie vervalt. In de Omgevingsvisie is beschreven dat de verandering wordt ondersteund, mits de nieuwe functie de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied versterkt en de kleinschaligheid van het landschap respecteert. Het voorliggend initiatief voorziet in deze behoefte. Er is een schetsontwerp gemaakt voor de nieuwe inrichting van het erf in combinatie met een landschappelijke inpassing. Het initiatief leidt tot verbetering van de omgevingskwaliteit.

4.20 Leefbaarheid

In de omgevingsvisie van West Maas en Waal is opgenomen dat de transitie van agrarische functie naar woonfunctie als kans wordt gezien om de leefbaarheid in het buitengebied te behouden of versterken. Voorliggend initiatief voorziet de transitie van agrarische functie naar woonfunctie. Het levert een positieve bijdrage aan de leefbaarheid van de omgeving.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Inleiding

Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. De TAM is primair bedoeld om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen blijven faciliteren. Kort gezegd houdt TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).

5.2 Juridische systematiek

Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, wordt juridisch wel voldaan aan de regels van de Omgevingswet. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding bij het plan. Dit plan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken:

5.3 Toepassingsbereik TAM-omgevingsplan

Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan. De voorgenomen ontwikkeling op de locatie Dijkgraaf de Leeuwweg 26 is in strijd met het tijdelijke deel van het Omgevingsplan (i.c. de bestemmingsplannen 'Gouden Ham/De Schans, randzone' en 'Thematische herziening Agrarische bedrijven 2020'. Het omgevingsplan moet daarom gewijzigd worden.

Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan.

Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22c van het omgevingsplan.

In de regels staat ook de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan beschreven.

Er is een voorrangsregel opgenomen waarin staat dat het bouw- en gebruiksrecht van dit plan op deze locatie voorgaat op het bouw- en gebruiksrecht zoals dat in de geldende bestemmingsplannen staat. Overige regels blijven gelden op basis van de geldende bestemmingsplannen.

5.4 Wijze van regelen

5.4.1 Indeling in hoofdstukken

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken.

  • Hoofdstuk 1 - Inleidende bepalingen

Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente West Maas en Waal. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan de Dijkgraaf de Leeuwweg 26 (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over de het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen.

  • Hoofdstuk 2: Functies en activiteiten

Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Voor het TAM-omgevingsplan is zoveel mogelijk aangesloten bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten (voorheen de bestemmingen) uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan ('Gouden Ham/De Schans, randzone'). De bestemmingsregels zijn wel zodanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet.

  • Hoofdstuk 3: Algemene regels

In dit hoofdstuk zijn algemene bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld de aanwijzing voor verboden gebruik en de aanvraagvereisten.

  • Hoofdstuk 4: Overgangsrecht

De overgangsbepalingen voorzien er in dat de bestaande situatie mag blijven bestaan zolang de nieuwe ontwikkeling nog niet is gerealiseerd.

5.4.2 Beschrijving per functie

Met voorliggend TAM-omgevingsplan is aangesloten bij de plansystematiek van het geldende bestemmingsplan 'Gouden Ham/De Schans, randzone', maar wel geformuleerd in de terminologie van de Omgevingswet. Wat voorheen 'bestemmingen' waren zijn nu 'functies'. Voorliggend plan bevat de volgende functies:

  • Wonen: zowel de voormalige bedrijfswoning als de nieuw te bouwen woning krijgen de functie 'Wonen'. Om de situering van de woningen vast te leggen is een bouwvlak opgenomen. De bouwregels zijn overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan. In de regels is de voorwaardelijke verplichting opgenomen dat voordat de nieuwe woning gebouwd mag worden de varkensstallen moeten zijn gesloopt. Omdat de varkenshouderij is beëindigd in het kader van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) is het houden van landbouwhuisdieren expliciet uitgesloten. Tevens geldt de verplichting dat binnen één jaar de landschappelijke inpassingsmaatregelen moeten zijn uitgevoerd. De te handhaven loods is apart op de verbeelding aangegeven als bijgebouw bij de bestaande woning Dijkgraaf de Leeuwweg 26. In de regels is opgenomen dat ter plaatse alleen een bijgebouw is toegestaan met de bestaande afmetingen en dat deze gebruikt mag worden ten dienste van de woonfunctie (berging, hobbymatig gebruik) en voor opslag en stalling van caravans.
  • Agrarisch - Agrarisch met waarden: deze functie is toegekend aan de gronden die voorheen binnen het bouwvlak lagen maag nu geen deel uitmaken van de woonpercelen.
  • Waarde - Archeologie 4: deze regels zijn opgenomen ter bescherming van archeologische waarden in de bodem.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Het is verboden bouwactiviteiten te verrichten zolang de kostenverhaalbijdrage niet is betaald. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt een anterieure privaatrechtelijke overeenkomst over kostenverhaal gesloten. Het privaatrechtelijk kostenverhaal is geregeld in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie.

Voor voorliggend plan geldt dat de gemeente geen investeringen hoeft te doen.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Participatie

De initiatiefnemer heeft het plan besproken met zijn naaste buren. Met de eigenaren van nr. 22 is goed overleg gevoerd, omdat zij ook ontwikkelingswensen hebben voor hun perceel. De overige omwonenden hebben aangegeven geen bezwaren te hebben tegen voorliggend plan.

6.2.2 Overlegpartners

Vanwege het lokale karakter hoeft het plan niet te worden voorgelegd aan de provincie. Het waterschap is via het digitale wateradvies op de hoogte gesteld van het plan. Het advies van het waterschap is verwerkt in het plan.

6.2.3 Zienswijzen

Het ontwerp-TAM-omgevingsplan heeft van 18 september tot en met 30 oktober 2025 ter inzage gelegen. IN deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend. Het plan is ongewijzigd vastgesteld.

Hoofdstuk 7 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

De Omgevingswet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • 1. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en
  • 2. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

In de motivering bij een wijziging omgevingsplan moet worden aangetoond dat er met de wijziging sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit hoofdstuk wordt een conclusie getrokken ten aanzien van de integrale weging van de aspecten die bij een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit betrokken zijn. Dit is een optelsom en weging van de verschillende deelaspecten.

Uit voorgaande hoofstukken blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Uit oogpunt van aspecten als water, ecologie, verkeer, cultuurhistorie en archeologie kan worden gesteld dat met voorliggend initiatief sprake is van een goede omgevingskwaliteit.

Ten aanzien van de aspecten geluid, geur, luchtkwaliteit, omgevingsveiligheid en bodem worden geen normen overschreden. Door beëindiging van het agrarische bedrijf neemt de geurbelasting sterk af, wat een positief effect is op (de woningen in) de omgeving.

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat met de ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving kan worden gewaarborgd en dat daarmee sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.