direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM Omgevingsplan Adrz Goes
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0664.TAMAdrzGoes-VG99

Regels

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie ''s Gravenpolderseweg 114 en Zwarte Beijer 2 t/m 8' en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 23a) van het omgevingsplan van de gemeente Goes. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 23a van het omgevingsplan van de gemeente goes. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '23a.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '23a.' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen

In aanvulling op de begrippen als bedoeld in artikel 1 gelden voor dit hoofdstuk de volgende begripsbepalingen:

2.1 TAM-omgevingsplan

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 23a Adrz Goes;

2.2 Omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente Goes;

2.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

2.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

2.5 bestaand
  • a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan bestaat of wordt gebouwd, mits dat bouwwerk legaal tot stand is gekomen, dan wel nadien kan worden gebouwd, krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald;
  • b. bij gebruik: het gebruik dat op het moment van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan bestaat, mits dat gebruik legaal tot stand is gekomen, tenzij in de regels anders is bepaald.
2.6 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

2.7 bruto vloeroppervlak

de totale vloeroppervlakte van een gebouw of gedeelte daarvan, gemeten volgens de bepalingsmethode zoals vastgelegd in NEN2580;

2.8 peil
  • a. voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk grenst aan een weg: de hoogte van die weg (ter plaatse van de hoofdtoegang);
  • b. bij ligging in het water: de gemiddelde hoogte van de aangrenzende oevers;
  • c. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld.

Artikel 3 Toepassingsbereik

De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld onder c.

  • a. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld onder c., voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • b. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM Omgevingsplan Adrz Goes, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand TAMAdrzGoesVG99 zoals vastgelegd op  https://www.ruimtelijkeplannen.nl/.

Artikel 4 Meetbepalingen

In aanvulling op artikel 22.24 van dit omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

4.1 afstanden

Afstanden van bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot de perceelsgrens worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn.

4.2 bebouwd oppervlak

Het bebouwd oppervlak van een bouwperceel of een ander terrein wordt bepaald door de oppervlakten van alle op een terrein gelegen bouwwerken bij elkaar op te tellen.

4.3 breedte en diepte van een gebouw of ander bouwwerk

De breedte en diepte worden gemeten tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.

4.4 dakhelling

De dakhelling wordt gemeten langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

4.5 goothoogte van een bouwwerk

De goothoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

4.6 inhoud van een bouwwerk

De inhoud van een bouwwerk wordt gemeten tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

4.7 oppervlakte van een bouwwerk

De oppervlakte van een bouwwerk wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

In afwijking van artikel 22.24 van dit omgevingsplan geldt de volgende meet- en rekenbepaling:

4.8 bouwhoogte van een bouwwerk

De bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouw- onderdelen zoals schoorstenen, antennes, airco-units en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod

Niet genoemde activiteiten en activiteiten die in strijd zijn met dit plan zijn niet toegestaan.

Artikel 6 Specifieke aanvraagvereisten

6.1 Tekeningen

Tekeningen als bedoeld in artikel 22.35 van het omgevingsplan voldoen aan de volgende eisen:

  • a. een duidelijke maatvoering en schaalaanduiding;
  • b. een schaal die niet kleiner is dan 1:1.000, als het gaat om een situatietekening;
  • c. een noordpijl waaruit de oriëntatie van het perceel blijkt ten opzichte van de omgeving.

Artikel 7 Voldoende parkeergelegenheid

Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid als voldaan wordt aan de volgende regels:

  • a. voor hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'overig - beoordelingsregel - parkeren 1' zijn er in totaal ten minste 913 parkeerplaatsen beschikbaar ter plaatse van de aanduiding parkeerterrein;
  • b. voor hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'overig - beoordelingsregel - parkeren 2' zijn er in totaal ten minste 92 parkeerplaatsen beschikbaar ter plaatse van de aanduiding parkeerterrein.

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van activiteiten waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere activiteiten buiten beschouwing.

Hoofdstuk 2 Gebruiksactiviteiten

Artikel 9 Gebruiksregels maatschappelijk - Medische zorgverlening

9.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op medische zorgverlening;
  • b. Onder medische zorgverlening wordt verstaan:
    • 1. het verrichten van activiteiten die bestaan uit het al dan niet bedrijfsmatig verlenen van diensten, met of zonder rechtstreeks contact met het publiek, op het gebied van de uitvoering van medische zorg, medisch onderwijs en medisch onderzoek,
    • 2. het aanleggen en instandhouden van de bij medische zorgverlening behorende voorzieningen ten behoeve van algemeen nut zoals verkeers-, groen-, water-, nuts- en daarmee vergelijkbare voorzieningen, waaronder landschappelijke inpassing en afscherming, voet- en fietspaden, ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen, halteplaatsen voor bussen en taxi's.
9.2 Maatschappelijk - Medische zorgverlening
  • a. Ter plaatse van de functie 'maatschappelijk - medische zorgverlening' is het gebruik voor medische zorgverlening toegestaan;
  • b. de bruto vloeroppervlakte die wordt gebruikt voor medische zorgverlening zoals bedoeld in artikel 9.1 onder b.1. bedraagt ter plaatse van de aanduiding 'maximum vloeroppervlakte' gezamenlijk ten hoogste 43.500 m2;
  • c. de bruto vloeroppervlakte die wordt gebruikt voor medische zorgverlening zoals bedoeld in artikel 9.1 onder b.1. bedraagt ter plaatse van de gronden zonder de aanduiding 'maximum vloeroppervlakte' niet meer dan zoals bestaand;
  • d. het gebruik ter plaatse van de aanduiding 'maximum vloeroppervlakte' is alleen toegestaan wanneer binnen twee jaar na ingebruikname van de gebouwen ter plaatse van deze aannduiding, de gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - sloopverplichting' gesloopt zijn;
  • e. een helikopterdek is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'helikopterdek';
  • f. ten behoeve van het gebruik als bedoeld in artikel 9.1 onder a. worden de parkeerplaatsen als genoemd in artikel 13.2 onder i. duurzaam in stand gehouden.

Artikel 10 Gebruiksregels Groen

In het voor 'Groen' aangewezen gebied zijn de volgende functies en activiteiten toegestaan:

  • a. plantsoenen, groenvoorzieningen, beplanting, parken, bermstroken en bermsloten;
  • b. waterpartijen, watergangen en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;
  • c. (voet- en fiets)paden, bruggen, straatmeubilair, afvalverzamelvoorzieningen, nutsvoorzieningen en geluidwerende voorzieningen;
  • d. voorwerpen van beeldende kunst en gedenktekens.

Artikel 11 Waarde - Archeologie 2

11.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 2'.

11.2 Waarde - Archeologie 2

De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve de andere daar voorkomende functies , mede bestemd voor de bescherming van de vastgestelde en verwachte archeologische waarden.

11.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
11.3.1 Beoordelingsregels voor het bouwen ten behoeve van de functie
  • a. Op en in de gronden als bedoeld in 11.1, mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de functie als bedoeld in 11.2 worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 2 meter.

11.3.2 Beoordelingsregels voor het bouwen ten behoeve van overige functies

Voor het bouwen ten behoeve van andere functies als bedoeld in 11.2, mag met inachtneming van de daarvoor geldende regels, uitsluitend worden gebouwd:

  • a. burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van de archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is;
  • b. als niet is voldaan aan het bepaalde onder a.: de aanvrager van de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
  • c. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder b. genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologische deskundige;
  • d. het bepaalde in 11.3.2 sub a, b en c is niet toepassing indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
    • 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
    • 2. een bouwwerk waarvan de oppervlakte van de verstoring ten hoogste 250 m² bedraagt;
    • 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden niet dieper dan 40 cm wordt geplaatst.

Artikel 12 Landschap

12.1 Verplichting aanleg en instandhouding landschappelijke inpassing

Er wordt een landschappelijke inpassing aangelegd en duurzaam in stand gehouden volgens een inrichtingsplan dat volgens het college van burgemeester en wethouders voldoet aan het beoordelingskader dat is opgenomen in bijlage 1 bij de regels van dit TAM-omgevingsplan.

12.2 Gebruiksverbod

Het is verboden de gronden en gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - landschappelijke inpassing' te gebruiken zonder dat:

  • a. buiten de aanduiding 'overige zone - sloopverplichting' de in lid 12.1 bedoelde landschappelijke inpassing uiterlijk 1 jaar na de ingebruikname van de gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'maximum vloeroppervlakte' is aangelegd;
  • b. binnen de aanduiding 'overige zone - sloopverplichting' de in lid 12.1 bedoelde landschappelijke inpassing uiterlijk 1 jaar na de sloop van de gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - sloopverplichting' is aangelegd.

Hoofdstuk 3 Bouwactiviteiten

Artikel 13 Bouwen van een hoofdgebouw - vergunningplicht

13.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van hoofdgebouwen binnen de functie Maatschappelijk - medische zorgverlening en geldt als aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29.

13.2 Beoordelingsregels hoofdgebouwen

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. gebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  • b. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' aangegeven bouwhoogte;
  • c. de bouwgrenzen zoals bedoeld onder a. en b. mogen uitsluitend worden overschreden door tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, erkers, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 meter bedraagt;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'tunnel' is uitsluitend een tunnel toegestaan, met een diepte van ten hoogste 4,5 meter onder peil;
  • e. in afwijking van het bepaalde in 2.8 is het peil voor gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - peil' 2,6 meter +NAP;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - loopbrug' bedraagt de vrije hoogte ten opzichte van het maaiveld ten minste 4,2 meter, de vrije overspanning bedraagt ten minste 6 meter;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak' bedraagt de oppervlakte niet meer dan 1.087 m2;
  • h. het uiterlijk van gebouwen mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels zoals bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet, voor zover deze al vastgesteld zijn op het moment van het toepassen van deze beoordelingsregel;
  • i. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid zoals bedoeld in artikel 7;
  • j. een helikopterdek is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'helikopterdek';
13.3 milieuzone - aanvullende beoordelingsregels hoofdgebouwen - 1

Het niet is toegestaan verblijfsruimten te bouwen op gronden met de nadere aanduiding 'milieuzone - aanvullende beoordelingsregels hoofdgebouwen - 1'.

13.4 milieuzone - aanvullende beoordelingsregels hoofdgebouwen - 2

Op gronden met de nadere aanduiding 'milieuzone - aanvullende beoordelingsregels hoofdgebouwen - 2' verblijfsruimten uitsluitend gebouwd mogen worden onder de volgende voorwaarden:

  • a. gevels moeten gesloten worden uitgevoerd. Dit houdt in dat geen te openen delen in de gevels aanwezig mogen zijn;
  • b. aanzuigingen van klimaatinstallaties moeten zodanig worden gesitueerd dat drift van chemische gewasbeschermingsmiddelen van aangrenzende agrarische gronden niet kan binnentreden. Openingen t.b.v. aanzuiging moeten zoveel mogelijk worden gesitueerd aan de zijde van het gebouw die niet op de aangrenzende agrarische gronden zijn gericht ;
  • c. tussen de aangrenzende agrarische gronden waar chemische gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt en de verblijfsruimte moet een haag/afscheiding van minimaal 2 meter hoog aanwezig zijn.

13.5 Verplichting bouwen geluidscherm

Het bouwen van gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'beoordelingsregel - landschappelijke inpassing' is slechts toegestaan wanneer ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm' een geluidscherm met een hoogte van 5 meter is gebouwd en duurzaam in stand wordt gehouden.

Artikel 14 Bouwen van een bijbehorend bouwwerk - vergunningplicht

14.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van bijbehorende bouwwerken binnen de functie Maatschappelijk - medische zorgverlening en geldt als aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29.

14.2 Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk of van een overkapping bedraagt ten hoogste 5 meter;
  • b. de oppervlakte van een bijbehorend bouwwerk of overkapping bedraagt ten hoogste 600 m2;
  • c. De oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen bedraagt in totaal ten hoogste 1.000 m2;
  • d. het uiterlijk van gebouwen niet in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels zoals bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet, voor zover deze al vastgesteld zijn op het moment van het toepassen van deze beoordelingsregel.

Artikel 15 Bouwen van een ander bouwwerk - vergunningplicht

15.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van een bouwwerk, geen gebouw zijnde binnen de functie Maatschappelijk - medische voorzieningen en geldt als aanvulling op artikel 22.29.

15.2 Beoordelingsregels andere bouwwerken

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van lichtmasten en vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 8 meter;
  • b. opslagtanks worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - opslagtank';
  • c. de bouwhoogte van opslagtanks bedraagt ten hoogste 9 meter;
  • d. de bouwhoogte van een geluidscherm ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm' bedraagt ten hoogste 5 meter;
  • e. de bouwhoogte van een speelvoorziening bedraagt ten hoogste 4 meter;
  • f. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraag ten hoogste 2 meter.

 

Artikel 16 Bouwen van een gebouw - vergunningplicht

16.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van een gebouw binnen de functie 'Groen'.

16.2 Beoordelingsregels gebouwen

Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd:

  • a. niet voor bewoning bestemde gebouwen;

met dien verstande dat:

  • b. de oppervlakte van een gebouw ten hoogste 15 m2 bedraagt;
  • c. de bouwhoogte van een gebouw ten hoogste 3,5 meter bedraagt.

 

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 17 Overgangsrecht

17.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
  • 4. Het overgangsrecht voor bouwwerken zoals bedoeld in lid 17.1 heeft een geldingstermijn van 5 jaar vanaf de dag van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.
17.2 Overgangsrecht gebruik
  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
  • 5. Het overgangsrecht voor gebruik zoals bedoeld in lid 17.2 heeft een geldingstermijn van 5 jaar vanaf de dag van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.