direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Kern Oudelande, gedeelte Wilhelminastraat 27a, 2016
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0654.BPOLWS27a2016-0003

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De aanleiding voor het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is de wens om een woning te realiseren aan de Wilhelminastraat te Oudelande, gemeente Borsele. Het betreft hier een herstructureringslocatie binnen een woonkern.

Op deze locatie is op dit moment nog een fruitschuur aanwezig. In het verleden had dit perceel een agrarische bestemming en was ook als zodanig in gebruik. Tijdens het opstellen van het vigerende bestemmingsplan Kern Oudelande 2013 was het agrarische bedrijf inmiddels verplaatst. Hierdoor was een andere ruimtelijke invulling wenselijk. In het vigerende bestemmingsplan is daarom een woonbestemming opgenomen.

Omdat nog geen concreet verzoek aanwezig was om hier een woning te bouwen en de benodigde onderzoeken om de haalbaarheid aan te tonen nog uitgevoerd moesten worden, is hier geen directe bouwtitel opgenomen. Daarvoor in de plaats is gekozen om een wijzigingsbevoegdheid op te nemen. De wijzigingsbevoegdheid geeft kaders, waarmee de woning vervolgens planologisch mogelijk gemaakt kan worden.

Bij invulling van de locatie is het echter de wens naar voren gekomen om tot een andere ruimtelijke indeling te komen, dan in de wijzigingsregels staat opgenomen. In de wijzigingsregels is bepaald dat de woning in de voorgevellijn moet worden gebouwd. De thans beoogde positionering van de woning is verder naar achteren, op vrijwel gelijke hoogte van de bestaande agrarische schuur.

Hiermee wordt afgeweken van de wijzigingsregels, waardoor het plan niet met een wijzigingsplan mogelijk gemaakt kan worden. Voor deze locatie is derhalve gekozen voor een bestemmingsplanherziening. Deze heeft tot doel de bouw van de woning juridisch-planologisch mogelijk te maken.

1.2 Vigerend bestemmingsplan

Voor het plangebied vigeert het volgende bestemmingsplan:

  • bestemmingsplan Kern Oudelande 2013, vastgesteld door de gemeenteraad op 6 juni 2013.

Met dit bestemmingsplan wordt een deel van bovengenoemd bestemmingsplan vervangen. De bestemmingsregels zoals die in het bestemmingsplan Kern Oudelande 2013 zijn opgenomen, zijn als basis gebruikt voor het voorliggend plan.

Het perceel heeft in het vigerende bestemmingsplan de bestemming "Wonen", waarbij geen bouwvlak is opgenomen. Wel voorziet het bestemmingsplan in een gevellijn. In deze lijn zou een toekomstige woning gebouwd moeten worden. Om de komst van de woning mogelijk te maken is een "wro-zone - wijzigingsgebied" opgenomen op deze locatie. Hierin zijn voorwaarden opgenomen om de nieuwbouw van één vrijstaande woning mogelijk te maken. Zoals eerder vermeld, voldoet de thans beoogde inrichting niet aan de wijzigingsregels en is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Bij de omschrijving van de nieuwe situatie, hoofdstuk 3, wordt hier nader op ingegaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0654.BPOLWS27a2016-0003_0001.jpg"

Figuur 1: Uitsnede vigerende bestemmingsplan Kern Oudelande 2013 (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl).

1.3 Opzet

Het voorliggende bestemmingsplan kent de volgende opzet. In hoofdstuk 2 komt het ruimtelijk relevante beleidskader aan de orde. In hoofdstuk 3 staat de bestaande en toekomstige gebruik en indeling van het plangebied beschreven. Hoofdstuk 4 gaat in op de milieu- en duurzaamheidsaspecten van het plan. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 de juridische vormgeving van het plan toegelicht. Tot slot komen in hoofdstuk 6 en 7 de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke toetsing aan de orde.

Hoofdstuk 2 Beleidskaders

Het functionele en ruimtelijke toekomstbeeld dat voor de herstructureringslocatie wordt opgesteld is in het bestemmingsplan Kern Oudelande 2013 reeds voorbereid door het opnemen van een woonbestemming en een wijzigingsbevoegdheid om de woning te realiseren. Vanwege de onderzoekslast naar de haalbaarheid van de woning was nog geen directe woontitel opgenomen, maar is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. De beleidsmatige haalbaarheid is in dat kader reeds beschouwd. Omdat voor deze locatie voor een andere positionering wordt gekozen, dan in het wijzigingsplan is voorgeschreven, is het opstellen van een wijzigingsplan niet mogelijk. Derhalve is dit bestemmingsplan opgesteld om de woning mogelijk te maken. Volledigheidshalve wordt voor de ontwikkeling onderstaand ingegaan op de van toepassing zijnde beleidskaders.

2.1 Rijksbeleid

Door de algemene lijn en het abstractieniveau van het rijksbeleid in relatie tot de kleine schaal van voorliggend bestemmingsplan is het niet relevant om het plan aan het rijksbeleid te toetsen. Het rijksbeleid vindt zijn doorwerking in provinciaal en gemeentelijke beleidsstukken, waaraan voorliggend plan getoetst wordt.

2.2 Provinciaal beleid

Omgevingsplan Zeeland 2012-2018

Op 28 september 2012 hebben Provinciale Staten van de provincie Zeeland het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 en de Verordening ruimte provincie Zeeland vastgesteld. Het Omgevingsplan Zeeland geeft de provinciale visie op Zeeland. De bijbehorende regels zijn opgenomen in de Verordening ruimte provincie Zeeland. Het omgevingsplan is nu ruim 2 jaar in werking. Voor een aantal onderdelen vraagt het plan om bijsturing, verduidelijking of uitwerking. Op dit moment is daarom een ontwerp herziening van het omgevingsplan in procedure. De herziening zal op korte termijn worden vastgesteld.

In het nieuwe omgevingsbeleid wordt een nieuwe taakverdeling tussen Rijk, provincie Zeeland, waterschap en gemeenten geïntroduceerd. In die nieuwe taakverdeling komen meer taken en verantwoordelijkheden bij de gemeenten te liggen en beperkt de provincie zich tot de kerntaken. Daarbij geeft de provincie kaders aan en maken de gemeenten afspraken over hoe die kaders in de eigen regio worden ingevuld. Kerntaken voor de provincie en daarmee van provinciaal belang zijn:

  • bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik (inbreiding, herstructurering, hergebruik);
  • stimuleren integrale woningkwaliteit/verbeteren woningvoorraad (kwaliteit en differentiatie);
  • afstemming van de woningvoorraad op de woonwensen van huidige en toekomstige inwoners in samenhang met een veranderende samenstelling en omvang van de bevolking;
  • bescherming/waarborging en ontwikkeling van waardevolle landschappen, natuur, cultuurhistorisch erfgoed en van aardkundige en archeologische waarden in Zeeland.

In het Omgevingsplan is de 'duurzaamheidsladder' geïntroduceerd. De duurzaamheidsladder is een procesvereiste en houdt in dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan wordt gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt over het ruimtegebruik. In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staan de drie stappen van de ladder beschreven. Onderstaand wordt nader ingegaan op de ladder.

Verordening ruimte provincie Zeeland (VRPZ)

De verordening stelt regels om de visie als verwoord in het Omgevingsplan Zeeland 2012 – 2018 kracht bij te zetten en naleving af te dwingen. Ze beoogt in het bijzonder provinciale ruimtelijke belangen veilig te stellen door regels te stellen omtrent de inhoud van bestemmingsplannen.

De VRPZ stelt geen regels aan woningbouw die plaatsvindt binnen het bestaand bebouwd gebied. De begrenzing hiervan is opgenomen in het Omgevingsplan. Op basis hiervan ligt de locatie Wilhelminastraat 27a binnen het bestaand bebouwd gebouwd. Nadere toetsing is derhalve niet noodzakelijk.


Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een beschrijving op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de Ladder voor duurzame verstedelijking. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:

  • 1. voorziet de voorgenomen stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte;
  • 2. kan binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio in de behoefte worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins;
  • 3. wanneer blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld (m.a.w. zorgen voor optimale inpassing en bereikbaarheid).


Nieuwe ontwikkelingen dienen getoetst te worden aan de Ladder duurzame verstedelijking mits er sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling'. Het begrip 'stedelijke ontwikkeling' is in artikel 1.1.1, lid 1, sub i van de Bro gedefinieerd als: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.


Uit de jurisprudentie die is verschenen sinds de inwerkingtreding van de ladder blijkt dat de Afdeling een zekere ondergrens stelt aan ontwikkelingen wanneer het gaat om de beoordeling of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Zo heeft de Afdeling ten aanzien van woningbouwplannen geoordeeld dat de realisatie 3 woningen niet, maar de bouw van 14 woningen wel als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.16, tweede lid, Bro wordt beschouwd (zie ABRvS 18 december 2013, ECLI:RVS:2013:2471, resp. ABRvS 9 april 2014, ECLI:RVS:2014:1252).

In de ontwerpherziening van het omgevingsplan is een aanscherping opgenomen van de regeling, waarin wordt gesteld dat ook voor kleinschalige ontwikkelingen, binnen als buiten het bestaand bebouwd gebied, de ladder moet worden doorlopen. Met dit plan is sprake van de bouw van één woning binnen het bestaand bebouwd gebied. De woning is passend binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma. De locatie betreft een herstructurering/inbreidingslocatie. Hiermee voldoet de locatie aan de ladder.

Conclusie

Met dit bestemmingsplan wordt één vrijstaande woning gerealiseerd. De woning wordt gebouwd binnen het bestaand bebouwd gebied. Voor de bouw van één woning is, gelet op de jurisprudentie, toetsing aan de ladder niet noodzakelijk. Overigens is er sprake van een herstructurering/inbreiding en daarmee van zorgvuldig ruimtegebruik. Dit past in de lijn van het provinciale beleid.

2.3 (Boven)gemeentelijk beleid

Agenda Wonen in De Bevelanden 2020

De vijf Bevelandse gemeenten (Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland en Reimerswaal, ook wel De Bevelanden genoemd) streven gezamenlijk naar een goed woonklimaat en een goed werkende woningmarkt. De woningmarktafspraken, beschreven in de Agenda Wonen in De Bevelanden 2020, moeten bijdragen aan dit streven. De woondoeleinden van De Bevelanden tot 2020 zijn:

Met betrekking tot wonen zijn de volgende beleidsuitspraken gedaan:

  • Voldoende, passend woningaanbod voor eigen inwoners en vestigers vanuit andere gemeenten;
  • begeleiden verwachte krimp op lange termijn;
  • benutten bestaand bebouwd gebied voor woningbouw;
  • behoud van huidig profiel van dorpen, kernen, plaatsen;
  • totale portefeuillestrategie voor de regio De Bevelanden, inclusief nieuwbouw, verversing en verbetering;
  • regionale prestatieafspraken met woningcorporaties;
  • stimuleren van investeringen door particulieren, marktpartijen en financiële instellingen.

De volgende kernthema's zijn vastgesteld en vormen daarmee de basis voor de woningmarktafspraken:

  • realistische woningbouwproductie;
  • bundeling op basis van de lange termijn behoefte in de markt;
  • kwaliteit voor kwantiteit;
  • herstructurering en aanpak bestaande particuliere woningvoorraad;
  • wonen en zorg;
  • regionale prestatieafspraken met corporaties;
  • arbeidsmigranten;
  • grondprijzen voor woningbouw;
  • monitoring.

De woning aan de Wilhelminastraat 27a betreft een herstructureringslocatie binnen het bestaand bebouwd gebied. Voor deze locatie was reeds een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om een woning te realiseren op deze locatie. Vanwege een andere positionering van de woning is een bestemmingsplan nodig. Op deze locatie wordt een bestaande fruitschuur gesloopt en wordt hiervoor in de plaats een woning teruggebouwd. De komst van de woning op deze locatie past daarmee binnen het beleid.

Structuurvisie Borsele 2015-2020

Op 11 december 2014 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie 2015-2020 vastgesteld. De structuurvisie geeft een beeld van de gewenste toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente, met als achterliggend doel behoud en ontwikkeling van een aantrekkelijke gemeente, zowel om te wonen, te werken als te recreëren. De structuurvisie dient niet alleen als toetsingskader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente Borsele, maar ook als inspiratiebron voor mogelijke nieuwe ontwikkelingen en kansen. Het gaat er om de bestaande en toekomstige kwaliteiten van de gemeente in duurzaam evenwicht met elkaar te behouden en te versterken.

Op de verbeelding van de structuurvisie is de woningbouwlocatie als "kernen" aangeduid. Woningbouw binnen de kernen, voor zover passend binnen het woningbouwprogramma, stuit niet op beleidsmatige bezwaren. De bouw van de woning past in het gemeentelijke en regionale woningbouwprogramma.

Bestemmingsplan Kern Oudelande 2013

Het bestemmingsplan Kern Oudelande heeft reeds ingespeeld op de toekomstige realisatie van een woning aan de Wilhelminastraat door het opnemen van een woonbestemming en een wijzigingsbevoegdheid.

Het agrarische bedrijf aan de Wilhelminastraat 27 en 29 was ten tijde van het opstellen van het bestemmingsplan verplaatst. De voormalige bedrijfswoning is als gevolg van daarvan omgezet in een regulier bestemming “Wonen”. De bestaande schuur zal worden afgebroken. De gemeente Borsele acht het ruimtelijk aanvaardbaar om op deze plaats een vrijstaande woning toe te staan. Omdat de benodigde onderzoeken hiervoor nog niet gereed waren, was er een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bouw van een vrijstaande woning met een goothoogte van maximaal 4 meter en een bouwhoogte van maximaal 9 meter toe te staan. Dit bestemmingsplan geeft een verdere invulling en toont de uitvoerbaarheid van de realisatie van de woning.

De volgende wijzigingsregels zijn in het bestemmingsplan Kern Oudelande 2013 opgenomen:

  • a. op de betreffende gronden maximaal één vrijstaand hoofdgebouw mag worden gebouwd;
  • b. de goothoogte van het hoofdgebouw maximaal 4 meter en de bouwhoogte maximaal 9 meter bedraagt;
  • c. het hoofdgebouw in de huidige voorgevellijn wordt gebouwd;
  • d. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen minimaal 3 bedraagt;
  • e. dit passend is in het straat- en bebouwingsbeeld;
  • f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast;
  • g. vóóraf inzicht wordt gegeven in:
    • 1. de archeologische waarde;
    • 2. de bodemhygiëne;
    • 3. de risico's ten aanzien van externe veiligheid;
    • 4. de Wet geluidhinder;
    • 5. de luchtkwaliteit;
    • 6. ecologische waarden;
    • 7. de kwaliteit van de leefomgeving;
  • h. vóóraf wordt een watertoets uitgevoerd;
  • i. in het wijzigingsplan wordt aandacht besteed aan de gemaakte belangenafweging;
  • j. de regels ten aanzien van de bestemming “Wonen” van overeenkomstige toepassing worden verklaard.

Afweging wijzigingsregels

Hoewel dit bestemmingsplan formeel niet getoetst hoeft te worden aan de wijzigingsregels, wordt onderstaand toch kort ingegaan op de wijzigingsvoorwaarden.

  • a. Er wordt één vrijstaande woning gebouwd;
  • b. Op de verbeelding is opgenomen dat de goot- en bouwhoogte maximaal respectievelijk 4 en 9 meter mag bedragen;
  • c. Gekozen is voor een andere invulling van het perceel. In hoofdstuk 3 wordt hier nader op ingegaan;
  • d. In de regels bij de bestemming "Wonen" is opgenomen dat de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 3 meter moet bedragen;
  • e. De woning past in het straat- en bebouwingsbeeld. In hoofdstuk 3 is hier nader op ingegaan;
  • f. Met de bouw van de woning worden de gebruiksmogelijkheden van andere percelen niet aangetast;
  • g. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de kwaliteit van de leefomgeving;
  • h. De watertoets is opgenomen in hoofdstuk 4, waarin wordt ingegaan op de kwaliteit van de leefomgeving;
  • i. In hoofdstuk 2 is nader ingegaan op de belangenafweging. Daarnaast wordt de uitgebreide voorbereidingsprocedure voor dit plan gevolgd;
  • j. De regels van de bestemming "Wonen" uit het bestemmingsplan Kern Oudelande 2013 hebben de basis gevormd voor de thans voorliggende juridische regeling.

2.4 Conclusie

Op deze locatie is reeds sprake van een woonbestemming, waarbij middels een wijzigingsbevoegdheid rekening is gehouden met de komst van een woning op deze locatie. Het plangebied bevindt zich binnen het bestaand bebouwd gebied en betreft een herstructureringslocatie binnen de kern Oudelande. Het plan past binnen de verschillende beleidskaders.

Hoofdstuk 3 Stedenbouwkundige plan

3.1 Huidige situatie

Het plangebied bevindt zich aan de zuidzijde van de kern Oudelande, aan de rand van de kern. Het perceel grenst aan de Wilhelminastraat en bevindt zich nabij de kruising met de Everingseweg. De omliggende percelen betreffen woonpercelen en agrarische percelen. Op het naastgelegen agrarische perceel is met name bebossing aanwezig en vinden geen agrarische activiteiten meer plaats. Wel bevindt zich hier een horecagelegenheid in de vorm van een koffieschenkerij. Dit gebouw staat op een afstand van circa 30 meter van het perceel. Aan de achterzijde grenst het perceel aan het buitengebied. Hier bevindt zich een fruitboomgaard.

Het plangebied zelf was in het verleden in gebruik bij een fruitteeltbedrijf. Er staat een fruitschuur (zie onderstaande streetview foto). De schuur heeft een omvang van circa 265 m2. Het gebruik is hier al enige tijd gestaakt, waardoor een nieuwe invulling van dit perceel op zijn plaats is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0654.BPOLWS27a2016-0003_0002.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0654.BPOLWS27a2016-0003_0003.jpg"

Figuur 2: Luchtfoto van de locatie en de fruitschuur gezien vanaf de Wilhelminastraat.

3.2 Nieuwe situatie

De Wilhelminastraat en een gedeelte van de Everingseweg behoren tot de historische dorpslinten van Oudelande. Deze dorpsdelen kennen over het algemeen een meer open bebouwingsbeeld (minder gesloten gevelwanden) dan de historische kern. Op enkele plaatsen is sprake van een sterke verwevenheid met het aangrenzende landelijk gebied, zoals ter hoogte van het plangebied. Verder zijn aan de historische linten altijd meer of minder diepe voortuinen aanwezig.

De rooilijn aan de betreffende straten c.q. straatdelen is over het algemeen samenhangend, hoewel plaatselijk (bijvoorbeeld aan de Wildemanshoekseweg en de Everingseweg) sterk wisselende rooilijnen aanwezig zijn.

Op de locatie Wilhelminastraat 27 staat op de splitsing van de Wilhelminastraat en de Everingseweg een voormalige boerderij in de vorm van een boerenbedoeninkje (huis met schuur aaneengebouwd). Aan de westzijde van de boerderij staat meer naar achteren de fruitschuur. Dit voormalige fruitteeltbedrijf vormt samen met de naastgelegen voormalige boerderij Everingseweg 2 en het gebogen verloop van de wegen een karakteristiek bebouwingsbeeld dat refereert aan het agrarische verleden van Oudelande. Pas ten westen van de Wilhelminastraat 27 is lintbebouwing te vinden in een samenhangende rooilijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0654.BPOLWS27a2016-0003_0004.jpg"

Figuur 3: Beoogde situering van de nieuwe woning.

afbeelding "i_NL.IMRO.0654.BPOLWS27a2016-0003_0005.jpg"

Figuur 4: Voor- en zijgevelaanzicht van de nieuwe woning.

In de nieuwe situatie wordt aangesloten bij het beeld van een agrarisch bedrijf aan de straat met een meer naar achteren gelegen schuur. De nieuwe woning zal min of meer op de plaats van de huidige schuur gebouwd worden, dus naar achteren ten opzichte van de doorlopende rooilijn langs de Wilhelminastraat. Hierdoor blijft het relatief open bebouwingsbeeld rondom de splitsing van de Wilhelminastraat en Everingseweg met de twee voormalige boerenbedoeninkjes in stand.

De voorgevel van de nieuwe woning zal aansluiten op de achtergevellijn van het hoofdgebouw van de naastgelegen woning Wilhelminastraat 29. De woning wordt, net als de huidige schuur, evenwijdig aan de zijdelingse perceelsgrenzen geplaatst. De voorgevel komt daardoor onder een hoek ten opzichte van de weg te liggen. Dit versterkt het open ruimtelijke beeld aan de voorzijde.

De vormgeving van de nieuwe woning is geënt op die van een schuur, maar dan in een 'modern jasje'. Door deze vormgeving, en de hiervoor beschreven situering, voegt de woning zich op een logische wijze in het lint, maar 'botst' deze niet met de historische bebouwing. Met een beoogde dakvoethoogte van 2,9 meter en totale hoogte van 7,8 meter sluit de nieuwbouw qua bouwhoogten aan bij de bebouwing in de directe omgeving.


Hoofdstuk 4 Kwaliteit van de leefomgeving

4.1 Geluidhinder

Voor ruimtelijke ontwikkelingen die voorzien in nieuwe geluidsgevoelige functies (zoals woningen) geldt dat in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) een akoestisch onderzoek noodzakelijk is om aan te tonen, dat de geluidsbelasting voldoet aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde, indien de ontwikkeling plaatsvindt binnen een zone rond een weg, spoorweg of gezoneerd industrieterrein.

Op grond van de Wgh bevinden zich langs alle wegen geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-wegen. Bij gezoneerde wegen geldt de ruimte boven en onder de weg tot de zone.

De voorgevel van de beoogde woning bevindt zich op een afstand van circa 15 meter uit de wegas van de Wilhelminastraat. Voor de Wilhelminastraat geldt ter plaatse echter een maximale snelheid van 30 km/h, waarbij tevens sprake is van een lage verkeersbelasting. Hierdoor is onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder niet noodzakelijk. Bij de bouwaanvraag moet wel aangetoond worden dat de maximale binnenwaarde die in het bouwbesluit staat opgenomen van 33 dB niet wordt overschreden.

Conclusie

Aangezien de Wilhelminastraat een 30 km/h weg betreft is in het kader van de Wet geluidhinder geen onderzoek noodzakelijk. Het aspect geluid vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling van de beoogde woning.

4.2 Bodemkwaliteit

Wetgeving

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet daarnaast worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.

Onderzoek en conclusie

Het plangebied aan de Wilhelminastraat tussen 27 en 29 heeft reeds een woonbestemming op basis van het bestemmingsplan Kern Oudelande 2013, maar door voorliggend bestemmingsplan worden ter plaatse nieuwbouwmogelijkheden geboden. De fruitschuur wordt gesloopt en hiervoor in de plaats wordt een woning gerealiseerd. Middels een verkennend bodemonderzoek is inzicht verkregen of de bodemkwaliteit voldoet aan het toekomstige woongebruik. Het verkennend bodemonderzoek, conform NEN5740, is uitgevoerd door Mitec en is opgenomen als Bijlage 1 in het bijlagenboek. Het veldwerk heeft in januari 2016 plaatsgevonden.

De hypothese is gesteld dat rondom de voormalige locatie van een bovengrondse dieseltank (1.200 liter) bodemverontreiniging te verwachten is (deellocatie 1). Voor de rest van het terrein, deellocatie 2, is de verwachting dat hier geen sprake zal zijn van bodemverontreiniging.

Deellocatie 1

Uit het laboratoriumonderzoek blijkt dat in het mengmonster van de meest verdachte bodemlaag geen overschrijding van de achtergrondwaarde is aangetoond. In het ondiepe grondwater is eveneens geen overschrijding aangetoond van de streefwaarde.

Deellocatie 2

Uit het laboratoriumonderzoek blijkt dat in de bovengrond en ondergrond geen overschrijding van de achtergrondwaarde is aangetoond. Voor wat betreft het ondiepe grondwater (peilbuis 6) is alleen sprake van een overschrijding van de streefwaarde van naftaleen.

Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan geconcludeerd worden dat er geen risico's voor de volksgezondheid aanwezig zijn met betrekking tot de huidige en voorgenomen activiteiten op de onderzoekslocatie.

De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek.

4.3 Flora en Fauna

Wetgeving

Op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet is het van belang bij de ruimtelijke planvorming vooraf te onderzoeken of en welke dier- en plantensoorten er voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voorbestaan van de gevonden soorten.

Onderzoek en conclusie

Op het perceel is een bestaande fruitschuur aanwezig. Deze wordt afgebroken en hiervoor in de plaats komt een woning. Vanwege de sloopactiviteiten en grondwerkzaamheden is een quickscan naar flora en fauna uitgevoerd door Bureau Woets Insecten. De quickscan is opgenomen als Bijlage 2 in het bijlagenboek.

Het perceel is op 9 januari 2016 bezocht. Uit het bezoek blijkt dat het dak en de wanden van de fruitschuur ongeschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Daarnaast zijn geen sporen aangetroffen van vogelsoorten die graag in menselijke opstallen verblijven, zoals de kerkuil, zwarte roodstaart, boerenzwaluw of huismus. Op het erf is voorts een moestuin aanwezig. Het braamstruweel die hier staat biedt een goede biotoop voor de bosmuis. Wellicht dat hier af en toe een veldmuis en een egel in de kleine moestuin voorkomt.

Geconcludeerd kan worden dat op het perceel geen wettelijk beschermde soorten van planten en dieren zijn aangetroffen. Gelet op de heersende conditie van het terrein zijn die ook niet te verwachten. De aanvraag voor ontheffing van een bepaling uit de Flora- en faunwet is niet noodzakelijk.

4.4 Cultuurhistorie

Per 1 januari 2012 is de Monumentenwet 1988 gewijzigd en gelijktijdig, als gevolg daarvan, ook het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hiermee is het wettelijk verplicht om in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Naast archeologie (zie daarvoor paragraaf 4.5) dienen ook de facetten historische geografie en historische (steden)bouwkunde te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Historische geografie en (steden)bouwkunde

Het dorp Oudelande is ontstaan op de wat hoger gelegen kleiplaatgronden in het door kreken doorsneden gebied tussen Baarland en Ellewoutsdijk. De eerste bewoning zal plaats hebben gevonden voor de eerste bedijkingen. Aan het uiteinde van een bevaarbare kreek, die in verbinding stond met het open water van het Zwake, werd een lage woonterp opgeworpen. Hierop werden de huisjes en boerderijtjes gebouwd rondom een kerkje of eenvoudige kapel. In het begin zullen er op de terp van Oudelande slechts een paar huizen hebben gestaan. Pas toen er na het afdammen van de omringende kreekjes verbinding was met het vaste land van Baarland en Ellewoutsdijk, en zeker toen Oudelande was opgenomen binnen de totale ringdijk, hebben meer mensen zich in het dorp gevestigd.

De Wilhelminastraat/Everingsestraat liggen op (jonge) kreekruggronden. Deze historische dorpslinten kennen een wat meer open bebouwingsbeeld (minder gesloten gevelwanden) dan de historische kern. Er is sprake van een sterke verwevenheid met het aangrenzende landelijk gebied. Aan de linten zijn altijd meer of minder diepe voortuinen aanwezig. Verder is er sprake van een diversiteit aan bebouwingstypologieën.

De situering en bebouwingskarakteristiek van de beoogde nieuwbouw is geënt op die van een schuur behorend bij een boerderij. Er is sprake van vervanging van bestaande bebouwing, maar dan wel in een 'modern jasje' en met een nieuwe functie. De nieuwe woning voegt zich daarmee op een logische wijze in het historische dorpslint. De waardevolle (historische) karakteristiek van de linten worden niet aangetast.

Monumenten

In de nabijheid van de planlocatie zijn geen monumenten aanwezig. Wel staan er enkele karakteristieke boerenbedoeninkjes. De situering en het vormgeving van de beoogde nieuwbouwwoning is dusdanig dat deze de karakteristieken van de historische bebouwing geen geweld aandoet.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat bij de planvorming rekening is gehouden met de bestaande cultuurhistorische waarden. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt zijn er geen bezwaren tegen de beoogde ontwikkeling.

4.5 Archeologie

In Europees verband is het zogenaamde "Verdrag van Malta" (1992) tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen te laten plaatsvinden is, naast de doorvertaling in nationale wet- en regelgeving, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, dus de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, moeten door de initiatiefnemer worden betaald. Het "Verdrag van Malta" is in 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg geïmplementeerd in de Nederlandse Monumentenwet. In combinatie met de Wet ruimtelijke ordening, en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, is behoud en beheer van het bodemarchief daarmee integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van gemeenten.

Gemeentelijk archeologiebeleid

Door burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele is archeologiebeleid vastgesteld (d.d. 11 oktober 2011), waarmee invulling wordt gegeven aan de beleidsruimte die de Monumentenwet aan gemeenten biedt. Het archeologiebeleid is opgesteld met de intentie een verantwoorde balans te bieden tussen het belang van archeologie en andere belangen die spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het beleid, dat gebaseerd is op een analyse van de plaatselijke situatie, geeft aan wanneer archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

Het rapport "Archeologiebeleid gemeente Borsele" (d.d. 30 juni 2011) bestaat uit een "Deel A: Beleidsnota archeologie" en een "Deel B: Toelichting beleidskaart". Deel B is een (ruimtelijke) uitwerking van het archeologiebeleid (deel A). Op basis van de beleidskaart, die bestaat uit een samenhangend pakket van kaarten en een toelichting, kan worden bepaald of voor een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling op een specifieke locatie al dan niet archeologisch onderzoek moet plaatsvinden. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt in 8 categorieën, waarvan enkele categorieën bekende archeologische waardevolle gebieden omvatten en andere een bepaalde verwachtingswaarde op archeologische vondsten weergeven. Aan elke categorie, uitgezonderd categorie 1, is een, aan oppervlakte van grondverstoring gebonden, vrijstelling voor archeologisch onderzoek gekoppeld. Bij alle categorieën, wederom uitgezonderd categorie 1, geldt in ieder geval dat geen onderzoek hoeft plaats te vinden indien de bodem niet dieper dan 40 cm wordt verstoord. De gehanteerde categorieën zijn:

  • Categorie 1: archeologisch rijksmonument; hiervoor is altijd een monumentenvergunning nodig;
  • Categorie 2: terrein van archeologische waarde; geen onderzoeksplicht indien minder dan 50 m2 wordt verstoord;
  • Categorie 3: stads- en dorpskernen van een specifieke archeologische verwachting; geen onderzoeksplicht indien minder dan 50 m2 wordt verstoord;
  • Categorie 4: hoge verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht indien minder dan 250 m2 wordt verstoord;
  • Categorie 5: matige verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht indien minder dan 500 m2 wordt verstoord;
  • Categorie 6: lage verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht indien minder dan 2.500 m2 wordt verstoord;
  • Categorie 7: verwachting van maritieme vondsten; hiervoor is altijd overleg met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed nodig;
  • Categorie 8: archeologische vondsten worden niet verwacht; geen onderzoeksplicht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0654.BPOLWS27a2016-0003_0006.jpg"

Figuur 5: Uitsnede maatregelenkaart 1 "Walcheren" (Bron: gemeente Borsele).

Toetsing archeologiebeleid

Op Kaartlaag 1 “Walcheren” staat de historische kern en een gedeelte van het historische lint van Oudelande aangeduid als categorie 3 (gewaardeerde stads/dorpskern). De rest van Oudelande is aangegeven als categorie 4 (hoge verwachting). Op kaartlagen 2 (Hollandveen), 3 (Wormer) en 4 (Pleistoceen) is het gehele dorpsgebied aangemerkt als categorie 8, "geen verwachting".

Onderzoek en conclusie

Voor het plangebied geldt de maatregelcategorie 4 (hoge verwachting). Voor deze verwachting geldt dat een archeologisch onderzoek gewenst is bij een verstoring met een omvang van 250 m2 en een diepte groter dan 40 cm. Door de archeoloog van Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland (SCEZ) is op 24 oktober 2013 aangegeven dat voor de sloop van de schuur geen archeologische onderzoeksplicht geldt. De inschatting is dat voor de periode Late middeleeuwen en de Nieuwe tijd de archeologische verwachting ter plaatse middelhoog tot laag zal zijn.

Voorts heeft de beoogde nieuwbouw een omvang kleiner dan 250 m2. Hiermee blijft de ontwikkeling onder de verstoringsomvang die hoort bij maatregelcategorie 4. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Het is echter niet uit te sluiten dat er toch relevante archeologische sporen en vondsten in de bodem verborgen zijn en dat deze in de uitvoeringsfase door graafwerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht op grond van artikel 53 van de Monumentenwet 1988. Eventuele archeologische vondsten en/of sporen dienen (door de aannemer/initiatiefnemer) worden gemeld bij de SCEZ.

4.6 Water

Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte water kwaliteit, verdroging, etc., te voorkomen. Per 1 november 2003 is door een wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht geworden. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan.

Huidige watersysteem

Grondwatersysteem

Het watersysteem van Oudelande ligt in het overgangsgebied van het type 'Groot zoet' aan de zuidkant naar het type 'Dun zoet' aan de noordkant. Het plangebied ligt aan de zuidzijde van Oudelande. Bij het type 'Groot zoet' zijn er grote zoetwaterbellen in de bodem aanwezig, waar in principe grondwateronttrekking mogelijk is afhankelijk van de functietoekenning van de gebieden. Onder de holocene deklaag met een dikte van 0,5 tot 1,0m ligt het eerste watervoerende pakket van matig fijn zand en matig grof zand met leem- en kleilagen. Afhankelijk van de aanwezigheid van leemlaagjes kan neerslag gemakkelijk in de bodem infiltreren en bevindt zich zoet water tot op een diepte van ongeveer 15m beneden het maaiveld. De heersende grondwatertrap is grondwatertrap VI (GHG 40 tot 80cm beneden maaiveld en de GLG op meer dan 120cm beneden maaiveld).


Oppervlaktewatersysteem

Het polderpeil van de hoofdwaterloop aan de zuidkant van het dorp is 0,75m -NAP zomerpeil en -0,95m winterpeil. Het plangebied maakt onderdeel uit van de afwateringseenheid van het gemaal Hellewoud. Het plangebied ligt op circa 1,5km van de Westerschelde.

Toekomstig watersysteem

Volgens de optimalisatiestudie afvalwatersysteem Borsele uit 2014 voldoet Oudelande ruimschoots aan de huidige en toekomstige normen. Door sloop van een fruitschuur en de bouw van een woning, vindt er een kleine afname plaats aan oppervlakteverharding. Het huidige terrein is momenteel al verhard. Extra waterbergende voorzieningen zijn daarom niet nodig.

Waterbeleid en toegekende waterhuishoudkundige functies
Waterbeleid 21e eeuw (Rijksbeleid)

In het afgelopen decennium heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft geresulteerd in een omslag in het waterbeleid en het denken over water. Het rijk, de provincies, de waterschappen en de gemeenten zijn onder meer overeengekomen dat:

  • het water zoveel mogelijk moet worden vastgehouden daarna moet worden geborgen en daarna pas afgevoerd mag worden;
  • voor ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets uitgevoerd dient te worden, hierin dienen de keuzes ten aanzien van waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschreven te worden.


Deelstroomgebiedsvisie

De deelstroomgebiedsvisie is een gezamenlijk product van de waterschappen, gemeenten en de provincie als trekker. Hierin spelen 'ruimte voor water' en 'water als ordenend principe' een belangrijke rol. De visie richt zich primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming van binnen uit door veel neerslag in een korte tijd. Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en een aantal mogelijke technische maatregelen welke kunnen worden ingezet. De maatregelen kunnen worden ingedeeld in de voorkeursvolgorde van 'vasthouden - bergen - afvoeren'. De doelstelling van deze maatregelen is een afvoer te krijgen die niet groter is dan de landbouwkundige afvoer.

Omgevingsplan Zeeland 2012-2018

Het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 bevat beleid voor grondwater, oppervlaktewater en waterveiligheid. Vooral de waterfunctiekaart is een belangrijk hulpmiddel bij het beoordelen van nieuwe initiatieven.


Doelstellingen zijn:

  • Een goede kwaliteit van het oppervlaktewater en waterbodems, een peilbeheer en een aanvaardbaar risico op wateroverlast dat is afgestemd op bestaande en toekomstige functies.
  • Een goede kwantitatieve en chemische toestand van het grondwater, afgestemd op de functies van het gebied. Een belangrijk aspect daarvan is de instandhouding van de zoetwatervoorkomens. Gevolgen van klimaatverandering op het grondwater worden opgevangen.


In het kader van de kwaliteit van de woonomgeving wordt in het Omgevingsplan onder meer gestreefd naar het voorkomen van wateroverlast. Eén van de middelen hiervoor is de waterkansenkaart. De kaart geeft aan waar functies vanuit het watersysteem/beheer optimaal bediend kunnen worden (kleine risico's voor wateroverlast en vochttekort) en het waterbeheer in beginsel tegen de laagste kosten kan worden uitgevoerd. Het gebied ligt op een hoogte van circa 0,6 m +NAP.

Met het water mee; waterbeheerplan 2010 - 2015

Het waterschap richt zich op het in stand houden en versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen. Het oppervlaktewater wordt niet los gezien van het grondwater. Ruimtelijke plannen moeten daartoe getoetst worden op de gevolgen voor de waterhuishouding.

Gemeentelijk rioleringsplan, GRP4, Borsele 2012-2017

Het vierde GRP heeft als hoofddoel: het continueren van de hoofddoelen van de eerdere gemeentelijke rioleringsplannen zoals het bereiken van een goede waterkwaliteit en het voorkomen van wateroverlast. Het rioleringsysteem moet tegen zo laag mogelijke kosten klimaatbestendig gemaakt worden waarbij er naar gestreefd wordt om waterschade te allen tijde te voorkomen. Het hoofddoel is uitgewerkt in vier subdoelen:

  • 1. een doelmatige inzameling en transport van afvalwater;
  • 2. tegengaan van waterhinder, overlast of schade en vasthouden water;
  • 3. het voorkomen van grondwateroverlast;
  • 4. schoon oppervlaktewater, grondwater en een schone waterbodem.

Waterplan Borsele 2016-2021

In het waterplan staan normen genoemd ten aanzien van de waterkwaliteit, waterkwantiteit, voorkomen van grondwateroverlast, afkoppelen van regenwater, beheer en onderhoud van stedelijk oppervlaktewater, ruimtelijke ordening en de inrichting van openbaar water. Het plan voldoet aan de uitgangspunten van het waterplan Borsele.


Overzicht van indicatieve ontwerprichtlijnen en toetsingscriteria
In overleg met het waterschap Scheldestromen is aan de hand van het 'Overzicht van indicatieve ontwerprichtlijnen en toetsingscriteria' uit de 'Handreiking Watertoets' onderstaande tabel opgenomen.

Thema   Waterdoelstelling   Toetsing  
Veiligheid   Waarborgen veiligheidsniveau.   Het plangebied ligt niet nabij een primaire waterkering en/of transportroute gevaarlijke stoffen over water.  
Wateroverlast   Reductie wateroverlast, vergroten veerkracht watersysteem.   Het afstromend verhard oppervlak zal met de sloop van de fruitschuur en de bouw van de woning niet toenemen.  
Watervoorziening   Het voorzien van de bestaande functie van water van de juiste kwaliteit en de juiste hoeveelheid op het juiste moment. Het tegengaan van nadelige effecten van veranderingen in ruimtegebruik op de behoefte aan water.   De watervoorziening is niet in het geding. Hergebruik is een optie die wordt gestimuleerd.  
Volksgezondheid   Minimaliseren risico water gerelateerde ziekten en plagen; reduceren verdrinkingsrisico's.   Langs de randen of in het plangebied zijn geen sloten en dergelijke gelegen.  
Riolering   Vasthouden, bergen, afvoeren; reductie hydraulische belasting rwzi.   Het regenwaterriool wordt gescheiden aanglegd tot aan de straat. Het vuilwater wordt aangesloten op het bestaande gemengde stelsel (in de Wilhelminastraat).  
Bodemdaling   Tegengaan van verdere bodemdaling en reductie functie geschiktheid.   De polderpeilen worden niet aangepast. Daarom zullen geen veranderingen in het peilregiem plaatsvinden die voor bodemdaling zorgen.  
Grondwater overlast   Tegengaan van grondwateroverlast.   Niet aanwezig en wordt opgehoogd.  
Oppervlaktewater kwaliteit   Behoud en realisatie van goede waterkwaliteit voor mens en natuur.   Het hemelwater wordt afgekoppeld / niet aangesloten op de riolering conform de door het Waterschap gehanteerde afkoppelbeslisboom. Er zijn daardoor geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit.  
Grondwaterkwaliteit   Behoud en realisatie van goede waterkwaliteit voor mens en natuur.   Het plangebied ligt niet in een infiltratiegebied, natuurgebied of gebied voor drinkwatervoorziening.  
Verdroging   Bescherming karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden.   Verdroging is niet aan de orde.  
Natte natuur   Ontwikkeling en bescherming van een rijke, gevarieerde en natuurlijke karakteristieke aquatische natuur.   Er bevindt zich geen natte natuur in of nabij het plangebied. Er zijn daarom geen bijzondere maatregelen te treffen.  
Onderhoud (mogelijkheid) waterlopen   Oppervlaktewater dient adequaat onderhouden te worden.   Er zijn geen waterlopen in of langs het plangebied aanwezig.  
Waterschapswegen   m.b.t. de aanwezigheid waterschapswegen binnen/nabij het plangebied.   Niet van toepassing. Plangebied ligt binnen bebouwde kom.  

4.7 Milieuhinder

Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en gevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij de vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen.

In de nabijheid van het plangebied is het bedrijf Pietro e Calore gelegen, gespecialiseerd in houtverwarmingen, aan de Everingseweg 2. Daarnaast bevindt zich aan de Wilhelminastraat achter de huisnummers 20 en 22 opslag plaats. Op grond van de categorie-indeling van de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering 2009" dienen de richtinggevende afstanden van te noemen bedrijven/voorzieningen tot milieugevoelige bestemmingen, waaronder wonen, aangehouden te worden. De genoemde activiteiten vallen allen onder milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. Het plangebied bevindt zich op een grotere afstand deze bedrijfsactiviteiten. Daarnaast passen activiteiten van bedrijven uit milieucategorie 1 en 2 in en nabij een woonomgeving. Overige bedrijven bevinden zich op een grotere afstand en zijn niet van invloed op de ontwikkeling van de woning.

Lettende op het voorgaande staat het aspect bedrijven en milieuzonering de komst van de woning niet in de weg.

4.8 Bufferzone

Het plangebied grenst aan het buitengebied. In verband met het provinciale milieubeleid moet als richtlijn rekening gehouden worden met een aangrenzende bufferzone van 100 meter. Een kleinere afstand (50 meter) kan gehanteerd worden, indien daarvoor geen noemenswaardige hinder bij de gevoelige bestemmingen optreedt en dit niet leidt tot onevenredige beperking van de betrokken landbouwbedrijven. Tussen (glas)tuinbouw- en fruitteeltpercelen en woongebieden moet een afstand van 50 meter in acht worden genomen. Het hanteren van een kleinere afstand hiervoor is toegestaan als aannemelijk wordt gemaakt dat er geen schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid zullen optreden en de kleinere afstand niet leidt tot onevenredige beperkingen in de bedrijfsvoering van de betrokken agrarische bedrijven.

In de directe omgeving vindt geen bedrijvigheid plaats, anders dan genoemd in paragraaf 4.7. Ten zuiden van de bouwlocatie, op circa 37 meter afstand van de beoogde woning, is een boomgaard aanwezig. Ter plaatse van deze boomgaard worden bestrijdingsmiddelen gebruikt. Deze bestrijdingsmiddelen worden met behulp van driften op de bomen gespoten.

Om een acceptabel woon- en leefklimaat te kunnen garanderen worden afstanden gesteld aan het spuiten met driften en verblijfsfuncties zoals woningen. Op basis van rapporten van Wageningen UR ('landbouwuniversiteit Wageningen') uitgevoerd door J.C. van de Zande & M. Wenneker kunnen de volgende afstanden worden aangehouden:

Teeltvrije zone (afstand eerste bomenrij tot perceelsgrens)   Spuittechniek   Windhaag   0-3 meter (minimale afstand perceelsgrens boomgaard tot grens achtertuin)   3-6 meter (minimale afstand perceelsgrens boomgaard tot woning)  
  Kale boom   Volblad   Kale boom   Volblad  
3 meter   standaard   nee   35 m   25 m   35 m   35 m  
3 meter   standaard   ja   25 m   5 m   25 m   15 m  

Op basis van deze informatie en de situatie ter plaatse kan worden gesteld dat extra maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Tussen de boomgaard en de beoogde woning/achtertuin is in de beoogde situatie voldoende afstand aanwezig, waardoor de boomgaard geen belemmering vormt voor het initiatief.

Conclusie

Ten aanzien van het voorgaande vormt de nabijheid van een boomgaard geen beperking voor de ontwikkeling van één woning.

4.9 Externe veiligheid

Beleidskader

Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van degenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van die activiteit wel risico's kunnen lopen, bijvoorbeeld omwonenden. Bij ruimtelijke plannen dient aandacht te worden besteed aan de vraag of er risicovolle activiteiten in en/of nabij het plangebied aanwezig zijn c.q. komen en zo ja, of er sprake is van een toelaatbaar risico. Risicovolle activiteiten zijn:

  • het opslaan, gebruiken en/of produceren van gevaarlijke stoffen (inrichtingen);
  • het vervoer van gevaarlijke stoffen over auto-, spoor- en waterwegen of door buisleidingen (transportroutes).


Als de afstand tot een risicovolle activiteit maar groot genoeg is, is er sprake van 100% veiligheid. Maar deze afstand kan kilometers groot zijn. Nederland is te klein om deze afstanden te hanteren. Daarom is gekozen voor het hanteren van een basisbeschermingsniveau. Dit wordt geconcretiseerd door toepassing van grens- en richtwaarden voor plaatsgebonden risico (PR) en oriëntatiewaarden voor groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon die permanent en onbeschermd op een plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een transportroute. Ook buiten de PR-contouren bestaat nog een invloedsgebied waarbinnen groepen personen slachtoffer kunnen worden van een ongeval. Daarom moet ook het GR worden onderzocht. Het GR geeft de kans per jaar aan dat in een keer een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang die zich in de omgeving van een risicovolle activiteit bevindt, dodelijk door een ongeval met gevaarlijke stoffen worden getroffen. De hoogte van het GR is niet ruimtelijk weer te geven, wel het invloedsgebied waarover het GR wordt berekend.

Inrichtingen

Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Dit besluit moet individuele en groepen burgers een basisbeschermingsniveau garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een inrichting. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Dat wil zeggen een kans van één op de miljoen per jaar dat een persoon die permanent en onbeschermd op een plaats aanwezig is, als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen overlijdt.

Het Bevi legt daarnaast een verantwoordingsplicht voor een gemeente of provincie op voor het groepsrisico (indien dit risico verandert). Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens; de afstand vanaf de inrichting waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval bij een inrichting. Bij de verantwoording moet de gemeente of provincie onder andere de zelfredzaamheid van de bevolking en de mogelijkheden voor hulpverlening meewegen. Zij moet hierover advies vragen bij de regionale brandweer. In Zeeland wordt aan deze adviseurstaak invulling gegeven door de Veiligheidsregio Zeeland.

De overheid heeft noodplannen voor de aanpak van een kernongeval. Het gebied om de plaats van het ongeval wordt in drie zones ingedeeld; elke zone heeft een eigen maatregel. Dit betekent evacuatie tot op 5 kilometer van de ramp; slikken van jodiumtabletten tot op 15 kilometer (worden uitgedeeld) en schuilen tot op 30 kilometer. Betrokkenen krijgen informatie en advies over de radioactieve stoffen waar het om gaat, hoe ze zich verspreiden, hoe erg de straling is en wat eraan te doen is. Voor de kerncentrale Borssele is de evacuatieafstand bij een kernongeval 5.000 m. Oudelande ligt op een afstand van circa 10km van de kerncentrale.

In of in de nabijheid van het plangebied bevinden zich verder geen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden op- en/of overgeslagen, gebruikt of geproduceerd, waaronder vuurwerkopslag (bron: Risicokaart, website provincie Zeeland).

Transportroutes

Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vanaf 1 april 2015 vastgelegd in de Wet Basisnet en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wgvs). Voor ruimtelijke ordening in relatie tot transportroutes is er het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dit besluit is gebaseerd op de Wro en de Wm. Volgens het Bevt mag op grond van een ruimtelijke besluit geen kwetsbaar object in de veiligheidszone worden gebouwd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen alleen in uitzonderlijke gevallen in de veiligheidszone worden toegestaan. Het Bevt gaat ook in op de hoogte van het groepsrisico. Wanneer het aannemelijk is dat het groepsrisico ver beneden de oriëntatiewaarde blijft of nauwelijks toeneemt is een verantwoording van het groepsrisico is niet verplicht.

Er lopen langs het plangebied geen verkeersroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (bron: Risicokaart, website provincie Zeeland). Ten zuidoosten van het plangebied loopt een relevante buisleiding. Het betreft de propyleenleiding van Dow Benelux (6,6", 100 bar). Deze leiding loopt langs de Zuidpolderdijk en de Everingse Binnendijk. Uit de gegevens van de professionele risicokaart blijkt dat de PR 10-6 contour op 75 meter ligt en de PR 10-8 contour (voor scenario's met gaswolkbranden gelijk te stellen aan het invloedsgebied) op 100 meter is gesitueerd. Het plangebied ligt op een afstand van circa 350 meter van de dichtstbijzijnde deel van de leiding. Dit betekent dat het bestemmingsplan zich niet binnen het invloedsgebied bevindt. Ter aanvulling wordt gemeld dat Bureau DNV op 12 december 2001 een onderzoeksrapport heeft opgesteld naar de externe veiligheidssituatie van de genoemde buisleiding. Daarin is ook de situatie voor Oudelande beschreven. Hieruit blijkt dat er niet nauwelijks sprake is van groepsrisico.


Bij de verantwoording van het groepsrisico dient de gemeente in te gaan op de zelfredzaamheid van de burgers in het invloedgebied. Aspecten die daarbij een positief effect hebben zijn onder meer de vroegtijdige alarmering van de bevolking, maar ook de mogelijkheid om eventueel het gebied te ontvluchten. De WAS-dekking (sirenepaal) heeft een 100% dekking voor Oudelande. Ook de infrastructuur is zo, dat op een goede manier het gebied ontvlucht kan worden, mocht een evacuatie noodzakelijk zijn.

Conclusie

Op basis van voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan vormt.

4.10 Kabels en Leidingen

In paragraaf 4.9 is ingegaan op eventuele (grote) planologische relevante buisleidingen. Bij de uit te voeren bouwwerkzaamheden zal daarnaast rekening gehouden moeten worden met eventueel overige aanwezige kabels en leidingen. Op het moment van daadwerkelijke realisatie van het voorgenomen bouwplan zal ten minste drie dagen voor aanvang van de graafwerkzaamheden door de uitvoerder contact opgenomen moeten worden met het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC), waarbij aangegeven moet worden waar en wanneer gegraven gaat worden.

4.11 Luchtkwaliteit

Beleidskader

De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wet luchtkwaliteit is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. Voor de verschillende stoffen zijn normen (grenswaarden) opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties en voor dagelijkse concentraties (vierentwintiguurgemiddelde).

De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het „Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. (NSL). Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. In de algemene maatregel van bestuur Niet in betekenende mate" (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Voor de periode tussen het in werking treden van de Wet luchtkwaliteit en het verlenen van derogatie door de EU is het begrip 'niet in betekenende mate' gedefinieerd als 1% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. Na verlening van derogatie treedt het NSL in werking en wordt de definitie van NIBM verschoven naar 3% van de grenswaarde. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die "niet in betekenende mate" bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven.

Toetsing en conclusie

De regeling NIBM geldt onder andere voor woningbouwlocaties die in het geval van één ontsluitingsweg niet meer dan 1.500 nieuwe woningen mogen omvatten. Bij twee ontsluitingswegen mogen uitbreidingslocaties niet meer dan 3.000 woningen bevatten. Voor kantoorlocaties gelegen aan één ontsluitingsweg geldt een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden, waarbij getoetst wordt aan de normen.

De bouw van een woning op een locatie reeds bestemd voor wonen kan aangemerkt worden als een plan dat niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

5.1 Planvorm

Het bestemmingsplan "Kern Oudelande, gedeelte Wilhelminastraat 27a, 2016" kan gekarakteriseerd worden als een zogenaamd ontwikkelingsgericht bestemmingsplan. Het plan maakt een specifieke ruimtelijke ontwikkeling planologisch-juridisch mogelijk. Vanwege de geringe omvang van het plangebied en de aard van de ontwikkeling, kent voorliggend bestemmingsplan slechts een beperkt aantal bestemmingen en een eenvoudig kaartbeeld.

Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit een geometrische plaatsbepaling van het plangebied en van de daarin aangewezen bestemmingen (hierna: verbeelding) met regels. Bij ieder plan hoort een toelichting, maar dit onderdeel heeft als zodanig geen rechtskracht. De analoge verbeelding van "Kern Oudelande, gedeelte Wilhelminastraat 27a, 2016" bestaat uit 1 kaartblad.

De regels zijn opgebouwd uit vier hoofdstukken: inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. In paragraaf 5.2 wordt de inhoud nader toegelicht. Bij het opstellen van de regels en de verbeelding is uitgegaan van de richtlijnen Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP2012).

5.2 Toelichting op de bestemmingen

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis.

Artikel 2 Wijze van meten

In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Wonen

Het gehele plangebied is bestemd tot Wonen. Binnen deze bestemming zijn de volgende bouwwerken toegestaan: hoofdgebouw (een woning) en overige bouwwerken. Middels een aanduiding is bepaald dat enkel een woning met de bebouwingstype vrijstaand mag worden gebouwd. Hieraan zijn specifieke bouwregels verbonden die grotendeels overeenkomen met de regeling uit het bestemmingsplan voor de gehele kern van Oudelande.

Ten aanzien van de hoofdgebouwen zijn onder meer regels opgenomen betreffende de situering, de minimale breedte, de afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens, de goot- en bouwhoogte, de dakhelling en de diepte van de woning. De maximale oppervlakte van de woning volgt uit de maximale breedte en maximale diepte van het gebouw. De maximale breedte wordt bepaald door de minimale afstand van de woning tot de zijdelingse bouwperceelsgrens, de maximale diepte van de woning bedraagt 18 meter.

Voor overige bouwwerken zijn bouwregels opgenomen betreffende de toegestane bouwhoogte, waarbij een specifieke regel is opgenomen voor tuin- of erfafscheidingen.

Uit het oogpunt van flexibiliteit zijn enkele afwijkingsmogelijkheden bij omgevingsvergunning ten aanzien van de bouwregels opgenomen. Afwijkingsmogelijkheden bij omgevingsvergunning zijn opgenomen om de voorgevel van de woning gedeeltelijk achter de gevellijn op te kunnen richten, voor een kortere afstand tot zijdelingse perceelsgrenzen en voor een grotere bouwhoogte voor overige bouwwerken.

Uit oogpunt van leefbaarheid van de kern zijn in zijn algemeenheid detailhandels, beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis toelaatbaar. Om dit juridisch-planologisch mogelijk te maken, is een afwijking bij omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders opgenomen, die dergelijke activiteiten aan huis onder voorwaarden mogelijk laat zijn.

Artikel 4 Waarde - Archeologie 2

De gronden met een archeologische waarde (maatregelcategorie 4) zoals aangeduid op de archeologische Maatregelenkaart-in-lagen zijn bestemd als Waarde - Archeologie 2. Er mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd of uitgebreid, indien de oppervlakte van de bodemverstoring niet groter is dan 250 m2 of de bodem tot maximaal 40 cm onder maaiveld wordt geroerd. Indien een groter oppervlak wordt verstoord, dan dient vooraf een schriftelijke verklaring van een archeologisch deskundige aanwezig te zijn waarin staat dat archeologisch onderzoek niet nodig is óf dient er archeologisch onderzoek plaats te vinden en dient hieruit te blijken dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn of dat deze niet onevenredig worden geschaad. Verder is het uitvoeren van bepaalde werken of werkzaamheden gebonden aan een omgevingsvergunning.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 5 Anti-dubbeltelregel

Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.

Artikel 6 Algemene bouwregels

In dit artikel is geregeld dat het college van burgemeester en wethouders nadere eisen kan stellen aan plaatsing van gebouwen, de dakhelling van hellende dakvlakken en de plaatsing en vormgeving van bouwwerken geen gebouw zijnde.

Artikel 8 Algemene afwijkingsregels

In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsregels opgenomen. Deze afwijkingen bij omgevingsvergunning betreffen het bouwen van gebouwtjes van openbaar nut, het overschrijden van bebouwingsgrenzen, beperkte verschuivingen van de bestemmingsgrenzen én het oprichten van masten en antennes tot een bepaalde bouwhoogte.

Artikel 9 Algemene wijzigingsregels

In dit artikel zijn algemene wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor het college van burgemeester en wethouders om het bouwen van gebouwtjes van openbaar nut, het overschrijden van bebouwingsgrenzen, beperkte verschuivingen van de bestemmingsgrenzen én het oprichten van masten en antennes tot een bepaalde bouwhoogte mogelijk te maken.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 10 Overgangsrecht

Dit betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind.

Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij omgevingsvergunning afgeweken worden tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan. In lid 3 is een hardheidsclausule opgenomen die afwijking mogelijk maakt indien het hanteren van de overgangsregels leidt tot onbillijkheid jegens personen.

Artikel 11 Slotregel

De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan "Kern Oudelande, gedeelte Wilhelminastraat 27a, 2016".

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Kostenverhaal

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling van de wet is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd wat onder een bouwplan wordt verstaan. De bouw van een of meer woningen is in het betreffende artikel van het Bro opgenomen.

Een exploitatieplan dient tegelijkertijd met een bestemmingsplan te worden vastgesteld. In de Wro is tevens opgenomen dat kan worden afgeweken van de verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is. Dit is onder meer het geval indien de gemeente en de initiatiefnemer en/of ontwikkelende partij een privaatrechtelijke overeenkomst hebben gesloten over de verdeling van de kosten bij de grondexploitatie. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is een exploitatieovereenkomst (anterieure overeenkomst) gesloten. Het op- en vaststellen van een exploitatieplan kan daarmee achterwege blijven.

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen, waaronder de economische uitvoerbaarheid, te worden aangetoond. Realisatie van het plan valt binnen de financiële mogelijkheden van de initiatiefnemers.


Hoofdstuk 7 Maatschappelijke toetsing en overleg

7.1 Maatschappelijke toetsing

Het ontwerp bestemmingsplan met bijbehorende stukken is conform het bepaalde in artikel 3.8 Wro en afdeling 3.4 Awb ter inzage gelegd. In die periode heeft een ieder zijn of haar zienswijze naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren kunnen brengen. Hierna wordt besloten om het bestemmingsplan (al dan niet gewijzigd) vast te stellen.

7.2 Overleg ex. artikel 3.1.1 Bro

In artikel 3.1.1, lid 1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg gepleegd wordt met besturen van gemeenten, met Rijks- en provinciale diensten, etc.

In artikel 3.1.1 lid 2 Bro is vastgelegd dat Gedeputeerde Staten, onderscheidenlijk Onze Minister, kunnen bepalen dat onder bepaalde omstandigheden of in bepaalde gevallen geen overleg is vereist met de diensten van provincie onderscheidenlijk Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening. Het Rijk heeft aangegeven dat vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro met hen enkel nodig is als er nationale belangen in het geding zijn. Per brief van 26 mei 2009 heeft de toenmalige Minister van VROM aangegeven over welke nationale belangen een gemeente altijd overleg moet voeren met het Rijk. De bouw van één woning valt hier niet onder. Met de beoogde ontwikkeling zijn ook geen andere belangen van het Rijk in het geding.

In hun schrijven van 1 juli 2008 hebben Gedeputeerde Staten van Zeeland aangegeven in welke gevallen geen vooroverleg is vereist. Van het bestuurlijke vooroverleg kan worden afgezien wanneer de herziening van het bestemmingsplan gering of planologisch ondergeschikt is. Deze herziening moet aangemerkt worden als planologisch gering/ondergeschikt. Bij e-mail van 3 december 2015 heeft de provincie aangegeven dat het overleg ex artikel 3.1.1. Bro achterwege kan blijven.


Aan het aspect Water is in de fase van planvorming aandacht besteed en hierover heeft overleg plaatsgevonden met Waterschap Scheldestromen, hetgeen geresulteerd heeft in de in paragraaf 4.6 opgenomen waterparagraaf. In deze paragraaf wordt ingegaan op de relevante waterhuishoudkundige aspecten aan de hand van het 'Overzicht van indicatieve ontwerprichtlijnen en toetsingscriteria' uit de 'Handreiking Watertoets'.


Om bovenstaande reden kan het wettelijk vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro achterwege blijven.