direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Noordeinde 124 en 126, Waddinxveen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0627.Noordeinde124en126-0401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op de percelen Noordeinde 124 en 126 in Waddinxveen staan twee sterk verouderde woningen. Eén van de woningen (nummer 124) is onlangs vrijgekomen in verband met het overlijden van de huurster. Het opnieuw verhuren van deze woning is geen optie, omdat de woning niet meer voldoet aan de huidige eisen van het Bouwbesluit. Een verbouwing vraagt om een forse ingreep om te kunnen voldoen aan hedendaags te stellen eisen. Hierbij moet niet alleen worden gedacht aan een bouwtechnische verbouwing, maar ook aan het aardgasvrij maken hiervan. Het verduurzamen van de woningen conform de landelijke en gemeentelijke klimaatdoelstellingen is evenmin haalbaar. Verder is voortzetting van bewoning vanuit oogpunt van volksgezondheid niet langer verantwoord, omdat het binnenmilieu niet voldoet zoals een te lage stahoogte op de verdieping (van minder dan 2 meter hoog), schimmelvorming, slechte ventilatie en vochtproblemen. Daarbij komt dat het geheel een verrommelde indruk maakt langs het cultuurhistorisch waardevolle bebouwingslint. In verband hiermede is initiatiefnemer voornemens de twee aaneengesloten woningen te slopen en hiervoor in de plaats twee duurzame vrijstaande woningen terug te bouwen die een ruimtelijke kwaliteitswinst met zich meebrengt in dit bebouwingslint. Dit bestemmingsplan maakt de voorgenomen ontwikkeling juridisch planologisch mogelijk.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt aan het Noordeinde. Ten noorden van de planlocatie ligt een ontsluitingsweg voor drie achter het plangebied gelegen woningen. Voorbij deze ontsluitingsweg ligt een boerenerf van de voormalige boerderij Jagtlust. Achter deze woonboerderij is recent een nieuwe woning gebouwd. Aan de zuidzijde ligt grasland. Eerder was hier een sierteeltbedrijf gevestigd. Aan de oostzijde ligt het Noordeinde met aan de overzijde lintbebouwing met hierachter een woonwijk in Boskoop. In figuur 1 is een situatietekening van het plangebied en omgeving opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Noordeinde124en126-0401_0001.png" Figuur 1: Plattegrond plangebied en omgeving (rood gestippeld omlijnd).

1.3 Vigerende bestemmingsplannen

Voor onderhavig plangebied gelden de volgende bestemmingsplannen:

Bestemmingsplan   Raadsbesluit   Uitspraak ABRvS  
“Waddinxveen Noord West"   10 april 2013   N.v.t.  
"Parapluplan Archeologie en Parkeren"   19 september 2018    

De gronden zijn in het bestemmingsplan 'Noord West' bestemd voor 'Wonen'. Er zijn vijf woningen toegestaan binnen twee bouwvlakken (figuur 2). Voorts zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waterstaat - Waterkering' van toepassing.
Het vervangen van de twee woningen aan het Noordeinde 124 en 126 is in strijd met het bestemmingsplan, omdat de woonpercelen Noordeinde 124 en 126 zijn aangeduid als 'aaneengebouwd', terwijl er twee vrijstaande woningen worden teruggebouwd, waarvan één in de tweede lijn bebouwing buiten het bouwvlak.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Noordeinde124en126-0401_0002.png" Figuur 2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Noord West' (plangebied rood gestippeld omlijnd).

1.4 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 beschrijft de huidige situatie en hoofdstuk 3 geeft een planbeschrijving van de nieuwe situatie. In hoofdstuk 4 wordt het beleidskader uiteengezet. Hierin wordt het voor dit bestemmingsplan relevante rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. Hoofdstuk 5 omvat de waterparagraaf. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten. Ook uitvoeringsaspecten worden hier beschreven. In hoofdstuk 7 wordt de keuze voor de planmethodiek nader toegelicht. Hoofdstuk 8 is gewijd aan de economische uitvoerbaarheid. In hoofdstuk 9 wordt tenslotte ingegaan op de uitkomsten van de gehouden inspraak en het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

2.1 Ruimtelijke en functionele structuur

Algemeen
Het plangebied ligt in de polder Achterof in Waddinxveen. De polder heeft een kenmerkend regelmatig rechthoekig wegen- en verkavelingspatroon. De polder ligt enkele meters lager dan het omliggende land. Om het water uit de polder te weren liggen er kaden om de polder heen. Dwars op de verkavelingsrichting lopen enkele brede sloten die 'tochten' worden genoemd. Deze vervullen een belangrijke rol in de afwatering van de polder.
De polder Achterof is grotendeels in gebruik voor akkerbouw. Tussen het Noordeinde en de Eerste Tocht zijn ook sierteeltbedrijven gevestigd. Daarnaast komen niet-agrarische activiteiten in het bebouwingslint voor zoals een loonwerkersbedrijf en een bouwmarkt. Voor het overige staan er verspreid liggende woningen.

Bentwoud
Aanvankelijk was het de bedoeling om de polder te transformeren naar bosgebied voor de ontwikkeling van het Bentwoud. Deze plannen hebben geen doorgang gevonden als gevolg van bezuinigingen door het Rijk wat heeft geresulteerd in een onderhandelingsakkoord decentralisatie natuur d.d. 20 september 2011 tussen het Rijk en het lnterprovinciaal Overleg (lPO). Hierbij zijn de projecten Recreatie om de Stad (RodS) als rijkstaak vervallen. Als vervolg hierop hiervan hebben Provinciale Staten de RodS-opgave bij besluit van 10 oktober 2012 herijkt en de Beleidsvisie Groen vastgesteld. Hierin is vastgelegd dat een verkleind Bentwoud (exclusief de randzone tussen de Eerste Tocht en het Noordeinde en het zuidelijk deel van Waddinxveen ten zuiden van de Maaltocht tot de Kleikade) wordt ontwikkeld met een eenvoudige en sobere inrichting. Dit betekent voor de zittende agrarische bedrijven dat zij hun activiteiten kunnen voortzetten, zoals dat is vastgelegd in het bestemmingsplan Noord West.


Woningen overzijde Noordeinde. Zuidelijk gelegen grasland. Entree Bentwoud (Jagtlustpad)

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Noordeinde124en126-0401_0003.png" Woningen achter plangebied en gezien vanaf inrit Noordeinde 122c. De boerderij Noordeinde 130.

Planspecifiek
Het plangebied maakt onderdeel uit van het bebouwingslint aan het Noordeinde. Het perceel ter grootte van 1.985 m² ligt aan een dijklint. Op dit perceel staan twee voormalige arbeiderswoningen met bijbehorende erven. De woningen liggen lager achter het dijklint. Aansluitend hierop ligt grasland dat deels wordt omringd met groen. Hierachter staan drie vrijstaande woningen die in het kader van de ruimte voor ruimte regeling zijn gerealiseerd, nadat de agrariër aan het Noordeinde 130 zijn akkerbouwbedrijf op deze locatie had beëindigd. De bestaande situatie is opgenomen in figuur 3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Noordeinde124en126-0401_0004.png" Figuur 3: Bestaande situatie.

Bestaande woningen vanaf het Noordeinde. Entree leegstaande woning Noordeinde 124.
afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Noordeinde124en126-0401_0005.png"

Achterzijde woningen Noordeinde 124 en 126. Kavel achter percelen Noordeinde 124 en 126.
(De woning op nr. 126a ligt achter het groen.)

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Ontwikkeling

Op het woonperceel staan twee kleine geschakelde woningen. Deze worden gesloopt om hiervoor in de plaats twee vrijstaande woningen terug te bouwen. De nieuwe woonsituatie is ruimtelijk inpasbaar. Er wordt aansluiting gezocht met drie westelijk gelegen woningen door een woning in de eerste lijn bebouwing en een woning in de tweede lijn bebouwing terug te bouwen, zodat bestaande doorzichten vanaf het Noordeinde blijven behouden.

3.2 Nieuwe situatie

Stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing  
Doelstelling is het plangebied een bijdrage te laten leveren aan het versterken van de landschappelijke en stedenbouwkundige structuur van het bebouwingslint aan het Noordeinde met behoud van bestaande zichtlijnen. Ten behoeve hiervan heeft Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten B.V. te Bergambacht een landschapsinrichtingstekening opgesteld.
De twee bestaande woningen worden vervangen door twee vrijstaande woningen, waarvan één in de eerste lijn bebouwing en een tweede woning in de tweede lijn bebouwing. De bestaande bomen in de westelijke rand worden zoveel mogelijk gehandhaafd. Voorts wordt hier een nieuwe sloot voorgestaan. Deze nieuwe sloot en bomen dragen bij aan de ruimtelijke uitstraling en landschappelijke kwaliteit. De hagen aan de noordzijde van het plangebied blijven eveneens behouden. Deze dragen bij aan een groene uitstraling met compartimering van de twee bouwpercelen. Deze verkavelingstekening heeft als uitgangspunt gediend voor dit bestemmingsplan. Het landschapsinrichtingsplan van 28 februari 2023 is opgenomen in Bijlage 1. De verkavelingstekening is opgenomen in figuur 4.

Bebouwingsbeeld
De woningen hebben een nokrichting die evenwijdig is aan het Noordeinde. Omdat cultuurhistorisch de meeste (boerderij)woningen aan het Noordeinde een nokrichting hadden die evenwijdig was aan het landschap wordt hier eveneens gekozen voor een woning in de eerste lijn bebouwing met een nokrichting die evenwijdig langs de weg loopt. Door het aanhouden van een lagere goothoogte van 4 meter met een bouwhoogte van maximaal 10 meter kan hier een woning worden gebouwd met een eigentijdse architectuur met een knipoog naar het verleden.

In de tweede lijn bebouwing kan een tweede woning worden gerealiseerd, zodat bestaande zichtlijnen blijven behouden vanaf het Noordeinde. Dit perceel is bereikbaar via de ontsluitingsweg van de drie hierachter gelegen woningen. De nokrichting van deze woning wordt in lijn met de eerder gerealiseerde woningen haaks op het Noordeinde gerealiseerd.

Duurzaamheid en klimaatadaptatie
De woningen worden gebouwd volgens de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG) zonder aansluiting op aardgas, zodat meteen een bijdrage wordt geleverd aan het terugdringen van de CO2 uitstoot. Inzet is om twee nul op de meter woningen te realiseren. Ook is er aandacht voor natuurinclusief bouwen. Zo worden er voldoende inheemse bomen (Elzen) behouden die tevens zorgen voor schaduwwerking. Verder wordt er minimaal één boom per bouwperceel geplant. Ook wordt gedacht aan het plaatsen van vleermuiskasten en/of zwaluwkasten; één en ander is mede afhankelijk van de uitkomsten van het uit te voeren ecologisch onderzoek.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Noordeinde124en126-0401_0006.png" Figuur 4 Verkavelingsplan (indicatief).

3.3 Verkeer en parkeren

3.3.1 Verkeer

Het plangebied ligt aan het Noordeinde. De maximum snelheid is ter plaatse 50 km/uur. Het Noordeinde (N455) is een gebiedsontsluitingsweg naar de N11 via Boskoop en Hazerswoude-Dorp. Op het Noordeinde rijdt niet alleen veel verkeer met herkomst of bestemming Waddinxveen, maar ook veel doorgaand verkeer. Dit sluipverkeer is niet wenselijk voor de leefbaarheid van de kernen. In verband hiermede wordt door de gemeenten Waddinxveen en Alphen aan den Rijn gepleit voor aanleg van de Bentwoudlaan. Deze weg is geprojecteerd ten westen van het Noordeinde. Het Noordeinde heeft een apart fietspad in twee richtingen. Dit fietspad wordt onder andere veel gebruikt door schoolgaande kinderen van Boskoop, die naar Waddinxveen en Gouda fietsen.
De planontwikkeling zal ten opzichte van de thans aanwezige woonfunctie nagenoeg geen extra verkeersbewegingen genereren. De twee woningen aan het Noordeinde zullen gebruik maken van eigen uitritten, waarvan één al bestaand op het Noordeinde.
De planlocatie is ook goed bereikbaar met het openbaar vervoer. Nabij de planlocatie is een halte voor een rechtstreekse busverbinding naar Gouda en Leiden aanwezig. Ten oosten van het plangebied ligt op loopafstand (circa 750 meter) het NS-station Boskoop Snijdelwijk (spoorverbinding Gouda - Alphen aan den Rijn).

Noordeinde richting Boskoop. Ontsluitingsweg voor woningen 126a, 126b en 126c.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Noordeinde124en126-0401_0007.png" Huidige uitrit voor woning Noordeinde 126. Toekomstige uitrit voor woning in tweede lijn
bebouwing.

3.3.2 Parkeren

De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 9 juli 2014 het Parkeerbeleid vastgesteld. Dit beleid is nadien vastgelegd in het Parapluplan Archeologie en Parkeren (2018). De gemeente streeft naar een goede en eerlijke parkeersituatie, waarvoor duidelijke uitgangspunten worden opgesteld. De uitgangspunten geven aan:

  • 1. wat wordt verstaan onder een goede parkeersituatie;
  • 2. wat is het bereik van de verantwoordelijkheid van de gemeente.

Dit beleid is in 2017 aangevuld met algemene kaders bij nieuwe ontwikkelingen en bestaand bebouwd gebied. Vervolgens is het beleid verankerd in het 'Parapluplan Archeologie en Parkeren' (2018).
Ten opzichte van 2014 is niet alleen Waddinxveen gegroeid, maar is ook de mobiliteitstransitie volop in ontwikkeling. Dit zorgt ervoor dat er momenteel anders naar het bepalen van het aantal parkeerplaatsen bij een ruimtelijke ontwikkeling wordt gekeken dan in 2014. De gemeente Waddinxveen gaat nieuw parkeerbeleid opstellen, maar dat proces duurt te lang voor de projecten die nu worden voorbereid. Daarom is de notitie 'Integraal afwegingskader parkeernomen bij ruimtelijke ontwikkelingen Waddinxveen' opgesteld om het benodigd aantal parkeerplaatsen voor ruimtelijke ontwikkelingen in Waddinxveen te kunnen toetsen op basis van de meest actuele inzichten. Door nu een integraal afwegingskader voor parkeren op te stellen, wordt ervoor gezorgd dat alle projecten die momenteel spelen in Waddinxveen op basis van dezelfde uitgangspunten worden beoordeeld op het bepalen van het benodigd aantal parkeerplaatsen en dat de benodigde voortgang in de projecten behouden blijft.

'Integraal afwegingskader parkeernormen bij ruimtelijke ontwikkelingen Waddinxveen'
In het 'Integraal afwegingskader parkeernormen bij ruimtelijke ontwikkelingen Waddinxveen' van 3 april 2023 maakt de gemeente Waddinxveen bij het beoordelen van het aantal parkeerplaatsen gebruik van de meest recente CROW-publicatie met parkeerkencijfers. Op dit moment is dat CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (december 2018). In deze publicatie zijn drie factoren opgenomen om de parkeerbehoefte te bepalen:

  • Mate van stedelijkheid van de gemeente (adressendichtheid)
  • Onderscheid naar zones binnen de gemeente
  • Positie in de bandbreedte van de parkeerkencijfers

In CROW-publicatie 381 wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende zones binnen een gemeente. Uit eerdere studies blijkt dat functies in het centrum resulteren in een lagere parkeervraag en een lagere verkeersgeneratie dan functies van dezelfde aard elders in de bebouwde kom. Dit wordt veroorzaakt door het aanbod en de kwaliteit van andere vervoerswijzen, met name het openbaar vervoer in het centrum. Hierdoor komen niet alle gebruikers van die functie met de auto. Op een locatie buiten het centrum is het aanbod van alternatieve vervoerswijzen veelal lager en de kwaliteit minder. Hierdoor komen gebruikers eerder met de auto naar de functie. Daarnaast zijn er in een centrumgebied meer voorzieningen op korte afstand bereikbaar. Dit onderscheid naar zones wordt ook binnen Waddinxveen toegepast. Hierdoor wordt het mogelijk om bij een ontwikkeling met veel voorzieningen in de directe omgeving met een lagere parkeernorm te werken dan op locaties met weinig voorzieningen op korte afstand. Op basis van de volgende criteria wordt beoordeeld in welke zone een ontwikkeling valt:

Tabel 3.1: criteria beoordeling zones binnen gemeente.

Zone   Criteria   Uitgangspunt  
Centrum   Afstand tot treinstation

Aanwezige voorzieningen
• Winkels
• Horeca
 
< 500 meter (circa 6 minuten lopen)

< 500 meter (circa 6 minuten lopen)
Hoofdwinkelcentrum (Gouweplein)
Café, restaurant  
Schil centrum   Afstand tot treinstation

Aanwezige voorzieningen
• Winkels
 
500 – 800 meter (6 tot 10 minuten lopen)
< 750 meter tot hoofdwinkelcentrum of
< 500 meter buurtwinkelcentrum
(primaire levensbehoeften)  
Rest bebouwde kom   Overig gebied binnen de bebouwde kom dat niet aan de criteria voor centrum of schil centrum voldoet  
Buitengebied   Al het gebied buiten de bebouwde kom  

De loopafstanden uit tabel 3.1 zijn afgeleid uit de publicatie "Inzicht in acceptabele loopafstanden" van het CROW (2021). Over het algemeen zijn de acceptabele loopafstanden tot voorzieningen in deze publicatie groter. Zo is de acceptabele loopafstand tot een HOV-halte (zoals een treinstation) 800 meter. Vanaf huis is de acceptabele loopafstand tot een supermarkt 450 tot 1.000 meter.
Als voorzieningen als een treinstation of (hoofd)winkelcentrum op acceptabele loopafstand bereikbaar zijn, is er minder noodzaak om een auto te bezitten om te kunnen voldoen in primaire levensbehoeften (voor woningen) of zijn er goede alternatieve manieren om een werklocatie te bereiken.
Een ontwikkeling moet aan beide criteria voldoen om binnen een zone te vallen. De loopafstanden worden getoetst op basis van de daadwerkelijke loopafstanden. Hierdoor wordt er rekening gehouden met barrières, zoals het spoor of water, die niet overal gekruist kunnen worden.

De gemeente Waddinxveen hanteert als uitgangspunt dat het midden van de bandbreedte gebruikt moet worden voor de parkeerkencijfers. In de notitie van 3 april 2023 zijn de afwijkingsmogelijkheden genoemd om af te wijken van het midden van de bandbreedte.

Toetsing planinitiatief
Het plangebied ligt op grond van de gemeentelijke criteria in het buitengebied van Waddinxveen. Hiervoor kunnen de volgende parkeerkencijfers worden aangehouden zoals opgenomen in tabel 3.2.

Tabel 3.2: Parkeerkencijfers woningen CROW publicatie 381 (2018).

Categorie buitengebied   sterk stedelijk (min. - max.)   Aandeel bezoekers  
koop, vrijstaand   2,0 - 2,8   waarvan 0,3 per woning  

Op basis van deze normering ontstaat de volgende parkeerbalans (tabel 3.3).

Tabel 3.3: Parkeerbalans nieuwe situatie.

Functies   Typologie   Parkeernorm   Aantal   Totaal  
Woningen   vrijstaand   2,4 (gemiddeld)   2   4,8  
Totaal       2   5 pp (afgerond  

De parkeerbehoefte wordt gerealiseerd door per woning minimaal 2 parkeerplaatsen op eigen erf te realiseren. Bij uitwerking van het bouwplan dient te worden aangetoond dat kan worden voldaan aan de parkeernorm. In artikel 9.1 van het bestemmingsplan wordt dit geborgd.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (2020)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' vastgesteld (afgekort NOVI). De visie bevat hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking is getreden.

In de NOVI wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk.

De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving met bijbehorende opgaven geformuleerd. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen.

De vier prioriteiten
De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. Dat zijn complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Politieke en maatschappelijke keuzes zijn vooral daar nodig, om op deze prioriteiten voortgang te boeken op een manier die draagvlak heeft en bijdraagt aan de kwaliteit van de leefomgeving. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. Het gaat hier om de volgende prioriteiten.

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.

Drie afwegingsprincipes
Doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Deze dubbele doelstelling uit de Omgevingswet is vertaald in een omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving: ontwikkeling van de leefomgeving gaat samen met versterking van te beschermen waarden als gezondheid, landschap, waterveiligheid, natuur, cultureel erfgoed, leefomgevingskwaliteit en milieukwaliteit. Veiligheid, gezondheid en duurzaamheid zijn basale randvoorwaarden voor alle maatschappelijke activiteiten zoals bedrijfsmatige activiteiten, de energietransitie en de woningbouw. Om aan het afwegingsproces en de omgevingsinclusieve benadering richting te geven, gebruikt het rijk in het omgevingsbeleid drie afwegingsprincipes. Deze zijn:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

Relatie tot bestemmingsplan
In de uitwerking van prioriteit 3 'Sterke en gezonde steden en regio's' is een aantal beleidskeuzes opgenomen. Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stads- en dorpsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Tegelijk wil het rijk de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen verbeteren. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de herontwikkeling van twee aaneengebouwde woningen naar twee vrijstaande woningen in de dorpsrand.

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (afgekort Barro) bevat een beperkt aantal beslissingen van wezenlijk belang uit de Structuurvisie. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro en de hierbij behorende ministeriële regeling zijn op 30 december 2011 in werking getreden. Door de (thans 14) nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. De in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening genoemde rijksbelangen zijn niet in het geding.

4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (2017)

Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro)
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen neemt het Rijk enkel nog een 'Ladder' voor duurzame verstedelijking op. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Dit betekent dat in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving wordt opgenomen van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.

Doel van de ladder is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder is als een procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Hierna wordt de planontwikkeling getoetst aan de Ladder, zoals deze vanaf 1 juli 2017 geldt.

Toetsing initiatief aan Ladder voor duurzame verstedelijking
De belangrijkste motiveringsplichten van de Ladder, namelijk dat de behoefte aan een nieuwe ontwikkeling moet worden aangetoond en dat moet worden toegelicht – als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd – waarom het bestaand stedelijk gebied niet geschikt is voor de nieuwe ontwikkeling, vloeien voort uit andere wettelijke normen en jurisprudentie. Ook in het geval er geen sprake is van een formele 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', moet toch het nut en de noodzaak aan die ontwikkeling en de uitvoerbaarheid daarvan worden aangetoond.
In dit bestemmingsplan worden twee woningen mogelijk gemaakt (vervangende nieuwbouw). Het begrip 'woningbouwlocatie', zoals opgenomen in de definitie in het Besluit ruimtelijke ordening is niet nader gedefinieerd in het Bro. Het moet echter gaan om een ruimtelijke ontwikkeling van enige omvang. Op grond van jurisprudentie is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. In paragraaf 4.2.2 wordt hierop ingegaan.

4.1.4 Conclusie Rijksbeleid

Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. Het initiatief raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. De Ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing voor deze planontwikkeling. Vanuit rijksbeleid zijn er geen beperkingen aan deze planontwikkeling.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland

Op 20 februari 2019 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland de Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. Omdat onderdelen uit het Programma ruimte naar het visiedeel zijn omgezet, is het resterende deel hiervan nu onderdeel van het Omgevingsbeleid. Het gehele Omgevingsbeleid is alleen redactioneel gewijzigd, de beleidsinhoud is niet veranderd. Op 1 april 2023 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie in werking getreden.

De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze nevengeschikte ambities staan niet op zichzelf. Ze zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar deze regio voor staat. De ambities zijn de kaders waarbinnen de provincie ruimte geeft. Die ruimte kan per opgave verschillen. Door in te zetten op de zes ambities draagt de provincie bij aan het sterker maken van Zuid-Holland. Bij de zes ambities is een aantal opgaven geïdentificeerd. De opgaven zijn vanuit provinciale optiek en op een zeker abstractieniveau geformuleerd zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. Het betreft de volgende ambities:

  • 1. Naar een klimaatbestendige delta
  • 2. Naar een nieuwe economie: the next level
  • 3. Naar een levendige meerkernige metropool
  • 4. Energievernieuwing
  • 5. Best bereikbare provincie
  • 6. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving

In het Omgevingsprogramma Zuid-Holland zijn de instrumenten opgenomen waarmee de doelen en ambities uit de Omgevingsvisie uitgevoerd gaan worden.

Omgevingskwaliteit
Verbetering omgevingskwaliteit
Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Daarbij streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Met het provinciaal omgevingsbeleid wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Met het samenvoegen van al het bestaande beleid voor de fysieke leefomgeving heeft de provincie een eerste stap gezet richting een meer integrale sturing op omgevingskwaliteit. Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit is weergegeven in de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit', behorende bij zowel de Omgevingsvisie als de Omgevingsverordening.
Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit werkt de provincie vanuit twaalf samenhangende opgaven van het omgevingsbeleid die zij van provinciaal belang acht. De 12 opgaven zijn: landschap en cultuurhistorie, gezondheid en veiligheid, natuur en recreatie, ruimte en verstedelijking, wonen, bodem en ondergrond, cultuurparticipatie en bibliotheken, klimaatadaptatie, zoetwater en drinkwater, bereikbaarheid, regionale economie en energievoorziening.

Kwaliteitskaart
Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de Omgevingsverordening. De kwaliteitskaart is voor de provincie een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De kaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming.

De Laag van de ondergrond (eerste laag) wordt gevormd door een veencomplex van oude zeeklei. De ondergrond in deze droogmakerijen varieert van venig tot (oude zee)klei.

Uit de Laag van cultuur- en natuurlandschappen valt af te leiden dat droogmakerijen zijn ontstaan uit natuurlijke meren en uit verveningen. Ze hebben een duidelijke begrenzing door een ringdijk, ringvaart of oude hoge oeverlanden. Het landschap is visueel open (tenzij het is verstedelijkt), grootschalig en ligt gemiddeld enkele meters lager dan de omgeving. De droogmakerij kent een aangelegd watersysteem met hoofdtochten, gemaal en een regelmatige basisverkaveling. Ontginningsboerderijen liggen op regelmatige afstand langs de ontginningsweg. Elke droogmakerij heeft haar eigen ordening en maat; kavelgrootte en lengte-breedte-verhouding zijn uniek. Deze typerende opbouw is bepalend voor de manier van inpassing van nieuwe ontwikkelingen. Als richtpunt voor droogmakerijen (klei) geldt dat nieuwe ontwikkelingen worden vormgegeven als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling, met strakke groene omzoming en behoud van ruime doorzichten.
Voorts ligt het plangebied aan een dijklint. Dijken bepalen in hoge mate de kwaliteiten van het veenlandschap. Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend.

Op de Laag van de stedelijke occupatie ligt het plangebied in de stads- of dorpsrand (figuur 5). De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij worden drie typen ‘overgangskwaliteiten’ onderscheiden. Uitgangspunt bij ontwikkelingen aan dorpsranden is de contactkwaliteit. Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit.

Op de Laag van de beleving is het plangebied niet aangeduid. Het westelijk gelegen Bentwoud (voorbij de Eerste Tocht) en het zuidoostelijk gelegen Gouwebos zijn hierin aangeduid als Recreatiegebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Noordeinde124en126-0401_0008.png" Figuur 5: Links uitsnede Kwaliteitskaart (Laag van de stedelijke occupatie) en rechts uitsnede kaart 3 (Regionale waterkeringen) van de Omgevingsverordening. Het plangebied is met zwart omkaderd.

Conclusie
De Omgevingsvisie is zelfbindend voor de provincie. De herontwikkeling van het woonperceel met twee woningen is in overeenstemming met de opgaven wonen, ruimte en verstedelijking, omdat het plangebied in de dorpsrand ligt. De richtpunten zijn niet in het geding. De planontwikkeling maakt onderdeel van de lokale woningbehoefte. Het plan is niet in strijd met de provinciale Omgevingsvisie.

4.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland

Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. De geconsolideerde versie is op 1 april 2023 in werking getreden. In deze verordening zijn alle regels voor de fysieke leefomgeving van het bestaande provinciale omgevingsbeleid samengevoegd. Voor zover relevant worden deze hieronder toegelicht.

Ladder voor duurzame verstedelijking
De in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Op grond van dit artikel dient een bestemmingsplan waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt te voldoen aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II.
In lid 3 is bepaald dat Gedeputeerde Staten bij de aanvaarding van een regionale visie kunnen aangeven in hoeverre de Ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.

Toetsing aan ladder voor duurzame verstedelijking
Dit bestemmingsplan maakt de ontwikkeling mogelijk van twee vrijstaande woningen (vervangende nieuwbouw) in de dorpsrand. Het begrip 'woningbouwlocatie', zoals opgenomen in de definitie in het Besluit ruimtelijke ordening is niet nader gedefinieerd in het Bro. Het moet echter gaan om een ruimtelijke ontwikkeling van enige omvang. Het bouwen van één woning is geen stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder (ABRvS 14 januari 2014, nr. 201308263/2/R4). Twee woningen die rechtstreeks mogelijk worden gemaakt zijn eveneens niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro (ABRvS 18 december 2013, nr. 201302867/1/R4). Gesteld kan worden dat de gebruiksmogelijkheden te kleinschalig zijn om onder het regime van artikel 3.1.6 lid 2 Bro te vallen, waarin de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen. Voldaan wordt aan de Ladder zoals beschreven in paragraaf 4.3.2. Het plan is overeenstemming is met de Ladder.

Ruimtelijke kwaliteit
Op grond van artikel 6.9, lid 5 van de Omgevingsverordening (Ruimtelijke kwaliteit) kan een bestemmingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:

  • a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen;
  • b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen;
  • c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.

In artikel 6.9, lid 9 is opgenomen dat een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 3, zijnde Buitengebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, ontwikkelingen mogelijk kan maken die kunnen vallen onder noemer inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 6.9a.

Toetsing aan ruimtelijke kwaliteit
Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. Voor ruimtelijke ontwikkelingen die niet passen bij de aard en/of de schaal van het gebied zijn ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.
Het plangebied maakt op kaart 14 in bijlage II onderdeel uit van het buitengebied. De planlocatie ligt aan een dijklint van het Noordeinde in de dorpsrand, grenzend aan de Snijdelwijk. De openheid en het groene karakter van het landschap wordt niet aangetast, omdat de huidige twee woningen plaatsmaken voor woningen in de eerste lijn en tweede lijn bebouwing, zodat bestaande doorzichten vanaf het Noordeinde blijven behouden. De openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten worden niet aangetast. Het plan is getoetst aan de relevante richtpunten.

Dorpsrand en dijklint
De dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. Uitgangspunt bij ontwikkelingen in de dorpsrand is de contactkwaliteit.
De woningen maken onderdeel uit van het dijklint. De kwaliteit en beleefbaarheid van de polder blijft behouden, omdat het plangebied al is bestemd voor Wonen en ten westen van het plangebied al drie woningen staan. Door de woningen in de eerste en tweede lijn te bouwen worden bestaande doorzichten niet aangetast.

Droogmakerij
Op de Kwaliteitskaart is het plangebied aangeduid als 'droogmakerij (klei)'. Als richtpunt wordt aangehouden dat nieuwe ontwikkelingen in de droogmakerij worden vormgegeven als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling, met strakke groene omzoming en behoud van ruime doorzichten. De ruimtelijke kwaliteit blijft behouden, omdat de twee woningen in de eerste en tweede lijn worden gebouwd. De situering houdt rekening met de bestaande situatie (achter het plangebied staan al drie vrijstaande woningen).

Regionale waterkeringen
Op grond van artikel 6.22 (Regionale waterkeringen) mogen alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt voor zover bij de verwezenlijking daarvan geen belemmeringen kunnen ontstaan voor het onderhoud, de veiligheid of de mogelijkheden voor versterking van de regionale waterkering. Het plangebied ligt buiten de waterkering (figuur 5), zodat er geen beperkingen zijn.

Risico's van klimaatverandering
In paragraaf 6.2.8a (Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen) zijn in artikel 6.27a regels opgenomen over risico's van klimaatverandering. Hierin is vastgelegd dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag, b. overstroming, c. hitte en d. droogte, alsmede de effecten van de bovengenoemde risico van bodemdaling.

Voor zover risico's zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico's. In paragraaf 4.4.3 (duurzaamheid) wordt nader ingegaan op welke wijze met risico's van klimaatverandering is omgegaan.

Conclusie
Het plangebied ligt in de dorpsrand. Deze ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en qua aard en schaal bij wat er al in de directe omgeving aan het Noordeinde. Gesteld kan worden dat hier sprake is van 'inpassing', zodat aanvullende maatregelen op het vlak van ruimtelijke kwaliteit niet nodig zijn voor dit plan. Voldaan wordt aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Resumerend kan worden geconcludeerd dat:

  • het plan in overeenstemming is met artikel 6.10 van de Omgevingsverordening (Ladder);
  • het plan in overeenstemming is met artikel 6.9 lid 5 sub a (inpassen) van de Omgevingsverordening (ruimtelijke kwaliteit).

Gelet hierop is er geen strijdigheid met de provinciale belangen.

4.2.3 Gebiedsprofiel Bentwoud-Rottemeren-Zuidplas

De provincie Zuid-Holland heeft voor Bentwoud, Rottemeren en Zuidplas een gebiedsprofiel opgesteld. Een gebiedsprofiel omvat een beschrijving van karakteristieken (wat is er), ontwikkeling (wat speelt er), kwaliteiten (wat is waardevol) en ambitie (wat willen we) van het landschap van het betreffende gebied. Het gebiedsprofiel is in samenwerking met gemeenten en andere overheden en gebiedspartners opgesteld als gezamenlijke basis voor de ruimtelijke kwaliteit van dit gebied. Gedeputeerde Staten stellen het gebiedsprofiel vast als bevestiging van dit gezamenlijke vertrekpunt en tegelijk als uitgangspunt voor provinciale plannen. Dit gebiedsprofiel is op 16 december 2014 vastgesteld.
Het gebiedsprofiel is een handreiking om de kwaliteit van plannen en ontwikkelingen te stimuleren om zo de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te versterken. Het gebiedsprofiel bevat een schat aan informatie die gebruikt kan worden om te bepalen met welke kwaliteiten het wenselijk is rekening te houden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het gebiedsprofiel is de basis voor het plannen met kwaliteit. Elke ontwikkeling vraagt uiteindelijk om maatwerk.

Ontstaansgeschiedenis
De polder Achterof bestond vroeger uit een veenwildernis, die in de dertiende eeuw is ontgonnen ten behoeve van landbouw. Het ontgonnen land werd echter tussen 1500-1700 voor turfwinning ontgraven. Daardoor ontstonden aan weerszijden van de middeleeuwse ontginningsweg Noordeinde diverse veenplassen. Het overgrote gedeelte daarvan (aan de westzijde van het Noordeinde) werd in de tweede helft van de achttiende eeuw ingepolderd, het gedeelte aan de oostzijde een eeuw later. Het huidige gebied geeft nog een goed voorbeeld van een voornamelijk negentiende-eeuws polderlandschap met bijbehorende bebouwing.
De polder heeft een kenmerkend regelmatig rechthoekig wegen- en verkavelingspatroon. De polder ligt enkele meters lager dan het omliggende land. Om het water uit de polders te weren liggen er kaden om de polders heen. Dwars op de verkavelingsrichting lopen enkele brede sloten die ‘tochten’ worden genoemd. Deze vervullen een belangrijke rol in de afwatering van de polder. Beide deelgebieden zijn momenteel volledig in gebruik voor sierteelt.

Ambities
De onderliggende verkavelingsstructuur van agrarische landschap met zeer rationeel verkavelingspatroon vormt de basis voor de ambities van het gebied. De restanten nog open polderlandschap brengen openheid en rust en vormen zo een bijzondere kwaliteit die gekoesterd zou moeten worden. Daarnaast vormt het verkavelingspatroon met zijn verschillende richtingen, maat en schaal de logica van het landschap. Bij het ordenen van ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied moet daarom de verkavelingstructuur als uitgangspunt worden genomen. Versterking van de hoofdstructuur van de polder is mogelijk, waardoor er ruimte is voor een gevarieerde ontwikkeling. De linten vormen hiertoe belangrijke structuurdragers van de polder. Deze kunnen worden benut en uitgebouwd als landschappelijk raamwerk voor nieuwe ontwikkelingen.
De hier relevant zijnde ambitie voor de droogmakerij is dat de bebouwing gekoppeld blijft aan de linten. Erven worden groen ingepast. Nieuwe ontwikkelingen zijn passend bij de grote maat en rationele opzet van de droogmakerij. Het lint dient als structuurdrager van de hoofdstructuur te worden versterkt. Eenheid en de typerende opbouw van de polder dient herkenbaar te worden gehouden.

De Vredenburghlaan vormt de nieuwe zuidelijke randweg van Waddinxveen en wordt aangesloten op de Moordrechtboog en de Gouwelaan. Hierdoor wordt zowel de A12, als de N207 ontlast en aanleg van de Bentwoudlaan zal ook de kern van Waddinxveen ontlast worden van doorgaand verkeer.

Toetsing planontwikkeling aan Gebiedsprofiel Bentwoud-Rottemeren-Zuidplas
Het kenmerkende landschap van het lint is nog altijd herkenbaar rond het plangebied, maar niet meer zo sterk bepalend door de vele, vooral infrastructurele, ingrepen, zoals de in voorbereiding zijnde bovenlokale infrastructuur Vredenburghlaan/ Bentwoudlaan. Het contrast tussen de Bentwoudlaan en het behoud van het lint zorgt ervoor dat deze structuurdrager beleefbaar blijft (het lint blijft het lint). Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan een strategie van 'behoud, herstel en ontwikkeling': behoud van de lintstructuur, zonder daarmee 'het gebied op slot te zetten' (ontwikkeling). De twee woningen liggen op relatief grote afstand van de nieuw geplande infrastructuur. Doorzichten worden niet aangetast.

Conclusie
Deze planontwikkeling is in overeenstemming met het ambitiebeeld van het Gebiedsprofiel Bentwoud-Rottemeren-Zuidplas. De ontwikkeling levert een bijdrage aan het behouden en/of versterken van de ruimtelijke kwaliteiten van het cultuurhistorisch waardevolle lint.

4.3 Regionaal beleid

4.3.1 Intergemeentelijk Structuurplan Zuidplas

Het Intergemeentelijk Structuurplan Zuidplas (ISP) is een gezamenlijk plan van thans de drie Zuidplas gemeenten Gouda, Waddinxveen en Zuidplas. Het ISP is onder bestuurlijke regie van de Stuurgroep driehoek RZG tot stand gekomen, dat wil zeggen in samenwerking met de provincie Zuid-Holland, de gemeente Rotterdam en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard.

Het ISP is een uitwerking van de vastgestelde Interregionale Structuurvisie (2004). Het plan geeft inzicht over de ontwikkelingen in de Zuidplas tot 2030, waarbij het accent ligt op de periode 2010-2020. Het streven is om het ISP binnen deze periode in fasen uit te werken en uit te voeren. Het ISP is voor de gemeenten in de Zuidplas de basis voor het ruimtelijk beleid. De gemeentebesturen moeten zich bij het maken van bestemmingsplannen houden aan wat in het ISP staat. Voor burgers en organisaties komen uit het ISP geen juridisch bindende gevolgen voort. Dat gebeurt pas na de vaststelling van bestemmingsplannen. Aan het ISP kunnen dan ook door burgers en bedrijven niet direct rechten worden ontleend. Het ISP is door de gemeenteraad van Waddinxveen op 1 februari 2006 vastgesteld.

Het ISP omvat:

  • Een inrichtingsschets voor de Zuidplaspolder op schaal 1:25.000
  • De hoofdstructuur voor groen, water en verkeer
  • Aantallen te bouwen woningen
  • Aantallen hectares voor bedrijventerreinen en glastuinbouw
  • Een visie op de financiering
  • Een visie op de ontwikkelingsorganisatie
  • Een fasering van het programma.

Het plangebied Zuidplas bestaat globaal uit de Zuidplaspolder, de bovenlanden langs de Hollandsche IJssel, de Eendragtspolder, de Tweemanspolder, Polder de Wilde Veenen en een zone ten westen van Waddinxveen. Het betreft het grondgebied van de Zuidplasgemeenten Gouda, Waddinxveen en Zuidplas.

De belangrijkste richtinggevende uitspraken voor het ruimtelijk beleid in de Zuidplas, zoals geformuleerd in de Interregionale Structuurvisie (vanuit de lagenbenadering) zijn voor zover betrekking op het noordelijke gebied:

  • Droogmakerijen (zoals de Zuidplas) lenen zich beter voor intensieve verstedelijking dan de veenweidegebieden.
  • Uitbreiding van de groenstructuur is in de Zuidvleugel nodig. De Rottewig vormt met de Eendragtspolder, de Tweemanspolder en Polder de Wilde Veenen met het Bentwoud een robuuste groene as. Aan de zuidkant wordt de groenstructuur gecompleteerd met de Krimpenerwaard, de Hollandsche IJssel en Hitland en het restveengebied van de Zuidplas.

Conclusie
De plankaart (figuur 6) kent drie lagen: 'groenblauw casco', 'infranetwerk' en 'occupatie'. Het plangebied is hierin aangeduid als 'groene zone' met de aanduiding 'regionale gebiedsontsluitende weg - optioneel' (zwart gestreepte lijn). De plannen hiervoor zijn, behoudens de infrastructuur, niet nader uitgewerkt. De uitgangspunten van het ISP zijn niet in het geding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Noordeinde124en126-0401_0009.png"
Figuur 6: Plankaart ISP. Plangebied met gele stip en zwarte pijl aangeduid.

4.3.2 Regionale Agenda Wonen

Midden-Holland is een aantrekkelijke woonregio waar belangrijke waarden met betrekking tot wonen, werken, ondernemen en recreëren van groot belang worden geacht voor de ontwikkeling van de Randstad als geheel. Met een centrale ligging in het (internationale) handelsnetwerk en bedrijvigheid is de regio een goede vestigingsplek voor huishoudens. Ook door de ligging nabij de regio’s Utrecht, Holland Rijnland en de metropoolregio Rotterdam – Den Haag. De kwaliteiten van de centrale ligging worden versterkt doordat de regio goed bereikbaar is met zowel openbaar vervoer als auto, bijvoorbeeld dankzij het Hoogwaardig Openbaar Vervoersnetwerk (HOV) in combinatie met de A12 en de A20. Het unieke landschap en het erfgoed in de regio maakt Midden-Holland tot een fijne plek om te wonen. Ook door een variatie in woonmilieus zoals stedelijke of dorps/landelijk wonen. Mensen hebben wat te kiezen.

Regionale samenwerking rond wonen in de regio Midden-Holland is wenselijk vanwege de sterke samenhang in de woningmarkten in dit gebied. De samenwerkende gemeenten ambiëren een actuele, kwalitatieve en toekomstbestendige woonagenda voor een goed functionerende woningmarkt op lokaal en regionaal niveau. Die ambities zijn verwoord in de Regionale Agenda Wonen Midden-Holland 2019. Deze agenda beoogt bij te dragen aan versterking van de kwaliteiten van de woonmilieus in de verschillende delen van de regio, aansluitend bij de behoefte aan woningen.

De woonagenda is ook bedoeld om ontwikkelende partijen duidelijkheid te geven over wat de gewenste soorten woningen zijn en zo te stimuleren dat de juiste plannen gerealiseerd worden. Dit in goede samenwerking met ontwikkelende partijen zoals woningcorporaties, commerciële marktpartijen en zorgpartijen. In de Regionale Agenda Wonen Midden-Holland 2019 is een vijftal belangrijke gezamenlijke thema’s geformuleerd:

  • gevarieerd woon- en leefklimaat
  • duurzaamheid
  • wonen en zorg
  • betaalbaarheid/toegankelijkheid
  • beschikbaarheid.

Per thema is de regionale ambitie beschreven, aangevuld met een actielijst als eerste aanzet voor een uitvoeringsprogramma. De praktijk van de woningmarkt vraagt flexibiliteit en bewegingsruimte binnen gedeelde kaders en drie opgaven die prioriteit moeten krijgen. In de Regionale Agenda Wonen Midden-Holland 2019 leggen de gemeenten de nadruk op tempoversnelling in de productie, een knellende mismatch tussen vraag en aanbod voor een aantal groepen op de woningmarkt. De derde opgave is die van onderscheidende woonmilieus. Elk woongebied in de regio kent een eigen karakter. De profielen tezamen geven de breedte van het aanbod van woningen in de regio Midden-Holland weer. De Regionale Agenda Wonen vormt het vertrekpunt voor een nieuwe, flexibeler methodiek voor de regionale afstemming van woningprogrammering en uitvoeringsprogramma. De Regionale Agenda Wonen is complementair aan lokale woonvisies.

Waddinxveen
Waddinxveen is sinds de jaren '80 uitgegroeid van een dorpskern langs de Gouwe naar een middelgrote gemeente met de daarbij behorende voorzieningen. De ligging langs de A12 Utrecht – Den Haag is daarvoor belangrijk. Daarnaast heeft Waddinxveen drie treinstations aan een hoogwaardig openbaar vervoersnetwerk. Aan de zuidwestzijde van de oude dorpskern is een nieuw centrum gerealiseerd. Zuidelijk daarvan is de woonwijk Park Triangel in aanbouw. Waddinxveen kent veel laagbouw, met aan de zuidrand een dorps en soms luxer woonmilieu. Het luxe woonmilieu is een onderscheidend aanbod, dat verder grotendeels ontbreekt in de regio.


Conclusie 
De nieuwbouw van twee woningen in de dure koopsector (vervangende nieuwbouw), levert een bijdrage aan het voorzien in de vraag naar woningen in Waddinxveen voor de doelgroep doorstromers. Volgens de afspraken hoeft dit plan gezien de omvang niet te worden afgestemd met de regio, omdat er alleen sprake is van vervangende nieuwbouw. Het plan is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Regionale Agenda Wonen.

4.4 Gemeentelijk beleid

4.4.1 Omgevingsvisie Waddinxveen 2050

De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 12 oktober 2022 de Omgevingsvisie Waddinxveen 2050 vastgesteld. Bij het opstellen van de omgevingsvisie zijn inwoners, bedrijven en andere organisaties betrokken.

Waarom een Omgevingsvisie?
Waddinxveen is in de afgelopen jaren flink gegroeid. Er wonen nu met meer dan 31.000 mensen in de gemeente. Tot 2050 wordt er (vanwege de lopende nieuwbouwprojecten) een flinke groei van de bevolking verwacht ten opzichte van 2020. Dit betekent nog al wat. Er zijn voldoende passende, betaalbare en toekomstbestendige woningen nodig. Om niet in de knel te komen met de maatschappelijke voorzieningen (zoals onderwijs, sport en zorg) of te maken te krijgen met vastlopend verkeer, is het van belang om goed na te denken over hoe Waddinxveen er in de toekomst uit moet zien. Hoe biedt de gemeente ook over 20 tot 30 jaar een mooie en prettige omgeving om te wonen, werken en onze vrije tijd door te brengen?

Tegelijkertijd wil de gemeente de natuur en biodiversiteit beschermen en herstellen terwijl we blijven recreëren in het landschap. Ook heeft de gemeente een grote klimaatopgave waar zij zich hard voor wil maken. Daarnaast veranderen de maatschappelijke verhoudingen en de rol van de overheid. Inwoners en bedrijven nemen steeds vaker zelf het initiatief om maatschappelijke en economische vraagstukken op te pakken. De vraagstukken zijn groot en kunnen niet los van elkaar gezien worden. Ze vragen samen meer ruimte dan zomaar beschikbaar is. De koers hiervoor wordt uitgezet in de omgevingsvisie.

Ambities voor de toekomst
De ontwikkeling van Waddinxveen heeft zich altijd gekenmerkt door een krachtdadige houding ten opzichte van de omstandigheden van haar omgeving. De historie laat zien dat het landschap van Waddinxveen altijd is veranderd door - en naar de hand is gezet van - haar inwoners, om in te spelen op de ontwikkelingen die op haar afkwamen. Ook nu komen er grote ontwikkelingen op haar af. En ook nu moet de gemeente, net als in het verleden, de moed hebben om ingrijpende keuzes te maken. Zo kan de brug (tegen wil en dank toch medebepalend voor de identiteit van Waddinxveen) worden geslagen tussen verleden en toekomst, tussen stad en land, tussen landschappen (hoog en laag, nat en droog) en tussen mensen onderling.

Het credo 'Waddinxveen; bruggen bouwen richting de toekomst' wordt verder uitgewerkt langs drie pijlers: 'Veelzijdig polderlandschap', 'Goed leven tussen stad en land' en 'Innovatieve knoop aan de Gouwe'. De belangrijkste ruimtelijke ingrepen zijn weergegeven op de integrale visiekaart Waddinxveen 2050. De arceringen en icoontjes op de kaart zijn indicatief en de locaties liggen nog niet overal vast. Het plangebied is hierin aangeduid als lintbebouwing ten noorden van een inmiddels aangelegde fietsroute, te weten het Jagtlustpad richting het Bentwoud (figuur 7).

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Noordeinde124en126-0401_0010.png" Figuur 7: Integrale visiekaart Waddinxveen 2050.

Koers per deelgebied
Op basis van de algemene koers, die voor de gemeente als geheel geldt, is per specifiek deelgebied een koers beschreven. Hierbij worden de gewenste gebiedskwaliteiten benoemd en zoveel mogelijk concrete ontwikkelingen. Waar relevant geeft de gemeente aan of kleinere locaties in dat deelgebied nog een afwijkende opgave hebben. De volgende deelgebieden worden onderscheiden:

  • Woonwijken (Woonkern);
  • Gouweplein centrum Waddinxveen en Sleutelkwartier (Woonkern);
  • Bedrijventerreinen (Bedrijvigheid);
  • Glastuinbouwgebieden (Bedrijvigheid)
  • Polders Achterof en Zuidplas;
  • Veenweidegebied: Polder Bloemendaal & de Voorofsche polder);
  • Recreatiegebieden Bentwoud, Gouwebos en 't Weegje (Buitengebied).

Polders Achterof en Zuidplas
Polder Achterof is het meest herkenbare agrarische buitengebied van Waddinxveen. De polder heeft een open landschap met weids uitzicht. De ondergrond en het gebruik van de bodem passen goed bij elkaar in dit gebied. De westzijde van de polder is een stiltegebied en Achterof is een telpost voor trekvogels. Gezien de veelheid aan activiteiten waarvoor ruimte gevonden moet worden en de schaarse ruimte in de Randstad en ook in Waddinxveen, liggen er meerdere ruimteclaims op dit gebied. Het gaat om de huidige agrarische functie, mogelijke natuurontwikkeling ter versterking van het Bentwoud, de komst van de verlengde Bentwoudlaan en mogelijke uitbreiding van de recreatiemogelijkheden. Het plangebied is hier ook aangeduid als lintbebouwing ten noorden van een fietsroute naar het Bentwoud (figuur 8).

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Noordeinde124en126-0401_0011.png" Figuur 8: Uitsnede kaart Achterof en Zuidplas.

Toetsing planinitiatief
Het plangebied ligt in de dorpsrand van het Noordeinde. De herontwikkeling van het perceel met twee woningen leidt tot een opwaardering van het bebouwingslint. Bij uitwerking van de plannen wordt rekening gehouden met klimaatadaptatie. In paragraaf 4.4.3 wordt hierop ingegaan. De daken van de woningen worden zoveel mogelijk voorzien van zonnepanelen. Deze ontwikkeling is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie.

Conclusie
De Omgevingsvisie Waddinxveen 2050 heeft een hoog abstractieniveau, waarin ontwikkelingen niet op perceelsniveau zijn beschreven. Het plangebied ligt in de dorpsrand tegenover bestaand dorpsgebied. Op de Visiekaart Waddinxveen 2050 is het plangebied aangeduid als lintbebouwing. De ontwikkeling is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie.

4.4.2 Woonzorgvisie Waddinxveen 2035

De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 14 december 2022 de Woonzorgvisie Waddinxveen 2035 vastgesteld. Deze visie vervangt de Woonvisie 2018-2022 en bevat plannen en doelstellingen voor wonen (met zorg) voor de periode van 2023 tot 2035. De woonzorgvisie is richtinggevend voor de gemeente bij de ontwikkeling van Waddinxveen: voor nieuwbouw, voor de aanpassingen in de bestaande woningvoorraad en voor de leefbaarheid. Het vormt onder andere de grondslag voor prestatieafspraken tussen gemeente, woningcorporatie en huurdersorganisatie.
Bij de woonzorgvisie hoort een uitvoeringsprogramma waarin maatregelen zijn opgenomen om de woonzorgvisie uit te voeren voor de periode van 2023-2027. Dit is de verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders. Het college kan het uitvoeringsprogramma op ieder moment aanpassen wanneer er nieuwe maatregelen mogelijk en/of nodig zijn om (meer) doelen uit de woonzorgvisie te realiseren.

De woonzorgvisie gaat in op de duurzame huisvesting van de huidige en toekomstige inwoners, met of zonder een zorgvraag. De gemeente richt zich op de huizen die er al staan en op de nieuwbouwwoningen die nog moeten worden gebouwd. Zij beschouwt de visie als richtinggevend kompas, zonder dat het in beton gegoten is: ruimte voor flexibiliteit en creativiteit. De gemeente kijkt naar de hoeveelheid woningen die zij willen bouwen met oog voor de kwalitatieve kant. De gemeente wil dat de huizen betaalbaar, passend, toegankelijk en duurzaam zijn. Dat allemaal in een gezonde, schone en leefbare woonomgeving.

Deze woonzorgvisie is een nadere uitwerking – een programma – van het thema Wonen van de Omgevingsvisie. Het doel van deze woonzorgvisie is richting te geven aan het beleid rondom wonen (de woning en de woonomgeving) en de woningmarkt in Waddinxveen. Deze richting bestaat uit een hoofddoelstelling en vier pijlers die hier vorm aan geven.

Hoofddoelstelling: Prettig wonen voor iedereen
Waddinxveen kenmerkt zich door de ligging op het grensvlak van stad en platteland: zowel de zuidelijke Randstad als het Groene Hart liggen om de hoek. Het voorzieningenniveau is over het algemeen goed, de sociale cohesie is sterk, er is werkgelegenheid en de gemeente heeft een rijk verenigingsleven.
Waddinxveen is goed bereikbaar. De gemeente ligt binnen het HOV-net (Hoogwaardig Openbaar Vervoer) van de zuidelijke Randstad. Er zijn sinds 2018 drie treinstations en de A12 en A20 zijn vlakbij. Dit alles maakt Waddinxveen een aantrekkelijke woongemeente. De ambitie van de gemeente is dat iedereen die dat wil, op een prettige en geschikte manier moet kunnen wonen in Waddinxveen. De hoofddoelstelling is:

Om te zorgen dat iedereen prettig kan wonen, moet de woningvoorraad zo goed mogelijk aansluiten bij de woningbehoefte. Ouderen en kwetsbare inwoners die hulp nodig hebben bij het vinden van passende huisvesting of om toekomstbestendig te zijn, moeten worden ondersteund. Ook moet er een goede balans zijn tussen woningbouw, ruimte voor maatschappelijke voorzieningen en een groene, gezonde leefomgeving.

De hoofddoelstelling is uitwerkt in vier pijlers.

Pijler 1: Beschikbaarheid en betaalbaarheid
Passende huisvesting kan voor iedereen iets anders betekenen. Er moet variatie zijn in het woningaanbod, zodat ongeacht inkomen, leefstijl en huishoudenssamenstelling iedereen een geschikte woning kan vinden in Waddinxveen. De gemeente wil kwaliteit en diversiteit bieden, zowel qua woning als qua woonomgeving.
Voor sommige doelgroepen zijn onvoldoende woningen beschikbaar. Om deze doelgroepen te kunnen bedienen, zal de woningvoorraad moeten worden aangepast en aangevuld. Hierbij gaat het zowel om aanpassingen in de bestaande voorraad als om de toevoeging van nieuwbouwwoningen. Belangrijk is de bouw van levensloopgeschikte woningen. Dit zijn zelfstandige woningen die geschikt zijn (te maken) voor bewoning in alle levensfasen, met minimale fysieke inspanning en minimale kans op ongevallen. Levensloopgeschiktheid in nieuwe woningen is tot op zekere hoogte gewaarborgd via het Bouwbesluit.

Pijler 2: Wonen, zorg en welzijn
Prettig wonen hangt voor een groot deel samen met contact hebben met anderen en wordt ondersteund wanneer dat nodig is. Dit gebeurt steeds vaker in de eigen woning. Er moeten voldoende woningen beschikbaar zijn waarin dit kan, zowel in de bestaande voorraad als nieuwbouw. Ook de openbare ruimte en voorzieningen in de nabije omgeving kunnen ontmoeting en welbevinden stimuleren. Samenwerking met de samenleving en andere partners, zoals zorginstellingen, welzijnsorganisaties en scholen staat voorop.

Pijler 3: Duurzaamheid
Duurzaamheid is een belangrijk thema. Bij woonbeslissingen wordt duurzaamheid steeds vaker meegenomen door kopers/bewoners. Duurzaamheid speelt zowel een rol in de bestaande woningvoorraad als in de nieuwbouw. Door duurzaam te bouwen, bestaande woningen te verduurzamen en door bewustwording en gedragsverandering van bewoners, wordt bijgedragen aan energiebesparing in woningen. Duurzaamheid is echter meer dan energiebesparing. Het draagt ook bij aan het voorkomen van uitputting van fossiele brandstoffen, een beter woon- en leefklimaat, een gezond binnenmilieu en gezondheid van bewoners.

Pijler 4 Leefbaarheid
Prettig wonen hangt voor een belangrijk deel samen met leefbaarheid. Iedereen moet zich prettig en veilig kunnen voelen in de eigen directe woonomgeving. De gemeente wil dat de woonomgeving bijdraagt aan de gezondheid van onze inwoners. In Waddinxveen is de leefbaarheid goed. Doel is om dit zo te houden en op wijk- en buurtniveau in te zetten op de punten waar verbetering nodig is en zoveel mogelijk samen en met de bewoners. Leefbaarheid is niet alleen fysiek. De gemeente wil dat de sociale cohesie in de buurten en wijken wordt bevorderd, zodat eenzaamheid kan worden voorkomen.

De pijlers zijn uitgewerkt in ambities. Hieronder is een opsomming van de ambities opgenomen.

"Ambitie pijler 1

  • We gaan door met het bouwen van voldoende woningen, op de juiste plekken en in de juiste kwaliteiten, passend bij het dorp.
  • We geven prioriteit aan betaalbare (huur)woningen en levensloopgeschikte woningen in alle wijken van de gemeente.
  • We geven prioriteit aan nieuwbouwwoningen die de doorstroming binnen Waddinxveen bevorderen: middeldure huurwoningen, betaalbare koopwoningen en appartementen.
  • We hebben oog voor de specifieke wensen van de verschillende doelgroepen zoals arbeidsmigranten, statushouders, woonwagenbewoners, jongeren, starters, woningzoekenden met een sociaal inkomen, middeninkomens en ouderen. De koppeling tussen wonen en zorg is hierbij belangrijk (pijler 2).

Ambitie pijler 2

  • We streven naar een toename van het nu nog beperkte aantal woningen dat geschikt is om langer thuis te kunnen blijven wonen voor aandachtsgroepen. De opgave ligt in de bestaande woningen én nieuwbouw, in relatie tot de locatie, het voorzieningenniveau en een geschikte inrichting van de buitenruimte.
  • We faciliteren de ouderen die lang zelfstandig willen blijven wonen én we faciliteren de ouderen die willen verhuizen naar een meer passende woning. Dit is vaak maatwerk.

Ambitie pijler 3

  • We gaan door met het verduurzamen van de bestaande woningvoorraad en woongebieden.
  • In 2030 moet een kleine 2.000 woningen aardgasvrij zijn. We willen 600 woningen geïsoleerd, klimaatbestendig en natuurinclusief hebben.
  • We voeren het convenant 'Klimaatadaptief bouwen' uit.
  • We bouwen circulair en natuurinclusief.
  • We steunen duurzame initiatieven van inwoners.

Ambitie pijler 4

  • We verbeteren de leefbaarheid in Waddinxveen waar nodig.
  • We verbeteren de leefomgeving qua groen/biodiversiteit bij reconstructies.
  • We bevorderen sociale veiligheid in de wijken met (keten)partners en faciliteren leefbaarheidsinitiatieven van inwoners."

Uitvoeringsprogramma
In de woonzorgvisie staan de ambities van de gemeente voor de lange termijn. In het uitvoeringsprogramma is aangegeven welke maatregelen de komende jaren, 2023 tot en met 2027, worden genomen om de ambities uit de woonzorgvisie te realiseren.

Toetsing planinitiatief
Het oprichten van twee woningen (vervangende nieuwbouw) is in overeenstemming met de uitgangspunten in de Woonzorgvisie. Het plan levert een bijdrage aan het voorzien in de behoefte aan voldoende woningen in de woonmilieus voor de doelgroep doorstromers (gezinnen met kinderen). De leefbaarheid van dit gebied wordt opgewaardeerd door woningen te realiseren die qua uitstraling aansluiting zoeken bij de omgeving. Duurzaamheid wordt beschreven in paragraaf 4.4.3.

Conclusie
Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de vastgestelde uitgangspunten in de Woonzorgvisie. Bij uitwerking van de bouwplannen wordt rekening gehouden met de ambitie om duurzame woningen te realiseren.

4.4.3 Duurzaamheid

Duurzaam bouwen is gericht op het beperken van de negatieve milieuaspecten in alle fasen van het bouwproces en het vergroten van de ecologische kwaliteiten van het leefgebied. Concreet betekent dit het terugdringen van verspilling van grondstoffen, het verlengen van de levensduur, een flexibeler gebruik van gebouwen en het bevorderen van hergebruik van bouwmaterialen. Bij duurzaam bouwen wordt o.a. aandacht besteed aan waterhuishoudingsaspecten (bijvoorbeeld afkoppeling hemelwaterafvoer), stedenbouwkundige structuur (bijvoorbeeld oriëntatie van gebouwen op de zon) en bouwkundige maatregelen (isolatie, zonnecollectoren, materiaalgebruik).


Klimaatadaptatie, biodiversiteit en risico's van klimaatverandering
De gemeente Waddinxveen heeft de Verdiepende studie Klimaatadaptatie en Biodiversiteit laten uitvoeren met een doorkijk naar het thema gezondheid. Het doel van deze verdiepende studie is om de opgaven van deze thema's voor de gemeente Waddinxveen duidelijk in beeld te brengen. De doelstelling van dit project is:

  • 1. De verdiepende studie moet inzicht geven in de opgave klimaatadaptatie en biodiversiteit in Waddinxveen op basis van (bestaande) feitelijke informatie (weten, willen, werken).
  • 2. Uit de studie moet duidelijk worden naar welke concrete doelen Waddinxveen moet streven in 2050 én welke inspanningen er verricht moeten worden t/m 2026 om de doelstelling van 2050 te halen.

Het klimaat in Nederland verandert. Het KNMI verwacht hogere temperaturen, nattere winters, hevigere regenbuien en kans op drogere zomers. Dit heeft gevolgen voor de stedelijke omgeving, bijvoorbeeld door meer wateroverlast, grondwaterproblemen en hittestress. Landelijk zijn deze problemen geadresseerd in de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie. Overheden kunnen hierbij gebruik maken van het stappenplan “weten, willen en werken” om het proces naar een klimaatbestendige inrichting vorm te kunnen geven.

De gevolgen van de risico's van klimaatverandering zijn beoordeeld voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte. Hierbij is gebruik gemaakt van de klimaateffectatlas van Zuid-Holland.

Wateroverlast door overvloedige neerslag
In het plangebied is er op de Kaart Wateroverlast geen knelpunt voor wateroverlast. Er zijn geen maatregelen nodig om wateroverlast tegen te gaan. Bij de nieuwbouw is het zaak het vloerpeil zo te kiezen dat het water van het erf niet naar binnen loopt. Er zijn verder geen maatregelen nodig om wateroverlast tegen te gaan.

Overstroming
In het plangebied is er op de Kaart Overstromingsbeeld geen knelpunt voor overstroming. Er zijn geen maatregelen nodig om wateroverlast tegen te gaan.

Hitte
Hittestress is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt, die onaangenaam en zelfs schadelijk kan zijn voor mens en dier. De aanwezigheid van veel verhard oppervlak verhoogt de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl de aanwezigheid van schaduw en groen deze verlaagt. Het verhard oppervlak wordt in geringe mate vergroot. De erven worden groen ingericht met beplanting en bomen. Per woning wordt er tenminste één boom geplant. Parkeren van auto's vindt zo mogelijk plaats op gestabiliseerd gras. In het plangebied is er op de Kaart Hitte geen knelpunt voor hittestress. Er zijn geen maatregelen nodig om wateroverlast tegen te gaan.

Droogte
In het plangebied is er geen sprake van extra bodemdaling door droogte. De woningen dalen niet, omdat de palen van beton zijn. Er zijn uit dien hoofde geen beperkingen.

Toetsing planinitiatief
Dit bestemmingsplan maakt de vervangende nieuwbouw van twee woningen mogelijk. Zo worden de woningen niet meer aangesloten op het aardgasnet en krijgen deze zonnepanelen. Er zal zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van duurzame bouwmaterialen. Voldaan wordt aan de eisen van de BENG. Geen gebruik wordt gemaakt van uitloogbare bouwmetalen. Overige nader te onderzoeken maatregelen zijn onder andere: warmteopslag in de grond of warmtepomp via de lucht; warmteterugwinning vanuit ventilatie en vanuit douchewater; opvang en recyclen van regenwater.

Verder worden de woningen natuur-inclusief gebouwd met het oog op de biodiversiteit. Zo worden voorzieningen geïntegreerd voor vleermuizen (metselen vleermuiskasten in de spouw en het plaatsen van een aantal vleermuiskasten op de zijgevels).

Ondanks dat er geen wateroverlast is wordt in de specifieke gebruiksregels van het bestemmingsplan vastgelegd dat het verhard oppervlak van de tuin niet groter mag zijn dan 50%. Dit wordt geborgd in artikel 3.4.4 van de specifieke gebruiksregels. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het opvangen van (piek)buien. Ook wordt de de twee bouwpercelen gelegen sloot gehandhaafd met natuurvriendelijke oevers en oeverplantenvegetatie zoals weergegeven in figuur 4. Aanplant van bomen en groenstructuur hebben naast de esthetische waarde ook een toegevoegde waarde voor de biodiversiteit en het microklimaat op het erf. Zo heeft de schaduwwerking een verkoelend effect en voorkomt hittestress. Deze maatregelen dragen bij aan de bevordering van de biodiversiteit.

Conclusie 
De woningen worden duurzaam gebouwd. Bij uitwerking van de bouwplannen wordt rekening gehouden met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten op het gebied van Duurzaam bouwen, klimaatadaptatie en biodiversiteit overeenkomstig de hiervoor genoemde maatregelen.

4.4.4 Mobiliteitsplan 2013-2020

De gemeenteraad heeft op 26 juni 2013 het Mobiliteitsplan Waddinxveen 2013-2020 vastgesteld. Het mobiliteitsplan vervangt de verkeersvisie Waddinxveen uit 2006 en de second opinion uit 2007. In het mobiliteitsplan staan ambities: een optimaal bereikbaar Waddinxveen, verkeersveiligheid voor alle verkeersdeelnemers, stimuleren van het fietsgebruik en het optimaal benutten van het openbaar vervoer. Het doel van het mobiliteitsplan is om deze vier ambities te realiseren. Hiervoor is een routeboek opgesteld. Dit routeboek bestaat uit beleidskaders die gebruikt worden bij diverse (integrale) ontwikkelingen en maatregelen waarmee de grootste knelpunten aangepakt kunnen worden. Het mobiliteitsplan is een sectorale uitwerking van de in oktober 2012 vastgestelde “Structuurvisie Waddinxveen 2030”. In het mobiliteitsplan staan geen detailuitwerkingen. Hiervoor worden, waar relevant, aparte plannen gemaakt. Nieuwe ontwikkelingen worden getoetst aan acht beleidskaders om de ambities te realiseren. Zowel de beleidskaders als de maatregelen om de knelpunten te reduceren hebben als doel om de mobiliteitsambities te realiseren. De beleidskaders worden gebruikt in het integrale afwegingskader bij nieuwe ontwikkelingen.

Conclusie
De twee woningen worden op het Noordeinde ontsloten. Vanaf het Noordeinde is het centrum van Waddinxveen en het rijkswegennet via de N455 bereikbaar. Deze ontwikkeling is niet strijdig met de uitgangspunten van het Mobiliteitsplan.

Hoofdstuk 5 Water

5.1 Inleiding

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding.
Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.

5.2 Beleidskader rijk, provincie en gemeente

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's.

5.2.1 Rijk

Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid en is, voor wat betreft de ruimtelijke aspecten, een structuurvisie zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar actualiseert. Het NWP2 geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Het NWP2 richt zich op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.
In het Nationaal Waterplan zijn de maatregelen benoemd die worden genomen om de verschillende doelen te bereiken. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal:

  • Nederland blijft de veiligste delta in de wereld;
  • Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater;
  • Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht;
  • Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement;
  • Nederlanders leven waterbewust.

Het waterbeleid zoals geformuleerd in het NWP2 werkt door op provinciaal en regionaal niveau, om zo te komen tot gebiedsgericht beleid. Via het provinciaal en gemeentelijk waterbeleid en het beleid van de waterschappen dient het rijksbeleid zoals geformuleerd in het NWP door te werken tot op bestemmingsplanniveau. De watertoets, die is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening, blijft een belangrijk instrument om de waterbeheerder vroegtijdig bij ruimtelijke planprocessen te betrekken. Daarnaast is in het NWP2 aangegeven dat aandacht moet worden geschonken aan de planologische borging van beschermingszones van primaire waterkeringen, door deze vast te leggen in bestemmingsplannen. Eén en ander is op rijksniveau in het Barro vastgelegd.

5.2.2 Provincie

Regionaal waterprogramma Zuid Holland 2022-2027
Provinciale Staten hebben op 9 maart 2022 het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. In dit programma staat wat de provincie doet om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen die betrekking hebben op water (verplichte onderdelen). Het gaat om de volgende richtlijnen:

  • Kaderrichtlijn Water;
  • - Grondwaterrichtlijn;
  • - Drinkwaterrichtlijn;
  • - Richtlijn Overstromingsrisico’s;
  • - Zwemwaterrichtlijn.

Naast deze verplichte onderdelen bevat het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 ook niet-verplichte onderwerpen, zoals zoetwatervoorziening, wateroverlast, vaarwegbeheer en waterrecreatie. Hiermee laat provincie Zuid-Holland zien hoe ze samen met haar partners werkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland.

Het regionaal waterprogramma is zelfbindend. Dat betekent dat alleen Gedeputeerde Staten eraan gebonden zijn. Toch heeft het regionaal waterprogramma ook gevolgen voor andere overheden. Die zijn wettelijk verplicht rekening te houden met de verplichte onderdelen van het regionaal waterprogramma. De binding van andere overheden aan de niet-verplichte onderdelen is waar nodig geregeld via de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

5.2.3 Gemeente

Het gemeentelijke beleid is vastgelegd in het Waterplan Boskoop en Waddinxveen (februari 2010). Dit Waterplan is een gezamenlijk plan van de gemeenten Waddinxveen en Boskoop, het hoogheemraadschap van Rijnland en het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Deze partijen hebben het Waterplan opgesteld om knelpunten in het watersysteem aan te pakken en kansen op verbeteringen te benutten. Een opgave voor het Waterplan is te voorzien in de lokale implementatie van het nieuwe waterbeleid (Kaderrichtlijn Water, Nationaal Bestuursakkoord Water). Ook willen de gemeenten en de hoogheemraadschappen met het Waterplan zorgen voor een optimale, gezamenlijke aanpak van de wateropgaven. De verwachting is dat hierdoor kostenefficiënter kan worden gewerkt. Het waterplan focust op de maatregelen in het bebouwde gebied.

Het waterplan heeft tot doel een integrale visie op te stellen over alle aspecten van het water (met uitzondering van drinkwater en zwembaden) en het implementeren van duurzaam waterbeleid in het bebouwd gebied van beide gemeenten.

Het waterplan resulteert uiteindelijk in een maatregelenpakket om te komen tot:

  • een veilig en robuust watersysteem;
  • het voorkomen van wateroverlast en watertekort;
  • een goede waterkwaliteit en een ecologisch gezond watersysteem;
  • het benutten van mogelijkheden voor beleving en recreatie;
  • het optimaliseren van beheer en onderhoud;
  • het optimaliseren van communicatie binnen en tussen partijen.

5.3 Beleid hoogheemraadschap van Rijnland

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit schap is in het gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bouwmogelijkheden op het waterbeheer. De waterbeheerder voert de Watertoets uit. De Watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. De opmerkingen van de waterbeheerder worden verwerkt in deze waterparagraaf.

Taken en bevoegdheden van Rijnland als waterbeheerder
Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water.
Wat betreft de veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Voor voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken, zoals gemalen, duikers en stuwen, op orde zijn en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering.
Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties.
In het Waterbeheersplan (WBP6) geeft Rijnland richting aan het waterbeheer in de periode 2022 – 2028. Op 8 februari 2022 is het WBP6 'Water wijst de weg' vastgesteld (https://wbp6rijnland.nl/). In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol.

Keur en beleidsregels
Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

  • waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden),
  • watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken),
  • andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen),
  • de bodem van kwelgevoelige gebieden,

maar ook aan:

  • onttrekken en lozen van grondwater,
  • het aanbrengen van verhard oppervlak.

In 2020 is de Keur 2020 in werking getreden met daarbij horende uitvoeringsregels. De Keur gaat uit van een “ja, tenzij” benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een watervergunning vereist (zie http://www.rijnland.net/regels/keur-en-uitvoeringsregels). De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Raadpleeg daarvoor de vergunningencheck via www.rijnland.net.

Hemelwater
Indien een toename van het verhard oppervlak plaats vindt, dient de initiatiefnemer een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen.

Riolering en afkoppelen
Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijv. door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.
De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.

5.4 Waterhuishouding

Beschrijving watersysteem
Het plangebied bestaat voornamelijk uit jonge zeekleigronden. De maaiveldhoogte loopt naar het westen toe op. In het oostelijk deel ligt het maaiveld rond de 6,00 m beneden NAP met enkele plekken waar de maaiveldhoogte nog iets lager dan 6,00 m beneden NAP ligt.
De grondwatertrappen houden verband met de maaiveldhoogte. Het plangebied valt binnen grondwatertrap III. Dit houdt in dat de hoogste grondwaterstand dieper ligt dan 40 cm-mv (beneden maaiveld) en de laagste grondwaterstand tussen de 80-120 cm-mv.

Veiligheid en waterkeringen
Planologisch moeten waterkeringen worden beschermd tegen ongewenste ontwikkelingen door de waterkeringen met een aparte dubbelbestemming te borgen. Concreet betekent dit dat op de verbeelding de beschermingszone wordt bestemd als 'Waterstaat - Waterkering'. In de voorwaarden behorende bij deze dubbelbestemming geldt de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' als primaire bestemming. Daarnaast moet bij bouwplannen binnen deze dubbelbestemming de waterkeringbeheerder worden geraadpleegd. Het verplicht opnemen van de waterkering in een bestemmingsplan is juridisch geregeld in de Provinciale Omgevingsverordening.

Op de Legger regionale keringen (2018) ligt de woning in de eerste lijn bebouwing in de kern- en beschermingszone van de regionale kering. De woning in de tweede lijn bebouwing ligt in de buiten- beschermingszone (figuur 9). In verband hiermede wordt conform het geldende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. Voor het bouwen binnen de kern- en beschermingszone wordt tijdig een watervergunning aangevraagd bij het Hoogheemraadschap. Met inachtneming hiervan zijn er geen beperkingen voor het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Noordeinde124en126-0401_0012.png" Figuur 9: Uitsnede Legger regionale keringen.

Oppervlaktewater
Op de Legger oppervlaktewater (2018) liggen er aan noord- en zuidzijde van het plangebied overige watergangen. Ook tussen de twee nieuwe bouwpercelen ligt overig oppervlaktewater (figuur 10). Binnen de beschermingszone van 2 meter wordt niet gebouwd. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Noordeinde124en126-0401_0013.png" Figuur 10: Uitsnede Legger oppervlaktewater (2018). Plangebied blauw gestippeld omkaderd.


Beschrijving waterkwantiteit
Waterkwantiteit
Het plangebied, groot 1.985 m². Op het perceel staan twee woningen met bijgebouwen met een oppervlakte van afgerond 240 m². In de nieuwe situatie worden twee vrijstaande woningen teruggebouwd met een oppervlakte van circa 360 m². Het verhard oppervlak zal met circa 120 m² toenemen, zodat op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap geen watercompensatie nodig is.

Watersysteemkwaliteit en ecologie
Voor de nieuwe bebouwing zal gebruik worden gemaakt van niet-uitloogbare bouwmaterialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen.

Afvalwaterketen en riolering
Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • hemelwater vasthouden voor benutting;
  • (in-)filtratie van afstromend hemelwater;
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;
  • afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.

Het hemelwater van de nieuwe woningen zal op het oppervlaktewater worden geloosd. Voor vergunningplichtige activiteiten zal tijdig een Waterwetvergunning worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap.

5.4.1 Wateradvies

De planontwikkeling voor het oprichten van twee vrijstaande woningen ter vervanging van de twee aaneengebouwde woning is om advies voorgelegd aan het Hoogheemraadschap. Bij brief van 25 april 2023 heeft de beheerder van de waterkering aangegeven geen bezwaren te hebben tegen deze planontwikkeling.

Het ontwerpbestemmingsplan is om advies voorgelegd aan het Hoogheemraadschap, omdat er een waterstaatkundig belang is. Het hoogheemraadschap heeft geen advies uitgebracht.

5.4.2 Conclusie

Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen deze planontwikkeling.

Hoofdstuk 6 Milieu en omgevingsaspecten

De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit plan. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.

6.1 Milieu

De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit en Externe veiligheid.

6.1.1 M.E.R.

Wettelijk kader
In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Deze beoordeling moet ook plaatsvinden als de omvang onder de drempelwaarde valt.

De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994. In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven.


Onderzoek/ beoordeling
Dit project valt mogelijk onder categorie D 11.2, stedelijk ontwikkelingsproject uit Bijlage D. In dit bestemmingsplan wordt alleen de vervangende nieuwbouw van twee woningen mogelijk gemaakt. De ontwikkeling op deze plaats is om de volgende redenen niet te beschouwen als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.:

  • fysieke wijziging: deze is beperkt, omdat er alsprake is van de bestemming 'Wonen' waar vijf woningen zijn toegestaan. Het aantal woningen neemt niet toe.
  • lokale context: het bebouwingslint blijft gehandhaafd door herbouw van een woning in de eerste lijn en een woning in de tweede lijn bebouwing.
  • planologische mogelijkheden: de gronden zijn al in het geldende bestemmingsplan bestemd voor Wonen. Er vindt alleen een aanpassing van de bouwvlakken plaats, waarbij gelijktijdig de functieaanduiding 'aaneengesloten' wordt geschrapt.

Er is geen m.e.r.-beoordeling nodig, omdat een functie-aanpassing volgens het Besluit m.e.r. niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. De fysieke wijziging is beperkt, omdat er alleen sprake is van de vervangende nieuwbouw van twee woningen. Indien een ontwikkeling niet voorkomt op de C en D lijst van het Besluit m.e.r. kan een m.e.r.-beoordeling achterwege worden gelaten.

Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig, en dus ook niet m.e.r.-plichtig. Deze fysieke wijziging is beperkt, omdat in het plangebied alleen een bestaande woning van functie wijzigt zonder dat er nieuwe verstening plaatsvindt. Zoals de hieronder beschreven milieuparagrafen en -onderzoeken aantonen heeft het bestemmingsplan ook om andere redenen dan de omvang (zoals bijvoorbeeld de aard van de ontwikkeling of een ligging nabij een gevoelig gebied) geen significante nadelige gevolgen voor het milieu.

6.1.2 Milieuzonering

Wettelijk kader
Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009).

De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 6.1 vermeld.

Tabel 6.1: Richtafstanden en omgevingstype.

Milieucategorie   Richtafstand tot omgevingstype rustig buitengebied   Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  

Onderzoek/ beoordeling
Aan het Noordeinde komen in de omgeving naast woningen ook agrarische bedrijven en niet-agrarische functies voor. Voorts ligt het plangebied aan een gebiedsontsluitingsweg, zodat er sprake is van een gebied met functiemenging. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandstap kunnen worden verminderd (tabel 6.1). Deze richtafstand geldt met name voor het onderdeel geluid.

Met behulp van het inrichtingenbestand is geïnventariseerd welke activiteiten relevant kunnen zijn voor de twee te vervangen woningen. Voor het bepalen van de milieuzones is uitgegaan van de afstandnormen op basis van de VNG-richtlijn. Uit deze inventarisatie is gebleken dat er ten zuiden van het plangebied een sierteeltbedrijf is gevestigd aan het Noordeinde 122c. Het agrarisch bouwvlak ligt op circa 90 meter afstand. Het sierteeltbedrijf is inmiddels gesaneerd.
Verder zijn er binnen een zone van 100 meter van het plangebied geen milieubelastende bedrijven gevestigd. Dit betekent dat deze bedrijven niet worden belemmerd in de bedrijfsvoering. Andersom geredeneerd is voor de bewoners van de twee nieuwe woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Conclusie
Uit de inventarisatie is gebleken dat er geen relevante milieubelastende activiteiten in de nabijheid van het plangebied zijn gevestigd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de beoogde activiteiten binnen het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zullen opleveren. De woningen hebben een goed woon- en leefklimaat. Vanuit milieuzonering bestaan er geen bezwaren tegen dit bestemmingsplan.

6.1.3 Geluid
6.1.3.1 Wegverkeerslawaai

Wettelijk kader
Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij deze binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. Deze wegen hebben een zone. Dit is een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden, voor zover sprake is van gevoelige functies. De grootte van de zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Buitenstedelijk is het gebied dat buiten de bebouwde kom is gelegen en het gebied binnen de bebouwde kom voor zover liggend langs een autosnelweg. Het overige gebied is binnenstedelijk.

Onderzoek/ beoordeling
De relevante wegen in de directe omgeving van het plangebied zijn het Noordeinde en de Snijdelwijklaan. Op deze wegen is de maximum snelheid 50 km/h. De wegen zijn binnenstedelijk en hebben een zonebreedte van 200 meter. In deze situatie is sprake van bestaande wegen en nieuwe woningen. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe woningen (vervangende nieuwbouw) bedraagt (inclusief aftrek) 48 (dB) Lden met een maximale ontheffingswaarde van 63 (dB) Lden. Indien de berekende belasting de genoemde waarde overschrijdt, dient in eerste instantie onderzocht te worden of maatregelen mogelijk zijn die de geluidsbelasting verlagen tot de voorkeursgrenswaarde of minder.
In verband met het vorenstaande is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Cauberg Huygen B.V. te Rotterdam (rapport van 22 juni 2023, referentie 10034-58114-02, Bijlage 2). Uit de berekeningen blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 (dB) Lden ten gevolge van het Noordeinde wordt overschreden. De maximale waarde bedraagt na 5 dB aftrek volgens artikel 110g van de Wet geluidhinder vanwege het Noordeinde 57 dB voor de oostelijk gelegen woning en 50 dB voor de westelijk gelegen woning. Vanwege de kleinschaligheid van het project zijn maatregelen aan de bron en in de overdracht niet financieel doelmatig. De woningen hebben een geluidluwe zijde en buitenruimte aan de achtergevel. Verder voldoen de woningen aan de hogere waarden beleid van de gemeente Waddinxveen.

Conclusie
Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel wegverkeerslawaai, bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling. Het ontwerpbesluit Hogere waarden Wgh heeft gelijktijdig met de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn geen mondelinge en/of schriftelijke zienswijzen ingediend. Het besluit Hogere waarden Wgh is opgenomen in Bijlage 3.

6.1.3.2 Spoorweglawaai

Wettelijk kader
Op 1 juli 2012 zijn de “spelregels” voor hoofdspoorwegen gewijzigd. Middels de vaststelling van geluidproductieplafonds (gpp’s) is een grens voor de maximale optredende geluidniveaus voor langs Rijksinfrastructuur vastgelegd. De bij vaststelling gehanteerde gegevens zijn vastgelegd in het bronregister. Voor de beoordeling van een plan blijft de Wgh van toepassing maar dient gebruik te worden gemaakt van de brongegevens uit het register.

Onderzoek/ beoordeling
De planontwikkeling ligt ruim buiten de onderzoekszone van 100 meter van de spoorlijn Gouda - Alphen aan den Rijn (trajectnummer: 521). Er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder.

Conclusie
Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel spoorweglawaai, bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling.

6.1.3.3 Industrielawaai

Wettelijk kader
Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform artikel 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (artikel 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan.

Onderzoek/ beoordeling
Bedrijven(terreinen) kunnen beperkingen opleggen aan nieuwe gevoelige functies, waaronder wonen, in verband met een geluidzone. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de richtafstanden uit de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (zie hiervoor paragraaf 6.1.2). In de nabijheid van het plangebied liggen geen gezoneerde bedrijventerreinen. Dit betekent dat er vanuit industrielawaai geen beperkingen zijn.

Conclusie
Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel industrielawaai, bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling.

6.1.4 Bodem

Wettelijk kader
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.

De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft het lokaal beleid voor het uitvoeren van bodemonderzoeken in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geactualiseerd. Het beleid is vastgelegd in de 'Bodemkwaliteitskaart Midden-Holland 2022' en de 'Nota bodembeheer Midden-Holland 2023'. De (ontwerp) beleidsregels hebben burgemeester en wethouders van Waddinxveen op 4 april 2023 vastgesteld.

Onderzoek/ beoordeling
In verband met deze planontwikkeling is een bodemonderzoek overeenkomstig NEN 5725 uitgevoerd Hoste Milieutechniek B.V. te Hazerswoude-Dorp (rapport van 28 juni 2023, kenmerk U23-0528, Bijlage 4). Op basis van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd (overgenomen uit rapport).

De onderzoekslocatie betreft twee percelen aan de Noordeinde 124-126 (A-1.407 en A-1.404). Op het voorste perceel staat een twee-onder-één-kap woning en het perceel daarachter is een schapenweide omgeven door enkele slootjes. Vanwege de herinrichting worden de bestaande woningen/ opstallen gesloopt. De nieuwbouw en bijkomstige herinrichting betreft beide percelen.

Resultaten
Op de locatie rust geen verhoogde archeologische verwachtingswaarde waarvoor een lokaal beleid wordt gehanteerd. Op de locatie zijn weinig bijzonderheden (bodembedreigende activiteiten) te benoemen behalve hoogteverschillen en twee vroeger gedempte sloten. De locatie is gelegen in een zone met speciale aanduiding “diffuse spoed” – verkennend bodemonderzoek vereist voor functie wonen met tuin;. De locatie is tevens gelegen in het aandachtsgebied met betrekking tot bodemlood (ODMH).

Op basis van voorgaand onderzoek in de directe omgeving van de locatie zijn over het algemeen ter plaatse hooguit lichte verontreinigingen te verwachten in grond en grondwater. Van eventuele ophoging van de locatie in het verleden zijn geen gegevens bekend. Volgens de regionale bodemkwaliteitskaart van ODMH is de ontgravingskwaliteit van de bovengrond van de locatie klasse wonen en van de ondergrond klasse ‘Landbouw/natuur’. Inzake PFOA is de locatie niet gelegen in een zone met verhoogde achtergrondgehalten (PFAS-zone 3). In de zone geldt een onderzoeksplicht (verkennend bodemonderzoek) voor de bestemming “wonen met tuin”.

Conclusie en aanbeveling
Geconcludeerd wordt dat vanwege ligging in de zone met “diffuse spoed en aandachtsgebied lood” op de digitale Atlas van ODMH een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk is ten behoeve van het aanvragen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Met betrekking tot de voorgenomen herinrichting is verkennend bodemonderzoek aanbevolen voor de gehele locatie met aandachtspunten ter hoogte van de slootdemping aan de westzijde van de schapenweide en de slootdemping dwars over de schapenweide.

Conclusie
Voor de bestemmingswijziging is de bodemkwaliteit in voldoende mate vastgesteld. De locatie ligt in een aandachtsgebied voor lood. Bij het indienen van een aanvraag omgevingsvergunning voor het oprichten van de woningen zal een bodemonderzoek conform NEN 5740 worden overlegd.

Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit bodemkwaliteit of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid Midden-Holland.

6.1.4.1 Niet gesprongen explosieven

Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de gebruikte Conventionele Explosieven (CE) uit WOll tijd niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grondroerende werkzaamheden.
In 2012 is historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van NGE voor het grondgebied van de gemeente Waddinxveen. Hieruit blijkt dat het plangebied onverdacht is voor wat betreft het voorkomen van NGE. Er is in 2021 opnieuw een historisch vooronderzoek uitgevoerd voor de gemeente Waddinxveen. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten, kan niet met zekerheid worden gesteld dat die er daadwerkelijk niet zijn. Als bij de uitvoering van graafwerkzaamheden een verdacht object wordt aangetroffen worden er passende maatregelen genomen indien deze noodzakelijk zijn.

6.1.5 Luchtkwaliteit

Wettelijk kader
Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse.
Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in de onderstaande tabel. Vanaf 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 van kracht. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden.

Tabel 6.2: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit

stof   jaargemiddelde   uurgemiddelde   24-uursgemiddelde   Opmerkingen  
NO2   40 µg/m3   200 µg/m3   n.v.t.   Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden  
PM2,5   25 µg/m3   n.v.t.   n.v.t.   n.v.t.  
PM10   40 µg/m3   n.v.t.   50 µg/m3   24-uursgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden  

Wet luchtkwaliteit
De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijke plan of project doorgang kan vinden indien:

  • a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt en
  • b. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft en
  • c. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht; (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.)
  • d. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten (projecten In Betekenende Mate of IBM-projecten) tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen.

Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Onder andere voor woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Onderzoek/ beoordeling
Het plan omvat de vervangende nieuwbouw van twee woningen. Door de omvang van dit project is dit een project niet in betekenende mate. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Om toch een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in het plangebied is de NSL monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, geraadpleegd voor 2021 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs het Noordeinde. Uit de NSL-kaart blijkt dat hier de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide ten hoogste 15,4 µg/m³ bedraagt. De jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) bedraagt ten hoogste 16,4 µg/m³. De concentraties liggen daarmee onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³. Voor PM2,5 geldt dat de hoogste concentratie 9,0 µg/m³ bedraagt en ligt daarmee onder de wettelijke waarde van 25 µg/m³.

In de huidige situatie voldoet de luchtkwaliteit op de meest kritische locatie in het plangebied (langs Noordeinde) aan de luchtkwaliteit-grenswaarden. Volgens de prognoses wordt de luchtkwaliteit in de komende jaren door het schoner worden van het verkeer steeds beter. De vaststelling van dit bestemmingsplan stuit niet op bezwaren voor wat betreft luchtkwaliteit.

Conclusie
De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van verontreinigende stoffen in de buitenlucht. In de omgeving van het plangebied worden grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet overschreden. De realisatie van het plan wordt conform Titel 5.2 van de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen) toelaatbaar geacht.

6.1.6 Externe veiligheid

Wettelijk kader
Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd:

  • Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers.
  • Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR:

  • rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;
  • langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt.

Beleidsnota Externe Veiligheid gemeente Waddinxveen
De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 3 oktober 2012 de Beleidsnota Externe Veiligheid vastgesteld. In de beleidsnota zijn de volgende veiligheidsambities geformuleerd:

  • woongebieden worden zo veilig mogelijk ingericht;
  • de vestiging van nieuwe risicobedrijven in woongebieden is niet toegestaan;
  • binnen het 100% letaliteitsgebied van risicobronnen zijn nieuwe bestemmingen voor verminderd zelfredzame personen niet toegestaan;
  • de vestiging van nieuwe risicobedrijven op bedrijventerrein Coenecoop is uitsluitend toegestaan onder strikte voorwaarden;
  • de vestiging van nieuwe risicobedrijven is toegestaan op Distripark Doelwijk en op het nog te ontwikkelen bedrijventerrein A12 Noord;
  • nieuwe woon- en verblijfsgebouwen worden standaard uitgevoerd met afschakelbare ventilatie.

Voor de uitvoering van deze ambities zijn planologische kaders opgenomen, waaraan bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan worden getoetst. Om de uitvoering te borgen wordt deze beleidsnota externe veiligheid gekoppeld aan de nieuwe Structuurvisie Waddinxveen 2030 en wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan rekening gehouden met de geformuleerde ambities.

Onderzoek/ beoordeling
Transport gevaarlijke stoffen
Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld.
Op 1 april 2015 is het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden. Met de invoering van het Basisnet beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid.

Transport over water
Er ligt in de omgeving van het plangebied geen hoofdvaarweg, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is geen beperking voor het plangebied.

Transport over spoor
De spoorlijn Alphen aan den Rijn – Gouda ligt op een afstand circa 600 meter van het plangebied. Over deze lijn vindt geen transport van gevaarlijke stoffen plaats. Er is geen beperking voor het plangebied.

Wegtransport
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied (een zone van 200 meter aan beide zijden) van het Noordeinde (N455), te weten op een afstand van circa 10 m. Over deze weg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Er is geen sprake van een PR 10-6 contour buiten de weg zelf en geen sprake van een relevant groepsrisico (in ieder geval kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde). Gezien de omvang van het plan (vervanging twee woningen, waarvan één in de tweede lijn bebouwing wordt gerealiseerd) zal het groepsrisico niet significant toenemen. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is opgenomen in paragraaf 6.1.6.1.

Transport per buisleiding
Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Hierbij dient te worden uitgegaan van de risicoafstanden zoals aangegeven in het Besluit Er ligt ten oosten van het plangebied langs de spoorlijn een aardgasleiding W-517-01 van de Gasunie met een diameter van 12 inch een druk van 40 bar (figuur 9). Het invloedsgebied ligt op 265 meter van deze leiding. De afstand tussen het plangebied en de leiding is 610 meter, zodat er geen belemmeringen zijn.

Inrichtingen
Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt.

Risicokaart
De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Signaleringskaart EV (figuur 11) is aangegeven dat aan het Noordeinde 120 een bovengrondse propaantank staat van 4,9 m³ met een grootste EV zone van 30 m. Het plangebied ligt hier ruim buiten. Verder zijn er in de nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven gevestigd, zodat er geen belemmeringen zijn voor deze planontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Noordeinde124en126-0401_0014.png" Figuur 11: Uitsnede Signaleringskaart EV (plangebied zwart omlijnd).

Mechanische ventilatie
Indien er in de omgeving een incident voordoet waarbij giftige (rook) gassen vrijkomen moet worden voorkomen dat deze naar binnen worden gezogen. Daarom moeten (nieuwe) woningen worden voorzien van mechanische ventilatie die met één druk op de knop is uit te schakelen. In verband hiermee is in artikel 3.4.5 een specifieke gebruiksregel opgenomen dat een nieuwe woning pas mag worden gebruikt indien ventilatieopeningen, ventilatiesystemen en luchtbehandelingsinstallaties in de woning kunnen worden afgesloten en uitgeschakeld bij calamiteiten door bewoners.

6.1.6.1 Verantwoording groepsrisico

Beperkte verantwoording van het groepsrisico
Er dient een verantwoording te worden opgesteld, omdat het plangebied binnen het invloedsgebied ligt van de N455. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde gezien het groepsrisico ten gevolge van de nieuwbouw nagenoeg niet wijzigt. De hoogte van het groepsrisico moet worden onderzocht en bestuurlijk worden verantwoord. Door deze verantwoordingsplicht zijn betrokken partijen gedwongen om een goede ruimtelijke afweging te maken waarin de veiligheid in het plangebied in de omgeving voldoende is gewaarborgd. In het kader van het wettelijk vooroverleg wordt voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd aan de Veiligheidsregio.

Toetsing plan aan plaatsgebonden risico en verantwoordingsplicht groepsrisico
Plaatsgebonden risico
Voor deze risicobronnen is geen sprake van een plaatsgebonden risicocontour PR=10-6 die over het plangebied ligt.

Verantwoordingsplicht groepsrisico
De risico's van het transport van gevaarlijke stoffen over de N455 ter hoogte van het plangebied ligt op maximaal 0,01* oriëntatiewaarde voor het groepsrisico (OW). Er is geen sprake van een significante toename van het groepsrisico. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet nodig.

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid
Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten vanaf verschillende windrichtingen. Via het bestaande wegennetwerk kan ook van de bron af gevlucht worden.

Zelfredzaamheid
Er worden twee woningen gerealiseerd waar zelfredzame personen wonen. Het bestemmingsplan voorziet niet in functies die specifiek bedoeld zijn voor verminderd zelfredzame personen. Eventueel aanwezige kinderen, ouderen en gehandicapten worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden.

Verantwoording
Het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad van Waddinxveen hebben kennis genomen van de inhoud van deze rapportage en de gegeven adviezen en achten het groepsrisico, na het nemen van de voorgestelde maatregelen, aanvaardbaar.

Conclusie
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de N455. Met de voorgenomen ontwikkeling worden twee woningen opgericht, (vervangende nieuwbouw). Dit leidt nagenoeg niet tot een verhoging van het aantal personen waardoor de toename van het groepsrisico verwaarloosbaar is. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Het aspect externe veiligheid staat de vaststelling van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

6.2 Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader Rijk en provincie
In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.
In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn:

  • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ);
  • in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden;
  • de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen.

Het verdrag is geïmplementeerd in thans de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden.

In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland provincie Zuid-Holland (CHS) is het gebied niet specifiek aangeduid. Er is onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans. De CHS geeft grofschalig weer wat de 'archeologische trefkans/ verwachting' is.
Het plangebied ligt in een droogmakerij aan een polderlint (1850-1940). Op basis van de gehanteerde/ gebruikte gegevens ligt het plangebied in stroomgordels en geulafzettingen van de Formatie van Echteld met hoge archeologische waarden op 3 meter tot (ruim) dieper dan 5 meter maaiveld (basis holoceen) (zie figuur 12).
afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Noordeinde124en126-0401_0015.png" Figuur 12: Gecombineerde Waardenkaart CHS provincie Zuid-Holland.

Archeologiebeleid gemeente Waddinxveen (2012)
De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 14 november 2012 de 'Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen' vastgesteld. Op de waarden- en verwachtingenkaart is voor het plangebied af te lezen waar welke verwachtingswaarden voorkomen. Deze beleidskaart is aan veranderingen onderhevig: door voortschrijdend inzicht en nieuwe onderzoeken kunnen nu betere keuzes gemaakt worden. In verband hiermee is in het document 'Actualisatie archeologische beleidskaart gemeente van Waddinxveen' van 11 januari 2018 de archeologische beleidskaart aangepast. Deze dient als aanvulling op de toelichting van het gemeentelijke archeologiebeleid uit 2012. De vastgestelde Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen uit 2012 blijft ongewijzigd.

Op de geactualiseerde archeologische beleidskaart heeft het plangebied een hoge verwachtingswaarde. De verwachtingswaarden zijn voorzien van een beleidsadvies. De juridische doorvertaling van het geactualiseerde archeologiebeleid heeft de gemeenteraad vastgesteld in het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie en Parkeren' van 19 september 2018. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij geplande bodemverstoringen met oppervlakten, gelijk aan of groter dan 100 m² en bodemingrepen dieper dan 0,3 m –MV. Zie hiervoor de uitsnede van de beleidskaart (figuur 13). In verband hiermede is onderzoek naar archeologie uitgevoerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Noordeinde124en126-0401_0016.png" Figuur 13: Uitsnede archeologische beleidskaart.

6.2.1 Bureauonderzoek archeologie

ADC ArcheoProjecten B.V. heeft een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek uitgevoerd (rapport van 7 augustus 2023, rapport 6183, Bijlage 5). Op basis van dit onderzoek kunnen de volgende conclusies en aanbevelingen worden getrokken (overgenomen uit het rapport).

Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde verwachting opgesteld. In de diepere ondergrond van het plangebied, vanaf 3 m -mv en dieper, kunnen afzettingen van de Waddinxveen stroomgordel worden verwacht (Formatie van Echteld). Op hoger gelegen oeverzones en stroomruggen van dit systeem vormden geschikte locaties voor bewoning en kunnen resten uit het Mesolithicum en Neolithicum herbergen.

De stroomgordelafzettingen worden afgedekt door wad- en kwelderafzettingen (Laagpakket van Wormer Laagpakket van de Formatie van Naaldwijk). Deze zijn vanaf ca. 4000 v.Chr. afgezet onder invloed van de stijgende zeespiegel. Op hogere delen van de kwelders en kreekruggen was in het Neolithicum bewoning mogelijk. Na het sluiten van de kustlijn nam de mariene invloed van de zee af en ontstond een uitgestrekt veenmoeras (Hollandveen Laagpakket, Formatie van Nieuwkoop). Aangenomen wordt dat het onderzoeksgebied de periode Bronstijd tot en met de Vroege Middeleeuwen te nat was voor bewoning.

In de 12e/13e eeuw werden de veengebieden ontgonnen en in gebruik genomen voor de landbouw. Intensieve veenwinning, waarbij het veen tot ver onder de grondwaterspiegel werd gedolven, leidde tot het ontstaan van grote plassen. Hierbij zijn eventuele archeologische resten uit dit pakket verloren gegaan en liggen de neolithische wad-/kwelderafzettingen weer aan de oppervlakte. Ter plaatse van de bebouwing en de doorgaande wegen bleef het veen grotendeels gespaard en ontstonden zogenoemde veenrestdijken. Het uiterste oosten van het plangebied ligt op de flank van een veenrestdijk. Archeologische resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 12e/13e eeuw) en Nieuwe tijd hier bewaard zijn gebleven.

Op oude kaarten zijn geen aanwijzingen voor historische bebouwing in het plangebied. Het plangebied zelf is pas in het eind van de 19e eeuw of halverwege de 20e eeuw bebouwd. Het westelijk deel van het plangebied, dat zich in de in 1765 ontstane de Achterofsche Polder ligt, is nooit bebouwd geweest. Bij de aanleg van de bebouwing en inrichting van het erf kan de bodemopbouw ten dele zijn verstoord. Teneinde de in het bovenstaande beschreven verwachting te toetsen en aan te vullen is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Dit wijst uit dat diepere ondergrond van het plangebied uit zandige beddingafzettingen gevolgd door kleiige oeverafzettingen bestaat (Formatie van Echteld). Deze afzettingen zijn op grond van de ligging van het plangebied te relateren aan de op basis van het bureauonderzoek verwachte Waddinxveen stroomgordel. De stroomgordelafzettingen worden op hun beurt afgedekt door een opeenvolging van kleiige kwelderafzettingen (Laagpakket van Wormer van de Formatie van Naaldwijk) en riet- en bosveen (Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop). Hierboven ligt een (sub)recent omgewerkt en ten dele opgebracht pakket.
In de oeverafzettingen van de Waddinxveen stroomgordel noch in de bovenliggende kwelderafzettingen zijn ontkalkte of gerijpte kleilagen aangetroffen die als een potentieel archeologisch niveau beschouwd kunnen worden. Voorts zijn geen omgewerkte of opgebrachte lagen aangetroffen die een aanwijzing vormen voor archeologische resten uit de Late Middeleeuwen of de Nieuwe tijd. Op grond van de resultaten van het veldonderzoek kan de archeologische verwachting voor vindplaatsen uit het Mesolithicum en Neolithicum naar laag worden bijgesteld. De overige verwachtingen dienen te worden gehandhaafd.

ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht deze zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. De melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Waddinxveen.

Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS).

Conclusie
Het initiatief tast de archeologische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling. Het opnemen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' is niet langer noodzakelijk. Deze dubbelbestemming kan daarom worden geschrapt.

6.2.2 Cultuurhistorie en monumenten

Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. De in het plangebied aanwezige woningen zijn van eenvoudige architectuur en hebben geen cultuurhistorische waarde. Evenmin worden de cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied aangetast.

Conclusie
Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.

6.3 Flora en fauna

Wettelijk kader
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische hoofdstructuur (EHS) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap.

Onderzoek/ beoordeling
Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het gebied Broekvelden/ Vettenbroek, bestaande uit plassen en graslandpolders, is aangewezen als Speciale BeschermingsZone (SBZ) in het kader van Wnb. Dit aangewezen Natura 2000-gebied ligt op circa 7,1 kilometer ten oosten van het plangebied. Het Natura2000-gebied De Wilck ligt circa 7,4 km noordwestelijk van het plangebied. Het Natura2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck bevindt zich op 8,3 km ten noordoosten van het plangebied.

Sprake is van een ontwikkeling met twee woningen op twee percelen dat nu bebouwd is met twee kleine woningen. Natura2000-gebieden worden hierdoor niet beïnvloed. Evenmin worden (significante) externe effecten op Natura2000-gebieden verwacht. Ten zuidwesten van het plangebied ligt op circa 2 km de ecologische verbindingszone tussen het Bentwoud en de Krimpenerwaard. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ecologische hoofdstructuur. Verder liggen er in de directe omgeving van het plangebied geen bestaande en nieuwe natuur van NNN (het Gouwebos ligt op circa 1,1 km afstand) en belangrijke weidevogelgebieden van de provincie Zuid-Holland. (figuur 14).

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Noordeinde124en126-0401_0017.png" Figuur 14: NNN in de directe omgeving van het plangebied (plangebied met een rode stip aangeduid).

6.3.1 Stikstofdepositie

Natura2000-gebieden kunnen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. In onderhavige situatie is er sprake van het slopen van twee woningen. In de plaats hiervan worden twee vrijstaande woningen teruggebouwd in het plangebied. De Natura2000-gebieden 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' en 'De Wilck' liggen op respectievelijk circa 7,1 km en 7,2 km van het plangebied. Deze gebieden zijn niet stikstofgevoelig, met dien verstande dat de Polder Stein mogelijk binnenkort wel aangewezen als stikstofgevoelig gebied. Het Natura2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck bevindt zich op 8,3 km afstand. Dit Natura2000-gebied is stikstofgevoelig.

Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden onder de Wet natuurbescherming (dat ook geldt onder de op 1 januari 2024 ingevoerde Omgevingswet). De Wsn bevat onder andere de resultaatsverplichting om stapsgewijs de stikstofbelasting op stikstofgevoelige habitattypes in de Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde te krijgen. Hiertoe zijn een drietal omgevingswaarden opgenomen in de wet voor 2025, 2030 en 2035.

Het initiatief betreft de bouw van twee woningen. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied is 7,21 km. In het stroomschema van de toezichthouder Wet natuurbescherming in Zuid-Holland (Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, 22 februari 2023) wordt onder stap 3a aangegeven dat op het moment dat er sprake is van sloop, het aantal woningen dient te worden verdubbeld. Er wordt dus uitgegaan van 4 woningen en een afstand van 3.100 meter. De afstand van het plangebied tot het Natura2000-gebied is hoger dan deze grenswaarde. Er is geen een stikstofdepositieberekening nodig van de aanlegfase en de gebruiksfase. Het aspect stikstofdepositie vormt voor dit bestemmingsplan geen belemmering. Kort samengevat:

  • Op de planlocatie is géén regelgeving met betrekking tot Natura 2000 van toepassing.
  • Met betrekking tot stikstofdepositie zijn er geen effecten te verwachten.
  • Het plangebied vormt géén onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland.
6.3.2 Flora- en faunatoets

Bij nieuwbouwplannen moet bekeken worden wat het effect is op de aanwezige flora- en fauna. In verband hiermede heeft Watersnip Advies te Reeuwijk een ecologisch onderzoek uitgevoerd voor het onderhavige plangebied (rapport van september 2023, rapportnummer 23A075, Bijlage 6). Op basis van inventarisatie, literatuuronderzoek en verkennend onderzoek zijn de volgende conclusies en aanbevelingen overgenomen uit het rapport.

Natuurgebieden   Gevolgen  
Natura2000  
Habitattypen
 
Natura 2000-gebieden Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein ligt op 7,21 km afstand tot het plangebied. Door deze ruime afstand is een stikstofberekening niet nodig.  
Soorten
 
Nee  
NNN-gebieden   Nee  
Omgevingsvisie/-verordening   Nee  

Soortgroep   Overtreding verbodsbepalingen  
Algemeen   Voor de beschermde soorten, Bastaardkikker, Bruine kikker, Gewone pad, Kleine watersalamander, Bosmuis, Egel, Haas, Hermelijn, Konijn, Ree en Rosse woelmuis, geldt een algemene vrijstelling in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb)door de provincie Zuid-Holland. Er hoeft voor deze soorten geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dient voor deze soorten de algemene zorgplicht in acht genomen te worden.  
Flora   Nee  
Jaarrond beschermde nesten   Nee  
Vissen   Nee  
Reptielen   Nee  
Zoogdieren   Nee  
Vleermuizen   Nee  
Overige soorten   Nee  

Soortgroep   Overtreding verbodsbepalingen, aanvullende maatregelen vereist  
Vogels   Nee, mits de bomen en struiken verwijderd worden buiten het broedseizoen van vogels te gebeuren, zodat overtreding van de Wnb wordt voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. De Wnb hanteert echter geen standaardperiode voor het broedseizoen; van belang is of een nest bewoond is.  
Amfibieën   Nee, mits voorkomen wordt dat er gedurende de voortplantingsperiode van de Rugstreeppad (globaal half april – augustus) water stagneert en er plassen en poelen ontstaan waar de Rugstreeppad haar eieren in af kan zetten. Tevens dient voorkomen te worden dat er lang zand/grond braak ligt gedurende de overwinteringsperiode (globaal van november – maart). Dit om ingraven voor overwintering te voorkomen  

Algemene zorgplicht
Voor planten- en diersoorten geldt in het kader van de Wet Natuurbescherming de algemene zorgplicht. Deze bepaalt dat eenieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen kan hebben voor flora en/of fauna, deze handelingen achterwege dient te laten of verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt.

Natuur-inclusief bouwen
Initiatiefnemer heeft de intentie twee nieuwe woningen te realiseren. Geadviseerd wordt natuur-inclusief te bouwen voor een betere samenleving tussen mens en natuur. Het is nodig natuur-inclusief te bouwen met het oog op de biodiversiteit en in dit kader een aantal gewenste voorzieningen te integreren voor vleermuizen. Geadviseerd wordt op diverse plaatsen in de spouw vleermuiskasten te metselen en op een aantal zijgevels vleermuiskasten te plaatsen. Wat betreft tuinverlichting wordt geadviseerd om amberkleurige Led-verlichting te plaatsen die voornamelijk naar beneden gericht is. Dit om verstoring door licht voor foeragerende vleermuizen te vermijden


Conclusie
Bij uitwerking van de bouwplannen zal rekening worden gehouden met de in het rapport genoemde aanbevelingen. Met inachtneming hiervan kan worden geconcludeerd dat er vanuit de gebieds- bescherming en soortenbescherming geen belemmeringen bestaan tegen deze planontwikkeling.

6.4 Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten

6.4.1 Kabels en leidingen

In het plangebied liggen geen planologisch relevante watertransportleidingen en gastransportleidingen, zodat een beschermende regeling niet nodig is.

Hoofdstuk 7 Juridische opzet

7.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de ruimtelijke en functionele ontwikkelingen een vertaling hebben gekregen in de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan, de plankaart (de verbeelding van de geometrische plaatsbepaling) en de regels.

7.2 Verbeelding

Op de verbeelding (plankaart), getekend op een kadastrale ondergrond schaal 1:500, zijn door middel van coderingen (via combinatie van letteraanduidingen, arceringen en/of kleur) de bestemmingen aangegeven.

7.3 Regels

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In artikel 1 zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de regels. Artikel 2 betreft de wijze van meten, waarin is aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten.
  • Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn per bestemming regels opgenomen voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de gronden. In paragraaf 7.3.2 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die voorkomen binnen het plangebied.
  • Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Het betreft regels die voor het hele plangebied of voor verschillende bestemmingen van toepassing zijn. In dit hoofdstuk zijn de anti-dubbeltelregel, algemene bouw- en gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en overige regels voor parkeren opgenomen.
  • Hoofdstuk 4 bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.
7.3.1 Inleidende regels

Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen.

Artikel 1 Begrippen
In het artikel 'Begrippen' wordt een aantal in de planregels voorkomende begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van deze begrippen beperkt, waarmee de duidelijkheid van het plan en daarmee de rechtszekerheid wordt vergroot.

Artikel 2 Wijze van meten
In het artikel 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald.

7.3.2 Bestemmingsregels

Dit hoofdstuk bevat de regels waarin de materiële inhoud van de op de verbeelding gegeven bestemmingen zijn opgenomen. Bij de opzet van de artikelen is, zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) bepaalt, een vaste indeling aangehouden. Voor de volgorde van de bestemmingen leidt dit ertoe dat eerst de bestemmingsomschrijvingen worden benoemd en hierna de bouwregels en in voorkomende geval nadere eisen, afwijken van de bouwregels, specifieke gebruiksregels, afwijken van de gebruiksregels en omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

Artikel 3 Wonen
De op de verbeelding voor 'Wonen' aangeduide gronden zijn, met inachtneming van de nadere aanduidingen, bestemd voor twee vrijstaande woningen met bijbehorende voorzieningen ten behoeve van de huisvesting van personen. Per bouwvlak is één woning toegestaan. Op de verbeelding zijn de maximale goot- en bouwhoogten aangegeven. Een nieuw te bouwen woning mag pas in gebruik worden genomen wanneer een bestaande woning aan het Noordeinde 124 of 126 is gesloopt. Dit is geborgd in de specifieke gebruiksregels.
Binnen en buiten het bouwvlak zijn bijbehorende bouwwerken (aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) toegestaan. Hierbij geldt dat de gronden buiten het bouwvlak voor maximaal 50% mogen worden bebouwd, tot een maximum van 50 m². Op basis van het Besluit omgevingsrecht kan vergunningvrij meer worden gebouwd in het achtererf. Op percelen groter dan 500 m² mogen, afhankelijk van de perceelsgrootte, meer bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. In de regels zijn nadere voorwaarden gegeven voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Via een omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag een dakopbouw toestaan. Een Bed & Breakfast is bij afwijking mogelijk.

Artikel 4 Waterstaat - Waterkering
In het belang van de aanwezige waterkeringen, met bijbehorende beschermingszone(s) in het plangebied is er een beschermingszone opgenomen. Deze strook is mede bepalend voor het waterkerend vermogen en de stabiliteit van de waterkering. De betreffende gronden zijn aangewezen voor waterkeringsdoeleinden. Deze gronden zijn als zodanig bestemd in combinatie met andere aan deze gronden gegeven bestemmingen.

7.3.3 Algemene regels

Dit hoofdstuk bevat meerdere artikelen die op de bestemmingen uit hoofdstuk 2 van toepassing zijn.


Artikel 5 Anti-dubbeltelregel
Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat een regeling waarmee wordt voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot.

Artikel 6 Algemene bouwregels
In het artikel 'Algemene bouwregels' is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons, kelders en ondergronds bouwen.

Artikel 7 Algemene gebruiksregels
In het artikel 'Algemene gebruiksregels' is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen.

Artikel 8 Algemene afwijkingsregels
Het artikel 'Algemene afwijkingsregels' is gebaseerd op artikel 3.6, lid 1 onder c van de Wro en heeft onder meer tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Met een door het bevoegd gezag te verlenen afwijking kunnen onder meer geringe wijzigingen in de maatvoeringen voor bouwwerken, zoals genoemd in hoofdstuk 2 van de regels, worden aangebracht en (openbare) nutsvoorzieningen worden gerealiseerd.

Artikel 9 Overige regels
In dit artikel zijn de parkeerregels opgenomen. Deze komen er op neer dat het parkeerbeleid van de gemeente dient te worden toegepast bij nieuwe bouwplannen en functiewijzigingen.

7.3.4 Overgangs- en slotregels

Het laatste hoofdstuk van de planregels bevat twee artikelen.

Artikel 10 Overgangsrecht
Het artikel 'Overgangsrecht' heeft ten doel de rechtstoestand te begeleiden van situaties die afwijken van de regels van het bestemmingsplan. Lid 1 van dit artikel geeft regels voor bouwwerken die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden, en die afwijken van de bebouwingsregels van het plan. Lid 2 van dit artikel regelt het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, afwijkt van de in het plan gegeven bestemming.

Artikel 11 Slotregel
Het artikel 'Slotregel' bevat de titel waaronder het bestemmingsplan kan worden geciteerd. Dit artikel wordt dan ook wel het citeerartikel genoemd.

7.4 Handhaving bestemmingsplan

Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een bestemmingsplan heeft alleen zin, indien na de vaststelling van het bestemmingsplan handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels.

Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid:

  • 1. Voldoende kenbaarheid van het plan

Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. De wet bevat enkele waarborgen ten aanzien van de te volgen procedure: deze heeft in de bestemmingsplanprocedure een aantal inspraakmomenten ingebouwd.

  • 2. Voldoende maatschappelijk draagvlak voor beleid en regeling in het plan

De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling vanuit een oogpunt van algemeen belang aanvaardbaar is. De belangen van omwonenden worden hierbij vooraf gewogen in het kader van de inspraak.

  • 3. Realistische en inzichtelijke regeling

Een juridische regeling dient realistisch en inzichtelijk te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is.

  • 4. Actief handhavingsbeleid

Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid.

Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid

8.1 Financiële haalbaarheid

De gemeente en initiatiefnemer/exploitant van de planontwikkeling hebben over de economische uitvoerbaarheid van het plan overleg gehad. De planontwikkeling zal in overeenstemming zijn met provinciale, regionale en gemeentelijke uitgangspunten. De afspraken zijn vastgelegd in een tussen de gemeente en initiatiefnemer/exploitant gesloten exploitatieovereenkomst. Hiermee is het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd en is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan vast te stellen. Er zijn ook geen overige redenen als bedoeld in artikel 6.12 Wro, om een exploitatieplan vast te stellen. Alle eisen en voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn opgenomen in de exploitatieovereenkomst.

Hoofdstuk 9 Maatschappelijke betrokkenheid

9.1 Resultaten overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het overleg ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan een aantal personen en/of instanties.

Er is één reactie ontvangen van de Veiligheidsregio Hollands Midden. Zij hebben de belangrijkste zaken ten aanzien van de fysieke veiligheid op een rijtje gezet.

  • Er zijn geen bijzonderheden ten aanzien van de bereikbaarheid voor hulpdiensten op de openbare weg, het plangebied is via de openbare weg goed bereikbaar via meerdere rijroutes.
  • Ten aanzien van de bereikbaarheid van het plangebied liggen beide woningen voldoende nabij de openbare weg.
  • Er zijn geen bijzonderheden ten aanzien van de bluswaterwinning (brandkraan en open water zijn aanwezig).
  • Het plangebied is vanuit het Regionale dekkingsplan gelegen in een buurt met de classificatie 'Categorie 2' met het overheersende kenmerk 'Woningen' / 'Gebouwen voor zelfredzame personen'. De nieuwe ontwikkeling past binnen het profiel van de vastgestelde categorie. De referentiewaarde voor deze categorie is 10 minuten. De daadwerkelijke opkomsttijd (prognosetijd) bedraagt 8 minuten. Daarmee scoort het nieuwe initiatief 'Goed'.
  • Naast het scenario 'Gebouwbrand' zijn er geen andere scenario's relevant (denk hierbij aan scenario's vanuit externe veiligheid). Ook zijn er geen opmerkingen op de uitwerking van paragraaf 'Externe veiligheid' in de plantoelichting.

In het kader van de fysieke veiligheid is geen verdere advisering benodigd.

9.2 Communicatie

Initiatiefnemer heeft de bewoners van Noordeinde 126a, 126b en 126c op 18 juli 2023 geïnformeerd middels een informatiebijeenkomst over het planinitiatief om twee vrijstaande woningen mogelijk te maken. De omwonenden hebben kennis genomen van de planontwikkeling.

9.3 Zienswijzen

Overeenkomstig artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het ontwerpbestemmingsplan vanaf 28 december 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen schriftelijke en/of mondelinge zienswijzen ontvangen.