| Plan: | Scholenbouw Waddinxveen noord |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0627.BPschoolnoord-0401 |
De gemeenteraad heeft in april 2016 het Integraal Huisvestingsplan primair onderwijs 2016-2033 (verder in dit document benoemd als IHP 2016) vastgesteld. Dit IHP 2016 beschrijft het strategische kader voor de onderwijshuisvesting in de Gemeente Waddinxveen en richt zich ook op de toekomstige huisvesting. De gemeenteraad volgde dit op door het besluit te nemen tot realisatie van scholenbouw op het voormalige WSE-Terrein.
De aanleiding voor dit besluit was, onder meer de ontwikkelingen in het leerlingenaantal in Waddinxveen-Noord, de technische status van de panden die in bezit waren van basisscholen Koning Willem Alexander en de Regenboog en huisvesting van kinderen van 2 tot 4 jaar.
Het projectplan dat als vervolg op het besluit is opgesteld, vormt een specifieke uitwerking van de kaders beschreven in het IHP 2016. Dit is door middel van coproductie tussen de gemeente en schoolbesturen tot stand gekomen.
Om het doel te bereiken dient het projectplan, juridisch-planologisch te worden vastgelegd. Door het project in een bestemmingsplan vast te leggen wordt het mogelijk gemaakt om het plan tot uitvoering te brengen.
Het plangebied bevindt zich in de Oranjewijk op het voormalige WSE-terrein. Het plangebied ligt ten noorden van het Koningin Wilheminaplein, hier is detailhandel aanwezig, met in het specifiek een Albert Heijn en cafetaria Bulldog, aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door woningbouw. Resterende begrenzing betreft Groen en Water. Het gebied wordt ontsloten door de Willem de Zwijgerlaan.
Voor het plangebied van het voorliggend bestemmingsplan vigeert het bestemmingsplan '"Bebouwde Kom 2015". De bestemming die het plangebied heeft maakt de gewenste ontwikkeling niet mogelijk.
Het plangebied heeft nu de bestemming 'Sport' en 'Water'. Tevens ligt op dit perceel de gebiedsaanduiding 'Veiligheidszone - leiding' en een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'.
Uitsnede plankaart bestemmingsplan 'Bebouwde Kom 2015'
In hoofdstuk 2 van de toelichting wordt ingegaan op de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. Hoofdstuk 3 bevat de planbeschrijving, waarbij een beschrijving wordt gegeven van de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied en een toelichting wordt gegeven op de wijze van bestemmen. In hoofdstuk 4 komt het relevante provinciale, regionale en gemeentelijke beleid aan de orde. Hoofdstuk 5 bevat de waterparagraaf. In hoofdstuk 6 wordt aandacht besteed aan de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 7 betreft de juridische toelichting. In de hoofdstukken 8 en 9 wordt aandacht besteed aan de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
In voorliggend hoofdstuk wordt de bestaande, feitelijk aanwezige situatie binnen het plangebied beschreven. Hierbij is onderscheid gemaakt naar de ruimtelijke karakteristiek en de functionele karakteristiek. In beide beschrijvingen en in het gehele voorliggende plan komen op meerdere plaatsen namen van wegen, waterlopen en/of gebieden aan bod.
Vanaf het eind van de middeleeuwen werd het landschap rond het huidige Waddinxveen gedomineerd door grote veenplassen, die waren ontstaan door de turfwinning. Door de drooglegging van deze plassen ontstonden de huidige polders. In de loop van de 18e eeuw is ook de Zuidplaspolder drooggelegd. De polder werd leeggemalen naar een ringvaart die min of meer parallel aan de Gouwe loopt. De Zuidplaspolder kreeg een blokvormige verkaveling, die wordt gekenmerkt door zuidwest-noordoost gerichte lijnen en lijnen die haaks daarop staan. In de periode tot 1900 blijft de ontwikkeling van Waddinxveen grotendeels beperkt tot bebouwing aan de Gouwe en ter hoogte van de huidige Dorpsstraat. Na 1900 ontwikkelt Waddinxveen zich in een sneller tempo. Rond 1930 worden de spoorlijn Gouda - Alphen aan den Rijn en de rijksweg A12 aangelegd en worden de eerste woonbuurten gerealiseerd. In de periode na de Tweede Wereldoorlog worden op grotere schaal woonwijken en bedrijventerreinen toegevoegd aan het stedelijk gebied van Waddinxveen. De gronden tussen de Gouwe en de Ringvaart worden daarbij in gebruik genomen als woongebied en bedrijventerrein. Vanaf de jaren '80 van de vorige eeuw is de Zuidplaspolder aangelegd in verschillende fases.
Met betrekking tot het plangebied valt deze in wat bekend stond als 'De Put'. Deze plas is midden 19e eeuw drooggemaald en hernoemd naar 'Polder de drooggemaakte Putten'. Lang is dit gebruikt voor agrarische toepassingen tot na de Tweede Wereldoorlog. In de jaren ´50 en ´60 werd een grootschalige uitbreiding gerealiseerd in het noorden van Waddinxveen, de Vondelwijk en Oranjewijk. Hierdoor werd het WSE-terrein aan de westzijde door het spoor en de waterzuivering omsloten, aan de noord-, oost- en zuidzijde door woningbouw. Door deze ontwikkeling werd het gebied geheel omsloten met bebouwing. Het terrein is hierbij ingericht voor het faciliteren van sport en recreatie.
Het plangebied is gelegen in de Oranjewijk. In de noordwesthoek van de Oranjewijk ligt een groot groengebied waar het sportpark Oranjewijk is gevestigd. Hier is ook één van de twee grotere waterpartijen van de gemeente gelegen, aan de oostzijde ligt het WSE-terrein. Dit terrein is ingericht voor het faciliteren van sport en recreatie. Aan het Koningin Wilhelminaplein is een winkelcentrum gevestigd. De basisscholen De Regenboog en Koning Willem Alexanderschool zijn gelegen in deze wijk.
Het doel van voorliggend bestemmingsplan is het bieden van een juridisch-planologisch kader voor de gronden in het plangebied. Het bestemmingsplan is gericht op het mogelijk maken van de realisatie van een nieuw schoolgebouw inclusief aanverwante voorzieningen zoals een peuterspeelzaal en kinderopvang. In paragraaf 3.2 wordt ingegaan op de uitgangspunten die zijn gehanteerd voor de wijze van bestemmen.
Binnen het plangebied wordt de ontwikkeling van een schoolgebouw voorzien ten behoeve van twee scholen en een peuterspeelzaal. Het bestemmingsplan dient voldoende ruimte te bieden om ook andere vormen van kinderopvang toe te staan. De gemeente Waddinxveen heeft stedenbouwkundige randvoorwaarden voor het project beschreven. De belangrijkste ruimtelijke uitgangspunten zijn:
Impressie schoolgebouw
Footprint schoolgebouw
Ten aanzien van verkeer en parkeren bij de te ontwikkelen school, is al veel onderzoek gedaan. Recent is het onderzoek bijgewerkt en aangepast door een verkeerskundig adviesbureau. In Bijlage 3 is het rapport bijgevoegd. In dit rapport wordt eerder onderzoek aangehaald en hierop is door het verkeerskundige bureau een reactie gegeven. Het rapport biedt uitgangspunten voor de inrichting van het gebied rondom de school. Deze uitgangspunten zijn onder andere opgesteld naar aanleiding van de berekening van de parkeerbehoefte en de berekening van de toename van het verkeer in het gebied rondom de schoolvoorziening. De uitgangspunten worden gebruikt om een ontwerp voor de inrichting van het gebied te maken. Er is een schets gemaakt, waarin op hoofdlijnen is aangegeven hoe het gebied eruit kan komen te zien. Deze schets wordt nog nader uitgewerkt. De inrichting van de omgeving van de school valt deels in het plangebied van voorliggend bestemmingsplan. In het bestemmingsplan wordt vastgelegd waar de functie 'Verkeer' zich bevindt. In de nadere uitwerking richting het ontwerp van het gehele gebied wordt aangegeven hoe het gebied ten zuiden van het plangebied wordt ingericht.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die op 13 maart 2012 door de minister is vastgesteld, vormt de nieuwe, overkoepelende rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. In de SVIR 'Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig' is de inhoud van een groot aantal beleidsstukken, waaronder de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit en diverse planologische kernbeslissingen, opgenomen.
Het rijksbeleid richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen, zoals de hoofdnetwerken voor personen- en goederenvervoer, energie, natuur, waterveiligheid, milieukwaliteit en bescherming van het werelderfgoed. Het beleid met betrekking tot verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk, onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet', over aan provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen daarbij de ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Alleen in de stedelijke regio's rond de mainports Amsterdam en Rotterdam maakt het Rijk afspraken met decentrale overheden over de programmering van verstedelijking. Overige sturing op verstedelijking, zoals afspraken over binnenstedelijk bouwen, rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering, laat het Rijk los. Er is enkel nog sprake van een 'ladder' voor duurzame verstedelijking (gebaseerd op de 'SERladder'), die zal worden vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. In het mobiliteitsbeleid komt de gebruiker centraal te staan en wordt de samenhang tussen de verschillende modaliteiten en tussen ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit versterkt.
Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, door middel van een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit doel te bereiken, werkt het Rijk samen met andere overheden. In de SVIR zijn ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028 geformuleerd. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd:
In totaal zijn 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van de drie hoofddoelen. Het betreft onder meer het borgen van ruimte voor de hoofdnetwerken (weg, spoor, vaarwegen, energievoorziening, buisleidingen), het verbeteren van de milieukwaliteit, ruimte voor waterveiligheid, ruimte voor klimaatbestendige stedelijke ontwikkeling, ruimte voor behoud van unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten en ruimte voor een nationaal netwerk voor natuur. Voor de Zuidvleugel/Zuid-Holland geldt daarnaast nog een grote woningbouwopgave: tot 2040 moeten nog circa 280.000 woningen worden bijgebouwd en ongeveer 220.000 woningen worden vervangen.
De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is de ministeriële regeling. Op 30 december 2011 zijn het Barro en de Rarro in werking getreden.
Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben op 9 juli 2014 de 'Visie ruimte en mobiliteit' (VRM) en bijbehorende uitvoeringsdocumenten vastgesteld. De visie is op 1 augustus 2014 in werking getreden. De VRM geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer. Het hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio; ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:
Verder zet de provincie in op vier belangrijke hoofdthema's:
1. beter benutten en opwaarderen;
2. versterken stedelijk gebied (agglomeratiekracht);
3. versterken ruimtelijke kwaliteit;
4. bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving.
Bij de VRM horen: de Visie ruimte en mobiliteit, de Verordening ruimte, het Programma ruimte en het Programma mobiliteit. In de Visie ruimte en mobiliteit stelt de provincie Zuid-Holland onder andere het beter benutten van bebouwde ruimte ten doel. Het bestemmingsplan is gericht op het mogelijk maken van de bouw van een schoolgebouw inclusief aanverwante voorzieningen. Het projectplan is in het bestemmingsplan juridisch-planologisch vastgelegd. De ontwikkeling past binnen de hoofdlijnen van het provinciaal beleid. Het beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. De provincie wil op verschillende manieren bijdragen aan het beter benutten van bebouwde ruimte. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening hanteren gemeenten de “ladder voor duurzame verstedelijking” om de keuze voor en situering van nieuwe woon- en werklocaties te verantwoorden. De provincie bevordert de consequente toepassing van de ladder door deze op te nemen in de Verordening ruimte en daarbij een aantal begrippen te verhelderen. Zie voor een nadere beschrijving van de provinciale ladder paragraaf 4.2.2.
In de Verordening Ruimte 2014 zijn, op basis van de provinciale belangen zoals benoemd in de structuurvisie, regels opgenomen waaraan gemeentelijke bestemmingsplannen moeten voldoen. Er gelden onder meer regels voor de nieuwbouw van woningen, kantoren, bedrijventerreinen en detailhandel, voor agrarische bedrijven en voor de ecologische hoofdstructuur. In de Verordening Ruimte 2014 is onder meer vastgelegd dat nieuwvestiging of uitbreiding van stedelijke functies, op een aantal uitzonderingen na, in principe binnen de bebouwingscontouren dient plaats te vinden. Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) biedt hierbij het handelingskader. De provincie heeft de ladder voor duurzame verstedelijking ook opgenomen in de verordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen te verhelderen. Een van die begrippen is het “bestaand stads- en dorpsgebied” (BSD). De provincie verstaat daaronder: ‘het bestaand stedenbouwkundig stelsel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Volgens de ladder voor duurzame verstedelijking moet nieuwe stedelijke ontwikkeling primair plaatsvinden binnen het BSD.
Voorliggende ontwikkeling vindt plaats door herinrichting van gronden binnen stedelijk gebied. De ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte. De Ruimtelijke Agenda Midden-Holland formuleert de onderscheidende kwaliteiten en samenbindende identiteit van het gebied en leidt tot meer regie op de ruimtelijke ontwikkelingen in de regio in relatie tot provinciale, landelijke en andere bovenregionale ontwikkelingen. De ruimtelijke agenda bevat vijf speerpunten om de ambities tot aan 2020 optimaal vorm te geven. In speerpunt 2 wordt een regionaal programma voor verbeterde voorzieningen aangeboden. Er bestaan kansen voor de ontwikkeling van scholen(voorzieningen) waar bestaande te kort schieten. Waddinxveen heeft een zogenaamde subregionale functie. Waddinxveen kent een laagstedelijk woonmilieu. In de kern van Waddinxveen zijn voorzieningen aanwezig en bestaat de mogelijkheid uit te breiden met subregionale voorzieningen. Geconcludeerd kan worden dat voorliggend bestemmingsplan voldoet aan de provinciale ladder voor duurzame verstedelijking.
De Visie ruimte en mobiliteit staat niet in de weg van de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
Op 3 oktober 2012 is de Structuurvisie Waddinxveen 2030 vastgesteld door de gemeenteraad. De structuurvisie schetst de ruimtelijke koers van de gemeente tot en met 2030 en vormt een integrale visie en een toetsingskader voor nieuwe initiatieven. Op basis van trends en ontwikkelingen, het bestaande gemeentelijke beleid en de projecten die spelen binnen de planperiode zijn de belangrijkste opgaven in beeld gebracht, verdeeld over vijf thema's. In de structuurvisie zijn vier strategische keuzes gemaakt:
Op de integrale structuurvisiekaart is het plangebied van voorliggend bestemmingsplan aangeduid als 'Wonen nieuw icm parkgroen', zie onderstaande afbeelding (plangebied is zwart omlijnd).
Kaart 4 Thema Wonen & voorzieningen
Voor de gemeente Waddinxveen ligt op het gebied van onderwijs een belangrijke opgave om de teruglopende leerlingaantallen te faciliteren. De onderwijsinstellingen stellen in samenspraak met de gemeente een toekomstvisie op. Belangrijk uitgangspunt is het handhaven van onderwijsvoorzieningen en een betere samenwerking tussen onderwijs, kinder- en buitenschoolse opvang, peuterspeelzalen, sport en cultuur plus een meer optimale benutting van accommodaties.
Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een schoolgebouw ten behoeve van twee scholen en een peuterzaal. Ook andere vormen van kinderopvang zijn toegestaan. Deze ontwikkeling komt tot stand vanwege onder meer de ontwikkelingen in het leerlingenaantal in Waddinxveen-Noord, de technische status van de panden die in bezit waren van basisscholen Koning Willem Alexander en de Regenboog en huisvesting van kinderen van 2 tot 4 jaar. Het plan is in overeenstemming met de Structuurvisie Waddinxveen 2030.
Het "Mobiliteitsplan Waddinxveen 2013-2020" is op 26 juni 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. In het mobiliteitsplan staan ambities: een optimaal bereikbaar Waddinxveen, verkeersveiligheid voor alle verkeersdeelnemers, stimuleren van het fietsgebruik en het optimaal benutten van het openbaar vervoer. Het doel van het mobiliteitsplan is om deze vier ambities te realiseren. Hiervoor is een routeboek opgesteld. Dit routeboek bestaat uit beleidskaders die gebruikt worden bij diverse (integrale) ontwikkelingen en maatregelen waarmee de grootste knelpunten aangepakt kunnen worden.
In juli 2014 heeft de gemeente Waddinxveen Parkeerbeleid vastgesteld. Hierin beschrijft de gemeente hoe wordt omgegaan met parkeernormen. Het parkeerbeleid is met name gericht op de bebouwde kom. Voor de parkeernormen wordt de CROW publicatie 317 als uitgangspunt gehanteerd. De gemeente kan ervoor kiezen om gemotiveerd van de richtlijnen af te wijken.
Uit evaluatie van Groenstructuurplan 2004 kwam naar voren dat onderscheid tussen categorieën groen miste; al het groen stond aangegeven als hoofdstructuur, wat in de praktijk belemmerend werkte. Voor bomen kwam hetzelfde naar voren. Dit werkte uit in veel teleurstelling over de procedure bij verlenen van kapvergunningen. Er miste een visie op de inrichting en samenstelling van het groen. Dit is meegenomen in het Groenstructuur en Groenbeleidsplan.
In mei 2016 heeft de gemeenteraad het Groenstructuur en Groenbeleidsplan 'Waddinxveen Hart voor Groen' vastgesteld. In het groenstructuur en groenbeleidsplan worden de hoofd- en wijkgroenstructuren van het gemeentelijke groen vastgelegd. Tevens worden praktische beleidskaders voor het openbaar groen verwoord. Dit om duidelijkheid en toegankelijkheid naar een brede doelgroep te bieden. Dit wordt versterkt met kaartmateriaal dat onderscheid maakt tussen hoofd- en wijkgroenstructuur. Het beleid rond de hoofdgroenstructuur geeft prioriteit aan het behouden en versterken van het groen, er is weinig mogelijk door een streng beschermingsregime. Voor wijkgroen geldt een milder beschermingsregime, voor overige groen is meer mogelijk. Voor alle categorieën geldt dat bij een ingreep/ontwikkeling groen gecompeseerd wordt. De groenstructuur en het groenbeleidsplan biedt meer ruimte voor een praktische afweging bij het kappen van bomen.
Het bestemmingsplan 'Scholenbouw Waddinxveen noord' is hoofdzakelijk inpassend van aard. Het plangebied ligt in het bestemmingsplangebied van bestemmingsplan 'Bebouwde kom 2015', daarnaast valt het ook in het stedelijk gebied van Waddinxveen, waardoor met name het projectplan, bestemmingsplan 'Bebouwde kom 2015' en het gemeentelijk beleid richtinggevend zijn. Voorliggend bestemmingsplan heeft geen gevolgen voor de nationale en provinciale belangen in het gebied en er wordt voldaan aan de relevante bepalingen van de provinciale Verordening Ruimte 2014: het bestemmingsplan maakt een ontwikkeling mogelijk die niet de kernkwaliteiten van het Groene Hart zouden kunnen aantasten en de regionale waterkeringen die in de provinciale Verordening Ruimte 2014 zijn aangegeven, zijn van een passende bescherming voorzien. Met de wijze van bestemmen is aangesloten bij het projectplan.
Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan (NWP) 2016 – 2021 vastgesteld. Het NWP is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid en is, voor wat betreft de ruimtelijke aspecten, een structuurvisie zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar actualiseert. Het NWP geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Het NWP richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. In het Nationaal Waterplan zijn de maatregelen benoemd die worden genomen om de verschillende doelen te bereiken.
In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal:
Het waterbeleid zoals geformuleerd in het NWP werkt door op provinciaal en regionaal niveau, om zo te komen tot gebiedsgericht beleid. Via het provinciaal en gemeentelijk waterbeleid en het beleid van de waterschappen dient het rijksbeleid zoals geformuleerd in het NWP door te werken tot op bestemmingsplanniveau. De watertoets, die is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening, blijft een belangrijk instrument om de waterbeheerder vroegtijdig bij ruimtelijke planprocessen te betrekken. Daarnaast is in het NWP aangegeven dat aandacht moet worden geschonken aan de planologische borging van beschermingszones van primaire waterkeringen, door deze vast te leggen in bestemmingsplannen. Eén en ander is op rijksniveau in het Barro vastgelegd.
Het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 is op 11 november 2009 vastgesteld door Provinciale Staten. In het waterplan is de provinciale sturingsvisie voor de periode tot 2015 aangegeven. De provinciale rol in het waterveld spitst zich met name toe op kaderstelling en toezicht. Voor de provincie Zuid-Holland zijn vier kernopgaven geformuleerd, waar het provinciaal waterbeleid zich met name op richt. De vier kernopgaven zijn in het waterplan vervolgens verder uitgewerkt in diverse beleidsthema's. De vier kernopgaven zijn:
Het waarborgen van de veiligheid heeft betrekking op overstromingen en wateroverlast. Uitgangspunten zijn risicobeheersing en het voorkomen van afwenteling op andere gebieden. Hiertoe zijn onder meer afspraken gemaakt over versterking van de kustbescherming en de versterking van rivierdijken. Voor de kernopgave mooi en schoon water zijn de chemische en ecologische kwaliteit van het water van belang. Ook het behoud van een goede zwemwaterkwaliteit speelt hierbij een rol. De diversiteit en aantrekkelijkheid van het landschap in Zuid-Holland heeft veel te maken met de aanwezigheid van water. Het ontwikkelen van een duurzame zoetwatervoorziening heeft onder meer gevolgen voor de bescherming van bestaande drinkwaterbronnen en de verdeling van het drinkwater over verschillende watergebruikers.
Door droogte en/of verzilting kan een tekort ontstaan aan zoet water. De opgave is een duurzame situatie te creëren, waarin het watersysteem en de ruimtelijke functies zodanig op elkaar zijn afgestemd dat waterbeheer 'zo eenvoudig mogelijk' is. Voor het realiseren van een robuust en veerkrachtig watersysteem ziet de provincie met name toe op goed operationeel waterbeheer door de waterschappen. Het oppervlaktewatersysteem in Zuid-Holland is een uniek systeem dat het resultaat is van eeuwenlang 'polderen' in het deltalandschap. Het systeem functioneert nog steeds, maar staat onder druk en vraagt aanpassingen en meer ruimte om ook op termijn goed te kunnen blijven functioneren. De toenemende verstedelijking heeft gevolgen voor de afvoer van water, waardoor aanpassingen van het watersysteem noodzakelijk zijn.
Het hoogheemraadschap van Rijnland is verantwoordelijk voor het beheer van de watergangen en bijbehorende kunstwerken in het plangebied. Per 1 juli 2015 zijn bij het Hoogheemraadschap van Rijnland een nieuwe Keur en Uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur bevat regels die nodig zijn om binnen het beheergebied waterveiligheid, droge voeten, voldoende oppervlaktewater en schoon oppervlaktewater te bieden. Bij het opstellen van de nieuwe Keur heeft Rijnland een andere aanpak gebruikt. Er gelden minder regels voor burgers, bedrijven en Rijnland. Daarnaast is het aantal vergunningen en meldingen gehalveerd. Rijnland geeft verantwoordelijkheid, flexibiliteit en vertrouwen waar dat kan en stelt regels waar dat moet. In de Uitvoeringsregels staat hoe Rijnland activiteiten bij het water regelt. Informatie met betrekking tot het watersysteem is opgenomen in de leggers van het hoogheemraadschap. Het beleid van het hoogheemraadschap is opgenomen in het Waterbeheerplan 2016-2021 (Waterbeheerplan 5) dat is vastgesteld op 9 maart 2016. Het hoogheemraadschap onderscheidt vier watertaken:
De gemeenten Waddinxveen en Boskoop hebben, in samenwerking met het Hoogheemraadschap van Rijnland en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, in 2010 een gezamenlijk waterplan opgesteld. Voor de gemeenten is het zorgvuldig omgaan met water van groot belang, onder andere vanwege de ligging in het waterrijke landschap van de veenpolders. Het waterplan bevat een gezamenlijke visie en een maatregelenplan. De beoogde resultaten van de visie zijn ‘droge voeten’, schoon water en een aantrekkelijker Waddinxveen en Boskoop. Op de visiekaart zijn de hoofdstructuren van het watersysteem (die fungeren als belangrijke ruimtelijke dragers), de ecologische verbindingszones en de landschappelijke elementen weergegeven. Bij herontwikkeling kunnen deze elementen dienen als basis voor de planvorming. In de visie is aan de hand van vier thema’s het bestaande (water)beleid vertaald naar een optimaal watersysteem in 2030:
In 2030 is het watersysteem veilig voor wateroverlast, duurzaam en robuust. Lokaal betekent dit dat de veenkades veilig zijn en dat er ruimte is voor waterberging, zodat bij hevige buien de overlast zoveel mogelijk wordt beperkt.
Het water in Waddinxveen is in 2030 helder met een gevarieerde planten- en dierenwereld. De randvoorwaarde daarvoor is een goede (ecologische) waterkwaliteit. De bronnen die dit beletten worden zoveel mogelijk aangepakt.
In 2030 is een hoge belevingswaarde en een optimale benutting op en rond het water bereikt. De verbeteringen zijn zoveel mogelijk gecombineerd met (recreatieve) ontwikkelingen. Hiervoor zijn zoveel mogelijk duurzame bouwmethoden toegepast en zijn de (cultuur)historische waarden zoveel mogelijk hersteld.
Het onderhoud en beheer van het oppervlaktewater is in 2030 afgestemd op de gebruiksfuncties van het water (en de oevers). Het hoogheemraadschap en de gemeente werken efficiënt samen, waardoor de totale kosten zo laag mogelijk zijn.
Om de visie in 2030 te bereiken, zijn maatregelen benoemd voor de komende vijf jaar. Het waterplan zet vooral in op de verbetering van de waterkwaliteit en ecologie. De bedoeling is meer oevers natuurvriendelijk in te richten en hier werk van te maken zodra lokaal groot onderhoud van oevers nodig is. Met de aanleg van natuurvriendelijke oevers wordt de waterkwaliteit in Waddinxveen verbeterd. Tegelijk wordt een onderzoek gestart naar de oorzaken van de slechte/ matige waterkwaliteit om de waterkwaliteit verder te kunnen verbeteren. Hierbij wordt samengewerkt met de hoogheemraadschappen.
Het plangebied is gelegen binnen Polder de Noordplas, peilvak 25. Zomer- en winterpeil bedragen beiden NAP - 6 m. Binnen het plangebied zijn geen watergangen of waterkeringen gelegen.
Met de bouw van de school en de aanleg van parkeerplaatsen zal het verhard oppervlakte toenemen met circa 8.700 m2. Van het toegevoegde verharde oppervlak dient ten minste 15% gecompenseerd te worden, vanwege de versnelde afvoer van hemelwater op het oppervlaktewater bij neerslag. De compensatieopgave als gevolg van de toename aan verharding bedraagt circa 1.310 m². De compensatie dient bij voorkeur in de buurt van het plangebied plaats te vinden en in ieder geval in hetzelfde peilgebied. Een te graven watergang dient in verbinding te staan met bestaand water. De wijze van compensatie zal nog nader worden uitgewerkt.
Het schoolgebouw zal worden aangesloten op het bestaande rioolstelsel, waarbij de daken worden afgekoppeld. Om verslechtering van de waterkwaliteit ten gevolge van de ontwikkeling te voorkomen, dienen geen uitlogende (bouw)materialen toegepast te worden. Hierbij kan gedacht worden aan zink, lood en koper. Tevens zou geen gebruik gemaakt moeten worden van chemische onkruiden gladheidsbestrijding. Het hemelwater wordt via een gescheiden stelsel afgevoerd naar het oppervlaktewater. Dit geldt tevens voor het verharde terrein oppervlak zoals bestrating.
De gemeente Waddinxveen is voornemens om op de bestaande sportvelden achter de Willem de Zwijgerlaan een nieuw schoolgebouw voor twee scholen op te richten. Deze ontwikkeling is niet mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan Bebouwde kom 2015 waarin de bestemming 'sportdoeleinden' geldt. Derhalve wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld.
De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien steeds meer naar elkaar toe. In de Wet ruimtelijke ordening wordt gesproken over het belang van een duurzame ruimtelijke kwaliteit. In jurisprudentie spelen milieuaspecten een belangrijke rol ter bepaling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Alhoewel milieuregelgeving soms beperkingen kan opleggen aan de gewenste ruimtelijke besluiten, is het primair bedoeld om bij te dragen aan een goed woon- en leefklimaat. De doelen van de Wet ruimtelijke ordening en de Wet milieubeheer sluiten op deze wijze bij elkaar aan.
Dit hoofdstuk gaat in op de volgende milieuaspecten:
Het milieuaspect lichthinder is niet relevant voor het onderzoeksgebied. Daarom is hier geen verdere aandacht aan besteed.
Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van de volgende gegevens:
Geluid kan de leefkwaliteit sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeer, railverkeer en /of industrielawaai kunnen hierdoor lichamelijke en psychische klachten oplopen.
Het onderdeel geluid is onderverdeeld in vier verschillende hoofdstukken te weten,
De Wet geluidhinder "werkt" met het systeem van zones (aandachtgebieden) rond geluidsbronnen. Voor dit onderzoek zijn de volgende definities uit de Wet geluidhinder van belang ten aanzien van zones en grenswaarden binnen zones.
Wegverkeerslawaai
Een weg heeft in de zin van de Wet geluidhinder een geluidszone wanneer de maximaal toegestane rijsnelheid 50 km/u bedraagt en hoger.
Een weg heeft een zone die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg:
Railverkeerslawaai
De zonebreedte van spoorwegen zijn vastgesteld op basis van de Geluid productie platfonds (GPP's) uit het Geluidregister Spoor van 10 april 2017. In artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder is een zonebreedte aangegeven, voor de spoorbaan Gouda – Alphen aan den Rijn,van breedte 300 meter, het plangebied ligt binnen de zone.
Grenswaarden weg- en railverkeerslawaai
Het systeem van de Wet geluidhinder gaat hierbij uit van voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden. Een geluidsbelasting onder de voorkeursgrenswaarde is toelaatbaar. De effecten van geluid worden dan aanvaardbaar geacht. Een geluidsbelasting in het gebied tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximale grenswaarde is alleen toelaatbaar na een afwegingsproces. Het afwegingsproces heeft vorm gekregen in de procedure vaststelling hogere waarden voor geluid. Een geluidsbelasting hoger dan de maximale grenswaarde is niet toelaatbaar. In tabel 2.1 is een overzicht gegeven van de wettelijke grenswaarden voor weg- en railverkeer (Wgh).
Tabel 2.1: Overzicht voorkeurs- en maximale grenswaarden in dB voor weg- en railverkeer
Industrielawaai
In de directe omgeving van de scholen zijn geen gezoneerde industrieterreinen aanwezig. De akoestische effecten van de parkerende auto's (brengen kinderen) op het parkeerterrein en de spelende kinderen op het schoolplein zijn middels de systematiek van industrielawaai in beeld gebracht.
6.2.1.2 Grenswaarde industrielawaai, geen Wet geluidhinder
Het onderdeel industrielawaai beschrijft de geluidsniveaus als gevolg van:
Omdat de normen in het Activiteitenbesluit mede zijn gebaseerd op uitsluitingen (o.a. stemgeluid) zoals genoemd in artikel 2.18 is dit geen passend toetsingskader voor een ruimtelijke proces. In deze rapportage is gekozen om aan te sluiten bij de normering uit het Activiteitenbesluit waarbij wordt opgemerkt dat in dit geval stemgeluid wel wordt meegenomen in de beoordeling. Het is zeker relevant in dit kader aangezien er buiten spelende kinderen rond de scholen aanwezig zullen zijn met de bijbehorende geluidsoverlast. Tabel 2.2 geeft een overzicht van de gehanteerde richtwaarden.
Tabel 2.2: Richtwaarden industrielawaai in de woonomgeving in dB(A)
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is inzicht vereist in de geluidsbelasting ter plaatse van het plangebied. De cumulatieve geluidsbelasting geeft een indicatie voor de te verwachten geluidshinder. De cumulatieve geluidsbelasting is bepaald volgens de methode "Miedema". De te verwachten hinder als cumulatieve geluidsbelasting is gekwantificeerd volgens tabel 2.3.
Tabel 2.3: Milieukwaliteitsmaat (Miedema)
Modellering
Als uitgangspunt is gebruik gemaakt van de RVMH van de gemeente Waddinxveen versie 2.4. In dit model zijn de verkeersintensiteiten voor het jaar 2027 opgehoogd conform de rapportage van Goudappel Coffeng "Scholencluster Waddinxveen noord" d.d. 27 september 2016. In de rapportage van Goudappel Coffeng is aangegeven dat als gevolg van de komst van de scholen 785 voertuigbewegingen extra plaats zullen vinden in de dagperiode. Deze voertuigbewegingen zijn opgeteld bij de verkeersintensiteiten voor het jaar 2027. Goudappel Coffeng heeft geen inzicht gegeven in het aantal vervoersbewegingen dat als gevolg van de huidige bestemming sportvelden (sportpark Oranjewijk) optreedt. De situatie welke berekend is betreft dus de worst-case situatie.
In figuur 2.1 is een overzicht gegeven van de gehanteerde afwikkeling van het autoverkeer naar en van de scholen. Hierbij is ervan uitgegaan dat de geadviseerde situatie waarbij er slechts één parkeerplaats (aan de zuidzijde) zal worden gerealiseerd. De verdeling is bepaald op basis van de huidige etmaalintensiteiten.
Figuur 2.1: Overzicht afwikkeling verkeer naar en van de scholen
De berekeningen zijn uitgevoerd overeenkomstig het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Voor de berekeningen is gebruik gemaakt van het rekenprogramma Geomilieu versie 4.10. In bijlage I is een beknopte weergaven van de invoergegevens opgenomen.
De volgende wegen zijn akoestisch relevant voor de deelplannen binnen:
Opgemerkt wordt dat de zogenaamde 30 km/u wegen alleen in de MKM berekening zijn meegenomen.
In figuur 2.2 zijn de berekeningspunten weergegeven waarop de geluidsbelasting is berekend. Afhankelijk van de hoogte van het betreffende gebouw zijn op verschillende hoogtes berekeningen uitgevoerd. Bijlage I geeft een overzicht van de verschillende waarneemhoogtes per berekeningspunt. De punten 018 t/m 030 zijn gelegen ter plaatse van de gevels van de scholen.
Figuur 2.2: Overzicht ingevoerde berekeningspunten
Berekeningsresultaten ter plaatse van de gevels van de scholen
In figuur 2.3 is de geluidsbelasting, Lden, weergegeven als gevolg van de Willem de Zwijgerlaan inclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder ter plaatse van de gevels van de scholen.
Figuur 2.3: Geluidsbelasting, Lden, in dB als gevolg van de Willem de Zwijgerlaan incl. 110g Wgh
Uit figuur 2.3 blijkt dat de voorkeursgrenswaarde ter plaatse van de gevels van de scholen ten gevolge van de Willem de Zwijgerlaan niet wordt overschreden.
In figuur 2.4 is de geluidsbelasting, Lden, weergegeven als gevolg van de Willem Alexandertunnel inclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder ter plaatse van de gevels van de scholen.
Figuur 2.4: Geluidsbelasting, Lden, in dB als gevolg van de Willem Alexandertunnel incl. 110g Wgh
Uit figuur 2.4 blijkt dat de voorkeursgrenswaarde ter plaatse van de gevels van 0de scholen ten gevolge van de Willem Alexandertunnel niet wordt overschreden.
De overige wegen in de directe omgeving hebben geen relevante bijdrage ter plaatse van de gevels van de scholen.
Conclusie wegverkeerslawaai ter plaatse van de scholen:
Voor de bouw van de scholen zijn geen hogere waarden wegverkeerslawaai noodzakelijk.
Berekeningsresultaten op woningen in de directe omgeving van de scholen
In figuur 2.5 is een overzicht gegeven van de verschillen in Lday ten gevolge van wegverkeerslawaai in het peiljaar 2027 voor de situatie met en zonder scholen voor alleen de dagperiode (omdat de school alleen in de dagperiode open is).
Figuur 2.5: Verschilkaart Lday zonder en met scholen voor het peiljaar 2027
Uit figuur 2.5 blijkt dat het verschil in Lday als gevolg van wegverkeerslawaai met en zonder scholen ten hoogste 1,5 tot 2,8 dB bedraagt. Deze verhoging op de Lday is niet of nauwelijks waarneembaar. De toename leidt niet tot een normoverschrijding. Bijlage II geeft een overzicht van alle verschillen op alle waarneempunten.
Modellering
Als uitgangspunt is gebruik gemaakt van het geluidregister spoor (intensiteiten, geluidsschermen e.d.) aangevuld met de omgevingskenmerken uit de RVMH van de gemeente Waddinxveen versie 2.4 (objecten, bodemvlakken e.d.). De berekeningen zijn uitgevoerd overeenkomstig het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Voor de berekeningen is gebruik gemaakt van het rekenprogramma Geomilieu versie 4.10.
Berekeningsresultaten op de rand van het bouwvlak van de scholen
In figuur 2.6 is de geluidsbelasting, Lden, weergegeven als gevolg van de spoorbaan Gouda - Alphen aan den Rijn.
Figuur 2.6: Geluidsbelasting t.g.v. de spoorbaan Gouda - Alphen aan den Rijn
Uit figuur 2.6 blijkt dat ten gevolge van de spoorbaan Gouda - Alphen aan den Rijn ter plaatse van de gevels van de scholen de voorkeursgrenswaarde van 55 dB niet wordt overschreden. Bijlage III geeft een overzicht van de berekeningsresultaten.
Conclusie railverkeerslawaai: Voor de bouw van de scholen zijn geen hogere waarden railverkeerslawaai noodzakelijk.
In de directe omgeving van de deelplannen is geen gezoneerd industrieterrein aanwezig. Industrielawaai is behandeld in het hoofdstuk "Bedrijven en milieuzonering".
De school is zelf echter ook een geluidsbron. Volgens de methodiek van industrielawaai zijn de geluidsniveaus LAr, LT en LAmax ten gevolge van de school bepaald aan de hand van de volgende bronnen:
Vervolgens is een vergelijking gemaakt met de geluidbelasting wanneer uitgegaan zou worden van een invulling met voetbalvelden zoals binnen de huidige bestemming sport is toegestaan.
Geluid van verkeer op de parkeerplaats
Ten behoeve van de berekening van de geluidsniveaus ten gevolge van de verkeersbewegingen op de parkeerplaats is een separaat computermodel opgesteld waarvan als basis is uitgegaan van het model zoals beschreven in het hoofdstuk wegverkeerslawaai.
In de berekening is uitgegaan van de volgende gegevens:
Figuur 2.7 geeft een overzicht van de ingevoerde bronnen. Bijlage 2 geeft een overzicht van de invoergegevens voor het parkeerterrein.
Figuur 2.7: Ingevoerde bronnen ter bepaling geluidsniveaus parkeerterrein
Langtijdgemiddelde deelbeoordelingsniveaus, LAr, LT t.g.v. rijden auto's op parkeerterrein
In figuur 2.8 is een overzicht gegeven van de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (dagperiode) op de bepalende berekeningspunten. Bijlage VI geeft een totaaloverzicht.
Figuur 2.8: Langtijdgemiddelde deelbeoordelingsniveaus (dag) in dB(A) als gevolg van parkeren auto's
Uit figuur 2.8 blijkt dat de streefwaarde van 50 dB(A) ter plaatse van de woningen in de directe omgeving van de scholen niet wordt overschreden.
Maximale geluidsniveaus, LAmax t.g.v. slaan van autoportieren op het parkeerterrein
In tabel 2.4 is een overzicht gegeven van de berekende maximale geluidsniveaus in de dagperiode op de berekeningspunten ten gevolge van slaan van autoportieren op het parkeerterrein.
| Adres | LAmax in dB(A) | |||||
| 1,5 [m] |
4,5 [m] |
7,5 [m] |
10,5 [m] |
15 [m] |
hoogste waarde | |
| 001 Elzenhorst flat | 45 | 45 | 46 | 48 | 48 | |
| 002 Willem de Zwijgerlaan 61 | 38 | 39 | 39 | |||
| 003 Willem de Zwijgerlaan 59 | 44 | 44 | 44 | |||
| 003b Willem de Zwijgerlaan 59 | 53 | 55 | 55 | |||
| 004 Jan van Bijnenpad flat | 43 | 44 | 45 | 46 | 48 | 48 |
| 005 Prinses Beatrixlaan 126-134 | 50 | 51 | 51 | |||
| 006 Prinses Beatrixlaan 124 | 52 | 52 | 52 | |||
| 007 Willem de Zwijgerlaan 64-74 | 51 | 52 | 52 | |||
| 008 Willem de Zwijgerlaan 52-62 | 42 | 44 | 44 | |||
| 009 Willem de Zwijgerlaan 38-50 | 39 | 43 | 43 | |||
| 010 Willem de Zwijgerlaan 20-36 | 43 | 43 | 43 | |||
| 011 Willem de Zwijgerlaan 2-18 | 41 | 41 | 41 | |||
| 012 Prins Alexanderstraat flat | 35 | 35 | 35 | |||
| 013 Prins Alexanderstraat | 25 | 25 | 25 | |||
| 014 Koningin Wilhelminaplein 1 | 42 | 42 | ||||
| 014b Koningin Wilhelminaplein 1 | 46 | 46 | ||||
| 015 Koningin Wilhelminaplein flat | 60 | 63 | 62 | 63 | ||
| 016 Koningin Wilhelminaplein flat | 53 | 39 | 38 | 53 | ||
| 017 Anna van Burenstraat 8 | 61 | 63 | 63 | |||
| 018 School | 48 | 50 | 52 | 52 | ||
| 019 School | 51 | 55 | 57 | 57 | ||
| 020 School | 51 | 55 | 57 | 57 | ||
| 021 School | 53 | 56 | 58 | 58 | ||
| 022 School | 51 | 54 | 56 | 56 | ||
| 023 School | 51 | 55 | 56 | 56 | ||
| 024 School | 46 | 49 | 51 | 51 | ||
| 025 School | 33 | 34 | 39 | 39 | ||
| 026 School | 32 | 34 | 41 | 41 | ||
| 027 School | 46 | 53 | 55 | 55 | ||
| 028 School | 32 | 33 | 37 | 37 | ||
| 029 School | 37 | 39 | 42 | 42 | ||
| 030 School | 32 | 33 | 39 | 39 | ||
| 031 Willem de Rijkelaan | 45 | 46 | 47 | 48 | 48 | |
| 032 Willem de Rijkelaan | 50 | 51 | 53 | 54 | 54 | |
| 033 Willem de Rijkelaan | 51 | 54 | 55 | 55 | 55 | |
| 034 Willem de Rijkelaan | 53 | 56 | 57 | 57 | 57 | |
| 035 Willem de Rijkelaan | 55 | 59 | 59 | 58 | 59 | |
| 036 Willem de Rijkelaan | 56 | 60 | 60 | 59 | 60 | |
| 037 Elzenhorst | 46 | 46 | 47 | 47 | ||
| 038 Elzenhorst | 45 | 46 | 47 | 47 | ||
| 039 Elzenhorst | 45 | 46 | 47 | 47 | ||
| 040 Chopinlaan 44 | 43 | 43 | 43 | |||
| 041 Juliana van Stolberglaan flat | 40 | 31 | 31 | 32 | 40 | |
| 042 Sweelinckhof 63 | 38 | 39 | 39 | |||
| 043 Chopinlaan 14 | 26 | 26 | 26 | |||
| 044 Willem de Rijkelaan | 45 | 46 | 47 | 48 | 48 | |
| 045 Willem de Rijkelaan | 45 | 46 | 47 | 48 | 48 | |
| 046 Willem de Rijkelaan | 44 | 45 | 46 | 47 | 47 | |
| 047 Willem de Rijkelaan | 43 | 45 | 45 | 46 | 46 | |
Tabel 2.4: Berekeningsresultaten slaan van autoportieren (LAmax) op parkeerterrein in dB(A)
Uit tabel 2.4 blijkt dat als gevolg van het slaan van autoportieren op de parkeerplaats voor de school ter plaatse van de woningen piekniveaus optreden van ten hoogste 63 dB(A). De streefwaarde van 70 dB(A) wordt hierbij niet overschreden. Op de rand van het bouwvlak van de scholen treden piekniveaus op van ten hoogste 57 dB(A).
Stemgeluid van spelende kinderen
In de huidige situatie is op de beoogde locatie een sportpark bestemd. Echter op dit moment wordt het terrein niet als sportpark gebruikt. Om inzicht te krijgen in het effect van de komst van de scholen is onderzocht wat de bijdrage is van de meest bepalende geluidsbron, de spelende kinderen.
Ten behoeve van de berekening van de geluidsniveaus ten gevolge van de spelende kinderen is een separaat computermodel opgesteld waarvan als basis is uitgegaan van:
Aangenomen is dat alle kinderen, natuurlijk verdeeld over de schooldag, minimaal (bepaald op basis van navraag bij verschillende scholen):
In totaal spelen alle kinderen in de dagperiode gedurende 1 uur en 15 minuten op het plein. In de berekening van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (gemiddeld niveau over de gehele dagperiode) maakt het hierbij niet uit of de kinderen allemaal gelijktijdig buitenspelen of in kleinere groepen omdat van elk kind het gemiddelde geluidsniveau over de dagperiode bepaald dient te worden (zie de Handleiding meten en rekenen industrielawaai bladzijde 88 en 166).
Per dag zullen (worst-case) 50 kinderen gebruik maken van de BSO komen. Niet alle kinderen zullen gaan buitenspelen. In de rapportage is uitgegaan dat alle kinderen 1 uur buiten spelen (worst-case).
In de berekening van de maximale geluidsniveaus maakt het eveneens niet uit of alle kinderen wel of niet gelijktijdig buitenspelen. Immers in de bepaling van de maximale geluidsniveaus maakt het niet uit of een bepaald event (schreeuwend kind of slaan van autoportieren) één of meerdere keren voorkomt. Elk event wordt even zwaar beoordeeld en getoetst aan de norm.
In de berekening is uitgegaan van de volgende gegevens:
In figuur 2.9 is een overzicht gegeven van de ingevoerde bronnen inclusief de meest maatgevende woningen (Willem de Rijkelaan).
Figuur 2.9: Ingevoerde bronnen spelende kinderen
Langtijdgemiddelde deelbeoordelingsniveaus, LAr, LT ten gevolge van spelende kinderen
In figuur 2.10 is een overzicht gegeven van de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus dagperiode) op de bepalende berekeningspunten. Bijlage VII geeft een totaaloverzicht.
Figuur 2.10: Langtijdgemiddelde deelbeoordelingsniveau als gevolg van spelen kinderen
Uit figuur 2.10 blijkt dat de streefwaarde van 50 dB(A) ter plaatse van de woningen aan de Willem de Rijkelaan (o.a. punt 032) wordt overschreden met ten hoogste 1 dB. In tabel 2.5 is een uitgesplitste bijdrage gegeven op punt 032 op een waarneemhoogte van 7,5 meter.
Tabel 2.5: Uitgesplitste bijdrage LAr, LT in dB(A)
Uit tabel 2.5 blijkt dat de bijdragen van de spelende kinderen op het plein "zuid" bepalend is voor de totale geluidsbelasting op het punt. Dit geldt, in iets andere mate, op alle punten ter plaatse van de woningen aan de Willem de Rijkelaan.
De scholen krijgen in de toekomst te maken met een krimpscenario voor wat betreft de leerlingaantallen (bron: Integraal Huisvestingsplan primair onderwijs 2016-2033, gemeente Waddinxveen). In deze rapportage is uitgegaan van de situatie zoals deze in de toekomst zal worden (prognose januari 2016: totaal 610 kinderen inclusief peuterspeelzaal, kinderdagverblijf en BSO). Wanneer de scholen van start gaan op deze locatie (januari 2019) zal het aantal kinderen (op basis van de gemelde prognose) tijdelijk hoger liggen, namelijk 720.
In figuur 2.11 is een overzicht gegeven van het effect in de geluidsberekeningen bij een aantal kinderen van 610 en van 720 kinderen. In de figuur zijn de verschillen weergegeven waarbij elk punt de bovenste waarden het geluidsniveau t.g.v. 610 kinderen en de onderste waarden de geluidsbelasting t.g.v. 720 kinderen weergeeft.
Figuur 2.11: Langtijdgemiddelde deelbeoordelingsniveau als gevolg van spelen kinderen. Boven met 610 en onder met 720 kinderen spelend op de schoolpleinen.
Uit figuur 2.11 blijkt dat het verschil in de geluidsniveaus (langtijdgemiddelde) met 610 kinderen of 720 kinderen ten hoogste 1 dB bedraagt.
Maximale geluidsniveaus, LAmax t.g.v. spelende kinderen
In tabel 2.6 is een overzicht gegeven van de berekende maximale geluidsniveaus in de dagperiode op de berekeningspunten.
| Adres | LAmax in dB(A) | |||||
| 1,5 [m] |
4,5 [m] |
7,5 [m] |
10,5 [m] |
15 [m] |
hoogste waarde | |
| 001_Elzenhorst flat | 23 | 23 | 24 | 25 | 25 | |
| 002_Willem de Zwijgerlaan 61 | 26 | 27 | 27 | |||
| 003_Willem de Zwijgerlaan 59 | 29 | 29 | 29 | |||
| 003bWillem de Zwijgerlaan 59 | 43 | 46 | 46 | |||
| 004_Jan van Bijnenpad flat | 39 | 39 | 39 | 40 | 41 | 41 |
| 005_Prinses Beatrixlaan 126-134 | 41 | 41 | 41 | |||
| 006_Prinses Beatrixlaan 124 | 42 | 42 | 42 | |||
| 007_Willem de Zwijgerlaan 64-74 | 42 | 42 | 42 | |||
| 008_Willem de Zwijgerlaan 52-62 | 34 | 42 | 42 | |||
| 009_Willem de Zwijgerlaan 38-50 | 30 | 31 | 31 | |||
| 010_Willem de Zwijgerlaan 20-36 | 29 | 30 | 30 | |||
| 011_Willem de Zwijgerlaan 2-18 | 21 | 21 | 21 | |||
| 012_Prins Alexanderstraat flat | 21 | 22 | 22 | |||
| 013_Prins Alexanderstraat | 20 | 20 | 20 | |||
| 014_Koningin Wilhelminaplein 1 | 28 | 28 | ||||
| 014bKoningin Wilhelminaplein 1 | 27 | 27 | ||||
| 015_Koningin Wilhelminaplein flat | 46 | 47 | 49 | 49 | ||
| 016_Koningin Wilhelminaplein flat | 26 | 27 | 28 | 28 | ||
| 017_Anna van Burenstraat 8 | 49 | 51 | 51 | |||
| 018_School | 73 | 72 | 72 | 73 | ||
| 019_School | 70 | 70 | 70 | 70 | ||
| 020_School | 72 | 73 | 71 | 73 | ||
| 021_School | 71 | 71 | 71 | 71 | ||
| 022_School | 74 | 73 | 71 | 74 | ||
| 023_School | 67 | 68 | 66 | 68 | ||
| 024_School | 48 | 50 | 51 | 51 | ||
| 025_School | 68 | 69 | 68 | 69 | ||
| 026_School | 70 | 70 | 71 | 71 | ||
| 027_School | 68 | 68 | 67 | 68 | ||
| 028_School | 69 | 70 | 70 | 70 | ||
| 029_School | 70 | 71 | 71 | 71 | ||
| 030_School | 65 | 67 | 67 | 67 | ||
| 031_Willem de Rijkelaan | 51 | 54 | 55 | 55 | 55 | |
| 032_Willem de Rijkelaan | 57 | 59 | 59 | 59 | 59 | |
| 033_Willem de Rijkelaan | 57 | 59 | 59 | 58 | 59 | |
| 034_Willem de Rijkelaan | 54 | 57 | 58 | 57 | 58 | |
| 035_Willem de Rijkelaan | 53 | 55 | 56 | 55 | 56 | |
| 036_Willem de Rijkelaan | 51 | 53 | 54 | 54 | 54 | |
| 037_Elzenhorst | 43 | 44 | 44 | 44 | ||
| 038_Elzenhorst | 45 | 47 | 48 | 48 | ||
| 039_Elzenhorst | 43 | 44 | 45 | 45 | ||
| 040_Chopinlaan 44 | 39 | 39 | 39 | |||
| 041_Juliana van Stolberglaan flat | 22 | 22 | 22 | 22 | 22 | |
| 042_Sweelinckhof 63 | 36 | 36 | 36 | |||
| 043_Chopinlaan 14 | 33 | 33 | 33 | |||
| 044_Willem de Rijkelaan | 51 | 53 | 54 | 54 | 54 | |
| 045_Willem de Rijkelaan | 51 | 53 | 54 | 54 | 54 | |
| 046_Willem de Rijkelaan | 50 | 53 | 54 | 53 | 54 | |
| 047_Willem de Rijkelaan | 50 | 52 | 54 | 54 | 54 | |
Tabel 2.6: Berekeningsresultaten spelende kinderen (LAmax) op de schoolpleinen in dB(A)
Uit tabel 2.6 blijkt dat als gevolg van het spelen van kinderen op de schoolpleinen ter plaatse van de woningen piekniveaus optreden van ten hoogste 59 dB(A). De streefwaarde van 70 dB(A) wordt hierbij niet overschreden. Ter plaatse van de gevels van de scholen treden piekniveaus op van ten hoogste 74 dB(A).
Uit de berekeningsresultaten van de uitgangssituatie blijkt dat het plein "zuid" bepalend is voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, LAr, LT, ten gevolge van spelende kinderen. De volgende maatregelen zijn mogelijk:
Cumulatie geluidsniveaus
In figuur 2.12 is een overzicht gegeven van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen in de directe omgeving van de scholen. Weergegeven is de situatie overeenkomstig de huidige situatie (getallen) en de toekomstige situatie met de school (gekleurde bolletjes).
Figuur 2.12: MKM in de omgeving met de huidige situatie (getallen) en met scholen (kleuren)
Conclusie geluid school en vergelijking met invulling volgens vigerende bestemmingsplan.
Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van spelende kinderen en parkeerbewegingen de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus uitkomen boven de streefwaarde van 50 dB(A) ter plaatse van de woningen aan de Willem de Rijkelaan. Om een afweging te maken is daarom een vergelijking gemaakt met een volledige invulling van de huidige bestemming Sport.
Geluid t.g.v. de voetbalactiviteiten conform vigerend bestemmingsplan
Conform het vigerende bestemmingsplan 'Bebouwde kom 2015' is het WSE-terrein in Waddinxveen bestemd als sportvelden. Figuur 2.13 geeft een overzicht van de situatie.
Figuur 2.13: Overzicht verbeelding uit BP 'Bebouwde kom 2015'
Modellering
De berekeningen zijn uitgevoerd overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999. De berekeningen zijn uitgevoerd met het reken programma Geomilieu versie 4.10 van DGMR Raadgevende Ingenieurs.
Gehanteerde bronvermogens voetballen
Ten aanzien van de geluidemissie van voornoemde activiteiten is gebruik gemaakt van de VDI Richtlijn nr. 3770 'Emissionskennwerte technischer Schallquellen Sport- und Freizeitanlagen' van april 2002 (de VDI). In de VDI zijn karakteristieke geluidsvermogens opgenomen per activiteit. Deze geluidsvermogens zijn bepaald uit de resultaten van meerdere geluidmetingen in de praktijk.
Op basis van de VDI is per activiteit de volgende geluidemissie gehanteerd:
Equivalente geluidsvermogens (LWr,eq)
Het geluid ten gevolge van voetbalactiviteiten wordt bepaald door het stemgeluid van de spelers, de fluit van de scheidsrechter en het publiek.
De VDI geeft voor deze activiteiten de volgende equivalente geluidsvermogens (LWr,eq) per veld:
Waarbij is uitgegaan van:
Aantal toeschouwer: gemiddeld 20 per wedstrijd (voor de beide teams samen);
Toeschouwers: 80 dB + 10 log (aantal toeschouwers) = 93 dB(A);
Fluit scheidsrechter: Wedstrijden 98.5 dB + 3 log(1+ aantal toeschouwers) = 102 dB(A);
Piekgeluidsvermogens (LWr,max)
De optredende piekniveaus voor de verschillende sporten worden voornamelijk veroorzaakt door de scheidsrechterfluitjes, het schreeuwen van een sporter of toeschouwer.
In dit onderzoek is uitgegaan van de volgende piekgeluidsvermogens:
Bijlage 2 geeft een overzicht van de invoergegevens.
Bedrijfssituaties
In de berekening zijn twee verschillende situaties beoordeeld, te weten:
De hieronder genoemde wedstrijd- en trainingstijden zijn gebaseerd op ervaringscijfers van de ODMH.
Weekeind dag
Voor de wedstrijddag in het weekeind is uitgegaan dat er in totaal 15 stuks wedstrijden gespeeld worden verdeeld over 3 velden. Bij een maximale speeltijd van 1 uur en 30 minuten bedraagt de totale speeltijd per speelveld 7 uur en 30 minuten. De bedrijfstijd van het gebruik van de scheidsrechters fluit voor voetbal is niet gelijk aan de speeltijd. Voor wedstrijden is in dit onderzoek uitgegaan van 10% fluittijd tijdens wedstrijden (0,75 uur). Figuur 2.14 geeft een overzicht van de ingevoerde bronnen.
Figuur 2.14: Overzicht ingevoerde bronnen weekeind dag
Doordeweekse dag
Voor de doordeweekse dag, wanneer er trainingen plaatsvinden, is in dit onderzoek uitgegaan dat de trainingen gedurende 7 uur in de dag- en 4 uur in de avondperiode plaatsvinden. Uitgangspunt is dat tijdens trainingen geen (schreeuwende) toeschouwers aanwezig zijn en geen scheidsrechter. Figuur 2.15 geeft een overzicht van de ingevoerde bronnen.
Figuur 2.15: Overzicht ingevoerde bronnen weekdag
Berekeningsresultaten
De berekeningen t.g.v. de voetbalvelden zijn uitgevoerd op de punten zoals aangegeven in figuur 2.15.
Weekeind dag, Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT)
Figuur 2.16 geeft een overzicht van de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, LAr, LT, ten gevolge van het voetballen in de dagperiode.
Figuur 2.16: Overzicht LAr, LT t.g.v. voetballen op een weekeind dag
Uit figuur 2.16 blijkt dat ter plaatse van de woningen aan de Willem de Rijkelaan langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus optreden van ten hoogste 60 dB(A). De richtwaarde van 50 dB(A) wordt hierbij met 10 dB overschreden. Bijlage IV geeft een overzicht van de uitgesplitste berekeningsresultaten.
Doordeweekse dag, Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT)
Figuur 2.17 geeft een overzicht van de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, LAr, LT, ten gevolge van het voetbal trainingen in de dagperiode op een doordeweekse dag.
Figuur 2.17: Berekende LAr, LT t.g.v. voetbal trainingen in de dagperiode op een doordeweekse dag
Uit figuur 2.17 blijkt dat ter plaatse van de woningen aan de Willem de Rijkelaan langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in de dagperiode optreden van ten hoogste 49 dB(A). De richtwaarde van 50 dB(A) wordt hierbij niet overschreden. Bijlage V geeft een overzicht van de uitgesplitste berekeningsresultaten.
Figuur 2.18 geeft een overzicht van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in de avondperiode als gevolg van voetbaltrainingen.
Figuur 2.18: Berekende LAr, LT t.g.v. voetbal trainingen in de avondperiode op een doordeweekse dag
Uit figuur 2.18 blijkt dat ter plaatse van de woningen aan de Willem de Rijkelaan langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in de avondperiode optreden van ten hoogste 51 dB(A). De richtwaarde van 45 dB(A) in de avondperiode wordt hierbij met 6 dB overschreden. Bijlage V geeft een overzicht van de uitgesplitste berekeningsresultaten.
Maximale geluidsniveaus in beide situaties
Tabel 2.7 geeft een overzicht van de berekende maximale geluidsniveaus op een weekeind dag en een doordeweekse dag.
| Adres | Weekeind | Doordeweekse dag | |
| Dag | Dag | Avond | |
| 001 Elzenhorst flat | 52 | 24 | 27 |
| 002 Willem de Zwijgerlaan 61 | 44 | 21 | 23 |
| 003 Willem de Zwijgerlaan 59 | 52 | 23 | 26 |
| 003b Willem de Zwijgerlaan 59 | 64 | 39 | 41 |
| 004 Jan van Bijnenpad flat | 60 | 35 | 37 |
| 005 Prinses Beatrixlaan 126-134 | 62 | 36 | 38 |
| 006 Prinses Beatrixlaan 124 | 62 | 37 | 39 |
| 007 Willem de Zwijgerlaan 64-74 | 62 | 37 | 39 |
| 008 Willem de Zwijgerlaan 52-62 | 62 | 36 | 38 |
| 009 Willem de Zwijgerlaan 38-50 | 54 | 27 | 29 |
| 010 Willem de Zwijgerlaan 20-36 | 49 | 22 | 24 |
| 011 Willem de Zwijgerlaan 2-18 | 41 | 17 | 20 |
| 012 Prins Alexanderstraat flat | 47 | 19 | 21 |
| 013 Prins Alexanderstraat | 52 | 20 | 23 |
| 014 Koningin Wilhelminaplein 1 | 51 | 23 | 26 |
| 014b Koningin Wilhelminaplein 1 | 53 | 23 | 25 |
| 015 Koningin Wilhelminaplein flat | 72 | 44 | 46 |
| 016 Koningin Wilhelminaplein flat | 50 | 22 | 24 |
| 017 Anna van Burenstraat 8 | 79 | 48 | 50 |
| 031 Willem de Rijkelaan | 77 | 47 | 50 |
| 032 Willem de Rijkelaan | 78 | 49 | 51 |
| 033 Willem de Rijkelaan | 79 | 48 | 51 |
| 034 Willem de Rijkelaan | 77 | 48 | 50 |
| 035 Willem de Rijkelaan | 75 | 47 | 50 |
| 036 Willem de Rijkelaan | 76 | 47 | 49 |
| 037 Elzenhorst | 61 | 37 | 40 |
| 038 Elzenhorst | 61 | 38 | 40 |
| 039 Elzenhorst | 60 | 37 | 39 |
| 040 Chopinlaan 44 | 58 | 31 | 33 |
| 041 Juliana van Stolberglaan flat | 46 | 18 | 21 |
| 042 Sweelinckhof 63 | 55 | 30 | 33 |
| 043 Chopinlaan 14 | 51 | 26 | 28 |
| 044 Willem de Rijkelaan | 76 | 48 | 50 |
| 045 Willem de Rijkelaan | 76 | 48 | 50 |
| 046 Willem de Rijkelaan | 78 | 48 | 51 |
| 047 Willem de Rijkelaan | 79 | 49 | 51 |
Tabel 2.7: Overzicht maximale geluidsniveaus op doordeweekse dag en weekeind dag in dB(A)
Uit tabel 2.7 blijkt dat de richtwaarde van 70 dB(A) ten aanzien van de maximale geluidsniveaus in de dagperiode met 9 dB wordt overschreden. De overschrijdingen treden op als gevolg van het fluitsignaal van de scheidsrechter en het schreeuwende publiek.
Tevens blijkt uit tabel 2.7 dat de richtwaarden tijdens trainingen in de dag- (70 dB(A)) en avondperiode (65 dB(A)) niet worden overschreden.
Conclusie voetbalactiviteiten
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus
Uit het onderzoek blijkt dat de richtwaarde van 50 dB(A) in de dagperiode tijdens wedstrijddagen met 10 dB wordt overschreden.
Tijdens trainingsdagen worden de richtwaarde van 50 dB(A) in de dagperiode niet overschreden. Tijdens trainingen in de avondperiode wordt de richtwaarde van 45 dB(A) met ten hoogste 6 dB overschreden.
Maximale geluidsniveaus
Tijdens wedstrijddagen wordt de streefwaarde van 70 dB(A) als gevolg van het fluiten van de scheidsrechter en het schreeuwende publiek overschreden. De overschrijding bedraagt ten hoogste 9 dB.
Afweging cumulatieve geluidsituatie school
Om te kunnen bepalen of de overschrijding van de streefwaarde van 50 dB(A) in de dagperiode, bij de aanwezigheid van scholen, toelaatbaar is, is gekeken naar het woon- en leefklimaat in de vigerende situatie (bestemmingsplan Bebouwde kom 2015) en de situatie na de komst van de scholen. Dit is onderzocht aan de hand van de methode Miedema.
Cumulatie geluidsniveaus
In figuur 2.19 is een overzicht gegeven van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen in de directe omgeving van de scholen. Weergegeven is de situatie overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan (voetbalvelden) en de toekomstige situatie (scholen). De MKM inclusief scholen is in kleur weergegeven en de MKM met voetbalvelden in getalsnotatie.
Figuur 2.19: MKM in de omgeving met sportvelden (getallen) en met scholen (kleur)
Uit figuur 2.19 blijkt dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen aan de Willem de Rijkelaan weliswaar verslechtert ten opzichte van de huidige situatie, maar in vergelijking met de situatie bij maximale invulling van de huidige bestemming, aanzienlijk beter is. Zoals hiervoor reeds is aangegeven, is de norm van 50 dB(A) geen harde norm. De gemeente acht een waarde tot 55 dB ter plaatse van enkele woningen om die reden acceptabel. Daarnaast zjn ook de volgende argumenten nog van belang:
De situatie waarbij na ingebruikname van de scholen 720 kinderen aanwezig kunnen zijn, zal het woon- en leefklimaat, ondanks het feit dat de geluidsbelasting dan 1 dB hoger is, niet anders zijn dan in de situatie met 610 kinderen. Dit is het gevolg van het feit dat:
Wegverkeerslawaai
Uit het onderzoek blijkt dat wegverkeerslawaai ten aanzien van de bouw van de scholen niet relevant is. Er is geen procedure hogere waarde wegverkeerslawaai noodzakelijk voor de school.
Als gevolg van de komst van de scholen zal in de dagperiode de verkeersintensiteit toenemen. Ter plaatse van de woningen direct langs de Willem de Zwijgerlaan neemt de Lday met 1,5 tot 2,8 dB toe. Ten aanzien van de Lden neemt de geluidsbelasting niet toe gezien het feit dat de scholen alleen in de dagperiode gebruikt worden.
Railverkeerslawaai
Uit het onderzoek blijkt dat railverkeerslawaai ten aanzien van de bouw van de scholen niet relevant is. Er is geen procedure hogere waarde railverkeerslawaai noodzakelijk voor de school.
Industrielawaai, voetballen conform vigerend bestemmingsplan
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus
Uit het onderzoek blijkt dat de richtwaarde van 50 dB(A) in de dagperiode tijdens wedstrijddagen in het weekeind met 10 dB wordt overschreden.
Tijdens trainingsdagen worden de richtwaarde van 50 dB(A) in de dagperiode niet overschreden. Tijdens trainingen in de avondperiode wordt de richtwaarde van 45 dB(A) met ten hoogste 6 dB overschreden.
Maximale geluidsniveaus
Tijdens wedstrijddagen wordt de streefwaarde van 70 dB(A) als gevolg van het fluiten van de scheidsrechter en het schreeuwende publiek overschreden. De overschrijding bedraagt ten hoogste 9 dB.
Industrielawaai, spelende kinderen bij scholen
Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van spelende kinderen de langtijdgemiddelde deelbeoordelingsniveau 1 dB uitkomt boven de streefwaarde van 50 dB(A) ter plaatse van de woningen aan de Willem de Rijkelaan. Reductie van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau kan alleen door het plaatsen van een geluidsscherm (kosten circa € 63.000,-) dat echter stuit op bezwaren van onder andere financiële aard. De geringe overschrijding van 1 dB wordt in deze situatie toelaatbaar geacht gezien de verbetering ten opzichte van de situatie conform het vigerende bestemmingsplan.
Als gevolg van spelende kinderen wordt de streefwaarde voor de maximale geluidsniveaus van 70 dB(A) in de dagperiode niet overschreden. De maximale geluidsniveaus bedragen ten hoogste 63 dB(A) ter plaatse van de bepalende woningen aan de Willem de Rijkelaan.
Woon- en leefklimaat
In de nieuwe situatie zal door de omwonenden mogelijk meer overlast worden ervaren dan bij de bestemming sport zoals ingevuld door WSE in de jaren daarvoor. In de vorige paragraaf is aan de hand van de cumulatieve geluidsituatie een vergelijking gemaakt tussen een invulling van het plangebied met scholen respectievelijk met voetbalactiviteiten ten opzichte van de feitelijke situatie (locatie niet in gebruik). Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen aan de Willem de Rijkelaan en de Anna van Burenlaan zal bij de invulling met een school verbeteren ten opzichte van een invulling met de huidige bestemming Sport. Ter plaatse van de woningen aan de Willem de Rijkelaan zal het woon- en leefklimaat matig zijn ten opzichte van tamelijk slecht bij een invulling met de bestemming Sport. Ter plaatse van de woning aan de Anna van Burenstraat zal het woon- en leefklimaat redelijk zijn ten opzichte van een matig woon- en leefklimaat bij de bestemming Sport.
Ten opzichte van de feitelijke situatie zal het woon- en leefklimaat op enkele punten iets verslechteren, maar gezien de mogelijke verslechtering die op basis van de huidige bestemming mogelijk is, wordt dit acceptabel geacht. Ter plaatse van de overige woningen zal het woon- en leefklimaat niet veranderen. Het woon- en leefklimaat varieert van redelijk tot tamelijk slecht."
Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse.
Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in onderstaande tabel.
Tabel 3.1: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit
Wet luchtkwaliteit
De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijk plan of project doorgang kan vinden indien:
Regeling NIBM
De Ministeriële Regeling NIBM geeft een uitwerking aan het Besluit NIBM en een getalsmatige invulling van de NIBM-grens. Voor een aantal categorieën van projecten kan met zekerheid worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een luchtkwaliteit onderzoek niet meer nodig is:
De NIBM regels gelden niet voor PM2,5. Aan de grenswaarde voor PM2,5 moet dus wel worden getoetst. PM2,5 is een fractie van PM10. Indien aan de normen voor PM10 wordt voldaan wordt ook aan de norm voor PM2,5 voldaan.
Het plan betreft de oprichting van één gebouw dat twee scholen zal huisvesten. De scholen hebben een verkeersaantrekkende werking, daarom moet er aandacht besteed worden aan luchtkwaliteit. Een scholenlocatie is niet opgenomen in de regeling NIBM. Daarom dient er getoetst te worden aan de grenswaarden.
De grenswaarden in het gebied voor NO2 en PM10 worden op dit moment op de locatie niet overschreden. De achtergrondconcentratie blijft ver onder de grenswaarden. Voor de locatie is bekeken of de oprichting van de scholen niet in betekende mate zal bijdragen aan de luchtkwaliteit. Hiervoor is de NIBM-tool van het Ministerie van Infrastructuur en milieu gebruikt. De invoergegevens zijn gebaseerd op het rapport van Goudappel Coffeng waarin aangegeven wordt dat er 785 extra voertuigbewegingen te verwachten zijn per etmaal. Deze gegevens zijn ingevoerd in de tool. Hieruit blijkt dat, op basis van een worst-case berekening, het scholencluster niet in betekenende mate zal bijdragen aan de luchtkwaliteit (zie tabel 3.2).
Tabel 3.2: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit
Er zijn in het kader van luchtkwaliteit geen beperkingen voor het bestemmingsplan.
Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar.
Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Activiteitenbesluit milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten.
De te beoordelen situaties zijn te herleiden tot drie groepen en bijbehorende aanpak, te weten:
De richtafstanden in de richtlijn Bedrijven en Milieuzonering 2009 van de VNG gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype "gemengd gebied" kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. Dit omgevingstype en bijbehorende systematiek zullen dan wel in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd.
Naast dat een school een milieugevoelige functie is, gelden voor een school in het kader van bedrijven en milieuzonering tevens richtafstanden tot milieugevoelige functies. Hierdoor is het voor de realisatie van de scholen op de locatie noodzakelijk aandacht te besteden aan bedrijven en milieuzonering. Hiervoor is een inventarisatie gemaakt van de omliggende bedrijvigheid die van invloed kan zijn op de scholenlocatie.
In de directe omgeving van de scholenlocatie is diverse bedrijvigheid gelegen. Het gebied kan hiermee getypeerd worden als een gemengd gebied. Hiermee mogen de richtafstanden met 1 stap verkleind worden.
Bedrijvigheid rond de scholenlocatie
Op circa 75 meter van de scholenlocatie ligt een winkelgebied. Hier zijn diverse winkels gevestigd. Deze winkels vallen allen in milieucategorie 1 en hebben een richtafstand van 0 meter tot milieugevoelige functies. Daarmee zijn de winkels niet maatgevend voor de ontwikkeling.
Op circa 15 meter van de scholenlocatie is een cafetaria gelegen. Hiervoor geldt tevens milieucategorie 1 en de bijbehorende richtafstand van 0 meter. Hiermee is het cafetaria niet maatgevend voor de scholenlocatie.
De supermarkt op circa 30 meter valt tevens in milieucategorie 1 en is daarmee ook niet maatgevend.
Op circa 25 meter van de scholenlocatie is een dansschool aanwezig. Deze dansschool valt in milieucategorie 2. Hiervoor geldt in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Daarmee is de dansschool niet beperkend voor de scholenlocatie.
Overlast van de scholenlocatie voor de omgeving
De scholenlocatie kan tevens overlast veroorzaken voor de omgeving, door het halen en brengen van kinderen en spelende kinderen. Deze overlast beperkt zich voornamelijk tot geluid. Bij het onderdeel geluid is reeds aangetoond dat de scholenlocatie, middels maatregelen, inpasbaar is op deze locatie. Voor bedrijven en milieuzonering geldt milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. De dichtstbijzijnde woningen liggen op circa 30 meter van de geplande scholenlocatie. Daarmee zijn de scholen inpasbaar, middels maatregelen voor het aspect geluid, op deze locatie.
De scholen worden niet gehinderd door de omliggende bedrijvigheid. De scholen zullen voor het aspect geluid wel enige extra geluidhinder veroorzaken voor de omliggende woningen. Hieraan is onder het aspect geluid reeds voldoende aandacht besteed. Het aspect bedrijven en milieuzonering is niet beperkend voor het plan.
Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico's op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico's. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico's zoveel mogelijk beperkt.
Plaatsgebonden risico (PR)
Als "harde" afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd.
Groepsrisico (GR)
Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedgebied. Binnen dit invloedgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron. De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld.
De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht.
Ter voorbereiding van het plan voor de realisatie van een schoolgebouw is onderzocht of er risicobronnen binnen of nabij het plangebied zijn gelegen die hierop van invloed zijn.
Mogelijke risicobronnen zijn bedrijven (inrichtingen), waar activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden of transportmodaliteiten bestemd voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals (spoor)wegen en buisleidingen.
Inrichtingen
Binnen en nabij het plangebied zijn geen EV relevante inrichtingen gelegen.
Transport over de weg
In de nabijheid van het plangebied zijn geen wegen gelegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Transport over het water
In de nabijheid van het plangebied zijn geen vaarwegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.
Transport over het spoor
Ten westen van het plangebied is de spoorlijn Gouda - Alphen aan den Rijn gelegen. Over deze spoorlijn worden geen relevante hoeveelheden gevaarlijke stoffen vervoerd. Deze spoorlijn vormt dus geen belemmering voor het plangebied.
Transport per buisleiding
Ten westen van het plangebied, net aan de andere zijde van het spoor, is een hogedruk aardgasleiding gelegen (W517-01). De specificaties van deze gasleiding zijn hieronder weergegeven.
Tabel 7.1: Specificaties hogedruk aardgasleiding W 517-01
Het schoolgebouw is buiten het invloedsgebied van deze gasleiding gelegen (zie figuur 5.1). Dit is in het bestemmingsplan geborgd door de bestemming Maatschappelijk buiten deze zone te leggen. Omdat het plan net buiten het invloedsgebied is gelegen van de gasleiding is wel nadrukkelijk naar dit aspect gekeken. Daarnaast heeft de Veiligheidsregio een advies uitgebracht in verband met de voorgenomen realisatie van de school (d.d. 31 mei 2017, kenmerk UIT-2017-068352, zie Bijlage 4) . De punten uit dit advies zijn niet alleen relevant in het kader van een incident bij de gasleiding maar in ook bij een scenario als brand in het scholencomplex zelf. De belangrijkste punten uit dit advies zijn:
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen inrichtingen, (spoor)wegen, en vaarwegen gelegen, die in het kader van externe veiligheid een beperking vormen voor het plangebied. Ten westen van het plangebied is een hogedruk aardgasleiding gelegen, maar het scholencomplex ligt buiten het invloedsgebied van deze gasleiding.
De gemeente neemt in nauwe samenwerking met de toekomstige gebruikers van het scholencomplex de volgende maatregelen:
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen.
Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft (Wbb):
Een onderzoeks- en saneringstraject heeft soms grote financiële consequenties voor de beoogde plannen. Enerzijds omdat de kosten van sanering hoog kunnen zijn, anderzijds omdat deze trajecten van invloed kunnen zijn op de planning. In het kader van de Grondexploitatiewet dienen deze kosten tijdig in kaart te worden gebracht. Het is daarom aan te bevelen reeds in een vroeg stadium van planvorming (historisch) bodemonderzoek voor het hele plangebied uit te voeren. Deze bodemonderzoeken zijn ook noodzakelijk bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen.
Bij de realisatie van ruimtelijke plannen is vaak grondverzet noodzakelijk. Dit grondverzet is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. De gemeente Waddinxveen beschikt over een vastgestelde bodemkwaliteitskaart en bijbehorende Nota Bodembeheer. Uitgangspunt is dat bij hergebruik van grond de kwaliteit moet aansluiten bij de functie ter plaatse. Nagenoeg alle grondverzet dient te worden gemeld bij het Meldpunt Bodemkwaliteit (www.meldpuntbodemkwaliteit.nl).
Van het plangebied is met behulp van het bodeminformatiesysteem (BIS) alle bij de Omgevingsdienst Midden-Holland bekende informatie verzameld over de onderwerpen:
De beoordeling van het ruimtelijke plan beperkt zich tot het plangebied en de ontwikkellocatie. Bij bodemonderzoek ten behoeve van ontwikkelingen dienen, conform de NEN 5725, ook omliggende percelen te worden betrokken.
IIn deze paragraaf wordt de bekende bodeminformatie besproken. In Bijlage 5 is de bij de Omgevingsdienst Midden-Holland bekende bodeminformatie van het plangebied weergegeven.
Tanks
Uit het Bodem Informatie Systeem blijkt dat er binnen het plangebied geen tanks bekend zijn.
Voormalige bedrijven
Uit het voormalige bedrijfsbestand (HBB-bestand) van de provincie Zuid-Holland blijkt dat er in het verleden binnen het plangebied geen bedrijven aanwezig zijn geweest waar potentieel bodem-bedreigende activiteiten zijn uitgevoerd.
Huidige bedrijven
Uit het Bodem Informatie Systeem blijkt dat er binnen het plangebied geen bedrijven zijn gevestigd.
Gedempte sloten
Uit het Bodem Informatie Systeem blijkt dat er binnen het plangebied geen slootdempingen bekend zijn bij de Omgevingsdienst Midden-Holland.
Bodemonderzoekslocaties
Uit het Bodem Informatie Systeem blijkt dat binnen het plangebied recent op de locatie bodemonderzoeken zijn uitgevoerd. Op de locaties zijn de volgende bodemonderzoeken uitgevoerd:
De bevindingen van de uitgevoerde bodemonderzoeken geven geen aanleiding om een aanvullend en/of nader bodemonderzoek uit te voeren. Het plangebied is voldoende onderzocht.
Grondverzet
De gemiddelde bodemkwaliteit binnen het plangebied is vastgelegd in de bodemkwaliteitskaart. Het plangebied is gelegen in zone 06 (Uitbreidingen 2). De gemiddelde kwaliteit van de bovengrond (0,0 - 0,5 m -mv) en ondergrond (0,5 - 2,0 m -mv) voldoet aan de klasse Landbouw / Natuur. Dit betekent dat vrijkomende grond van de locatie zonder keuring in de gehele regio Midden-Holland kan worden hergebruikt.
Voor het toepassen van grond van buiten het plangebied moet worden aangesloten bij de functie die het gebied heeft (Wonen), zie bkk.odmh.nl. Nagenoeg al het grondverzet dient te worden gemeld bij het Meldpunt Bodemkwaliteit (www.meldpuntbodemkwaliteit.nl). De Omgevingsdienst Midden-Holland kan tevens als grondstromenmakelaar optreden, zodat grondverzet zo (kosten)efficiënt mogelijk kan plaatsvinden. Voor nadere informatie over het keuren, het opslaan en het melden kan contact worden opgenomen met de Omgevingsdienst Midden-Holland of de website worden geraadpleegd: www.odmh.nl.
De bodem ter plaatse van het plangebied is voldoende onderzocht. Er is geen noodzaak voor vervolgonderzoek. Uit onderzoek blijkt dat er geen bodemhygiënische redenen zijn, die een beletsel of beperking vormen ten aanzien van de beoogde herinrichting en nieuwbouwplannen op de locatie.
Eventueel grondverzet dient plaats te vinden conform de Nota Bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart van de gemeente.
Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd: archeologisch erfgoed betreft onvervangbaar onderdeel van ons cultureel erfgoed. De Erfgoedwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. De taken in het kader van de Erfgoedwet behelzen o.a. het meewegen van archeologie in de besluiten op het gebied van de Ruimtelijke Ordening (zoals omgevingsvergunning) en de koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen.
De Erfgoedwet verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van voorschriften in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van een omgevingsvergunning voor bodemverstorende activiteiten in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Deze voorschriften kunnen betrekking hebben op archeologisch vooronderzoek dat de aanvrager van de vergunning moet laten uitvoeren. Aan de vergunning zelf kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden, met als uiterste de verplichting tot planaanpassing of het laten verrichten van een opgraving.
De gemeente Waddinxveen heeft een eigen vastgesteld archeologiebeleid (november 2012). Aan de hand van dit beleid is per gebied bepaald of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is. Wanneer een archeologisch onderzoek niet verplicht is, zijn er geen belemmeringen van archeologische aard voor de voorgenomen ontwikkelingen. Wanneer een archeologisch onderzoek verplicht is, dienen verschillende stappen van onderzoek en besluitvorming gevolgd te worden. Deze stappen worden beschreven in de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg.
In het kader van het nieuwe bestemmingsplan wordt inzicht gegeven in de verwachtingswaarden en bijbehorend beleid in het bestemmingsplangebied. Hiervoor zijn de volgende bronnen geraadpleegd:
In figuur 7.1 is een uitsnede van de archeologische beleidskaart van gemeente Waddinxveen weergegeven.
Figuur 7.1: uitsnede uit de archeologische waardenkaart. Groen: middelhoge verwachting; geel: lage archeologische verwachting.
Volgens de beleidskaart gelden er voor het plangebied twee typen archeologische verwachtingen:
Binnen het bestemmingsplan zijn geen archeologische vindplaatsen bekend en zijn niet eerder archeologische onderzoeken uitgevoerd.
Bij het actualiseren van de archeologische beleidskaart is onder andere gebruik gemaakt van vernieuwde geologische informatie. Onder andere is de ligging van een stroomgordel gewijzigd. Op basis van de actualisatie van de archeologische beleidskaart van de gemeente Waddinxveen geldt voor het plangebied Willem de Zwijgerlaan achter 42a de onderstaande beleidskaart.
Figuur 7.2: uitsnede uit de geactualiseerde beleidskaart (concept): zwarte contour: plangebied;. lichtgroen: middelhoge archeologische verwachting (geactualiseerde ligging stroomgordel); lichtgeel: lage archeologische verwachting.
Ten behoeve van de vaststelling van dit bestemmingsplan is het niet noodzakelijk dat archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd. Op basis van de geactualiseerde beleidskaart geldt dat voor het aanvragen van de omgevingsvergunning voor de bouw van de school en de bijbehorende (grond)werkzaamheden het niet noodzakelijk is dat een archeologisch (bureau)onderzoek wordt uitgevoerd.
Om natuurwaarden in Nederland te beschermen gelden de landelijke wetten: Wet Natuurbescherming (Wnb) met daaraan gekoppeld de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en de Wro (Natuurnetwerk Nederland, voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Deze wetgeving is voor een deel verwerkt in provinciaal beleid, te weten: Verordening Ruimte en Milieu (2014, actualisatie 2016); natuurbeheerplan 2016 en Provinciaal Compensatiebeginsel 2013. De Wnb implementeert de Europese regelgeving vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn. De meeste beschermde gebieden betreffen Natura 2000-gebieden.
Voor soortenbescherming is het bevoegd gezag voortaan ook de provincie. De provinciale verordening Wet natuurbescherming 2016 van de provincie Zuid-Holland regelt vrijstellingen van algemene soorten van de ontheffingsplicht onder de Wnb.
Gebiedsbescherming
De Nbw 1998 bevat instrumenten om op basis van effectstudies activiteiten in en rondom Natura 2000-gebieden af te wijzen, dan wel toe te staan op basis van een melding of een vergunning. De wet schrijft onder voorwaarden voor dat een voortoets en/of een passende beoordeling voor het voornemen noodzakelijk is. De vergunningen omvatten allerlei voorwaarden om schade aan natuurwaarden te voorkomen en te compenseren.
PAS
Een wettelijk instrument om stikstofdepositie te reguleren is de op 1 juli 2015 ingevoerde Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Het instrument moet voorkomen dat beschermde gebiedenworden aangetast als gevolg van een toenemende stikstofdepositie. De toegevoegde stikstofdepositie als gevolg van economische activiteiten wordt met generieke nationale maatregelen gecompenseerd.
Soortenbescherming
De Wnb regelt de soortenbescherming in Nederland. De wet is opgezet als een wet die alle schade aan soorten verbiedt, behalve als er dwingende redenen van belang zijn om hiervan af te kunnen wijken, volgens het nee, tenzij principe. Dan wordt een ontheffing van de verbodsartikelen verleend. Er gelden drie beschermingsregimes. De wet geeft op basis van drie verschillende beschermingsregimes (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn en overige soorten) aan welke soorten met een ontheffingsplicht dan wel andere wettelijke instrumenten als ecologische werkprotocollen en goedgekeurde gedragscodes worden beschermd. De wet heeft in onderliggende besluiten tabellen met ingedeelde soorten vastgelegd die het beschermingsregime vaststellen, mede uitgewerkt in locale provinciale verordeningen.
Tot slot bevat de Wnb artikel 1.11: "de zorgplicht", dat stelt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen voor flora of fauna veroorzaakt, verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken.
Algemeen
De quickscan is uitgevoerd op het moment dat de nieuwe Wet natuurbescherming nog niet van kracht was. Het invoeren van de nieuwe wet heeft geen consequenties voor de conclusies. Het is zo dat er soorten nu nieuw toegevoegd zijn aan de tabellen met beschermde soorten. Dit betreft echter soorten die tot de ongewervelden behoren en sterk verbonden zijn aan specifieke zeldzame waardplanten die in de aanwezige vegetatie niet voorkomen.
Verder zijn aanwezige soorten als egel en mol uiteindelijk ook vrijgesteld van de ontheffingsplicht, zoals dat ook zo was onder de oude Flora- en faunawet, zodat deze soorten niet een andere beschermingsstatus krijgen na invoering van de Wnb. De conclusies die zijn getrokken in het onderzoek zijn aangepast op de nieuwe wettelijke situatie in deze milieuparagraaf.
Gebiedsbescherming
Onderzocht is of het gebied onderdeel uitmaakt van Natuurnetwerk Nederland en/of het nabij een belangrijk weidevogelgebied ligt. Dit onderzoek is gedaan om te beoordelen of er compensatie nodig is voor eventueel beschermde weidevogelgebieden.
PAS
Onderzocht is of als gevolg van de ontwikkeling gevolgen optreden in de vorm van stikstofdepositie.
Onderzocht is of als gevolg van extra verkeersbewegingen mogelijk een significante bijdrage optreedt op beschermde gebieden.
Soortenbescherming
Onderzocht is of als gevolg van de ontwikkeling beschermde soorten kunnen worden aangetast. Hierbij is het historisch onderzoek geraadpleegd (2012, van der Helm) dat is uitgevoerd ten behoeve van een eerder uitwerkingsplan.
Gebiedsbescherming
Het plangebied is omgeven door de bebouwde kom van Waddinxveen. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied, 'Broekvelden, - Vettenbroek & Polder Stein', bevindt zich op een afstand van circa 5,5 kilometer ten oosten van het plangebied. Gezien de afstand zijn er geen directe effecten met betrekking tot verstoring te verwachten. Verdroging/vernatting, verlichting, geluidsoverlast en trillingen als gevolg van de activiteiten treden niet op.
Het huidige terrein is gazon dat verstoord wordt door recreanten, fietsers en honduitlaters, en midden in de bebouwde kom ligt. Hoewel de smient hier voedsel zou kunnen vinden is het te zwaar verstoord om als geschikt foerageergebied te functioneren. Hetzelfde geldt voor kleine zwaan, die overigens volgens het natuurbeheerplan gebruik maakt van graslanden ten zuidoosten van de Reeuwijkse Plassen. Kleine zwaan wordt niet ten westen van Reeuwijk/Gouda foeragerend waargenomen. De krakeend en de slobeend foerageren op open water en zijn uitgesloten voor het projectgebied, zij vinden hun rust ook op het water van de Reeuwijkse Plassen.
PAS
Uit het onderzoek is gebleken dat als gevolg van de stikstofdepositie een passende beoordeling niet noodzakelijk is. Het effect als gevolg van extra verkeersbewegingen naar het verderop gelegen Habitatrichtlijngebied "Nieuwkoopse Plassen & De Haeck" (verder dan drie kilometer) kan als niet significant worden beschouwd. Bovendien is met het vaststellen van de PAS een passende beoordeling vastgesteld. Deze passende beoordeling bevat de juridische onderbouwing dat nieuwe of gewijzigde woningbouw-, infrastructuur- en bedrijfsactiviteiten en maatschappelijke voorzieningen mogelijk zijn. Er is ontwikkelruimte, omdat lokale kleine stijgingen in stikstofdepositie op natuurgebieden, op landelijk niveau gecompenseerd worden.
Soortenbescherming
De locatie is gelegen in het huidige plangebied van bestemmingsplan Bebouwde Kom, Waddinxveen en is vastgesteld in 2015. Hierbij is geen ecologische quickscan uitgevoerd, omdat het bestemmingsplan conserverend is herzien. Daarom is bij deze concrete ontwikkeling een quickscan beschermde natuurwaarden uitgevoerd door de ODMH. Deze is bijgevoegd in de bijlage. Hieronder zijn in het kort de bevindingen weergegeven. Er is wel gebruik gemaakt van enkele historische onderzoeken uit de omgeving: Oranjewijk (2016) en Putteringvaart (diverse onderzoeken 2008-2016), naast algemeen toegankelijke internetbronnen.
Vaatplanten
De aanwezige vegetatie bestaat uit gazon, dat wordt gemaaid en in gebruik is als hondenuitlaatplaats (zie ook figuur 1). Alleen algemeen voorkomende ruderale kruiden groeien tussen het raaigras, zoals boterbloem, akkerdistel, rode klaver en hondsdraf. De vegetatie is als cultuurgrasland te benoemen, behorende bij voedselrijke omstandigheden. Het voorkomen van (strikt) beschermde soorten wordt uitgesloten in het plangebied.
Vogels
In het hele plangebied kunnen algemene broedvogels voorkomen, zoals merel, houtduif, huismus, kokmeeuw, ekster en andere kraaiachtigen. Nesten van vogels, mits in gebruik, zijn beschermd tijdens het broedseizoen. Het broedseizoen voor vogels loopt van circa half maart tot half juli, maar deze periode is indicatief. In de nieuwe situatie blijven bestaande bomen staan en de huidige groene buffer blijft ook bestemd als groen. De bestemmingswijziging van groen naar maatschappelijk betreft alleen bestaand grasveld, dat ongeschikt is voor vogelsoorten behorend tot één van de vijf categorieën jaarrond beschermde vogelsoorten.
Nesten van jaarrond beschermde soorten zijn verdeeld in 5 categorieën. Vogels uit de categorie 1 tot 4 zijn altijd jaarrond beschermd. Voor soorten uit categorie 5 geldt dat deze alleen beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dit rechtvaardigen. Nesten van deze soorten zijn afwezig binnen het plangebied. Verstoring van nesten over de plangrens heen in de bomen in de omliggende groengebieden is wel een aandachtspunt. Daarom wordt aangeraden de bouwactiviteiten buiten broedseizoen uit te voeren.
Mogelijk is het plangebied onderdeel van het functioneel leefgebied van de huismus. Door ervoor te zorgen dat de mussen na inrichting van het schoolplein nog steeds voedsel (zie voor geschikte opties het aanbod bij www.vogelbescherming.nl aan voedertafels, e.d.) kunnen vinden, kan een wetsovertreding worden voorkomen.
De oeverzwaluw is niet aanwezig in het plangebied. Voor de nog te verwachten werkzaamheden geldt een risico met betrekking tot de oeverzwaluw. De nabijheid van de Gouwe leidt ertoe dat, als in het voorjaar en zomer zandhopen onbeheerd worden neergelegd, deze soort zich hierin nestelt.
Daarmee kan er niet verder gewerkt worden tot het broedseizoen is afgelopen. Daarom wordt geadviseerd bij alle toekomstige vestigingen, zandhopen altijd af te dekken in het broedseizoen. Nesten van deze soorten hebben geen bescherming wanneer ze geen functie meer hebben als broedlocatie.
Vleermuizen
Eventueel aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen blijven ook bij de geplande herinrichting in stand, omdat gebouwen en bomen binnen de plangrens niet worden aangetast. De bomen aan de oostzijde -op, liggend aan de plangrens - vormen onderdeel van de in de nieuwe situatie te handhaven groene buffer. Verblijfplaatsen verdwijnen dan ook niet als gevolg van de aanleg van de nieuwe school met voorzieningen.
De aanwezige bomen in de groene buffer vormen een lijnvormige bomenrij die kan fungeren als route voor vleermuizen, de langslopende sloot maakt de groenstructuur extra aantrekkelijk voor vleermuizen door de verwachte aanwezigheid van prooidieren, zoals muggen. Buitenverlichting op het schoolplein dient de struiken/bomenrij niet te beschijnen, om lichtverstoring van foeragerende en verblijvende vleermuizen te voorkomen.
Overige zoogdieren
Het voorkomen van (strikt) beschermde soorten wordt op basis van algemene verspreidingsgegevens uitgesloten (zoogdiervereniging.nl en website werkgroep Zuid-Hollandse zoogdieren, d.d. februari 2017), op grond van het ontbreken van geschikt habitat binnen het projectgebied. Algemeen voorkomende kleine zoogdieren als veldmuis, huisspitsmuis, mol en egel kunnen wel in het plangebied verblijven. Voor deze soorten geldt de zorgplicht, conform de nu geldende verordening.
Amfibieën
Het terrein is geschikt voor algemeen voorkomende soorten als bruine kikker en pad. Deze algemene tabel 1-soorten behoeven geen extra maatregelen voor de bescherming. Wel dient ten behoeve van die soorten de zorgplicht in acht te worden genomen. De bruine kikker en pad zijn opgenomen op de vrijstellingslijst van de Provincie Zuid-Holland in de nu geldende verordening.
Daarnaast moet rekening gehouden worden met de rugstreeppad. De rugstreeppad is een pionierssoort die zich kan vestigen in zandophopingen of zandige bodem waar waterplassen in kunnen blijven staan. De soort is bekend ten westen van de bebouwde kom van Waddinxveen (ravon.nl en Tauw 2013, onderzoek Gouweknoop).
De soort is aan de rand van de Oranjewijk in de groenzone langs de Putteringvaart door Grontmij aangetroffen in 2008. Er dient daarom bij de inrichting van het bouwterrein rekening te worden gehouden met de mogelijke vestiging van de rugstreeppad. De soort kan nu bijvoorbeeld in bestaande muizenholtes schuilen, maar er is op dit moment geen geschikt voorplantingsbiotoop aanwezig, met ondiepe waterplasjes die snel opwarmen. Er zijn wel watergangen, maar deze worden niet vergraven.
Het ontstaan van rijsporen en waterplassen dient te worden voorkomen, indien in de actieve periode van de rugstreeppad wordt gewerkt (april-oktober). Plekken om eieren te leggen en zich in te graven ontbreken op dit moment. Er is geen oppervlaktewater en/of rulle grond aanwezig en snoeiafval ontbreekt. Indien in de voortplantingsperiode wordt gewerkt (april-juni) wordt aangeraden het bouwterrein af te zetten met amfibieënschermen.
Vissen, Reptielen en ongewervelden
Bij deze ontwikkeling worden geen open watergangen aangetast. Vissen worden dan ook niet geschaad. Ook reptielen als ringslangen kennen een leefwijze die aan water is gebonden. De ringslang maakt bovendien voor de voortplanting gebruik van broeihopen die niet op de bouwlocatie zijn te vinden. De in de gemeente Waddinxveen bekendstaande beschermde ongewervelde soorten als platte schijfhoren en groene glazenmaker hebben waterplanten nodig in hun biotoop. Ook deze soorten kunnen daarom worden uitgesloten voor de scholenlocatie.
Samenvatting soortbescherming
Er zijn enkele beschermde soorten waarmee rekening dient te worden gehouden bij de herinrichting van de locatie. Het plangebied is geschikt voor algemene broedvogels en algemeen voorkomende kleine zoogdieren. Verder kan het plangebied geschikt worden voor de rugstreeppad en oeverzwaluw in de periode dat er werkzaamheden worden uitgevoerd. Maatregelen zijn nodig om de rugstreeppad en oeverzwaluw te weren bij de bouwwerkzaamheden, als wordt gewerkt tijdens broedseizoen (maart-augustus) en de voortplantingsperiode van de rugstreeppad (april-oktober). Tijdens de bouwfase en de opgeleverde situatie dienen maatregelen te worden genomen om ervoor te zorgen dat huismus kan blijven foerageren.
Bij de graafwerkzaamheden t.b.v. de voorbelasting van het terrein kunnen onderstaande zorgplichtmaatregelen bij de werkzaamheden worden getroffen, ten behoeve van algemeen voorkomende kleine zoogdieren als mol en egel en amfibieën als bruine kikker en pad. Te denken valt aan de volgende maatregelen:
Door deze maatregelen toe te passen wordt het risico op overtreding van het bewust doden of verstoren van bovengenoemde van ontheffingsplicht vrijgestelde diersoorten aanzienlijk verkleind en wordt zeker aan de zorgplicht voldaan.
Voor rugstreeppad en oeverzwaluw dienen ook voorzorgsmaatregelen te worden genomen om overtredingen van de wet te voorkomen:
Deze maatregelen zijn verplicht, om een overtreding van de wet te voorkomen. Het betreft hier geen van ontheffingsplicht vrijgestelde soorten.
Het aspect ecologie staat de ontwikkeling van de scholenlocatie niet in de weg, indien bij de de uitvoering van het plan bovenstaande maatregelen in acht worden genomen.
De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. Globaal zijn er 3 soorten m.e.r.
Bij een plan-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 3 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r.
Bij een project- of besluit-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage C of D va het Besluit m.e.r. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan dat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een m.e.r.-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een bedrijf (met aanzienlijke milieugevolgen).
Indien de activiteit groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dient de in de wet milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure beschreven te worden.
Indien de activiteit kleiner is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dient beoordeeld te worden of de in de Wet milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure al dan niet nodig is. Dit noemt men vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Bij een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage 4 van het Besluit m.e.r.
Onderzocht is of het bestemmingsplan het ruimtelijk kader biedt voor activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel C of D van het Besluit MER. Daarbij is zowel naar (de mogelijkheid tot) nieuwe ontwikkelingen als naar onbenutte bouwmogelijkheden gekeken. Het bestemmingsplan biedt een ruimtelijk kader voor activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D 11.2 van het Besluit MER. In de ruimtelijke onderbouwing is voldoende aangetoond dat er geen negatieve milieueffecten te verwachten zijn. Belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen derhalve worden uitgesloten.
Op het bestemmingsplan rust geen plicht tot het uitvoeren van een MER, MER-beoordeling of een vormvrije MER-beoordeling.
Provincie Zuid-Holland heeft in de Provinciale Structuurvisie en in de Provinciale Milieuverordening het provinciaal milieubelang beschreven. Ruimtelijke plannen worden doorgaans na publicatie van het ontwerpbesluit aan de Provincie toegestuurd. De Provincie toetst dan of het provinciaal belang in het geding is en of er mogelijk in strijd met het provinciaal belang wordt gehandeld.
In dit hoofdstuk wordt reeds een voortoets voor het provinciaal milieubelang uitgevoerd. Daarmee wordt tijdig zicht gekregen op strijdigheden en waar mogelijk worden oplossingsrichtingen benoemd.
Het provinciaal milieubelang heeft betrekking op vier thema's:
Getoetst wordt of bij het voorgenomen het provinciaal belang in het geding is. Zo ja, dan wordt bekeken of er mogelijk sprake is van strijdigheid met het provinciaal belang. Indien dit het geval is zullen -voor zover mogelijk- oplossingsrichtingen worden geformuleerd.
Toetsing aan het provinciaal belang beschermen van grote groepen mensen vindt plaats onder het hoofdstuk Externe Veiligheid.
Bescherming van stiltegebieden
Het dichtstbijzijnde stiltegebied is op bijna 6 km afstand gelegen. Het project heeft geen invloed op het stiltegebied.
Windenergie stimuleren
Er zijn in de directe nabijheid van de scholenlocatie geen gebied aangewezen voor windenergie.
Beschermen bedrijventerreinen voor HMC-bedrijven
Er zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen HMC-bedrijven aanwezig.
Beschermen grote groepen mensen
Hieraan is in paragraaf 5 voldoende aandacht besteed.
Er is geen provinciaal milieubelang in het geding.
Het bestemmingsplan 'Scholenbouw Waddinxveen noord' bestaat uit drie delen: een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting bevat een motivatie en verantwoording van de keuzes die in het bestemmingsplan zijn gemaakt. Daarnaast zijn in de toelichting onder andere het vigerende beleid en diverse milieuaspecten beschreven.
Voorliggend bestemmingsplan heeft tot doel realisatie van een nieuwe school mogelijk te maken. De gemeente streeft naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en planregels in al haar plannen. Het plan sluit daarom aan bij de vormvereisten van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) en het bestemmingsplan 'Bebouwde Kom 2015'.
Verbeelding
Uit de verbeelding blijkt welke bestemming en dubbelbestemming aan het plangebied is toegekend. Het op de verbeelding opgenomen bouwvlak en de maatvoeringsaanduidingen maken duidelijk op welke locatie en tot welke hoogte mag worden gebouwd.
Regels
De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken:
Toelichting
De toelichting van een bestemmingsplan heeft geen bindende werking en maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan. De toelichting heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.
In deze paragraaf wordt per bestemming een korte toelichting gegeven op de bestemmingsregeling. In voorliggend bestemmingsplan komende volgende bestemmingen voor:
GROEN
Langs de west- en oostgrens van het plangebied is een bestemming 'Groen' opgenomen. De gronden binnen de bestemming 'Groen' zijn bestemd voor groenvoorzieningen. Tevens kunnen de gronden worden ingericht ten behoeve van onder andere voet- en fietspaden en speelvoorzieningen. Gebouwen zijn uitsluitend toegestaan ten behoeve van nutsvoorzieningen.
VERKEER
Het zuidelijke deel van het plangebied is bestemd als 'Verkeer'. De gronden met de bestemming ‘Verkeer’ zijn bestemd voor wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verkeersfunctie. Daarnaast zijn bijbehorende voorzieningen zoals onbebouwde parkeervoorzieningen, fietsenstallingen, voet- en fietspaden en groenvoorzieningen toegestaan. Binnen deze bestemming zijn gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen toegestaan. In de regels zijn nadere voorwaarden gegeven voor de bouw van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
MAATSCHAPPELIJK
De gronden ter plaatse van het schoolgebouw zijn bestemd als 'Maatschappelijk'. Voor de wijze van bestemmen is aangesloten op de systematiek van het bestemmingsplan Bebouwde Kom 2015, waarin scholen een brede maatschappelijke bestemming hebben. De als 'Maatschappelijk' bestemde gronden zijn primair bestemd voor educatieve voorzieningen, sociaal-medische voorzieningen, sociaal-culturele voorzieningen, levensbeschouwelijke en religieuze voorzieningen. Binnen de bestemming Maatschappelijk zijn ook wijkfuncties toegestaan zoals een wijkcentrum, jongerenruimtes en dergelijke. Er is een aanduiding 'kinderdagverblijf' opgenomen om aan te geven dat op deze locatie tevens kinderopvang is toegestaan.
Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Buiten het bouwvlak mogen bijgebouwen worden gebouwd.
Zoals reeds aangegeven in hoofdstuk 6, dient bij de situering van het gebouw en de inrichting van het terrein rekening gehouden te worden met de geluidbelasting ten gevolge van spelende kinderen ter plaatse van de woningen aan de Willem de Rijkelaan. Hiertoe is in de regels opgenomen dat bij de bouwvergunning aangetoond dient te worden dat de geluidbelasting ten gevolge van de school inclusief stemgeluid niet meer mag bedragen dan 55 dB(A).
WAARDE - ARCHEOLOGIE 3
Het plangebied is aangewezen als archeologisch waardevol gebied. Hiervoor is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen. Deze dubbelbestemming sluit aan bij de regeling van het bestemmingsplan 'Bebouwde Kom 2015'.
Gelet op het bepaalde in artikel 3.1 Wro moet in het kader van een bestemmingsplan onder andere inzicht worden verschaft in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Het bestemmingsplan ‘Scholenbouw Waddinxveen noord' voorziet in de juridisch planologische vastlegging van de mogelijkheid tot realisatie van het scholengebouw op het voormalige WSE-terrein. Deze ontwikkeling betreft een specifieke uitwerking van de kaders beschreven in het Integraal Huisvestingsplan primair onderwijs 2016-2033 (IHP) van de gemeente Waddinxveen. Het IHP beschrijft het strategische kader voor de onderwijshuisvesting in de Gemeente Waddinxveen en richt zich ook op de toekomstige huisvesting. De gemeente Waddinxveen voert hierdoor de actieve regie over het project en door de raad is ten behoeve van het IHP budget beschikbaar gesteld voor de periode 2017-2020. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermede gewaarborgd.
Het voorontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 18 mei 2017 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Hierbij is aangegeven dat de mogelijkheid bestond een zienswijze tegen het initiatief in te dienen. Er zijn een aantal zienswijzen binnengekomen. Voor de beantwoording hiervan wordt verwezen naar de bijlage Bijlage 1 Nota inspraak en vooroverleg.
Naar aanleiding van deze zienswijzen heeft een extra bijeenkomst met bewoners plaatsgevonden. Dit heeft geleid tot de verschuiving van de ligging van de school in noordwestelijke richting.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft eveneens gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Hierop is 1 zienswijze ingediend. In de bijlage Bijlage 8 Beantwoording zienswijze is de beantwoording op de zienswijze opgenomen. De zienswijze heeft geleid tot enkele aanpassingen in paragraaf 6.2 van de toelichting. Daarnaast is naar aanleiding van deze zienswijze aan de oostzijde een groenbestemming van 10 meter breed opgenomen.
Tenslotte is bij vaststelling een ambtelijke wijziging in de verbeelding doorgevoerd: de bestemming Maatschappelijk is aan de zuidwestzijde iets aangepast zodat deze volledig buiten de veiligheidszone - leiding ligt. Hiermee is de verbeelding in lijn met de paragraaf externe veiligheid van de toelichting.