| Plan: | De Dam fase 2 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | uitwerkingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0617.upddfase2-vg01 |
Op 7 november 2015 is een stedenbouwkundige visie gemaakt voor het plangebied Strijen De Dam. De eerste fase van De Dam is gerealiseerd en bestaat uit een openbare basisschool met brede schoolvoorzieningen, een Kiss- & Ride-zone en twee appartementengebouwen met in totaal 31 seniorenwoningen.
Het voorliggend uitwerkingsplan omvat de tweede fase van de herontwikkeling van De Dam. Het in 2005 opgestelde stedenbouwkundig plan sluit niet meer aan bij de huidige markt. De woningmarkt is dan ook opnieuw onderzocht en de stedenbouwkundige kaders zijn hierop afgestemd in een nieuw stedenbouwkundig plan voor de tweede fase. In deze fase zullen 13 koopwoningen en 15 huurwoningen worden gebouwd.
Het plangebied omvat het nog uit te werken gebied van het bestemmingsplan Dorpskern Strijen. Het plangebied ligt nabij het centrum van de kern van Strijen (Figuur 1.1). Het gebied ligt midden het ontwikkelingsgebied De Dam, dat begrensd wordt door de Dam, de Schenkeldijk, de Boompjesstraat en de Diepenhorstweg. Het plangebied is te bereiken via de Dam en de Boompjesstraat.
Figuur 1.1 Ligging plangebied
Het voorliggend uitwerkingsplan herziet deels het bestemmingsplan 'Dorpskern Strijen' zoals vastgesteld op 28 oktober 2014. In het bestemmingsplan 'Dorpskern Strijen' (2014) zijn de gronden van het plangebied bestemd als 'Wonen - Uit te werken'. Een klein gedeelte langs de Boompjesstraat kent tevens de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'.
Figuur 1.2: Uitsnede van het vigerende bestemmingsplan 'Dorpskern Strijen' (2014), met in rood aangegeven het plangebied
In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van het te realiseren plan. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het beleidskader beschreven en zijn de kaders opgenomen waaraan het uitwerkingsplan moet voldoen. Hoofdstuk 4 omvat de sectorale aspecten, zoals milieu, verkeer, ecologie, water en archeologie. Daaropvolgend komt in hoofdstuk 5 de juridische regeling aan bod. Tenslotte wordt in hoofdstuk 6 de uitvoerbaarheid van het plan toegelicht.
Het uit te werken gebied maakt deel uit van de ontwikkelingen in het gebied 'De Dam'. De Dam ligt centraal binnen het stedelijk gebied van Strijen. Dit gebied is al voor een gedeelte omgevormd tot woongebied en een scholencomplex. Het grootste gedeelte van het ontwikkelingsgebied wordt in het voorliggende uitwerkingsplan uitgewerkt en vervolgens tot uitvoering gebracht. Het gaat hierbij om 13 koopwoningen en 15 huurwoningen.
Het plangebied kenmerkt zich door de grillige contourlijnen van de bebouwde dijklinten en door de totale randlengte van de naar het plangebied gekeerde achterkanten van de bestaande dijkbebouwing.
Het dorp Strijen heeft zich ontwikkeld op de plaats waar 4 polders samen komen, te weten Polder het Oudeland van Strijen, Polder Oud–Bonaventura, Polder Nieuw–Bonaventura en Polder het Land van Essche, Uiterdijk en Nieuw Strijen. Het plangebied van de Dam ligt in de meest noordelijke punt van de laatstgenoemde polder en daarmee op korte afstand van de oude kern van Strijen.
Het plangebied wordt aan de noordoost– en de noordwestzijde begrensd door de oude bebouwingslinten van de Weelsedijk, de Boompjesstraat en de Schenkeldijk. Aan de zuidoost– en zuidwestzijde wordt het plangebied begrensd door de woningbouw van Land van Essche. De meeste oudere bebouwing bevindt zich in de randzone van de dijken namelijk boven– en onderlangs de Schenkeldijk, Weelsedijk en Boompjesstraat. Deze bebouwing bestaat uit vrijstaande woningen en enkele twee–onder–één–kap–woningen. Langs De Dam en de Diepenhorstweg staan veelal vrijstaande nieuwbouwwoningen.
Ondanks het relatief extensief bebouwde karakter van het plangebied werden het plangebied en de directe omgeving lange tijd gekenmerkt door een relatief grote verscheidenheid aan functies en bebouwing. Naast woonbebouwing kwamen van oudsher ook agrarische en niet–agrarische bedrijven voor, zoals een aannemingsbedrijf en een metaalconstructiebedrijf. Deze functies verhouden zich echter minder goed tot de overwegende woonsfeer van de omgeving en de relatief nabijgelegen centrumfuncties. Inmiddels zijn deze bedrijven niet meer aanwezig en is het bestemmingsplan gewijzigd van 'Agrarisch' naar 'Wonen-uit te werken'. Momenteel bestaat het plangebied uit hoofdzakelijk onbebouwd gebied. Enkele voormalige agrarische en niet-agrarische bedrijven hebben hun oorspronkelijke functie verloren waardoor die percelen momenteel braak liggen. De percelen worden nu gebruikt als opslag voor houtsnippers, grond, boomstronken, container met groenafval en bouwmaterialen (Figuur 2.1).
Figuur 2.1: Opslag op het braakliggende plangebied.
Het nog resterende onbebouwde deel van het plangebied bestaat grotendeels uit grasland. Binnen het plangebied komen nog enkele watergangen voor, zoals langs de voet van de dijken en haaks op de Weelsedijk. Een groot deel van deze watergangen zal worden opgenomen binnen een groter watersysteem. Ten zuiden van het plangebied langs De Dam, staat een onbewoond gebouw (Figuur 2.2).
Figuur 2.2: Onbewoond gebouw langs De Dam
De voormalige agrarische en bedrijfspercelen worden omgevormd tot een groene woonomgeving met een dorps karakter. In totaal zullen 28 woningen worden gebouwd, 13 koopwoningen (A en de 3 kapper van type B) en 15 huurwoningen (B, C en D), zie ook figuur 2.3. 4 huurwoningen en 3 koopwoningen worden uitgevoerd als seniorenwoningen (B). De twee vrije kavels aan de Boompjesstraat maken geen onderdeel uit van het voorliggend uitwerkingsplan
Figuur 2.3: Situatietekening toekomstige situatie
Binnen het relatief kleine en besloten plangebied is voldoende variatie in de architectuur en woningtypologie gewenst binnen een duidelijke bandbreedte om de samenhang te waarborgen. Voor een dorpse uitstraling wordt een baksteenarchitectuur ingezet met een zorgvuldige detaillering en ruimte voor moderne accenten. De opzet van de woningen vormt een eenvoudige duidelijke hoofdvorm met daarbinnen gerichte architectonische ingrepen die de woningen tevens een moderne uitstraling meegeven. Dit leidt tot de volgende eisen:
- Massa en oriëntatie
De grondgebonden woningen hebben een hoogte van maximaal twee bouwlagen met een kap.
De woningen worden georiënteerd op de straat of de centrale watergang. Op hoekkavels wordt een dubbele oriëntatie in het ontwerp van de woning gemaakt door gevelopeningen, entree, erker e.d.
- Daklandschap
Rijwoningen (A, C en D)
De rijwoningen worden afgedekt met een kap. De blokken krijgen een nok in de langsrichting. Samengestelde kappen en nokverdraaiing kunnen als verbijzondering op de koppen worden toegepast.
Seniorenwoningen (B)
Seniorenwoningen kunnen in aansluiting op het naastgelegen blok een platte afdekking krijgen (maximaal twee lagen) of worden uitgevoerd in één laag met kap.
Traditioneel materiaalgebruik voor de hoofdvlakken: baksteen in bruin- of roodtinten Verbijzonderingen kunnen in afwijkende materialen worden vormgegeven zoals beton, glas, hout of niet-uitloogbare metalen. De pannen hebben zwarte of rode kleur en zijn ongeglazuurd (mat).
De seniorenwoningen kunnen in aansluiting op de appartementen ook een eigentijdse vormgeving krijgen met deels houten gevels of zinken accenten die juist meer aansluiten bij het reeds bestaande naastgelegen appartementengebouw.
Het uitgewerkte beeldkwaliteitkader voor de ontwikkeling is in bijlage 1 opgenomen.
Een dorpse en groene uitstraling wordt naast de architectuur voor een groot deel bereikt door de inrichting en materialisering van het openbaar gebied. De openbare ruimte wordt in de buurt uniform uitgevoerd zodat binnen het relatief kleine gebied een rustig en aantrekkelijk beeld ontstaat. Dat wil zeggen: werk met dezelfde materialen en een doorlopende rijbaanbreedte, eenduidige en herkenbare materialisering van trottoirs en parkeervakken.
- Materialisering
Ten behoeve van een dorps karakter wordt de openbare ruimte sober maar degelijk en doelmatig aangelegd. De rijbaan wordt uitgevoerd in (donker)rode klinkers (Figuur 2.4a). Om de parkeervakken duidelijk aan te geven worden deze in hetzelfde materiaal maar in een andere kleur (roodbruin of antraciet) aangelegd. Het trottoir kan worden uitgevoerd in traditionele 30x30 tegels, bijvoorbeeld in een lichte kleur (zandgeel / grijs) (Figuur 2.4b). De bermen worden uitgevoerd in gras met in de waterlijn eventueel rietzomen. Let hierbij op dat de ruimtelijkheid en overzichtelijkheid overeind blijft. De (smalle) entree over de watergang hoeft niet als volwaardige brug te worden vormgegeven. Dit kan met een duiker. Het water dient wel aan de twee zijden beleefbaar te zijn.
Figuur 2.4 a/b
- Parkeren
Het is belangrijk dat het beeld van de buurt niet gedomineerd wordt door geparkeerde auto's. In het profiel is duidelijkheid over de wijze waarop geparkeerd kan worden. Dichtbij de rijen woningen worden clusters voor haaksparkeren opgenomen, op enkele plekken afgezoomd met bomen. Er wordt niet langs de weg geparkeerd. Omdat het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid is er ook geen noodzaak om langs de weg te parkeren.
-Water
In het plan wordt extra water aangelegd, dat in de eerste fase van het ontwikkelingsgebied niet is gerealiseerd. Dwars door het plangebied wordt een watergang gelegd die de twee watergangen aan de randen verbindt. Er worden zoveel mogelijk woningen aan het water gekoppeld om deze kwaliteit optimaal te benutten. Daarnaast wordt het centrale water zoveel mogelijk openbaar gemaakt door een koppeling met een wandelpad.
-Groen
Voor de beleving is een groene en dorpse uitstraling belangrijk. De kavelindeling en inrichting hebben naast de inrichting van het openbaar gebied hier een belangrijke rol in. Daarom wordt een aantal eisen gesteld om de overgang met en het beeld vanuit de openbare ruimte een goede basiskwaliteit te geven. De ondiepe voortuinen van de koopwoningen en seniorenwoningen (type A en B) worden zo veel mogelijk groen ingericht en afgezoomd met lage groenblijvende hagen (bijv. liguster) (2 m hoog) en niet met schuttingen en hoge tuinmuren (Figuur 2.5). De huurwoningen (type C en D) staan met de voorgevel dicht op het openbaar gebied. Hier zijn geen erfscheidingen aan de voorzijde gewenst. Een afwijkende kleur of een licht verhoogde stoep (10-20 cm) geeft de eenduidige voorzijde aan (Figuur 2.6).
Figuur 2.5: Impressie voorzijde woningtype A & B
Figuur 2.6: Impressie voorzijde woningtype C & D
De locatie wordt ontsloten vanaf de Dam. Richting de Weelsedijk / Boompjesstraat wordt een ontsluiting voor fietsers en voetgangers gemaakt. Deze dient tevens als calamiteitenontsluiting. Het parkeren wordt in de openbare ruimte geïntegreerd. De parkeervakken worden in enkele clusters dichtbij de woningen gelegd.
Tegelijkertijd met dit uitwerkingsplan is een beeldkwaliteitkader voor de nieuwe woonbuurt opgesteld (zie bijlage 1). Het beeldkwaliteitkader geeft eisen voor het waarborgen van de ruimtelijk-visuele kwaliteit van De Dam, fase 2. Het uitwerkingsplan biedt een planologisch-juridisch kader. De daadwerkelijke beeldkwaliteit, waaronder materiaal en kleurgebruik, kan hierin echter onvoldoende worden vastgelegd. Het beeldkwaliteitkader is derhalve een aanvulling op de juridische bepalingen van het onderhavige uitwerkingsplan en zal daarmee een sterke samenhang vertonen. De in de beeldkwaliteitkader geformuleerde eisen worden:
Structuurvisie gemeente Strijen
De gewenste ontwikkelingen voor gemeente Strijen is beschreven in de gemeentelijke structuurvisie, vastgesteld op 25 september 2012. Hierin wordt onder andere een vooruitzicht gegeven in het wonen in gemeente Strijen.
Figuur 3.1: Stijging en daling per leeftijdsgroep in gemeente Strijen
De bevolkingssamenstelling van gemeente Strijen verandert met een toenemend aantal ouderen en een afnemend aantal jongeren (Figuur 3.1). Dit leidt tot een daling van het aantal personen per huishouden met als gevolg dat het aantal huishoudens stijgt door een toenemend aantal eenpersoonshuishoudens. Dit betekent een grote opgave voor de woningbouw.
In de structuurvisie staat dat de woningbouwopgave, tot 2030, circa 100 nieuwe woningen is. Deze opgave is geheel verbonden met de groei van het aantal eenpersoonshuishoudens, dit heeft consequenties voor het type woningen, waaraan in de toekomst behoefte zal zijn. Een passend woningaanbod gericht op starters, ouderen en gezinnen die terugkeren naar het dorp die ruim en landelijk willen wonen, is hierbij gewenst.
Toetsing
Gemeente Strijen heeft behoefte aan huurwoningen voor starters en senioren én koopwoningen voor terugtrekkende gezinnen. De 2e fase van De Dam wordt herontwikkeld tot groene woonomgeving met een dorps karakter. In totaal zullen 28 woningen worden gebouwd, waarvan 10 koopwoningen voor gezinnen, 3 koopwoningen voor senioren en 15 huurwoningen aansluitend bij de wensen van starters en senioren.
Ladder duurzame verstedelijking
1. Voorziet voorgenomen ontwikkeling in een actuele regionale behoefte?
2. Is de ontwikkeling op te vangen binnen bestaand stedelijk gebied?
3. Indien ontwikkeling niet past binnen bestaand stedelijk gebied, zoeken naar locatie met
multifunctionele ontsluiting.
Toetsing
In 2015 is de Regionale Woonvisie Hoeksche Waard door de vijf gemeenteraden van de Hoeksche Waardse gemeenten vastgesteld. Hierin zijn de ambities en opgaven op het gebied van wonen voor de komende jaren vastgelegd. Belangrijke speerpunten binnen deze woonvisie zijn het zorgen voor voldoende geschikte woningen voor mensen die zorg ontvangen en het behouden van de vitaliteit en kwaliteiten van de Hoeksche Waard, onder andere door het op peil houden van voorzieningen en het bieden van aantrekkelijke huisvestingsmogelijkheden voor starters. Een uitwerkingsprogramma van de Woonvisie betreft het Regionale Woningbouwprogramma Hoeksche Waard 2015-2024, waarin de kwantitatieve woningbouwopgave voor de komende jaren is uitgewerkt. Het regionale woningbouwprogramma is vastgesteld door de gemeenten en past binnen de kaders vanuit de woningbehoefteraming 2013 (WBR) en bevolkingsprognose (BP) zoals de provincie die stelt. De Woonvisie en het woningbouwprogramma zijn door de provincie vastgesteld en hiermee wordt voldaan aan de beleidskaders van de provincie. De beoogde ontwikkeling omvat 28 woningen en biedt een divers woningaanbod passend bij de huidige vraag in de gemeente Strijen. De woningbouw wordt opgevangen binnen het bestaand stedelijk gebied van de kern Strijen. Het beoogde programma is regionaal afgestemd en sluit zowel kwantitatief als kwalitatief aan bij de actuele regionale behoefte en past binnen onderstaande kaders:
Het voorliggend uitwerkingsplan moet voldoen aan de uitwerkingsregels zoals opgenomen in artikel 25
van het bestemmingsplan 'Dorpskern Strijen'. Om te toetsen of aan deze regels wordt
voldaan, zijn in de linkerkolom de uitwerkingsregels opgenomen en wordt in de rechterkolom hieraan getoetst (Tabel 3.1). De in artikel 25 genoemde aantallen en voorwaarden gaan overigens over het gehele uit te werken gebied (Figuur 1.1).
Tabel 3.1: Toetsing uitwerkingsregels
| Artikel 25 Wonen - Uit te werken | Toetsing |
| a. binnen de bestemming mogen ten hoogste 29 woningen worden gebouwd; | Op de verbeelding zijn per bouwvlak het maximum aantal wooneenheden aangegeven. In totaal kunnen ten hoogste 28 woningen worden ontwikkeld. |
| b. de goothoogte van woningen mag niet meer bedragen dan 6 meter; | In de verbeelding staat aangegeven dat de goothoogte ten hoogste 6 m mag bedragen. Op basis van Artikel 32 Algemene afwijkingsregels onder b, kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken met ten hoogste 15% van de aangegeven maten. De maximale goothoogte bedraagt in dat geval 6,9 meter. |
| c. er dient voldaan te worden aan de parkeernormen zoals opgenomen in de CROW-publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (oktober 2012); | In Artikel 30 Algemene Gebruiksregels lid 30.2.1 van het moederplan 'Dorpskern Strijen' zijn de genoemde parkeernormen opgenomen. Dit artikel is van toepassing op het voorliggend uitwerkingsplan. In paragraaf 4.1 Verkeer en parkeren van de voorliggende toelichting wordt aan deze parkeernormen getoetst en wordt geconcludeerd dat het stedenbouwkundig plan voldoet aan de van toepassing zijnde parkeernormen. |
| d. er dient voldaan te worden aan de geldende milieueisen. | In Hoofdstuk 4 wordt getoetst aan de geldende milieueisen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de geldende milieueisen. |
Het beoogde plan past binnen het beleidskader zoals omschreven in paragraaf 3.1 en voldoet aan alle
uitwerkingsregels voor zover van toepassing op het uitwerkingsgebied.
Ontsluiting gemotoriseerd verkeer, langzaam verkeer en openbaar vervoer
De woningen worden ontsloten via de Dam. De hoofdontsluiting van het plangebied vindt plaats via de Dam naar de Diepenhorstweg. In de toekomstige situatie bij realisering van De Dam fase 3 is een tweede ontsluiting beoogd via de Schenkeldijk. Hierdoor zal het verkeer zich meer verspreiden over de Diepenhorstweg en de Schenkeldijk. De Diepenhorstweg sluit door middel van een flauwe helling aan op de Weelsedijk.
Op de Weelsedijk, Boompjesstraat, Diepenhorstweg, Schenkeldijk, Dam en de interne ontsluiting van het te ontwikkelen gebied geldt een 30 km/h-regime. De kruisingen tussen deze wegen zijn als gelijkwaardig kruispunten vormgegeven. De Boompjesstraat voert in oostelijke richting naar het centrum van Strijen. In westelijke richting kan het gebied worden ontsloten via de Hilsondusstraat en de randweg. Via het centrum van Strijen worden de Trambaan en de N491 bereikt. De N491 is een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 60 km/h vanaf de bebouwde kom tot golfbaan en vanaf daar 80 km/h. Deze weg voert in noordelijke richting naar het bedrijventerrein van Strijen en de kernen Maasdam en Puttershoek. Tevens wordt via de N491 de N217 bereikt. Deze provinciale gebiedsontsluitingsweg verbindt Dordrecht en 's-Gravendeel met Oud-Beijerland en de A29 richting Rotterdam. De Weelsedijk voert in zuidelijke richting naar de kernen Numansdorp en Zuid-Beijerland. Ter hoogte van Numansdorp is een aansluiting op de A29 richting Zierikzee en Rotterdam. De ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer is derhalve goed te noemen.
Fietsverkeer maakt voornamelijk gebruik van dezelfde wegen als het autoverkeer. De wegen rondom het plangebied zijn gecategoriseerd als erftoegangswegen met een maximumsnelheid van 30 km/h. Fietsverkeer wordt conform de richtlijnen van Duurzaam Veilig gemengd met het gemotoriseerd verkeer afgewikkeld. Rondom de locatie zijn geen zelfstandig verbindende fietspaden. De externe ontsluiting voor fietsverkeer (buiten de bebouwde kom) is conform de richtlijnen van Duurzaam Veilig vormgegeven. De Weelsedijk richting Numansdorp, een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 60 km/h, kent conform de richtlijnen suggestiestroken. De N491 richting Maasdam is een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 80 km/h. Conform de richtlijnen beschikt deze weg over een vrijliggend tweerichtingsfietspad. Het langzaam verkeer heeft een directe ontsluiting met de Boompjesstraat. Deze ontsluiting kan tevens voor calamiteiten gebruikt worden. De ontsluiting voor het fietsverkeer is goed.
Aan de Boompjesstraat, direct naast de ontsluiting voor langzaam verkeer en calamiteiten, is een bushalte aanwezig. Vanaf deze bushalte rijden twee keer per uur bussen tussen Strijen Julianstraat en Heinenoord en tijdens de ochtendspits meerdere malen bussen naar Dordrecht centraal station en Rotterdam Zuidplein.
De ontsluiting van het plangebied is goed.
Verkeersgeneratie en afwikkeling
Binnen het plangebied worden 28 woningen mogelijk gemaakt. De gemeente Strijen is een weinig stedelijke gemeente en het plangebied ligt in rest van de bebouwde kom. Op basis van het autobezit in deze gemeente worden hiervoor gemiddelde kencijfers gehanteerd uit publicatie 317 van het CROW ('Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, 2012). In de onderstaande tabel is per woningtype de verkeersgeneratie weergegeven.
Tabel 4.1 Verkeersgeneratie De Dam
| Type woning | Aantal | Verkeersgeneratie per woning | Verkeersgeneratie totaal |
| Huurwoningen (vrije sector) | 11 | 7,4 | 81,4 |
| Koopwoningen (tussen/hoek) | 10 | 7,4 | 74,0 |
| Seniorenwoningen | 7 | 2,6 | 18,2 |
| Totaal | 28 | 173,6 |
Uit de tabel blijkt dat de verkeerstoename circa 174 mvt/etmaal bedraagt. Ontsluiting van dit verkeer via De Dam, de Diepenhorstweg, de Weelsedijk naar de Randweg leidt naar verwachting niet tot afwikkelingsproblemen.
Parkeren
Voor de berekening van de parkeerbehoefte worden dezelfde uitgangspunten gehanteerd als voor de berekening van de verkeersgeneratie. De parkeerbehoefte van het plangebied is weergegeven in tabel 4.2.
Tabel 4.2 Parkeerbehoefte De Dam
| Type woning | Aantal | Parkeerbehoefte per woning | Parkeerbehoefte totaal |
| Huurwoningen (vrije sector) | 11 | 2,0 | 22 |
| Koopwoningen (tussen/hoek) | 10 | 2,0 | 20 |
| Seniorenwoningen | 7 | 1,2 | 8,4 |
| Totaal | 28 | 50,4 |
De parkeerbehoefte bedraagt in totaal 51 parkeerplaatsen. Het plan voorziet in 52 parkeerplaatsen. Er wordt dan ook voorzien in de parkeerbehoefte.
Conclusie
De ontsluiting van het plangebied is voor alle modaliteiten goed. De toename van het verkeer zal niet tot problemen in de afwikkeling zorgen. Het plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling dan ook niet in de weg.
Wet- en regelgeving
Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. In tabel 4.3 is hiervan een overzicht opgenomen. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd.
De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.
Tabel 4.3 Geluidszones
|
Aantal rijstroken |
Zonebreedte | |
| Binnenstedelijk | 1 of 2 | 200 meter |
| (binnen de bebouwde kom m.u.v. autowegen en autosnelwegen) | 3 of meer | 350 meter |
| Buitenstedelijk | 1 of 2 | 250 meter |
| (buiten de bebouwde kom, autowegen en autosnelwegen) | 3 of 4 | 400 meter |
| 5 of meer | 600 meter |
Nieuwe situaties ingevolge de Wgh
Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de maximale ontheffingswaarde niet te boven gaan. Voor onderhavig plan dat binnenstedelijke is gelegen geldt een maximale ontheffingswaarde van 63 dB. De geluidswaarde binnen de geluidsgevoelige bestemming (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm.
Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Conform artikel 3.4 uit het Reken- en Meetvoorschrift geluidhinder 2012 geldt voor wegen met een snelheid lager dan 70 km/h een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een maximumsnelheid van 70 km/h of meer geldt een aftrek van 2 dB. Op alle in deze paragraaf genoemde geluidsbelastingen is deze aftrek toegepast, tenzij anders vermeld.
30 km/h-wegen
Zoals gesteld zijn wegen met een maximumsnelheid van 30 km/h of lager ingevolge de Wgh niet gezoneerd. Akoestisch onderzoek is dan ook vanuit de Wgh voor 30 km/h-wegen niet vereist. Op basis van jurisprudentie dient echter in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat langs de 30 km/h-wegen. Indien dit niet het geval is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidsbelasting aan de gevels noodzakelijk, mogelijk en/of doelmatig zijn. Ter onderbouwing van de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting wordt bij gebrek aan wettelijke normen aangesloten bij de benaderingswijze die de Wgh hanteert voor gezoneerde wegen. Vanuit dat oogpunt wordt de richtwaarde van 48 dB en de maximaal aanvaardbare waarde van 63 dB voor binnenstedelijke situaties als referentiekader gehanteerd. Daarnaast is van belang dat zodanige gevelmaatregelen worden genomen dat de maximaal aanvaarde binnenwaarde aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm voldoet.
Akoestisch onderzoek
De ontwikkeling is niet gelegen binnen de geluidszone van gezoneerde wegen. Dit betekent dat akoestisch onderzoek ingevolge de Wgh niet noodzakelijk is. Zoals gesteld zijn wegen met een maximumsnelheid van 30 km/h of lager op basis van de Wgh niet-gezoneerd. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Daarom wordt het akoestisch klimaat als gevolg van de direct aan de locatie grenzende 30 km/h-wegen onderzocht. Deze wegen zijn de Dam, Diepenhorstweg, Boompjesstraat/Weelsedijk en de Schenkeldijk.
Rekenmethodiek
Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd volgens Standaard Rekenmethode I (SRM I) conform het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder 2012 (RMG 2012). De geluidsbelasting aan de buitengevels van de beoogde ontwikkeling is berekend voor het prognosejaar 2026.
Invoergegevens
De verkeersgegevens van de Boompjesstraat/Weelsedijk en de Schenkeldijk zijn aangeleverd door de gemeente Strijen en zijn tellingen uit 2016. De verkeersintensiteiten van de Dam en de Diepenhorstweg zijn gebaseerd op eerdere verkeerstellingen. Om de verkeersgegevens door te rekenen naar het prognosejaar 2026 is uitgegaan van een jaarlijkse autonome groei van 1%. Het dag-, avond- en nachtuurpercentage van het etmaal zijn voor de Dam en de Diepenhorstweg gebaseerd op een standaardverdeling van een buurtverzamelweg. De wegdekverhardingen zijn ontleend van beelden van Google Street View. De verkeersgegevens voor de geluidsberekeningen zijn weergegeven in tabel 4.4. De verkeersintensiteiten zijn afgerond op 50-tallen.
Tabel 4.4 Verkeersgegevens
| wegvak | verkeers- intensiteit 2026 |
wegdek- verharding |
snelheid |
wegdek- hoogte |
voertuigverdeling in % L/MZ/Z *) | ||
| dag | avond | nacht | |||||
| Dam-zuid | 1.150 | DAB | 30 km/h | 0 m | 94,59/ 4,76/0,65 | 94,59/4,76/0,65 | 94,59/4,76/0,65 |
| Dam-noord | 400 | klinkers | 30 km/h | 0 m | |||
| Diepenhorstweg | 3.050 | klinkers | 30 km/h | 0 m | |||
| Boompjesstraat/Weelsedijk | 1.850 | klinkers | 30 km/h | 2 m |
92,5/5,1/2,4 |
96,1/3,2/0,7 |
90,7/ 4,4/4,9 |
| Schenkeldijk | 1.000 | DAB | 30 km/h | 1,6 m | |||
| Etmaalverdeling | 7,00% | 2,60% | 0,70% | ||||
*) Lichte, middelzware en zware motorvoertuigen.
In onderstaande figuur is aangegeven welk gedeelte van de Dam tot het noordelijke deel behoort en welk deel tot het zuidelijke gedeelte.
Figuur 4.1. Noordelijk en zuidelijk gedeelte van de Dam
Om een representatief beeld te krijgen van de geluidsbelasting is bij de berekeningen uitgegaan van verschillende waarneemhoogtes. De vastgestelde waarneemhoogtes bevinden zich derhalve op 1,50 m, 4,50 m en 7,50 m aan de gevel en is gebaseerd op het aantal woonlagen van de woningen. De berekeningen zijn opgenomen in bijlage 2.
Resultaten
De geluidsberekeningen zijn uitgevoerd op gevels van de dichtstbijzijnde woningen. In tabel 4.5 zijn de maximale geluidsbelastingen opgenomen.
Tabel 4.5 Maximale geluidsbelasting woningen De Dam
| 1,5 m | 4,5 m | 7,5 m | |
| Dam-noord | 45 dB | 45 dB | 45 dB |
| Dam-zuid | 36 dB | 38 dB | 38 dB |
| Diepenhorsterweg | 35 dB | 37 dB | 38 dB |
| Boompjesstraat/Weelsedijk | 44 dB | 45 dB | 45 dB |
| Schenkeldijk | 38 dB | 39 dB | 40 dB |
Uit de berekeningen blijkt dat ten gevolge van geen enkele weg de richtwaarde van 48 dB wordt overschreden. Er is sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat ten gevolge van de omliggende wegen geen sprake is van overschrijdingen van de richtwaarde. Er is sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Het aspect wegverkeerslawaai staat onderhavige ontwikkeling derhalve niet in de weg.
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het bestemmingsplan is overleg gevoerd met de waterbeheerder. De opmerkingen van de waterbeheerder zijn verwerkt in deze waterparagraaf.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap Hollandse Delta en de gemeente Strijen nader wordt behandeld.
Europa:
Nationaal:
Provinciaal:
Waterschapsbeleid
In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2016-2021) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan.
Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplicht gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1.500 m2 of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen:
Gemeentelijk beleid
De hoofddoelstelling van het Waterplan Strijen (2008) is om te komen tot een duurzaam watersysteem voor de gemeente Strijen. De gemeente wil een veilig schoon en aantrekkelijk watersysteem realiseren waarbij de beheer- en onderhoudsaspecten zijn geoptimaliseerd. Hierbij is rekening gehouden met de doelstellingen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) met betrekking tot de waterkwaliteit alsmede de verbrede zorgtaak van de gemeenten inzake de grondwaterproblematiek en verzameling van overtollig hemelwater (opgenomen in Wet gemeentelijke watertaken).
Algemeen
Het plangebied bestaat uit een voormalig agrarisch terrein dat nu braak ligt. Omdat het plangebied in het bebouwde gebied van Strijen ligt, is het plangebied niet gekarteerd. Volgens de bodemkaart van Nederland (www.bodemdata.nl) bestaat de bodem ten noordwesten van het plangebied uit kleidek op veen. Hier is sprake van grondwatertrap II. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand minder dan 0,4 m beneden het maaiveld ligt en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand tussen de 0,5 en 0,8 m beneden maaiveld ligt. Ten zuiden van het plangebied bestaat de bodem uit lichte klei met homogeen profiel. Hier is sprake van grondwatertrap V. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand minder dan 0,4 m beneden het maaiveld ligt en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand op meer dan 1,2 m beneden maaiveld ligt.
Waterkwantiteit en -kwaliteit
Grenzend aan het plangebied is oppervlaktewater aanwezig. Aan de noordwestkant heeft dit oppervlaktewater een beschermingszone van 1 m. De watergang D05447 aan de noordoostelijke kant heeft een beschermingszone van 5 m. Binnen deze zones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden.
Figuur 4.1 Uitsnede Legger Waterschap Hollandse Delta (www.wshd.nl)
Veiligheid en waterkeringen
De noordoostzijde van het plangebied wordt begrensd door de Schenkeldijk, deze dijk doet dienst als boezemkade. De noordwestzijde van het plangebied wordt begrensd door de Weelsedijk, deze is aangemerkt als een secundaire waterkering. Het plangebied ligt in de keurzone van beide waterkeringen. Langs de Weelsedijk ligt een dijksloot. Deze dijksloot, een secundaire watergang, heeft als extra functie de ontwatering van het dijklichaam.
Afvalwaterketen en riolering
Het plangebied is aangesloten op het gemeentelijk rioleringsstelsel.
Algemeen
De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van woningbouw. Ten gevolge van de ontwikkeling is er sprake van 6446 m2 toename aan verharding. Hierbij is uitgegaan van 100% verharding voor zowel dakoppervlak als openbare verharding en 50% verharding voor het tuinoppervlak. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m2 in stedelijk gebied dient er volgens het beleid van waterschap Hollandse Delta, 10% van de toename aan functioneel open water gerealiseerd te worden. Dit betekent dat er circa 645 m2 (6446 * 0,1) aan functioneel open water gerealiseerd dient te worden. Daarnaast ligt er nog een wateropgave van 350 m2 uit planfase 1 (zie tabel 4.7). De benodigde compensatie bedraagt derhalve 995 m2, in het ontwerp is er uitgegaan van 1542 m2 aan extra water. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de gestelde compensatieplicht vanuit het waterschap.
Het extra functioneel open water wordt gerealiseerd door de watergangen T40450, T40451 en T66605 te verbreden en een nieuwe watergang te realiseren in het verlengde van de T40451 in noordoostelijke richting, zie figuur 4.3. Er worden geen watergangen gedempt en het nieuwe open water komt in verbinding te staan met de bestaande watergangen.
Tabel 4.6 Oppervlakte verharding en water beoogde situatie
| Verharding | Dakoppervlak | 1525 m2 | |
| Tuinoppervlak | 1367 m2 (50% van 2733 ) | ||
| Openbare verharding | 3554 m2 | ||
|
Water
(oppervlakte in m2 zoals opgenomen in verbeelding figuur 4.2) |
Bestaand | 133 m2 | |
| Nieuw | 1542 m2 (1675 - 133) | ||
Tabel 4.7 Berekening benodigde watercompensatie
| Planfase 2 | 0,1 * 6446 (extra verharding) = 645 m2 |
| Planfase 1 | 350 m2 |
| Benodigde compensatie | 995 m2 (645 + 350) |
|
|
Figuur 4.3 Verbeelding De Dam - Strijen
Afvalwaterketen en riolering
Conform het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.
Waterbeheer
Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de 'Keur'. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
Er dient een vergunning worden aangevraagd op grond van de Keur voor het graven van nieuwe watergangen.
De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie ten aanzien van de Ecologische Hoofdstructuur de uitvoering van het plan niet in de weg staan.
Provinciale Verordening
Het rijksbeleid ten aanzien van de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van de leefgebieden van soorten (habitats) is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De uitwerking van dit nationale belang ligt bij de provincies. De bescherming van gebieden die deel uitmaken van de EHS (nu Natuurnetwerk Nederland genoemd), alsmede de bescherming van belangrijke weidevogelgebieden, is geregeld via de provinciale Verordening Ruimte. Wanneer er ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden plaatsvinden die onderdeel zijn van de EHS of in belangrijke weidevogelgebieden, geldt het nee, tenzij-principe. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet compensatie plaatsvinden, wanneer er effecten optreden.
Flora- en faunawet
Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische Zaken. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.
Met betrekking tot vogels hanteert het Ministerie van Economische Zaken de volgende interpretatie van artikel 11:
De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar gebroed wordt, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, én slechts gedurende de periode dat er gebroed wordt. Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen, te weten:
Nesten die het hele jaar door zijn beschermd
Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Ffw het gehele seizoen.
Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd
In de 'aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.
De Ffw is voor dit bestemmingsplan van belang, omdat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
Natuurbeschermingswet 1998
Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:
De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de Minister van EZ). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingsplan. De speciale beschermingszones (a) hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Hetzelfde geldt voor de ecologische doelen van de beschermde natuurmonumenten (b), voor zover deze gebieden niet overlappen met Natura 2000.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Natuurbeschermingswet 1998 de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 zal kunnen worden verkregen.
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt in het zuidelijke gedeelte van de kern Strijen. Het plangebied maakt dan ook geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 of beschermde Natuurmonumenten. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Oudeland van Strijen en ligt 400 m ten westen van het plangebied. Dit Natura 2000-gebied is deels dubbel bestemd als EHS-gebied. Het dichtstbijzijnde belangrijke weidevogelgebied is gelegen op circa 15 km afstand vanaf het plangebied.
Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering zijn hierdoor uitgesloten. Gezien de ligging van het plangebied (binnen stedelijk gebied) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Het Oudeland van Strijen is een Vogelrichtlijngebied en niet gevoelig voor stikstofdepositie. Vermesting/verzuring door stikstofdepositie wordt dan ook uitgesloten. Aangezien de verkeersgeneratie beperkt is (174 mvt/etmaal) en zich snel verdeelt over het wegennet en opgaat in het heersende verkeersbeeld leidt de ontwikkeling ook niet tot een toename van stikstofdepositie in verder weg gelegen Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen. Significant negatieve effecten worden uitgesloten.
De Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.
Figuur 4.4: Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: geo-loket provincie Zuid-Holland)
Soortenbescherming
De huidige ecologische waarden zijn vastgesteld aan de hand van een quick scan (zie bijlage 3). In de onderstaande tabel staat aangegeven welke beschermde soorten er binnen het plangebied (naar verwachting) aanwezig zijn en onder welk beschermingsregime deze vallen.
Tabel 4.8 Naar verwachting aanwezige beschermde soorten binnen het plangebied en het beschermingsregime (niet limitatief voor tabel 1 soorten)
| Nader onderzoek nodig | ||||
| Vrijstellingsregeling Ffw | tabel 1 | Mol, huismuis en huisspitsmuis Kleine watersalamander, bruine kikker, gewone pad en bastaard groene kikker / grote groene kikker. |
nee | |
| Ontheffingsregeling Ffw | tabel 2 | Kleine modderkruiper | ja | |
| tabel 3 | bijlage 1 AMvB | Grote modderkruiper | ja | |
| bijlage IV HR | Vleermuizen (marginaal foerageergebied) | nee | ||
| vogels | cat. 1 t/m 4 | - | nee | |
De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden.
Nader onderzoek naar het voorkomen van de grote- en kleine modderkruiper is noodzakelijk. [ PM Rho: onderzoek is uitgevoerd en ontvangen in concept. Nog verwerken.]
De provinciale verordening en de Natuurbeschermingswet 1998 vormen geen belemmering voor de uitvoering van het plan. In het kader van de Flora- en faunawet is nader onderzoek naar het voorkomen van de grote- en kleine modderkruiper noodzakelijk. Doordat het mogelijk is maatregelen te treffen om overtreding van de Flora- en faunawet te voorkomen, vormt ook dit aspect geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Het is mogelijk wel noodzakelijk om een ontheffing aan te vragen.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.
Tabel 4.6 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
| Stof | Toetsing van | Grenswaarde |
| Stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| Fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg / m³ | |
| Fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie | 25 µg/m³ |
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate (nibm)
In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van in totaal 28 woningen. Dit aantal woningen valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden. De ontwikkeling draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Er wordt dus voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied te geven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2015 (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat zowel in 2015 als in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de Boompjesstraat (maatgevende doorgaande weg langs het plangebied) ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen in 2015; 21 ìg/m³ voor NO2, 21,4 ìg/m³ voor PM10 en 13,6 ìg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 10 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Bij een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd.
Het plangebied ligt ten westen van de dorpskern Strijen. In de directe omgeving van het plangebied zijn woningen, een basisschool en een agrarisch bedrijf aanwezig. Op grotere afstand van het plangebied liggen de centrumfuncties. Vanwege de ligging nabij de dorpskern kan dit gebied getypeerd worden als gemengd gebied. Op basis van de VNG-publicatie geldt een richtafstand van 10 m voor een basisschool in een gemengd gebied. In de praktijk wordt op een dergelijke afstand nog wel overlast ervaren. Het plangebied ligt echter op een afstand van circa 50 m zodat er toch sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuw te bouwen.
Op circa 10 m van de beoogde woningen was aan de Schenkeldijk 10-12 een agrarisch bedrijf gelegen. Het gaat echter om een inmiddels historisch bedrijf waar geen milieuvergunning (meer) voor is verleend. Ook is het bedrijf niet gemeld in het kader van het activiteitenbesluit.
Op circa 30 m van de beoogde woningen is een aardappel-, groenten en fruitbedrijf aanwezig. Conform het vigerende bestemmingsplan is hier uitsluitend een groothandel in landbouwproducten van categorie 2 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan. Op basis van de VNG-publicatie geldt voor gemengd gebied een richtafstand van 10 m voor bedrijfsactiviteiten uit categorie 2. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan.
De overige (centrum)functies liggen op voldoende afstand en vormen dan ook geen belemmering en worden door de beoogde ontwikkeling niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Risicorelevante inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.
Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.
Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
Buisleidingen
Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen
In het plangebied en in de directe omgeving zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Tevens vindt er in de directe omgeving geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het water, het spoor of door buisleidingen dat van invloed is op de veiligheidssituatie in het plangebied.
Er wordt voldaan aan de beleid en normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van dit uitwerkingsplan dan ook niet in de weg.
Er zijn geen planologisch relevante leidingen in en nabij het plangebied gelegen.
Beleid en Normstelling
Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.
Onderzoek en conclusie
Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen dient ter plaatse van het gehele plangebied actueel bodemonderzoek uitgevoerd te worden.
Het aspect bodem staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
Regelgeving en beleid
Wet archeologische monumentenzorg
Op 1 september 2007 is de wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee worden de uitgangspunten van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.
Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Onderzoek en conclusie
Op basis van de uitkomsten van een bureauonderzoek en een veldonderzoek (uitgevoerd door SOB RESEARCH te Heinenoord, april 2005) kan worden geconcludeerd dat zich in het centraal oostelijke deel van het plangebied in ieder geval in de 19e eeuw, maar waarschijnlijk ook in de 18e en/of 17e eeuw bebouwing (een boerderij) heeft bevonden. Na overleg met de provinciaal archeoloog is gebleken dat de bouwactiviteiten niet dusdanig behoudenswaardig zijn dat het project niet, zoals gepland, kan worden uitgevoerd. Wel zullen bij de uitvoering van bodemverzet/-verstoring amateuronderzoekers van de Stichting Archeologie Hoeksche Waard aanwezig zijn om de bodemverstoring archeologisch te begeleiden. Vervolgonderzoek in het kader van het uitwerkingsplan is gelet hierop niet nodig.
Regelgeving en beleid
Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (provincie Zuid-Holland, 2003)
De provincie Zuid-Holland heeft de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS) vastgesteld. De provincie betrekt hierdoor de cultuurhistorie bij ruimtelijke ontwikkelingen en richt zich hierbij vooral op het beschermen en versterken van het cultureel erfgoed voor zover dit is vastgelegd op de kaart van de CHS. Om deze reden is de CHS opgenomen in de streekplannen en in de Nota Regels voor Ruimte. De CHS vormt de basis voor toetsing van en advisering over bestemmings- en bouwplannen van gemeenten en erfgoedaspecten.
Onderzoek en conclusie
Het plangebied omvat conform de Cultuurhistorische hoofdstructuur provincie Zuid-Holland geen cultureel erfgoed dat beschermd of versterkt moet worden. Er wordt vanuit het aspect cultuurhistorie geen randvoorwaarden gesteld aan het plan.
Toetsingskader
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
Onderzoek en conclusies
Gelet op de kenmerken van het project (het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de vorige paragrafen zijn opgenomen. Voor het uitwerkingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
Het uitwerkingsplan De Dam fase 2 maakt, na inwerkingtreding, onderdeel uit van het bestemmingsplan 'Dorpskern Strijen'. Naast de regels die zijn opgenomen in het voorliggend uitwerkingsplan, zijn de regels van het bestemmingsplan Dorpskern Strijen van toepassing.
In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de planregels. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen:
Begrippen (Artikel 1)
De begrippen zoals opgenomen in artikel 1 van het bestemmingsplan 'Dorpskern Strijen' zijn onverkort van toepassing op dit plan. In artikel 1 van het voorliggend uitwerkingsplan is een begripsbepaling van 'plan' en 'uitwerkingsplan' opgenomen.
Wijze van meten (Artikel 2)
Dit artikel maakt duidelijk hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken worden gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.
De bestemmingsregels bevatten de regels die specifiek gelden voor de bestemmingen zoals opgenomen op de verbeelding van dit uitwerkingsplan.
Voor dit uitwerkingsplan zijn de bestemmingen 'Groen', 'Verkeer', 'Water', 'Wonen' en 'Waterstaat-Waterkering' van toepassing. Met uitzondering van de bestemmingen 'Groen' en 'Wonen', geldt dat de bestemmingsregels zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Dorpskern Strijen' onverkort van toepassing zijn.
In de algemene regels zijn aanvullende regels opgenomen met betrekking tot bouwen. Daarnaast bevatten de algemene regels gebruiksregels, aanduidingsregels, afwijkingsregels en wijzigingsregels.
In artikel 3.2.1 Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze zijn eveneens opgenomen in het bestemmingsplan 'Dorpskern Strijen', waarnaar wordt verwezen in het voorliggend uitwerkingsplan. In de slotregel wordt de citeerwijze van de regels van het uitwerkingsplan voorgeschreven.
Het uitwerkingsplan voorziet in de realisatie van 28 woningen en bijbehorende voorzieningen. Tussen HW Wonen en de gemeente Strijen is een anterieure overeenkomst in de zin van Afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening' gesloten ten behoeve van de herontwikkeling van De Dam te Strijen. Hierin is vastgelegd dat de kosten verbonden aan de planologische procedure en de realisatie van het plan in rekening komt van de initiatiefnemer. Eventuele tegemoetkomingen in planschade die uit het uitwerkingsplan voortvloeien, zijn voor rekening van de initiatiefnemer.
Gelet op de aard van het plan (zijnde een uitwerkingsplan) is ervan afgezien om het voorontwerp van het uitwerkingsplan voor de inspraak ter visie te leggen en overleg met instanties te voeren. Vanzelfsprekend wordt het uitwerkingsplan wel - als ontwerp - ter visie gelegd.
Het ontwerp-uitwerkingsplan heeft gedurende zes weken, van 1-8-2016 tot en met 12 9-2016, ter inzage gelegen. Op 25 augustus 2016 is een inloopbijeenkomst gehouden waar iedereen de mogelijkheid had vragen te stellen over het plan.
Gedurende de terinzagelegging konden belanghebbenden een zienswijze indienen. Er zijn 5 zienswijzen op het ontwerp-uitwerkingsplan ingekomen. De zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in een Nota zienswijzen, zie bijlage 4. De zienswijzen geven geen aanleiding om het plan te wijzigen.