| Plan: | Sterpassage |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0603.bpSterpassage-VA01 |
De Sterpassage maakt onderdeel uit van het winkelcentrum In de Bogaard, waar de gemeente Rijswijk in december 2019 het 'Masterplan In de Bogaard' voor heeft vastgesteld (zie paragraaf 3.2). In het Masterplan is voor de locatie van de Sterpassage een ontwikkeling voorzien bestaande uit twee gebouwen, met woontorens en een commerciële plint (horeca/retail). Inmiddels zijn voor de twee gebouwen ontwerpen gemaakt.
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan 'In de Bogaard' uit 2014. Het plangebied heeft de bestemming Centrum-1 en kent voor de plint langs de Steenvoordelaan een functieaanduiding 'dienstverlening'. Wonen is niet toegestaan. Er zijn maximaal twee bouwlagen toegestaan. De gewenste ontwikkeling past niet in het huidige bestemmingsplan vanwege zowel het beoogde gebruik (wonen) en de hogere bouwhoogte. Met dit nieuwe bestemmingsplan wordt het nieuwe plan mogelijk gemaakt.
Het plangebied ligt aan de noordoostzijde van het winkelcentrum In de Bogaard, tegen de Steenvoordelaan aan. In afbeelding 1.1 is met een rode contour de grens van het plangebied aangeduid.
afbeelding 1.1: begrenzing plangebied met rode stippellijn aangeduid (bron luchtfoto: nationaal
georegister, bewerking in QGIS)
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'In de Bogaard', vastgesteld op 11 februari 2014. Het plangebied heeft de bestemming 'Centrum-1' en kent voor de plint langs de Steenvoordelaan een functieaanduiding 'dienstverlening'. Er is een bouwvlak opgenomen en een maatvoeringsaanduiding 'maximum aantal bouwlagen: 2'. Dit betekent dat er maximaal twee bouwlagen zijn toegestaan, wat overeen komt met de huidige situatie.
De bestemming Centrum-1 staat de volgende functies toe:
Het programma van het nieuwe plan bestaat uit detailhandel, horeca, dienstverlening, wonen en een bijbehorende parkeervoorziening. De functies detailhandel en horeca zijn al in het huidige bestemmingsplan toegestaan. Dienstverlening is nu alleen toegestaan langs de Steenvoordelaan en op de verdiepingen. In de toekomstige situatie is meer flexibiliteit gewenst in de invulling van de commerciële ruimten, wat inhoudt dat dienstverlening in het hele plangebied is toegestaan. Wonen is ter hoogte van de Sterpassage niet toegestaan in het huidige bestemmingsplan. Ook is de beoogde bouwhoogte hoger dan twee bouwlagen. In paragraaf 3.3 wordt de beoogde ontwikkeling in detail beschreven. De gewenste ontwikkeling past niet in het huidige bestemmingsplan vanwege het beoogde gebruik en de gewenste hogere bouwhoogte.
In afbeelding 1.2 is een uitsnede van het bestemmingsplan 'In de Bogaard' voor het plangebied getoond.
afbeelding 1.2: uitsnede bestemmingsplan In de Bogaard, met blauwe stippellijn is het plangebied aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Parapluherziening parkeernormering Rijswijk
In aanvulling op het voorgaande vigeert ter plaatse van het plangebied tevens het bestemmingsplan 'Parapluherziening parkeernormering Rijswijk' (vastgesteld 12 juni 2018). De parapluherziening is een bestemmingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente Rijswijk en regelt enkel het onderwerp 'parkeren'. Voor nieuwe ontwikkelingen op het gebied van bouwen en/of gebruiken zijn met dit bestemmingsplan de geldende parkeernormen in heel Rijswijk van toepassing verklaard.
In het nieuwe bestemmingsplan voor de Sterpassage zijn de relevante regels uit het betreffende bestemmingsplan overgenomen.
Rijswijk ontstond rond 200 voor Chr. in de lagune achter de strandwallen: het duin- en binnenduinrandgebied van de huidige Hollandse kust. Als gevolg van een stijgende zeespiegel werd het veen weggeslagen en ontstond er een krekensysteem, waarvan de Gantel, de grootste kreek, door het Westland tot aan het huidige Delft liep. De hoger gelegen oeverwallen langs de kreken werden vestigingsplaatsen, zoals Rijswijk, voor de vroegere bewoners van de Nederlandse delta. De structuur van de historische kern Rijswijk is vervolgens gevormd door het onderliggende landschap: de oever- en strandwallen en de lage zandvlakten. Deze lage zandvlakten zijn later opgehoogd voor bebouwing.
Rond 1900 kent Rijswijk een bescheiden groei in oostelijke richting van de oude kern. In 1906 verschijnt vervolgens het Uitbreidingsplan Gemeente Rijswijk, mede als reactie op de expansiedrift van Den Haag. In het uitbreidingsplan staat de tuindorpstructuur centraal en wordt het onderliggende slagenlandschap volledig genegeerd. Rijswijk groeit op basis van het uitbreidingsplan in oostelijke en zuidelijke richting, nog dichtbij de oude kern. Deze uitbreiding vindt vrij langzaam plaats in de periode 1906-1930.
Na de Tweede Wereldoorlog kampt Den Haag met een enorm woningtekort. Mede hierom breidt Rijswijk fors in westelijke richting uit met 15.000 woningen en het bedrijventerrein Plaspoelpolder, winkelcentrum 'In de Bogaard', stadsparken en verschillende sportcomplexen. De uitbreiding wordt vormgegeven op basis van de modernistische gedachte, waarin de scheiding van stedelijke functies als ideaal wordt gezien. In het noorden wordt een parkruimte gespaard met de bedoeling een buffer te creëren tussen Den Haag en Rijswijk (vandaag de dag bekend als de Landgoederenzone). Er worden aparte gebieden voor wonen, werken en recreëren aangelegd met daartussen brede ruime wegen met groenstroken. De bouwblokken in de woonwijken bestaan veelal uit flats in twee, drie of vier verdiepingen die in stroken parallel aan of haaks op elkaar worden geplaatst.
Vanaf de jaren 60 van de vorige eeuw neemt het aantal bouwlagen per blok en daarmee de hoogte van de bebouwing snel toe. De woningbehoefte is nog altijd groot en de grond duur. In deze periode zijn onder andere de Artiestenbuurt (met winkelcentrum In de Bogaard) en het Stationskwartier gebouwd. Het doel was om Rijswijk uit te laten uitgroeien tot stad van formaat. In slechts enkele jaren kwamen er 15.000 woningen bij. Tot aan vandaag is dit de periode geweest waarin Rijswijk het snelst is gegroeid. In de Artiestenbuurt en het Stationskwartier kwamen veel portiekwoningen en flats van zes verdiepingen en hoger te staan, afgewisseld met lagere bouwblokken en eengezinswoningen. En tussen de woningen in veel groen en ruimte. Vooral aan de randen van de wijken en langs de toegangswegen, onder andere in Steenvoorde-Noord, wordt hoogbouw neergezet om een stedelijke uitstraling te creëren.
In de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw worden op invullocaties vooral eengezinswoningen gebouwd en ontstaat er weer een grotere diversiteit aan woningtypes. Begin jaren 90 van de vorige eeuw vormt Rijswijk al een belangrijk onderdeel van de aaneengesloten stedelijke agglomeratie Den Haag. Ter ontsluiting van de Plaspoelpolder wordt na dertig jaar voorbereiding in 1985 de A4 doorgetrokken. De recentere uitbreidingen van Rijswijk (de Hoekpolder en De Strijp) bestaan voornamelijk uit eengezinswoningen. De komende jaren worden Eikelenburg en Rijswijk-Buiten verder ontwikkeld en worden voornamelijk grondgebonden woningen gerealiseerd en wordt binnenstedelijk getransformeerd in onder meer In de Bogaard en de Plaspoelpolder. Afbeelding 2.1 geeft het grondgebied van de gemeente Rijswijk weer, met daarop het plangebied aangewezen.
Afbeelding 2.1: Gemeente Rijswijk (bron: nationaal georegister, bewerkt in QGIS)
De Sterpassage maakt onderdeel uit van het winkelcentrum In de Bogaard. Het winkelcentrum In de Bogaard is een van de oudste winkelcentra in Nederland en werd in 1963 geopend. Vanaf de jaren negentig tot 2007 is het centrum in etappes compleet gerenoveerd en (fors) uitgebreid tot de huidige situatie met ca. 64.000 m2 brutovloeroppervlak, verdeeld over circa 180 winkels. Het winkelcentrum ligt centraal in Rijswijk en vormt het hoofdwinkelgebied van de gemeente. Ook heeft het winkelcentrum een regioverzorgende functie voor een deel van de Haagse regio. Het centrum ligt op enkele minuten lopen van het centrale station van Rijswijk en is tevens goed bereikbaar met de auto en andere vormen van het openbaar vervoer. Zo stopt er een tram vanaf het station van Den Haag en hebben vier buslijnen een halte bij het winkelcentrum. Het winkelcentrum wordt omgeven door vier belangrijke stadswegen, die een goede bereikbaarheid op lokaal en bovenlokaal niveau waarborgen.
Afbeelding 2.2: winkelcentrum In de Bogaard met blauwe stippellijn aangeduid, het plangebied met rode stippellijn aangeduid (bron: nationaal georegister, bewerkt in QGIS)
Afbeelding 2.3: schematische weergave van het winkelcentrum 'In de Bogaard' (bron: Masterplan 'In de
Bogaard')
De laatste jaren verloor het winkelcentrum In de Bogaard aantrekkingskracht als regionaal winkelcentrum en kampt met grote structurele leegstand. Rijswijk speelt een rol in de verdere verstedelijking van de zuidelijke Randstad en heeft de Stadsas aangewezen als het gebied waar de verstedelijkingsopgave van Rijswijk wordt ingepast. Dit gebied dat de Winston Churchilllaan als ruggegraat heeft en van het Havengebied in het oosten tot voorbij In de Bogaard in het westen loopt is het gebied waar Rijswijk de komende decennia met name wenst te verstedelijken. Rondom het winkelcentrum 'In de Bogaard' vinden momenteel meerdere transformatieprojecten plaats, waarbij voormalige kantoorruimten naar o.a. woningen worden getransformeerd (o.a. De Generaal, The Minister en de HBG-locatie).
afbeelding 2.4: Stadsas (bron: Masterplan 'In de Bogaard')
De Sterpassage ligt aan de Steenvoordelaan, aan de noordoostzijde van het winkelcentrum 'In de Bogaard'. Aan de noordzijde sluit het plangebied aan op het aangrenzende winkelpand. Aan de westzijde wordt de grens gevormd door de Prins Johan Friso Promenade en aan de zuidzijde de Prins Willem Alexander Promenade. Aan de overzijde van de Steenvoordelaan staan enkele hogere woongebouwen (zeven tot twaalf verdiepingen). Hier omheen zijn hoofdzakelijk portiekflats van gemiddeld vier à vijf lagen gesitueerd.
Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 7.700 m2 en is volledig bebouwd en verhard. Er is geen buitenruimte en zodoende ook geen groen of oppervlaktewater aanwezig binnen het plangebied. Het gebouw bestaat uit twee bouwlagen met commerciële ruimten aan de buitenzijde en binnen in het gebouw. De Sterpassage heeft een omvang van circa 11.000 m2 brutovloeroppervlak (bvo), vooral winkels en een klein deel horeca en dienstverlening. Bijna de helft van de ruimtes staat echter leeg, met name op de verdieping.
afbeelding 2.5: luchtfoto huidige situatie Sterpassage (bron: Google Maps)
afbeelding 2.6: vogelvlucht aanzicht Sterpassage kijkend vanaf noorden (bron: Google Maps)
Verkeer en parkeren
Er zijn drie toegangen tot de binnenzijde van de Sterpassage, twee aan de Prins Johan Friso Promenade en een entree aan de Steenvoordelaan, recht tegenover de weg Wethouder Hillenaarplantsoen. Aan deze zijde zijn tevens de openbare fietsenstallingen en is de toegang te vinden voor de logistiek/winkelbevoorrading.
Naast de Sterpassage aan de Steenvoordelaan loopt een busroute en zijn bushaltes aanwezig. Het centrale station van Rijswijk is op ca. 5 minuten loopafstand.
Bezoekers van de winkels kunnen parkeren op een van de parkeerterreinen en/of -garages van het winkelcentrum 'In de Bogaard'. De parkeerdruk hiervan is erg laag, ca. 35% (bron: Masterplan 'In de Bogaard'). Dit heeft te maken met de aanwezige leegstand van winkels en kantoren in het gebied.
Vanwege verschillende (her)ontwikkelingen in en rondom het winkelcentrum In de Bogaard ontstond er behoefte aan een gebiedsvisie, die mede richting kan geven aan toekomstige ontwikkelingen en initiatieven. Op 28 februari 2017 hebben burgemeester en wethouders van Rijswijk daarom de 'Gebiedsvisie In de Bogaard en omgeving' vastgesteld. Voor 2030 wordt hierin onder andere de volgende ambitie geformuleerd:
'Een groot deel van het omliggende kantorenvastgoed is getransformeerd naar woningen voor overwegend een- en tweepersoonshuishoudens. Het gebied heeft een hoogstedelijke allure en de getransformeerde gebouwen vormen iconen in het groen. De gevarieerde groep huishoudens vormt een nieuwe economische drager en heeft de sociale en economische vitaliteit van het stads-centrum blijvend versterkt.'
De vijf centrale pijlers van de gebiedsvisie zijn als volgt. Stadscentrum In de Bogaard en omgeving:
De drie thema’s (korte termijn) die moeten helpen om de bovengenoemde doelen te behalen zijn de herontwikkeling van Bogaardplein, aantrekkelijker parkeren in In de Bogaard en de transformatie van leegstaand vastgoed.
Bij de gebiedsvisie hoort ook een uitvoeringsprogramma, waarin het volgende wordt gesteld over de herontwikkeling van het Bogaardplein en transformaties:
Betekenis voor het plan
De herontwikkeling van De Sterpassage is als specifiek project benoemd in het uitvoeringsprogramma van de gebiedsvisie. De uitgangspunten uit de Gebiedsvisie zijn in de uitwerking van het plan voor de Sterpassage opgevolgd. De voorgenomen herontwikkeling van de Sterpassage past daarmee in de Gebiedsvisie.
De beoogde ontwikkeling van de Sterpassage maakt onderdeel uit van de gebiedstransformatie die de gemeente voor het winkelcentrum In de Bogaard voorstaat. Zodoende is eerst ingegaan op de voorgeschiedenis en op de uitgangspunten die in het Masterplan zijn opgenomen en voor de Sterpassage van belang zijn.
Met de Gebiedsvisie In de Bogaard en omgeving die in 2017 is vastgesteld is een nieuwe toekomst geschetst waarin het winkelcentrum In de Bogaard transformeert van een homogeen winkelcentrum naar een gemengd stedelijk centrum. Deze visie is vervolgens uitgewerkt tot het Masterplan In de Bogaard, dat in december 2019 is vastgesteld. Het Masterplan schetst het kader waarbinnen de komende jaren een grootscheepse transformatie van het Rijswijkse winkelcentrum In de Bogaard zal plaatsvinden. Een transformatie naar een levendig, groen en aantrekkelijk stedelijk centrum waar met plezier en comfort gewoond, gewinkeld en verbleven wordt. Het masterplan gaat uit van een reductie van winkelmeters met minimaal 17.500 m2 bvo, het toevoegen van andersoortige functies, zoals horeca en leisure, het toevoegen van 2.000 tot 2.500 woningen en het versterken van de groenstructuur en creëren van aantrekkelijke buitenruimtes.
Het Masterplan 'In de Bogaard' houdt rekening met een verdichting tot een gemengd stedelijk gebied, waarbij hoogbouw een belangrijke rol zal spelen. De stedenbouwkundige opzet gaat uit van een plint (de eerste etage die op de begane grond aansluit), een stedelijke laag (het gebouw tot maximaal 20 meter hoogte) en een bovenbouw met torens bovenop de stedelijke laag (zie de verschillende lagen in afbeelding 3.1). Op deze wijze kan een gelaagd stuk stad ontstaan met activiteiten en levendigheid op meerdere niveaus. Tevens levert de stedelijke laag een bijdrage aan een aangenaam windklimaat op de straten en pleinen, mits op de juiste manier ontworpen.
De plint van de nieuwbouw is bedoeld voor de winkels, horeca, maatschappelijke functies, lobby's van een woongebouw of woningen. In de stedelijke laag zullen woningen komen of de inpandige parkeervoorziening (omsloten door een representatieve gevel). De parkeeropgave dient in beginsel per plot te worden opgelost. De nieuwe torens zullen voornamelijk uit appartementen bestaan. De nieuwe hoogbouwaccenten worden toegepast waar het geen bezonningsproblemen geeft op het maaiveld of op andere (bestaande) gebouwen. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met eventuele windval, bijvoorbeeld door de torens een set-back of juist een uitkraging te geven.
Afbeelding 3.1: opbouw hoogtes van de verschillende deelgebieden, het plangebied is met een rode
stippellijn aangeduid (bron: Masterplan 'In de Bogaard')
Voor het gebied waar de Sterpassage binnen ligt zijn grote veranderingen voorzien. Er is sprake van relatief veel leegstand. In het Masterplan is ingezet op een compacter bebouwd winkelgebied met minder vierkante meters winkelvloeroppervlak en de toevoeging van woningen en meer openbare ruimte om te verblijven. De Sterpassage ligt in het deel waar Verblijven & Recreëren centraal staat. Dit cluster is geprojecteerd op het middengebied van het winkelcentrum en zal als het het hart van het nieuwe In de Bogaard functioneren met een aantrekkelijke verblijfs- en recreatie-omgeving door het toevoegen van een mix van nieuwe functies en concepten. Niet alleen op het gebied van retail en horeca, maar ook gericht op leisure, dienstverlening en cultuur. Het cluster 'Verblijven & Recreëren' dient vanwege het onderscheidend karakter als smaakmaker van het getransformeerde In de Bogaard te worden (her)ontwikkeld.
Afbeelding 3.2: beoogde functiemix voor de verschillende delen van het winkelcentrum 'In de Bogaard' (bron: Masterplan 'In de Bogaard')
Bereikbaarheid en inrichting openbare ruimte
Ook de bereikbaarheid van winkelcentrum In de Bogaard zal gaan veranderen. Nu is het winkelcentrum en de directe omgeving sterk georiënteerd op de auto. Het winkelcentrum is een stenig eiland omgeven door autowegen. In het Masterplan is als plan aangegeven om het parkeren uit de middenberm van de Prinses Beatrixlaan te halen en de weg groener en eenvoudiger oversteekbaar te maken, zodat de aansluiting met de Ministersbuurt wordt verbeterd. Er is een nieuwe straat voor langzaam verkeer (voetgangers en fietsers) geïntroduceerd die net ten noorden van de Prinses Irenelaan en het Wethouder Hillenaarplantsoen door het winkelcentrum In de Bogaard loopt. Hiermee wordt beoogd het gebied nog beter doorwaadbaar te maken en beter te verbinden met de omliggende buurten. Deze nieuwe straat loopt door het plangebied van de Sterpassage. Hier is ook een nieuw plein bedacht, het Steenvoorde- plein, met ruimte voor ontmoeten en verblijven. De openbare ruimte in het zuidelijk deel van het plangebied van de Sterpassage is gericht op winkelen (roze kleur in afbeelding 3.3). In afbeelding 3.3 zijn de ruimtelijke karakteristieken getoond van de nieuwe openbare ruimte, zoals in het Masterplan is bedacht.
Afbeelding 3.3: ruimtelijke karakteristieken openbare ruimte, met blauwe stippellijn is het plangebied
aangeduid (bron: Masterplan 'In de Bogaard')
Verbeteren biodiversiteit en ecologische verbindingen
Met de transformatie van het winkelcentrum In de Bogaard wil de gemeente een bijdrage leveren aan de verbetering van de ecologische verbinding tussen de zuidelijke parken en de landgoederenzone ten noorden van Rijswijk. Daarbij speelt de herinrichting van de Prinses Beatrixlaan een belangrijke rol. In het Masterplan is aangegeven dat de gemeente bij de herinrichting van de openbare ruimte inzet op de doelsoorten genoemd in het Rijswijkse groenbeleidsplan; de watervleermuis, de kleine watersalamander, de waterspitsmuis, de eekhoorn, de bunzing, de bittervoorn en het bruin-blauwtje. Voor de openbare ruimte zijn drie beplantingstypen uitgedacht die kansen bieden voor deze doelsoorten: 'natuurlijke weidebeplanting', 'natte veenbeplanting' en 'bosbeplanting'.
Logstiek
Er is in het Masterplan ook nagedacht over de toekomstige routes voor de logstiek. Voor het plangebied is van belang dat de commerciële ruimten via de Steenvoordelaan worden bevoorraad (vergelijkbaar met de huidige situatie). Voor de Steenvoordelaan is in het kader van het Masterplan een zoekgebied voor extra bufferruimte gedefinieerd waarin extra capaciteit voor logistieke voertuigen wordt voorzien. Dit ligt aan de oostzijde van het winkelcentrum 'In de Bogaard', tussen de Henri Ter Hallsingel en de Prinsenpassage.
Kwaliteitsleidraad 'In de Bogaard'
Het Masterplan geeft het raamwerk. Dit raamwerk is uitgewerkt in de 'Kwaliteitsleidraad', een separaat document dat de ruimtelijke en beeldkwaliteitseisen bevat die worden gesteld aan de verschillende deelontwikkelingen. Ontwikkelingen, zowel van bouwenveloppen als van de openbare ruimten, worden hierin beschreven. De eigenaren en ontwikkelaren van diverse delen van het winkelcentrum In de Bogaard kunnen op basis hiervan gedetailleerde plannen opstellen.
In de toekomstige situatie wordt binnen het plangebied een woonprogramma en een retailprogramma gerealiseerd. Het totale woonprogramma bestaat uit een gevarieërd woonprogramma van maximaal 500 appartementen van ca. 40 m2 tot 120 m2. De appartementen zullen in zowel de huur als de koop worden gerealiseerd.
Het retailprogramma bestaat uit detailhandel (max. 2.700 m2 bvo, geen supermarkten), horeca (max 1.700 m2 bvo, dag en avondhoreca, zoals lunchrooms, koffietentjes, bars, restaurants), dienstverlening (max 400 m2 bvo) en ontspanning en vermaak (max. 400 m2 bvo). Om flexibiliteit te hebben in de invulling van de ruimtes is per functie een groter oppervlakte aangehouden, echter het totaal van alle retailfuncties samen is gemaximeerd op 3.500 m2 bvo. Om zo goed mogelijk het winkelcentrum te kunnen exploiteren en in te kunnen spelen op veranderende marktomstandigheden is de plek van deze functies in het gebouw niet vastgelegd.
De bestaande bebouwing wordt gesloopt en er komen twee nieuwe gebouwen in het plangebied (zie de zwarte vlakken in afbeelding 3.4. Daar tussen in komt het nieuwe Steenvoordeplein, de nieuwe plek voor ontmoeten en verblijven. Hier komt bij voorkeur de nieuwe horeca in de plinten en ruimte voor terrassen op het plein. Er kunnen ook andere functies komen, maar de voorkeur gaat uit naar horeca. Ook langs de Steenvoordelaan is ruimte voor terrassen. Hieronder is per gebouw een beschrijving gegeven.
afbeelding 3.4: plattegrond nieuwbouw (zwart) geprojecteerd over de bestaande situatie (bron: De
Zwarte Hond)
Aan de noordzijde van het plangebied komt een nieuw gebouw van ca. 16 verdiepingen en max. 55 m hoog. De plint aan het plein wordt deels 9 m en deels 15 m hoog. Daar bovenop komt de hoogbouw. In lijn met de Kwaliteitsleidraad 'In de Bogaard', worden setbacks toegepast in het ontwerp. De gevels van het nieuwe gebouw verspringen telkens na enkele bouwlagen een stuk naar binnen, zodat de toren steeds smaller wordt naar boven toe. Door de toepassing van deze setbacks wordt de kans op windhinder verkleind.
In de plint van de nieuwbouw komen retailfuncties, hoofdzakelijk horecavoorzieningen, gericht op het ontmoeten en verblijven. De nieuwe horeca zal zich op het nieuwe Steenvoordeplein oriënteren. Dit draagt bij aan levendig plein en een aantrekkelijk begin van de nieuwe oost-west looproute door het winkelcentrum 'In de Bogaard'. De verdiepingen worden ingevuld met appartementen. Er komen maximaal 110 woningen in. De inpandige fietsenstalling komt op de begane grond.
Behalve ruimte voor terrassen zal op het plein ruimte komen voor het winkelend publiek en een doorgaande route voor voetgangers en fietsers meer centraal over het plein. De exacte inrichting en vormgeving van het plein qua materialisering, verlichting, meubilair en beplanting wordt aan de hand van de uitgangspunten uit de Kwaliteitsleidraad 'In de Bogaard' nog nader uitgewerkt. Afbeelding 3.7 toont een impressie van een mogelijke inrichting.
Afbeelding 3.5: 3D impressie Gebouw 1 (bron: BARCODE architects)
Afbeelding 3.6: 3D impressie van het nieuwe Steenvoordeplein (bron: BARCODE architects)
Afbeelding 3.7: schetsontwerp voor het nieuwe Steenvoordeplein aan de Steenvoordelaan (bron:
Schetsontwerp Inrichtingsplan openbare ruimte stadscentrum Bogaard te Rijswijk, BoschSlabbers
Landschapsarchitecten, april 2021)
De massa van gebouw 2 wordt gevormd door een rechthoekig basisdeel van ca. vier lagen (ca. 15 m hoog), waarna vervolgens de gevels terugvallen. Op het basisdeel zijn aan de noord- en zuidzijde hoogteaccenten bedacht. De woontoren aan de noordzijde wordt ca. 39 m en de woontoren aan de zuidzijde ca. 75 m hoog. Het lagere tussendeel wordt ca. 24 m hoog. De plinten van het alzijdige nieuwe gebouw worden ingevuld met commerciele functies (detailhandel, dienstverlening, horeca). De hogere verdiepingen krijgen een woonfunctie. In totaal komen er in het gebouw max. 410 woningen.
In het binnenste deel van het gebouw komt ruimte voor het fietsparkeren en een parkeergarage voor bewoners. De toegang tot de inpandige parkeergarage komt aan de Steenvoordelaan (zie ook paragraaf 5.6.2 Onderzoek parkeren).
afbeelding 3.8: 3D impressie Gebouw 2 aan zijde Steenvoordelaan (bron: De Zwarte Hond)
afbeelding 3.9: 3D impressie Gebouw 2 met de daktuin (bron: De Zwarte Hond)
In het ontwerp van gebouw 2 is ingezet op een groot groen dak met verblijfskwaliteit voor de bewoners. Met de beplanting die op de daken komt, kan aangesloten worden bij het ecologische beplantingstype dat voor de openbare ruimte wordt nagestreefd. Ook een insectenhotel behoort tot de mogelijkheden, evenals een gemeenschappelijke kas voor bewoners om te gebruiken.
Daar waar dit praktisch en realistisch mogelijk is, wordt voor beide gebouwen ingezet op een natuurinclusief ontwerp zoals bijvoorbeeld nestgelegenheid in de gevels. Aspecten die meewegen in de uitwerking hiervan zijn de beheerstechnische uitvoerbaarheid (bijvoorbeeld in verband met schoonmaken/nesten; niet boven ramen ivm uitwerpselen, enz.) en de ecologische meerwaarde en slagingskans (zoals geschiktheid van de plek, de juiste aanvliegroutes, nabijheid woonruimtes met verstoringseffecten).
Het plan is om een WKO installatie te realiseren om zoveel mogelijk te voorzien in de energiebehoefte voor de nieuwe functies. De woningen zullen voldoen aan meest actuele duurzaamheidseisen.
Na vaststellen van het Masterplan 'In de Bogaard' zijn ontwerpstudies uitgevoerd voor de nieuwbouw ter plaatse van de Sterpassage. Deze studies hebben geleid tot een verdere uitwerking van de beoogde nieuwbouw, welke op een aantal punten afwijkt van het Masterplan In de Bogaard. Dit heeft te maken met voortschrijdend inzicht en nadere uitwerkingen van de gedachten en doelen van het Masterplan. Hieronder volgt puntsgewijs de motivatie voor de belangrijkste wijzigingen.
1. Steenvoordeplein / passage van 36 meter naar 21 meter breed
In het Masterplan is voor het nieuwe Steenvoordeplein een profiel opgenomen van 36 m breed (de ruimte tussen de twee nieuwe gebouwen). In de Kwaliteitsleidraad 'In de Bogaard' is opgenomen dat d menselijke maat belangrijk is. Een compacte openbare ruimte werkt beter vanuit het oogpunt van nabijheid, herkenning en geborgenheid dan een royale: hetzelfde aantal mensen op een kleiner oppervlak is sociaal veiliger en wordt prettiger ervaren. Om die reden is een heroverweging gemaakt ten aanzien van (de toegang tot) het Steenvoordeplein. Daarbij is de overweging geweest om het plein 'beschutter' te maken en de passage er naar toe vanaf de Steenvoordelaan compacter (van 36 m naar 21 m).
De omvang is echter nog ruim genoeg om te voorkomen dat het te druk wordt. Een goed plein wordt gevormd door de wanden er omheen; door de passage smaller uit te voeren krijgt het Steenvoordeplein meer gevelwand en daarmee een kwaliteitsimpuls.
Het nieuwe plein zal een verbindingsfunctie krijgen als onderdeel van de nieuwe oost-westverbinding door het winkelgebied heen. Ook met het smallere profiel is er voldoende breedte om doorgaand wandel- en fietsverkeer in te passen, gecombineerd met terrassen voor het noordelijke gebouw, ruimte voor volwassen bomen, en voetgangers- en overgangszone voor het gebouw aan de zuidzijde.
afbeelding 3.10: vergelijking plattegrond Steenvoordeplein met links de opzet uit het Masterplan en
rechts de gewijzigde opzet die het bestemmingsplan mogelijk maakt (bron: modelstudie De Zwarte
Hond)
2. Hoogbouw van 100 meter naar circa 75 meter
In het Masterplan 'In de Bogaard' is aan de zuidzijde van de Sterpassage een toren geprojecteerd van 100 meter hoog. Voor het nieuwe winkelgebied is een prettige microklimaat op straatniveau van belang. In het kader van het Masterplan zijn studies naar het windklimaat uitgevoerd. Hoewel de hoge toren weliswaar leidt tot een verbeterd windklimaat bij de kruispunten Steenvoordelaan- Wethouder Hillenaarsplantsoen en Steenvoordelaan - Henri ter Hallsingel, blijkt dat er rond entree van de toren van 100 meter een matig tot slecht klimaat op straatniveau ontstaat. Precies voor de ingang van de toren blijkt het windklimaat voor 'lopen' matig te zijn en voor 'slenteren' zelfs slecht. De categorie 'verblijven' is niet opgenomen maar zal op zijn best hetzelfde scoren als 'slenteren'.
Door de hoogbouw substantieel te verlagen van 100 naar ca. 75 m ontstaat er een beter verblijfsklimaat op maaiveld, omdat het windklimaat er door verbeteren (zie de paragrafen 5.12 Windhinder en 5.13 Bezonning voor de resultaten van de onderzoeken die hier naar zijn uitgevoerd). Met het aangepaste plan onstaat er rond de nieuwbouw meer verblijfskwaliteit die ook vanuit het Masterplan zo belangrijk wordt gevonden. Dit zal uitnodigen tot langer verblijf en ontmoetingen in het gebied, in de openbare ruimte en de plinten en komt de kwaliteit van het woon- en winkelgebied ten goede.
3. Gebouw 1 krijgt een setback van 2 meter ten opzicht van erfgrens met de Hoogvliet supermarkt
Bij nadere bouwplanuitwerking is gebleken dat het niet mogelijk is om de bovenbouw van het noordelijke gebouw op de erfgrens met de aangrenzende supermarkt te realiseren, omdat er dan geen ramen in deze gevel zijn toegestaan. Dit is een ongewenste situatie. Daarom wordt een setback van de bovenbouw van 2 meter geïntroduceerd, zodat er voldoende afstand tot de erfgrens onstaat om wel ramen in de noordgevel mogelijk te maken.
5. De stedelijke laag is 24 meter hoog in plaats van 22 meter
Om de tussenbouw aan te laten sluiten op de onderbouw van de lage toren is de stedelijke laag verhoogd tot 24 meter (bovenkant dakrand). Dit vergroot de samenhang van de compositie van het blok als geheel.
6. Verplaatsing hoogteaccent van Steenvoordeplein naar hoek Steenvoordelaan en -passage
In het Masterplan heeft het zuidelijke blok een hoogteaccent van circa 35 meter aan het Steenvoordeplein (zie afbeelding 3.1). Uit bezonningstudies blijkt dat hierdoor de terrassen op het plein nog best wat schaduw krijgen in het vroege voorjaar, in de middag. Door het hoogteaccent te verplaatsen naar de hoek Steenvoordelaan en Steenvoordepassage verbetert de bezonningssituatie substantieel.
Daarnaast onstaat er een subtiele poortwerking, door het nieuwe gebouw aan de noordzijde en het hoogteaccent aan de zuidzijde van de passage. Dit markeert de entree naar het Steenvoordeplein, komend vanaf het Wethouder Hillenaarsplantsoen en de Steenvoordelaan (zie afbeelding 3.5).
Vanaf 2022 treedt de nieuwe Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook één rijksvisie op de leefomgeving. Het Rijk heeft op 11 september 2020 de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050.
Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Deze dubbele doelstelling uit de Omgevingswet is vertaald in een omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving: ontwikkeling van de leefomgeving gaat samen met versterking van te beschermen waarden als gezondheid, landschap, waterveiligheid, natuur, cultureel erfgoed, leefomgevingskwaliteit en milieukwaliteit.
In de NOVI zijn de maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten:
Met betrekking tot 'sterke en gezonde steden en regio's' is in de NOVI aangegeven dat vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig zijn voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven.
Tegelijk streeft men naar een verbetering naar de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in ste-den en dorpen. Schonere lucht, voldoende groen en water en genoeg publieke voorzieningen waar mensen kunnen bewegen (wandelen, fietsen, sporten, spelen), ontspannen en samenkomen.
Betekenis voor het plan
De herontwikkeling van de Sterpassage draagt bij aan de benodigde versnelling van de bouw van nieuwe betaalbare woningen en de gewenste transformatie van het winkelcentrum In de Bogaard. De beoogde ontwikkeling sluit goed aan bij de beleidsdoelen die op rijksniveau in de NOVI zijn gesteld.
In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de ladder voor duurzame verstedelijking verankerd. Deze ladder is gericht op vraaggericht programmeren en het zorgvuldig benutten van ruimte. De ladder schrijft niet voor wanneer en waar wel of niet gebouwd mag worden, maar vraagt om een goede afweging van belangen zodat onder andere voorkomen wordt dat er voor leegstand wordt gebouwd. Doel van de ladder is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt.
Het artikel luidt als volgt:
‘De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’.
Betekenis voor het bestemmingsplan
Volgens het bepaalde in artikel 3.1.6 lid 2 Bro dient voor het toepassen van de ladder sprake te zijn van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Een 'stedelijke ontwikkeling' is in artikel 1.1.1 lid 1 aanhef en onder i Bro gedefinieerd als 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.
Het bestemmingsplan maakt ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan een hogere bouwhoogte mogelijk en voegt een woonprogramma toe. Ook wijzigen de mogelijkheden voor horeca en dienstverlening, voor detailhandel nemen de mogelijkheden af. Er is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hierdoor is de ladder van toepassing voor het bestemmingsplan. De toetsing aan de Ladder is opgenomen in paragraaf 4.2.2. Geconcludeerd is dat het voornemen voorziet in een regionale behoefte. Daarbij is sprake van de herontwikkeling van een bestaand stedelijk gebied. Het voornemen is dan ook passend ten aanzien van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Het kabinet heeft het doel gesteld om jaarlijks ongeveer 75.000 woningen toe te voegen aan de woningvoorraad. Met de Woningbouwimpuls draagt de rijksoverheid bij aan dit doel door de bouw van meer woningen te versnellen. Bovendien geeft de Woningbouwimpuls specifieke aandacht aan de bouw van betaalbare woningen, zodat het woningaanbod voor starters en mensen met een laag of middeninkomen vergroot wordt. De Woningbouwimpuls richt zich met name op stedelijke regio’s waar de vraag naar woningen het grootst is.
Op grond van het Besluit Woningbouwimpuls 2020 (mei 2020) kunnen gemeenten in aanmerking komen voor een specifieke uitkering voor de publieke activiteiten ten behoeve van woningbouwprojecten die gericht zijn op de realisatie of versnelling van de bouw van betaalbare woningen in een kwalitatief goede leefomgeving. De Regeling Woningbouwimpuls (mei 2020) bevat nadere regels met betrekking tot onder meer de voorwaarden om voor een specifieke uitkering in aanmerking te komen en zijn regels opgenomen met betrekking tot de Toetsingscommissie Woningbouwimpuls.
De regeling loopt tot en met 31 december 2023. Het totale budget is €1 miljard. Elk jaar worden meerdere tranches opengesteld. In de eerste tranche is aan 27 projecten in totaal € 290 miljoen toegekend. Hiermee worden 51 duizend woningen gebouwd in 21 gemeenten.
Betekenis voor het plan
De transformatie van Winkelcentrum In de Bogaard is een van de projecten van de eerste tranche van de Woningbouwimpuls. De herontwikkeling van de Sterpassage draagt bij aan de benodigde versnelling van de bouw van nieuwe betaalbare woningen en de gewenste transformatie van het winkelcentrum.
Op 20 februari 2019 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland de Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. Omdat onderdelen uit het Programma ruimte naar het visiedeel zijn omgezet, is het resterende deel hiervan nu onderdeel van het Omgevingsbeleid. Het gehele Omgevingsbeleid is alleen redactioneel gewijzigd, de beleidsinhoud is niet veranderd. Op 1 april 2019 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie in werking getreden.
De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze nevengeschikte ambities staan niet op zichzelf. Ze zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar deze regio voor staat. De ambities zijn de kaders waarbinnen de provincie ruimte geeft. Die ruimte kan per opgave verschillen. Door in te zetten op de zes ambities draagt de provincie bij aan het sterker maken van Zuid-Holland. Bij de zes ambities is een aantal opgaven geïdentificeerd. De opgaven zijn vanuit provinciale optiek en op een zeker abstractieniveau geformuleerd zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. Het betreft de volgende ambities:
In het programma Ruimte zijn de instrumenten opgenomen waarmee de doelen en ambities uit de Omgevingsvisie uitgevoerd gaan worden.
Verstedelijking en wonen
De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer. De provincie is terughoudend over het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied en vraagt om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied expliciet mee te wegen.
Bouwen naar behoefte
De provincie hecht waarde aan de vestigingswens van haar inwoners en hanteert het uitgangspunt dat woningen daar worden gerealiseerd waar de behoefte zich manifesteert. Het uitgangspunt daarbij is dat de juiste woning op de juiste plek (op juiste moment) wordt gerealiseerd. Dat gaat allereerst over dat gebouwd wordt naar behoefte. De bouw van nieuwe woningen moet bijdragen aan de bestaande woningvoorraad, de (sub)regionale schaal van woningmarkt en de lange termijn in ogenschouw nemend. Bouwen binnen bestaand bebouwd gebied speelt in op de behoefte aan binnenstedelijk wonen. De provincie wil dat de ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied.
Regionale woonvisie
Gemeenten stellen in regionaal verband woonvisies vast, waarin de gewenste kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkelrichting voor de bestaande en gewenste woningvoorraad binnen de regio wordt bepaald. Gemeenten en provincie spreken in gezamenlijkheid af welke uitgangspunten en randvoorwaarden voor de woonvisie gelden. De woonvisie bevat tenminste een beschrijving van de kwalitatieve en kwantitatieve woonopgave op korte en lange termijn en een onderbouwing van de behoefte die regionaal is afgestemd. De regionale woonvisie vormt het kwalitatieve en kwantitatieve kader voor en de onderbouwing van het door de regio op te stellen regionale woningbouwprogramma en de beoordeling daarvan door de provincie.
Betekenis voor het plan
In paragraaf 4.2.2 is de behoefte van het beoogde programma van de 500 woningen en het programma aan retailfuncties gemotiveerd. De locatie valt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Hiermee is de ontwikkeling in lijn met het provinciaal beleid.
Kwaliteitskaart
Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. De kwaliteitskaart is voor de provincie een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De kaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waarmee rekening dient te worden gehouden in de planvorming. Op de Kwaliteitskaart maakt het plangebied onderdeel uit van 'steden en dorpen' en 'stedelijk centrumgebied'. Ontwikkelingen die plaatsvinden in of in de nabijheid van het historisch centrum dragen bij aan behoud en versterking van de vitale stads- en dorpscentra met een gevarieerd functioneel en ruimtelijk beeld.
In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Kwaliteitskaart opgenomen. De planontwikkeling maakt onderdeel van de lokale en regionale woningbehoefte (zie ook paragraaf 4.2.2).
afbeelding 4.1: Uitsnede Kwaliteitskaart
De omgevingsvisie Zuid-Holland is vertaald in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben op 20 februari 2019 de omgevingsverordening vastgesteld. In deze verordening zijn alle regels voor de fysieke leefomgeving van het bestaande provinciale omgevingsbeleid samengevoegd. Voor de beoogde ontwikkeling zijn artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit en 6.10 Stedelijke ontwikkelingen relevant.
Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit
Beoordeling van het plan
De beoogde ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit van het winkelcentrum, maar voorziet in een wijziging op structuurniveau (aanpassen) vanwege de nieuwe ruimtelijke structuur die leidt tot een verdere verdichting van het gebied en door het toevoegen van een groot woonprogramma. De provincie zet in op kwaliteitsverbetering en het beter benutten van de beschikbare ruimte. Daarbij geldt dat de locatie van het plangebied op de bij de visie horende kaart 'laag van de stedelijke occupatie' is aangemerkt als 'stedelijk centrumgebied'. Ten aanzien van een beoogde ontwikkeling wordt gesteld dat herstructurering, verdichting of transformatie een bijdrage moet leveren aan de ruimtelijke karakteristiek. Hierbij worden de volgende uitgangspunten in acht genomen:
De beoogde ontwikkeling van de Sterpassage is in lijn met deze uitgangspunten. De ontwikkeling draagt bij aan het versterken van de identiteit van de stad en met name het winkelcentrum In de Bogaard. Door het toevoegen van woningbouw en het creëren van hoogteaccenten in het centrum wordt de stedelijke kwaliteit en identiteit van de locatie versterkt. Ook zorgt de gewijzigde programmamix voor een aangenamer gebied om de verblijven en recreëren. In het kader van de uitwerking van het Masterplan is de Kwaliteitsleidraad opgesteld. Hierin is aandacht besteed aan de samenhangende beeldkwaliteit voor het gebied, waaronder ook de Sterpassage. De bouwplannen worden hier op afgestemd.
Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen
Beoordeling van het plan
Om de behoefte aan de woningen en de retailfuncties te onderbouwen, zijn twee onderzoeken uitgevoerd, die hieronder nader zijn toegelicht. De onderzoeken gaan in op de vraag naar de functies ter plaatse van het plangebied, wat afgezet wordt tegen het bestaande aanbod. Hierbij is zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte onderbouwd.
Onderbouwing wonen
Voor de woningbehoefte is allereerst de Woondeal Zuidelijke Randstad relevant. Dit betreffen bestuurlijke afspraken tussen het Rijk, de provincie Zuid-Holland en gemeenten uit de Zuidelijke Randstad (waaronder Rijswijk). In hoofdzaak zijn de kwantitatieve afspraken in deze woondeal erop gericht om de productie van 100.000 woningen tot 2025 in de zuidelijke Randstad te versnellen en om te zorgen voor voldoende harde plancapaciteit voor de periode tot 2040 (bouwproductie van 230.000 woningen). Specifiek is daarbij nog de afspraak relevant dat verstedelijking in de zuidelijke Randstad met voorrang plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied in nabijheid van hoogwaardig OV, via een zogenaamde geconcentreerde verstedelijkingsstrategie.
Deze strategie houdt onder meer in dat wordt ingezet op de (al eerder aangewezen) 12 verstedelijkings-/verdichtingslocaties binnen de Verstedelijkingsalliantie. Deze alliantie is een samenwerkingsverband van 8 gemeenten langs de spoorlijn Leiden- Dordrecht, waaronder Rijswijk. Het binnenstedelijk gebied ‘Rijswijk-Bogaard/Plaspoelpolder’, waarvan de Sterpassage onderdeel is, is één van deze 12 verdichtingslocaties waarover in de Woondeal Zuidelijke Randstad afspraken zijn gemaakt.
Concluderend kan worden gesteld dat het planvoornemen voor De Sterpassage nadrukkelijk invulling geeft aan de Woondeal Zuidelijke Randstad en de hierin afgesproken woningbouwproductie van 100.000 woningen tot 2025.
De gemeente Rijswijk ligt in de agglomeratie Haaglanden. Voor dit gebied zijn tevens regionale woningbouwafspraken gemaakt (zie ook paragraaf 4.3.2). Het gaat om de negen gemeenten Delft, Rijswijk, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Wassenaar, Midden-Delfland, Westland, Pijnacker-Nootdorp en Zoetermeer. De provincie Zuid-Holland en deze negen gemeenten zien de regio Haaglanden als één woningmarktregio, zoals verwoord in de regionale woonvisie. De woningvraag en het -aanbod in de regio Haaglanden worden beoordeeld aan de hand van de Woningbouwmonitor Haaglanden 2018 en de WBR2019.
Uit de WBR2019 van de provincie Zuid-Holland blijkt dat in de periodes 2020-2025 en 2025-2030 voor de regio Haaglanden een behoefte bestaat aan respectievelijk 31.400 en 26.020 woningen. Elke extra woningbouwontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied wordt als 'welkome aanvulling' gezien, om zo gezamenlijk het tekort in te lopen. Bij deze getallen is van belang dat het regionale programma 30% groter mag zijn dan deze regionale behoefte (vanwege planuitval en - vertraging). Voor 2020-2025 is een regionaal programma met 40.820 woningen daarmee aanvaardbaar.
Uit de Woningmarktmonitor Haaglanden 2018 blijkt dat de voorgenomen woningbouwproductie in de periode 2018-2040 ca. 121.000 woningen bedraagt. Voor de periode 2018-2025 zijn dit 70.000 woningen en voor de periode 2026-2040 51.000 woningen. Van de 70.000 woningen die gepland zijn in de periode 2018-2025 behoren er 35.700 tot de harde plannen (waarvoor reeds een bestemmingsplan is vastgesteld, er bindende afspraken voor zijn of waarvoor een omgevingsvergunning verleend is). Dat betekent dat er in de regio nog ruimte wordt gezien voor circa 34.300 woningen. De harde plancapaciteit ligt daarmee in absolute zin lager dan het maximaal aanvaardbare regionale programma en betreft ook nog eens een twee jaar langere periode. In relatieve zin ligt de harde plancapaciteit daarmee nog ruimschoots onder de regionale behoefte. Daar komt nog bij dat de daadwerkelijke toename van de woningvoorraad in de periode van 2014 tot en met 2018 aanzienlijk is achtergebleven bij de woningbehoefte op basis van de WBR2019.
Concluderend kan worden gesteld dat in de periode van de realisatie van het planvoornemen (voor 2025) in de regio ruim voldoende vraag naar nieuwe woningen is.
In de gemeentelijke woonvisie 'Vertrouwd Stedelijk Wonen in Rijswijk - een woonvisie voor de periode 2015 - 2025' is aangegeven dat pijler 1 van de vier pijlers van het gemeentelijke woonbeleid, de 'kwantitatieve en kwalitatieve groei van de woningvoorraad' betreft. Rond In de Bogaard, waar het plangebied ligt, wil Rijswijk hoogwaardige stedelijke woonmilieus laten ontstaan. Deze zone biedt ook goede mogelijkheden voor een onderscheidende stedelijke woonkwaliteit. Rijswijk wil rond dit centrum levensloopbestendige woningen realiseren voor verschillende doelgroepen (starters, ouderen, etc.). De realisatie van het planvoornemen kan bijdragen aan een antwoord op de groeiende vraag naar stedelijke woonmilieus. In pijler 2, 'betaalbaar wonen in Rijswijk', wordt daarnaast ingezet op de realisatie van meer betaalbaar aanbod (boven goedkoop), om de doorstroming te bevorderen zodat goedkope woningen vrijkomen. De realisatie van het planvoornemen kan hier ook aan bijdragen.
Uit het voorgaande wordt geconcludeerd dat er in de regio Haaglanden op korte en middellange termijn meer vraag is dan aanbod naar woningen. Kwalitatief kan daar aan worden toegevoegd dat op de locatie stedelijke woningen worden gerealiseerd, waaraan eveneens een behoefte bestaat. Het voornemen voorziet in een regionale behoefte van woningen in het bestaand stedelijk gebied, waardoor voor de woonfunctie wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Onderbouwing retailfuncties
Er is een onderzoek uitgevoerd naar de behoefte aan de retailfuncties in het plangebied (horeca, dienstverlening, detailhandel). De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in het rapport "Ladder onderbouwing publieksgerichte voorzieningen Sterpassage Rijswijk" (Bureau Stedelijke Planning, januari 2021). Het rapport is opgenomen als Bijlage 1 Ladder onderbouwing commerciële functies van de toelichting.
Hieronder is per functie ingegaan op de bevindingen.
Uit de kwantitatieve beoordeling blijkt dat er in de gemeente Rijswijk uitbreidingsruimte is voor 3.460 m2 tot 8.550 m2 bvo aan horeca. De kwantitatieve uitbreidingsruimte kan niet volledig worden toebedeeld aan In de Bogaard c.q. de Sterpassage. De ruimte moet kwalitatief worden verdeeld over de verschillende horecacategorieën en horecalocaties. Van de ruimte is een deel toegewezen aan horecacategorie I en II (95%). Daarna is ervan uitgegaan dat circa 50% van de overgebleven ruimte landt in winkelcentrum In de Bogaard. Voor In de Bogaard betekent dit een uitbreidingsruimte van 1.640 m2 tot 4.060 m2 bvo, waarvan ca. 1.200 m2 planologisch is toe te voegen buiten het plangebied van de Sterpassage. Dat betekent dat er ruimte is voor een toevoeging van 440 m2 tot 2.860 m2 voor het plangebied. Voor de Sterpassage is de wens om 1.700 m2 bvo toe te voegen. Die ruimte ligt binnen de haalbare marge wat betreft de markttechnische mogelijkheden.
De ontwikkeling van horeca in de Sterpassage zal de volgende ruimtelijk-economische effecten met zich meebrengen:
De ruimtelijke en economische effecten die invulling van 1.700 m2 bvo horeca in de Sterpassage met zich meebrengen blijft binnen de grenzen van de marktruimte en dragen kwalitatief bij aan de transformatie van het winkelgebied naar een gemengd stedelijk gebied.
Het nieuwe bestemmingsplan zorgt voor een reductie van de oppervlakte aan detailhandel in het gebied van de huidige 10.225 m2 bvo naar maximaal 2.700 m2 bvo. Dit sluit aan bij de gestelde ambities in het Masterplan.
Het bestemmingsplan maakt een verbreding mogelijk van de plekken waar dienstverlening is toegestaan. Dienstverlening, winkels, horeca en ook maatschappelijke publieksgerichte voorzieningen vullen elkaar in een gemengd stedelijk gebied sterk aan. Gezamenlijk trekken ze consumenten naar een winkelgebied en voorzien ze in een behoefte. Centrumgebieden van deze tijd bieden al deze functies aan.
Conclusie
Resumerend kan worden geconcludeerd dat:
Gelet hierop is er geen strijdigheid met de provinciale belangen.
Op dit moment zijn wijzigingen van zowel de provinciale Omgevingsvisie als Omgevingsverordening in voorbereiding. De ontwerpversie van deze beleidsdocumenten heeft van 3 december 2020 tot en met 1 februari 2021 ter inzage gelegen. Het ontwerp Omgevingsbeleid 2020 is op het moment van schrijven van deze toelichting nog niet definitief vastgesteld, maar zal na vaststelling de beleidsdocumenten die in de voorgaande twee paragrafen getoetst zijn (deels) vervangen. Om die reden is hierna ook kort beoordeeld of de voorgenomen ontwikkeling past binnen het ontwerp Omgevingsbeleid 2020, mede omdat dit beleid naar verwachting nog voor de zomer van 2021 wordt vastgesteld.
De wijzigingen in de Omgevingsvisie betreffen in hoofdzaak aanscherpingen en verbeteringen van diverse onderdelen van de huidige Omgevingsvisie. Deze wijzigingen hebben geen relevante gevolgen voor de inpasbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling in de Omgevingsvisie. Op twee specifieke onderdelen is wel sprake van beleidsaanpassingen: klimaatadaptatie en circulariteit. Met name het eerste onderdeel is relevant voor de voorgenomen ontwikkeling, omdat op dit punt ook een wijziging in de Omgevingsverordening is beoogd (zie verder hierna).
De voor De Sterpassage relevante wijziging van de Omgevingsverordening betreft de toevoeging van het volgende artikel over de risico's van klimaatverandering:
In een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van:
Uit de toelichting op deze wijziging van de Omgevingsverordening blijkt dat dit artikel een beleidsmatige 'doorvertaling' van het 'Convenant Klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland' is. Dit convenant is nader toegelicht in paragraaf 5.11.1, waarbij ook nadrukkelijk is ingegaan op hoe in het plan voor De Sterpassage rekening is gehouden met klimaatadaptatie c.q. de gevolgen van de risico's van klimaatverandering. Hiermee voorziet paragraaf 5.11.1 in de toets aan het betreffende 'nieuwe' artikel in de Omgevingsverordening. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee ook inpasbaar in de gewijzigde Omgevingsverordening.
In 2008 heeft het algemeen bestuur van het Stadsgewest Haaglanden (vanaf 1 januari 2015 beëindigd en voortgezet in de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH)) het Regionaal Structuurplan Haaglanden (RSP) 2020 vastgesteld. Dit is een plan voor de ruimtelijke ontwikkeling van Haaglanden tot 2020 (soms met doorkijk tot 2030). In het RSP staan de grote lijnen voor de ambities en de ontwikkelingen van verkeer, wonen, werken, water en groen. Op basis hiervan bepaalt het Stadsgewest het regionale beleid en toetst het lokale plannen zoals bestemmingsplannen.
De Regio heeft tien onderwerpen gekozen waarop het zich de komende jaren wil richten ten aanzien van het regionale ruimtelijke beleid. Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling is met name het volgende onderwerp van belang.
Herstructurering en intensiever gebruik van stedelijke wijken
Een van de uitgangspunten is dat er geen grote woonwijken meer worden gebouwd in de groengebieden. Alleen in Rijswijk-Zuid - het oude tuinbouwgebied tussen Rijswijk en Delft - en de Vlietzone (tussen de A4 en de Vliet) zijn nog nieuwe woonwijken gepland. In de Westlandse Zoom bij Den Haag worden nieuwe villa's gebouwd.
Toch moet er nog een flink aantal woningen worden gebouwd. Ieder jaar moeten 1.500 tot 2.000 oude woningen worden vervangen of verbeterd en daarbovenop zijn tot 2020 nog zo'n 55.000 nieuwe woningen nodig. Voor de meeste daarvan zijn de plannen al gemaakt. In de tien jaar daarna komen er daar nog eens zo'n 40.000 bij. De regio Haaglanden wil de nieuwe woningen zoveel mogelijk bouwen binnen het bestaande stedelijke gebied, dichtbij stations of andere halteplaatsen waar veel en goed openbaar vervoer komt.
Betekenis voor het plan
Het voornemen voor de herontwikkeling van de Sterpassage met de toevoeging van een woonprogramma draagt bij aan het verwezenlijken van de ambities van het regionale structuurplan. De bouw van 500 woningen is passend binnen de uitgangspunten.
Begin 2016 hebben de negen gemeenten in Haaglanden, die een gezamenlijke woningmarktregio vormen, gezamenlijk een woonvisie opgesteld. De regionale woonvisie benoemt meerdere gezamenlijke opgaven op het gebied van sociale woningbouw, woningbouwprogrammering, duurzaamheid, wonen en zorg en verbetering van het bestaande vastgoed. De visie geldt als invulling van de eerste stap van de Ladder van duurzame verstedelijking waarmee woningbouwplannen een gemakkelijker bestuurlijk traject doorlopen. Hiermee worden de afspraken regionaal verankerd.
Er zijn vijf concrete woonambities voor de regio opgenomen en een agenda met acties en maatregelen:
Betekenis voor het plan
Voor het bestemmingsplan is onderzoek gedaan naar de behoefte aan de nieuwe woningen, zie paragraaf 4.2.2. Uit de ladder onderbouwing komt naar voren dat er voldoende behoefte is voor het woonprogramma. De voorgenomen herontwikkeling van de Sterpassage draagt bij aan de ambities, door de toevoeging van betaalbare woningen binnen een bestaand stedelijk gebied met hoogwaardige voorzieningen.
Op 4 augustus 2009 is het Groenbeleidsplan regio Haaglanden vastgesteld. Het groen van Haaglanden staat niet op zichzelf. Tezamen en verweven met het stedelijk gebied bepaalt het groen de kwaliteit van het verblijfsklimaat in de regio. De visie van het stadsgewest gaat uit van een groenstructuur die tot in de haarvaten verbonden is met het stedelijk gebied.
Landgoederenzone Rijswijk
In het regionaal Groenbeleidsplan wordt de Landgoederenzone in Rijswijk beschreven als een aaneenschakeling van buitenplaatsen en parken, die van grote cultuurhistorische waarde is. Als zodanig is deze zone ook van regionale betekenis. Het plangebied ligt op enige afstand van deze Landgoederenzone.
Beoogde ontwikkeling
In het kader van het Masterplan is een visie uitgewerkt voor het versterken van de hoofdgroenstructuur. Voor de voorgenomen ontwikkeling van de Sterpassage is van belang dat er in de openbare ruimte voldoende groenelementen komen. In het bouwplan wordt voor gebouw 2 gestreefd naar een groot groen dak met verblijfskwaliteit voor de bewoners. Met de beplanting die op het dak komt, kan aangesloten worden bij het ecologische beplantingstype dat voor de openbare ruimte wordt nagestreefd.
In de Stadvisie zijn de ambities voor Rijswijk beschreven, waarbij drie gebieden zijn onderscheiden waarbinnen de verschillende, toekomstige vraagstukken het best kunnen worden ondergebracht: de pijlers sociaal, ruimtelijk en economisch. Voor de beoogde ontwikkeling is met name de ruimtelijke pijler relevant, waarvoor de volgende algemene ambitie is beschreven:
Groene buitenplaats voor stedelijk wonen: In Rijswijk kan je ruim wonen in een lommerrijke omgeving of in een stedelijk gebied met groen altijd in de nabijheid. Dit kan individueel, met een partner en/of jong gezin of als oudere. Dit is uitgewerkt in de belangrijkste keuzes voor Rijswijk. Voor de beoogde ontwikkeling zijn de volgende keuzes relevant:
Betekenis voor het plan
Met het Masterplan is voor In de Bogaard invulling gegeven aan de betekenis van de Stadsvisie voor het winkelcentrum. De herontwikkeling van de Sterpassage sluit aan bij de uitgangspunten uit de Gebiedsvisie en het Masterplan (zie paragrafen 3.1 en 3.2) en geeft daarmee invulling aan de stadsvisie.
Op 11 mei 2021 is de actualisatie van de gemeentelijke woonvisie vastgesteld. De voorgaande woonvisie 'Vertrouwd Stedelijk Wonen in Rijswijk' is in 2015 opgesteld met een horizon van tien jaar (2025). Hierin zijn de gemeentelijke uitgangspunten en ambities voor het wonen tot 2025 beschreven. De woonvisie vormt de basis voor de strategische afwegingen die de stad maakt op het gebied van wonen. Centraal hierbij staat de vraag hoe Rijswijk het best kan inspelen op de woonbehoeften van de toekomst. De gemeente streeft naar kwalitatief goede woningen en onderscheidende woonmilieus voor huidige en toekomstige generaties.
De Woonvisie uit 2015 kent de volgende pijlers en speerpunten.
Al deze speerpunten zijn nog steeds geldig. De actualisatie van de Woonvisie kent twee pijlers.
Dit zijn de speerpunten waarop de gemeente in de komende jaren sterk gaat inzetten om het wonen in Rijswijk aantrekkelijk te houden en waar mogelijk te versterken.
Betekenis voor het plan
De 'kwantitatieve en kwalitatieve groei van de woningvoorraad' is pijler 1. Rond onder meer In de Bogaard, waar het plangebied ligt, wil de gemeente Rijswijk hoogwaardige stedelijke woonmilieus laten ontstaan. Deze zone biedt ook goede mogelijkheden voor een onderscheidende stedelijke woonkwaliteit. Rijswijk wil in en rond dit centrum levensloopbestendige woningen realiseren voor verschillende doelgroepen (starters, ouderen etc.). De herontwikkeling van de Sterpassage tot een gemengd gebied met wonen en retailvoorzieningen zal voorzien in de groeiende vraag naar stedelijke woonmilieus.
In pijler 2, 'betaalbaar wonen in Rijswijk' en pijler 5 van de geactualiseerde Woonvisie 'Doelgroepgericht woningbouwprogramma', wordt daarnaast ingezet op de realisatie van meer betaalbaar aanbod (middeldure segment), om de doorstroming te bevorderen zodat goedkope woningen vrijkomen. De realisatie van het planvoornemen kan hier ook aan bijdragen. Het woonprogramma bestaat uit een mix van koop en huur in verschillende groottes en prijssegmenten. Zo wordt ingezet op diverse doelgroepen, van jongeren tot ouderen.
De voorgenomen herontwikkeling van de Sterpassage is dan ook passend binnen de kaders en uitgangspunten van de gemeentelijke geactualiseerde woonvisie.
In februari 2010 heeft de gemeenteraad het Groenbeleidsplan 2010-2020 'BomeNatuuRecreatie' vastgesteld. In het plan staan de 'groene' ambities voor ontwikkelingen in de stad. Het groen komt te vaak op de tweede plek. Met het groenbeleidsplan krijgt het weer de plek op de kaart van Rijswijk die het verdient. De groenstructuur van Rijswijk is de basis en dus het fundament van het groenbeleidsplan. Die groenstructuur bestaat uit de boomstructuur, natuurstructuur en recreatiestructuur en duurzaam, verbinden en beleven zijn de leidende principes.
De visie van het groenbeleidsplan bestaat uit het creëren van een duurzame groenstructuur, door het behoud van de bestaande hoeveelheid groen, de identiteit en de kwaliteit van het groen te versterken en te zorgen voor groen dat in de omgeving past. Verbindingen zorgen voor samenhang in de groenstructuur. Dit vergroot de belevingswaarde van het groen. Investeren in de groenstructuur door middel van herinrichting en beheer betekent investeren in de stad als geheel. Het groenbeleidsplan fungeert als het groene toetsingskader voor ontwikkelingen en geeft richting aan het denken over groen, prioritering bij de uitvoering en keuzes in groenbeheer.
Betekenis voor het plan
Het plangebied ligt in het deelgebied E (Artiestenbuurt/Stationskwartier) van het Groenbeleidsplan. De sfeer in dit deelgebied wordt voornamelijk bepaald door de aanwezigheid van hoogbouw. Onder andere de bomenrijen langs de Sir Winston Churchilllaan, de Prinses Beatrixlaan en Generaal Spoorlaan vallen onder de hoofdbomenstructuur. Daarnaast zijn de bomenrijen langs de Doctor H. Colijnlaan, Wethouder Hillenaarplantsoen en Steenvoordelaan belangrijke bomenlanen en structuurbepalers. Deze bomenrijen zijn buiten het plangebied gelegen en worden door de planontwikkeling niet aangetast.
In het kader van het Masterplan is een visie uitgewerkt voor het versterken van de hoofdgroenstructuur. Voor de voorgenomen ontwikkeling van de Sterpassage is van belang dat er in de openbare ruimte voldoende groenelementen komen. In het bouwplan wordt voor gebouw 2 gestreefd naar een groot groen dak met verblijfskwaliteit voor de bewoners. Met de beplanting die op het dak komt, kan aangesloten worden bij het ecologische beplantingstype dat voor de openbare ruimte wordt nagestreefd. Dit sluit goed aan bij de ambities uit het Groenbeleidsplan om bij herontwikkelingen meer evenwicht te realiseren in de balans tussen rood en groen.
De gemeenteraad van Rijswijk heeft op 14 december 2010 de Economische Visie 2010-2018 vastgesteld. De doelstelling van de Economische Visie is het formuleren van een stappenplan waarin wordt omschreven wat de gemeente Rijswijk moet ondernemen om haar sterke economische positie te behouden en te versterken. De Economische Visie dient als onderlegger en uitgangspunt voor diverse dossiers, die affiniteit hebben met de Rijswijkse economie. Deze visie is het uitgangspunt voor het economisch beleid van de gemeente voor de periode van 2010 tot 2018.
Rijswijk heeft in potentie een aantrekkelijk vestigingsmilieu en een uitstekende ligging. De laatste jaren heeft Rijswijk echter last van de wet van de remmende voorsprong. De werkgelegenheidsgroei blijft achter bij die van Haaglanden, zelfs in sectoren waar Rijswijk van oudsher sterk in is. Oorzaken hiervoor zijn vooral de veroudering van het vastgoed, de functiescheiding en het ontbreken van een duidelijk imago. Vernieuwing en een duidelijke profilering zijn daarom essentieel. Dit moet gestalte krijgen door middel van het inzetten op een viertal pijlers: de Plaspoelpolder, In de Bogaard, Oud-Rijswijk en het Internationaal vestigingsklimaat. Met deze vier pijlers kan Rijswijk zich regionaal profileren.
Winkelcentrum In de Bogaard is de tweede pijler. Het centrum dient zich verder te ontwikkelen tot een volwaardig, levendig en onderscheidend centrum met een hoger winkelsegment. Om dit te bereiken is het creëren van een onderscheidend vermogen noodzakelijk door middel van een verbetering van de profilering, het verhogen van het economisch draagvlak door middel van het verbeteren van het woonklimaat en het verbeteren van de aantrekkelijkheid van het gebied. Het gebied kan aantrekkelijker gemaakt worden door het toevoegen van andere functies, beperkte uitbreiding van niet-dagelijkse detailhandel, vernieuwing en het optimaliseren van de bereikbaarheid.
Betekenis voor het plan
Met het Masterplan In de Bogaard is invulling gegeven aan hoe het winkelcentrum verder moet worden ontwikkeld tot volwaardig en onderscheidend stedelijk centrum. De herontwikkeling van de Sterpassage is hier onderdeel van. Er wordt ingezet op een levendig gemengd stedelijk gebied, waar verblijven en recreëren centraal staat door het toevoegen van horeca, hoogwaardige openbare ruimte en terrassen. Ook zorgt de toevoeging van woningen voor meer economisch draagvlak. De voorgenomen herontwikkeling van de Sterpassage is dan ook passend binnen de kaders en uitgangspunten van de gemeentelijke economische visie.
Op 24 april 2007 heeft de gemeenteraad van Rijswijk de Hoogbouwvisie van Rijswijk vastgesteld als richtinggevend kader voor nieuwe ontwikkelingen die hoogbouw behelzen. Met de samenhangende visie op hoogbouwontwikkelingen in Rijswijk is het mogelijk geworden om in een breder kader te beoordelen of hoogbouw op een voorgestelde plek wel of niet wenselijk is. De hoogbouwvisie vervult de behoefte aan een beoordelingskader om de discussie over hoogbouwplannen beter te kunnen structureren. Een belangrijk kenmerk van de huidige Rijswijkse bebouwing is de veel- en overal voorkomende hoogbouw. Door meer structuur aan te brengen in deze hoogbouw wordt de ruimtelijke en landschappelijke structuur van Rijswijk nog verder benadrukt. De eigenheid, uniciteit en herkenbaarheid van Rijswijk in de regio wordt daarmee vergroot. Tevens kan met hoogbouw een belangrijke bijdrage worden geleverd aan de herstructureringsopgave.
Het ontwikkelen van hoogbouw binnen een bestaand stedelijk verband vraagt een zorgvuldige ruimtelijke afweging. Toekomstige hoogbouw moet een meerwaarde van kwaliteit, beleving en duurzaamheid opleveren. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt moet bij de ontwikkeling van hoogbouw rekening worden gehouden met de volgende aspecten:
Er is in de visie voor gekozen om de gelaagde opbouw van Rijswijk te accentueren en daarom hoogbouw te concentreren aan de belangrijke structuurdragende lijnen (zoals de A4, de Generaal Spoorlaan, de Sir Winston Churchilllaan en de Prinses Beatrixlaan) van de 'centrale stad' en op één concentratieplek (het gebied tussen In de Bogaard en het stationsgebied). De Generaal Spoorlaan en de Sir Winston Churchilllaan worden benoemd als 'stedelijke boulevards'; zij vormen de belangrijkste routes naar de twee voorzieningencentra (oud en nieuw) van Rijswijk. Hier ligt het voor de hand om te intensiveren met hoogbouw, vooral in de vorm van woonbebouwing. De concentratie van hoogbouw langs de structuurdragende lijnen in 'downtown Rijswijk' impliceert dat in alle andere gebieden (nieuwe) hoogbouw ongewenst is. Hoogbouw in deze gebieden is uitsluitend toegestaan als daar vanuit de locatie of de functie een bijzondere aanleiding voor is. Afbeelding 4.2 laat de visiekaart zien.
Afbeelding 4.2 Visiekaart hoogbouwvisie (met een blauwe ster is het plangebied aangeduid)
Betekenis voor het plan
Het plan gaat uit van woontorens met hoogteaccenten. De hoogteaccenten zijn in overeenstemming met het Masterplan 'In de Bogaard' en dragen bij aan een accentuering van het winkelcentrum en de nieuwe entree/looproute bij het nieuwe Steenvoordeplein. In het ontwerp van de nieuwe bebouwing is rekening gehouden met de uitgangspunten uit de Kwaliteitsleidraad In de Bogaard. Er is sprake van eenvoudige orthogonale vormen en een getrapte opbouw van de hogere bouwmassa's. De Kwaliteitsleidraad sluit aan bij de stedenbouwkundige toetsingskaders uit de Hoogbouwbouwvisie. Zodoende is te concluderen dat de herontwikkeling past bij de kaders van de gemeentelijke hoogbouwvisie. Er is sprake van concentratie van hoogbouw rond de voorzieningen, er ontstaat meer functiemenging door woningen toe te voegen aan het winkelgebied, er is sprake van een intensivering van het ruimtegebruik en de nieuwe hoogbouw draagt bij aan een aantrekkelijke skyline van Rijswijk.
In 2004 heeft de gemeente Rijswijk het Horecabeleid vastgesteld (Notitie Horecabeleid Rijswijk). Ten aanzien van horeca in woongebieden beoogt het beleid een bijdrage te leveren aan het tegengaan van ongewenste horeca.
In de horecanota worden enkele algemene aanbevelingen gedaan, te weten:
Voor winkelcentrum In de Bogaard wordt geadviseerd de horeca te versterken door de terrassen aan het Bogaardplein uit te breiden om levendigheid te creëren.
Betekenis voor het plan
De voorziene horecaontwikkeling, bestaande uit maximaal 1.700 m2 bvo, is onderdeel van de ambities om het middendeel van het winkelcentrum 'In de Bogaard' te transformeren naar een levendig gemengd stedelijk gebied, waar verblijven en recreëren centraal staat. Daarmee is de ontwikkeling in overeenstemming met het horecabeleid. Uit het behoefte onderzoek naar de retailfuncties (zie paragraaf 4.2.2 en Bijlage 1 Ladder onderbouwing commerciële functies) is gebleken dat nieuwe horeca in het winkelgebied positieve economische effecten heeft en dat de invulling van 1.700 m2 horeca in de Sterpassage binnen de grenzen blijft van de marktruimte.
Ten aanzien van terrassen heeft de gemeente in het 'Uitvoeringsbesluit Terrassen in de gemeente Rijswijk 2012' regels opgenomen waar aan moet worden voldaan. Het gaat om eisen aan de omvang en situering, maar ook bijvoorbeeld eisen aan de inrichting, aan het meubilair, parasols en overkappingen.
Als onderdeel van een levendig openbaar gebied met een nieuw Steenvoordeplein is behoefte aan terrasruimte. In het plan is ruimte opgenomen voor het realiseren van terrassen. Bij de uitvoering hiervan, dient rekening te worden gehouden met de eisen die in het uitvoeringsbesluit zijn opgenomen.
Hoewel Rijswijk goed bereikbaar is, neemt de druk op het wegennet toe doordat de vraag naar mobiliteit toeneemt. Daarbij stelt de reiziger steeds hogere eisen aan de kwaliteit van het openbaar vervoer en de informatievoorziening. Ook ruimtelijke ontwikkelingen, zoals Rijswijk Zuid en Eikelenburg, zorgen ervoor dat het verkeersnetwerk dient te worden aangepast en uitgebreid. Om alle ontwikkelingen op het gebied van mobiliteit optimaal te benutten, heeft de gemeente de 'Structuurvisie Mobiliteit Rijswijk 2020' opgesteld.
Aan de hand van tien kernpunten wordt het mobiliteitsbeleid van de gemeente vormgegeven. De kernpunten zijn in te delen in drie thema's, te weten: Bereikbaarheid, Verkeersveiligheid en Leefbaarheid. Elk thema is uitgewerkt in enerzijds de ambitie en anderzijds de opgaven voor de komende jaren om die ambitie te bereiken. De opgaven zijn vervolgens uitgesplitst in projecten, onderzoeken en andere werkzaamheden in het Uitvoeringsprogramma.
In de Structuurvisie Mobiliteit Rijswijk 2020 zijn potentiële herontwikkelingslocaties aangewezen. Bij de voorbereiding van een eventuele herontwikkeling moet in een vroeg stadium met de ontwikkelaar(s) onderhandeld worden over (mee)betaling van (bovenplanse) kosten. Uitgangspunt is dat alle kosten van verkeerskundige aanpassingen binnen een specifiek plangebied worden toegerekend aan de ontwikkeling (binnenplans kostenverhaal). Daar waar een verkeerskundige aanpassing buiten een dergelijk plangebied gelegen is, maar wel sprake is van een bepaalde mate van profijt, zal op basis van deze structuurvisie een bijdrage worden opgelegd aan de initiatiefnemer/grondeigenaar via een overeenkomst op grond van afdeling 6.4 Wro.
Betekenis voor het plan
In de Structuurvisie Mobiliteit Rijswijk 2020 is winkelcentrum In de Bogaard aangewezen als een 'top-locatie' op regionale schaal. De toplocaties op nationale en regionale schaal zijn winkel-, werk- en vrijetijdslocaties die een regionaal publiek trekken. De gemeente zet voor de toplocaties in op een betrouwbare bereikbaarheid vanuit de regio en een sterke koppeling met vervoersknooppunten. De belangrijkste opgaven om de bereikbaarheid te garanderen en verbeteren is de inzet op hoogfrequent openbaar vervoer, verbeteren van het fietsnetwerk en stallingsmogelijkheden voor fietsen en het verbeteren van de doorstroming en aansluitingen van verschillende knooppunten in het autonetwerk.
Als gevolg van de herontwikkeling zullen wijzigingen in de verkeersbewegingen ontstaan op de wegen rond het plangebied (m.n. Steenvoordelaan, Generaal Spoorlaan, Sir Winston Churchilllaan). In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een mobiliteitsonderzoek uitgevoerd. In paragraaf 5.6 wordt nader ingegaan op het aspect verkeer en parkeren.
De realisatie van woningen in het winkelcentrum 'In de Bogaard' leidt tot meer functiemenging, waardoor in- en uitgaande verkeersbewegingen gelijkmatiger worden verdeeld. De goede bereikbaarheid met het OV en de nabijheid van voorzieningen zal zorgen voor minder autogebruik bij de nieuwe bewoners. Ook krijgen de nieuwe gebouwen elk een inpandige fietsparkeervoorziening om bewoners zo goed mogelijk te faciliteren en zo het fietsgebruik te stimuleren. Als onderdeel van de herontwikkeling van de Sterpassage wordt een nieuwe oost-westverbinding voor fietsverkeer door het centrumgebied mogelijk. De herontwikkeling sluit zodoende goed aan bij de ambities van de Structuurvisie Mobiliteit Rijswijk.
Op 8 februari 2011 heeft de gemeenteraad de gemeentelijke Nota Parkeernormen vastgesteld. De nota is opgesteld om in de toekomst voldoende parkeergelegenheid te kunnen houden en duidelijkheid te krijgen over de implementatie van de parkeernormen. De nota is het toetsingskader voor de komende jaren. Door herziening van de bijlagen bij de nota kan de komende jaren flexibel worden ingespeeld op bijvoorbeeld maatschappelijke trends of een gewijzigde beleidsvisie. Momenteel wordt gewerkt aan een nieuwe versie van de Nota Parkeernormen op basis van voortschrijdende inzichten.
Het gebruik van parkeernormen heeft tot doel een zodanig aantal parkeerplaatsen voor nieuwe ontwikkelingen (of bij uitbreidingen) voor te schrijven, dat de plaatsen voorzien in de vooraf in te schatten parkeervraag. Daarmee moet worden voorkomen dat door aanleg van te weinig parkeerplaatsen een tekort en daarmee parkeeroverlast ontstaat. Tevens voorkomen de normen dat te veel parkeerplaatsen worden aangelegd, waardoor de automobiliteit gestimuleerd wordt en de leefbaarheid nadelig wordt beïnvloed.
Aan de normen wordt actief getoetst bij (nieuwe) ontwikkelingen waarvoor een omgevingsvergunning voor bouwen vereist is, zoals nieuwbouwprojecten, uitbreidingen van bestaande bebouwing en functiewijzigingen waarvoor tevens een vergunning is vereist. Onder voorwaarden is gemotiveerd afwijken van de Nota Parkeernormen mogelijk.
Betekenis voor het plan
In het kader van het Masterplan In de Bogaard zijn gebiedseigen parkeernormen geformuleerd. Deze zijn vastgesteld en hiermee wordt zodoende afgeweken van de Nota Parkeernormen. Voor de Sterpassage worden deze gebiedsparkeernormen toegepast voor het berekenen van de parkeerbehoefte. De gebiedsparkeernormen zijn in onderstaande tabel benoemd. In paragraaf 5.6 wordt nader ingegaan op het aspect verkeer en parkeren.
Tabel 4.1 Gebiedsparkeernormen In de Bogaard (bron: Masterplan In de Bogaard)
Op grond van de Erfgoedwet moet bij een project inzicht verschaft worden in de archeologische (verwachtings)waarden. Ook dienen bij ruimtelijke plannen tijdig de archeologische waarden te worden betrokken en dienen in bestemmingsplannen juridische eisen te worden gesteld ter bescherming van mogelijke waarden.
Op 17 december 2013 heeft de gemeente Rijswijk de 'Actualisering Nota Cultureel Erfgoed' en bijbehorende archeologische waardenkaarten vastgesteld. In de nota wordt ingegaan op de vraag hoe resten uit het verleden kunnen worden behouden, zonder moderne ontwikkelingen buiten te sluiten.
De gemeentelijke archeologische waarden- en beleidskaart heeft twee niveaus (kaartbladen) op basis van de ouderdom en diepteligging in de bodem. De bewoningsresten uit de Neolithicum, Brons- en IJzertijd liggen in een groot deel van Rijswijk op een diepte van meer dan 1,5-2 m beneden maaiveld. De bewoningsresten uit de Romeinse tijd en jonger liggen in heel Rijswijk op een diepte vanaf de onderzijde van de bouwvoor. De dikte van de bouwvoor verschilt in Rijswijk echter per gebied.
De locatie ligt in een gebied met middelhoge archeologische verwachting voor het Neolithicum en een lage verwachting voor de Brons- en Ijzertijd, de Romeinse tijd en de Late Middeleeuwen volgens de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Rijswijk (2013).
Ter plaatse van de huidige bebouwing is de bodem tot minstens 1,5m onder maaiveld verstoord vanwege de aanwezige fundering. Daar omheen kan er een kans zijn op eventuele archeologische resten.
Zodoende is in het bestemmingsplan het volgende beschermingsregime opgenomen:
Bij graafwerkzaamheden dienen de verplichtingen uit de dubbelbestemmingen in acht genomen te worden. Dit betekent dat ten tijde van de omgevingsvergunning voor bouwen er onderzoek nodig is wanneer de vrijstellingsgrenzen worden overschreden.
Ten alle tijden dient tijdens de werkzaamheden vrijgekomen grond onderzocht te worden op archeologische resten. Er geldt een wettelijke meldingsplicht indien tijdens grondwerkzaamheden archeologische resten worden gevonden.
Binnen het plangebied zijn geen archeologische verwachtingen. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en er is ook geen beschermingsregime nodig middels een dubbelbestemming.
Rijksbeleid
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
Gemeentelijk beleid
In de gemeentelijke nota 'Actualisering Nota Cultureel Erfgoed' zijn ook cultuurhistorische waardenkaarten opgenomen. In deze nota zijn diverse gebieden/structureren beschreven die vanuit het oogpunt van cultuurhistorie waardevol zijn.
In de gemeentelijke Nota Cultureel Erfgoed zijn diverse gebieden/structureren beschreven die vanuit het oogpunt van cultuurhistorie waardevol zijn: de Landgoederenzone, de historische dorpskern, de Vlietzone, de historische verkaveling (o.a. de Hoekpolder), de gebieden die tussen 1850-1900 zijn uitgebreid, de gebieden die tussen 1900-1940 zijn uitgebreid, de gebieden die tussen 1945-1960 zijn uitgebreid, historische landwegen en historische waterwegen. Het plangebied is niet gelegen in of in de nabijheid van een historische infrastructuur of waardevol cultuurlandschap (zie ook afbeelding 5.1). Er zijn in het plangebied geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig.
Afbeelding 5.1: Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart Rijswijk. Het plangebied is rood omkaderd
Er bevinden zich binnen het plangebied geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle objecten welke een bijzondere bescherming behoeven of waar het plan een effect op heeft. Er zijn vanuit het aspect cultuurhistorie dan ook geen belemmeringen in het kader van de voorgenomen ontwikkeling.
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Met inwerkingtreding van de Wnb is de bescherming van soorten, gebieden en houtopstanden in één wet geregeld. De bevoegdheden zijn daarmee van het Rijk overgedragen naar de provincie. De natuurbescherming is opgedeeld in soortenbescherming en gebiedsbescherming.
Soortenbescherming
Het doel van de wet is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De wet kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. De verbodsbepalingen zijn een belangrijk onderdeel van de wet. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en beschermde planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld. Daarnaast is het niet toegestaan om de directe leefomgeving van beschermde soorten, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren (artikelen 3.1 Vogelrichtlijnsoorten, 3.5 Habitatrichtlijnsoorten en 3.10 Andere soorten). Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor alle in het wild levende planten en dieren (algemene zorgplicht, artikel 1.11)
Gebiedsbescherming
Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, zoals Natura-2000 gebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) gebeurt in het ruimtelijk spoor van het Barro (Rijk) en de provinciale verordening (provincie Zuid-Holland).
Er is beoordeeld is of de voorgenomen planontwikkeling negatieve effecten heeft op Natura 2000-gebieden. In de nabijheid van het plangebied liggen de volgende Natura 2000-gebieden:
Afbeelding 5.2: Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura2000-gebieden (bron: Aeriuscalculator)
Omdat het plangebied niet in of nabij een Natura 2000-gebied ligt, zijn directe effecten als gevolg van aantasting van habitattypen of leefgebieden niet aan de orde. Wel kan sprake zijn van indirecte effecten als gevolg van externe werking. Hier is sprake van indien de gevolgen van een activiteit buiten een Natura 2000-gebied wel merkbaar zijn in een Natura 2000-gebied. Voorbeelden hiervan zijn geluidverstoring of verstoring door licht, maar ook de gevolgen van stikstofemissies. Voor de meeste effecten geldt dat door de afstanden van het plangebied tot aan de Natura 2000-gebieden ook de externe werking op voorhand uitgesloten kan worden, licht- en geluidbelasting reikt niet dusdanig ver en er is een grootstedelijk gebied tussen gelegen.
Het enige effect dat niet op voorhand uitgesloten kan worden, is een effect door stikstofdepositie. Een stikstofemissiewolk kan zich over grote afstanden verspreiden en daarmee ook Natura 2000-gebieden op grotere afstand beïnvloeden. Zodoende is onderzocht of het project leidt tot een toename in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en/of habitatsoorten in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Dit is gedaan voor de aanlegfase (bouwfase) en de gebruiksfase en beschreven in het rapport "Stikstofonderzoek woningbouw Sterpassage, Rijswijk" (IDDS, juni 2021). het rapport is opgenomen als Bijlage 2 Stikstofdepositie onderzoek bij de toelichting. Hieronder is de conclusie opgenomen.
Conclusie stikstofdepositie onderzoek
In de sloop- en aanlegfase is uit de berekening gebleken dat sprake is van een beperkte stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol/ha/jr. Vanwege deze berekende overschrijding, is een verschilberekening opgesteld om te achterhalen of de toekomstige situatie leidt tot een slechtere of betere situatie dan de huidige situatie. Uit de verschilberekening blijkt dat de stikstofdepositie in de sloop en aanlegfase lager is dan in de huidige situatie (referentiesituatie). Daarnaast is er vanaf 2024 helemaal geen stikstofdepositie vanwege het plan op gevoelige Natura 2000-gebieden meer. Per saldo leidt het plan dus niet tot een toename in stikstofdepositie. Een nader onderzoek is niet nodig. Het plan zal niet leiden tot significant negatieve effecten op Natura-2000 gebieden.
Het plangebied ligt niet binnen het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Er gelden voor de planontwikkeling geen beperkingen vanuit de NNN.
Voor het Masterplan In de Bogaard is in 2019 een ecologische quickscan uitgevoerd naar de aanwezigheid van beschermde soorten flora en fauna. Het bestemmingsplangebied voor de Sterpassage valt daar binnen. Uit de quickscan is gebleken dat er alleen voor wat betreft de vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen niet uitgesloten kan worden dat deze in het plangebied van de Sterpassage aanwezig zijn en er mogelijk effecten op kunnen treden.
Zodoende is voor het bestemmingsplan aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen. De resultaten zijn opgenomen in het rapport "Sterpassage te Rijswijk, Inventarisatie Gierzwaluw, Huismus en vleermuizen in het kader van de natuurwetgeving" (Van der Goes en Groot, 11 november 2020). Het rapport is opgenomen als Bijlage 3 Soortenonderzoek van de toelichting. Hieronder is het resultaat van het onderzoek samengevat.
Uit het nader onderzoek is gebleken dat in het plangebied geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen. In het plangebied kunnen wel broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Door de werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen uit te voeren, is te voorkomen dat mogelijk aanwezige broedvogels verstoord worden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen duurt ruwweg van half maart tot half juli Mocht in het broedseizoen gewerkt gaan worden is het mogelijk voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn. Dit is een aandachtspunt in het kader van de uitvoering en volgt uit de zorgplicht uit de Wet natuurbescherming.
In plangebied Sterpassage zijn alleen langsvliegende, in vlucht baltsende en foeragerende vleermuizen waargenomen. Verblijfplaatsen van vleermuizen konden niet worden vastgesteld in het plangebied. De in vlucht baltsende vleermuizen vertoonden geen gebouwgebonden activiteit en konden niet aan aanwezige bebouwing worden gekoppeld. Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen essentieel deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken.
Vanwege het ontbreken van verblijfplaatsen van vleermuizen en/of andere beschermde gebruiksfuncties die in betekenende mate worden aangetast, is het voor de herontwikkeling van de Sterpassage niet nodig ontheffing aan te vragen in het kader van Wet natuurbescherming.
Het plangebied ligt niet binnen een beschermd natuurgebied zoals een Natura-2000 gebied of Natuurnetwerk Nederland. Directe effecten zijn dan ook uitgesloten. Om na te gaan of sprake is van indirecte negatieve effecten vanwege stikstofdepositie, is een berekening uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat er alleen sprake is van een tijdelijke en beperkte depositie op nabijgelegen Natura-2000 gebieden tijdens de aanlegfase. Er wordt een ecologische voortoets uitgevoerd om te beoordelen of de berekende depositie leidt tot significant negatieve effecten op een Natura-2000 gebied.
Uit het soortenonderzoek is gebleken dat er geen beschermde planten of dieren in het plangebied aanwezig zijn en dat er geen ontheffing nodig is voor de herontwikkeling van de Sterpassage. Wel zijn aandachtspunten bij de uitvoering. Hier zal in het kader van de zorgplicht van de Wet natuurbescherming rekening mee worden gehouden.
Voor alle ruimtelijke plannen is de uitvoering van een watertoets wettelijk verplicht. Het doel van de watertoets is om waterbelangen vroegtijdig en evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten.
Met het oog op de watertoets is een waterparagraaf opgesteld, waarin de voor dit plan relevante waterhuishoudkundige aspecten zijn beschreven. Deze waterparagraaf is hieronder opgenomen.
De afweging van de diverse waterbelangen is geborgd in diverse plannen, wetten en beleidsdocumenten. De belangrijkste plannen en wetten op Rijksniveau en Europees niveau zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet, het Nationaal Waterplan en de Wet gemeentelijke watertaken. Op provinciaal niveau zijn dit het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland, de Verordening Ruimte en het Actieprogramma Water. Voorts is relevant het beleid en de Keur van het hoogheemraadschap. Op gemeentelijk niveau staan relevante regels in Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 en de Wateragenda tot 2021.
Gelet op de aard van het bestemmingsplan (herontwikkeling van een bestaand verstedelijkt gebied) is niet verder ingegaan op al deze beleidsdocumenten.
Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied, binnen de Plaspoel- en Schaapweipolder (omvang circa 750 ha). Het plangebied ligt in het peilvak I (peilvakcode GPG2006PSH I noord). Het winterstreefpeil bedraagt -1,25 m NAP, het zomerstreefpeil -1,15 m NAP. Het maatgevend peil komt daarmee op - 1,19 m NAP. Met een gemiddelde maaiveld ter plaatse van het plangebied van 0,5 m NAP is sprake van een drooglegging van 1,69 m NAP.
Waterkwaliteit
Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit van het oppervlaktewater en/of grondwater leiden.
Waterberging
Voor het bestemmingsplan is de Watersleutel van Hoogheemraadschap Delfland uitgevoerd. In Bijlage 4 Watersleutel is het resultaat getoond. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Dit kan leiden tot wateroverlast en moet worden gecompenseerd door extra waterberging aan te leggen. Daarnaast vindt Delfland het belangrijk dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden met hevigere neerslag door klimaatverandering. De watersleutel berekent daarom de benodigde waterberging, zowel voor het compenseren van verharding als om gevolgen van klimaatverandering op te vangen.
Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 7.730 m2. Daarvan is in de huidige situatie 7.150 m2 bebouwd en de rest is verhard (580 m2). In de toekomstige situatie wordt ca. 6.150 m2 bebouwd en zal ca. 1.480 m2 verhard zijn en ca. 100 m2 aan onverhard (inschatting van de omvang van het groen in de openbare ruimte). Omdat er geen sprake is van een toename aan verhard oppervlak, komt uit de Watersleutel naar voren dat er door de ontwikkeling ook geen extra waterberging nodig is. Wel is er 103 m2 aan waterberging nodig om rekening te houden met hevigere neerslag door klimaatverandering. In kubieke meters komt dit neer op 60 m3 aan waterberging. In het ontwerp wordt rekening gehouden met de uitkomsten door 60 m3 aan waterbergende capaciteit op het dakoppervlak toe te voegen.
Richtlijn Toepassen vasthoudmaatregelen
De oppervlakte aan verhard en bebouwd terrein in het plangebied is in de huidige en toekomstige situatie gelijk. Met andere woorden: van "extra/nieuw verhard oppervlak" is geen sprake. Desalniettemin is bij de planontwikkeling rekening gehouden met onder meer de "Richtlijn toepassen vasthoudmaatregelen ter compensatie van verharding in het watertoetsproces" van het Hoogheemraadschap van Delfland.
Binnen het plangebied/peilvak is de realisatie van extra oppervlaktewater niet mogelijk. Er zullen dan ook alternatieve voorzieningen voor waterretentie/infiltratie worden toegepast.
Binnen het plangebied zullen vasthoudmaatregelen worden getroffen voor ca. 60m3 water (zijnde de compensatie berekend met de Watersleutel). Binnen de bebouwing kunnen vasthoudmaatregelen worden getroffen in de daktuin/op daken: middels de toepassing van beplantingsvlakken, kratten, matten of soortgelijke maatregelen. De te nemen maatregelen zullen functioneel/effectief zijn, (op lange termijn) betrouwbaar zijn en zorgen voor een integrale verbetering van de waterhuishouding. Voor gebouw 2 wordt gestreefd naar een grote groene daktuin met verblijfskwaliteit voor de bewoners.
De hoeveelheid neerslag die niet direct wordt opgenomen door de vegetatie wordt met een zekere vertraging afgevoerd op de riolering.
Ten opzichte van de huidige volledig versteende situatie is sprake van een verbetering en wordt het rioleringsstelsel minder belast zodat wateroverlast zoveel mogelijk wordt beperkt.
In de openbare ruimte, welke onderdeel is van het plangebied en die wordt toegevoegd door het nieuwe Steenvoordeplein, ontstaat ruimte voor meer groen en daarmee samenhangend meer ruimte voor waterberging en infiltratie. De gemeente heeft een Schetsontwerp opgesteld voor de inrichting van de openbare ruimte in 'In de Bogaard' (zie ook paragraaf 3.3.2). De ambities voor de openbare ruimte, waaronder voor het nieuwe Steenvoordeplein zijn daarin beschreven. Behalve de toevoeging van groenelementen en bomen, wordt ook ingezet op een waterelement op het plein met eventueel ruimte voor water om te blijven staan. In het Schetsontwerp het uitgangspunt opgenomen om regenwater dat valt op wegen, daken, pleinen en andere verharde oppervlakten op te vangen. Het regenwater wordt dan (oppervlakkig) afgevoerd naar wadi's, infiltratiestroken, ondergrondse waterbuffers en open sloten naast 'In de Bogaard'. Er wordt aan de hand van het Schetsontwerp een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Uit het waterplan moet o.a. blijken of water wel kan infiltreren in de grond, hoeveel water er opgevangen moet worden en hoeveel er kan worden opgevangen in de opnbare ruimte.
Ten opzichte van de huidige situatie is sprake van een verbetering en wordt het rioleringsstelsel door hemelwater minder belast zodat wateroverlast zoveel mogelijk wordt beperkt.
Parallel aan de Steenvoordelaan, net binnen het plangebied, loopt een duiker. Deze duiker verbindt het water in de wijken ten noorden van de Generaal Spoorlaan met onder andere het water bij Henri ter Hallsingel en Willem Royaardsstraat en verder naar het zuiden toe. De nieuwe bebouwing komt niet ter plaatse van de duiker. In het nieuwe bestemmingsplan is een dubbelbestemming 'Waterstaat' opgenomen ter bescherming van de duiker.
afbeelding 5.3: uitsnede Legger Hoogheemraadschap Delfland, met rode stippellijn is het plangebied aangeduid
Het Hoogheemraadschap van Delfland is het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen en oppervlaktewater. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft het hoogheemraadschap een adviserende rol. In het kader van het vooroverleg artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening is het bestemmingsplan aan het hoogheemraadschap voorgelegd voor advies.
Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft gereageerd op het concept bestemmingsplan. Het hoogheemraadschap vraagt om de vasthoudmaatregel van waterbergende capaciteit op het dak nader uit te werken en aan te geven op welke manier wordt voldaan aan de richtlijnen voor vasthoudmaatregelen. Ook wordt gevraagd om toe te lichten op welke manier invulling wordt gegeven aan het Convenant klimaatadaptief bouwen, en dan met name de onderdelen 'voorkomen wateroverlast bij hevige buien' en 'het voorkomen van droogteschade'.
In de voorgaande waterparagraaf is rekening gehouden met de reactie van het hoogheemraadschap. Ook wordt verwezen naar paragraaf 5.11, waar is ingegaan op het Convenant Klimaatadaptief bouwen.
De herontwikkeling van de Sterpassage leidt niet tot negatieve effecten op de waterhuishouding ter plaatse. Er is geen sprake van een toename aan bebouwd gebied. Op het dak wordt een voorziening gerealiseerd om voldoende waterbergende capaciteit te realiseren (60 m3) en er ontstaan kansen voor meer waterberging door aanbreng van groene daken en voor meer infiltratie in de openbare ruimte en op het nieuwe plein. Daarmee wordt voldaan aan de compensatieopgave die volgt uit de Watersleutel. In het plan is afdoende aangetoond, dat er geen negatieve invloed op de waterhuishouding valt te verwachten en worden extra maatregelen genomen, om aan klimaatadaptatie bij te dragen. Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
In verband met de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dient onderzoek verricht te worden naar de (te verwachten) bodemkwaliteit in het plangebied door het raadplegen van beschikbare bodemgegevens. Bij het mogelijk maken van een nieuwe functie of bij het wijzigen van de functie dient te worden beoordeeld of de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Daar waar sprake is van consoliderend bestemmen van bestaande situaties kan een diepgaand inzicht in de bodemsituatie vooraf achterwege blijven, tenzij een redelijk vermoeden moet bestaan van een saneringssituatie.
Bij bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem benodigd. Het bouwen is alleen toelaatbaar als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom dient bij iedere nieuwe bouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te worden gebracht. De bodemonderzoeken voor eventuele nieuwe (vervangende) bouwactiviteiten mogen niet te oud zijn en moeten een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Indien aan die voorwaarden niet kan worden voldaan, dient aanvullend onderzoek plaats te vinden. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem wel geschikt te maken, of dient de omgevingsvergunning te worden geweigerd.
Voor de herontwikkeling van de Sterpassage is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in het rapport "Verkennend bodemonderzoek aan de Steenvoordelaan te Rijswijk fase 1" (Inpijn Blokpoel, 8 januari 2021). Het rapport is opgenomen als Bijlage 5 Verkennend bodemonderzoek van de toelichting. Hieronder is het resultaat van het onderzoek samengevat.
Vanwege de nog in gebruik zijnde panden beschrijft het bodemonderzoek alleen de resultaten van de eerste fase van het onderzoek, het terreindeel wat momenteel, doch in beperkte mate, toegankelijk was. Na sloop van de aanwezige bebouwing zal in fase II het resterende projectgebied worden onderzocht. Ook wordt een verkennend asbest bodemonderzoek voor het gehele projectgebied uitgevoerd.
Zintuiglijk zijn in de bodem geen bodemvreemde materialen aangetroffen. Analytisch zijn in de uitpandige bovengrond ten hoogste licht verhoogde gehalten aan diverse zware metalen en/of PCB's aangetoond. De zandige bodemlaag direct onder de bebouwing is ten hoogste licht verontreinigd met PAK, PCB's en minerale olie. Voor het overige zijn geen verhoogde gehalten in de vaste bodem aangetoond. In het grondwater van het noordelijk deelgebied zijn geen gehalten boven de desbetreffende streefwaarde aangetoond. Het grondwater op het zuidelijk deelgebied is ten hoogste licht verontreinigd met barium, som xylenen, som (cis,trans) 1,2-dichloorethenen en vinylchloride. Aanvullend onderzoek wordt in dit stadium niet nodig geacht, aangezien het criterium voor nader onderzoek voor de onderzochte parameters niet wordt overschreden. Resumerend kan bij beoordeling van het geheel aan onderzoeksresultaten gesteld worden dat de in fase I aangetroffen bodemkwaliteit aanvaardbaar wordt geacht en zodoende geen belemmering vormt voor de geplande herontwikkeling.
Voor het bestemmingsplan is de bodem voldoende onderzocht. In het kader van de uitvoering wordt rekening gehouden met de uitkomsten en aanbevelingen van het uitgevoerde bodemonderzoek.
De nieuwe ontwikkeling heeft effecten op de verkeerssituatie en de parkeersituatie. Het plan leidt tot een afname aan oppervlakte retail en een toevoeging van woningen. Voor de planontwikkeling is een mobiliteitsonderzoek uitgevoerd (Goudappel Coffeng, 30 juni 2021). Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 6 Mobiliteitsonderzoek bij de toelichting.
De resultaten van het onderzoek worden in deze paragraaf beschreven. Allereerst is ingegaan op de parkeersituatie. Daarna is ingegaan op de verkeersafwikkeling.
Het benodigd parkeeraanbod is berekend door de omvang van iedere functie te vermenigvuldigen met de bijbehorende parkeernorm (het aantal benodigde parkeerplaatsen per functie). De te realiseren functies kennen verschillende doelgroepen, bijvoorbeeld bewoners, medewerkers en bezoekers, die niet op elk moment van de week een even grote parkeervraag kennen. Zo kennen bewoners de hoogste parkeervraag gedurende de nacht, terwijl het maatgevende moment voor winkelend publiek de zaterdagmiddag is. De parkeervoorzieningen in het winkelcentrum In de Bogaard kunnen door verschillende parkeerders (doelgroepen) worden gebruikt, dit heet dubbelgebruik van parkeerplaatsen.
Voor de parkeerbalans is uitgegaan van een programma van 510 woningen en 3.500 m2 retailfuncties. Dit programma is voor de parkeerbalans onderverdeeld in verschillende typen woningen, detailhandel en horeca, zodat een inschatting te maken is van de toekomstige parkeerbehoefte (zie tabel 5.1).
Tabel 5.1. Beoogd functieprogramma herontwikkeling
Parkeernormen
De gemeente Rijswijk heeft voor het plangebied speciale parkeernormen vastgesteld voor woningen. Deze zijn opgenomen in het Masterplan 'In de Bogaard'. De parkeernormen voor commerciële functies en voorzieningen komen uit de Nota Parkeernormen van de gemeente Rijswijk. In tabel 5.2 is een overzicht van de gehanteerde parkeernormen voor de woningen weergegeven.
Tabel 5.2 gehanteerde parkeernormen voor de woningen (bron: Goudappel Coffeng)
Voor de overige functies worden de volgende parkeernormen gehanteerd:
Aanwezigheidspercentages
In het Masterplan In de Bogaard zijn geen aanwezigheidspercentages opgenomen. Om deze reden wordt aansluiting gezicht bij de meest recente aanwezigheidspercentages conform de Nota Parkeernormen van de gemeente Rijswijk. De gehanteerde aanwezigheidspercentages zijn opgenomen in tabel 5.3. Aangezien voor het bewonersparkeren er geen sprake is van dubbelgebruik, wordt daar geen aanwezigheidspercentage op toegepast. Voor de detailhandel wordt uitgegaan van een aanwezigheidspercentage van 100% op de zondagmiddag in verband met koopzondag. Op zaterdagavond is het winkelcentrum daarentegen niet geopend.
Tabel 5.3 gehanteerde aanwezigheidspercentages herontwikkeling Sterpassage (bron: Goudappel Coffeng)
Resultaat parkeerberekening autoparkeren
5.6.3 Verkeersafwikkeling en bereikbaarheid
De nieuwe ontwikkeling heeft effecten op de verkeerssituatie en de parkeersituatie. Het plan leidt tot een afname aan oppervlakte retail en een toevoeging van woningen. Voor de planontwikkeling is een mobiliteitsonderzoek uitgevoerd (Goudappel Coffeng, 30 juni 2021). Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 6 Mobiliteitsonderzoek bij de toelichting. De resultaten van het onderzoek zijn in deze paragraaf beschreven.
Uitgangspunten
De intensiteiten op de relevante wegen in het plan- en studiegebied worden voor diverse planjaren met behulp van het verkeersmodel inzichtelijk gemaakt. Daarbij zijn de jaren 2020 (huidige situatie) en 2031 (referentiesituatie) en 2031 (plansituatie) gemodelleerd. De referentie- en plansituatie bevatten alle plannen (ruimtelijk en infrastructureel) waarover een besluit genomen is, maar waarvan de uitvoering nog niet gestart is. Deze plannen hebben een behoorlijke mate van zekerheid. Er is voor het jaar 2031 gekozen, omdat in bestemmingsplanprocedures het gebruikelijk is om altijd circa tien jaar vooruit te kijken na vaststelling van het bestemmingsplan.
Verkeersgeneratie beoogde situatie ten opzichte van bestaande situatie
Door Goudappel Coffeng is berekend wat de verkeersgeneratie is van het nieuwe plan ten opzichte van het huidige bestemmingsplan. Dit is in beeld gebracht voor de weekdaggemiddelden en voor de werkdag en spitsintensiteiten (inkomend en uitgaand). Daaruit valt op te maken dat woningen en commerciële functies een gespiegeld patroon hebben in het aandeel inkomende en uitgaande bewegingen tijdens de spitsperioden.
In de bestaande situatie (peil 2019) is sprake van een verkeersgeneratie van ca. 1.482 mvt/etmaal (werkdaggemiddelde). Voor de toekomstige situatie is berekend dat er sprake is van een verkeersgeneratie van ca. 1.442 mvt/etmaal (werkdag), een afname van 40 mvt/etmaal ten opzichte van de bestaande situatie. Dit komt omdat detailhandel een grotere verkeersaantrekkende werking heeft dan woningen (er gaan meerdere malen mensen heen en weer, verspreid over de dag). In het onderzoek zijn ook de verschillen in de spitsintensiteiten in beeld gebracht, zie tabel 5.4 hieronder. Zoals te zien is, neemt tijdens de ochtendspits het aantal verkeersbewegingen toe met circa 56 mvt/etm ten opzichte van de huidige situatie. Dit komt overeen met een gemiddelde toename van minder dan 1 auto per minuut. In de avondspits neemt de verkeersgeneratie in de toekomst af met circa 109 mvt/etm in het drukste uur.
Tabel 5.4 Verschil spitsintensiteiten bestaande en beoogde situatie Sterpassage Rijswijk (bron: Goudappel Coffeng)
Kwalitatieve beoordeling verkeersafwikkeling
De locatie wordt ontsloten via de Steenvoordelaan. Om te beoordelen wat het effect is van de planontwikkeling op de verkeerssituatie bij de Steenvoordelaan is door Goudappel een schouw ter plaatse uitgevoerd. Er is sprake van een inrichting van de weg met een scheiding van het langzaam verkeer en het autoverkeer. Ook is de snelheid van het autoverkeer laag vanwege de aanwezige oversteekplaatsen en kruispunten zonder voorrangregeling. De openbare ruimte is zo ingericht dat op vrijwel alle plekken sprake is van goed zicht op de omgeving. Behoudens de ochtendspits neemt op alle momenten de verkeersdruk van de locatie af. De toename van minder dan 1 auto per minuut in de ochtendspits op het drukste uur, is verkeerskundig beperkt en leidt naar verwachting niet tot knelpunten. De beoogde locatie van de inrit van de parkeergarage komt ter plaatse van de huidige laad- en losruimte. Het vrachtverkeer dat hier momenteel in en uit gaat wordt vervangen door personenauto's. Er komt voldoende opstelruimte om veilig het aanwezige fietspad te kruisen en te kunnen wachten om de weg op te kunnen gaan danwel om de garage in te rijden.
Vekeersafwikkeling Steenvoordelaan en kruispuntanalyse verkeersmodel In de Bogaard
Er is onderzoek gedaan naar de verkeerskundige impact van de gebiedstransformatie van In de Bogaard (kruispuntanalyse). Er is een verkeersmodel gemaakt van de toekomstige situatie met de volledige ontwikkeling van het Masterplan, waaronder ook de ontwikkeling van de Sterpassage. De uitkomsten van dit onderzoek zijn beschreven in de notitie 'Toets verkeersafwikkeling In de Bogaard Rijswijk (Goudappel, 21 mei 2021) en opgenomen als Bijlage 7 Toets verkeersafwikkeling In de Bogaard. Uit de uitgevoerde analyses voor de nabijgelegen kruispunten blijkt dat het verkeer in de toekomstige situatie rondom In de Bogaard goed kan worden afgewikkeld.
In het opgestelde verkeersmodel van In de Bogaard is ook rekening gehouden met de parkeergarage voor bewoners die in het plan voor de Sterpassage is opgenomen. De nieuwe parkeergarage leidt tot een toename van de verkeersbewegingen op de Steenvoordelaan in de ochtendspits (bewoners). Echter, de totale ontwikkeling van In de Bogaard leidt tot een afname van de etmaalintensiteiten op de Steenvoordelaan, zowel in de avond als in de ochtendspits. Daarnaast is de ochtendspits niet het maatgevende moment, omdat dit niet het drukke moment is. Dat is de avondspits. Het blijkt dat de ontwikkeling op wegvakniveau leidt tot een verbeterde verkeerssituatie. zowel in de ochtend- als de maatgevende avondspits nemen de intensiteiten in de toekomstige situatie af ten opzichte van de huidiqe situatie.
Conclusie verkeersafwikkeling
Over de verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling zijn de volgende conclusies getrokken:
Het plan leidt tot een wijziging in de parkeervraag. Een deel van de toekomstige parkeervraag wordt in het plangebied in een nieuwe parkeergarage opgevangen. De resterende parkeervraag wordt opgevangen in de bestaande parkeervoorzieningen in en rond het winkelcentrum. Hierover zijn met de beheerder afspraken gemaakt. In de omgeving van het plangebied is sprake van betaald parkeren in de openbare ruimte. De toekomstige bewoners krijgen geen parkeervergunning voor het parkeren op straat.
Het totaal aantal verkeersbewegingen neemt af ten opzichte van de huidige situatie, dit valt voornamelijk te verklaren doordat detailhandel meer verkeer genereert dan woningen. Door de verschuiving van detailhandel en andere commerciële functies verandert het patroon van inkomende en uitgaande verkeersbewegingen. De ontwikkeling van de Sterpassage leidt in de ochtendspits tot extra verkeersbewegingen van ca. 56 motorvoertuigbewegingen. Dit komt overeen met een gemiddelde toename van minder dan 1 auto per minuut. Uit het verkeersmodel voor In de Bogaard blijkt echter dat de totale ontwikkeling leidt tot een afname van verkeersbewegingen op de Steenvoordelaan. Op basis van een schouw van de Steenvoordelaan is gekeken naar de verkeerssituatie op de Steenvoordelaan. Hierbij zijn geen knelpunten vanuit veiligheid of doorstroming geconstateerd. Er is geconcludeerd de ontwikkeling niet leidt tot knelpunten.
De ruimtelijke ordening stelt zich tot doel een goede kwaliteit van leefomgeving te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van voldoende afstand tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen anderzijds. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Rijswijk de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie.
Onderstaande tabel geeft de relatie weer tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een ander omgevingstype is het gemengd gebied. Binnen gemengd gebied is het mogelijk om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk.
| Milieucategorie | Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk | Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied |
| 1 | 10 m | 0 m |
| 2 | 30 m | 10 m |
| 3.1 | 50 m | 30 m |
| 3.2 | 100 m | 50 m |
| 4.1 | 200 m | 100 m |
| 4.2 | 300 m | 200 m |
Tabel 5.5: Bedrijven en milieuzonering (bron: VNG, Brochure Bedrijven en milieuzonering, 2009)
Voor de beoordeling van de milieuzonering gaat het om een beoordeling van de effecten van de omgeving op de nieuwe functies in het plan en omgekeerd om de effecten van de nieuwe functies in het plan op de omgeving. Het bestemmingsplan maakt woningen en retailfuncties mogelijk. De functies detailhandel, horeca categorie I en II en dienstverlening zijn al toegestaan in het huidige bestemmingsplan. Zodoende is voor de beoordeling alleen de toevoeging van de woonfunctie relevant.
De directe omgeving van het plangebied heeft de bestemming Centrum-1 en bestaat uit winkels, horeca en publieke dienstverlening. Ook komen in het plangebied op de begane grond winkels, horeca en dienstverlening. Het omgevingstype is te kwalificeren als gemengd gebied.
De functies die in het rond het plangebied zijn toegestaan en mogelijk worden gemaakt, vallen onder de lichtste categorie, namelijk milieucategorie 1. In onderstaande tabel zijn enkele voorbeelden opgenomen. In het omgevingstype 'gemengd gebied' geldt een richtafstand van 0 m voor categorie 1. Dit betekent dat deze functies direct naast een woonfunctie mogelijk zijn. Er wordt voldaan aan de richtafstanden.
Tabel 5.6: mogelijke functies met hinderafstanden (bron: VNG, Brochure Bedrijven en milieuzonering, 2009)
Ter plaatse van de nieuwe woningen wordt voldaan aan de richtafstanden en zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De omliggende retailfuncties worden niet in hun bedrijfsvoering beperkt. Geconcludeerd wordt dat het aspect bedrijven en milieuzonering verder geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
Wegverkeers- en spoorweglawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeers- en/of spoorweglawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) stelt specifieke eisen aan bestemmingsplannen. Op grond van de wet zijn verschillende vormen van geluidhinder te onderscheiden die directe raakvlakken hebben met de ruimtelijke ordening. Voor dit bestemmingsplan is de regelgeving ten aanzien van wegverkeerlawaai (art. 77 Wgh) en railverkeerslawaai (art. 105 Wgh) van belang. Het plangebied ligt niet in een geluidzone van een gezoneerd industrieterrein.
Geluidzones en geluidsgevoelige bestemmingen
De Wet geluidhinder werkt met het systeem van zones (aandachtgebieden) rond geluidsbronnen (wegverkeer, railverkeer en industrielawaai). Als een geluidgevoelige bestemming binnen een geluidzone ligt, moet de geluidbelasting op dat object worden onderzocht. In het kader van de Wet geluidhinder is er geen onderzoeksplicht naar 30 km/uur-wegen. In het kader van een beoordeling van een goede ruimtelijke ordening kan het echter wel noodzakelijk zijn de akoestische gevolgen van 30 km/uur wegen in kaart te brengen om te onderzoeken of er nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Onder geluidsgevoelige bestemmingen wordt verstaan (Art. 1 Wgh):
Grenswaarden Wet geluidhinder
Het systeem van de Wet geluidhinder gaat uit van voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden. Een geluidsbelasting onder de voorkeursgrenswaarde is toelaatbaar. De effecten van geluid worden dan goed geacht. Een geluidsbelasting in het gebied tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximale grenswaarde is alleen mogelijk na een afwegingsproces, het zogenaamde hogere waarden besluit. Een zeer belangrijk onderdeel van dit afwegingsproces is een maatregelenonderzoek. De grenswaarden voor woningen in het plangebied zijn (in Lden)
Conform de Wgh artikel 74 lid 2 b bevindt zich langs een weg geen geluidszone indien op deze wegen een maximale snelheid van 30 km/h geldt. Voor wegen zonder geluidszone gelden formeel geen eisen ten aanzien van de maximaal toelaatbare geluidsbelastingen. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing, dient de zogenaamde gecumuleerde geluidsbelasting Lcum bepaald te worden, waarbij tevens de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeer op deze 30 km/h-wegen beschouwd dient te worden. Bij deze cumulatie dient gebruik te worden gemaakt van de in het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 beschreven dosismaat Lcum.
De gemeente Rijswijk heeft geen vastgesteld 'geluidsbeleid' ten aanzien van het verlenen van hogere grenswaarden.
Er is een akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbelasting op de gevels van de woningen. De resultaten zijn vermeld in het rapport "Akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai Sterpassage te Rijswijk" (Peutz, 1 november 2021). Het rapport is opgenomen als Bijlage 8 Akoestisch onderzoek van de toelichting.
De beoogde ontwikkeling is gelegen binnen de geluidzone van de de Generaal Spoorlaan en de Prinses Beatrixlaan, Prinses Irenelaan, Sir Winston Chruschilllaan en Steenvoordelaan (50 km/uur). Ter plaatse van de Sir Winston Churchilllaan is naast het wegdek ook trambaan lijn 17 gesitueerd. Deze trambaan is meegenomen in het voorliggende onderzoek.
Voorts bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied drie 30 km/uur-wegen, te weten het deel van de Steenvoordelaan ter hoogte van het plangebied, de Henri Ter Hallsingel en het Wethouder Hillenaarsplantsoen. De 30 km/u wegen kennen, gezien hun maximale snelheid, conform de Wet geluidhinder geen geluidzone. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden de 30 km/uur wegen wel meegenomen in het akoestisch onderzoek.
Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer op de Prinses Beatrixlaan en de Steenvoordelaan (50 km/uur) ter plaatse van het bouwplan ten hoogste respectievelijk 51 dB en 54 dB bedraagt. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt hierbij met ten hoogste 6 dB overschreden ten gevolge van de Steenvoordelaan.
De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer over het deel van de Steenvoordelaan, waarvoor een rijsnelheid van 30 km/uur geldt, overschrijdt eveneens de waarde van 48 dB (eveneens tot maximaal 6 dB). Echter zoals eerder aangegeven behoeft voor dit wegdeel (vanwege de maximaal toegestane snelheid) formeel geen toetsing plaats te vinden en derhalve ook geen geen hogere waarde te worden aangevraagd.
Voor alle beoordelingsposities geldt dat de maximale ontheffingswaarde van 63 dB niet wordt overschreden.
Geluidreducerende maatregelen
Daar waar de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer wordt overschreden, dient een ontheffing 'hogere grenswaarde' aangevraagd te worden. Hogere waarden kunnen op grond van de Wgh slechts worden vastgesteld indien het redelijkerwijs niet mogelijk is aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Zodoende dient voorafgaand aan het nemen van een hogere waarden besluit onderzocht te worden of het mogelijk is geluidreducerende maatregelen te treffen. Daarbij geldt de voorkeursvolgorde bron-overdracht-ontvanger, hetgeen inhoudt dat het treffen van maatregelen aan de bron de voorkeur verdient boven het treffen van maatregelen in de overdracht, en dat het treffen van maatregelen in de overdracht de voorkeur verdient boven het treffen van maatregelen bij de ontvanger.
In het akoestisch onderzoek is dit nader onderzocht. Maatregelen aan de bron of in het overdrachtsgebied zijn redelijkerwijs niet mogelijk of hebben deze onvoldoende effect mede in relatie tot de kosten en omvang van het bouwplan. In voorliggende situatie worden (bouwkundige) maatregelen bij de ontvanger als meest kansrijk geacht. De invulling van deze maatregelen zal in een later stadium nader inzichtelijk gemaakt worden.
In het ontwerp van de gevelwering wordt rekening gehouden met de verhoogde geluidbelastingen, zodat wordt voldaan aan de eisen aan het binnengeluidniveau die het Bouwbesluit stelt (33 dB voor weg- en spoorweglawaai). Hiermee zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Cumulatie
Aangezien in voorliggende situatie hogere waarden aangevraagd moeten worden, is het benodigd om de cumulatie van geluid nader te beschouwen. In de voorliggende situatie bedraagt de gecumuleerde geluidbelasting (exclusief aftrek art. 110g Wgh) ten gevolge van wegverkeerslawaai ten hoogste 60 dB (A) ter plaatse van de oostgevels van blok 1 en 5.
In welke gevallen sprake is van een onaanvaardbare gecumuleerde geluidbelasting is echter niet in regelgeving vastgelegd. Wel heeft gemeente Rijswijk in het Actieplan geluid 2018-2022 een plandrempel van 65 dB aangegeven. Gesteld kan worden dat de aldus berekende maximale geluidbelasting ruim onder deze plandrempel blijft.
Hogere grenswaarden geluidhinder
In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de aan te vragen hogere grenswaarden. Het ontwerpbesluit hogere waarden wordt tegelijkertijd met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd.
Tabel 5.7. hogere waarden Sterpassage te Rijswijk (bron: Peutz)
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege wegverkeer van de Prinses Beatrixlaan en de Steenvoordelaan op verschillende geveldelen hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Maatregelen aan de bron of in het overdrachtsgebied zijn redelijkerwijs niet mogelijk of hebben onvoldoende effect in het reduceren van de geluidbelasting mede in relatie tot de kosten en omvang van het bouwplan. In voorliggende situatie worden (bouwkundige) maatregelen bij de ontvanger als meest kansrijk geacht. De invulling van deze maatregelen zal in een later stadium nader inzichtelijk gemaakt worden. Voor de woningen in het bestemmingsplan zal een hogere waarde procedure worden doorlopen.
In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritieke stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Voor de andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten.
In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is “niet in betekenende mate” als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. Woningbouwlocaties van 1.500 woningen en één ontsluitingsweg ofwel 3.000 woningen met twee ontsluitingswegen vallen onder deze categorieën.
Voor het bestemmingsplan is een beoordeling 'niet in betekenende mate' uitgevoerd ('NIBM-berekening luchtkwaliteit', Peutz, 18 oktober 2021). De beoordeling is opgenomen als Bijlage 9 Berekening luchtkwaliteit NIBM bij de toelichting.
De jaargemiddelde concentraties ter plaatse van het plangebied bedragen (op grond van de gegevens die binnen de NSL-monitoring beschikbaar zijn) voor het jaar 2020 25 µg/m3 voor stikstofdioxide (NO2) en 19 en 11 µg/m3 voor fijn stof (PM10 en PM2,5). De huidige luchtkwaliteit in het plangebied voldoet ruimschoots aan de van toepassing zijnde grenswaarden. Overigens is de achtergrondconcentratie dalende en is het jaar 2020 dus als worst-case te beschouwen.
Door de realisatie van de woningen, detailhandel, horecafuncties en dienstverlening zal het verkeer van en naar het plangebied toenemen. Anderzijds vervalt de bestaande detailhandel, hetgeen een afname van verkeer tot gevolg heeft. Per saldo is sprake van een afname van het aantal verkeersbewegingen. Dit heeft invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Bij uitoefening van het plan zal de concentratie in de buitenlucht van verontreinigende stoffen per saldo verbeteren of ten minste gelijk blijven. Er wordt derhalve voldaan aan artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.
Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Wat betreft luchtkwaliteit is er sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria, zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen.
Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij de besluitvorming rondom ruimtelijke plannen de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze plaatsgebonden risicocontour mogen geen kwetsbare objecten mogelijk worden gemaakt. Kantoorgebouwen groter dan 1.500 m2 bvo zijn op grond van artikel 1, eerste lid, sub l Bevi een kwetsbaar object.
Groepsrisico
Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico, mede bepaald door het aantal personen (dichtheid) binnen het te beschouwen gebied. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.
Er is onderzoek verricht naar de externe veiligheidssituatie in en rond het plangebied. De resultaten zijn vermeld in het rapport "Quickscan externe veiligheid" (Aveco de Bondt, 3 juni 2021). Het rapport is opgenomen als Bijlage 10 Onderzoek externe veiligheid bij de toelichting.
Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt het volgende geconcludeerd:
Uit de inventarisatie van risicobronnen rondom het plangebied blijkt dat binnen een straal van 1 kilometer rondom het plangebied enkele risicobronnen aanwezig zijn. De afstand tussen het plangebied en deze risicobronnen is dusdanig groot dat het plaatsgebonden risico (PR) geen belemmering vormt. De afstand tussen het plangebied en de risicobronnen is ook dusdanig groot dat de ontwikkeling geen invloed heeft op het groepsrisico (GR). Uitzondering daarop is het transport van gevaarlijke stoffen over de gemeentelijke wegen Pr. Beatrixlaan en Generaal Spoorlaan.
De externe veiligheidsrisico's hiervan zijn nader in beeld gebracht, waarbij ook het groepsrisico is berekend. Het groepsrisico is zowel in de huidige als de toekomstige situatie kleiner dan de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico neemt als gevolg van de ontwikkeling in beperkte mate toe, de toename is minder dan 10%. Omdat geen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde kan conform artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes een verdere verantwoording van het groepsrisico achterwege blijven.
In het onderzoek is nog uitgegaan van verkoop van LPG bij het tankstation aan de Prinses Beatrixlaan. Deze verkoop is per 1 maart 2021 echter gestopt. Er vinden dus minder transportbewegingen met gevaarlijke stoffen over de Prinses Beatrixlaan plaats dan in de berekening van is uitgegaan. Dit betekent dat het groepsrisico in de huidige en toekomstige situatie lager is dan wat is berekend. De conclusie wijzigt hierdoor niet.
Advies Veiligheidsregio Haaglanden
De Veiligheidsregio Haaglanden is om advies gevraagd over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied. In haar advies geeft de veiligheidsregio adviezen om de effecten van incidenten te beperken en de zelfredzaamheid van de aanwezigen te verbeteren. De volgende maatregelen worden geadviseerd:
De maatregelen worden meegenomen in de verdere uitwerking van de bouwplannen en de openbare ruimte.
Uit het onderzoek komt naar voren dat het plangebied niet ligt in een plaatsgebonden risicocontour. Ook is het groepsrisico zowel in de huidige als in de toekomstige situatie kleiner dan de oriëntatiewaarde. Omdat geen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde kan conform artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes een verdere verantwoording van het groepsrisico achterwege blijven.
Nationaal klimaatbeleid
Nederland heeft zich verbonden aan verschillende internationale afspraken.
Nationale doelen voor terugdringen van broeikasgassen
De Klimaatwet stelt vast met hoeveel procent ons land de CO2-uitstoot moet terugdringen. De Klimaatwet moet burgers en bedrijven zekerheid geven over de klimaatdoelen:
Daarnaast moet de Nederlandse staat eind 2020 ten minste 25% minder broeikasgassen uitstoten ten opzichte van 1990.
Klimaatakkoord
In het Klimaatakkoord staan afspraken met 5 sectoren over de maatregelen die deze sectoren de komende 10 jaar en in de jaren daarna gaan nemen om de klimaatdoelen te halen. Deze sectoren zijn gebouwde omgeving, landbouw en landgebruik, elektriciteit, industrie en mobiliteit. Relevant voor het plan zijn:
Gemeentelijk beleid
Duurzaamheidsagenda 2020: Op weg naar een duurzaam Rijswijk
Op 1 november 2011 is het duurzaamheidsplan: 'Duurzaamheidsagenda 2020: Op weg naar een duurzaam Rijswijk' vastgesteld door de raad. In 2020 wil de gemeente Rijswijk een groene, schone en milieuvriendelijke gemeente zijn. Daarnaast wil de gemeente Rijswijk in 2020 25% minder CO2 uitstoten ten opzichte van 2011.
In het duurzaamheidsplan wordt per thema aangegeven wat de ambitie is en wat daarvoor nodig is om het te bereiken. Alle doelstellingen per thema moeten leiden tot een duurzame gemeente, die schoner, groener en milieuvriendelijker is. In dit kader worden verschillende projecten uitgevoerd, zoals bijvoorbeeld het wijkgericht energiebesparingsproject en het gebruiken van het DPL-instrument om duurzaamheidsambities bij gebiedsontwikkeling/herstructurering in kaart te brengen en zo duurzaamheid te waarborgen, etc.
In augustus 2016 stelde het college het Meerjarenactieplan 2016-2018 vast als aanvulling op de eerdere duurzaamheidagenda 2020. In het meerjarenplan wordt een verbinding gemaakt tussen diverse duurzaamheidsthema's en zijn de kansen beschreven om de duurzaamheid te verbeteren in Rijswijk. Voor het thema duurzaam bouwen verwijst het duurzaamheidsplan naar de ambities in het Plan van aanpak duurzaam bouwen. Inmiddels heeft de gemeente Rijswijk het Convenant Klimaatadaptief Bouwen ondertekend en zijn de afspraken uit dit convenant voor de gemeente leidend bij bouwopgaven.
Energietransitie
De gemeente Rijswijk wil in 2050 energieneutraal zijn en volgt daarmee de landelijke afspraken. Het basisdocument Energietransitie Rijswijk bevat de kaders en uitgangspunten voor de gemeentelijke bijdrage aan de Regionale Energiestrategie en de opgave om eind 2021 een gemeentelijke Transitievisie Warmte op te leveren. Dit is een belangrijke stap op weg naar het behalen van de doelstellingen uit het Nationaal Klimaatakkoord.
In het klimaatakkoord is bepaald dat in 2030 70 procent van alle elektriciteit uit hernieuwde bronnen moet worden gewonnen en in 2050 alle woningen en gebouwen klimaatneutraal moeten zijn. Het betekent onder meer dat de hele gemeente dan aardgasvrij moet zijn. De impact op de samenleving is enorm. Op veel concrete vragen kan op dit moment nog geen antwoord worden gegeven. Wel zijn in het Basisdocument diverse kaders in beeld gebracht, op wettelijk, financieel, juridisch en economisch vlak. Daarnaast zijn de uitgangspunten bepaald, die de transitie de komende decennia in goede banen moeten leiden. Kern is dat bij de Rijswijkse energietransitie betaalbaarheid en comfort voor de inwoners voorop staat. Andere uitgangspunten zijn dat de gemeente inwoners intensief betrekt, open en transparant communiceert en nauw samenwerkt met alle relevante partijen. Het basisdocument plaatst de energietransitie in een tijdpad, waarbij vooral is geredeneerd vanuit realisme en haalbaarheid.
Convenant Klimaatadaptief Bouwen
Zuid-Holland wil voorop lopen op het gebied van klimaatadaptief bouwen. In 2018 is het Convenant Klimaatadaptief Bouwen opgesteld dat ondertekend is door diverse partijen, zoals bouwbedrijven, gemeenten (waaronder Rijswijk), de provincie, waterschappen, maatschappelijke organisaties, financiers en projectontwikkelaars. Vanuit het convenant wordt gezamenlijk opgetrokken om de Zuid-Hollandse delta zo adaptief mogelijk te maken. Het convenant stimuleert partijen om klimaatadaptief te bouwen en biedt daarvoor allerlei ondersteuning aan. Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, droogte, hittestress, bodemdaling en overstromingen en het vergroten van de biodiversiteit bij bouwopgaven.
Energieprestatie - BENG
Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD).
In het ontwerp van gebouw 2 is ingezet op een groot groen dak met verblijfskwaliteit voor de bewoners. Met de beplanting die op het dak komt, kan aangesloten worden bij het ecologische beplantingstype dat voor de openbare ruimte wordt nagestreefd. Ook een insectenhotel behoort tot de mogelijkheden, evenals een gemeenschappelijke kas voor bewoners om te gebruiken. Daar waar dit praktisch en realistisch mogelijk is, wordt ingezet op een natuurinclusief ontwerp zoals bijvoorbeeld nestgelegenheid in de gevels. Aspecten die meewegen in de uitwerking hiervan zijn de beheerstechnische uitvoerbaarheid (bijvoorbeeld in verband met schoonmaken/nesten; niet boven ramen ivm uitwerpselen, enz.) en de ecologische meerwaarde en slagingskans (zoals geschiktheid van de plek, de juiste aanvliegroutes, nabijheid woonruimtes met verstoringseffecten). Het doel van de maatregelen is om zo goed als mogelijk de biodiversiteit in het verder
Ten opzichte van de huidige situatie verbetert de waterhuishouding. Er komt ruimte op maaiveld in de vorm van een nieuw plein, met plantvakken en bomen en een waterelement. Dit draagt bij aan een beter leefklimaat en vermindert mogelijke hittestress. In aansluiting op het voorgaande punt voorziet het plan nadrukkelijk in klimaatadaptatie door de toevoeging van groen (ter voorkoming van hittestress) en de realisatie van extra waterbergende capaciteit (ter voorkoming van wateroverlast) met een vertraagde afvoer van hemelwater. Voor een toelichting wordt verwezen naar paragraaf 5.4.3.
In het ontwerpproces wordt met de posities van de hogere bebouwing meegewogen wat de effecten zijn op daglichttoetreding in de nieuwe woningen. Door de herontwikkeling van de Sterpassage neemt het bebouwd oppervlak in het plangebied af en wordt meer openbaar gebied gerealiseerd (het nieuwe Steenvoordeplein). Hier zal ruimte zijn voor groen in de vorm van bomen en beplantingsvakken wat leidt tot een aangenaam verblijfsklimaat. Ook biedt dit kansen voor waterinfiltratie, schaduwplekken en zo tot minder hittestress.
Het plan is om een WKO installatie te realiseren om zoveel mogelijk te voorzien in de energiebehoefte voor de nieuwe functies. Mogelijk dat voor de horeca wel een gasaansluiting nodig zal zijn, maar hiermee zal sprake zijn van een zeer duurzame ontwikkeling. De woningen zullen voldoen aan de meest actuele geldende duurzaamheidseisen en zullen gasloos zijn. In het kader van de omgevingsvergunning wordt dit concreet getoetst.
In gebieden met hoge gebouwen kan windhinder optreden. Bij windhinder is sprake van verhoogde windsnelheden, waardoor het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs onveilig is. Dit kan de aantrekkingskracht van verblijfsgebieden of looproutes verminderen en heeft daardoor sociale en economische effecten.
De gemeente wil dat overal in het winkelgebied een optimale kwaliteit voor zitten, slenteren en verblijven ontstaat. Deze kwaliteit neemt af op het moment dat er windhinder is of er weinig of geen zonlicht is. In de huidige situatie is er op enkele plekken flinke windhinder in het publieke domein. Op het Bogaardplein bijvoorbeeld leidt de hoogbouw van het stadhuis tot aanzienlijke windhinder.
Voor de beoordeling van het windklimaat wordt de Nederlandse norm NEN 8100 gebruikt. Hierbij wordt gekeken naar windhinder en windgevaar. In de norm NEN 8100 wordt voor windhinder een drempelwaarde aangehouden van 5 m/s voor gemiddelde windsnelheid op loop- of verblijfsniveau. Er wordt tevens gekeken naar de activiteiten in het publieke domein en aan de hand hiervan wordt een drietal ambitieniveaus aangegeven. Ontwikkeling van bouwenveloppen in winkelcentrum In de Bogaard mogen geen windhinder veroorzaken die de normering voor het ambitieniveau III overschrijdt. Immers, het gebied moet een aantrekkelijke verblijfsplek worden waar bezoekers en bewoners op elke plek kunnen zitten en genieten van de nieuwe omgeving zonder enige hinder van wind.
De gemeente hanteert enkele belangrijke aandachtspunten voor het Masterplan:
Voor het Masterplan is mogelijke windhinder in beeld gebracht op basis van de bedachte stedenbouwkundige opzet met hoogbouwlocaties (Peutz, windklimaatonderzoek rondom het winkelcentrum In de Bogaard, Rijswijk). Samenvattend levert dit de volgende conclusies op:
In het Masterplan is voor de locatie van de Sterpassage een gebouw tot 100 m hoogte bedacht. Het bestemmingsplan maakt een gebouw mogelijk tot 75 meter hoog. Het voorkomen van windhinder is grotendeels afhankelijk van het ontwerp van het gebouw. Bij gebouwen hoger dan 30 meter is het uitvoeren van een windhinderonderzoek verplicht. Met behulp van een computeranimatie of windtunnelonderzoek kan worden vastgesteld of bij een bepaald ontwerp windhinder of windgevaar optreed. Ook maatregelen om windhinder te voorkomen of te beperken kunnen dan worden onderzocht. Zodoende is in de regels opgenomen dat het college bij de omgevingsvergunning nadere eisen kan stellen aan het ontwerp om eventuele windhinder te voorkomen (zie art. 3.3 Nadere eisen). Op deze manier kan de gemeente hier sturing op houden na vaststellen van het bestemmingsplan.
Ten behoeve van het Masterplan In de Bogaard is in het verleden door Peutz een windklimaatonderzoek uitgevoerd voor de gemeente Rijswijk (Peutz rapportage O16169-6-RA d.d. 16 september 2019). In het Masterplan was voor de Sterpassage uitgegaan van een gebouw met een hoogte van 50 meter aan de noordzijde en een gebouw met een hoogteaccent van 100 meter aan de zuidzijde. Zoals in afbeelding 5.4 te zien is, is bij de toren van 100 meter hoog op de hoek van de Prins Willem Alexander Promenade en de Steenvoordelaan een goed tot matig windklimaat is voor doorlopen en een matig tot slecht windklimaat voor slenteren. Vervolgens is in de conceptfase van het ontwerpproces voor de nieuwbouw van de Sterpassage opnieuw onderzoek verricht naar het windklimaat. Ten opzichte van het Masterplan is de bebouwing aan de noordzijde gelijk gebleven in hoogte, maar heeft wel een grotere footprint gekregen. De toren op het zuidelijke gebouw is lager geworden (75 m ipv 100m) en de richting is gedraaid. Dit heeft een beter windklimaat opgeleverd ten opzichte van het Masterplan. Er zijn geen gebieden met een slecht windklimaat voor slenteren.
afbeelding 5.4: windhinder rond de bebouwing zoals opgenomen in het Masterplan, met rode stippellijn is het plangebied aangeduid (bron: Masterplan In de Bogaard, windhinderonderzoek Peutz)
Sinds het uitgevoerde onderzoek zijn de ontwerpen van de nieuwe gebouwen verder uitgewerkt en op enkele onderdelen gewijzigd. Het noordelijke gebouw wordt 55 m hoog en het zuidelijke gebouw 75 m (met een lager deel van 33 m aan de westzijde). Op basis van de eerder uitgevoerde windklimaatonderzoeken voor het Masterplan en het concept bouwplan is het windklimaat beoordeeld voor het bestemmingsplan. De resultaten zijn vermeld in het rapport "Beoordeling windklimaat en bezonning" (Peutz, 13 januari 2021). Het rapport is opgenomen als Bijlage 11 Beoordeling windklimaat bij de toelichting.
Aan de hand van de eerder gemaakte berekeningen en de kwalitatieve beoordeling wordt het navolgende geconcludeerd:
Samenvattend kan worden geconcludeerd dat het te verwachten windklimaat rond de nieuwbouw geschikt zal zijn voor doorlopen en op de meeste plaatsen ook voor slenteren, zodat sprake zal zijn van een prettige omgeving voor winkelen en verblijven, zeker op het nieuwe Steenvoordeplein en in de winkelstraten.
In de gemeente Rijswijk is geen beleid in het kader van bezonning en beschaduwing van de gebouwde omgeving. Voor het Masterplan is daarom beoordeeld of wordt voldaan aan de in Nederland gangbare TNO-norm voor bezonning. De TNO-norm luid als volgt:
"Een woning krijgt de waardering voldoende wanneer er sprake is van ten minste twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot 21 oktober (acht maanden). Als beoordelingspunt geldt het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam van de woonkamer. De twee uur zon hoeven niet aansluitend plaats te vinden en de bezonning op de voor- en achtergevel mag bij elkaar opgeteld worden."
In het kader van het Masterplan is een bezonningsstudie uitgevoerd op basis van de stedenbouwkundige opzet. Voor de ontwikkeling van alle bouwenveloppen in In de Bogaard geldt dat er voor bestaande woningen als gevolg van de transformatie zo min mogelijk verslechtering in de bestaande toestand optreedt. Indien er verslechtering optreedt mogen bestaande woningen niet onder de TNO-norm komen indien ze nu wel aan de norm voldoen. Er zijn een zeer beperkt aantal knelpunten ten aanzien van de TNO-norm. Deze vormen een aandachtspunt bij de verdere uitwerking van de bouwplannen.
Ten behoeve van het Masterplan 'In de Bogaard' is in het verleden door Peutz een bezonningsonderzoek uitgevoerd voor de gemeente Rijswijk (Peutz rapportage O16169-4-RA d.d. 9 september 2019 en de optimalisatiestudie W15458-2-NO d.d. 11 november 2019). In het Masterplan was voor de Sterpassage uitgegaan van een gebouw met een hoogte van 50 meter aan de noordzijde en een gebouw met een hoogteaccent van 100 meter aan de zuidzijde.
In het bezonningsonderzoek voor het Masterplan is vastgesteld dat de bezonning van de appartementen aan de noordzijde van de oostgevel van de appartementen aan de kruising Prinses Beatrixlaan en generaal Spoorlaan niet voldoen aan de gehanteerde criteria op toetsingsdatum 19 februari. Op de andere toetsingsdata voldoet de bezonning wel aan de lichte TNO norm van 2 uur. In afbeelding 5.5 is de bepalende afbeelding uit het onderzoek voor het Masterplan overgenomen. Links is de situatie zonder de nieuwbouw uit het Masterplan getoond en rechts na realisatie van de bebouwing uit het Masterplan. Het gaat om de onderste vijf appartementen op de noordoosthoek. Te zien is dat zonder de bebouwing van het Masterplan er in februari sprake is van 2 uur en 10 minuten zon op de oostgevel en 40 minuten op de noordgevel. Dit neemt af met 35 min op de oostgevel en 35 minuten op de noordgevel (toetsdatum 19 februari).
afbeelding 5.5: uitkomsten bezonningsstudie voor het Masterplan op toetsdatum 19 februari (links de bestaande situatie en rechts de situatie uitgaande van de bebouwing van het Masterplan, gebaseerd op afbeelding f4.5 uit bijlage bij het Masterplan (rapport W15458-2-NO pagina 9))
Voor het bestemmingsplan is een bezonningsonderzoek uitgevoerd op basis van de maximale bouwmogelijkheden uit het bestemmingsplan. De resultaten van deze beoordeling zijn vermeld in het rapport "Bestemmingsplan Sterpassage te Rijswijk Bezonning" (Peutz, 4 november 2021). Het rapport is opgenomen als Bijlage 12 Bezonningsonderzoek bij de toelichting.
Zoals in paragraaf 3.3.4 is beschreven, wijkt het bouwplan op onderdelen af ten opzichte van het Masterplan. In het bezonningsonderzoek is beoordeeld wat de aanpassingen van het bouwplan van de Sterpassage voor gevolg hebben voor de bezonning ten opzichte van de bebouwing van het Masterplan. Het noordelijke gebouw is hoger geworden (5 m) en heeft een iets grotere footprint gekregen. Ook zijn er delen van het zuidelijke gebouw iets hoger geworden (8 m) dan het eerder doorgerekende Masterplan. De schaduwwerking van deze bouwdelen zijn niet kritisch. De wijzigingen hebben geen noemenswaardig effect op de bezonning van de omgeving. De zuidelijke toren is lager dan de toren waar in het Masterplan van was uitgegaan (75 m i.p.v. 100 m), maar is in westelijke richting groter geworden. In het uitgevoerde bezonningsonderzoek is vastgesteld dat dit enige tijd extra schaduw zal geven. De bezonningseffecten van alle bebouwingswijzigingen van de Sterpassage zijn specifiek onderzocht bij De Generaal, het appartementengebouw op de hoek prinses Beatrixlaan / Generaal Spoorlaan en bij de appartementen aan de Steenvoordelaan. Hieronder is per locatie beschreven wat de uitkomsten zijn van het bezonningsonderzoek.
De Generaal
Uit de doorrekening blijkt dat er op de kritische zuidwestgevel geen of nauwelijks een wijziging van de bezonning optreedt ten opzichte de onderzoeksresultaten van het Masterplan. De beoordeling wijzigt niet ten opzichte van het Masterplan. Met andere woorden, er zijn geen extra woningen die niet meer voldoen aan de lichte TNO norm door de wijzigingen van het bouwplan van de Sterpassage ten opzichte van het aantal woningen dat al niet voldeed vanwege de bebouwing uit het Masterplan.
Appartementen kruising Prinses Beatrixlaan en Generaal Spoorlaan
Zoals in paragraaf 5.13.2.1 is toegelicht, is vastgesteld dat de bezonning van de appartementen op de noordoosthoek in de situatie van het Masterplan plaatselijk niet voldoen aan de lichte TNO norm. De rekenresultaten van de nieuw onderzochte situatie volgens het bestemmingsplan geven aan dat de bezonning van de appartementen op de noordoosthoek op de maatgevende datum 19 februari verder afneemt van 1:35 uur naar 1:25 uur op de oostgevel. Op de noordgevel treedt geen wijziging op ten opzichte van het Masterplan. De bezonning zal bij deze woningen derhalve met 10 minuten verminderen ten gevolge van de afwijking op het Masterplan. Ten opzichte van de bestaande situatie is de afname 45 minuten, van 2 uur en 10 minuten naar 1 uur en 25 minuten op de oostgevel. Woningen die bij de berekening voor het Masterplan voldeden, blijven nu ook voldoen.
Steenvoordelaan en omgeving
Voor de appartementen aan de Steenvoordelaan voldoet de bezonning aan de criteria. Het blijkt dat de bezonning van enkele woningen afneemt ten opzichte van het vastgestelde Masterplan. De beoordeling van de bezonning blijft desondanks gelijk aan hetgeen is vastgesteld voor het Masterplan. Woningen die in de beoordeling van het Masterplan zouden voldoen aan de lichte TNO norm, zullen ook voldoen met inachtneming van de wijzigingen van het bouwplan van de Sterpassage.
Samenvattend is te concluderen dat vanwege de nieuwbouw schaduweffecten zullen optreden ten opzichte van de bestaande situatie, maar dat er bij de meeste woningen wordt voldaan aan de gehanteerde normen. De effecten zijn grotendeels gelijk aan wat is berekend in het kader van het Masterplan. Voor vijf appartementen op de kruising van de Prinses Beatrixlaan en de Generaal Spoorlaan wordt niet voldaan aan de norm van 2 uur zon, ondanks het verlagen van het zuidelijke hoogbouwdeel naar 75 m. Het gaat om appartementen waarvan ook in het kader van de bezonningsstudie in het Masterplan was geconcludeerd dat hier niet werd voldaan.
Dit is echter inherent aan de keuze om het winkelcentrum In de Bogaard te intensiveren middels hoogbouw. Het verder verkleinen van de bouwmassa zou leiden tot een vergroting van een ander gebouwdeel, wat ook een effect kan hebben op de bezonning of het windklimaat. Zoals in paragraaf 5.12.2 is te lezen heeft de verlaging van de hoge toren geleid tot een beter windklimaat op het maaiveld. Het bouwplan voor de Sterpassage betreft een binnenstedelijke ontwikkeling waarmee een groot maatschappelijk belang gediend is. Gelet op het grote maatschappelijke belang wordt de relatief beperkte mate en gedurende een beperkte periode van het jaar waarin voor vijf appartementen niet aan de lichte TNO-norm kan worden voldaan, aanvaardbaar geacht.
Het aspect bezonning vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones), zoals bijvoorbeeld een hogedruk gastransportleiding.
Binnen het plangebied en hier direct grenzend aan, zijn verschillende kabels, leidingen en riolering onder de grond aanwezig. Op de ondergrondse duiker die parallel aan de Steenvoordelaan ligt na, zijn dit geen leidingen die planologisch relevant zijn en bescherming behoeven in het bestemmingsplan. Voor de bescherming van duiker is een dubbelbestemming 'Waterstaat' opgenomen. Hier is in het bestemmingsplan geen nieuwe bebouwing gepland.
Mogelijke kabels en leidingen die in het geding komen als gevolg van de ontwikkeling zullen in overleg met de betrokken leidingbeheerder worden verlegd. Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
afbeelding 5.6: ondergrondse infrastructuur zoals geinventariseerd in kader van het Masterplan, met blauwe stippellijn is het plangebied aangegeven (bron: Masterplan In de Bogaard)
Ter verwezenlijking van het plan worden (onder meer) bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog en met name in de periode 1944 - 1945 vonden in en rondom Rijswijk tal van oorlogshandelingen plaats, waarbij meerdere vliegtuigbommen zijn afgeworpen en geschoten werd met luchtgronddoelraketten en boordwapens. De ervaring leert dat circa 10 tot 15% van de tijdens de oorlog gebruikte conventionele explosieven (CE) niet naar behoren heeft gefunctioneerd en als blindganger in de bodem zijn achtergebleven. Daarnaast leert de ervaring dat in voormalige verdedigingswerken soms conventionele explosieven zijn achtergebleven of gedumpt of tijdens het dichten hiervan.
Er is een onderzoek verricht naar niet-gesprongen explosieven in en rond het plangebied. De resultaten zijn vermeld in het rapport "Historisch Vooronderzoek Conventionele Explosieven" (IDDS, 11 augustus 2020). Het rapport is opgenomen als Bijlage 13 Historisch vooronderzoek conventionele explosieven bij de toelichting.
Het onderzoek komt tot de volgende conclusie:
Op basis van de geraadpleegde bronnen, de beoordeling en evaluatie van de indicaties is vastgesteld dat er in (de omgeving van) het onderzoeksgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden. Er zijn echter te weinig indicaties om vast te kunnen stellen dat hierdoor CE zijn achtergebleven binnen het onderzoeksgebied. Op basis van de resultaten van dit vooronderzoek en de conclusies is het onderzoeksgebied daarom onverdacht op CE. Het is niet noodzakelijk om vervolgstappen te ondernemen in de CE-opsporing voorafgaand aan de voorgenomen werkzaamheden.
Uit het onderzoek is gebleken dat er geen verdachte gebieden zijn in het plangebied en dat geen vervolgstappen nodig zijn. Er zijn geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling vanuit het aspect niet-gesprongen explosieven.
Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan cq. inpassingsplan dat kaderstellend is voor of een besluit neemt over projecten met grote milieugevolgen een milieueffectrapportage te doorlopen.
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of vergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van een m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet Milieubeheer en in het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. is in onderdeel C benoemd voor welke type projecten het verplicht is om een m.e.r.-procedure te doorlopen. Voor andere projecten die niet in onderdeel C maar in onderdeel D zijn genoemd, moet eerst beoordeeld worden of er belangrijke nadelige gevolgen kunnen zijn voor het milieu (dit heet een m.e.r.-beoordelingsplicht). Blijkt uit de m.e.r.-beoordeling dat er belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu zijn, dan is alsnog een m.e.r.-procedure nodig.
Het bestemmingsplan maakt het realiseren van woningen, commerciële ruimten en parkeergelegenheid mogelijk en valt daarmee onder categorie D11.2, de aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject. De ontwikkelingen blijven onder de getalsmatige drempel waarde. Hiermee is dit bestemmingsplan vormvrij m.e.r. –beoordelingsplichtig.
De voorgenomen ontwikkeling is onderdeel van de in het Masterplan beschreven gebiedsontwikkeling In de Bogaard (zie paragraaf 3.2). Voor de gebiedsontwikkeling 'In de Bogaard' is een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. De resultaten van deze beoordeling zijn vastgelegd in de m.e.r.-beoordeling van 15 juli 2019 die als bijlage 14 onderdeel is van deze toelichting. De conclusie van deze m.e.r.-beoordeling luidt dat de gebiedsontwikkeling In de Bogaard niet leidt tot nadelige milieugevolgen en dat daarom geen m.e.r.-procedure hoeft te worden doorlopen.
In het kader van de onderhavige bestemmingsplanprocedure is beoordeeld of de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, passen binnen de in het Masterplan beschreven gebiedsontwikkeling In de Bogaard. Die vraag is bevestigend beantwoord.
Ook zijn de omstandigheden niet zodanig gewijzigd dat er aanleiding bestaat om een nieuwe m.e.r.-beoordeling voor de gebiedsontwikkeling In de Bogaard uit te voeren.
Op onderdelen is er bij de verdere uitwerking van de plannen (in het kader van de te doorlopen ruimtelijke procedures) vervolgonderzoek noodzakelijk. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om gedetailleerd akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting ter plaatse van toekomstige woningen, externe veiligheidsonderzoek vanwege de route vervoer gevaarlijke stoffen en het nader ecologisch onderzoek naar beschermde diersoorten. Deze onderzoeken zijn voor het bestemmingsplan uitgevoerd en er is mede op basis hiervan een nieuwe vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd specifiek voor het bestemmingsplan (Aveco, d.d. 30 juni 2021). De rapportage is opgenomen als Bijlage 14 Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling bij de toelichting.
Op basis van de huidige kennis en uitgangspunten ten tijde van het uitvoeren van deze m.e.r.beoordeling, kan voor alle aspecten worden uitgesloten dat onderhavig plan belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu oplevert.
De m.e.r.-beoordeling die ten behoeve het Masterplan In de Bogaard is opgesteld en de aanvullende m.e.r.-beoordeling die in het kader van het bestemmingsplan is uitgevoerd, vormen samen de aanmeldingsnotitie voor het onderhavige bestemmingsplan. Burgemeester en wethouders hebben op basis van deze aanmeldingsnotitie besloten dat voor het bestemmingplan geen m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden. Deze conclusie is vastgelegd in het besluit over de aanmeldingsnotitie van juni 2021 dat als Bijlage 14 Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling bij de toelichting is gevoegd.
Het plan leidt niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is geen aanleiding voor het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure.
In dit hoofdstuk wordt in het kort ingegaan op de opbouw en inhoud van de regels van het bestemmingsplan Sterpassage. In de voorgaande hoofdstukken is het beleid beschreven, is de ruimtelijke en functionele opzet toegelicht en is het plan getoetst aan de milieuregelgeving. De regels zijn een juridische vertaling van de randvoorwaarden en gemaakte keuzes voor dit plangebied.
Opzet
Dit bestemmingsplan bestaat uit een geografische plaatsbepaling (verbeelding), regels en een toelichting. De geografische plaatsbepaling en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide onderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Het bestemmingsplan is opgesteld conform het (wettelijke) model Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) versie 2012.
De toelichting heeft in beginsel geen rechtskracht. Niettemin vormt zij een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het plan ten grondslag liggen. Daarbij is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
Het bestemmingsplan is op maat gemaakt voor de nieuwe ontwikkeling. Er is bij de opbouw en formulering van de regels een combinatie gemaakt van de methodiek van het bestemmingsplan 'In de Bogaard' en het handboek van de gemeente Rijswijk. Met een bestemming wordt tot uitdrukking gebracht welke gebruiksdoelen of functies, met het oog op een goede ruimtelijke ordening, aan de in het plangebied gelegen gronden zijn toegekend. Een bestemming heeft altijd betrekking op een geometrisch bepaald vlak; lijn- en puntbestemmingen komen niet voor. Aanduidingen bevatten specificaties van bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Aanduidingen hebben altijd juridische betekenis, die in de regels wordt gegeven.
Opbouw
De bij dit plan behorende planregels zijn, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012), onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:
In hoofdstuk 1 worden in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten.
In hoofdstuk 2 is de op de verbeelding aangegeven bestemming omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Daarbij worden de bebouwingsmogelijkheden vermeld.
In hoofdstuk 3 is een aantal algemene regels opgenomen.
In hoofdstuk 4 is omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht en bevat tot slot de citeertitel van het plan.
In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd, wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik.
Dit artikel geeft aan hoe de verschillende maatvoeringen die in het plan worden gebruikt, moeten worden gemeten, zoals hoogtematen en oppervlaktes.
De nieuwe bebouwing is mogelijk gemaakt binnen de enkelbestemming Centrum - 1. De bestemming maakt het beoogde programma mogelijk, bestaande uit maximaal 510 woningen, maximaal 2.700 m2 bvo detailhandel, 1.700 m2 bvo horeca en maximaal 400 m2 dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen en maximaal 400 m2 ontspanning en vermaak. Het maximum aantal woningen en het maximum brutovloeroppervlakte (bvo) per niet-woonfunctie is in de bestemming vastgelegd. Om zo goed mogelijk het winkelcentrum te kunnen exploiteren en in te kunnen spelen op veranderende marktomstandigheden is geen exacte positie bepaald van waar welke functie exact in de bebouwing moeten komen.
Bijbehorende voorzieningen, zoals inpandige parkeervoorzieningen, fietsenstallingen, laad- en losvoorzieningen, facilitaire ruimtes, nutsvoorzieningen waaronder warmtekoudeopslag, bergingen en dergelijke zijn tevens in de bestemming toegestaan.
De buitenste grenzen van de nieuwbouw op plintniveau zijn bekend en zijn met de bouwvlakken in het plan vastgelegd. Voor het noordelijke gebouw is een maximum bouwhoogte opgenomen van 55 m en zijn twee lagere delen aangeduid van max. 9 m aan de westzijde en max. 15m aan de zuidzijde van dit gebouw.
Ook voor het zuidelijke gebouw zijn de hoogteverschillen vertaald in een bouwvlak met meerdere maatvoeringsaanduidingen. Voor elk bouwdeel geldt een eigen maximum bouwhoogte, van 15 m voor het basisdeel, tot 75 m voor het hoogste deel.
Voor het nieuwe plein en het openbare gebied aan de Steenvoordelaan is de enkelbestemming Verkeer - 3 opgenomen. Deze bestemming is in Rijswijk bedoeld voor verblijfsgebieden en erftoegangswegen voor langzaam verkeer. Met een functieaanduiding is vastgelegd dat in de bestemming ook terrassen zijn toegestaan. Tevens is aan de zijde van de Steenvoordelaan een aanduiding 'ontsluiting' opgenomen waarbinnen de in- en uitrit van de parkeergarage is toegestaan.
Artikel 5 Waarde - Archeologie 1 en Artikel 6 Waarde - Archeologie 3
Er zijn twee archeologische dubbelbestemmingen opgenomen in het bestemmingsplan. Met deze dubbelbestemmingen wordt geregeld dat er uitsluitend werken en werkzaamheden uitgevoerd mogen worden, nadat is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast. Op basis van het archeologische beleid is aan het plangebied dat in de huidige situatie onbebouwd is een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1 toegekend. Grondroerende werkzaamheden dieper dan 0,5m en groter dan 100 m2 zijn alleen toegestaan nadat met een onderzoek is aangetoond dat dit niet leidt tot aantasting van mogelijke archeologische waarden.
Daar waar de bodem door de aanwezige bebouwing en fundering al is verstoord, is de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 opgenomen. Hier zijn grondroerende werkzaamheden dieper dan 1,5m en groter dan 100 m2 alleen toegestaan nadat middels onderzoek is aangetoond dat dit niet leidt tot aantasting van mogelijke archeologische waarden.
Parallel aan de Steenvoordelaan, net binnen het plangebied, loopt een duiker. Deze duiker verbindt het water in de wijken ten noorden van de Generaal Spoorlaan met onder andere het water bij Henri ter Hallsingel en Willem Royaardsstraat en verder naar het zuiden toe. De nieuwe bebouwing komt niet ter plaatse van de duiker. In het nieuwe bestemmingsplan is een dubbelbestemming 'Waterstaat' opgenomen ter bescherming van de duiker.
In dit onderdeel van de regels komen onder andere de flexibiliteitbepalingen en algemene bepalingen aan de orde. Het gaat hierbij onder meer om:
In dit artikel is opgenomen dat grond, welke eenmaal in aanmerking is of moest worden genomen bij het verlenen van een bouwvergunning, waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van een andere aanvraag buiten beschouwing dient te blijven.
In dit artikel zijn algemene bouwregels opgenomen, voor onder andere vlaggenmasten, balkons die over bouwgrenzen heen steken en andere ondergeschikte bouwdelen. Ook is een regeling voor ondergrondse bouwwerken opgenomen.
In deze regeling is tevens vastgelegd dat voorzien dient te worden in voldoende parkeergelegenheid, gebaseerd op de Gebiedsparkeernormen In de Bogaard. Er dient alleen in de toename van de parkeerbehoefte ten opzichte van de huidige parkeerbehoefte te worden voorzien.
Artikel 10 Algemene gebruiksregels
In artikel 6 is opgenomen wat onder verboden gebruik van gronden en bouwwerken wordt verstaan.
Artikel 11 Algemene afwijkingsregels
Dit artikel geeft een regeling om af te wijken van voorgeschreven maatvoeringen zoals hoogte, afmetingen, oppervlaktes en dergelijke. Afwijkingen van de bouwhoogte mogen maximaal 10% zijn tot maximaal 2m en afwijkingen van andere maatvoeringen mag niet meer dan 10% zijn. Er zijn verder enkele algemene afwijkingen opgenomen voor onder andere antennemasten, nutsgebouwtjes en kunstobjecten en dergelijke.
In dit artikel is vastgelegd dat moet worden voldaan aan de geldende parkeernormen.
Met betrekking tot bouwwerken en het gebruik van grond en bouwwerken wordt in dit artikel ingegaan op het daarop toepasselijke overgangsrecht. In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd.
Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het bestemmingsplan.
De Gebiedsvisie (uit 2017) en het Masterplan (uit 2019) zijn opgesteld met inzet en inbreng van vele partners, waaronder de vele vastgoedeigenaren in het gebied. Er hebben gemeenschappelijke en afzonderlijke sessies met de eigenaren plaatsgevonden, werksessies tussen experts en participatiemomenten met inwoners en ondernemers.
Specifiek voor de herontwikkeling van de Sterpassage is op 8 juli 2020 een digitale informatiebijeenkomst gehouden. Naar aanleiding van deze participatiesessie is er voor gebouw 2 doorgegaan op het model dat tijdens de sessie de voorkeur genoot van de bewoners en in het bestemmingsplan is beschreven. De hoogte van de twee hogere delen van gebouw 2 zijn ca. 5m hoger geworden. Verder is er nog een getraptheid aangebracht in de twee torens van gebouw 2.
Omdat in het kader van het Masterplan al verschillende participatiemomenten zijn geweest en daarna nog een digitale informatiebijeenkomst is geweest voor specifiek dit bouwplan is afgezien van een formele inspraakprocedure op basis van een voorontwerpbestemmingsplan.
Tijdens de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan kan een ieder een zienswijze indienen. Aanvullend hierop wordt tijdens de terinzageperiode een informatiebijeenkomst georganiseerd voor de omwonenden en andere geinteresseerden.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de toelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. de ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling wordt een privaatrechtelijke overeenkomst (anterieure overeenkomst) gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer, waarin onder andere het kostenverhaal is verzekerd. Daarmee wordt het voorliggende initiatief financieel uitvoerbaar geacht.
De gemeente Rijswijk heeft een integrale handhavingsnota opgesteld. De nota heeft betrekking op bouwen, ruimtelijke ordening, milieu, APV, openbare orde, de Drank en Horecawet en de Brandweer. Het doel van de integrale handhavingsnota is enerzijds om meer eenheid en uniformiteit te bewerkstelligen. Anderzijds wil de gemeente transparanter beleid, waarbij programmatische handhaving middels een jaarprogramma voor de uitvoering een belangrijk onderdeel is.
De integrale handhavingsnota geeft het ambitieniveau weer van de gemeente en beschrijf hoe dit gerealiseerd kan worden. De ambitie van de gemeente is dat zij zo effectief en efficiënt mogelijk handhaaft op de wet- en regelgeving waarvoor zij bevoegd gezag is. Men richt zich op het voorkomen van overtredingen. Daarnaast worden burgers en bedrijven geïnformeerd over het gewenst naleefgedrag en over de consequenties van ongewenst naleefgedrag.
Voor het handhaven van regels heeft de gemeente de beschikking over een drietal instrumenten, de zogenoemde bestuurlijke, strafrechtelijke en privaatrechtelijke instrumenten. Het bestuursrechtelijke instrumentarium kan de gemeente zelfstandig toepassen. Het bestaat uit bestuursdwang en een bestuurlijke dwangsom. Bij strafrechtelijke handhaving heeft de gemeente de medewerking van politie en openbaar ministerie nodig. Strafrechtelijke sancties kunnen de bestuursrechtelijke aanpak van overtredingen zeer effectief ondersteunen. Als derde middel kan de gemeente privaatrechtelijk handhaven. De gemeente treedt dan op, op basis van haar eigendomsrecht.
Efficiënte handhaving is gebaat bij heldere en overzichtelijke regels. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is dan ook nadrukkelijk rekening gehouden met het voorkomen van ongewenste situaties in de toekomst. Door de eenduidige opzet van het bestemmingsplan kan er efficiënt worden gehandhaafd. Tevens kunnen ongewenste situaties worden voorkomen, omdat bouwinitiatieven makkelijker kunnen worden getoetst aan het bestemmingsplan.
Het ontwerpbestemmingsplan is in het kader van vooroverleg ex artikel 3.1.1 van het Bro toegezonden aan de overlegpartners, te weten de Provincie Zuid-Holland, het Hoogheemraadschap van Delfland en de Veiligheidsregio Haaglanden. De provincie heeft niet gereageerd (er was geen provinciaal belang). De reacties van het hoogheemraadschap en de Veiligheidsregio zijn verwerkt in respectievelijk de paragrafen 5.4 (Water) en 5.10 (Externe veiligheid).
Na het verwerken van de overlegreacties is het ontwerpbestemmingsplan opgesteld. Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen (van 27 augustus 2021 tot en met 7 oktober 2021). In totaal zijn twee zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan ontvangen. In de Nota van Zienswijzen (zie bijlage 15) is ingegaan op de zienswijzen en is een reactie gegeven. Mede in verband met de zienswijzen is het bezonningsonderzoek vernieuwd. Ook zijn ambtshalve enkele aanpassingen doorgevoerd in de toelichting en enkele onderzoeken, zie hiervoor de Staat van wijzigingen in de Nota van Zienswijzen.
Er zijn geen wijzigingen in de regels of de verbeelding van het bestemmingsplan aangebracht.
Op het bestemmingsplan is de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing. Het doel van die wet is om met procedurele versnellingen voor bepaalde besluiten en via experimenteerbepalingen doelgericht te werken aan werkgelegenheid en duurzaamheid. Het bestemmingsplan betreft een ruimtelijk project van Bijlage I van de Crisis- en Herstelwet (categorie 3.1: herstructurering woon- en werkgebied / project voor de bouw van meer dan 11 woningen). Hierdoor gelden voor alle (uitvoerings)besluiten de procedurele versnellingen van afdeling 2, Hoofdstuk 1 Chw. Zo bepaalt de Chw dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een half jaar (in plaats van een jaar) een uitspraak moet doen naar aanleiding van beroepen tegen een vastgesteld bestemmingsplan.