direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Max Euwekwartier fase 2b
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0599.BP2210Fase2bBrainp-va01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De ambitie bestaat om Brainpark I van kantorenpark te transformeren naar een levendige stadswijk waar ruimte is om te wonen, werken en te verblijven. In Brainpark I bestaan momenteel een aantal initiatieven om deze transformatie in te zetten. In fase 1 (kantorenkavels ten westen van de Max Euwelaan) en fase 2a (de voormalige ADP-locatie) worden appartementen en commerciële voorzieningen gerealiseerd. Hiervoor is een aparte bestemmingsplanprocedure doorlopen. De initiatiefnemer heeft vergevorderde plannen om aansluitend op de eerste twee fasen (1 en 2a) van de herontwikkeling van Brainpark I ook fase 2b te ontwikkelen. Dit betreft de voormalige Sweco-locatie, ten oosten van de Max Euwelaan en ten zuiden van fase 2a. Het voornemen is om hier ter vervanging van het bestaande kantoorpand een gemengd programma met woningen en commerciële en maatschappelijke voorzieningen te realiseren. De fasen 1, 2a en 2b zijn gezamenlijk omgedoopt tot het Max Euwekwartier.

Het vigerende bestemmingsplan staat de beoogde ontwikkeling van fase 2b echter niet toe. Het plangebied heeft nu nog een kantoorbestemming. Om deze reden is een nieuw juridisch-planologisch kader noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan met verbrede reikwijdte voorziet hierin en maakt de ontwikkeling van het gemengde gebied mogelijk.

1.2 Gekozen planopzet

Dit bestemmingsplan biedt een globale juridisch-planologische regeling, zodat flexibiliteit bestaat om de geplande ontwikkeling te realiseren. De regeling geschiedt door middel van de bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 2) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 3). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op zowel de planregels als de verbeelding. Wat betreft deplanopzet sluit het bestemmingsplan aan op de gangbare systematiek binnen de gemeente Rotterdam, met inachtneming van de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) en het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012).

1.3 Ligging en begrenzing

Brainpark I ligt aan de oostzijde van Rotterdam, in de buurt Kralingen Oost. Ten oosten van dit kantorenpark ligt de Rijksweg A16. In afbeelding 1.1 is de globale ligging van het plangebied op grotere schaal weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2210Fase2bBrainp-va01_0001.jpg"

Afbeelding 1.1: Globale ligging van het plangebied op grotere schaal.

Het plangebied ligt in het noorden van het kantorenpark Brainpark I. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door de Max Euwelaan en daarachter ligt fase 1 aan de Kralingse Zoom. Ten noorden ligt fase 2a. Voor de fasen 1 en 2a zijn ook plannen ontwikkeld om woningbouw met appartementen en commerciële voorzieningen te realiseren. Aan de oostzijde van het plangebied ligt de K.P. van der Mandelelaan, waaraan bestaande bedrijven gevestigd zijn. Ten zuiden van het plangebied ligt een groen- en watervoorziening. Afbeelding 1.2 toont de ligging van het plangebied (fase 2b) ten opzichte van fase 1 en 2a, afbeelding 1.3 het plangebied in de directe omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2210Fase2bBrainp-va01_0002.jpg"

Afbeelding 1.2: Ligging van het plangebied ten opzichte van fase 1 en 2a.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2210Fase2bBrainp-va01_0003.jpg"

Afbeelding 1.3: Globale ligging van het plangebied in de directe omgeving.

Afbeelding 1.4 toont de bestaande functies in de omgeving van het plangebied. Het plangebied maakt onderdeel uit van het kantorenpark Brainpark I. Ten westen van het plangebied ligt de campus van de Erasmus Universiteit. Beide gebieden worden van elkaar gescheiden door de Kralingse Zoom. Ten noorden van het plangebied ligt op korte afstand het metrostation Kralingse Zoom.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2210Fase2bBrainp-va01_0004.jpg"

Afbeelding 1.4: Ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende functies.

1.4 Vigerende bestemmingsplannen

Ter plaatse van het plangebied vigeert momenteel het bestemmingsplan 'Kralingse Zoom' dat op 14 juni 2018 is vastgesteld door de gemeenteraad van Rotterdam. In dit bestemmingsplan kent het plangebied de enkelbestemmingen 'Gemengd - 1', 'Groen' en 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Daarnaast kent het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. In afbeelding 1.5 is een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2210Fase2bBrainp-va01_0005.jpg"

Afbeelding 1.5: uitsnede vigerende bestemmingsplan, het plangebied is rood omkaderd (bron:ruimtelijkeplannen.nl)

Op grond van de bestemming 'Gemengd - 1' zijn diverse functies zoals kantoren, bedrijven en horeca toegestaan. Binnen de bestemming 'Gemengd - 1' zijn bouwvlakken opgenomen waarbinnen gebouwen zijn toegestaan.

Een deel van de voorgenomen functies is toegestaan op basis van de huidige bestemming 'Gemengd -1'. In het plangebied zijn echter ook woningen voorzien. Daarmee is voorgenomen ontwikkeling (deels) strijdig met het vigerende bestemmingsplan.

Ten slotte is ook een deel van de toekomstige bebouwing voorzien buiten de huidige bouwvlakken en is de maximale bouwhoogte niet toereikend. Ook voor wat betreft de bouwnormen bestaat daardoor strijd met het vigerende bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2 Beleid

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook één Rijksvisie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld.

In Nederland staan we voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Denk aan de opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. Door goed in te spelen op deze veranderingen kan Nederland vooroplopen en kansen verzilveren. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.

In de NOVI zijn deze maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten:

  • 1. Naar een duurzame en concurrerende economie;
  • 2. Naar een klimaatbestendige en klimaatneutrale samenleving;
  • 3. Naar een toekomstbestendige en bereikbare woon- en werkomgeving;
  • 4. Naar een waardevolle leefomgeving.

Deze vier opgaven kunnen alleen in samenhang verder worden gebracht wanneer aandacht is voor thema's die hier dwars doorheen lopen, zoals omgevingskwaliteit, gezondheid, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, water, bodem, (nationale) veiligheid en milieukwaliteit.

Een gezonde leefomgeving die zo min mogelijk negatieve invloed heeft op de gezondheid is volgens het Rijk van belang. De omgeving dient uitnodigend te zijn voor gezond gedrag en dient een plek te zijn waar inwoners zich prettig voelen.

De omvang van de vraag is afhankelijk van het tempo van economische groei, maar ook van de specifieke bedrijfstaksamenstelling per regio, omdat de ramingen voor verschillende bedrijfstakken uiteenlopen. Het Rijk stelt dat een zorgvuldige raming van ruimtebehoefte- en aanbod van groot belang is. Om voldoende ruimte voor economische activiteit te faciliteren en deze optimaal te benutten, stellen overheden regionale programma's en transitieagenda's op.

Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen en (groot)winkelbedrijven moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk. Deze locaties moeten goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven én de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken.

Brainpark (waaronder fase 2b) is een nieuwe levendige stadswijk waar voorzien wordt in een behoefte aan woningen, werkruimten en overige voorzieningen. Binnen Brainpark fase 2b worden alleen woningen gerealiseerd. Bij de ontwikkeling van dit gebied is aandacht besteed aan verschillende thema's zoals duurzaamheid, groen en geluid. Ook is de stedenbouwkundige aansluiting op het omliggende gebied een belangrijk onderdeel van het proces geweest. Daarnaast is bekeken in hoeverre de omliggende infrastructuur passend is. Hiermee is de voorgenomen ontwikkeling in lijn met de NOVI.

2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Vastgesteld op 22 augustus 2011, geconsolideerde versie 1 december 2020

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de juridische vertaling van nationaal ruimtelijk beleid. Het besluit bevat regels die doorwerken op gemeentelijk niveau, en dus relevant zijn voor bestemmingsplannen. Voorbeelden van zaken die geregeld zijn in het Barro zijn rijksvaarwegen, hoofdwegen, het 380 kV-netwerk en buisleidingen van nationaal belang.

Relevant beleid voor het plangebied

Het Barro kent een hoog abstractieniveau en is alleen aan de orde op specifieke locaties (bijvoorbeeld in de mainports of nabij de kust) of bij specifieke projecten (zoals het project 'Randstad 380 kV'). Het plangebied ligt niet in een dergelijk gebied en bevat ook geen grootschalige ontwikkelingen die opgenomen zijn in het Barro. Om die reden bevat het Barro geen concreet beleid voor het plangebied.

2.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking)

In werking getreden op 1 oktober 2012, gewijzigd per 1 juli 2017

Het doel van de ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goede ruimtelijke ordening. Gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken motiveren volgens de Ladder.

Concreet betekent dit dat het bestemmingsplan een beschrijving bevat van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Wanneer deze ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied gerealiseerd wordt, moet gemotiveerd worden waarom er niet binnen het stedelijk gebied voorzien kan worden in de behoefte. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Planspecifieke toets

Het plangebied wordt in de toekomst getransformeerd naar een gemengd woongebied waar ruimte is voor verschillende functies. Het gebied ligt op steenworp afstand van het metrostation 'Kralingse Zoom'. Aan de overzijde van de Kralingse Zoom ligt de campus van de Erasmus Universiteit en via dezelfde Kralingse Zoom en de Abram van Rijckevorselweg kunnen de toekomstige gebruikers van het gebied via de A16 op een eenvoudige manier hun weg vervolgen. De ligging van het plangebied is daarmee uitermate gunstig. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in een verdichting nabij een binnenstedelijke OV-knooppunt.

Woningen

Dit bestemmingsplan voorziet in totaal in 364 woningen. In tabel 2.1 is een verdeling van het woonprogramma weergegeven.

Type woning   Aantal  
woningen van circa 30 m2 go   40  
woningen tussen de 40 en 50 m2 gbo   47  
woningen tussen de 50 en 60 m2 gbo   21  
woningen tussen de 60 en 75 m2 gbo   231  
woningen van circa 68 m2 gbo   2  
woningen groter dan 85 m2 gbo   23  
Totaal   364  

Tabel 2.1: overzicht aantal en type woningen.

Uit de prognose van de gewenste woningvoorraadtoename uit de Staat van Zuid-Holland blijkt dat in de regio Rotterdam tot 2030 in totaal 51.310 woningen benodigd zijn. Dit plan levert met een totaal van 364 woningen een bijdrage aan de provinciale, regionale en lokale woningbehoefte.

Daarnaast is door ABF research in 2018 in opdracht van de provincie Zuid-Holland een onderzoek uitgevoerd naar de kwalitatieve woningbouwbehoefte in de provincie. Uit dit onderzoek blijkt dat 46% van de nieuwbouw zou moeten bestaan uit huurwoningen en in beperkte mate koopwoningen. In voorliggend plan worden alle woningen uitgevoerd als huurwoning, waarmee tegemoet wordt gekomen aan de grote behoefte aan huurwoningen. Uit het genoemde onderzoek blijkt ook dat in de huursector met name behoefte bestaat aan meergezinswoningen (70%). Het woonprogramma van dit plan bestaat uit 89% meergezinswoningen. Hiermee wort aangesloten bij de grote vraag aan dit type woning.

Specifiek wordt het programma ingevuld met woningen voor senioren (55+), met zorg en voorzieningen binnen handbereik om een aangename woon- en leefomgeving voor ouderen te creëren. Het initiatief sluit daarmee aan bij de kaders van het Langer Thuis Akkoord en de doelstelling om tien woonzorgcomplexen in de huidige collegeperiode te realiseren.

De ontwikkeling van de woningen voorziet daarmee in een behoefte en wordt tevens binnenstedelijk gerealiseerd.

Commerciële en maatschappelijke voorzieningen

Aan het plangebied worden ook commerciële en maatschappelijke voorzieningen toegevoegd. Momenteel is nog niet volledig duidelijk wat voor voorzieningen in het plangebied worden gerealiseerd. In de huidige situatie zijn geen commerciële voorzieningen in het plangebied gesitueerd. De ligging ten opzichte van het metrostation en de Erasmus Universiteit maken dat het gebied potentie heeft om getransformeerd te worden naar een gemengd en levendig gebied. In de omgeving van het plangebied is het aantal commerciële voorzieningen beperkt. De toevoeging van de beoogde voorzieningen zorgt ervoor dat het aanbod wordt uitgebreid waarmee de toekomstige gebruikers van het gebied in hun behoefte worden bediend. Dit bestemmingsplan voorziet in (ondersteunende) commerciële en maatschappelijke/collectieve voorzieningen, horeca en kantoren tot een totale oppervlakte van 3500 m2. Daarbij kan gedacht worden aan functies zoals een praktijkruimte voor een huisarts of fysiotherapeut, fitness, een zwembad en restaurant voor bewoners. Ook worden er gemeenschappelijke, ondersteunende ruimtes/huiskamers gemaakt voor de woningen kleiner dan 50 m2. Dergelijke functies passen goed bij het wooncept voor ouderen dat in de nieuwbouw een plek zal krijgen.

Conclusie

De woningen die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt voorzien in een actuele behoefte en liggen binnen bestaand stedelijk gebied. Gezien het bovenstaande voldoet het bestemmingsplan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

2.2 Provinciaal en regionaal beleid

Algemeen

Oorspronkelijk op 20 februari 2019 heeft de provincie Zuid-Holland haar 'Omgevingsbeleid' vastgesteld. Het omgevingsbeleid omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving in Zuid-Holland. Het bestaat uit drie hoofdinstrumenten: de omgevingsvisie, het omgevingsprogramma en de omgevingsverordening. De omgevingsvisie schetst de beleidskaders; de strategische ambities, beleidsdoelen en -keuzes voor de toekomst van de fysieke leefomgeving van Zuid-Holland. In het omgevingsprogramma zijn deze nader uitgewerkt in maatregelen die de provincie treft. De omgevingsverordening stelt de juridische kaders; instructieregels voor andere overheden en direct werkende regels voor burgers en bedrijven. De provincie wijzigt de verschillende onderdelen wanneer daartoe aanleiding is.

2.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland

Oorspronkelijk vastgesteld door Provinciale Staten in 2019, geconsolideerde versie 1 mei 2024

De omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid voor de gehele fysieke leefomgeving van de provincie Zuid-Holland.

Ambities, beleidsdoelen en beleidskeuzes

Naast de algemene sturingsfilosofie en een analyse van de huidige situatie van Zuid-Holland, schetst de provincie in de omgevingsvisie haar toekomstgerichte beleid in zeven provinciale vernieuwingsambities:

  • 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten.
  • 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor.
  • 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen.
  • 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland.
  • 5. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving.
  • 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit.
  • 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. 

Deze zeven vernieuwingsambities zijn geconcretiseerd in 18 beleidsdoelen, die omschrijven aan welke maatschappelijke opgaven de provincie werkt. De beleidsdoelen zijn vervolgens uitgewerkt in beleidskeuzes.

Ruimtelijke hoofdstructuur 

De essentie en samenhang van de verschillende ruimtelijke keuzes uit de omgevingsvisie, is gevat in de ruimtelijke hoofdstructuur. Opgebouwd uit verschillende kaartbeelden, vormt de ruimtelijke hoofdstructuur een integraal kaartbeeld dat inzichtelijk maakt hoe de strategische beleidskeuzes van de provincie ruimtelijk samenkomen. Afbeelding 2.1 geeft de ruimtelijke hoofdstructuur van Zuid-Holland weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2210Fase2bBrainp-va01_0006.jpg"

Afbeelding 2.1: Omgevingsvisie Zuid-Holland - ruimtelijke hoofdstructuur.

Uitgangspunten en kaders voor de fysieke leefomgeving

Bij het vormgeven en uitvoeren van de ambities hanteert de provincie de volgende uitgangspunten en kaders voor de fysieke leefomgeving:

  • streven naar het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  • gebruik van een kwaliteitskaart met richtpunten en gebiedsprofielen, waarin is beschreven welke kwaliteiten in welke gebieden de provincie nastreeft;
  • handvatten voor passende ruimtelijke ontwikkeling, om te beoordelen of bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen wenselijk zijn.

Kwaliteitskaart, richtpunten en gebiedsprofielen

De provincie Zuid-Holland geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en omgevingskwaliteit. Uitgangspunt van het kwaliteitsbeleid is een 'ja, mits'-beleid: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van Zuid-Holland bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengebracht in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten, gebiedsprofielen en enkele bepalingen in de omgevingsverordening.

De kwaliteitskaart toont de kwaliteitsambities van de provincie. De belangrijke gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland zijn weergegeven in vier lagen: de laag van de ondergrond, laag van de cultuur- en natuurlandschappen, laag van de stedelijke occupatie en laag van de beleving. De integrale kwaliteitskaart vat de vier lagen in één kaartbeeld samen. Met behulp van de kwaliteitskaart houden betrokken partijen bij ruimtelijke ingrepen rekening met de gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde van een gebied. De kwaliteitskaart biedt randvoorwaarden voor het maken van integrale afwegingen, die nader zijn geconcretiseerd in richtpunten. De richtpunten beschrijven de bestaande kenmerken en waarden, en de wijze waarop ruimtelijke ontwikkelingen daarmee rekening kunnen houden. De kwaliteitskaart en bijbehorende richtpunten zijn regionaal vertaald in verschillende gebiedsprofielen. Deze gebiedsprofielen fungeren niet als toetsingskader maar als handreiking voor het gebiedsspecifiek omgaan met ruimtelijke kwaliteit.

Passende ruimtelijke ontwikkeling

Om te bepalen of een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling passend is, is de ruimtelijke impact van belang. In de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder deze raakt aan provinciale belangen. Ook de waarde en kwetsbaarheid van de kwaliteit van het gebied speelt daarbij een rol. De gebiedsprofielen bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact van een ontwikkeling in een bepaald gebied is.

In dit kader maakt de provincie onderscheid in drie typen ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Daarbij spelen de schaalniveaus van de kavel, de structuur en de gebiedsidentiteit een rol. Wanneer een plan aansluit bij de gebiedsidentiteit en zich voegt in de bestaande structuur, is sprake van inpassing. Een ontwikkeling die aansluit bij de gebiedsidentiteit maar op structuurniveau wijzigingen voorziet, betekent een aanpassing. Bij transformatie zorgen de aard en omvang van een ontwikkeling voor een verandering van de gebiedsidentiteit. Deze indeling van ontwikkelingen is ook doorvertaald in de instructieregels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit in de omgevingsverordening.

Doorwerking in het plangebied

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij de provinciale ambities en uitgangspunten. Zo levert de ontwikkeling een bijdrage aan het versnellen van de woninbouw, met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. Door middel van het beoogde woningprogramma (364 woningen) wordt voorzien in een deel van de grote woningbehoefte in de stad en regio. De woningen worden gerealiseerd in verschillende typen en segmenten, waarmee verschillende doelgroepen worden bediend. Daarbij draagt de ontwikkeling bij aan een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. Om te voorzien in de beoogde ontwikkeling worden de bestaande kantoren gesloopt en wordt nieuwe bebouwing gerealiseerd. Door deze herontwikkeling wordt het bestaand stedelijk gebied intensiever gebruikt. Om de ruimtelijke kwaliteit van het gebied te behouden en versterken zijn in het Masterplan Brainpark I de ruimtelijke uitgangspunten voor de ontwikkeling bepaald. Deze vormen de basis voor de ontwikkelingen binnen dit bestemmingsplan en dienen als toetsingskader voor de bouwplannen. Paragraaf 2.2.2 gaat in op de bepalingen die in de omgevingsverordening met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit zijn gesteld. Daarnaast ligt het plangebied op een goed bereikbare locatie over weg en spoor. Via de Kralingse Zoom is het gebied op een adequate wijze ontsloten en met de A16 op korte afstand is de autobereikbaarheid van het gebied goed. Op korte afstand ten noorden van het plangebied ligt daarnaast het metrostation Kralingse Zoom. Met de herontwikkeling en verdichting van het plangebied wordt zodoende gebouwd op een strategische en efficiënte locatie.

2.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland

Vastgesteld door Provinciale Staten op 15 december 2021, geconsolideerde versie 24 juli 2024

De Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) is geldig vanaf 1 januari 2024. De ZHOV is 15 december 2021 vastgesteld door Provinciale Staten. Daarna is de ZHOV enkele keren gewijzigd en aangevuld (ook al voor de inwerkingtreding). De instructieregels uit de omgevingsverordening hebben een directe doorwerking in bestemmingsplannen en bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Ruimtelijke kwaliteit

Op grond van artikel 7.43 van de omgevingsverordening (Ruimtelijke kwaliteit) kan een bestemmingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit. Bij het beoordelen van de ruimtelijke kwaliteit bij een ontwikkeling wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd.

Met de voorliggende ontwikkeling is sprake van aanpassen: de ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit maar veroorzaakt wijzigingen op structuurniveau. Het gaat om een bestaand stedelijk gebied, dat van een monofunctionele kantorenlocatie wordt gewijzigd in een gemengd woon-/werkmilieu. Daarmee wordt invulling gegeven aan het Masterplan Brainpark I, waarin de gemeente de ambities en kaders voor de toekomstige invulling van het gebied heeft vastgelegd.

Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. Wanneer sprake is van aanpassen of transformeren moet daarnaast een zorgvuldige afweging over de locatiekeuze worden gemaakt. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop.

Om de ruimtelijke kwaliteit in het gebied te behouden en te versterken zijn in het Masterplan, op basis van de bestaande situatie en ambities voor het gebied, de ruimtelijke uitgangspunten voor de ontwikkeling bepaald. Daarbij zijn onder meer een ruimtelijk raamwerk en plankaart opgesteld en de stedenbouwkundige en programmatische uitgangspunten voor de invulling van het gebied uitgewerkt. Ook is uitvoerig ingegaan op het aspect beeldkwaliteit. Daarbij zijn criteria opgenomen met betrekking tot ruimtelijke inpassing, verschijningsvorm, detaillering, materiaal- en kleurgebruik en vergroening. Op basis daarvan zal voor het gebied een aparte welstandsparagraaf worden opgesteld en vastgesteld als onderdeel van de gemeentelijke welstandsnota.

De voorgenomen ontwikkeling (fase 2b) geeft invulling aan de ambities zoals neergelegd in het Masterplan Brainpark I. De opzet van het bestemmingsplan sluit aan bij de ruimtelijke uitgangspunten die daarin zijn bepaald. De beeldkwaliteitscriteria fungeren als leidraad voor het vormgeven van en als toetsingskader voor de uiteindelijke bouwplannen. Hiermee is de locatiekeuze voor de ontwikkeling onderbouwd en de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd.

Stedelijke ontwikkelingen

Volgens artikel 7.45 van de omgevingsverordening gaat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 ha nodig is, wordt gebruik gemaakt van de in de omgevingsverordening aangewezen bouwlocaties en criteria. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

In de omgevingsverordening is zodoende bepaald dat toepassing moet worden gegeven aan de Ladder voor duurzame verstedelijking conform het Bro. Daaraan is het aspect van regionale afstemming toegevoegd. Voor de voorgenomen ontwikkeling is op de Ladder als onderdeel van het rijksbeleid nader ingegaan in paragraaf 2.1.3.

Klimaatverandering

De omgevingsverordening bepaalt (artikel 7.41b) dat een bestemmingsplan rekening moet houden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte en droogte. Paragraaf 6.10 gaat nader op deze verschillende aspecten in.

2.3 Gemeentelijk beleid

Algemeen

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening kunnen gemeenten hun gemeentelijk beleid vastleggen in structuurvisies. Ter verwezenlijking van de doelen in het ruimtelijk beleid stelt de gemeente bestemmingsplannen op. In Rotterdam zijn twee typen bestemmingsplannen te onderscheiden, gebiedsbestemmingsplannen en projectbestemmingsplannen. Gebiedsbestemmingsplannen worden opgesteld door het cluster Stadsontwikkeling naar aanleiding van een meerjarenplanning. Wanneer een bepaalde ontwikkeling buiten het opstellen van een gebiedbestemmingsplan valt, kan daar een projectbestemmingsplan voor opgesteld worden of een omgevingsvergunningprocedure voor doorlopen worden, door een initiatiefnemer.

2.3.1 Omgevingsvisie Rotterdam (2021)

Vastgesteld door de gemeenteraad op 2 december 2021

De omgevingsvisie is een beleidsinstrument van de gemeenteraad, elke twee jaar wordt de visie geëvalueerd. Op basis van monitoring door middel van de Rotterdamse omgevingseffectrapportage (ROER) en evaluatie bekijkt de gemeente hoe de visie doorwerkt. De Rotterdamse omgevingsvisie is niet in beton gegoten maar adaptief, dat wil zeggen dat de gemeente de visie dus aan kan passen als dat nodig is.

De omgevingsvisie is de integrale visie op de fysieke leefomgeving. Met fysieke leefomgeving wordt alles bedoeld dat nodig is om hier te kunnen leven, wonen, werken, studeren en recreëren. Het omvat alle elementen die de ruimte bepalen zoals: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. De ontwikkeling van de fysieke leefomgeving hangt sterk samen met de sociale leefomgeving en het economische domein. Daarom zijn ruimtelijke aspecten op het gebied van maatschappelijke ontwikkeling, milieu en economie ook onderdeel van deze visie. De omgevingsvisie beschrijft integrale, allesomvattende opgaven en keuzes voor Rotterdam.

Rotterdam kiest voor goede groei. Hiermee versterkt de gemeente de bestaande stad en geeft de gemeente ruimte aan transities. Dit doet de gemeente door:

  • 1. Samen de stad te maken.
  • 2. Ontwikkelen vanuit eigen identiteit en bestaande kwaliteiten.
  • 3. Groeien door middel van de vijf perspectieven.

Om vanuit een integraal perspectief richting te geven aan deze ‘goede groei’ en de toekomst van de fysieke leefomgeving, worden vijf perspectieven gehanteerd. Deze vormen een ‘kompas’ waarmee koers kan worden bepaald. Daarbij moet in de praktijk worden gezocht naar de juiste balans; de vijf perspectieven kunnen nooit in dezelfde mate worden nagestreefd, maar elke ontwikkeling wordt wel door de vijf brillen bekeken. De perspectieven geven richting aan het handelen van het stadsbestuur en bieden houvast aan mensen, organisaties en bedrijven die iets willen doen in de stad. Ze zijn flexibel genoeg om invulling te geven aan nieuwe ideeën en ontwikkelingen. Ze maken de impact van grote trends, beleid en initiatieven op de fysieke leefomgeving inzichtelijk. En ze maken de ruimtelijke impact van plannen en keuzes vergelijkbaar. De vijf perspectieven zijn:

  • Compacte stad: Rotterdam als een compacte, aantrekkelijke stad aan de rivier.
  • Inclusieve stad: Rotterdam is een stad waar niemand in de meerderheid is.
  • Duurzame stad: Rotterdam groeit uit tot een stad en haven die leiderschap toont in de transitie naar duurzame energie circulaire processen en een klimaatneutrale maatschappij.
  • Gezonde stad: Rotterdam maakt gezond leven voor alle inwoners in de stad mogelijk.
  • Productieve stad: Rotterdam biedt ruimte aan de nieuwe economie.

‘Goede groei’ betekent ook dat rondom een aantal grote opgaven richtinggevende, soms rigoureuze, keuzes gemaakt worden. In de Rotterdamse omgevingsvisie staan vijf hoofdkeuzes centraal. Dit zijn de belangrijkste keuzes voor de ontwikkeling van de stad in de komende decennia. Voor elke hoofdkeuze fungeren de drie principes van goede groei als leidraad. In de omgevingsvisie worden de volgende hoofdkeuzes gemaakt:

  • Rotterdam zet in op prettig leven in de delta.
  • Rotterdam gaat verstedelijken en verbinden.
  • Rotterdam zet in op vitale wijken.
  • Rotterdam zet de schouders onder de energie- en grondstoffentransitie.
  • Rotterdam vernieuwt het verdienvermogen.

Afbeelding 2.2 toont de omgevingsvisiekaart voor het stedelijk gebied van Rotterdam. Hierin zijn de belangrijkste ontwikkelingsrichtingen aangegeven, op basis van de perspectieven en hoofdkeuzes uit de omgevingsvisie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2210Fase2bBrainp-va01_0007.jpg"

Afbeelding 2.2: Omgevingsvisie Rotterdam - visiekaart stedelijk gebied.

Daarnaast is een drietal gebieden nader uitgewerkt, waar meerdere grote opgaven bij elkaar komen en tegelijkertijd kansen liggen om verschillende stedelijke doelstellingen te realiseren. Deze strategische gebieden vragen om gebiedsspecifieke richtinggevende keuzes. Het gaat om de binnenstad, zone Alexander - Zuidplein en Rotterdam Zuid.

De ontwikkellocatie Brainpark ligt binnen de zone 'Alexander - Zuidplein'. In deze zone investeert de gemeente in een oeververbinding met hoogwaardig openbaar vervoer, als drager voor verstedelijking van het gebied. Belangrijke knopen worden met elkaar verbonden en transformeren tot aantrekkelijke verblijfsgebieden met wonen, werken en recreatie in hoge dichtheden. Zo zet de gemeente in op het realiseren van zo'n 20.000-30.000 nieuwe woningen voor diverse doelgroepen in verschillende woonmilieus, hand in hand met het realiseren van 20.000-30.000 nieuwe arbeidsplaatsen op diverse toekomstbestendige werklocaties.

Voorliggend plangebied is op de visiekaart aangeduid als locatie voor verdichting binnen de bestaande stad nabij hoogwaardig openbaar vervoer, en het ontwikkelen van een stad met meerdere stedelijke centra. Op de kaart voor de zone 'Alexander - Zuidplein' is dit uitwerkt als 'complementaire stedelijke centra: stedelijk interactiemilieu met unieke mix van wonen, werken en stedelijke voorzieningen met een kwalitatieve openbare ruimte en HOV (Kralingse Zoom/EUR)'.

De voorgenomen ontwikkeling maakt als fase 2b onderdeel uit van de ontwikkellocatie Brainpark I. Op basis van het Masterplan dat hiervoor is opgesteld, wordt het gebied getransformeerd van een monofunctionele kantorenlocatie naar een gemengde stadswijk. Daarmee wordt invulling gegeven aan de verdichting in de bestaande stad nabij een ov-knooppunt, zoals beoogd in de omgevingsvisie. In het voorliggende plangebied wordt met 364 woningen met name een bijdrage geleverd aan de woningbouwopgave voor het gebied, met daarnaast ruimte voor commerciële en maatschappelijke voorzieningen. Samen met het programma van fase 1 en 2a ontstaat zo een gemengd stedelijk woon-, werk- en verblijfsmilieu. Daarbij draagt de ontwikkeling ook bij aan de vijf perspectieven. De ontwikkeling vindt plaats binnen de bestaande contouren van de stad, waarbij de bestaande kantoren plaatsmaken voor woningen en voorzieningen. Zo sluit de ontwikkeling aan bij het perspectief van de compacte stad. Daarnaast wordt er een gemengd woningprogramma gerealiseerd met woningen in verschillende segmenten, wat past binnen de inclusieve stad. Ook zal de nieuwe bebouwing duurzamer worden gebouwd dan de bestaande kantoren. De nieuwbouw wordt aardgasvrij gerealiseerd en draagt zo bij aan een klimaatneutraal Rotterdam. Ook wordt met het plan rekening gehouden met de risico's van klimaatverandering, zoals beschreven in paragraaf 6.10. Paragraaf 6.11 gaat nader in op circulair slopen en bouwen in relatie tot de ontwikkeling. Dit alles draagt bij aan een duurzame stad.

2.3.2 Woonvisie Rotterdam – Een koers tot 2040 en acties voor de komende 5 jaar

Vastgesteld op 14 maart 2024 door de gemeenteraad

Rotterdam is een stad in beweging. Steeds meer mensen willen er wonen, werken en verblijven. Het realiseren van voldoende woningen, werkgelegenheid en voorzieningen is essentieel om deze trek naar de stad op te kunnen vangen. Daarnaast is het bieden van een fijn en betaalbaar thuis aan alle huidige inwoners minstens zo belangrijk. Steeds meer Rotterdammers hebben moeite om een betaalbare en passende woning te vinden. Om Rotterdammers meer perspectief te bieden op een betaalbare woning die past bij hun behoeften zullen er vooral meer woningen in het middensegment moeten komen. De absolute omvang van de sociale voorraad dient daarbij stabiel te worden gehouden. De 11

Rotterdamse Woonvisie heeft twee onderdelen: de visie op het gebied van wonen met een doorkijk tot 2040 en een concreet uitvoeringsprogramma met maatregelen voor de komende 5 jaar.

Ambities 2040: een fijn en betaalbaar thuis voor iedereen

De ambities in de Woonvisie zijn:

  • 1. Rotterdam is een betaalbare stad voor iedereen;
  • 2. Rotterdam is een diverse en inclusieve stad: het streven is om wijken te creëren die de diversiteit van de wijk weerspiegelen, zodat iedereen er een thuis kan vinden en binnen dezelfde wijk kan doorstromen. Bovendien wordt ingezet op meer variatie op het gebied van gebouwen of blokken, met verschillende prijsklassen, afmetingen, doelgroepen en met ruimtes voor ontmoeting.
  • 3. Rotterdam als innovatieve woonstad, met lef. Dit uit zich in:
    • a. Nieuwe woonconcepten die inspelen op de veranderende bevolking met meer alleenstaanden en meer ouderen;
    • b. Nieuwe instrumenten die het goed functioneren van de woningmarkt bevorderen;
    • c. Bij nieuwbouw is altijd aandacht voor duurzaamheid, voorzieningen in de buurt, een aantrekkelijke openbare ruimte, voldoende groen, werkgelegenheid, en sociale cohesie. Hoogwaardige architectuur en stedenbouw dragen bij aan de kwaliteit van de stad.

Acties voor de komende 5 jaar

Deze ambities komen samen in 4 pijlers die richtinggevend zijn voor de komende vijf jaar:

  • 1. Meer en betaalbare woningen. Er wordt geprobeerd het absolute aantal sociale woningen stabiel te houden en het aantal woningen in het middensegment, voor zowel huur als koop wordt vergroot. De belangrijkste maatregelen:
    • a. Per jaar wordt met de bouw van 3.500-4.000 woningen door nieuwbouw en tijdelijke woningen gestart. De stad wordt uitgedaagd om in de bestaande voorraad meer woonruimte te maken (denk aan optoppen en woningdelen).
    • b. Er wordt bij nieuwbouw tot 2026 gestuurd op 55% betaalbare woningen (20% sociaal en 35% middensegment en vanaf 2026 op 65% betaalbare woningen (25% sociaal en 40% middensegment) en deze woningen zijn bedoeld voor mensen met een bijbehorend salaris.
    • c. Er worden maatregelen genomen voor meer middensegment, door de inzet van koopinstrumenten en financiële middelen. Betaalbaarheid door gebruik te maken van zowel publieke als privaatrechtelijk instrumenten wordt geborgd.
    • d. Er is aandacht voor de snelheid van bouwen van betaalbare woningen: er komt een nieuwe Rotterdamse Bouwwet, waarbij wordt geëxperimenteerd met flexibiliteit in regelgeving voor betaalbare woningen zonder de kwaliteit en de omgeving uit het oog te verliezen.
  • 2. Toekomstbestendige en vitale wijken
  • 3. Huisvesting en aandachtsgroepen
  • 4. Betere positie op de woningmarkt

Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van 364 woningen. Deze woningen worden uitgevoerd in verschillende segmenten. Het programma bestaat uit circa 41,5% middenhuur en 58,5% in het hogere segment. Sociale huurwoningen in het Max Euwekwartier worden in fase 2a gerealiseerd. Met het aantal woningen draagt de ontwikkeling bij aan de ambitie van de Woonvisie om 3.500-4.000 woningen te ontwikkelen. Daarbij draagt het bij aan de ambitie om huurwoningen in het middensegment te realiseren. In het bijzonder wordt het programma ingevuld met woningen voor senioren (55+), met zorg en voorzieningen binnen handbereik om een aangename woon- en leefomgeving voor oudere te creëren. Er worden ook specifiek 40 kleinere woningen in de vorm van studio's gerealiseerd voor de dementerende ouderendoelgroep. Het initiatief past binnen de kaders van het Langer Thuis Akkoord en bij de doelstelling om tien woonzorgcomplexen in de huidige collegeperiode te realiseren. Daarnaast worden er woningen in verschillende prijsklassen, afmetingen en doelgroepen gerealiseerd, met ruimtes voor ontmoeting, wat aansluit bij de eerste ambitie van de Woonvisie.

De voorgenomen ontwikkeling sluit hiermee aan bij de prioriteiten die in de Woonvisie zijn benoemd.

2.3.3 Nota kantoren Rotterdam

Op 12 maart 2020 heeft de gemeenteraad de Nota Kantoren vastgesteld.

Doel van het beleid is om richting te geven aan de ontwikkeling van de Rotterdamse kantorenmarkt, door:

  • Het versterken van de nieuwe economie door concentratie van kantoren op zes locaties met de beste bereikbaarheid en verblijfskwaliteit, en ontwikkeling van specifieke clusters op vijf andere locaties;
  • Een goede balans tussen vraag en aanbod door introductie van een Rotterdamse ladder (zodat snel duidelijk is of er een markttechnische onderbouwing is voor nieuwbouw);
  • Het stimuleren van verduurzaming van de kantorenvoorraad en -omgeving.

Het nieuwe Rotterdamse beleid sluit aan op de Strategie Werklocaties van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH), waarin de regiogemeenten afspraken hebben gemaakt over de programmering van kantoren, bedrijfsruimte en detailhandel.

De Nota Kantoren vormt samen met de Nota Bedrijfsruimte 2020 en de Nota Detailhandel 2017 een totaalbeleid voor werklocaties in Rotterdam. Dit samenhangende beleid dient onder meer als basis voor gemeentelijke investeringen in de lokale economie.

De lange termijn ambities voor kantoren zijn vertaald naar koersen per gebied voor de korte termijn. De Kantorenkoersen Rotterdam zijn een gebiedsgerichte uitwerking van de Nota kantoren.

In de nota is aangegeven dat er verschillende toekomstbestendige vestigingsgebieden voor kantoren, de zogenaamde concentratiegebieden, bestaan. De Brainparken plus EUR-campus zijn in de nota en gebiedsgerichte koersen aangeduid als één van de concentratiegebieden. Aangegeven is dat voor de locatie de (OV)-bereikbaarheid, de mogelijkheden voor functiemenging en de aantrekkelijkheid voor een brede groep gebruikers kenmerkend zijn.

In de koers voor de EUR-campus + Brainparken is aangegeven dat initiatieven voor transformatie van kantoorruimte worden gestimuleerd als die het verblijfsklimaat voor bestaande en toekomstige kantoorgebruikers versterken. Belangrijke randvoorwaarde is verbetering van de verblijfskwaliteit. Om bedrijven en werknemers een aantrekkelijke omgeving te bieden is een kwaliteitsimpuls voor de verblijfskwaliteit hoogst noodzakelijk. Het gaat hier om toevoeging en keuzemogelijkheden in horecavoorzieningen, leisure en (zakelijke) evenementen. Dit stelt ook eisen aan de buitenruimte en infrastructuur, die nu vooral op automobiliteit is ingericht. Door de matige verbindingen tussen deelgebieden is wandelen en fietsen in het gebied niet aantrekkelijk. Toevoeging van woningen kan interessant zijn voor werknemers van bedrijven, en leidt ook tot meer sociale veiligheid buiten werktijden.

Met voorgenomen ontwikkeling wordt een deel van Brainpark I getransformeerd van kantorengebied naar een gemengd woon-werkgebied. Er wordt voorzien in een programma met woningen (appartementen), verschillende maatschappelijke en commerciële voorzieningen en nieuwe kantoorruimte. Ook is voorzien in een groene en parkachtige inrichting van de openbare ruimte. Daarmee levert de beoogde ontwikkeling een belangrijke bijdrage aan het verbeteren van de verblijfskwaliteit binnen Brainpark. De voorgenomen ontwikkeling is zodoende in lijn met de Nota kantoren en gebiedsgerichte Kantorenkoers.

2.3.4 Nota bedrijfsruimte Rotterdam

Op 12 maart 2020 heeft de gemeenteraad de Nota Bedrijfsruimte vastgesteld.

Doel van het beleid is om voldoende bedrijfsruimte in Rotterdam te waarborgen - en richting te geven aan de ontwikkeling van bestaande en nieuwe bedrijfslocaties:

  • 1. Behouden en zo goed mogelijk benutten van bedrijfsruimte:
    • a. De totale omvang van de voorraad bedrijfsruimte wordt behouden en zo efficiënt mogelijk benut;
    • b. Bedrijfsruimte in de wijken wordt zoveel mogelijk behouden;
    • c. Nieuwe bedrijventerreinen krijgen een plek in de regio;
  • 2. Functiemenging waar het kan, functiescheiding waar het moet:
    • a. Ruimte-extensieve en zware bedrijvigheid wordt ingepast aan de rand van de stad of in de regio, arbeidsintensieve en lichte bedrijvigheid behoudt een plek in de stad;
    • b. Op bedrijventerreinen met een transformatieopgave wordt ingezet op woonwerkgebieden met behoud van (vervangende) werkgelegenheid.
  • 3. Stadsgebonden bedrijvigheid:
    • a. Focus op vestiging van bedrijven die vanwege hun klanten- en werknemerskring een directe relatie hebben met de stad, en op:
    • b. Kleinschalige datacenters (digitalisering), city hubs en XS-warehouses (ecommerce), incubators en bedrijfsverzamelgebouwen ('de nieuwe economie').
  • 4. Verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van bedrijventerreinen:
    • a. Focus op verduurzaming (energietransitie, circulariteit en klimaatadaptatie), en op:
    • b. Verbetering van de gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde en van de multimodale bereikbaarheid.

Het nieuwe Rotterdamse beleid sluit aan op de Strategie Werklocaties van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH), waarin de regiogemeenten afspraken hebben gemaakt over de programmering van kantoren, bedrijfsruimte en detailhandel.

De Nota Bedrijfsruimte vormt samen met de Nota Kantoren 2020 en de Nota Detailhandel 2017 een totaalbeleid voor werklocaties in Rotterdam. Dit samenhangende beleid dient onder meer als basis voor gemeentelijke investeringen in de lokale economie.

De lange termijn ambities voor bedrijfsruimte zijn vertaald naar koersen per gebied voor de korte termijn. Voorgenomen ontwikkeling voorziet uitsluitend in beperkte mate in de ontwikkeling van commerciële voorzieningen. Daarbij is ingezet op functies/bedrijvigheid die te combineren zijn met woningbouw en bijdragen aan de leefbaarheid en beleving in het plangebied. Het gaat om commerciële en maatschappelijke voorzieningen (inclusief onderwijs), bedrijven, leisure en/of horeca, uitsluitend op de begane grond en eerste verdieping. Aangesloten wordt bij het uitgangspunt dat functiemenging kan. Hierdoor ontstaat een levendig woonwerkgebied wat de aantrekkingskracht van het gebied vergroot. De ontwikkeling is in lijn met de Nota bedrijfsruimte.

2.3.5 Hoogbouwvisie 2019

Vastgesteld door de gemeenteraad op 12 december 2019

In de Hoogbouwvisie 2019 is de hoogbouwzone aangegeven die loopt van het Centraal Station tot aan de Wilhelminapier. Pompenburg en de omgeving van de Rijnhaven horen er ook bij. Binnen de hoogbouwzone is hoogbouw mogelijk tot maximaal 250 meter hoog. Er zijn ook drie andere gebieden waar hoogbouw is toegestaan (tot maximaal 150 meter): Feyenoord City, Hart van Zuid en de Alexanderknoop.

Hoogte
De benedenverdieping en daarmee de Rotterdamse laag van de hoogbouw is essentieel. De programmering van de Rotterdamse laag moet een bijdrage leveren aan de stedelijke dynamiek en de continuïteit van het stadsbeeld. Denk hierbij aan lobby's voor kantoren, entrees voor woningen, commerciële en maatschappelijke functies.

De hoogte van de Rotterdamse laag verschilt per plek in de stad. Door de Rotterdamse laag onderdeel te maken van het gebouw, is er een goede aansluiting op de aangrenzende gebouwen en stimuleert dit de continuïteit van wanden, straten en pleinen.

De omvang van de bovenbouw wordt door twee invalshoeken bepaald:een percentage voor de maximale oppervlakte van hoogbouw en een absolute maat, gebaseerd op het programma (wonen of kantoren). Naar boven toe zal de hoeveelheid oppervlakte afnemen. Door beperkingen op te leggen aan hoogbouw, gerelateerd aan de maximale omvang van de bouwkavel, is er meer ruimte in de onderbouw om de utilitaire zaken een goede plek te geven in het gebouw. Hierdoor is er meer ruimte om de ambitie van de stad op ooghoogte goed vorm te geven.

Boven de Rotterdamse laag (onderbouw grofweg tussen 15 tot 25 meter) mag maximaal 50 procent van de totale onderbouw als toren bebouwd worden. Boven de Rotterdamse laag mag de diagonaal van de toren niet groter zijn dan 56 meter. Door een diagonaal te gebruiken, wordt gestimuleerd dat er daadwerkelijk torens worden gemaakt in plaats van andere gebouwvormen. Bij gebouwen tussen de 70 en 150 meter heeft de toren vanaf 70 meter een diagonaal van 42 meter. De diagonaal wordt berekend over de verst van elkaar afliggende hoeken. Balkons ingesloten door ten minste drie geveldelen worden meegerekend.

Bij voorgenomen ontwikkeling is voorzien in een hoogte accent van 50 meter. Uit de hoogbouwvisie blijkt dat er pas sprake is van hoogbouw wanneer bebouwing hoger is dan 70 meter. Dit is in het plangebied niet aan de orde. Bij de verdere uitwerking is echter wel rekening gehouden met de uitgangspunten met betrekking tot de verschijningsvorm. Zo is er sprake van een actieve plint met meerdere 'deuren'. De basislaag is vergelijkbaar met de Rotterdamse laag en kent ook een hoogte van circa 25 meter en vormt de basis van de overige volumes. Daarnaast bedraagt de bovenbouw een beperkt deel van het de totale oppervlakte en neemt het oppervlak naar boven toe af.

Om ervoor te zorgen dat het windklimaat binnen de grenzen blijft, zijn aan de voorkant van het ontwerpproces oriënterende windonderzoeken verplicht. Deze metingen worden op basis van volumestudies gedaan en geven een eerste beeld waar zich mogelijke knelpunten bevinden. Vorm, materiaal en hoogte kunnen op deze manier in een vroegtijdig stadium onderzocht worden en de uitkomsten kunnen worden meegenomen in het ontwerpproces.

In bijlage 1 is een quickscan opgenomen die voor het aspect windhinder is uitgevoerd. Gezien de bouwhoogtes en het te verwachten windklimaat wordt geadviseerd een uitgebreider windonderzoek uit te laten voeren teneinde het windklimaat nauwkeurig en betrouwbaar in kaart te brengen. Tevens kunnen maatregelen ter verbetering van het windklimaat (indien nodig) gedetailleerd onderzocht worden.

Zon
Bij het toevoegen van hoogbouw moet in ieder geval duidelijk zijn in hoeverre het nieuwe volume extra schaduw in de stad geeft. Per plek kan de invloed van extra schaduw anders beoordeeld worden. De gemeente Rotterdam heeft op 9 september 2021 het "Afwegingskader bezonning" vastgesteld. Bij de vaststelling van bestemmingsplannen of het verlenen van omgevingsvergunningen in afwijking van een bestemmingsplan/omgevingsplan waarbij sprake is van nieuwbouw van hoge(re) gebouwen, speelt regelmatig de vraag hoe de gevolgen voor de mogelijke afname van bezonning van de bestaande woningen in de nabije omgeving getoetst wordt. Bij de besluitvorming over nieuwbouw moet inzichtelijk worden gemaakt dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening waarbij er een evenwichtige afweging is gemaakt van alle belangen, waaronder de toetsing van de effecten van hoge(re) gebouwen op omringende woningen. In nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsplannen zal dit afwegingskader een regulier toetsingsinstrument zijn voor het planologisch mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen. Als de bezonning is afgewogen in een bestemmingsplanprocedure en daarin hoge(re) gebouwen mogelijk maakt, hoeft die afweging m.b.t. bezonning niet weer gemaakt worden bij de aanvraag om een omgevingsvergunning bouwen als een plan in het bestemmingsplan/omgevingsplan past.

Om onderscheid te maken in de eisen die worden gesteld aan plekken in de stad en hoeveel vermindering er mag optreden in zonuren, zijn twee typen ruimtes gedefinieerd. Op plekken die zijn aangewezen als zogenaamde sunspot, mag géén vermindering van zonuren optreden binnen de aangewezen tijden. Daarnaast zijn er representatieve ruimtes waar zon belangrijk is, maar waar wel enige vermindering in zonuren mag optreden.

In het kader van de ontwikkeling van fase 1, 2a en 2b zijn de effecten van schaduwwerking door Cauberg Huygen beoordeeld, zie afbeelding 2.3. Hierin is beschouwd in hoeverre schaduwwerking optreedt bij de bestaande woningen grenzend aan de De Lairesselaan. Gezien de ligging van deze woningen ten noordwesten van de ontwikkelingen in Brainpark I, is met name gekeken naar de bouwblokken uit fase 1 (MEQ01, MEQ21 en MEQ31), die het dichtstbij de bestaande woningen liggen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2210Fase2bBrainp-va01_0008.jpg"

Afbeelding 2.3: bezonning Max Euwekwartier (bron: Cauberg Huygen, 25 februari 2021. Het plangebied is rechtsboven globaal rood omkaderd).

Hieruit blijkt dat:

  • Het gebouw MEQ 01 heeft in de ochtend op 19 februari enige vorm van schaduwwerking op de omliggende bebouwing. Al vroeg in de middag heeft het project geen invloed op de omliggende bebouwing;
  • Het project heeft op 21 augustus geen invloed op de schaduwwerking van de omliggende bebouwing;
  • Het gebouw MEQ 01 heeft in de ochtend op 21 oktober enige vorm van schaduwwerking op de omliggende bebouwing. Gedurende de middag heeft het project geen invloed op de omliggende bebouwing.

Uit deze indicatieve resultaten wordt geconcludeerd dat het project voldoet aan de lichte TNO-norm. Uit een nader bezonningsonderzoek dat specifiek is uitgevoerd voor fase 1 en 2a blijkt bovendien dat deze fasen geen of zeer geringe invloed hebben op de bezonningssituatie van omliggende woningen. Voor alle woningen geldt dat deze blijven voldoen aan de minimale eis van twee bezonningsuren per dag, waarmee wordt voldaan aan de Rotterdamse bezonningsrichtlijn zoals vermeld in het Afwegingskader. De fasen 1 en 2a liggen tussen de bestaande woningen en fase 2b en kennen een grotere bouwhoogte dan fase 2b. Deze onderzoeksresultaten kunnen dan ook als maatgevend worden beschouwd. De ontwikkeling in fase 2b leidt dan ook niet tot belemmeringen op het gebied van bezonning.

2.3.6 Stedelijk Verkeersplan Rotterdam 2017 - 2030+

Vastgesteld op 11 mei 2017 door de Rotterdamse gemeenteraad

Het Stedelijk Verkeersplan is een plan waarbij bereikbaarheid in dienst van een economisch sterk en gezond Rotterdam staat. Het Stedelijk Verkeersplan zet de lange termijnvisie neer, waarbij het uitgangspunt is dat mobiliteit geen doel op zich is, maar een belangrijke randvoorwaarde voor een economische sterk, gezond en aantrekkelijk Rotterdam. De Rotterdamse Mobiliteitsagenda kent een drietal vertrekpunten:

  • de groei en stedelijke verdichting van Rotterdam naar 690.000 inwoners in 2035;
  • de economische vernieuwing (Next Economy) en de daarbij horende energietransitie;
  • de stedelijke mobiliteitstransitie naar meer fiets en ov-gebruik.

Bovengenoemde ontwikkelingen zijn vertaald in een verschillend aantal kansen en bereikbaarheidsmaatregelen die bijdragen aan Rotterdam als levendige en sterke economische stad. Een goede balans in modaliteiten, oftewel een nieuw evenwicht tussen fietsers, voetgangers, auto’s en het openbaar vervoer is daarbij vertrekpunt. Dit betekent dat de verdichting met woningen binnen het stedelijk gebied prioriteit krijgt en de transitie naar de Next Economy het regionaal en stedelijk vervoersnetwerk vorm geeft. Hierbij staat de gezondheid van de Rotterdammer voorop en wordt geïnvesteerd in slimme mobiliteit, waarbij de stad functioneert als proeftuin. De structuuringrepen binnen het Stedelijk Verkeersplan bieden de meeste kansen om een stedelijk en regionaal infrastructuur netwerk te vormen dat voldoende flexibel en genoeg adaptief is om de stad van de toekomst (Next City) vorm te geven. De mobiliteitsstrategie ontstaat vanuit de gewenste ruimtelijke en economische ontwikkeling van stad en regio en wordt -wanneer de bereikbaarheidsopgave in de toekomst verandert- steeds opnieuw aan de tijdgeest aangepast, omdat het geen volgordelijkheid kent. Dit leidt tot de volgende beleidskeuzen:

  • 1. City Lounge versterkt: stimuleren van fiets en ov;
  • 2. een samenhangend regionaal en stedelijk netwerk: wegen en ov in evenwicht;
  • 3. regionale en stedelijke oeververbindingen: nieuwe en transformatie van bestaande;
  • 4. aantrekkelijke en levendige (Binnen)stad: de City Lounge versterkt;
  • 5. versterken nieuwe vervoerswijzen: vervoer over water en Last Mile;
  • 6. geen vervoersarmoede: sociale en maatschappelijke participatie versterkt;
  • 7. gezonde leefomgeving: versterken ruimtelijke kwaliteit, luchtkwaliteit en Zero Emissie;
  • 8. slimme mobiliteit: technologische innovatie en ict;
  • 9. gebieden Buiten de Ring: duurzaam verbinden.

Met de transitie van kantoor- naar woonlocatie en het beoogde mobiliteitsprofiel van de toekomstige bewoners is de nabijheid van RET halte Kralingen in belang toegenomen terwijl de nabijheid van de A16 is afgenomen. Daarnaast worden extra stallingsplekken voor de fiets gerealiseerd dat het gebruik ervan moet stimuleren. Ten slotte wordt ook de mogelijkheid geboden tot het gebruik van deelauto's. De ligging van de locatie en de benoemde maatregelen zorgen ervoor dat het gebruik van slimme en duurzame mobiliteit wordt gestimuleerd. Dit is in lijn met het Stedelijk Verkeersplan Rotterdam.

2.3.7 Horecanota Rotterdam 2017-2021

Vastgesteld door B&W op 1 november 2016, besluit verlening geldigheid genomen tot aan vaststelling nieuwe nota.

In de Horecanota 2017-2021 staat de balans tussen levendigheid en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat centraal. De nota beschrijft het instrumentarium dat hieraan invulling geeft. Gebiedsgericht werken, een verdere vereenvoudiging van het vergunningstelsel, verfijning van het handhavingskader en stimulering van eigen initiatief door experimenten zijn hiervan de elementen.

Belang voor de stad

Rotterdam is een levendige stad met een aantrekkelijke binnenstad, een groot cultureel aanbod en een gevarieerde samenstelling van bewoners, ondernemers en bezoekers. Horeca speelt een cruciale rol: een goede mix van kwaliteit en kwantiteit, een balans met andere stedelijke functies en openbare orde en veiligheid, bevordert de populariteit van Rotterdam. Bovendien levert de horecasector werkgelegenheid op en stimuleert het de lokale economie. De aantrekkingskracht van de stad is de afgelopen jaren toegenomen. Er wordt weer geld uitgegeven door bezoekers, Rotterdam voert de goede lijstjes aan en is in 2015 uitgeroepen tot beste binnenstad van Nederland. Tegelijkertijd verdicht de bewoning en is ruimte schaars. Het is dus van belang alles in goede banen te leiden en deze schaarse ruimte optimaal te benutten. De positieve ontwikkelingen van Rotterdam weten sommige delen van de stad onvoldoende te bereiken vanwege de aanwezigheid van malafide ondernemingen, georganiseerde criminaliteit en overlast. Dit vraagt om extra aandacht en stevig optreden.

Visie en ambities

Met dit horecabeleid borduurt Rotterdam voort op de goede ontwikkelingen in onze stad. Met oog voor ondernemerschap en aandacht voor een prettig woon- en leefklimaat voor onze bewoners zijn aan de hand van een aantal uitgangspunten vier ambities bepaald waarmee Rotterdam invulling geeft aan de visie op horeca voor de komende jaren.

De Horecanota 2017-2021 geeft invulling aan de visie van Rotterdam ten aanzien van de horeca voor de komende vijf jaar. De horecanota staat niet op zichzelf. Het is een kader dat samen met andere gemeentelijke kaders en visies moet zorgen voor het behoud en de verdere ontwikkeling van Rotterdam als aantrekkelijke stad om in te wonen, te werken en te verblijven. Op basis van de visie en aan de hand van onderstaande uitgangspunten realiseert Rotterdam de ambities van balans in de wijk, een veerkrachtige binnenstad, verantwoord ondernemerschap en de stad als laboratorium.

  • Rotterdam bruist!;
  • de wijk is het uitgangspunt bij het bepalen van de mogelijkheden en onmogelijkheden;
  • bewoners en ondernemers hebben inspraak en nemen gezamenlijk verantwoordelijkheid;
  • ruimte voor innovatie en experimenten ter bevordering van het ondernemerschap en woon- en leefgenot;
  • minder regels, minder lasten en een vereenvoudigd vergunningenstelsel;
  • uitgaan van vertrouwen en sturen op naleving (high trust);
  • wanneer regels en afspraken worden geschonden, dan wordt stevig opgetreden (high penalty).

Uiteenzetting horecastelsel (vergunningen)

In de Horecanota is aangegeven wat in Rotterdam verstaan wordt onder horeca en voor welke vormen een exploitatievergunning noodzakelijk is. Ook wordt een toelichting gegeven op bijzondere vormen van (tijdelijke) horeca en de andere zaken die bij het starten en/of overnemen van een horeca-inrichting komen kijken.

Gebiedsgericht werken

Een belangrijk, zo niet het belangrijkste onderdeel van de Horecanota is gebiedsgericht werken; kennis uit de wijk is bepalend voor wat kan en wat niet. Deze werkwijze, waarbij maatwerk en flexibiliteit centraal staan, heeft in de afgelopen jaren reeds z’n vruchten afgeworpen op het gebied van horeca. Door per wijk of buurt een duidelijke visie en/of ambitie te hebben en daaraan vestigingsvoorwaarden te stellen, kunnen bekende en nog onbekende horeca-ontwikkelingen worden beoordeeld en gerealiseerd. Het horecagebiedsplan biedt het kader hiervoor.

Plangebied

Met voorgenomen ontwikkeling is, in beperkte mate, voorzien in de ontwikkeling van commerciële voorzieningen. De precieze invulling van deze voorzieningen is nog niet duidelijk maar naar alle waarschijnlijkheid zal zich ook horeca in het gebied vestigen. Dit draagt bij aan de ambitie om het plangebied te transformeren naar een levendige stadswijk met ruimte voor meerdere functies. De aard en omvang van de horeca zal aansluiten bij de omgeving. In dit stadium is nog geen uitspraak te doen over eventueel benodigde vergunningen voor wat betreft de horeca. Hier zal, indien noodzakelijk, later in het proces aandacht aan besteed worden als duidelijk is wat voor type horeca zich zal vestigen in het plangebied. In dit bestemmingsplan is vastgelegd dat het gaat om horeca tot en met categorie 1b uit de Staat van horeca-activiteiten behorende bij de regels.

2.3.8 Beleidsnota Archeologie 2008-2011, Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), Erfgoedverordening Rotterdam 2020

Vastgesteld op 17 juli 2008 door de Rotterdamse gemeenteraad, vastgesteld op 31 januari 2006 en vastgesteld op 29 september 2009 door de Burgemeester en Wethouders van Rotterdam, vastgesteld januari 2021 door de Rotterdamse gemeenteraad

In 1992 hebben de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen te Valletta (Malta) het Europese Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed ondertekend. Met het Verdrag van Malta is het streven vastgelegd naar onder meer:
- het behoud van het archeologisch bodemarchief ter plaatse (in situ);
- het documenteren van het archeologisch bodemarchief, indien behoud niet mogelijk blijkt;
- het vroegtijdig en volwaardig betrekken van de archeologie bij ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening;
- het verbreden van het draagvlak voor de archeologie;
- het toepassen van het beginsel 'de verstoorder betaalt'.
De afspraken van Malta zijn verwerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg, die op 1 september 2007 in werking is getreden. Het zwaartepunt van het archeologiebeleid is bij gemeenten komen te liggen. In een bestemmingsplan moet een gemeente aangeven welke archeologische waarden mogelijkerwijs aan de orde zijn.

Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van het Rotterdamse archeologiebeleid is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam heeft een vastgestelde Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), een vastgestelde Beleidsnota Archeologie 2008-2011 en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de vastgestelde Erfgoedverordening Rotterdam 2020. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen.

2.3.9 Rotterdamse Erfgoedagenda en Erfgoedverordening Rotterdam 2020

Vastgesteld 16 mei 2023 en vastgesteld januari 2021 door de Rotterdamse gemeenteraad

Rotterdam heeft een inmiddels volwassen monumententraditie. Er is sprake van een toenemend historisch bewustzijn in de stad. De karakteristieke vermenging van tijdlagen en de daarbij horende afwisseling van oud en nieuw zorgt voor een belangrijke en onderscheidende identiteit van het stadsbeeld.

In de Rotterdamse Erfgoedagenda wordt de visie op het Rotterdams gebouwde erfgoed en de hieruit voortvloeiende ambities beschreven. Rotterdam verbindt de zorg voor behoud van het gebouwd erfgoed met de hedendaagse opgaven van de stad. Ingezet wordt op bescherming, behoud en hergebruik, en instandhouding van erfgoed. Steeds vaker wordt cultuurhistorie gekozen als uitgangspunt voor (gebieds-)ontwikkelingen, waardoor de historische gelaagdheid van de stad behouden blijft voor toekomstige generaties. Het wettelijke instrumentarium hiervoor is de Erfgoedverordening Rotterdam 2020. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van het planologisch instrumentarium.

2.3.10 Nieuw Kwaliteitsbeleid Wonen (2021)

In het Nieuw Kwaliteitsbeleid Wonen staat dat minimale woninggrootte waaraan moet worden voldaan afhankelijk is van het woonmilieu waar de locatie is gelegen, van het type woning dat wordt gebouwd en van de vraag of het binnen de invloedssfeer van een ov-knooppunt is gelegen. Brainpark wordt in de Woonvisie en in het kwaliteitsbeleid aangemerkt als een luxe groen-stedelijk woonmilieu. Gezien de ontwikkelingen die hier gaan plaats vinden zal het woonmilieu veel meer overeen gaan komen met een creatief gemengde stadwijk. Om deze reden zal Brainpark beschouwd worden als creatief gemengde stadwijk. In de volgende Woonvisie of beleidsdocument waarin woonmilieus worden vastgelegd, zal dit worden gewijzigd.

In het Kwaliteitsbeleid Wonen staat vervolgens dat dat de invloedssfeer van een ov-knooppunt zoals de Kralingse Zoom 200 meter is. In een straal van ongeveer 200 meter rondom dit ov-knooppunt gelden andere minimale afmetingen voor de woninggroottes dan in de gebieden die verder van het ov-knooppunt afliggen.

Binnen de invloedssfeer van het ov-knooppunt gelden de volgende uitgangspunten:

  • De gemiddelde woninggrootte van een appartement is minimaal gemiddeld 50 m2 gbo met een ondergrens van 40 m2 gbo;

In het overige gebied gelden de volgende uitgangspunten:

  • De gemiddelde woninggrootte van een appartement is minimaal gemiddeld 60 m2 gbo, met een ondergrens van 50 m2 gbo;
  • De gemiddelde woninggrootte van een eengezinswoning is minimaal gemiddeld 95 m2 gbo
  • De gemiddelde woninggrootte van een beneden bovenwoning is minimaal gemiddeld 85 m2 gbo.

Om ontmoetingen te faciliteren is collectiviteit een belangrijk aspect. Hoe dit wordt ingevuld is sterk afhankelijk van bijvoorbeeld de locatie en doelgroep. Verder is flexibiliteit een belangrijk thema: gebouwen moeten toekomstbestendig zijn.

Het Kwaliteitsbeleid geeft ruimte voor afwijkende gebruiksoppervlakten indien er nabij een ov-knoop, subcentrum of binnen een hoogbouwzone wordt gebouwd, voor de doelgroep studenten, jongeren of ouderen wordt gebouwd, er extra collectieve functies worden gerealiseerd, en/of als er sprake is van een innovatief woonconcept.

Het plangebied bevindt zich binnen de invloedssfeer van het ov-knooppunt Kralingse Zoom. De appartementen die in het plangebied worden gerealiseerd voldoen aan de voorwaarden die het Kwaliteitsbeleid stelt ten aanzien van de woninggrootte in dit gebied. Daarbij is in het gebouw ook ruimte voor zowel commerciële als collectieve (maatschappelijke) voorzieningen. Hierbij kan gedacht worden aan een praktijkruimte voor bijvoorbeeld een huisarts of fysiotherapeut. Dergelijke functies passen goed bij het wooncept voor ouderen dat in de nieuwbouw een plek zal krijgen. Ook worden er gemeenschappelijke, ondersteunende ruimtes / huiskamers gemaakt voor de woningen die kleiner zijn dan 50 m2.

2.3.11 Actieplan Middenhuur (2019)

In het Actieplan Middenhuur staan de kaders waaraan ontwikkelingen in het middenhuursegment aan moeten voldoen.

Voor de woningen die in het middenhuursegment in stadswijken worden ontwikkeld gelden de volgende voorwaarden:

  • De woningen moeten minimaal gemiddeld 60 m2 gbo zijn. In het geval van innovatieve woonconcepten met veel gemeenschappelijke ruimten kan hiervan worden afgeweken.
  • Prijsgrenzen voor middeldure huurwoningen liggen tussen €764 en €1075 (prijspeil 2022);
  • De woningen dienen minimaal 15 jaar in dit prijssegment te worden geëxploiteerd;
  • De maximaal gemiddelde aanvangshuur is €1005 (prijspeil 2022).

De appartementen die worden gerealiseerd in het middeldure huursegment zullen worden afgestemd op de voorwaarden uit het Actieplan Middenhuur.

2.3.12 Actieplan Middenkoop (2021)

In het Actieplan Middenkoop staan de kaders waaraan ontwikkelingen in het middenkoopsegment aan moeten voldoen.

Voor de woningen die in het middenkoopsegment in stadswijken worden ontwikkeld gelden de volgende voorwaarden:

  • Prijsgrenzen voor middeldure koopwoningen liggen tussen € 210.000 en € 365.000 (Prijspeil 2022);
  • Bij koopwoningen geldt een zelfbewoningsplicht en een anti-speculatiebeding;
  • De woningen moeten minimaal gemiddeld 60 m2 gbo zijn.

In het plangebied worden geen middeldure koopwoningen gerealiseerd. Het programma bestaat enkel uit appartementen in het huursegment.

2.3.13 Masterplan Brainpark I

In februari 2022 is het Masterplan Brainpark I vastgesteld. In dit plan staan de kaders aangegeven voor de ontwikkelingen die plaats zullen vinden in Brainpark I.

Brainpark I is vooral bekend als een kantorenpark. Het Masterplan laat zien dat dit gebied kan veranderen tot een levendig gebied met een goede mix van woningen, bedrijven en voorzieningen zoals horeca. Het gebied biedt volop kansen door de aanwezigheid van metrostation Kralingse Zoom en Campus Woudestein.

Het is een uitstekende locatie voor de transformatie van een kantorengebied naar een gevarieerder stedelijk milieu. Er is ruimte voor het toevoegen van woningen, maatschappelijke- en dagelijkse voorzieningen, horeca en vernieuwde kantoren. Een van de belangrijkste ontwikkelingen in dit masterplan is dat er ruimte komt voor 2.500 tot misschien 3.000 woningen in verschillende categorieën; 30% sociale huur, 40% middensegment en 30% in het hogere segment. De bouw van woningen op Brainpark I moet de vraag naar stijgende woningen onder vooral studenten, starters, ouderen en een- of tweepersoonshuishoudens opvangen. Bij de vaststelling van het Masterplan heeft de gemeenteraad een motie aangenomen over het realiseren van meer studentenwoningen, waardoor het aantal woningen voor Brainpark I is bijgesteld naar maximaal 3.600 woningen.

Voor kantoren en bedrijven blijft de huidige 90.000 m2 ruimte beschikbaar. En op de begane grond van woongebouwen en kantoren komt er 45.000 m2 aan ruimte bij voor commerciële en maatschappelijke voorzieningen. Ook gaat de gemeente ervoor zorgen dat er meer natuur en water te vinden is. Het centraal gelegen park en de vijvers worden opgeknapt, en er wordt een groene esplanade aangelegd als centrale langzaam verkeersas tussen Brainpark I en metrostation Kralingse Zoom. Hier omheen komen de nieuwe woon-, werk- en verblijfsgebouwen.

Met voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in een gemengd gebied waarin plaats is voor diverse functies. In dit plan wordt een deel van de beoogde ontwikkelingen voor het gebied gerealiseerd. Zo worden er allereerst 364 nieuwe woningen in verschillende segmenten toegevoegd. Daarnaast worden verschillende commerciële en maatschappelijke functies gerealiseerd, met een omvang van circa 3.500 m2. Daarnaast is ook nog voorzien in de realisatie van auto- en fietsparkeerplaatsen in de vorm van ondergrondse parkeergarages. De voorgenomen ontwikkeling geeft dus (deels) invulling aan de ambities van het Masterplan.

De nieuwe bebouwing past binnen de ruimtelijke principes van het Masterplan. Alle milieuonderzoeken zijn gebaseerd op de situering van de bebouwing uit het Masterplan. Bij de regels is een tekening gevoegd waarop deze bebouwing is weergegeven. Die situatie is daarmee gemotiveerd.

Hoofdstuk 3 Beschrijving van het plangebied

3.1 Ontstaansgeschiedenis

Uit verschillende historische kaarten blijkt dat het plangebied tot circa 1967 in gebruik is geweest als landbouwgrond. Begin jaren '60 hebben er diverse infrastructurele ingrepen in de omgeving van het plangebied plaatsgevonden. In 1964 is de verbinding over de Nieuwe Maas, ter plaatse van de huidige van Brienenoordbrug, aangelegd en is in het verlengde hiervan de huidige A16 aangelegd. Sinds 1968 is het plangebied en Brainpark herkenbaar in de huidige vorm. Lange tijd is het gebied nog onbebouwd gebleven en pas in 1993 is gestart met de bouw van de huidige bebouwing. Sinds die tijd doet het plangebied dienst als kantorenpark.

3.2 Huidig gebruik

In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als kantorenpark. Op het perceel is momenteel bebouwing aanwezig. Naast bebouwing is de kavel voor een aanzienlijk deel ingericht ten behoeve van parkeervoorzieningen.

Groen en water

De randen van het plangebied zijn groen ingericht. Aan alle zijden staan bomen. Ten zuiden van het kantorencomplex ligt een waterplas.

In afbeelding 3.1 is een luchtfoto van de huidige situatie in het plangebied weergeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2210Fase2bBrainp-va01_0009.jpg"

Afbeelding 3.1: luchtfoto huidige situatie plangebied.

Bebouwing

In afbeelding 3.2 is het plangebied in vogelvlucht weergegeven. Deze vogelvlucht geeft de huidige situatie vanuit zuidelijke richting weer. Het plangebied is in het verleden opgehoogd en kent een maaiveldhoogte die varieert van circa 3 tot 4,5 meter + NAP. De bebouwing binnen het plangebied bestaat uit 8 bouwlagen en kent daarmee een maximale bouwhoogte van 30 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2210Fase2bBrainp-va01_0010.jpg"

Afbeelding 3.2: Vogelvlucht huidige situatie plangebied (bron: Google Earth).

Infrastructuur

Het plangebied (de voormalige Sweco-locatie) kent één in- en uitrit aan de zijde van de Max Euwelaan en één in- en uitrit aan de zijde van de P.P. van der Mandelelaan. De Max Euwelaan takt zowel in zuidelijk als noordelijk richting aan op de K.P. van der Mandelelaan. Daarmee worden alle kavels direct of indirect op deze straat ontsloten. Vanaf de K.P. van der Mandelelaan kan de weg via de Kralingse Zoom in noordelijke of zuidelijke richting worden vervolgd.

3.3 Archeologie

3.3.1 Beleidskader

Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is:

  • te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem;
  • te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is;
  • te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden.

De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke erfgoedverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld.

Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen.

3.3.2 Bewoningsgeschiedenis

Brainpark fase 2b is gelegen in het gebiedsbestemmingsplan 'Kralingse Zoom'. De bewoningsgeschiedenis van dit gebied hangt nauw samen met de landschapsontwikkeling van het kust- en rivierengebied. Aan het einde van de laatste ijstijd (rond 12.000 jaar voor Christus) ontstonden langs de toenmalige rivieren reeksen van zandlichamen; rivierduinen waarvan het zand afkomstig was van de drooggevallen en later uitgewaaide rivierbeddingen. De vaak metershoge toppen van deze rivierduinen zijn soms nog zichtbaar in het huidige landschap, als zogenaamde 'donken'.

Ongeveer 10.000 jaar geleden, aan het begin van het Holoceen, steeg de zeespiegel als gevolg van een klimaatverbetering. De rivierduinen vormden net als bewoonbare plaatsen langs rivieren en geulen aantrekkelijke plekken voor de prehistorische mens. Het gaat om jagers, verzamelaars en vissers uit de Midden-Steentijd, gevolgd door de eerste, beginnende boerengemeenschappen vanaf circa 5000 voor Christus uit de Nieuwe Steentijd.

In het derde millennium voor Christus ontstond een meer gesloten kust met strandwallen. Het landschap erachter verzoette, er ontstonden moerassen waarin veen werd gevormd. De beginnende veenvorming zette zich ook in de Bronstijd (2100-800 voor Christus) onverminderd voort. De bewoningsmogelijkheden voor de mens werden hierdoor tijdelijk zeer beperkt. De (randen van de) veengebieden in de wijdere omgeving van het plangebied werden pas weer bewoond vanaf late IJzertijd en de Romeinse tijd. Het gebied wordt in de middeleeuwen ontgonnen vanaf de 10e-12e eeuw. Er komt een strookvormige verkaveling met boerderijen gegroepeerd in bewoningslinten. Door het plangebied loopt een ontginningsgrens uit deze periode, namelijk de huidige 's-Gravenweg, met kans op bewoningsresten vanaf de 12e-13e eeuw. Als gevolg van overstromingen in de 12e eeuw gingen grote delen van de ontginningen weer ten onder. Ze werden afgedekt met een kleilaag. In het plangebied reikte deze kleilaag tot ten noorden van de huidige 's-Gravenweg.Het niet met klei bedekte deel van het plangebied ten noorden van de Ringvaart werd in de 18e-19e vergraven voor de winning van turf. Na de drooglegging van de ontstane plassen kwamen hier de oude, prehistorische landschappen aan of direct onder het oppervlak te liggen. In de 19e eeuw is een deel van de bewoning van het dorp Kralingen naar het bewoningslint langs de huidige 's-Gravenweg verplaatst.

Brainpark I is in de moderne tijd opgehoogd, waardoor het plangebied op enkele meters boven NAP is komen te liggen.

3.3.3 Archeologische verwachting

Gelet op het voorgaande kunnen op verschillende plaatsen in het plangebied archeologisch waardevolle relicten worden aangetroffen uit het de Midden-Steentijd (8000-5300 voor Christus), het begin van de Nieuwe Steentijd (5300-2000 voor Christus), de IJzertijd, de Romeinse tijd en de Late Middeleeuwen.

Voor het plangebied geldt specifiek dat het is gelegen binnen een wat hoger gelegen gebied, waardoor de vrijstellingsmarge voor wat betreft de diepte wat ruimer kan zijn.

In het vigerende bestemmingsplan 'Kralingse Zoom' kent het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2. Binnen deze dubbelbestemming geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden dieper dan 2,0 meter beneden NAP, die tevens een oppervlakte groter dan 200 m2 beslaan.

Voor voorgenomen ontwikkeling is nog niet helemaal uitgekristalliseerd hoe de fundering en het palenplan eruit komen te zien. Inzicht hierin is noodzakelijk om te kunnen bepalen of archeologisch onderzoek noodzakelijk is of niet. In afwachting daarvan is de vigerende archeologische dubbelbestemming overgenomen en worden eventuele archeologische resten niet geschaad.

3.4 Stadsgezichten en Monumenten

3.4.1 Beleidskader

De gemeente Rotterdam kent een groot aantal panden en gebieden die vanwege cultuurhistorische waarden worden beschermd. Voor de bescherming wordt gebruik gemaakt van bestaand instrumentarium – Erfgoedwet (2016) en Erfgoedverordening Rotterdam 2020. Daarnaast krijgen rijks beschermde stadsgezichten, wederopbouwaandachtsgebieden en beeldbepalende panden op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan de dubbelbestemming “Waarde – Cultuurhistorie”.

Rijksmonumenten (RM) en Gemeentelijke monumenten (GM)

Een monument kan een gebouw, water, terrein of een ander object zijn dat van nationaal belang is (rijksmonument), of dat van algemeen belang is voor Rotterdam (gemeentelijk monument). Monumenten zijn van belang vanwege de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap en architectuur of de cultuurhistorische waarde. Dit is voor rijksmonumenten vastgelegd in de Erfgoedwet en voor gemeentelijke monumenten in de Erfgoedverordening 2020. Bij een monument gaat het om één gebouw of complex, zowel van buiten als binnen. Als vanzelfsprekend is het verboden om wijzigingen aan te brengen aan een beschermd monument zonder vergunning. Er bestaat ook nog een categorie 'toekomstige gemeentelijke monumenten'. Toekomstige gemeentelijke wachten op aanwijzing tot 'definitief' gemeentelijk monument.

Beschermde stadsgezichten (BS)

Rotterdam kent door haar stedelijke omgeving alleen beschermde stadsgezichten. Een beschermd stadsgezicht is een groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens schoonheid, onderlinge ruimtelijke structurele samenhang of wetenschappelijke waarde. De bescherming richt zich op de stedenbouwkundige karakteristiek en op een samenhangend geheel van straten en bebouwing. Het gaat om gebieden van voor 1945. Na aanwijzing van een beschermd stadsgezicht dient er binnen twee jaar een bestemmingsplan beschikbaar te zijn waarin de historische kwaliteiten en de relatie tot eventuele toekomstige ontwikkelingen vastliggen.

Wederopbouwaandachtsgebieden

Naast de van rijkswege beschermde stadsgezichten kent Rotterdam twee wederopbouwaandachtsgebieden van nationaal belang. Verder heeft de gemeente in de binnenstad een aantal wederopbouwaandachtsgebieden met een waardevolle samenhang tussen het stratenplan, de invulling van de bouwblokken en de architectuur. Bij nieuwe ontwikkelingen dient bekeken te worden hoe deze historische kwaliteiten kunnen worden behouden. Betreffende gebieden hebben geen wettelijke bescherming.

Beeldbepalende objecten (BO)

In Rotterdam is een groot aantal gebouwen te vinden die geen status hebben als monument, maar wel cultuurhistorisch waardevol zijn, zogenaamde beeldbepalende objecten. Voor deze panden geldt geen wettelijke bescherming, maar de gemeente zet zich wel in om de waarden van deze panden te behouden.

3.4.2 Plangebied

In opdracht van Bureau monumenten en cultuurhistorie van Stadsontwikkeling gemeente Rotterdam is in 2021 een cultuurhistorische verkenning Kralingen-Oost uitgevoerd. Dit is een deelonderzoek van de cultuurhistorische verkenning van heel Kralingen (met uitzondering van het beschermd stadsgezicht). Het document is door het college van B&W op 30 mei 2023 vastgesteld.

Het plangebied van dit bestemmingsplan ligt niet binnen beschermd stadsgezicht. Uit de waarderingskaarten in de cultuurhistorische verkenning blijkt dat in het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle structuren, Rijks- of gemeentelijke monumenten en/of beeldbepalende objecten en ensembles aanwezig zijn.

Wel gaat de cultuurhistorische verkenning beknopt in op de stedenbouwkundige en architectonische kenmerken van Brainpark. Daarbij komt naar voren dat voor Brainpark 1 (waar het plangebied onderdeel van uitmaakt) de opzet van compacte bedrijfsgebouwen om een centrale groenaanleg met voetgangersbruggen over vijvers en wandelroutes langs watersculpturen bepalend is. Als algemene aanbeveling stelt de verkenning dan ook om het groene raamwerk van parkways en bufferzones dat de dragende structuur voor Kralingen-Oost vormt, en waar ook de groene en waterrijke opzet van Brainpark op voortborduurt, te respecteren. Het Masterplan Brainpark I onderschrijft het groene karakter van Brainpark en speelt hierop in, onder meer door versterking van het centraal gelegen park. Het stedenbouwkundig plan (paragraaf 4.3) dat op basis van het Masterplan is uitgewerkt is dan ook zo opgezet dat de nieuwe bebouwing wordt verweven door een groene en parkachtige openbare ruimte.

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

4.1 Inleiding

Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de transformatie van het noordwestelijk deel van Brainpark I. Het kantoorpand die hier momenteel aanwezig is, maakt plaats voor een gemengd programma met ruimte voor woningen en commerciële en maatschappelijke voorzieningen. De plannen worden in dit hoofdstuk verder uiteengezet.

4.2 Opzet van het plan

Het plan is een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan dat de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk maakt. Het plan betreft een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Dit plantype is noodzakelijk omdat het plangebied ligt binnen de geluidzones van de Kralingse Zoom en de A16. Om woningen te kunnen bouwen is, vanwege de geluidsbelasting vanaf de A16, afscherming nodig. De wens bestaat om hiervoor te zorgen middels afschermende nieuwe bebouwing tegen de A16 aan. Door de initiatiefnemer van het Max Euwekwartier zijn op dit punt afspraken gemaakt met de grondeigenaren van de percelen grenzend aan de A16. Het zal echter nog meerdere jaren duren voordat dit daadwerkelijk is gerealiseerd. In die periode zal sprake zijn van (te) hoge geluidbelastingen op de gevels van de nieuw te bouwen woningen. Om deze tijdelijke situatie te borgen wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de Crisis- en herstelwet op dit punt biedt.

Onder de Crisis- en herstelwet wordt het plangebied aangewezen als ontwikkelgebied. In voorliggende situatie is het dan onder voorwaarden mogelijk om tijdelijk, voor een maximum van 10 jaar, hogere geluidbelastingen toe te staan. Onder de huidige Wet geluidhinder mogen de geluidbelastingen die optreden ter plaatse van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen de geluidzone van een rijksweg ten hoogste 53 dB Lden bedragen inclusief reductie art 110g Wgh (= maximaal te ontheffen waarde). Bij een hogere geluidbelasting kunnen onder het huidige regime geen geluidgevoelige bestemmingen gerealiseerd worden.

Door gebruik te maken van de mogelijkheden in de Crisis- en herstelwet wordt een tijdelijk te hoge geluidbelasting voor een maximale duur van 10 jaar niet gezien als overschrijding van de maximaal te ontheffen waarde en kunnen woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen wel gerealiseerd worden.

Een aanvullende voorwaarde is dat de te toetsen waarde van de geluidbelasting tijdelijk mag afwijken maar voor het woon- en leefklimaat doet de tijdelijk hogere geluidbelasting niets af aan de te realiseren kwaliteit van de woningen: Binnen de verblijfruimten en -gebieden in de woningen dient het akoestisch klimaat te allen tijde op nieuwbouwniveau (Bouwbesluit) gebracht te worden. Anders gezegd: de geluidwerende kwaliteit van de gevels en de bij de woningen behorende buitenruimten (eventueel in combinatie met afschermende gebouwgebonden maatregelen) wordt bepaald op basis van hoogste geluidbelasting, ook al is dit een tijdelijke situatie.

Om gebruik te maken van de Crisis- en herstelwet dient het aannemelijk gemaakt te worden dat de geluidbelastingen binnen de gestelde 10 jaar ook daadwerkelijk zullen afnemen tot op een acceptabel niveau (voor nu: de Wet geluidhinder, maximaal te ontheffen waarde maar later Omgevingswet en grenswaarden). Als de geluidbelastingen afgenomen zijn binnen de periode dat de Crisis- en herstelwet is, zullen de woningen dus een betere geluidwerende gevel ervaren dan strikt noodzakelijk conform Bouwbesluit, kortom er dringt dan minder omgevingsgeluid de woningen binnen.

Tenslotte dient nog vermeld te worden dat op basis van het beoogde plan ondanks de tijdelijk (te) hoge toetswaarde van de geluidbelastingen ten gevolge van de rijksweg, er te allen tijde op woningniveau voldaan wordt aan de aanvullend gestelde eisen in het geluidbeleid van de gemeente Rotterdam. Hiertoe horen de aanwezigheid van geluidluwe gevels (i.v.m. geluidluw spuien). Door optimaal gebruik te maken van ontwerpmogelijkheden waarbij dichte balustrades, of geheel afgeschermde buitenruimtes gerealiseerd worden, wordt ondanks de hoge geluidbelastingen (tijdens periode Crisis- en herstelwet), voldaan aan het geluidbeleid. De periode erna, wanneer de geluidbelastingen daadwerkelijk afgenomen zijn, ervaren de bewoners meer geluidluwe locaties in en om de woningen.

De hierboven omschreven planvorm heeft geen directe gevolgen voor de juridische regeling van het bestemmingsplan.

4.3 Ontwikkelingen

Programma

Met voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in een gemengd gebied waarin plaats is voor diverse functies. In het voorliggende plangebied is het volgende programma beoogd:

  • 40 woningen van gemiddeld ca 30 m² GO
  • 47 woningen tussen de 40 en 50 m² GO
  • 21 woningen tussen de 50 en 60 m² GO
  • 231 woningen tussen de 60 en 75 m² GO
  • 2 woningen van ca 68 m² GO
  • 23 woningen groter dan 85 m² GO
  • Commerciële en maatschappelijke voorzieningen en/of horeca met een omvang van circa 1.500 m2 bvo;
  • Kantoren met een omvang van circa 2.000 m2 bvo.

Het woningprogramma bestaat voor circa 41,5% uit middenhuur en 58,5% uit het hogere segment. Sociale huurwoningen worden niet gerealiseerd in fase 2b, deze krijgen een plaats in fase 2a van het Max Euwekwartier. In het bijzonder wordt het programma ingevuld met woningen voor senioren (55+), met zorg en voorzieningen binnen handbereik om een aangename woon- en leefomgeving voor ouderen te creëren.

Daarnaast voorziet het plan in (ondersteunende) commerciële en maatschappelijke voorzieningen, horeca en kantoren tot een totale oppervlakte van 3500 m2. Meer specifiek kan hierbij gedacht worden aan functies zoals een praktijkruimte voor bijvoorbeeld een huisarts of fysiotherapeut, fitness, een zwembad en restaurant voor bewoners. Ook worden er gemeenschappelijke, ondersteunende ruimtes / huiskamers gemaakt voor de woningen die kleiner zijn dan 50 m2 (in lijn met het kwaliteitsbeleid).

Naast deze gebruiksfuncties is voorzien in de realisatie van auto- en fietsparkeerplaatsen in de vorm van ondergrondse parkeergarages.

Verder is aan de westkant van het plangebied ruimte gereserveerd voor een esplanade. Deze centrale as ter plaatse van en evenwijdig aan de Max Euwelaan zal de belangrijkste langzaam verkeersverbinding vormen tussen Brainpark I en het metrostation Kralingse Zoom. De esplanade loopt van het metrostation aan de noordkant tot aan de parkzone in het zuiden, en vormt een belangrijk element in de ruimtelijke structuur van het hele gebied (Brainpark I). De esplanade wordt ingericht als aantrekkelijke en groene 'shared space' voor fietsers en voetgangers, waaraan de verschillende programma's, openbare plekken en nevenroutes worden opgehangen.

Stedenbouwkundige opzet en bebouwing

Afbeelding 4.1 toont de (schematische) plattegrond van de toekomstige situatie van het plangebied, zoals die ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan is voorzien. Ten noorden van het plangebied worden nog eens twee gebouwen gerealiseerd (fase 2a). Fase 2a behoort niet tot dit plangebied, maar houdt in het ontwerp wel rekening met deze fase.

Het plan voor fase 2b bestaat uit drie gebouwen. Aan de oostkant is een langwerpig gebouw voorzien met een maximale hoogte van 55 meter. Dit is het hoogste bouwvolume en dient daarmee tevens als afscherming voor het geluid van de A16. Ten westen daarvan vormen twee met elkaar verbonden bouwvolumes een L-vormig gebouw. Het meest noordelijke bouwvolume heeft een maximale hoogte van 27 meter en het meest zuidelijke bouwvolume een maximale hoogte van 21 meter. Het zuidelijke gebouw aan de zijde van de parkzone is samengesteld uit een vierkant bouwvolume van maximaal 22 meter hoog, en westelijke daarvan een ander vierkant bouwvolume van maximaal 26 meter hoog.

Onder het maaiveld van het gebied wordt een gezamenlijke parkeergarage gerealiseerd waar bovenop de openbare ruimte is voorzien. De bebouwing wordt met elkaar verweven door een groene en parkachtige openbare ruimte. In de plint zitten verschillende, ook commerciële, functies. Hierdoor ontstaat een actieve plint en ontstaat contact met de aangrenzende openbare ruimte.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2210Fase2bBrainp-va01_0011.png"

Afbeelding 4.1: Schematische plattegrond toekomstige situatie

Verkeer en parkeren

Ontsluiting

Het autoverkeer van deze fase wordt in de toekomstige situatie aan de oostelijke zijde via de K.P. van der Mandelelaan ontsloten. De verkeersstructuur in het Brainpark wordt op grotere schaal herzien. De K.P. van der Mandelelaan zal anders worden vormgegeven. In noordelijke en zuidelijke richting kan het verkeer in ieder geval zijn weg vervolgen en wordt aansluiting gezocht op de Kralingse Zoom. In afbeelding 4.2 is de toekomstige verkeerstructuur in het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2210Fase2bBrainp-va01_0012.png"

Afbeelding 4.2: Impressie toekomstige ontsluiting (bron: Group A)

Parkeren

Binnen het plangebied wordt onder de bebouwing, volledig verdiept, een parkeergarage gerealiseerd. In deze garage is ruimte gereserveerd voor auto- en fietsparkeerplaatsen.

4.4 Juridische planbeschrijving

4.4.1 Inleiding

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld conform de gemeentelijke standaard, met inachtneming van de bepalingen die zijn opgenomen in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro), zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012) en het coderingssysteem Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO).

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de regels en verbeelding van voorliggend plan zijn opgebouwd.

4.4.2 Bestemmingsmethodiek

Voorliggend bestemmingsplan is een globaal en ontwikkelgericht bestemmingsplan. In het begin van dit hoofdstuk is de ontwikkeling uiteengezet en zijn de hoofdlijnen duidelijk gemaakt. Omdat de massa en situering van de bebouwing nog kan schuiven, is gekozen voor een globale systematiek. Deze globale systematiek is echter niet vrijblijvend omdat gebruik gemaakt wordt van een constructie waarbij wijzigingen in de massa en situering leiden tot een onderzoeksplicht. Wanneer wordt afgeweken van de massa en situering waarop de uitgevoerde onderzoeken gebaseerd zijn, kan dat alleen als wordt voldaan aan de geldende wet- en regelgeving en de relevante milieu- en omgevingsaspecten (zoals geluid). Hiermee is de uitvoerbaarheid van het plan geborgd.

4.4.3 Regels

De regels bestaan uit vier hoofdstukken:

  • Inleidende regels (hoofdstuk 1)
  • Bestemmingsregels (hoofdstuk 2)
  • Algemene regels (hoofdstuk 3)
  • Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4)

Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende artikelen.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard, dat wordt gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "Wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Hierna volgt een toelichting per artikel.

Gemengd - 1

Het gehele plangebied heeft de bestemming 'Gemengd - 1' gekregen. Deze bestemming is globaal ingericht zodat bij wijzigingen ten opzichte van het plan zoals dat nu bekend is het bouwplan niet gelijk in strijd is met het bestemmingsplan. Het grootste gedeelte van de gronden heeft een bouwvlak gekregen. Binnen de bestemming zijn de voorgenomen functies zoals woningen, maatschappelijke en commerciële voorzieningen en horeca toegestaan. Het programma is nader gespecificeerd en gemaximaliseerd in de gebruiksregels.

Voor de toekomstige bebouwing zijn geen specifieke bouwvlakken en -hoogten opgenomen. De verbeelding is globaal van aard. Binnen het ruime bouwvlak mag in principe overal worden gebouwd. Echter, alle milieuonderzoeken zijn gebaseerd op de situering van de bebouwing uit het stedenbouwkundig plan. De aanvaardbaarheid van die situering van bebouwing is daarmee gemotiveerd. In de bouwregels is dan ook bepaald dat gebouwen alleen rechtstreeks zijn toegestaan als wordt voldaan aan de situering en hoogte zoals verbeeld in de als bijlage opgenomen plankaart. Indien bij de uiteindelijke bouwaanvraag blijkt dat toch op een andere situering en hoogte wordt ingezet, regelt een specifieke bepaling in de regels dat burgemeester en wethouders daarvan kunnen afwijken mits wordt voldaan aan de geldende wet- en regelgeving en enkele milieu- en omgevingsaspecten.

Waarde – Archeologie 2

In het gehele plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen. Deze bestemming beschermt eventueel aanwezige archeologische resten.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

In hoofdstuk 3 worden enkele algemene regels gegeven, zoals de anti-dubbeltelregel. Ook worden algemene gebruiksregels gegeven. Daarnaast worden enkele algemene afwijkings- en wijzigingsregels gegeven die de flexibiliteit van het plan vergroten.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd.

In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

4.4.4 Geometrische plaatsbepaling / verbeelding

Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BTG-ondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor onder meer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar.

De gegevens zijn digitaal raadpleegbaar. Via de digitale portal waarop het plan wordt gepubliceerd kan, door te klikken op een bepaalde locatie, de bijbehorende bestemmingsregeling worden opgeroepen.

Hoofdstuk 5 Water

5.1 Beleidskader

5.1.1 Europees en rijksbeleid

Kaderrichtlijn water

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is op 22 december 2000 officieel van kracht geworden. De richtlijn heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie en kwelgebieden). De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater.

Waterwet

De Waterwet is op 22 december 2009 in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering' centraal. De verantwoordelijkheden in het grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein.

Nationaal Waterplan

Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld.

Nationaal Bestuursakkoord Water

In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.

In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten.

Waterbeheer 21e eeuw (WB21)

In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.

Watertoets

Omdat het aspect water in ruimtelijke plannen een mede ordenend principe is, is de watertoets geïntroduceerd. Deze watertoets is verplicht gesteld in november 2003 voor ruimtelijke plannen. De watertoets is een procedure waarbij de initiatiefnemer in overleg met de waterbeheerders de waterhuishouding van een te ontwikkelen gebied inricht. Belangrijkste inhoudelijke doel van de watertoets is dat initiatiefnemers ‘waterneutraal’ bouwen. Dit betekent voor het waterkwantiteitsaspect dat niet meer water wordt afgevoerd uit het plangebied dan in de situatie voor de ruimtelijke ingreep. Voor de waterkwaliteit betekent dit in ieder geval dat de waterkwaliteit in en om het gebied niet mag verslechteren. Bovendien mogen plannen de grondwatersituatie buiten het plangebied niet negatief beïnvloeden.

5.1.2 Provinciaal beleid

Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022 - 2027

De Omgevingswet bepaalt dat de provincie een regionaal waterprogramma vaststelt. Daarin moet in ieder geval staan wat de provincie doet om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen die betrekking hebben op water (verplichte onderdelen). Naast deze verplichte onderdelen bevat het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 ook niet-verplichte onderwerpen, zoals zoetwatervoorziening, wateroverlast, vaarwegbeheer en waterrecreatie. Hiermee laat provincie Zuid-Holland zien hoe ze samen met haar partners werkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland.

Het regionaal waterprogramma is zelfbindend. Dat betekent dat alleen Gedeputeerde Staten eraan gebonden zijn. Toch heeft het regionaal waterprogramma ook gevolgen voor andere overheden. Die zijn wettelijk verplicht rekening te houden met de verplichte onderdelen van het regionaal waterprogramma. De binding van andere overheden aan de niet-verplichte onderdelen is waar nodig geregeld via de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Omgevingsverordening Zuid-Holland

In de omgevingsverordening Zuid-Holland is onder andere vastgelegd dat, voor bebouwing in de bebouwde kom, de norm voor de gemiddelde overstromingskans maximaal 1 keer per 100 jaar is. Deze norm is van toepassing vanuit het oogpunt van berging en afvoer van regionale wateren. In de omgevingsverordening staan verder normen opgenomen voor regionale waterkeringen en zijn regels opgenomen ten aanzien van grote grondwateronttrekkingen.

5.1.3 Beleid waterbeheerder

Waterbeheerprogramma 2022-2027

In dit programma beschrijft het hoogheemraadschap zijn visie en ambities voor het waterbeheer. Naast de wettelijke taken heeft het hoogheemraadschap voor de periode 2022-2027 ook specifieke ambities en doelen. Deze worden in aan de hand van de volgende drie thema’s uiteengezet:

  • 1. Een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat. Door de omgeving aan te passen aan het veranderende klimaat blijft het mogelijk om de taken in de toekomst goed uit te voeren. Het vasthouden van regenwater kan helpen verdroging te bestrijden, de waterkwaliteit te verbeteren en wateroverlast te voorkomen. Waar nodig zullen ook dijken versterkt moeten worden.
  • 2. Een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen. Het hoogheemraadschap wil de eigen bijdrage aan klimaatverandering verkleinen en het hergebruik van grondstoffen vergroten. In samenwerking met andere partijen wil het hoogheemraadschap ook een bijdrage leveren aan de verbetering van de waterkwaliteit en de vergroting van de biodiversiteit.
  • 3. Water en waterschap als onderdeel van de samenleving. Het hoogheemraadschap staat in dienst van de gebruikers en wil vanuit die verbondenheid samen aan de wateruitdagingen werken. Tevens wil zij graag het waterbewustzijn vergroten en het versterken van participatie. Digitalisering en innovatie speelt daarbij een steeds belangrijkere rol.

Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen

In de nota "Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen" (Nota waterkwantiteitsbeheer, vastgesteld op 26 juni 2007 en aangevuld op 7 september 2007) is het beleid geformuleerd over de waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen. Samenvattend betekent het beleid het volgende:

  • 1. aan ontwikkelingen die resulteren in een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m2 worden geen waterbergingseisen gesteld;
  • 2. bij de overige ontwikkelingen wordt aan de hand van de eigenschappen van het gebied vastgesteld hoeveel aanvullende waterberging benodigd is.
5.1.4 Gemeente Rotterdam

Waterplan 2 Rotterdam

De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan 2 Rotterdam vastgesteld.

Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen:

  • Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk;
  • Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig;
  • Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen.

Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma.

5.2 Samenwerking met de waterbeheerder

De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders. De beheerder van het oppervlaktewater in het Max Euwe Kwartier is het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard

De gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden.

5.3 Huidige watersysteem

In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door SmitsRinsma een wateradvies opgesteld voor fase 2b, zie bijlage 2. Hieronder zijn de belangrijkste bevindingen uiteengezet.

5.3.1 Oppervlaktewater

Een groot deel van het plangebied ligt in één peilgebied. Dit peilgebied heeft een oppervlaktewaterpeil van NAP +2,75 m. Het gedeelte Brainpark I is relatief hooggelegen en ligt in het peilgebied GPG-1278. Het oppervlaktewater t.p.v. fase 2 staat d.m.v. een ‘singelverbinding’ in contact met de overige waterpartijen op het Brainpark.

5.3.2 Grondwater

Voor grondwater zijn er verschillende peilbuizen in de directe omgeving en in het plangebied aanwezig. In het Brainpark I gebied is er conform DINOloket één peilbuis aanwezig met een gemiddelde ontwateringsdiepte groter dan de vereiste 0,80 m.

Uit recent bodemonderzoek zijn in diverse peilbuizen rondom het plangebied metingen verricht. Hieruit kwamen momentopnames naar voren van de grondwaterstanden tussen de 1,25 m en 2,70 m onder maaiveld. Echter zijn de maaiveldhoogten onbekend van deze peilbuizen. Kijkende naar de AHN3 gegevens en de locaties van de peilbuizen is te concluderen dat het grondwaterpeil op ca. NAP 2,05 m zit. Waarbij peilbuisnummer 21 substantieel lager zit, op ca. NAP 0,80 m, wat echter goed te verklaren is door het sterk dalende maaiveld.

Gebaseerd op het huidige maaiveld is er sprake van lokaal een gemiddelde drooglegging van ca. 1,50 m.

5.3.3 Waterkering

In het plangebied bevinden zich geen primaire of regionale waterkeringen.

Het plangebied ligt geheel binnendijks, binnen de primaire waterkeringen van dijkring 14 (Zuid-Holland). Deze dijkring heeft een overschrijdingskans van 1 op 10.000 jaar.

De gevolgen van een overstroming binnendijks zijn afhankelijk van meerdere aspecten, zoals de locatie waar de overstroming plaatsvindt, de afstand tot de waterkering en de maaiveldhoogtes in het gebied. Om een indicatie van de risico’s te krijgen heeft de provincie Zuid-Holland voor de gehele provincie berekend welke gebieden in de huidige situatie bij een doorbraak van de primaire kering onder water lopen en indicatief welke overstromingsdiepte er op de kwetsbare locaties bereikt kan worden.

5.3.4 Riolering

In het plangebied ligt momenteel een gemengd rioolstelsel. Dit betekent dat het hemelwater en het afvalwater niet afzonderlijk van elkaar worden afgevoerd. Dit stelsel is echter aangesloten op het gemengde stelsel van de gemeente. In het gebied is één overstort aanwezig in de direct omgeving ter hoogte van het kantoor van Sweco.

Ook bevindt er zich een vuilwatergemaal in het gebied op de kruising Max Euwelaan – K.P. van der Mandelelaan. Dit vuilwatergemaal is gekoppeld aan het gemengd rioolstelsel welke in de Max Euwelaan en K.P. van der Mandelelaan ligt. Het gemaal dient om de bovendrempelberging van het gebied Brainwave te benutten.

Ten noorden van het plangebied is een schoonwatergemaal gesitueerd. Dit gemaal heeft een tweetal functies, namelijk het voorzien van een wateraanvoer voor het kunstwerk ‘Sjatoodoo’ en het heeft de functie als ‘singelwateraanvoer’ voor de waterpartijen op het Brainpark en de waterpartij naast de Abram van Rijckevorselweg achter de huisnummers K.P. van der Mandelelaan 90/100.

De overstort van het gemengde riool overstort op het oppervlaktewater direct ten zuiden van fase 2b.

5.4 De wateropgave

Het plangebied is gelegen tussen de K.P. van der Mandelelaan en de Max Euwelaan (fase 2b). In deze fase wordt het bestaande kantoorgebouw gesloopt en vervangen door drie nieuwe gebouwen, waaronder ook een parkeergarage is voorzien. Voor het overgrote deel wordt het kavel daarmee verhard oppervlak, echter wordt er wel getracht het gebied een groene uitstraling te geven door de toekomstige inrichting.

5.4.1 Oppervlaktewater en waterberging

Het oppervlaktewater t.p.v. fase 2b wordt uitgebreid in de toekomstige situatie, hiermee wordt het totale oppervlak aan oppervlaktewater groter.

In het toekomstige ontwerp van de openbare ruimte wordt er ook rekening gehouden met nieuw oppervlaktewater rondom de overige kavels. Het is echter nog onbekend op welke wijze dit wordt vormgegeven.

Met de nieuwe ontwikkeling ontstaat er een toename van het verhard oppervlak. Volgens de huidige situatietekening neemt het verhard oppervlak toe met 1.574 m2. Hiervoor zal minstens 79 m³ waterberging gerealiseerd moeten worden. Deze dient binnen 50 uur na de neerslaggebeurtenis weer volledig beschikbaar te zijn. Bij leegloop van de berging mag maximaal 2 mm per uur worden geloosd op de gemeentelijke riolering. Voor het Hoogheemraadschap zal dit in overleg bepaald moeten worden. Tegelijkertijd wordt getracht het gebied een groene uitstraling te geven.

Compensatie voor de toename aan verhard en bebouwd oppervlak, wordt gezocht op eigen terrein. De mogelijkheid bestaat om verder uit te wijken naar het graven van oppervlaktewater in het toekomstige openbaar gebied in het peilgebied GPG-1278. Daarnaast kunnen de daken worden voorzien van een zogenaamd blauw- of groendak wat voor waterberging en vertraagde afvoer zorgt.

5.4.2 Grondwater

Op de beide kavels wordt er een parkeergarage gerealiseerd met een bodempeil van ca. 4,00 m onder huidig maaiveld.

Er is tot op heden geen onderzoek verricht op wat de invloed zal zijn van de parkeergarages op de grondwaterstromingen. Dit dient in een vervolgfase nader te worden uitgezocht.

5.4.3 Waterkering en waterveiligheid

Het gebied van fase 2b wordt niet opgehoogd, waarbij aan de westzijde aan de K.P. van der Mandelelaan een inrit naar de parkeergarage wordt gerealiseerd. Dit betreft ook qua maaiveld het hoogste peil van het gebied.

Kijkende naar de Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) dient beoordeeld te worden of er, in verband met de overschrijdingskans van 1 op 10.000 jaar van een dijkdoorbreuk, maatregelen getroffen dienen te worden. Het advies is om de inrit, eventuele ramen en ventilatieopeningen van de parkeerkelders ruim boven het maximale waterpeil aan te leggen zodat geen wateroverlast optreedt bij forse peilstijgingen.

5.4.4 Riolering

In de nieuwe ontwikkeling wordt er een gescheiden rioolstelsel aangelegd, oftewel het hemelwater en vuilwater zal apart van elkaar worden aangeboden op het gemeenteriool. In de huidige situatie betreft dit een gemengd systeem.

Voor fase 2b is er nog geen beoordeling uitgevoerd van wat de nieuwe belasting zal zijn op het gemeenteriool. Kijkende naar het huidige gebruik en het toekomstige gebruik, zal dit een grotere waarde zijn. In het onderzoek wordt geadviseerd om in de vervolgfase te beoordelen of het gemeenteriool nog voldoet.

5.4.5 Uitgiftepeilen en peilenplan

Voor deze fase is al een tekening opgesteld met de gewenste uitgiftepeilen van de kavels. Fase 2b wordt uitgegeven op ca. NAP 4,00 m. Waarbij het uitgiftepeil aanliggend aan de K.P. van der Mandelelaan ca. NAP 4,25 m bedraagt en aansluitend aan het oppervlaktewater aan de zuidzijde ca. NAP 3,80 m.

5.5 Conclusie

Door voorgenomen ontwikkeling neemt het verharde oppervlak toe met ca 1.574 m2. Hiervoor zal minstens 79 m³ waterberging gerealiseerd moeten worden. Compensatie voor de toename aan verhard en bebouwd oppervlak, wordt gezocht op eigen terrein. Om de wateropgave in het gebied te verminderen kan extra waterberging gecreëerd worden. In een volgend stadium zullen de verschillende mogelijkheden onderzocht worden. De mogelijke maatregelen en alternatieve vormen van waterberging worden gezamenlijk met het hoogheemraadschap besproken. Enkele wateraspecten dienen in een vervolgfase nader te worden onderzocht, waaronder de nieuwe belasting op het gemeentelijk riool en de invloed van de parkeergarages op de grondwaterstromingen.

Hoofdstuk 6 Milieu

6.1 Inleiding

Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig. Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

6.2 Milieu effectrapportage

Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden.

6.2.1 Plangebied

De realisatie van een gemengd gebied met daarin plaats voor woningen, (fiets)parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen verschillende maatschappelijke en commerciële voorzieningen en horeca kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt voor in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het besluit mer (categorie 11.2). Hoewel de verschillende drempelwaardes (kolom 2) niet worden overschreden, dient evenwel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld.

Dit kan niet uitsluitend in de vorm van een paragraaf in het bestemmingsplan. Door de initiatiefnemer moet op grond van het Besluit m.e.r. een 'aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling' worden opgesteld. Deze aanmeldnotitie is opgenomen als bijlage 3. Gezien de samenhang met de andere fasen van het Max Euwekwartier, zijn daarin de effecten van fase 1, 2a en 2b gezamenlijk beschouwd. Voor de voorgenomen activiteiten geldt dat wanneer wordt voldaan aan de gestelde eisen en maatregelen uit de onderzoeken en de aanmeldnotitie er verwacht wordt dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Er wordt daarom geconcludeerd dat het niet noodzakelijk is om een m.e.r.-procedure te doorlopen voor de ontwikkeling.

De m.e.r.-beoordeling is als expliciet beslispunt aan het college voorgelegd. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit is als bijlage 16 opgenomen bij deze toelichting. Daarin is besloten dat er geen MER hoeft te worden opgesteld, omdat er geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.

6.3 Mobiliteit

6.3.1 Verkeer

Verkeersaantrekkende werking en verkeersafwikkeling

Om te beoordelen of de capaciteit van de omliggende wegen voldoende is om de verkeersaantrekkende werking als gevolg van de ontwikkeling te kunnen verwerken, heeft Mobycon een verkeersonderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is de verkeersgeneratie van de ontwikkeling in dit plan (fase 2b) beschouwd, en zijn cumulatief ook fase 1 en 2a meegenomen. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies weergegeven.

Uit het onderzoek blijkt dat de verkeersaantrekkende werking van fase 2b 1.282 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal bedraagt . Omgerekend komt dit neer op 93 pae tijdens het drukste ochtend- en 122 pae tijdens het drukste avondspitsuur.

Als gevolg van de ontwikkeling van fase 1, 2a en 2b neemt de verkeersgeneratie toe met maximaal 3.779 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal, met 274 pae in het drukste ochtendspitsuur en 359 pae in het drukste avondspitsuur. In het onderzoek is daarbij onderbouwd uitgegaan van de minimale verkeersgeneratiekencijfers uit CROW-publicatie 381.

De toekomstige intensiteiten zijn aan de hand van de toename van de verkeersgeneratie inzichtelijk gemaakt, en aan de hand daarvan is de verkeersafwikkeling bepaald. Het onderzoek constateert dat op een enkel wegvak sprake is van een beginnend knelpunt. Dit beginnende knelpunt bestaat echter ook al in de huidige situatie. Aangezien nog geen sprake is van een werkelijk knelpunt, is de verkeerssituatie acceptabel.

Op de kruispunten die het onderzoek heeft kunnen beoordelen, zijn geen (beginnende) knelpunten waargenomen. Het kruispunt Kralingse Zoom - A. van Rijckevorselweg en het kruispunt Kralingse Zoom - ’s-Gravenweg zijn in het onderzoek niet beoordeeld.

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat – voor zover het mogelijk was dit te onderzoeken – het aspect verkeer de ontwikkeling in Max Euwekwartier fase 1 (Max Euwe Quartier), fase 2 (ADP-locatie) en fase 2b (Sweco-locatie) niet in de weg staat. Een extra toetsing met verkeerskundige modelsoftware kan uitsluitsel bieden.

Royal HaskoningDHV heeft een verkeersonderzoek uitgevoerd om inzichtelijk te maken wat de toename van Brainpark is op het verkeer van de A16 en de toeleidende wegen. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 17 bij de toelichting van het bestemmingsplan. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies weergegeven. Uit het onderzoek blijkt dat de toename van verkeer op de A16 en toeleidende wegen door Brainpark klein is. De toename op de belastinggraad van de verkeersregelinstallaties (hierna: 'VRI's') was door Brainpark ook klein. Het effect van Brainpark op het verkeer bleek daarom beperkt te zijn. De beperkte toename kan goed opgevangen worden door de robuuste infrastructuur rondom het Brainpark. Specifiek blijkt de toename van verkeer op de A16 door de ontwikkeling van Brainpark kleiner dan 1% te zijn. De toename is groter op de toeleidende wegen naar de A16, te weten tussen de 2.000 en 4.000 mvt/etmaal. Deze toename is vergeleken met de huidige aantal motorvoertuigen beperkt. Ook is de belasting op de VRI's bij de aansluitingen Kralingen en Kralingseplein ingeschat. Van de twee VRI's op de Jacques Dutilhweg bij aansluiting Kralingen, is de westelijke VRI het zwaarst belast. De belasting in 2040 ligt tussen de 70% en 75% en is daarmee redelijk hoog. Bij een belastingsgraad van 85% en hoger is er sprake van een kritische situatie. Door Brainpark neemt de belastinggraad in de avondspits toe, maar deze toename is maximaal enkele procenten. De aansluiting Kralingseplein is in 2040 zwaarbelast, op sommige punten al boven de 85%. Er rijdt hier al veel verkeer, waardoor het aandeel van het verkeer door Brainpark klein is. Dit betekent dat de hoge belastinggraad van de vier VRI's op piekmomenten tussen de 0% en 1% toeneemt. Op basis van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat Brainpark een klein en verwaarloosbaar effect heeft op de toename van verkeer op de A16 en de toeleidende wegen. De toename die teweeg wordt gebracht, kan goed opgevangen worden door de infrastructuur. Hierdoor staat het aspect verkeer, specifiek de toename van verkeer, de ontwikkeling Max Euwekwartier fase 2b niet in de weg.

6.3.2 Parkeren

Dynamische verwijzing

Op 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening 2010 van de gemeente Rotterdam, waaronder de voorschriften over parkeernormen, komen te vervallen. Dat betekent dat er vanaf dat moment niet meer getoetst kan worden aan die voorschriften en er dus geen parkeernormen meer gelden. Om deze reden is een parapluherziening parkeernormen vastgesteld met daarin een dynamische verwijzing naar het op 16 december 2021 over parkeren vastgestelde beleid. Het betreft de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022” (hierna: de beleidsregeling). De beleidsregeling is op 1 januari 2022 in werking getreden. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto’s én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken.

Om aan dit beleid te kunnen toetsen is er in het bestemmingsplan in artikel 6.7 een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken kan worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. De bepaling is vormgegeven als een zogenaamde 'dynamische verwijzing'. Dat wil zeggen dat er wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn conform het op het moment van vergunningverlening geldende parkeerbeleid. Op het moment van tot stand komen van dit bestemmingsplan is de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022” het geldende beleid. Om ook aan een eventuele wijziging of herziening van het beleid te toetsen, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is de regeling zo vormgegeven dat een omgevingsvergunning wordt getoetst aan het beleid dat op dat moment geldt.

Beleidsregeling

Op dit moment geldt de “Beleidsregeling Parkeernormen voor auto en fiets 2022”. Deze beleidsregeling geeft parkeernormen voor zowel auto’s als fietsen. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruiken van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling als bijlage is opgenomen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan worden afgeweken; zowel van de eis zelf (geheel of gedeeltelijk) als van de voorwaarde dat op eigen terrein moet worden geparkeerd. Ook kan van de parkeereis geheel of gedeeltelijke vrijstelling worden verleend. Dit heeft tot gevolg dat er in beginsel geen parkeervergunning op straat wordt afgegeven. In de beleidsregeling is uitgebreid omschreven onder welke voorwaarden van de parkeereis kan worden afgeweken of vrijstelling kan worden verleend.

Tevens zijn in de beleidsregeling regels opgenomen over elektrische voertuigen (EV Ready). Collectieve parkeervoorzieningen op eigen terrein bij nieuwbouw of transformatie moeten voorbereid zijn op het kunnen laden van elektrische voertuigen (EV Ready). Ook moet de initiatiefnemer een EV plan aan de gemeente Rotterdam kunnen overleggen, waaruit blijkt dat op iedere autoparkeerplaats horend bij de ontwikkeling laadinfrastructuur gerealiseerd kan worden, zonder dat hiervoor bouwkundige aanpassingen noodzakelijk zijn. En dat een netaansluiting gerealiseerd wordt met voldoende capaciteit om ten minste 20% van het totaal aantal voertuigen waarvoor autoparkeerplaatsen beschikbaar zijn gelijktijdig te kunnen laden, al dan niet met behulp van IT-oplossingen zoals een Smart grid.

Parkeerbalans

De parkeerbalans zal aansluiten op het in de gemeente Rotterdam geldende beleid ten aanzien van parkeren. Door de transitie van kantoorlocatie naar wonen ontstaat een andere parkeervraag. Volgens de vigerende parkeernorm valt het gebied binnen zone C, wat betekent dat de nadruk meer ligt op auto bereikbaarheid dan OV of fietsbereikbaarheid. Met de transitie van kantoor naar woonlocatie en het beoogde mobiliteitsprofiel van de toekomstige bewoners is de nabijheid van RET halte Kralingse Zoom in belang toegenomen terwijl de nabijheid van de A16 is afgenomen. Indeling in zone B ligt daarmee voor de hand. De gemeente heeft die toezegging ook gedaan. Ook uitgaande van de parkeernormen zone B van de gemeente Rotterdam zou het plan over meer parkeerplekken moeten beschikken.

De regeling parkeernormen biedt echter de mogelijkheid tot vrijstellingen van de parkeereis op grond van nabijheid OV, extra fietsruimte, deelauto’s en M.a.a.S.-concepten.

Nabijheid OV

Uitgaande van de ligging van het plan binnen 400 m van het station is de vrijstelling op grond van nabijheid OV 30%.

Extra fietsparkeerruimte

Op grond van het beschikbare aantal stallingsplekken voor de fiets kan maximaal gebruik gemaakt worden van de daaraan gekoppelde vrijstelling.

Deelauto

Eén deelauto vervangt 5 parkeerplaatsen. Deelauto’s passen bij het mobiliteitsprofiel van de locatie.

6.4 Milieuzonering

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering).

De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging.

Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk. Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking.

De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave.

6.4.1 Plangebied

Omgevingstype van het plangebied

In de omgeving van het plangebied zijn, naast woningen, verschillende bedrijven/inrichtingen aanwezig en/of bestemd in de vigerende bestemmingsplannen. Bovendien is de locatie gelegen op korte afstand van de A16 en ligt ten westen de Kralingse Zoom, een gebiedontsluitingsweg. Om deze reden wordt het omgevingstype aangemerkt als "gemengd gebied".

In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse relevante inrichtingen en bestemmingen gelegen.

Ten noorden van het plangebied ligt het metrostation 'Kralingse Zoom'. Dit station kent de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' met de functieaanduiding 'openbaar vervoerstation'. Uit de VNG-brochure blijkt dat een dergelijke inrichting valt binnen milieucategorie 3.2 en daarmee een gereduceerde richtafstand van 50 meter kent. De feitelijke afstand van de rand van de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' tot het plangebied is circa 125 meter. De richtafstand wordt daarmee gerespecteerd en deze bestemming leidt niet tot belemmeringen.

Het plangebied en de directe omgeving kennen de bestemming 'Gemengd - 1'. Binnen deze bestemming is het mogelijk om kantoren, bedrijven tot en met categorie 2, horeca en medische klinieken te realiseren.

Kantoren vallen in milieucategorie 1 en kennen daarmee een gereduceerde richtafstand van 0 meter. Klinieken behoren, op basis van de VNG-brochure, tot milieucategorie 1 en kennen daarmee een gereduceerde richtafstand van 0 meter.

Bedrijvigheid tot en met categorie 2 kennen een gereduceerde richtafstand van 10 meter. Ten noorden van het plangebied grenst het plangebied direct aan een gemengde bestemming waar bedrijvigheid tot en met categorie 2 zijn toegestaan. Aan de noordzijde moet rekening gehouden worden met de richtafstand van 10 meter vanaf de perceelsgrens. De afstand tussen het plangebied en de overige gronden is meer dan 10 meter. Ook deze bestemming leidt niet tot belemmeringen.

In de toekomstige situatie is sprake van een gemengd gebied waarbij woningen en voorzieningen vrijwel direct naast elkaar kunnen worden gerealiseerd. In dit gebied is slechts in beperkte mate ruimte voor commerciële voorzieningen. Momenteel is de locatie hiervan nog niet uitgekristalliseerd. Indien noodzakelijk wordt later in het proces, bij de uitwerking van het bouwplan, gekeken naar bouwkundige maatregelen. Daarnaast moeten eventuele voorzieningen die in het plangebied zullen vestigen voldaan aan het Activiteitenbesluit. Hierdoor zal een aanvaardbare situatie ontstaan.

6.4.2 Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.

6.5 Geluid

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg-en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer.

Wet geluidhinder

Ten behoeve van het geluidonderzoek is gebruik gemaakt van de Wet geluidhinder, zoals deze geldt per 1 mei 2017 (Stb. 2017, 131).

Er worden nieuwe geluidgevoelige bestemmingen (woningen) mogelijk gemaakt. Kantoor- en commerciële functies zijn overigens geen geluidgevoelige bestemmingen in het kader van de Wet geluidhinder.

Systematiek grenswaarden en verzoek tot hogere grenswaarden

In de Wet geluidhinder en in het Besluit geluidhinder worden respectievelijk voor wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai twee typen grenswaarden benoemd: de zogenaamde voorkeursgrenswaarde en de maximaal te verlenen ontheffingswaarde. Per geluidbron (per weg, per spoorweg en per industrieterrein) wordt aan de grenswaarden getoetst.

Bij een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde, maar niet van de maximale ontheffingswaarde, kan bij het College van Burgemeester en Wethouders (B&W) een zogenaamde hogere waarde (dan de voorkeursgrenswaarde) worden aangevraagd.

Het vaststellen van een hogere waarde door B&W is mogelijk indien maatregelen om de geluidbelasting te reduceren aan bron (verkeer) of tussen bron en ontvanger (gebouw), zoals schermen of verkeersreducerende maatregelen, niet doelmatig zijn of bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerkundige, landschappelijke of financiële aard ondervinden.

Indien ook de maximaal te verlenen ontheffingswaarde wordt overschreden is in principe geen geluidgevoelige functie mogelijk tenzij deze wordt voorzien van maatregelen (dove gevels).

Dove gevels

De Wet geluidhinder benoemt grenswaarden voor de geluidbelastingen op de gevels van geluidgevoelige gebouwen. Dove gevels zijn echter gevels waarvan de geluidbelastingen op deze gevels niet hoeven te worden getoetst aan deze grenswaarden. Dove gevels zijn:

  • gevels zonder aanwezige te openen delen en die voldoen aan een karakteristieke geluidwering van tenminste het verschil van de geluidbelasting en een waarde van 33 dB, onderscheidenlijk 35 dB(A);
  • gevels met bij uitzondering te openen delen, mits deze delen niet grenzen aan een geluidgevoelige ruimte (slaap-, woon- of eetkamer). Voorbeelden zijn:
    • 1. een raam in een gevel van een besloten keuken met een vloeroppervlakte van minder dan 11 m2;
    • 2. een raam in een hal van een woning;
    • 3. een nooduitgang.

Wegverkeerslawaai - zones en geluidgrenswaarden

Zones langs wegen

Conform hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder (zones langs wegen) hebben alle wegen een zone, uitgezonderd een aantal situaties waaronder wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur. De zone is een gebied waarbinnen een nader akoestisch onderzoek verplicht is. De breedte van de zone, aan weerszijden van de weg, is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie onderstaande tabel

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2210Fase2bBrainp-va01_0013.png"
De planlocatie is gelegen binnen de bebouwde kom (binnenstedelijk). Bij de beoordeling van de geluidbelasting vanwege een autosnelweg op een geluidgevoelige functie wordt altijd de normering voor buitenstedelijk gebied gehanteerd, ook al ligt de bestemming binnen de bebouwde kom. In het kader van de Wet geluidhinder is de planlocatie gelegen binnen de geluidzones langs de volgende wegen:

  • De Rijksweg A16 heeft ter hoogte van de planlocatie 10 rijstroken. De zonebreedte bedraagt 600 m zodat de planlocatie binnen deze zone is gelegen (buitenstedelijk).
  • De Kralingse Zoom heeft ter hoogte van de planlocatie (tot) 3 rijstroken. De zonebreedte bedraagt 350 m zodat de planlocatie binnen de zone langs deze weg is gelegen.
  • De K.P. van der Mandelelaan gaat ter hoogte van de planlocatie 2 rijstroken hebben. De zonebreedte bedraagt 200 m zodat de planlocatie binnen de zone langs deze weg is gelegen.
  • De Abram van Rijckevorselweg heeft ter hoogte van de planlocatie 6 rijstroken. De zonebreedte bedraagt 350 m zodat de planlocatie niet binnen de zone langs deze weg is gelegen.

Opgemerkt wordt dat de Max Euwelaan en K.P. van der Mandelelaan heringericht worden in verband met de gebiedstransformatie van Brainpark Rotterdam. Zo zal de Max Euwelaan afgesloten worden voor verkeer en zal er enkel nog een toegangsweg zijn naar de ingang van de parkeergarage aan de noordzijde (30 km/u). De K.P. van der Mandelelaan wordt een tweerichtingsweg (nu deels éénrichtingsverkeer) en zal langs het plangebied lopen en wordt in noordelijke richting doorgetrokken tot aan de toegangsweg van het P+R terrein ‘Kralingse Zoom’.

30 km/uur-wegen hebben geen geluidzone volgens de Wet geluidhinder. Dit betekent dat formeel voor deze wegen geen wettelijk toetsingskader geldt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening (en ten behoeve van de bouwvergunning) is in voorliggend onderzoek de invloed van de K.P. van der Mandelelaan inzichtelijk gemaakt.

Grenswaarden geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer

De voorkeursgrenswaarde vanwege wegverkeerslawaai bedraagt vanwege alle wegen 48 dB. De maximaal te verlenen ontheffingswaarde bedraagt 53 dB vanwege de Rijksweg A16 en 63 dB vanwege de overige wegen.

Cumulatie geluidbronnen

Indien een plan geluid ondervindt van meer dan één geluidbron, dient tevens onderzoek gedaan te worden naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidbronnen. Er dient te worden aangegeven op welke wijze met de samenloop rekening is gehouden bij het bepalen van de te treffen maatregelen (art. 110a en 110f van de Wgh).

Grenswaarden Omgevingswet

In dit geluidonderzoek is ook de aankomende Omgevingswet (Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet) beschouwd, met ingangsdatum naar verwachting 01-06-2022. De Omgevingswet stelt nieuwe geluidgrenswaarden. In tabel 2.2 is een beknopt overzicht gegeven van de nieuwe grenswaarden voor wegverkeerslawaai. Met name de geluidgrenswaarden ten aanzien van wegen in Rijksbeheer worden in de Omgevingswet verhoogd ten opzichte van de Wet geluidhinder.

Beknopt samengevat worden in de Omgevingswet (Ow), naast de geluidgrenswaarden, de volgende wijzigingen doorgevoerd:

  • De geluidzones worden geluidaandachtsgebieden. De omvang van de geluidaandachtsgebieden houden verband met de hoogte van de standaardwaarden, zie het derde opsommingsstreepje.
  • Voor veel 30 km/uur-wegen gaat ook een geluidaandachtsgebied gelden.
  • De term voorkeursgrenswaarde wordt (formeel) de “standaardwaarde”, de term maximale ontheffingswaarde wordt (formeel) de “grenswaarde”.
  • De toepassing van een aftrek (tot ten hoogste 5 dB) op de berekende geluidbelastingen voor wegverkeerslawaai komt te vervallen.
  • Alle geluidbelastingbijdragen die afkomstig zijn van wegen die onder één wegbeheerder vallen worden gesommeerd, waarna de beoordeling aan de geluidgrenswaarden plaatsvindt.
  • De dove gevel wordt (formeel) een niet-geluidgevoelige gevel. Onder een niet-geluidgevoelige gevel wordt ook verstaan een zodanige bouwkundige maatregel aan het gebouw dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie niet hoger is dan de grenswaarde.

Gemeentelijk geluidbeleid
Conform het Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder van de gemeente Rotterdam dienen woningen voorzien te zijn van minimaal één geluidluwe gevel en buitenruimte (mits een buitenruimte aanwezig is). Indien om stedenbouwkundige of volkshuisvestingsredenen hier niet aan voldaan kan worden, kan een gemotiveerd verzoek worden gedaan om hiervan af te wijken. In de motivatie zal voldoende aandacht aan de leefomgevingskwaliteit moeten worden besteed. In de tabel hieronder worden de geluidgrenswaarden voor een geluidluwe gevel en buitenruimte ten aanzien van wegverkeerslawaai weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2210Fase2bBrainp-va01_0014.png"

Crisis- en herstelwet

De vigerende regelgeving kan een belemmering vormen voor innovatieve ontwikkelingen die bijdragen aan duurzaamheid. Afdeling 2 ‘Innovatie’ van de Crisis- en herstelwet (Chw) maakt het mogelijk om dergelijke ontwikkelingen aan te wijzen als een zogenaamd ‘experiment’. Daardoor mag men afwijken van bepaald regelgeving bij algemene maatregel van bestuur (AMvB), zoals o.a. de Wet geluidhinder. Artikel 2.4, lid 1, Chw biedt voor innovatieve projecten de mogelijkheid tot afwijken van de geluidregels uit de Wet geluidhinder bij AMvB.

Bij de AMvB wordt bepaald:

  • welke afwijking of afwijkingen van de betrokken wet of wetten is of zijn toegestaan;
  • de ten hoogste toegestane tijdsduur van die afwijking of afwijkingen;
  • de wijze waarop wordt vastgesteld of een afwijking aan haar doel beantwoordt en of de tijdsduur daarvan aanpassing behoeft.

Het toepassingsbereik van in de AMvB geregelde experimenten kan worden uitgebreid door daarvoor nieuwe gebieden en projecten aan te wijzen. Daarbij wordt de ten hoogste toegestane tijdsduur van de afwijking of afwijkingen aangegeven.

De gemeente Rotterdam heeft ten behoeve van de gebiedstransformatie van Brainpark Rotterdam beslist om in het desbetreffende plangebied voor een periode van 10 jaar af te wijken van de regels voor een hogere geluidbelasting voor nieuwe situaties in de geluidzone langs de Rijksweg A16 onder de voorwaarde dat de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting niet hoger mag zijn dan 63 dB (in plaats van 53 dB).

6.5.1 Plangebied

Crisis- en herstelwet

Onder de Crisis- en herstelwet wordt het plangebied aangewezen als ontwikkelgebied. In voorliggende situatie is het dan onder voorwaarden mogelijk om tijdelijk, voor een maximum van 10 jaar, hogere geluidbelastingen toe te staan. Onder de huidige Wet geluidhinder mogen de geluidbelastingen die optreden ter plaatse van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen de geluidzone van een rijksweg ten hoogste 53 dB Lden bedragen inclusief reductie art 110g Wgh (= maximaal te ontheffen waarde). Bij een hogere geluidbelasting kunnen onder het huidige regime geen geluidgevoelige bestemmingen gerealiseerd worden.

Door gebruik te maken van de mogelijkheden in de Crisis- en herstelwet wordt een tijdelijk te hoge geluidbelasting voor een maximale duur van 10 jaar niet gezien als overschrijding van de maximaal te ontheffen waarde en kunnen woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen wel gerealiseerd worden.

Een aanvullende voorwaarde is dat de te toetsen waarde van de geluidbelasting tijdelijk mag afwijken maar voor het woon- en leefklimaat doet de tijdelijk hogere geluidbelasting niets af aan de te realiseren kwaliteit van de woningen: Binnen de verblijfruimten en -gebieden in de woningen dient het akoestisch klimaat te allen tijde op nieuwbouwniveau (Bouwbesluit) gebracht te worden. Anders gezegd: de geluidwerende kwaliteit van de gevels en de bij de woningen behorende buitenruimten (eventueel in combinatie met afschermende gebouwgebonden maatregelen) wordt bepaald op basis van hoogste geluidbelasting, ook al is dit een tijdelijke situatie.

Om gebruik te maken van de Crisis- en herstelwet dient het aannemelijk gemaakt te worden dat de geluidbelastingen binnen de gestelde 10 jaar ook daadwerkelijk zullen afnemen tot op een acceptabel niveau (voor nu: de Wet geluidhinder, maximaal te ontheffen waarde maar later Omgevingswet en grenswaarden). Als de geluidbelastingen afgenomen zijn binnen de periode dat de Crisis- en herstelwet is, zullen de woningen dus een betere geluidwerende gevel ervaren dan strikt noodzakelijk conform Bouwbesluit, kortom er dringt dan minder omgevingsgeluid de woningen binnen.

Tenslotte dient nog vermeld te worden dat op basis van het beoogde plan ondanks de tijdelijk (te) hoge toetswaarde van de geluidbelastingen ten gevolge van de rijksweg, er te allen tijde op woningniveau voldaan wordt aan de aanvullend gestelde eisen in het geluidbeleid van de gemeente Rotterdam. Hiertoe horen de aanwezigheid van geluidluwe gevels (i.v.m. geluidluw spuien). Door optimaal gebruik te maken van ontwerpmogelijkheden waarbij dichte balustrades, of geheel afgeschermde buitenruimtes gerealiseerd worden, wordt ondanks de hoge geluidbelastingen (tijdens periode Crisis- en herstelwet), voldaan aan het geluidbeleid. De periode erna, wanneer de geluidbelastingen daadwerkelijk afgenomen zijn, ervaren de bewoners meer geluidluwe locaties in en om de woningen.

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

In het kader van voorgenomen ontwikkeling heeft Cauberg Huygen een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de optredende geluidsbelastingen vanwege wegverkeer ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 5.

De planlocatie bevindt zich volgens de Wet geluidhinder binnen de geluidzones langs de Rijksweg A16, de Kralingse Zoom en de K.P. van der Mandelelaan. Om die redenen is voor de planlocatie een onderzoek Wet geluidhinder uitgevoerd.

Ten behoeve van dit geluidonderzoek is gebruik gemaakt van de Wet geluidhinder. De geluidbelastingen vanwege wegverkeer zijn berekend conform de Standaardrekenmethode 2 uit bijlage III van het ‘Rekenen meetvoorschrift geluid 2012’. De berekende geluidbelastingen zijn getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder:

  • Stedelijke wegen: voorkeursgrenswaarde 48 dB, maximale ontheffingswaarde 63 dB.
  • Buitenstedelijke wegen (A16): voorkeursgrenswaarde 48 dB, maximale ontheffingswaarde 53 dB.

Voor het plangebied Brainpark Rotterdam zal de Crisis- en herstelwet (Chw) toegepast worden. De gemeente Rotterdam heeft beslist om in dit plangebied voor een periode van 10 jaar af te wijken van de regels voor een hogere geluidbelasting voor nieuwe situaties in de geluidzone langs de Rijksweg A16 onder de voorwaarde dat de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting niet hoger mag zijn dan 63 dB (in plaats van 53 dB).

Uit de berekeningen blijkt dat:

  • De voorkeursgrenswaarde ten gevolge van het wegverkeer op de A16 wordt overschreden. De hoogst berekende geluidbelasting bedraagt 53 dB (blok C), 68 dB (blok D) en 64 dB (blok E), waarmee de maximaal te ontheffen waarde van 53 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden bij de bouwblokken D en E van fase 2B;
  • Op basis van de Chw is de maximale grenswaarde ten aanzien van de A16 tijdelijk 63 dB in plaats van 53 dB (inclusief aftrek), voor blok D en de oostelijke kopgevel van blok E wordt ook de maximale grenswaarde volgens de Chw overschreden;
  • De voorkeursgrenswaarde ten gevolge van het wegverkeer op de Kralingse Zoom niet wordt overschreden. Er zijn geen hogere waarden nodig.
  • Vanwege de K.P. Mandelelaan de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden bij blok D en E. De hoogst berekende geluidbelasting bedraagt 56 dB, waarmee de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB niet wordt overschreden.
  • De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai (Lvl,cum) bedraagt ten hoogste 58 dB zonder aftrek en 56 dB na aftrek bij blok C, ten hoogste 70 dB zonder aftrek en 68 dB na aftrek bij blok D, en ten hoogste 67 dB zonder aftrek en 64dB na aftrek bij blok E;
  • Bron- of overdrachtsmaatregelen om de geluidbelastingen te reduceren tot onder de voorkeursgrenswaarde zijn niet doelmatig. Wel is het effect van de aanleg van fijn dubbellaags ZOAB op de A16 inzichtelijk gemaakt;
  • Geadviseerd wordt om hogere waarden aan te vragen:
    • 1. A16: 53 dB waarbij o.b.v. de Chw voor een periode van 10 jaar 63 dB toegestaan is (Blokken C, D en E);
    • 2. K.P. van der Mandelelaan: 56 dB (blok D) en 52 dB (blok E).
  • In de rapportage zijn oplossingsrichtingen aangedragen om een geluidluwe zijde te creëren, teneinde te voldoen aan het gemeentelijk geluidbeleid, alsook om woningen mogelijk te maken die aan een dove gevel zijn gelegen (woontoren blok D). In een later stadium, bij de verdere uitwerking van de nieuwbouwplannen, dienen de nodige maatregelen bepaald te worden (op individueel woningniveau);
  • Voor alle woningen (met hogere waarden) is het noodzakelijk om een aanvullend onderzoek naar de gevel geluidwering uit te voeren en te toetsen aan de eisen conform artikel 3.1 t/m 3.3 uit het Bouwbesluit.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten moet in het kader van het bestemmingsplan een hogere waardeprocedure worden doorlopen. De hogere waarden moeten zijn vastgesteld voordat het bestemmingsplan kan worden vastgesteld. Het besluit tot vaststelling van de hogere waarden is opgenomen in bijlage 6.

6.5.2 Conclusie

Op grond van het bovenstaande blijkt dat het aspect geluid voor deze ruimtelijke procedure geen belemmering oplevert.

6.6 Luchtkwaliteit

Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan.

De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald. Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden.

Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als:

  • er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden;
  • de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft;
  • er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect;
  • het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling;
  • de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld.

Rotterdams beleid

Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan.

Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn.

6.6.1 Plangebied

Ten behoeve van het bestemmingsplan is nagegaan of de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt wel of niet in betekenende mate bijdragen aan een toename van de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Door KuiperCompagnons is een onderzoek naar de luchtkwaliteit uitgevoerd, zie bijlage 7. Fase 1 en 2a zijn in dit onderzoek ook opgenomen.

Aan de hand van berekeningen is aangetoond dat de luchtkwaliteit voor de maatgevende stoffen stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) langs de wegen en binnen het plangebied ruimschoots voldoet aan de grenswaarden. Derhalve leidt het aspect luchtkwaliteit niet tot belemmeringen voor de ontwikkeling van woningen binnen het plangebied.

6.6.2 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit leidt niet tot belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

6.7 Bodem

De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is.

6.7.1 Plangebied

In het vigerende bestemmingsplan kennen de gronden in het plangebied de bestemmingen 'Gemengd - 1' en 'Groen'. Binnen beide bestemmingen is de realisatie van woningen niet toegestaan, de bestemming 'Groen' staat de ontwikkeling van commerciële en maatschappelijke functies niet toe. Met voorgenomen ontwikkeling wordt daarom voorzien in gevoeligere functies dan op basis van het vigerende bestemmingsplan is toegestaan. Bodemonderzoek is noodzakelijk om te bepalen of de bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige functie.

Door ABO Milieuconsult is een verkennend bodemonderzoek, conform NEN 5725 en NEN 5740 uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 8. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt het volgende geconcludeerd:

  • In de ondergrond (0,5 – 1,5 m-mv) zijn plaatselijk sporen baksteen aangetroffen;
  • De bovengrond is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters;
  • De gehalten PFOA en PFOS zijn niet verhoogd aangetoond in de bovengrond;
  • In de ondergrond zijn licht verhoogde gehalten minerale olie, kwik en lood aangetoond;
  • Het grondwater is licht verontreinigd met barium, benzeen, xylenen en naftaleen.

De hypothese "De onderzoekslocatie is verdacht" dient, op basis van de licht verhoogde waarden in de bodem, aanvaard te worden.

Aanbevelingen 

De licht verhoogde gehalten minerale olie, kwik en lood in de ondergrond en de licht verhoogde concentraties barium, benzeen, xylenen en naftaleen in het grondwater zijn dermate gering dat de resultaten hiervan geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek.

De locatie is niet verdacht op het voorkomen van asbest, gezien enkel sporen baksteen zijn aangetroffen.

De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag van de omgevingsvergunning (activiteit bouwen). Aanbevolen wordt om bij graafwerkzaamheden vrijkomende grond zo veel mogelijk op de locatie te verwerken.

6.7.2 Conclusie

Het aspect bodem leidt niet tot belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

6.8 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid.

Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd. Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag

Rotterdams beleid

De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR).

6.8.1 Plangebied

Het voornemen bestaat om in het plangebied vijf kantoorpanden te slopen en hier een gemengd programma te realiseren in drie deelgebieden. Met de ontwikkelingen wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. In de omgeving van de locatie zijn de volgende relevante risicobronnen aanwezig:

  • Vervoer gevaarlijke stoffen over de rijksweg A16;
  • Vervoer gevaarlijke stoffen over de Abram van Rijckevorselweg;
  • Vervoer gevaarlijke stoffen over de rivier de Maas;
  • Vervoer gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Rotterdam - Maasvlakte / Rotterdam - Dordrecht.

Door KuiperCompagnons is een onderzoek uitgevoerd naar deze risicobronnen. De volledige rapportage is in bijlage 9 opgenomen. Hieronder zijn de belangrijkste bevindingen weergegeven.

De deelgebieden Fase 2A en 2B zijn gelegen binnen het verantwoordingsgebied van de rijksweg A16. De hoogte van het groepsrisico van de rijksweg is berekend met RBMII. Uit de berekeningen kan geconcludeerd worden dat het GR in de plansituatie toeneemt van 3,40 keer de oriëntatiewaarde naar 3,91 keer de oriëntatiewaarde. Dit is een toename van 0,51 oftewel 15%. De maatgevende kilometer en het maatgevende punt zijn in de huidige situatie en de plansituatie hetzelfde. Er is zowel in de huidige als plansituatie een overschrijding van de oriëntatiewaarde.

Op basis de hoogte van het GR is volgens het gemeentelijk beleid een zware verantwoording benodigd. Deze verantwoording is opgenomen in de notitie: “Verantwoording Groepsrisico Brainpark Fase 1, 2A en 2B”. Deze notitie is opgenomen als bijlage 10. In de notitie wordt geconcludeerd het vervoer van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A16 een overschrijding van het groepsrisico veroorzaakt in de huidige en plansituatie.

De ontwikkeling van het plangebied past binnen de ambitie van de gemeente Rotterdam om het gebied Brainpark I te transformeren van kantorenpark naar een levendige stadswijk. Op 2 december 2021 is het Masterplan Brainpark I door het college van B&W van de gemeente Rotterdam vastgesteld. Door de uitwerking van deze ambitie zullen in de toekomst meer personen in het gebied aanwezig zijn dan dat nu het geval is, waardoor het groepsrisico onvermijdelijk toe zal nemen. De voordelen van het ontwikkelen van Brainpark tot levendige stadswijk wegen daarbij op tegen de met EV samenhangende aspecten.

In de verantwoording is voorts nader ingegaan op het alternatieve planvoornemen, waarbij in fase 2a en fase 2b een kantoor en/of bijeenkomstfunctie wordt geprojecteerd, maar geen woonfunctie (zoals in het bestaande planvoornemen is bedoeld).

Ten eerste wordt vastgesteld dat de het groepsrisico bij dit planvoornemen niet significant afneemt in relatie tot het bestaande planvoornemen. Dit is al geconcludeerd in de berekening van het groepsrisico d.d. 24 maart 2023 (bijlage 2 bij de notitie).

Verder wordt opgemerkt dat de ambitie voor het gebied Brainpark I juist is om de bestaande kantoren te transformeren naar een levendige stadswijk. De bestaande monofunctionele en introverte kantorenlocatie moet - blijkens het Masterplan - verkleuren naar gemengd, dynamisch woon- en werkmilieu.

Het behouden van een kantoorfunctie op deze locatie past niet in deze ambitie. Temeer omdat wonen in Brainpark I niet wenselijk/mogelijk is in de strook bebouwing langs de A16. Juist in deze plots zal een kantoorfunctie, gelet op de ligging lans de snelweg, meer passend zijn. De woonfunctie is daarom voorzien op locaties die verder van A16 liggen in de tweede lijn. De plots die zijn opgenomen in het bestemmingsplan Max Euwekwartier fase 1 en 2a en fase 2b liggen in die tweede lijn (ten opzichte van de A16). Om die reden is hier overwegend de woonfunctie voorzien. Het alternatieve planvoornemen is vanuit stedenbouwkundig oogpunt dan ook niet wenselijk.

Gezien de relatief grote afstand van het plangebied tot de risicobron en de aard van de risicobron zijn bronmaatregelen voor specifiek alleen het plangebied niet effectief/doelmatig.

In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Evenwel is het natuurlijk niet uit te sluiten dat kinderen, ouderen en/of gehandicapten in het plangebied aanwezig zijn. Vanuit maatschappelijk oogpunt is het juist gewenst dat dergelijke specifieke doelgroepen zich gelijkmatig 'verspreiden' tussen de reguliere doelgroepen.

Voor de beschouwde risicobronnen gelden verschillende ongeval scenario's. In het geval van een BLEVE kan gevlucht worden, mits men zich niet binnen de 100% letaliteitscontour bevindt. In het geval van een toxisch scenario kunnen aanwezigen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten. Voor de verschillende ongevalsituaties worden diverse maatregelen getroffen tot de voorbereiding van bestrijding van rampen binnen het plangebied, zoals beschreven in de notitie. Het advies van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond met betrekking tot bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid is in de rapportage verwerkt.

Over het externe veiligheidsaspect in relatie tot de bestemmingsplannen voor Max Euwekwartier fase 1 en 2a en fase 2b heeft uitvoerig overleg met de provincie plaatsgevonden. Het college heeft expliciet besloten dat de berekende overschrijding van het groepsrisico aanvaardbaar wordt geacht op grond van de opgestelde verantwoording, waarna de gemeenteraad het bestemmingsplan voor fase 1 en 2a heeft vastgesteld. Aangezien de bijbehorende verantwoording groepsrisico ook betrekking heeft op fase 2b betekent dit dat voor de gemeenteraad de overschrijding bij dit plan ook acceptabel is. Na aanvullingen in de verantwoording heeft afstemming met de provincie plaatsgevonden, en is de provincie akkoord gegaan met de aangepaste verantwoording.

Het plangebied bevindt zich buiten de verantwoordingsgebieden van de overige bronnen, waardoor geen QRA voor de overige risicobronnen benodigd is.

Omdat de deelgebieden fase 1, 2a en 2b onderdeel zijn van een groter stedenbouwkundig plan, is ook de QRA van de totale ontwikkeling in beeld gebracht. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 11. In het onderzoek is de groepsrisicoberekening weergegeven in de plansituatie waarbij het volledig gebied van Brainpark I ontwikkeld is. Het gedeelte van de rijksweg wat in de berekening is opgenomen bevat over de bijna de gehele route een hoog GR. De maatgevende kilometer bevindt zich ter hoogte van het plangebied en voornamelijk richting het zuiden. Het maatgevende punt bevindt zich net als in de eerdere berekeningen ter hoogte van het kantoorgebouw The Mark.

6.8.2 Conclusie

De oriëntatiewaarde van het groepsrisico wordt overschreden in de huidige situatie en in de plansituatie. In de plansituatie neemt het groepsrisico toe. In dat kader is een uitgebreide verantwoording opgesteld, waarmee kan worden beargumenteerd dat de voordelen van het ontwikkelen van Brainpark tot levendige stadswijk opwegen tegen de met EV samenhangende aspecten. Bij deze verantwoording is ook een alternatief planvoornemen betrokken. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Voor de verschillende ongevalsituaties is het mogelijk om maatregelen te treffen tot de voorbereiding van bestrijding van rampen binnen het plangebied. Het advies van de VRR met betrekking tot bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid is het onderzoek verwerkt. De overschrijding van het groepsrisico is door het college en de gemeenteraad aanvaardbaar geacht op basis van de opgestelde verantwoording, waarmee ook de provincie heeft ingestemd.

6.9 Natuur

Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn.

De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen; -het behouden en ontwikkelen van natuur, - het behouden en herstellen van de biodiversiteit, -het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en -het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur.

Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming nog niet uitgewerkt.

De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming. Het begrip 'aanvaardbaar' betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Wel wordt onderzocht of de nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen onoverbrugbare strijdigheden met de Wet natuurbescherming opleveren (aanvaardbaarheidstoets).

Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna.

6.9.1 Rotterdams beleid

Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland. In dit document worden geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot voorliggend plangebied.

6.9.2 Gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming is één van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming van natuurwaarden. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige effecten op de natuurdoelstellingen van het gebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd.

Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is de voormalige ecologische hoofdstructuur van het Rijk en de provincies. Het voorliggende plangebied maakt geen deel uit van en grenst niet aan het Natuurnetwerk Nederland. Hierdoor is toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN niet nodig.

Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is 'Boezems Kinderdijk', op circa 7,8 kilometer afstand tot het plangebied. Op 8,9 kilometer ligt het Natura 2000-gebied 'Oude Maas'. Beide gebieden zijn niet stikstofgevoelig. Gezien de grote afstand zijn overige effecten, zoals geluid- en lichthinder, niet te verwachten.

Op circa 18,5 ligt het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied 'Biesbosch'. Ondans de relatief grote afstand kan stikstofdepositie, als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, mogelijk leiden tot negatieve effecten op dit gebied. Om deze reden zijn twee stikstofdepositieonderzoeken uitgevoerd.

Gebruiksfase

KuiperCompagnons heeft een stikstofonderzoek uitgevoerd voor de gebruiksfase van dit project, zie bijlage 12. In dit onderzoek is de stikstofdepositie in de gebruiksfase van de nieuwe woningen en voorzieningen beschouwd.

Uit dit onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door het gebruik van de voorgenomen ontwikkeling. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan.

Realisatiefase

Voor de realisatiefase van de ontwikkeling van Brainpark fase 2b heeft Antea Group een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 13. Hierin is de te verwachten stikstofdepositie in de realisatiefase ter plaatse van de relevante Natura 2000-gebieden berekend.

Uit de uitgevoerde berekening blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Voor wat betreft de realisatiefase toont de Aerius-calculator een rekenresultaat van 0,00 mol/ha/jaar. De gehanteerde invoergegevens en resultaten van de berekening zijn terug te vinden in de rapportage (zie bijlage 13). Op basis van deze uitkomst kunnen significante (negatieve) effecten worden uitgesloten. Het aspect 'stikstof' vormt zodoende geen belemmering voor de realisatiefase van de voorgenomen ontwikkeling.

6.9.3 Soortenbescherming

Ook het aspect 'soortenbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen:

  • strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst.

Door het Van der Goes en Groot is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze quickscan is opgenomen als bijlage 14. Hieronder zijn de resultaten beschreven.

Het plangebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen vrijgestelde soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte vrijgestelde soorten hoeft geen vergunning te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan.

In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond be-schermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Het broedseizoen betreft de periode dat actieve nesten van vogels aanwezig zijn. Een vergunning is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt (normaliter) grofweg van half maart tot half juli.

Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Huismus en Gierzwaluw), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken.

Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijk-baar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.

6.9.4 Conclusie

Er worden geen belangrijke negatieve effecten verwacht voor beschermde soorten bij uitvoer van de plannen. Er dient altijd rekening te worden gehouden met de zorgplicht. Wat betreft stikstof blijkt dat de ontwikkeling in zowel de realisatiefase als de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden, en significant negatieve effecten op die gebieden kunnen worden uitgesloten.

6.10 Klimaat

In artikel 7.41b van de Omgevingsverordening Zuid-Holland stelt de provincie een instructieregel ten aanzien van de risico's van klimaatverandering. Op grond van dit artikel dient in een bestemmingsplan rekening te worden gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte en droogte.

6.10.1 Wateroverlast door overvloedige neerslag

In het Masterplan zijn maatregelen met betrekking tot neerslag opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling houdt bij de definitieve uitwerking rekening met onderstaande punten.

  • Opvang van neerslag daar waar hij valt. Het water wordt op gebiedsniveau opgevangen en bij een bepaalde hoeveelheid neerslag afgegeven aan grotere afwateringssystemen.
  • Op gebouwniveau is er een buffercapaciteit, zodat niet al het hemelwater in de openbare ruimte wordt verwerkt.
  • De opvangcapaciteit van het totale plangebied is minimaal 50 mm. De opvang van meer neerslag vermindert de kwetsbaarheid bij extreme buien. Een opvangcapaciteit van 100 mm of meer is een ondergrens voor een waterrobuuste inrichting.
  • Als de neerslag is opgevangen, moet het water weer worden afgevoerd. Dit kan door het nuttig toe te passen in het gebouw of gebied en door het af te voeren naar buiten het plangebied.
  • De maatregelen voor het verwerken van neerslag hebben geen nadelige gevolgen voor de grondwaterstand in het gebied en de omgeving.
  • De waterberging is een tijdelijke opslag van water; 48 uur na een bui moet de waterberging weer beschikbaar zijn. Dit kan door infiltratie in het gebied, maar dat heeft wel gevolgen voor de omgeving. Maar ook door nuttige toepassingen in het gebouw of gebied, de zogenoemde grijswatertoepassingen, of door afvoer. Dat laatste heeft niet de voorkeur.

In hoofdstuk 5 wordt aandacht besteed aan het thema water. In het toekomstige ontwerp van de openbare ruimte wordt er rekening gehouden met 495 m2 nieuw oppervlaktewater. De compensatie dient plaats te vinden in peilgebied GPG-1278. In de nieuwe ontwikkeling wordt er een gescheiden rioolstelsel aangelegd oftewel het hemelwater en vuilwater zal apart van elkaar worden aangeboden op het gemeenteriool.

6.10.2 Overstroming

Hierboven staat beschreven dat er maatregelen worden genomen om overstromingen door neerslag te voorkomen. Zo wordt er voldoende water gerealiseerd.

In het plangebied bevinden zich geen primaire of regionale waterkeringen. Het plangebied ligt geheel binnendijks, binnen de primaire waterkeringen van dijkring 14 (Zuid-Holland). Deze dijkring heeft een overschrijdingskans van 1 op 10.000 jaar. Een overstroming doordat de dijken breken is erg klein. Niettemin wordt door verschillende organisaties gewerkt aan de waterveiligheid. Werken aan waterveiligheid doet de provincie samen met haar partners: Europa, Rijksoverheid, waterschappen, gemeenten en maatschappelijke organisaties. Zo werken waterschappen en provincie bijvoorbeeld nauw samen als dijken langs grote rivieren en de zeewering (zogenoemde primaire keringen) moeten worden versterkt. Hierbij speelt de ruimtelijke kwaliteit ook een belangrijke rol. Verder stelt de provincie veiligheidsnormen voor regionale waterkeringen (dijken merendeels gelegen langs boezemwateren) vast en de termijn waarop deze keringen aan de norm moeten voldoen. Om te voorkomen dat regionale waterkeringen bij hevige regenval bezwijken, heeft de provincie grote gebieden waar waterberging kan plaatsvinden, ruimtelijk vastgelegd. Zo werkt de provincie aan een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving, voor nu en de toekomst.

6.10.3 Hitte

De kans op een hittegolf is steeds groter in Nederland. De afgelopen jaren werd het ene na het andere hitterecord verbroken. De binnen- en buitenruimte is hier niet op ontworpen, terwijl hitte grote gezondheidsrisico's met zich mee kan brengen.

Een versteende omgeving houdt de hitte vast en het koelt 's nachts niet meer af. Om hitte tegen te gaan is in dit plan voldoende water en groen opgenomen. Bij hitte kan een deel van dit water verdampen en het gebied verkoelen. Tevens zorgen de bomen voor voldoende schaduwplekken.

Om te zorgen dat de huizen die gebouwd worden bestand zijn tegen de weersextremen van de toekomst wordt er zoveel mogelijk klimaatadaptief gebouwd. De woningen zullen ten minste voldoen aan de wettelijke verplichtingen.

In het Masterplan is opgenomen dat de gebiedsontwikkeling moet zorgen dat de omgevingstemperatuur verlaagt. Het streven is de gevoelstemperatuur te verlagen met 5 – 7 graden (of het comfort-niveau ‘lichte hittestress’ te bereiken). Dit moet ten minste modelmatig gemonitord worden en per fase (van ontwikkeling) getoetst worden of dit gehaald wordt.

6.10.4 Droogte

Tijdens het droogteseizoen, van april tot oktober, is door de start van het groeiseizoen en de stijgende temperaturen de kans op watertekort aanwezig. Daarom monitoren de waterbeheerders, hoogheemraadschappen, waterschappen en drinkwaterbedrijven de situatie met het oog op eventuele problemen met droogte, watertekort en -kwaliteit.

Binnen het plangebied wordt voldoende water gerealiseerd dat in verbinding staat met het gehele watersysteem. Bij droogte kunnen hoogheemraadschappen en waterschappen ervoor kiezen water van het boezemwater via inlaten aan te vullen. Ook kan het waterpeil verhoogd worden zodat er meer water vastgehouden kan worden.

6.11 Circulair slopen en bouwen

6.11.1 Brainpark Circulair

Bij de vaststelling van het Masterplan Brainpark I is de motie Brainpark Circulair aangenomen. Hierin is opgenomen dat de college de ambitie heeft dat Rotterdam in 2050 volledig circulair is, waarbij;

  • bouwafval 40% van de totale Nederlandse afvalstroom vormt;
  • Brainpark I in de huidige situatie een multifunctioneel kantoren gebied is met gebouwen uit eind jaren '80 begin jaren '90 dat getransformeerd wordt;
  • een circulaire aanpak wordt geambieerd waarbij afval niet meer bestaat, kringlopen gesloten worden en steeds minder nieuwe grondstoffen benut worden;
  • de gemeente probeert de eigenaren/ ontwikkelaars te verleiden om hun vastgoed te transformeren en daarbij het gebied te verdichten.

In deze motie wordt het college verzocht om per ontwikkelaar of kavel een Plan van Aanpak Circulair bouwen op te stellen met daarin:

    • 1. Een onderbouwing op welke wijze wordt gestuurd op waarde behoud van bestaande gebouw(delen), materialen, het reduceren van sloop- en bouwafval en de manier waarop invulling wordt gegeven aan de doelen voor circulair bouwen;
    • 2. Een uitwerking hoeveel van de uitkomende materialen door sloop en bouw minimaal wordt hergebruikt en gerecycled in het gebied of elders toegepast;
    • 3. Over deze aanpak circulair bouwen te rapporteren aan de raad.
6.11.2 Masterplan circulair

Er wordt een waarde-scan gedaan van bestaande bebouwing en onderdelen in de buitenruimte. Dit is een inventarisatie van wat er al in het gebied is en wat behouden kan worden; als product, als materiaal of als grondstof. Op basis van de waarde-scan wordt een materialenpaspoort opgesteld van hoogwaardige elementen die behouden blijven in de gebouwde omgeving en / of de buitenruimte. Slopen en demonteren van bestaande bouwwerken gebeurt op slimme en circulaire wijze. Hierbij wordt gestuurd op waarde-behoud en het beperken van afval. Van de uitkomende materialen wordt bij voorkeur zoveel mogelijk binnen de eigen projecten hergebruikt en anders zo dicht bij de slooplocatie mogelijk.

Hoofdstuk 7 Handhaving

In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden.

Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in het “Handhavingsbeleidsplan Toezicht Gebouwen” uit 2009 wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.

Hoofdstuk 8 Financiële uitvoerbaarheid

Exploitatieverplichting
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.

Gelet op het voorgaande wordt in het kader van de voorgenomen ontwikkeling een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer. Daarmee wordt het voorliggende initiatief financieel uitvoerbaar geacht.

Conclusie

Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.

Hoofdstuk 9 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

9.1 Participatie

Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, zal een ieder gedurende zes weken, in de gelegenheid worden gesteld een zienswijze in te dienen met betrekking tot het ontwerpbestemmingsplan. Daarnaast zal voor of tijdens deze inzagetermijn een bewonersavond worden georganiseerd waar de plannen worden gepresenteerd.

Hoofdstuk 10 Procedure

10.1 Voorbereidingsfase

Overleg

Conform artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In dit kader is het concept-ontwerpbestemmingsplan voor advies worden toegezonden aan verschillende instanties.

De ontvangen reacties zijn samengevat en beantwoord in de Nota vooroverleg, die is opgenomen in bijlage 15 bij deze toelichting. In de beantwoording is per reactie aangegeven of de reactie aanleiding heeft gegeven het concept-ontwerpbestemmingsplan aan te passen.

10.2 Ontwerpfase

Na afronding van de inspraakprocedure en het vooroverleg wordt de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen die volgen uit de inspraakreacties en de overlegreacties worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Ook worden er - indien nodig - ambtshalve aanpassingen doorgevoerd.

Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan moet in de Staatscourant worden geplaatst en dient - met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening - ook via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan het waterschap en aan belanghebbende gemeenten.

Het ontwerpbestemmingsplan is gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen.

10.3 Vaststellingsfase

Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan.

Tegen het besluit tot vaststelling staat direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan.