direct naar inhoud van Toelichting
Plan: De Archipel
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0599.BP2189DeArchipel-va01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Jan Ligthartstraat te Rotterdam is de openbare basisschool SO De Archipel gevestigd. De school valt onder het beheer van Stichting BOOR. Naast de school staat een gymzaal welke in het beheer is van gemeente Rotterdam. De school wordt vervangen door nieuwbouw en de gymzaal wordt vervangen door een dubbele gymzaal. Het achterliggende schoolplein krijgt een update en krijgt het karakter van een groen binnenplein. De ontwikkeling van De Archipel en de naastgelegen gymzaal passen niet binnen het vigerende bestemmingsplan 'Motorstraatgebied', daarom wordt er een nieuw bestemmingsplan opgesteld voor deze locatie. Beide projecten worden gelijktijdig uitgevoerd.

1.2 Ligging en begrenzing

Het plangebied ligt in het Zuiden van Rotterdam in de wijk Feijenoord. Nabij de locatie ligt het Zuidplein. De locatie ligt nabij de kruising van de Jan Ligthartstraat en de Dordtsestraatweg. In onderstaand figuur is de plangrens globaal aangeduid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2189DeArchipel-va01_0001.png"

Figuur 1.1 Begrenzing plangebied

1.3 Vigerende bestemmingsplannen

In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied globaal aangeduid met een rode lijn. Binnen het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Motorstraatgebied'. Onderstaande afbeelding geeft de locatie van De Archipel weer in het vigerende bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2189DeArchipel-va01_0002.png"Figuur 1.2 Vigerend bestemmingsplan

Zoals op de afbeelding te zien is liggen de bestemmingen 'maatschappelijk-1' en 'tuin' in het plangebied. Verder ligt er ook een dubbelbestemming 'Waarde-archeologie 2' in het plangebied.

Hoofdstuk 2 Beleid

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, (vastgesteld 11 september 2020) loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op Rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen we in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen.

Toetsing

De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de NOVI, die gekenmerkt wordt door een hoog abstractie en schaalniveau. Ook uit het Barro volgens geen beperkingen die van invloed zijn op het plan.

2.1.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) (2017)

Op 12 mei 2017 is het 'Besluit van 21 april 2017 tot wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening in verband met de aanpassing van de ladder voor duurzame verstedelijking' gepubliceerd. In dit besluit is de gewijzigde 'ladder voor duurzame verstedelijking' opgenomen. Deze wijziging is op 1 juli 2017 in werking getreden. De belangrijkste wijzigingen die hierbij doorgevoerd zijn:

  • de drie treden van de ladder zijn losgelaten;
  • het begrip 'actuele regionale behoefte' is vervangen door de eenvoudigere term 'behoefte';
  • het uitgangspunt wordt: voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zowel binnen als buiten het bestaand gebied, moet de behoefte worden beschreven in de toelichting van het bestemmingsplan;
  • indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dan dient gemotiveerd te worden waarom niet binnen het bestaand stedelijke gebied in de behoefte kan worden voorzien;
  • de mogelijkheid is opgenomen om de toepassing van de ladder door te schuiven naar het latere uitwerkings- of wijzigingsplan.

Toetsing

Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. In dit geval gaat het om vervangende nieuwbouw van een bestaande school met de bijbehorende sportzaal. Daarnaast wordt een tweede sportzaal gerealiseerd. De sportzaal zal naast het gebruik door de school ook door derden gebruikt kunnen worden.

Omdat er sprake is van vervangende nieuwbouw, wordt dit niet gezien als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het toevoegen van een tweede sportzaal zou theoretisch nog wel als zodanig aangemerkt kunnen worden, maar valt in dat geval vanwege de maatvoering alsnog onder de drempel die gehanteerd wordt voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Uit de handreiking ladder voor duurzame verstedelijking (bron: Infomil) en uit jurisprudentie blijkt dat een ontwikkeling die niet op wonen is gericht, tot een oppervlakte van 500m2 niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling aangemerkt hoeft te worden. De twee sportzalen samen beslaan een oppervlakte van een kleine 1.000 m2 inclusief de bijbehorende voorzieningen. De oppervlakte van de extra sportzaal blijft daarmee onder de drempelwaarde van 500 m2 en hoeft om die reden niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling aangemerkt te worden. Verdere toetsing aan de Ladder van duurzame verstedelijking zoals die is vastgelegd in het Bor is om die reden niet nodig.

2.2 Provinciaal en regionaal beleid

2.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland

Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. De provincie heeft zes richtinggevende ambities geformuleerd in de fysieke leefomgeving. Door in te zetten op de zes ambities wordt bijgedragen aan het sterker maken van Zuid-Holland. Deze ambities zijn:

  • Naar een klimaatbestendige delta;
  • Naar een nieuwe economie: the next level;
  • Naar een levendige meerkernige metropool;
  • Energievernieuwing;
  • Best bereikbare provincie;
  • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Deze ambities zijn vertaald in beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. Voor de beoogde ontwikkeling is de opgave "Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied". Deze opgave betreft de zorg voor een goede ruimtelijke ontwikkeling, binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. Onderdeel van deze opgave is het bevorderen van een optimaal gebruik van de binnenstedelijke ruimte. De beleidskeuze hierbij is verstedelijking en wonen.

Toetsing

Het plan heeft betrekking op vervangende nieuwbouw van een school met sportzaal, waarbij bovendien een tweede sportzaal wordt gerealiseerd. Het provinciaal beleid doet hier geen specifieke uitspraken over, te meer omdat deze ontwikkeling binnen het bestaand stads- en dorpsgebied plaatsvindt waar de provincie nieuwe stedelijke ontwikkelingen wil concentreren. Het plan voldoet daarmee aan het provinciaal beleid.

2.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland 2020

De omgevingsvisie Zuid-Holland is vertaald in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Hierin zijn regels vastgelegd die doorwerking hebben in bestemmingsplannen die op gemeentelijk niveau worden opgesteld. Met deze verordening wordt het beleid uit de provinciale Omgevingsvisie zodoende geborgd bij plannen van lagere overheden.

Uit de Omgevingsverordening zijn met name artikel 6.2.2. over ruimtelijke kwaliteit en 6.2.3. over stedelijke ontwikkelingen van toepassing op dit bestemmingsplan.

Artikel 6.2.2. stelt ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in drie categorieën onderscheiden kunnen worden, afhankelijk van de mate waarin zij tot wijzigingen leiden van de bestaande gebiedsidentiteit en de bestaande structuur, aard en schaal van een gebied. In dit geval gaat het om vervangende nieuwbouw van een schoolgebouw met sportzalen op een stedelijke locatie. Op grond hiervan kan worden gesteld dat sprake is van de lichtste categorie die met artikel 6.2.2. onderscheiden wordt, namelijk inpassen. In dat geval zijn er geen specifieke c.q. aanvullende maatregelen nodig om het plan doorgang te kunnen laten vinden.

Artikel 6.2.3 bepaalt dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een aantoonbare behoefte binnen de relevante regio (Ladder van duurzame verstedelijking) en dat deze in beginsel binnen bestaand stads- en dorpsgebied plaats moet vinden.

Toetsing

De ladder voor duurzame verstedelijking is in paragraaf 2.1.2 reeds aan de orde gekomen. Ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit is sprake van een plan dat in voldoende mate passend is in de omgeving.

2.3 Gemeentelijk beleid

2.3.1 Stadsvisie Rotterdam: Ruimtelijke ontwikkelingsstrategie 2030

Vastgesteld op 29 november 2007 door de Rotterdamse gemeenteraad

De Stadsvisie vormt het ruimtelijk kader voor alle investeringen, projecten en plannen die in de stad worden gerealiseerd. De Stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de stad Rotterdam, voor de periode tot 2030. De Stadsvisie heeft als missie een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad.

Deze missie is uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op de onderwerpen wonen en economie. Deze kernbeslissingen bepalen wat de komende jaren op deze onderwerpen gebeurt in de stad. Veel van de kernbeslissingen zullen de komende vijftien jaar worden omgezet in de uitvoering van een aantal (bouw) projecten in de stad, waardoor Rotterdam over pakweg vijftien jaar inderdaad een sterke economie heeft en aantrekkelijke woongebieden kent, ook voor haar hoogopgeleide bewoners. De inzet van cultuurhistorisch erfgoed en architectuur bij ontwikkelingen van de stad is één van de kernbeslissingen uit de Stadsvisie Rotterdam 2030.

Op basis van effectmeting zijn dertien gebiedsontwikkelingen aangewezen die het belangrijkst zijn voor de realisatie van de doelen 'sterke economie' en 'aantrekkelijke woonstad', zogenoemde VIP-gebieden. Deze dertien grote gebiedsontwikkelingen krijgen prioriteit in de nabije toekomst (de komende 10 jaar). 

Ahoy / Zuidplein / Vaanweg / Pleinweg is aangewezen als één van deze gebiedsontwikkelingen. Verder zijn er in de stadsvisie ook gebiedsuitwerkingen opgenomen per deelgebied. Hierin is ook de dubbelslag op Zuid meegenomen.

Conclusie

Dit bestemmingsplan ligt tussen Ahoy/Zuidplein en het Stadionpark in en is gekoppeld aan het waterwoonnetwerk. Dit waterwoonnetwerk is het gebied tussen Ahoy/Zuidplein en het Stadionpark. De Dubbelslag op Zuid benoemd in haar gebiedsuitwerking een aantal punten om aan te werken. Deze zijn opgenomen in een zogenaamde kanskaart. Eén van deze punten zijn de voorzieningen in het onderwijs. Hierover zegt de visie: 'In iedere wijk moet straks een compleet aanbod zijn van goede basisscholen, gezondheidscentra, wijkgebouwen en sportfaciliteiten.' Hierbij sluiten de ontwikkelingen op het terrein van De Archipel bij aan. Daarmee is deze ontwikkeling niet in strijd met de Stadsvisie.

2.3.2 Integraal Huisvestingsplan Onderwijs 2020-2023

De gemeente Rotterdam hecht waarde aan een prettige en goede leeromgeving om ervoor te zorgen dat leerlingen met plezier naar school gaan en er verspreid over de stad passend onderwijs geboden kan worden.

Met het Integraal Huisvestingsplan Onderwijs 2020-2023 wordt hier sturing aan gegeven. Het Huisvestingsplan gaat niet, zoals de naam wellicht doet vermoeden, uitsluitend over de fysieke huisvesting van scholen, maar ook over de spreiding van de verschillende soorten onderwijs over de stad. Het centrale doel van het IHP is om via de huisvesting van scholen bij te dragen aan het verbeteren van de onderwijskwaliteit van scholen in Rotterdam.

Het IHP kent twee centrale ambities die doorkijken naar 2035 en waar in de periode 2020-2023 een

flinke stap in gezet moet worden, te weten:

  • 1. Evenwichtiger onderwijsaanbod

Betere geografische spreiding over de stad en de wijken van sterk, gevarieerd en kwalitatief goed onderwijs, zodat vraag en aanbod beter op elkaar aansluiten.

  • 2. Betere kwaliteit huisvesting

Bij nieuwbouw duurzamer en flexibeler bouwen, zodat groei, krimp en medegebruik makkelijker op te

vangen en in te passen zijn. Schoolgebouwen worden geschikt gemaakt voor voorscholen. De vervlechting van zorg in het onderwijs is daarbij een aandachtspunt. Ook de reguliere vervangingsopgave van verouderde schoolgebouwen is hier onderdeel van.

In het IHP wordt De Archipel genoemd als school voor speciaal onderwijs en staat genoemd dat voor de school, op haar huidige locatie, vervangende nieuwbouw gewenst is. Het bestemmingsplan sluit daarmee aan bij de doelstelling uit dit Huisvestingsbeleid.

2.3.3 Woonvisie Wonen in Rotterdam

Vastgesteld op 19 juni 2003 door de Rotterdamse gemeenteraad

De gemeentelijke woonvisie beschrijft de aanpak van de huisvesting tot 2006 en de koers naar 2017. Het verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen, en specifiek mensen met hogere inkomens en hoge opleiding, om die voor de stad te behouden. Om het woningaanbod substantieel om te vormen, is de eerste voorwaarde dat het bouwtempo omhoog gaat. Ook wil de gemeente het eigen woningbezit in de stad stimuleren. Woningen worden gerealiseerd in hoogwaardige woonmilieus. Verder wordt het verbeteren van woningen, woonomgeving, buitenruimte en voorzieningen nagestreefd waarvoor herstructurering de meeste aangewezen oplossing is. Tevens is de wenselijkheid aangegeven om in beperkte mate en onder strikte randvoorwaarden nieuwe goedkope woningen te realiseren. De Woonvisie doet geen gebiedsgerichte uitspraken.

Conclusie

Het bestemmingsplan De Archipel betreft geen woningbouwontwikkeling. Wel sluit deze ontwikkeling aan bij de woonvisie waar wordt ingezet op het 'versterken van woonmilieus, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid'. Dit bestemmingsplan valt onder het gebied 'Groenstedelijk Wonen'. Deze ontwikkeling is niet in strijd met de Woonvisie van Rotterdam.

2.3.4 Welstandsnota Rotterdam

Het welstandsbeleid is op 11 oktober 2012 vastgelegd in de Welstandsnota Rotterdam door de gemeenteraad.

Welstandsniveaus

Op de kaart Welstandsniveaus worden verschillende gebieden aangegeven. De als bijzonder aangemerkte gebieden en structuren zijn van bijzonder belang voor de stad Rotterdam. Deze gebieden worden in de Welstandsnota apart beschreven en er is een uitgebreider welstandsbeleid op van toepassing. Dan zijn er de gebieden waar geen welstandstoets zal plaatsvinden; de welstandvrije gebieden. Daarnaast zijn gebieden aangeduid die in ontwikkeling zijn. Voor de overige gebieden geldt het welstandsniveau regulier.

Gebiedstypen 
De kaart Gebiedstypen geeft een indeling van gebiedstypen. Elk gebiedstype heeft eigen karakteristieken en kenmerken. Hierdoor zijn per gebiedstype verschillende welstandsregels (aanvullende gebiedscriteria) van toepassing.

Dit bestemmingsplan valt onder een regulier welstandsniveau. Op de locatie van dit bestemmingsplan is de Welstandsparagraaf Motorstraatgebied en Landbouwbuurt van toepassing.

Welstandsparagrafen

In sommige delen van Rotterdam vind een ingrijpende transformatie of herstructurering plaats. Voor deze gebieden is een welstandsparagraaf waarin is vastgelegd wat de nieuwe karakteristieken zijn die worden nagestreefd en met welke (architectonische) middelen deze bereikt kunnen worden. Een welstandsparagraaf is een aanvulling op de Welstandsnota Rotterdam en moet worden vastgesteld door de gemeenteraad, nadat het wettelijk voorgeschreven inspraaktraject is doorlopen (zie paragraaf 2.3.5).

2.3.5 Welstandsparagraaf Motorstraat en Landbouwbuurt

Het Motorstraatgebied vormt, samen met het Zuidplein en het gebied rond Ahoy, het hart van Zuid. Deze welstandsparagraaf behandelt het Motorstraatgebied en de naastgelegen Landbouwbuurt.

Het plangebied maakt deel uit van het Motorstraatgebied. In de huidige situatie oogt het Motorstraatgebied op verschillende plekken erg rommelig. In de toekomst moet hier een hoogwaardig stedelijk gebied ontstaan, als onderdeel van Hart van Zuid, waar gewerkt en op een aantal plekken ook gewoond wordt. De bebouwing in het Motorstraatgebied moet de heldere structuur en hoogwaardige inrichting van de openbare ruimte versterken. Het is de bedoeling dat gebouwen bijdragen aan een hoogwaardige en stedelijke uitstraling van het gebied. De materialisatie is eigentijds en vormt een hedendaags interpretatie van de wederopbouwarchitectuur. Belangrijk is dat de bebouwing een wand vormt aan de straat. Daartoe wordt overal dezelfde rooilijn gehanteerd en hebben de gebouwen een op elkaar afgestemde bouwhoogte. Het programma dat voor het Motorstraatgebied is opgesteld bestaat uit: gemengde bebouwing, bedrijven en kantoren, wonen en bijzondere doeleinden. Principes wederopbouwarchitectuur:

  • Een geoptimaliseerde constructie en bouwsystematiek;
  • het feit dat de belijning in de gevel direct voorkomt uit de constructie;
  • verschil tussen drager (constructie) en invulling;
  • helderheid en afleesbaarheid van de gevelcompositie plint/middenstuk/toplaag;
  • de gevelinrichting kent een fijnschalig raster en repetitie;
  • de gevel kent reliëf en driedimensionale accenten zoals balkons;
  • materialisatie kent beton, glas, staal maar ook metselwerk (alleen dan veelal geen gevels met gaten);
  • ingetogen gevelbeeld, maar met aandacht voor detail;
  • zakelijke vormgeving, maar met ruimte voor kunstwerken.

Conclusie

De nieuwe ontwikkeling dient getoetst te worden aan de welstandsparagraaf Motorstraatgebied en Landbouwbuurt. Verder zijn in de Nota van Uitgangspunten, die is opgenomen in Bijlage 1 bij deze toelichting, thema's geformuleerd die van belang zijn voor deze ontwikkeling. Deze Nota van Uitgangspunten komt nader aan bod in Hoofdstuk 4 bij de beschrijving van het plan.

2.3.6 Beleidsregel Buitenklimaat

De gemeente Rotterdam kent sinds eind 2012 de 'Beleidsregel Buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderdagverblijven', waarmee zij stuurt op de locaties van scholen en kinderdagverblijven met het oog op het buitenklimaat en de luchtkwaliteit.

De Beleidsregel is van toepassing op nieuwe scholen (voor kinderen) en kinderopvang (met uitzondering van gastouderopvang). Waarbij voor scholen en kinderopvang in de nabijheid van rijkswegen en drukke stedelijke wegen een ‘nee-tenzij’ beleid geldt en voor andere scholen en kinderopvang een motivatieplicht voor de keuzes die in relatie tot luchtkwaliteit zijn gemaakt. Omdat de Beleidsregel is gericht op kinderen in de groei als kwetsbare groep voor luchtverontreiniging is de Beleidsregel alleen van toepassing op kinderopvang, basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs. De Beleidsregel is niet van toepassing op, MBO’s, HBO’s, universiteiten en opleidingsinstellingen voor volwassenen.

Met nieuw wordt hier bedoeld dat het om een nieuwe planologische situatie moet gaan. Dit wil zeggen dat er een nieuw bestemmingsplan (of omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan) wordt opgesteld waarin bestemmingen zijn opgenomen die een school of kinderopvang mogelijk maken op een locatie waar dit in het voorgaande bestemmingsplan niet het geval is. Als in een geldend bestemmingsplan vrijstellings- of wijzigingsmogelijkheden zijn opgenomen waarmee een school of kinderopvang kan worden gerealiseerd, dan bestaat bij het toepassen daarvan geen grondslag voor toetsing aan de Beleidsregel.

In dit geval wordt er weliswaar een nieuw bestemmingsplan opgesteld, maar is enkel sprake van vervangende nieuwbouw voor de bestaande school. In het bestaande bestemmingsplan was eveneens de mogelijkheid aanwezig een school te realiseren op deze locatie. De beoogde ontwikkeling valt daarmee buiten het toepassingsbereik van de beleidsregel.

Als er ondanks dat toch een korte check wordt gedaan op de afstandseisen die de beleidsregel hanteert voor nieuwe scholen, te weten minimaal 100 m tot Rijkswegen en 50 m tot andere drukke wegen (> 10.000 motorvoertuigen per etmaal), dan blijkt dat aan beide eisen wordt voldaan. De dichtstbijzijnde Rijksweg (A15) bevindt zich op meer dan 2 km afstand. De meest drukke weg binnen 50 m betreft in dit geval de Dordtsestraatweg. Zowel uit gegevens van het RVMK als het NSL blijkt dat deze weg te hoogte van het plangebied een verkeersintensiteit heeft die lager ligt dan 10.000 mvt/etmaal. Hiermee wordt voldaan aan de vereisten uit de beleidsregel.

Voor scholen buiten de genoemde zones schrijft de beleidsregel bovendien een motivatieplicht voor met betrekking tot de keuzes die gemaakt zijn ten aanzien van luchtkwaliteit. In dit geval is er gekozen voor vervangende nieuwbouw op een bestaande schoollocatie. Zoals ook uit paragraaf 6.5 blijkt wordt op deze locatie voldaan aan de vereisten ten aanzien van luchtkwaliteit.

2.3.7 Nota van uitgangspunten

In de Nota van Uitgangspunten zijn onder andere ruimtelijke uitgangspunten vastgelegd voor de vervangende nieuwbouw van de school en de gymzalen. De hoofdopzet die daarmee wordt nagestreefd is vastgelegd in de randvoorwaardenkaart, zoals opgenomen in de Nota van Uitgangspunten en hierna weergegeven als figuur 2.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2189DeArchipel-va01_0003.png"

Figuur 2.1 Randvoorwaardenkaart (bron: Nota van Uitgangspunten Archipel + dubbele gymzaal)

Er is gekozen voor één bouwveld waarbinnen zowel het schoolgebouw als de dubbele gymzaal gerealiseerd moeten worden, gelegen aan de voorzijde van het terrein. Langs de westzijde zal een openbare groenstrook worden aangelegd met mogelijkheden voor een nieuwe langzaam verkeersverbinding. Het schoolplein (groen gearceerd) zal aan de achterzijde van de bebouwing komen en tot slot wordt het parkeren aan de oostzijde van het terrein ingericht.

Uit de Nota van Uitgangspunten blijkt verder dat voor het schoolgebouw wordt uitgegaan van 2 bouwlagen en een technieklaag. De gymzalen zullen gelet op de benodigde hoogtematen voor een gymzaal van vergelijkbare hoogte zijn. Beide gebouwen worden voorzien van een plat dak, wat ruimte biedt voor eventuele groene daken of zonnepanelen.

Voor het afzetten van leerlingen werd in de Nota van Uitgangspunten nog uitgegaan van een route om rond de gymzaal te rijden. Daarbij konden busjes met leerlingen tussen de gebouwen door op het achterterrein komen, waarna ze via het parkeerterrein (voor leerkrachten) aan de oostzijde weer naar de openbare weg konden rijden. Inmiddels is de keuze gemaakt om dit te splitsen, zodat het schoolplein c.q. speelterrein en de ruimte waar auto's en busjes rijden duidelijk van elkaar gescheiden zijn. De auto's en busjes zullen daarom gebruik maken van dezelfde entree langs de oostzijde van de gymzaal. Op het achterliggende terrein is voldoende ruimte om rond te rijden en via dezelfde route terug naar de openbare weg te rijden.

Voor het speciaal onderwijs van de Archipel is het verder van belang om de privacy en prikkelarme omgeving op het terrein zo veel mogelijk te waarborgen. In de stedelijke omgeving van het Motorstraatgebied is dit een uitdaging. Door de positionering van het plein aan de achterzijde van

het bouwblok wordt de privacy van het schoolplein vergroot ten opzichte van de huidige situatie. Verder wordt de mate van privacy door erfafscheidingen, beplanting en bomen vergroot. Het is van belang dat de erfafscheidingen niet overklimbaar zijn voor de leerlingen.

De ruimtelijke mogelijkheden uit dit bestemmingsplan, zijn afgestemd op de kaders en keuzes uit deze Nota van Uitgangspunten.

Hoofdstuk 3 Beschrijving van het plangebied

3.1 Ontstaansgeschiedenis

Zo’n honderd jaar geleden was het Motorstraatgebied nog open polderland. Langs de Dordtsestraatweg (de route van Dordrecht naar het haventje van Katendrecht) werd al wel de Landbouwbuurt gebouwd. Deze buurt lag als een enclave in het landschap.

In de jaren ’30 was het omliggende landschap al voor een groot deel bebouwd (o.a. tuindorp Vreewijk). Het Zuidplein en het Motorstraatgebied vormden echter nog een leeg vlak in de stad. Halverwege de jaren ’50 werd het Verzamelgebouw Zuid opgeleverd. Dit was de eerste bebouwing in dit gebied.

Eind jaren ’60 was een groot deel van de huidige bebouwing in het Motorstraatgebied, zoals het Ikazia ziekenhuis, gerealiseerd. Voor de bouw van deze gebouwen heeft een groot deel van de oude lintbebouwing langs de Dordtsestraatweg moeten wijken. De kleinschalige bebouwing werd vervangen door grote gebouwen. De huidige Montessoriweg vormde de belangrijkste ontsluiting van het Motorstraatgebied. Gebouwen zoals het Ikazia ziekenhuis zijn hierop georiënteerd. Slechts enkele jaren later werd de Vaanweg buitenom het ziekenhuis omgelegd en deze fungeert sindsdien als één van de belangrijke hoofdontsluitingswegen voor Rotterdam-Zuid richting de ring (A15).

Het grote lege vlak dat ondertussen voor de helft bebouwd was, werd door de nieuwe ontsluitingsweg in twee delen gesplitst. De gebieden Motorstraat en Zuidplein waren een feit. Het gevolg was dat de bestaande bebouwing langs de westzijde van de Montessoriweg ineens met de achterzijde op de belangrijkste invalsroute van Rotterdam Zuid was gericht. Ongeveer tegelijkertijd werd ook de metro in gebruik genomen. De zuidelijke wijken werden door de metro verbonden met het centrum van de stad. In het gebied tussen het tracé van de metro en het Motorstraatgebied werd het winkelcentrum Zuidplein gebouwd. Begin jaren ’70 was dit complex inclusief Ahoy gereed. De nieuwe hoofd-ontsluitingsweg (Vaanweg / Strevelsweg) mocht voor de bebouwing van het Motorstraatgebied qua ligging niet optimaal zijn, het Zuidpleingebied kon er uitstekend door worden ontsloten.

3.2 Archeologie

Bewoningsgeschiedenis

Op verschillende momenten in de Prehistorie, de Romeinse tijd en de Middeleeuwen (tot 1000) was het gebied voor de mens toegankelijk en bewoonbaar.

In de Late Middeleeuwen maakte het plangebied deel uit van de Riederwaard, een rondom bedijkt gebied dat een groot deel van het huidige IJsselmonde besloeg. In de periode 1373 tot 1375 gaat de Riederwaard ten onder aan een reeks overstromingen, waarna het gebied in fasen wordt herbedijkt. Tussen 1425 en 1475 wordt de Polder Charlois gevormd. Het zuidelijk deel van het gebied bevindt zich in deze voormalige polder, het noordelijk deel van het plangebied bevindt zich in een kleine polder met de naam Ons Genoegen. De dijken om de polders van IJsselmonde werden vaak benut als woonlocatie. De Dordtsestraatweg is gerelateerd aan het historisch tracé van de oostelijke dijk van de voormalige Polder Charlois.

Archeologische potentie

Het plangebied maakt deel uit van een archeologisch kansrijk gebied. Op de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Rotterdam (2005) wordt aan de locatie een redelijk tot hoge archeologische verwachting toegekend, met uitzondering van de Dordtsestraatweg en een strook er langs, dit tracé heeft een zeer hoge archeologische verwachting (zie figuur 3.1). Eventuele bewoningssporen vanaf de Late Middeleeuwen worden verwacht op de bovenste bodemlaag ter plaatse, de Afzettingen van Duinkerke III. Oudere bewoningssporen (Middeleeuwen en Romeinse tijd) worden verwacht op een veenlaag onder de Afzettingen van Duinkerke (Hollandveen), dat op de locatie voorkomt vanaf circa 1,5 meter onder het maaiveld. In de diepere ondergrond (onder het veen) kunnen bewoningssporen uit de Prehistorie aanwezig zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2189DeArchipel-va01_0004.png"

Figuur 3.1 Archeologische verwachting binnen het plangebied

Aanbevelingen

Waarde - Archeologie 2

Voor het plangebied is Waarde - Archeologie 2 van toepassing. Binnen deze zone geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden dieper dan 1,5 meter beneden maaiveld die tevens een oppervlakte groter dan 200 m2 beslaan.

Conclusie

Het plangebied valt onder Waarde-Archeologie 2. De verplichting tot archeologisch onderzoek is geborgd met de archeologische dubbelbestemming die in de planregels is vastgelegd. Afhankelijk van de uiteindelijke maatvoering (diepte en oppervlakte) zal bij het aanvragen van de omgevingsvergunning een archeologisch onderzoek uitgevoerd moeten worden.

3.3 Huidig gebruik

Het plangebied bevindt zich in de wijk Feijenoord en specifiek in het Motorstraatgebied. Dit is van oorsprong een bedrijventerrein dat in de afgelopen 10 jaar in transitie is naar een gemengd gebied. Nabij het plangebied bevinden zich onder andere gestapelde woningen en een groot aantal maatschappelijke voorzieningen, waaronder het Ikaziaziekenhuis, een politiebureau, scholen en zorginstellingen. Ook is sprake van enige bedrijvigheid alsmede van een verzamelgebouw voor kantoren en dienstverlenende functies.

De komende jaren worden meer woningen in het Motorstraatgebied gerealiseerd in het kader van de groei van de stad in de invloedssfeer van Hart van Zuid en de doelstellingen van het nationaal programma Rotterdam Zuid (NPRZ).

Het plangebied omvat de bestaande bebouwing van De Archipel, bestaande uit het schoolgebouw met bijbehorende sportzaal, alsmede een aantal speelpleinen en parkeerruimte behorende bij de school.

3.4 Stadsgezichten en Monumenten

Algemeen

De gemeente Rotterdam kent een groot aantal panden en gebieden die vanwege cultuurhistorische waarden worden beschermd. Voor de bescherming wordt gebruik gemaakt van bestaand instrumentarium. In het bestemmingsplan zijn geen nadere planologische regelingen opgenomen - behoudens (indien aan de orde) de planologische bescherming die overeenkomstig de Erfgoedwet (2016) dient te rusten op een beschermd dorps- of stadsgezicht. Gemeente Rotterdam maakt onderscheid tussen de volgende gebieden en gebouwen:

Beschermde stadsgezichten (BS)

Rotterdam kent door haar stedelijke omgeving alleen beschermde stadsgezichten. Een beschermd stadsgezicht is een groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens schoonheid, onderlinge ruimtelijke structurele samenhang of wetenschappelijke waarde. De bescherming richt zich op de stedenbouwkundige karakteristiek en op een samenhangend geheel van straten en bebouwing. Het gaat om gebieden die ouder zijn dan vijftig jaar. Na aanwijzing van een beschermd stadsgezicht dient er binnen twee jaar een bestemmingsplan beschikbaar te zijn waarin de historische kwaliteiten en de relatie tot eventuele toekomstige ontwikkelingen vastliggen.

Wederopbouwaandachtsgebieden

Naast de van rijkswege beschermde stadsgezichten kent Rotterdam in de binnenstad een aantal wederopbouwaandachtsgebieden met een waardevolle samenhang tussen het stratenplan, de invulling van de bouwblokken en de architectuur. Bij nieuwe ontwikkelingen dient bekeken te worden hoe deze historische kwaliteiten kunnen worden behouden. Betreffende gebieden hebben geen juridische of formele status.

Rijksmonumenten (RM) en Gemeentelijke monumenten (GM)

Een rijks- of gemeentelijk monument kan zijn een gebouw, water, terrein of een ander object dat van nationaal belang is, of van algemeen belang voor Rotterdam is (gemeentelijk monument), vanwege de schoonheid, betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Dit is vastgelegd in respectievelijk de Erfgoedwet (2016) en de monumentenverordening Rotterdam 2010. Bij een monument gaat het om één gebouw of complex, zowel buiten als van binnen. Voor een Rijksmonument geldt dat het object ten minste vijftig jaar oud moet zijn. Als vanzelfsprekend is het verboden om wijzigingen aan te brengen aan een beschermd monument zonder vergunning.

Beeldbepalende objecten (BO) en Beeldbepalende gevelwanden (BG)

In Rotterdam is een groot aantal gebouwen te vinden die geen status hebben als gemeentelijk monument, maar wel van monumentale waarde zijn, zogenaamde beeldbepalende objecten. Voor deze panden geldt geen wettelijke bescherming, maar de gemeente zet zich wel in om de waarden van deze panden te behouden. Ook kent Rotterdam monumentale gevelwanden. Deze komen zelden in aanmerking voor een monumentstatus, maar zij bepalen voor een belangrijk deel wel het karakter van de stad. Deze wanden versterken de ruimtelijke kwaliteit en instandhouding wordt dan ook gestimuleerd.

Conclusie

Het plangebied valt niet binnen de bescherming van cultuurhistorische waarden zoals de gemeente deze heeft opgesteld.

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

4.1 Aanleiding

Voorafgaand aan het opstellen en in procedure brengen van dit bestemmingsplan, is door de gemeente Rotterdam, in overleg met de school en Stichting BOOR, een Nota van Uitgangspunten opgesteld voor de nieuwbouw voor De Archipel. Deze Nota is opgenomen als Bijlage 1 bij deze toelichting.

De Nota van Uitgangspunten was op haar beurt een voortvloeisel van het feit dat het bestaande pand, in 2014 door de gemeente Rotterdam op een aandachtspandenlijst is opgenomen. Daarop zijn 146 panden opgenomen die op grond van een aantal indicatoren, zoals bouwkundige-,bouwtechnische- en functionele kwaliteit, voor nieuwbouw dan wel renovatie in aanmerking zouden moeten komen. De Archipel is een van de panden op deze lijst.

De Archipel is een school voor speciaal onderwijs voor leerlingen met internaliserende gedragsproblemen in de leeftijd van 4 t/m 12 jaar. Deze doelgroep vraagt een specifieke aanpak, waarbij les wordt gegeven in kleine groepen (ca. 12 leerlingen). De school heeft een regionaal verzorgingsgebied en daarom worden veel leerlingen met taxibusjes gebracht.

Nadat bekend werd dat het huidige pand voor Stichting BOOR heeft in samenwerking met de gemeente een businesscase door Spring Architecten en BBN adviseurs op laten stellen voor de herontwikkeling van de Archipel. Hierbij zijn twee varianten uitgewerkt: renovatie van het bestaande gebouw en sloop-nieuwbouw. De conclusie van de businesscase is om voor sloopnieuwbouw te kiezen. Hierdoor kan een bij het type onderwijs passend compact gebouw gerealiseerd worden. Financieel gezien is het verschil marginaal. Het bestaande schoolgebouw heeft overigens geen cultuurhistorische waarde.

Daarnaast maakt De Archipel, samen met de Reconschool, gebruik van de bestaande gymzaal op Jan Ligthartstraat 6. Deze gymzaal is eveneens verouderd. Voor de gymzaal is een vervangingsbudget beschikbaar. Vanuit het Sportbedrijf is aangegeven dat in deze omgeving een tekort is aan gymcapaciteit en dat er budget beschikbaar is om de capaciteit uit te breiden naar een dubbele gymzaal.

4.2 Planbeschrijving

De uitwerking van het definitieve bouwplan vindt parallel plaats aan het opstellen van dit bestemmingsplan. Het indienen van de vergunningaanvraag voor het definitieve bouwplan zal na vaststelling van het bestemmingsplan plaatsvinden, waarbij de kaders uit dit bestemmingsplan, zoals in de vorige paragraaf beschreven, logischerwijs maatgevend zijn.

Doordat het ontwerp voor zowel De Archipel als de dubbele gymzaal parallel aan het opstellen van dit bestemmingsplan plaatsvindt, kan al een impressie getoond worden van de nieuwe bebouwing. Deze impressie is opgenomen in figuur 4.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2189DeArchipel-va01_0005.png"

Figuur 4.1 Impressie nieuwbouw

De impressie toont een aanzicht vanaf de Jan Ligthartstraat, met links een deel van de gymzalen in beeld en rechts het nieuwe schoolgebouw. Hieruit is duidelijk af te lezen dat de gymzalen en de school als twee losse gebouwen ontworpen zijn met ieder een eigen entree. Door de toepassing van een uniforme uitstraling en door te werken met een grotendeels doorlopende gevel aan de straatzijde, wordt naar de straatzijde toe een samenhangende uitstraling gecreëerd en wordt tevens een duidelijke afscherming tussen de straatzijde en het binnenplein gecreëerd.

De gymzalen zijn daarbij zo ontworpen dat alleen de zalen de volledige hoogtemaat zullen krijgen, met daarom heen een lager bouwdeel waarin zich algemene ruimtes en kleedruimtes bevinden.

Op het achterterrein wordt het terrein zodanig ingericht dat de scholieren hier op een prettige manier van het terrein gebruik kunnen maken, met een duidelijke afbakening van het terrein naar buiten toe en met natuurlijke elementen om binnen het terrein verschillende ruimtes te creëren. Onderstaand figuur geeft de toekomstige situatie weer van de Archipel en naastgelegen dubbele gymzaal.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2189DeArchipel-va01_0006.png"

Figuur 4.2 Situatietekening Archipel met dubbele gymzaal

4.3 Juridische planbeschrijving

Het bestemmingsplan is afgestemd op de uitgangspuntenkaart van de Nota van Uitgangspuntenkaart. Naar aanleiding hiervan is een verbeelding opgesteld zoals weergegeven in figuur 4.3.

Er is voor gekozen om de school, de gymzalen en het achterliggende terrein voor spelen en parkeren, volledig te bestemmen als Maatschappelijk - 1. Binnen deze bestemming zijn twee losse bouwvlakken opgenomen, waarbinnen de school en de gymzalen gebouwd dienen te worden. Beide vlakken hebben als uitgangspunt een maximum bouwhoogte van 8 m. Bij de school is daar aanvulling op gedaan met een gedeelte waar tot 12 m hoog gebouwd mag worden. Voor de sportzalen is juist een deel aangemerkt waar tot 4 m hoog gebouwd mag worden.

De strook langs de westzijde is bestemd als Groen en over het gehele plangebied ligt de dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 1. Tot slot is aan de voorzijde van het bouwvlak nog een smalle strook grond als Verkeer-Verblijfsgebied bestemd. Dit sluit aan bij de Jan Ligthartstraat, die eveneens deze bestemming heeft.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2189DeArchipel-va01_0007.png"

Figuur 4.3 Verbeelding bij het bestemmingsplan

Hoofdstuk 5 Water

5.1 Beleidskader

5.1.1 Inleiding

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.

Waterbeheer en watertoets

Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Op 19 april 2021 is de digitale watertoets ingevuld, hieruit blijkt dat kan worden volstaan met een standaardparagraaf. Het waterschap heeft een positief wateradvies afgegeven met betrekking tot deze ontwikkeling.

5.1.2 Waterschapsbeleid

In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2016-2021) staan de doelen van het Waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan.

Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplicht gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1.500 m2 of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen:

  • 1. Nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingstoename;
  • 2. Nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied;
  • 3. Nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief.

Huidige situatie

Het plangebied bestaat momenteel uit de bestaande school en gymzaal en is grotendeels verhard. De locatie ligt op de kruising van de Jan Ligthartstraat en de Dordtsestraatweg.

 

Bodem en grondwater

Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege de ligging in de bebouwde kom is het plangebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. Ten zuiden van het plangebied bestaat de grond uit lichte klei met homogeen profiel en zavel met homogeen profiel. Met betrekking tot grondwater is ten zuidwesten van het plangebied sprake van grondwater V. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) op 40 centimeter onder maaiveld ligt. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ligt op 120 centimeter onder maaiveld. Het maaiveld ligt op circa 1,10 meter -NAP.

Waterkwantiteit

Conform de legger van het Waterschap Hollandse Delta zijn in het plangebied geen watergangen aanwezig. Wel bevindt zich in het oosten een hoofdwatergang (figuur 4.2). De beschermingszone van een hoofdwatergang betreft 3,5 meter. Binnen deze beschermingszones gelden conform de Keur van het Waterschap Hollandse Delta beperkingen voor bouwen en aanleggen ter bescherming van en om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden. Het plangebied komt niet in de beschermingszone.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied.

Veiligheid en waterkeringen

Het plangebied bevindt zich niet in de kernzone van een waterkering.

Afvalwaterketen en riolering

De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemeentelijk gemengd rioolstelsel.

Toekomstige situatie

De beoogde ontwikkeling bestaat uit de vervanging van de school en gymzaal door een nieuwe school met twee gymzalen. Ook het achterliggende schoolplein krijgt een update en krijgt het karakter van een groen binnenplein.

Bodem en grondwater

De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater.

Waterkwantiteit

Het plangebied wordt niet begrensd door watergangen. Bij een toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2 (in stedelijk gebied) of 1.500 m2 (in landelijk gebied) is compensatie door aanleg van waterberging nodig. De toename in verharding ten opzichte van de huidige situatie is minder dan de grens van 500 m2 waardoor geen compensatie noodzakelijk is.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Veiligheid en waterkeringen

De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving.

Afvalwaterketen en riolering

Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • hemelwater vasthouden voor benutting,
  • (in-) filtratie van afstromend hemelwater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.

Conclusie

De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen zijn onderzocht voor het plangebied. Hieruit blijkt dat er geen compensatie voor verharding nodig is, omdat de toename van verharding beneden de grenswaarde van 500 m2 blijft. Het plangebied valt niet in de beschermingszones van watergangen of waterkeringen in de buurt. Hierdoor kunnen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse uitgesloten worden.

5.1.3 Gemeentelijk beleid

Waterbeheerprogramma 2016-2021

Vanaf 2016 is er een nieuw waterbeheer programma van kracht. Het ontwerp hiervan is inmiddels beschikbaar. Het programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema's Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen. Voor het thema water en ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling. Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Voor Hollandse Delta ligt de nadruk op de eerste laag: een overstroming voorkomen door middel van (primaire) waterkeringen. Voor de tweede laag is als doel geformuleerd dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van een overstroming.

Waterplan2 Rotterdam

De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan 2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen:

  • Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk.
  • Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig.
  • Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen.

Een onderdeel van het Waterplan 2 Rotterdam is het uitvoeringsprogramma 2007-2012. Hierin staat welke projecten in de komende 5 jaar worden uitgevoerd en welke projecten worden voorbereid voor uitvoering na 2012. Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. In juni 2013 is een herijking van het waterplan vastgesteld met een uitvoeringsstrategie tot 2018.

Gemeentelijk Rioleringsplan Rotterdam

Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) Rotterdam 2016-2020 is een wettelijk verplicht meerjarenbeleidsplan, dat alle aspecten op het gebied van de rioleringstaak van de gemeente Rotterdam behandelt. Het plan is in overleg met de waterkwaliteitsbeheerders opgesteld. Voor de planperiode 2016-2020 heeft Rotterdam vier doelen geformuleerd:

  • Beschermen van de volksgezondheid door doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater.
  • Voorkomen van wateroverlast door doelmatig inzamelen, transporteren en verwerken van hemelwater.
  • Voorkomen of beperken van structureel nadelige gevolgen van een hoge of lage grondwaterstand door doelmatige maatregelen in openbaar gebied.
  • Rotterdammers van dienst zijn en bewustwording tot stand brengen over hun rol in het stedelijk watersysteem door actief communiceren en de Rotterdammers en Rotterdamse bedrijven handelingsperspectieven te laten zien.

Rotterdamse Klimaatadaptatie Strategie

In 2008 heeft Rotterdam het klimaatadaptatieprogramma Rotterdam Climate Proof vastgesteld. Eén van de belangrijkste resultaten van dit programma is het opstellen van een klimaatadaptatiestrategie voor Rotterdam. Deze strategie is eind 2013 vastgesteld. De klimaatadaptatiestrategie geeft aan welke aanpak wordt gevolgd om de stad aan te passen aan de klimaatverandering. De strategie geeft aan waarom Rotterdam zich aanpast en welke stappen hiervoor gezet worden. Aanpassing aan de klimaatverandering is een zaak van lange adem die echter nu moet starten, omdat de stad voortdurend verandert en zich verder ontwikkelt. De effecten van klimaatverandering zijn de toe- en afname van waterhoeveelheden in de rivier, de verhoging van waterstanden in de zee, toe- en afname van neerslag en hogere temperaturen.

Deze klimaateffecten hebben gevolgen die van betekenis zijn voor de stad, zoals:

  • 1. Een toename van het risico op overstroming en schade als gevolg van een dijkdoorbraak;
  • 2. extra benodigde ruimte voor dijkversterking;
  • 3. vaker wateroverlast op straat en/of in gebouwen als gevolg van hevige neerslag;
  • 4. versterkte inklinking van de bodem en afname van de water- en groenkwaliteit als gevolg van drogere perioden;
  • 5. hittestress als gevolg van hogere temperaturen, met name in verharde gebieden.

De klimaatverandering biedt ook kansen, zoals:

  • Mogelijkheden voor nieuwe ontwerpen die de stad aantrekkelijker maken;
  • integratie van dijkversterking en gebiedsontwikkeling;
  • waterpleinen en vergroenen van de buitenruimte;
  • het ontwikkelen van nieuwe producten en deze vermarkten.

In de strategie voor een klimaatbestendig Rotterdam wordt onderscheid gemaakt in een strategie voor de 'stad achter de dijk' en de 'stad buiten de dijk'. Het plangebied ligt achter de primaire waterkering. Hierop is de strategie voor de 'stad achter de dijk' van toepassing. Het binnendijkse deel van Rotterdam staat bloot aan de risico's van overstroming, extreme neerslaggebeurtenissen of juist een tekort aan water en langere perioden met hoge temperaturen.

Conclusie

De strategie ' stad achter de dijk' heeft geen consequenties voor deze ontwikkeling.

Hoofdstuk 6 Milieu

6.1 Inleiding

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.

6.2 Verkeer en parkeren


Toetsingskader

Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid.

Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (Toekomstbestendig Parkeren). Voor het te hanteren kencijfer wordt het minimale kencijfer gehanteerd en een ligging in de schil van het centrum aangehouden, de gemeente heeft een zeer sterk stedelijk karakter op basis van de adressendichtheid. De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen (Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018). Voor de te hanteren norm ligt het plangebied in zone B. Voor de beoordeling van de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid wordt getoetst aan de wegencategorisering en de daarin bepaalde grenswaarde voor de verkeersintensiteit per wegcategorie en expert judgement.

Ontsluiting

Gemotoriseerd verkeer

Het plangebied ligt in het Zuiden van Rotterdam in de wijk Feijenoord. Nabij de locatie ligt het Zuidplein. De locatie ligt nabij de kruising van de Jan Ligthartstraat en de Dordtsestraatweg. De Jan Ligthartstraat is een erftoegangsweg waar een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De Dordtsestraatweg is een gebiedsontsluitingsweg waar een maximum snelheid geldt van 50 km/uur. In het verlengde van deze straat sluit deze aan in noordwestelijke richting op de gebiedsontsluitingsweg Motorstraat en Zuidplein.

Langzaam verkeer

De ontwikkeling is ontsloten door middel van een erftoegangsweg waarbij de fietser de rijbaan deelt met het gemotoriseerd verkeer. Er zijn hier geen fietsvoorzieningen aanwezig. Aan de Dordtsestraatweg ligt aan de westzijde een vrijliggend fietspad in één richting en aan de oostzijde deelt het fietsverkeer de rijbaan met het gemotoriseerd verkeer op de parallelstraat. Rondom de ontwikkeling zijn voetpaden aanwezig door heel de wijk.

Openbaar vervoer

Nabij de kruising Jan Ligthartstraat en Dordtsestraatweg ligt een bushalte. Hier halteert de stadslijn 76 richting Zuidplein, zes keer in het uur.

Verkeersgeneratie en -afwikkeling

Huidige situatie

Momenteel ligt op het huidige plangebied het huidige school- en gymgebouw. De Archipel is een school voor speciaal onderwijs voor leerlingen met internaliserende gedragsproblemen in de leeftijd van 4 t/m 12 jaar. Deze doelgroep vraagt een specifieke aanpak, waarbij les wordt gegeven in kleine groepen (ca. 12 leerlingen). Totaal zijn er circa 125 leerlingen en circa 11 lokalen. De school heeft een regionaal verzorgingsgebied en daarom worden veel leerlingen met taxibusjes gebracht. De kinderen hoeven enkel gebracht en gehaald te worden aangezien de schooltijden ingesteld zijn van 8.30 uur tot 14.00 uur.

Toekomstige verkeersgeneratie  

In de nieuwe, gewenste situatie wordt het huidige schoolgebouw gesloopt en een nieuw schoolgebouw met een extra speellokaal en dubbele gymzaal gebouwd. Omdat het gebruik van het gebouw op de gymzaal na hetzelfde zal blijven zal de verkeersgeneratie minimaal toenemen. De gymzalen worden overdag gebruikt door het onderwijs in de nabije omgeving en 's avonds door o.a. sportverenigingen.

De footprint van de gymzaal is maximaal 30mx32m = 960 m². Voor het kencijfer van een gymzaal wordt aangehaakt bij het kencijfer sportzaal van CROW publicatie 381. Tabel 6.1 toont de verkeersgeneratie voor de gemiddelde week- en werkdag.

Tabel 6.1: Verkeersgeneratie ontwikkeling gemiddelde weekdag

Functie   Oppervlakte   Kencijfer per 100 m²*   Verkeersgeneratie week- en werkdag gemiddelde mvt/etmaal  
Gymzaal   960 m²   7,5   72 mvt  

*Zeer sterk stedelijk, schil centrum, minimale kencijfer CROW publicatie 381

De toename van de ontwikkeling is minimaal met 72 mvt/etmaal. In de huidige situatie is één gymzaal aanwezig en dus zal de toename ongeveer de helft, 36 mvt/etmaal, hiervan zijn. Deze toename zal alleen in de avond merkbaar zijn. Dit is een beperkte toename en zal zich verspreiden over de avond waardoor deze naar verwachting niet tot knelpunten leidt.

 

Verkeersafwikkeling

De berekende minimale verkeerstoename van 36 mvt/etmaal wikkelt zich evenredig af over de Dordtsestraatweg, waarbij 50% noordelijk (18 mvt) en 50% Zuidelijk (18mvt). De ontwikkeling leidt niet tot knelpunten met betrekking tot de afwikkeling van het verkeer.

Verkeersveiligheid

In de Jan Ligthartstraat zijn geen specifieke maatregelen getroffen zoals een schoolzone. Het is een erftoegangsweg waar een lagere maximum snelheid geldt van 30 km/uur. De kinderen worden gebracht omdat ze van verder weg komen en niet zelfstandig naar school kunnen lopen of fietsen. Het terrein is dan ook afgesloten voor de kinderen. De nieuwe planontwikkeling krijgt een efficiëntere indeling en de inrichting wordt specifiek afgestemd op de doelgroep. De meeste leerlingen worden met de auto en/of taxibusjes vervoerd. De leerlingen worden door de taxibusjes op het terrein van de school afgezet en opgehaald, zodat de overdracht van leerlingen op het schoolplein gebeurt. Dit gebeurt door middel van een private éénrichtingsstraat via de Jan Ligthartstraat, om de dubbele gymzaal, om te voorkomen dat de busjes op het terrein moeten manoeuvreren. De rijbaan is breed (en hoog) genoeg. De ouders van de leerlingen kunnen gebruik maken van de laad- en loszone in de Jan Ligthartstraat om de leerlingen af te zetten en op te halen. Voor de ontsluiting van de parkeerplaats van de werknemers (en in de avonduren voor de bezoekers van de gymzaal), hoeft alleen de rechter toegang van het terrein gebruikt worden, omdat het schoolplein niet bereikt hoeft te worden. Dit deel is dan ook tweerichtingsverkeer. De rijbaan is hiervoor breed genoeg. Met de maatregelen is de veiligheid van de kinderen en het verkeer gewaarborgd.

Parkeren

Parkeerbehoefte

Voor het berekenen van de parkeerbehoefte wordt uitgegaan van het gemeentelijk parkeernormenbeleid. Deze eis is als verplichting in de regels van dit bestemmingsplan vastgelegd, zodat bij de uiteindelijke bouwplantoetsing op basis van het definitieve ontwerp berekend kan worden hoeveel parkeerplaatsen daarbij benodigd zijn.

Uitgaande van de uitgangspunten die voor de school en de gymzalen gehanteerd worden, is reeds ruimte ingetekend voor parkeerplaatsen.

De normgrondslag voor een basisschool betreft 0,45 per lokaal. Aangezien er ongeveer 11 lokalen aanwezig zijn komt dit op een behoefte van 5 parkeerplaatsen. Echter zijn er ook nog kamers voor specialisten (orthopedagoog, maatschappelijk werker en logopedie), directie, conciërge en administratie aanwezig. Deze worden als 1 parkeerplaats per kamer gerekend. Met een totaal van 6 kamers zijn dit 6 parkeerplaatsen.

Voor de school moeten er overdag minimaal 11 parkeerplaatsen aanwezig zijn.

Voor een sportzaal is de parkeernorm 1,7 per 100 m² bvo. Dit betekent dat er voor de sportzaal minimaal 9,6 x 1,7 = 17 parkeerplaatsen nodig moeten zijn in de avond.

Parkeeraanbod

De planontwikkeling voorziet op eigen terrein in 19 parkeerplaatsen voor personeel overdag en in de avond voor bezoekers van de gymzaal. Voor de gymzaal moeten er minimaal 17 parkeerplaatsen aanwezig zijn dus is er een overschot aanwezig van 2 parkeerplaatsen. Voor de taxibusjes zijn 15 opstelplaatsen op het speelterrein aanwezig. De laad- en loszone langs de Jan Ligthartstraat heeft ca. 4 parkeerplaatsen en kan ingezet worden voor kiss + ride. Hiermee wordt de parkeerbehoefte binnen de plangrenzen opgevangen.

Conclusie

De ontsluiting van de planontwikkeling leidt niet tot knelpunten. Er vindt een minimale verkeerstoename plaats van 36 mvt/etmaal door een gymzaal te vervangen door het plaatsen van een dubbele gymzaal. De minimale toename van de verkeersgeneratie ten behoeve van de ontwikkeling vindt voornamelijk in de avond plaats en de toename zal niet leiden tot knelpunten op het omliggende wegennet. De locatie is veilig te bereiken per fiets, te voet en per openbaar vervoer. De leerlingen worden gebracht met de auto en/of taxibusjes en worden veilig afgezet op het binnenterrein. Ouders kunnen hun kinderen brengen en parkeren op 4 laad en losplaatsen. Voor de ontsluiting van de parkeerplaats van de werknemers (en in de avonduren voor de bezoekers van de gymzaal), hoeft alleen de rechter toegang van het terrein gebruikt worden, omdat het schoolplein niet bereikt hoeft te worden. Hiermee is de verkeersveiligheid van de leerlingen geborgd.

De parkeerbehoefte wordt binnen de plangrenzen opgevangen. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling daarmee niet in de weg.

6.3 Wegverkeerslawaai

Toetsingskader

Langs alle wegen (met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven) bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones. Voor geluidgevoelige functies die binnen deze geluidzones mogelijk worden gemaakt dient akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van een stedelijke- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/uur-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting te worden onderbouwd. De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidniveau over een etmaal.

Nieuwe situaties

Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Binnen de wettelijke geluidzone van een spoorlijn geldt een voorkeursgrenswaarde van 55 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidbelasting aan de gevel van geluidgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de maximale ontheffingswaarde niet te boven gaan.

Een onderwijsgebouw is in het Besluit geluidhinder gedefinieerd als ander geluidgevoelig gebouw. De Wet geluidhinder schrijft voor dat de in die Wet genoemde geluidbronnen betrokken worden bij het akoestisch onderzoek. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden daarnaast de relevante overige geluidbronnen behandeld.

Onderzoek en conclusie

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2. Hierin wordt geconcludeerd dat de gezoneerde wegen Vaanweg en Dordtsestraatweg, inclusief het beperkte extra verkeer als gevolg van de planontwikkeling, voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

Uit het akoestisch onderzoek blijft tevens dat de niet gezoneerde Jan Ligthartstraat tot overschrijding leidt van de richtwaarde van 48 dB. Het treffen van doelmatige maatregelen om de geluidsbelasting te reduceren is om uiteenlopende redenen niet mogelijk, niet haalbaar of niet wenselijk. Om te zorgen voor een aanvaardbaar akoestisch klimaat in de school, wordt aanbevolen om de geluidbelasting van de wegen zonder aftrek toe te passen bij het berekenen van de benodigde geluidwering van de gevel.

Gelet op het bovenstaande, wordt geconcludeerd dat het aspect wegverkeerslawaai de ontwikkeling niet in de weg staat.

6.4 Externe veiligheid

Toetsingskader

  • Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.

Onderzoek

Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen te vinden. Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het water of door buisleidingen.

Ten zuiden van het plangebied op een afstand van circa 2,2 kilometer bevindt zich de A15 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De maatgevende stof die hierover wordt vervoerd is GF3 met een invloedsgebied van 355 meter. Het plangebied valt niet in het invloedsgebied.

Ten oosten van het plangebied het spoortraject Rotterdam – Lombardijen op een afstand van circa 1,7 kilometer. Dit spoortraject heeft een invloedsgebied van meer dan 4 kilometer en reikt tot het plangebied. Daarnaast bevindt zich ten zuiden van het plangebied het spoortraject Barendrecht vork – Waalhaven Zuid op een afstand van circa 2,2 kilometer. Ook dit spoortraject heeft een invloedsgebied van meer dan 4 kilometer. Beide spoortrajecten hebben een plasbrandsaandachtsgebied van 30 meter. Het plangebied valt hier niet in. Ook ligt het plaatsgebonden risico niet buiten de spoorlijnen. Omdat de beoogde ontwikkeling voor de spoortrajecten op meer dan 200 meter afstand ligt, hoeven volgens het Bevt in principe geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik ter plaatse van het plangebied. Desalniettemin is vanwege de ligging binnen het invloedsgebied een beknopte verantwoording noodzakelijk.

Beknopte verantwoording

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid

Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Jan Ligthartstraat. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Rotterdam. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede.

Zelfredzaamheid

In de toekomstige situatie zullen een school en twee gymzalen gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Bij deze groep wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers de kinderen zullen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het spoor geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. Ook het personeel dient geïnformeerd te worden over de verschillende risico's bij een incident. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media.

Conclusie

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoortrajecten Rotterdam – Lombardijen en Barendrecht vork – Waalhaven Zuid waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

6.5 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 6.2 weergegeven.

Tabel 6.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Stof   Toetsing van   Grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³  
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg /m³  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate (nibm)

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek

Door de ontwikkeling is er sprake van een toename van verkeer van 72 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). In de NIBM-tool (versie 27-3-2020) is 2021 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,05 µg/m³ en van fijnstof van 0,01 µg/m³ (figuur 3.1). Beide toenames vallen onder 1,2 µg/m³. Het project draagt hierdoor niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Een toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2189DeArchipel-va01_0008.png"

Figuur 6.1 NIBM-tool

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel van belang aan te tonen dat ter plaatse aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De maatgevende weg waarop metingen zijn uitgevoerd betreft de Jan Ligthartstraat. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 het jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer liggen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen 26,6 µg/m³ voor NO2, 19,6 µg/m³ voor PM10 en 11,8 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 7,3.

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

6.6 Bodem

Toetsingskader

De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal.

Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is.

Onderzoek en conclusie

Door middel van een verkennend milieukundig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de boven -en ondergrond alsmede het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 6. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies vastgesteld:

  • Plaatselijk zijn bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. De grond bevat sporen baksteen, beton, kolen, plastic en slakken of is zwak tot matig baksteen-, beton-, slakhoudend;
  • Visueel is geen asbestverdacht materiaal waargenomen;
  • -De bovengrond is licht verontreinigd met enkele zware metalen en PCB. Tevens is plaatselijk een matig tot zeer plaatselijk een sterke verontreiniging met zink aangetroffen;
  • De ondergrond is licht verontreinigd met enkele zware metalen, PAK en minerale olie. Plaatselijk is een matige verontreiniging met zink aangetroffen;
  • Het grondwater is licht verontreinigd met barium.

Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijding van de betreffende achtergrondwaarden en interventiewaarde (grond) en streefwaarden (grondwater) wordt de hypothese ‘verdacht’ voor de onderzoekslocatie aangenomen. Plaatselijk is in de bovengrond een sterke verontreiniging met zink aangetoond. Vooralsnog kan niet worden uitgesloten dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarin binnen de grenzen van de onderzoekslocatie een aaneengesloten bodemvolume van meer dan 25 m3 gemiddeld de interventiewaarde voor de gehalten overschrijdt.

Op basis van de bevindingen worden belemmeringen voor wat betreft de bestemmingsplanwijziging niet voorzien. Rekening dient te worden gehouden dat bij de aanvraag van de omgevingsvergunning dan wel herontwikkeling van de onderzoekslocatie nog een aanvulling in de vorm van een nader bodemonderzoek nodig is om de sterke verontreiniging in kaart te brengen, en hiermee uitsluitsel te kunnen geven of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Dit nader bodemonderzoek is in bijlage 7 weergegeven. Hieronder wordt een korte samenvatting met conclusie van het onderzoek gegeven.

Ten aanzien van de aangetroffen sterke verontreiniging met zink zijn de kritische bodemlagen geanalyseerd op zink. Dit teneinde de omvang van de verontreiniging in zowel de horizontale als verticale richting in kaart te brengen. Vooralsnog is bekend dat de verontreiniging zich in de kleilaag ter plaatse van boring 04A (0,3 - 0,5 m-mv) bevindt. Gezien in de onderliggende bodemlaag (04A-3; 0,5 – 0,8 m-mv) slechts lichte verontreinigingen zijn aangetoond, is de sterke verontreiniging hiermee verticaal voldoende ingekaderd.

Om de horizontale omvang van de sterke verontreiniging te bepalen zijn rondom boring 04A acht boringen (04B t/m 04I) geplaatst en zijn de verdachte grondlagen op zink geanalyseerd. Hieruit blijkt dat de grond overwegend hooguit licht en plaatselijk sterk verontreinigd is met zink. Tevens blijkt dat de verontreiniging niet eenduidig te herleiden is naar de bodemvreemde bijmengingen.

Op basis van bovenstaande bevindingen is de sterke verontreiniging met zink door middel van de aanvullende boringen en analyses afdoende in kaart gebracht (zie bijlage 1.3 van het bodemonderzoek). De sterke verontreiniging met zink is hierbij slechts incidenteel aangetoond waarbij gemiddeld de interventiewaarde niet wordt overschreden. Het aangesloten bodemvolume is hiermee kleiner dan 25 m3. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

De verontreiniging met zink is in afdoende mate vastgelegd. Er is incidenteel sprake van aan sterke (spot) verontreiniging. Vervolg onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Belemmeringen inzake het voorgenomen gebruik worden vanuit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien.

6.7 Ecologie

Toetsingskader

Met de Wet natuurbescherming zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro.

Natura-2000 gebieden

Natura2000-gebieden zijn gebieden die onderdeel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. In een aanwijzingsbesluit om gebieden als Natura2000-gebied aan te merken, zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) vastgelegd.

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
  • 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
  • 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
  • overige soorten.


De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland

In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied is niet gelegen binnen Natura 2000 of gebied wat is aangewezen als Natuur Netwerk Nederland (NNN-gebied). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Oude Maas (ongeveer 5 kilometer) en Boezems Kinderdijk (ongeveer 20 kilometer).

In het kader van de planologische procedure is de beoogde ontwikkeling onder andere te worden getoetst aan de eisen uit de Wet natuurbescherming. Uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het PAS als beoordelingskader niet juridisch houdbaar is. Om deze reden zijn depositieberekeningen uitgevoerd met de meest recente versie van het Aerius-model (2019A) waarin diverse aanpassingen zijn doorgevoerd naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2189DeArchipel-va01_0009.png"

Figuur 6.2 Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied (bron: Aerius)

Conclusie

Adviesbureau De Haan heeft de stikstofdepositie voor de aanleg- en gebruiksfase uitgevoerd voor de locatie aan de Jan Ligthartstraat. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 3. De aanleg- en gebruiksfase hebben geen significant effect op de omliggende stikstofgevoelige Natura 2000- gebieden. De berekende stikstofdepositie is 0,00 mol/ha/jaar. Hierdoor kan tevens geconcludeerd worden dat er geen significante stikstofdepositie ontstaat in de gebruiks- en bouwfase.

Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie, die als gevolg van het wegverkeer ontstaat, op alle aanvullende rekenpunten op 4,5 kilometer afstand, voldoet aan de grenswaarde van 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee kan worden geconcludeerd dat het wegverkeer van de aanleg- en gebruiksfase van het plan niet voor een significante bijdrage op de Natura 2000-gebieden zorgt, die op grotere afstand van het plangebied liggen.

Het plan heeft geen significant effect op een Natura 2000-gebied.

Soortenbescherming

De huidige ecologische waarden in het plangebied zijn vastgesteld aan de hand van een quickscan. Deze quickscan is voor de Jan Ligthartstraat 10 uitgevoerd in 2019 en voor Jan Ligthartstraat 6 uitgevoerd in 2020 op het terrein. Uit deze rapportage (bijlage 8 en 9) is naar voren gekomen dat vaste rust- of verblijfplaatsen van vleermuizen niet konden worden uitgesloten.

Onderzoek schoolgebouw

In het schoolgebouw van de Archipel aan de Jan Ligthartstraat te Rotterdam zijn drie zomerverblijfplaatsen (met mogelijk paarverblijf functie) en vier paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld (zie bijlage 10). Gezien de stabiele en continue aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis en het gebruik van het schoolgebouw als verblijfplaats door de gewone dwergvleermuis is het aannemelijk dat de vastgestelde zomer- en paarverblijfplaatsen ook als winterverblijfplaats gebruikt kunnen worden. Het projectgebied en de directe omgeving hebben een functie als foerageergebied.

Onderzoek gymzaal

De gymzaal aan de Jan Ligthartstraat 6 is als geschikt beoordeeld voor vast verblijfplaatsen van vleermuizen door de aanwezige geschikte kieren, scheuren en zonnewering. Tevens zijn uitwerpselen van vleermuizen aangetroffen op de zuidgevel nabij de zonnewering. Ook is vastgesteld dat de directe omgeving van de school een foerageergebied is voor vleermuizen. Het gebouw van de gymzaal bevindt zich in dit gebied.

Conclusie

Met de sloop van het schoolgebouw en de gymzaal en de herontwikkeling worden verblijfplaatsen van vleermuizen verstoord en vernietigd. Daarom zijn voor deze werkzaamheden een ontheffing van de Wet natuurbescherming en mitigerende en compenserende maatregelen benodigd. De hiervoor benodigde vergunning is parallel aan het bestemmingsplan aangevraagd.

6.8 Bedrijven en milieuhinder

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om een belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

Onderzoek

In de beoogde situatie worden de bestaande school en gymzaal vervangen door een nieuwe school met twee gymzalen. Hiermee wordt een milieuhinderlijke functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. In de omgeving van het plangebied zijn er voornamelijk gemengde bestemmingen, maatschappelijke bestemmingen, bedrijven en woningen gelegen waardoor de omgeving getypeerd kan worden als 'gemengd gebied'.

Wanneer het project als geheel wordt beschouwd, geldt dat sprake is van vervangende nieuwbouw voor een bestaande school, waarbij tevens twee gymzalen worden gerealiseerd wat één extra gymzaal betekent ten opzichte van de bestaande situatie.

In noordelijke richting bevinden zich op circa 15 m de dichtstbijzijnde woningen. Hier geldt dat de nieuwbouw van de school dichterbij deze woningen wordt gebouwd dat de bestaande schoolgebouwen. Aan de richtafstand voor een school (categorie 2 = 10 m in gemengd gebied) wordt echter nog steeds voldaan. Bovendien komt de nieuwbouw hier ter plaatse van een bestaand schoolplein. Omdat bij scholen geldt dat met name het buiten spelen van kinderen maatgevend is voor mogelijke hinder, zorgt de nieuwbouw op deze plaats voor een verbetering van de situatie in noordelijke richting. De gymzalen komen in lijn met het schoolgebouw te liggen en daarmee ook op circa 15 m ten opzichte van de woningen in noordelijke richting. Hoewel dit niet voldoet aan de richtafstand van een gymzaal (categorie 3.1 = 30 m in gemengd gebied), is dit vergelijkbaar met de situering van de bestaande gymzaal en wordt er om die reden geen verslechtering verwacht, te meer omdat aan de noordzijde ook een schoolplein van de school komt te vervallen zoals hiervoor genoemd.

In westelijke richting wordt een nieuwe openbare groenstrook bestemd, die tussen de school en de bebouwing ten westen daarvan in komt te liggen. Hiermee komt bovendien een deel van het bestaande schoolplein/speelterrein te vervallen, namelijk het trapveldje, dat nu nog direct tegen een woongebouw aanligt ten zuidwesten van het plangebied. Aan deze zijde is daarom eveneens sprake van een verbetering. Bovendien wordt aan de richtafstand van een school, die aan deze zijde van het terrein wordt gesitueerd, voldaan.

In zuidelijke richting zal een groter deel van het terrein, waar nu nog bebouwing aanwezig is, ingericht worden als schoolplein en voor parkeren. In zuidelijke richting bevinden zich echter geen woningen op korte afstand. Voor het woongebouw in zuidwestelijke richting geldt zoals hiervoor genoemd dat aan de richtafstand voldaan wordt en bovendien wordt de feitelijke afstand tussen het schoolplein/speelterrein en dit woongebouw nog verruimd.

In oostelijke richting bevinden zich de achterkanten van de woningen aan de Dordtsestraatweg op circa 16 m vanaf de gymzalen. Hiermee wordt aan deze zijde wel voldaan aan de richtafstand voor een schoolgebouw (10 m) maar niet voor die van een gymzaal (30 m). Voor de gymzaal geldt, net als aan de noordzijde, dat de bestaande gymzaal op vergelijkbare afstand van deze woningen ligt. Bovendien bevindt zich in de bestaande situatie aan deze zijde ook een schoolplein, wat met de nieuwbouw komt te vervallen. De ligging van de gymzalen wordt daarmee acceptabel geacht.

Het parkeren vindt eveneens aan de oostzijde van het terrein plaats. Dit parkeerterrein zal overdag benut worden door het personeel van de school en het brengen en halen van leerlingen met busjes. Dit gebruik voldoet aan de richtafstand voor de school (10 m). In de avonduren wordt dit terrein ook benut door gebruikers van de gymzaal, wat niet voldoet aan de richtafstand voor een gymzaal (30 m). In de praktijk zal het gebruik van het parkeerterrein door de gymzaal echter ondergeschikt zijn aan het gebruik dat door de school plaatsvindt en wat dus wel aan de richtafstand voldoet.

Meegewogen wordt ook dat aan de oostzijde een bestaand schoolplein komt te vervallen, wat tot verbetering van de situatie leidt. Daarnaast wordt het parkeerterrein afsluitbaar ingericht, zodat toegang alleen gecontroleerd (bijv. via een sleutel of door een beheerder) plaats kan vinden. Als laatst wordt meegewogen dat deze gymzalen zich niet lenen voor grote evenementen of wedstrijden waar grote groepen mensen op af komen: hiervoor zijn in de directe omgeving andere sportvoorzieningen aanwezig. Schoolgym is voor deze gymzalen de hoofdfunctie.

Conclusie

Rekening houdend met de bestaande afstanden tot woningen, de bestaande inrichting van het terrein en de toekomstige inrichting van het terrein, wordt voor een beperkt onderdeel van het plan gemotiveerd afgeweken van de richtafstanden en wordt geen verslechtering van het woon- en leefklimaat verwacht.

6.9 Mer-beoordeling

Toetsingskader

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). Omdat het in dit geval gaat om vervangende nieuwbouw van een bestaande school en er per saldo alleen één gymzaal extra wordt gerealiseerd, is de aard en omvang van het project dusdanig beperkt dat gesteld kan worden dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Het Besluit milieueffetrapportage is daarmee niet van toepassing op deze ontwikkeling en dit bestemmingsplan.

Dit betekent dat geen verdere m.e.r.-procedure of (vormvrije) mer-beoordeling nodig is.

Hoofdstuk 7 Financiële uitvoerbaarheid

Ingevolge het Bro heeft de gemeente de onderzoeksverplichting om de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen (artikel 3.1.6 lid 1 sub f Bro). Dit geldt ook voor plannen waarbij sprake is van een particuliere ontwikkelaar die op eigen initiatief een locatie ontwikkelt.

De gemeente is verantwoordelijk voor onderwijshuisvesting en het aanbieden van voldoende gymzalen en draagt daarom de kosten voor deze projecten.

Hoofdstuk 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.1 Overleg

In het kader van het wettelijke bestuurlijke vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening, is het concept bestemmingsplan toegezonden aan diverse bestuurlijke partners.

Naar aanleiding hiervan zijn op het bestemmingsplan verschillende overlegreacties ontvangen.

De Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR) heeft aangegeven dat er met betrekking tot dit plan geen relevante externe veiligheidsaspecten geconstateerd zijn en dat de VRR zich daarom kan vinden in het plan. Wel adviseert de VRR bij deze ontwikkelingen zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid

en bluswatervoorzieningen zodat de hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. De regionaal vastgestelde ‘Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR’ biedt mogelijkheden om daar invulling aan te geven. Hier zal bij de uitwerking van het bouwplan rekening mee gehouden worden.

De Gasunie heeft laten weten dat zij het plan heeft getoetst aan het huidige externe veiligheidsbeleid van het Ministerie van I&M voor onze aardgastransportleidingen, zoals bepaald in het per 1 januari 2011 in werking getreden Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Op grond van deze toetsing komen zij tot de conclusie dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van hun dichtst bij gelegen leiding valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling en ziet de Gasunie geen aanleiding tot het maken van verdere opmerkingen.

Het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR) heeft aangegeven dat in de toelichting van het bestemmingsplan ten onrechte vermeld staat de Waarde - Archeologie 2 van toepassing is. Alleen Waarde - Archeologie 1 is hier van toepassing, zoals op de verbeelding en in de regels wel juist is verwerkt. Naar aanleiding hiervan is paragraaf 3.2 van de toelichting op dit punt aangepast.

Het Waterschap Hollandse Delta heeft aangegeven geen aanleiding te zien tot het maken van opmerkingen.

De provincie Zuid-Holland heeft op het plan gereageerd door te signaleren dat met de sloop van het schoolgebouw en de gymzaal en de herontwikkeling verblijfplaatsen van vleermuizen worden verstoord en vernietigd en dat dit om een ontheffing van de Wet natuurbescherming en mitigerende en compenserende maatregelen vraagt. Dit sluit aan bij de conclusies uit paragraaf 6.7. Het bestemmingsplan is om die reden niet aangepast op dit punt. De aanvraag voor de benodigde ontheffing is momenteel in voorbereiding en vindt parallel aan de bestemmingsplanprocedure plaats. Gelet op de mogelijkheid om mitigerende en compenserende maatregelen te treffen, is de verwachting dat deze ontheffing verleend zal worden.

Naast de genoemde overlegreacties, is het bestemmingsplan tijdens de voorbereidingsperiode ook voor een ambtelijke beoordeling voorgelegd aan de DCMR. Naar aanleiding hiervan hebben zij enkele opmerkingen gemaakt over een aantal van de milieuaspecten die in de toelichting behandeld worden. Naar aanleiding hiervan zijn enkele aanvullingen in de toelichting gedaan om het plan nader te motiveren. Deze aanvullingen hebben betrekking gehad op de onderdelen wegverkeerslawaai, bodem, ecologie, bedrijven en milieuhinder en de mer-beoordeling.

8.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan zal gelet op de wettelijke verplichtingen voor een periode van 6 weken ter inzage komen te liggen. Tijdens deze termijn kunnen zienswijzen worden ingediend door een ieder.