direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Groenenhagen - Tuinenhoven
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0599.BP1102GroenhTuinh-va01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Samenvatting plan

De gemeente maakt een bestemmingsplan voor dit gebied, omdat het bestemmingsplan uit 2009 verouderd is. Het bestemmingsplan gaat over Groenenhagen - Tuinenhoven. Het gaat om het woongebied tussen de snelweg A16 en IJsselmonde - Centrum.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1102GroenhTuinh-va01_0002.png"

In 2000 is gestart met een forse herstructurering waarbij de portieketageflats langs de A16, zorgcentrum de Hagenburgh en de duplexwoningen langs de Noorderhagen zijn gesloopt; in totaal zijn er in Groenenhagen - Tuinenhoven rond 800 woningen gesloopt. Eind 2019 zijn hiervoor circa 450 nieuwe woningen gerealiseerd en staan er nog zo'n 150 op de planning. Op dit moment zijn niet alle ontwikkelingen voldoende concreet om in het bestemmingsplan mee te nemen.

In grote lijn gelden in het bestemmingsplan de volgende ontwikkelingen:

  • Nieuwbouw Noorderhagen ('de Spechten')
    Een strook met eengezinswoningen. Daarnaast tevens een fietsroute tussen Beverwaard en IJsselmonde - Centrum. De ontwikkeling was al mogelijk in het bestemmingsplan uit 2009.
  • Beschermen beeldbepalende panden
    De gemeente vindt de cultuurhistorie van gebieden belangrijk. Vanuit de invalshoek van cultuurhistorie kunnen beeldbepalende panden niet zomaar gesloopt worden.

1.2 Aanleiding

Het bestemmingsplan voor Groenenhagen - Tuinenhoven, vastgesteld in 2009, is niet meer actueel. Het opstellen van het nieuwe bestemmingsplan gebeurt in het kader van het Meerjarenprogramma voor actualisering van bestemmingsplannen.

1.3 Ligging en begrenzing

Het plangebied Groenenhagen - Tuinenhoven is onderdeel van de wijk Groot-IJsselmonde en maakt samen met Pendrecht, Zuidwijk en Lombardijen deel uit van de naoorlogse tuinsteden in Rotterdam-Zuid.

Het plangebied Groenenhagen - Tuinenhoven ligt tussen de A16, de Groeninx van Zoelenlaan, de Groene Tuin en de Adriaan Volkerlaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1102GroenhTuinh-va01_0003.jpg"

1.4 Vigerende bestemmingsplannen

In het gebied van het nieuwe bestemmingsplan geldt het bestemmingsplan:

0579 Groenenhagen - Tuinenhoven

vastgesteld 29-01-2009 goedgekeurd 08-05-2009 onherroepelijk 17-07-2009.

Alsmede de Parapluherzieningen:

1077 Terrassen vastgesteld 11-11-2014 onherroepelijk 25-04-2015;

1097 Parkeernorming Rotterdam vastgesteld 14-12-2017 onherroepelijk 31-03-2018;

1104 Biologische Veiligheid vastgesteld 14-06-2018 onherroepelijk 18-08-2018.

Hoofdstuk 2 Beleid

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Vastgesteld op 13 maart 2012

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden en met een Europese en mondiale blik. Voor de middellange termijn (2028) kiest het Rijk drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden:
1) Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijke economische structuur;
2) Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
3) Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Daarnaast benoemt het Rijk 13 nationale belangen, waar het rijk verantwoordelijk voor is. Het betreft:
1) Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren;
2) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie;
3) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen;
4) Efficiënt gebruik van de ondergrond;
5) Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen;
6) Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem;
7) Het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen;
8) Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's;
9) Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening, en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling;
10) Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;
11) Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten;
12) Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten;
13) Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

De nationale ruimtelijke hoofdstructuur geeft de nationale belangen, waarvoor het Rijk verantwoordelijk is, geografisch weer. Op deze kaart in de structuurvisie is op hoofdlijnen aangegeven welke gebieden en structuren van nationaal belang zijn bij de geformuleerde rijksdoelen rond concurrentiekracht, bereikbaarheid en leefbaarheid en veiligheid, zodat een samenhangende ruimtelijke hoofdstructuur zichtbaar wordt.

De structuurvisie infrastructuur en ruimte vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving.

2.1.2 Beleidsvisie Erfgoed en Ruimte

Vastgesteld op 15 juni 2011

In de jaren 2012-2016 heeft de Rijksdienst in vijf programmalijnen uitvoering gegeven aan de beleidsnota Visie Erfgoed en Ruimte, Kiezen voor Karakter. In de beleidsnota schetst het kabinet haar visie op het borgen van onroerend cultureel erfgoed in de ruimtelijke ordening. De beleidsvisie is complementair aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het ministerie van I&M. Het programma Erfgoed en Ruimte wordt met een paar jaar verlengd, tot aan de invoering van de Omgevingswet in (naar verwachting) 2019.

De komende jaren werkt de Rijksdienst aan drie programmalijnen:

  • Water en erfgoed
  • Landschap: transformatie van het landelijk gebied
  • Transformatie in de stad en in krimpgebieden
2.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Vastgesteld op 22 augustus 2011, geconsolideerde versie 5 juni 2014

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de juridische vertaling van nationaal ruimtelijk beleid. Het besluit bevat regels die doorwerken op gemeentelijk niveau, en dus relevant zijn voor bestemmingsplannen. Voorbeelden van zaken die geregeld zijn in het Barro zijn rijksvaarwegen, hoofdwegen, het 380 kV-netwerk en buisleidingen van nationaal belang.

Relevant beleid voor het plangebied

Net als de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte kenmerkt het Barro zich tot een hoog abstractieniveau en is het beleid alleen aan de orde op specifieke locaties (bijvoorbeeld in de mainports of nabij de kust) of bij specifieke projecten (zoals het project 'Randstad 380 kV'). Het plangebied ligt niet in een dergelijk gebied en bevat ook geen grootschalige ontwikkelingen die opgenomen zijn in het Barro. Om die reden bevat het Barro geen concreet beleid voor het plangebied.

2.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking)

In werking getreden op 1 oktober 2012, gewijzigd per 1 juli 2017

Het doel van de ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goede ruimtelijke ordening. Gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken motiveren volgens de Ladder.

Concreet betekent dit dat het bestemmingsplan een beschrijving bevat van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Wanneer deze ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied gerealiseerd wordt, moet gemotiveerd worden waarom er niet binnen het stedelijk gebied voorzien kan worden in de behoefte. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Woningbouw

De regiogemeenten hebben de woonvisie "Dat spreken we af! - Woningmarktstrategie Regio Rotterdam 2014-2020" (vastgesteld op 12 februari 2014 door de stadsregio Rotterdam) opgesteld ter uitwerking van het provinciale beleid. Deze Woonvisie is als regionale woonvisie te beschouwen en in april 2014 aanvaard door de provincie. Een actualisering van de regionale woonvisies is op 26 september 2017 aanvaard door Provinciale Staten. Uit de (acualisering van) de woonvisies blijkt dat er de komende jaren in de provincie vooral vraag is naar stedelijke woonmilieus: een relatief hoge dichtheid, goede bereikbaarheid, een hoog voorzieningenniveau en functiemenging.

Conclusie

De woningen die in dit bestemmingsplan mogelijk maakt voorzien in een actuele behoefte, liggen binnen bestaand stedelijk gebied en het gaat om transformatie van bestaande bebouwing of om nieuwbouw die past binnen het geldende bestemmingsplan. Gezien het bovenstaande voldoet het bestemmingsplan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

2.2 Provinciaal en regionaal beleid

2.2.1 Algemeen

Het provinciale omgevingsbeleid voor de fysieke leefomgeving bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Naast de kaders maken uitvoeringsprogramma's en plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit, onderdeel uit van het provinciale omgevingsbeleid. In de uitvoeringsprogramma's en plannen zijn operationele doelstellingen opgenomen om zichtbaar te maken op welke wijze het beleid wordt gerealiseerd.

De Omgevingsvisie omvat geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. De ambities geven vorm aan de volgende provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit':

  • 1. Landschap en cultuurhistorie
    Beschermen, versterken en beleefbaar maken van de kwaliteit van het landschap, cultuurhistorische waarden en natuurlijke karakteristieken van de leefomgeving.
  • 2. Gezondheid en veiligheid
    Zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder
  • 3. Natuur en recreatie
    Behouden en versterken van natuurwaarden en het ontwikkelen van voldoende, aantrekkelijk en beleefbaar groen en water, waar mensen met plezier recreëren.
  • 4. Ruimte en verstedelijking
    Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied.
  • 5. Wonen
    Bevorderen van de beschikbaarheid van voldoende passende woningen in een aantrekkelijke leefomgeving, aansluitend op de behoeften van verschillende doelgroepen.
  • 6. Bodem en ondergrond
    Zorgen voor een duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond.
  • 7. Cultuurparticipatie en bibliotheken
    Ondersteunen van cultuurparticipatie en bibliotheken.
  • 8. Klimaatadaptatie
    Bevorderen van een leefomgeving die de gevolgen van klimaatverandering en weersextremen kan opvangen.
  • 9. Zoetwater en drinkwater
    Duurzaam voorzien in de behoefte aan zoetwater en waarborgen van de beschikbaarheid van voldoende drinkwater.
  • 10. Bereikbaarheid
    Bevorderen van een goede en veilige bereikbaarheid, met een mobiliteitsnetwerk dat keuzevrijheid biedt en aansluit op de behoeften van reizigers en vervoerders.
  • 11. Regionale economie
    Versterken van een vitale, innovatieve en toekomstbestendige regionale economie.
  • 12. Energievoorziening
    Bevorderen van een betrouwbare, duurzame en efficiënte energievoorziening met een minimale uitstoot van broeikasgassen.
2.2.2 Omgevingsvisie Zuid-Holland

Vastgesteld door Provinciale Staten op 20 februari 2019 en per 1 april 2019 in werking.

Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het provinciale omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit.

De Omgevingsvisie omvat de volgende wettelijk verplichte plannen:

  • de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro);
  • het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm);
  • het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww);
  • het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer;
  • de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb).
2.2.3 Omgevingsverordening Zuid-Holland

Vastgesteld door Provinciale Staten op 20 februari 2019 en per 1 april 2019 in werking.

Het provinciaal beleid wordt planologisch geborgd door de Omgevingsverordening. Hierin is de Ladder voor duurzame verstedelijking juridisch geborgd. Verder worden regels gesteld ten aanzien van (nieuwe) functies. Afdeling 6.2 heeft betrekking op bestemmingsplannen.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Bij elk project dient allereerst te worden bepaald of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Dit is gedefinieerd als 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Hiernaast dient te worden beoordeeld of het project ook gezien zijn schaal en aard moet worden getoetst aan de Ladder. Als sprake is van een stedelijke ontwikkeling, dan dient de toetsing aan de Ladder plaats te vinden (Artikel 3.1.6 van het Bro). Hierbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de Ladder voor duurzame
    verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening;
  • b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.

In het kader van dit bestemmingsplan zijn de volgende onderwerpen relevant voor de omgevingsverordening:

  • Het plan biedt ruimte voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen)
  • detailhandel
  • archeologie en Romeinse limes

Woningbouw

De regiogemeenten hebben de woonvisie "Dat spreken we af! - Woningmarktstrategie Regio Rotterdam 2014-2020" (vastgesteld op 12 februari 2014 door de stadsregio Rotterdam) opgesteld ter uitwerking van het provinciale beleid. Deze Woonvisie is als regionale woonvisie te beschouwen en in april 2014 aanvaard door de provincie. Plannen die overeenstemmen met de nota "Dat spreken we af" voldoen op basis van de Omgevingsverordening aan het onderdeel verantwoording van de behoefte en regionale afstemming daarvan voor wonen uit de Ladder voor Duurzame Verstedelijking.

Detailhandel

Artikel 6.13 van de Omgevingsverordening is een aanvulling voor de Ladder. De detailhandelsstructuur voor reguliere detailhandel is beschreven in het Programma ruimte. Daarin is onderscheid gemaakt in "te ontwikkelen centra", "te optimaliseren centra" en “overige centra”. Voor alle winkelgebieden geldt daarom dat kwalitatieve verbetering leidend is ten opzichte van kwantitatieve versterking. Nieuwe detailhandel dient primair gevestigd te worden wordt binnen of direct aansluitend aan de bestaande winkelconcentraties in de centra van steden, dorpen en wijken. Deze winkelconcentraties zijn benoemd en gecategoriseerd in het Programma ruimte als te ontwikkelen centra (Rotterdam Centrum, Alexandrium I en Zuidplein), te optimaliseren centra (Keizerswaard, Hoogvliet) en de overige centra (herstructurering of groei onder voorwaarden (leefbaarheid, bevolkingsgroei, saldering). Een overig centrum: geen groei, dus herstructurering (facelift, herprofilering of functieverandering) met aandacht voor de leefbaarheid van kleine kernen en buurten.

Archeologie en Romeinse limes: zie paragraaf 3.1 Archeologie.

Antwoorden op overige vragen van de provincie:

  • Er wordt geen gebruikt gemaakt van een ontheffing van de provincie.
  • Er zijn geen wijzigingsbevoegdheiden opgenomen.
  • Het plan bevat ruimtelijke ontwikkelingen.
  • Het plan ligt in bestaand stads- en dorpsgebied.
  • Het plan voldoet aan artikel 6.9 "Ruimtelijke kwaliteit" van de Omgevingsverordening.
  • Er vinden geen ruimtelijke ontwikkelingen plaats binnen beschermingscategorie 1 of 2 (zie Artikel 6.9. Omgevingsverordening).
  • Er is sprake van inpassen.
  • De ruimtelijke kwaliteit blijft per saldo gelijk.
  • Er worden geen aanvullende ruimtelijke maatregelen getroffen.
  • Er is geen beeldkwaliteitsparagraaf opgenomen in het plan.
  • Door de ruimtelijke ontwikkeling worden geen wezenlijke kenmerken en waarden significant aangetast (van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad of karakteristieke landschapselementen).
  • Het groepsrisico rond inrichtingen, buisleidingen, transportassen en luchthavenactiviteiten neemt niet toe als gevolg van de stedelijke ontwikkeling. De berekende waarde voor het groepsrisico ligt niet boven de orientatiewaarde.

2.3 Gemeentelijk beleid

Algemeen

Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 kunnen ook gemeenten hun gemeentelijk beleid vastleggen in structuurvisies. Ter verwezenlijking van de doelen in het ruimtelijk beleid stelt de gemeente bestemmingsplannen op. In Rotterdam zijn er twee typen bestemmingsplannen te onderscheiden het zogenoemde gebiedsbestemmingsplannen en projectbestemmingsplannen. Gebiedsbestemmingsplannen worden opgesteld door het cluster Stadsontwikkeling naar aanleiding van een meerjarenplanning. Wanneer een bepaalde ontwikkeling buiten het opstellen van een gebiedbestemmingsplan valt, kan daar een projectbestemmingsplan voor opgesteld worden of een omgevingsvergunningprocedure voor doorlopen worden, door een initiatiefnemer.

2.3.1 Stadsvisie Rotterdam: Ruimtelijke ontwikkelingsstrategie 2030

Vastgesteld op 29 november 2007 door de Rotterdamse gemeenteraad

De Stadsvisie vormt het ruimtelijk kader voor alle investeringen, projecten en plannen die in de stad worden gerealiseerd. De Stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de stad Rotterdam, voor de periode tot 2030. De Stadsvisie heeft als missie een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad.

Deze missie is uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op de onderwerpen wonen en economie en deze bepalen wat er de komende jaren op deze gebieden gebeurt in de stad. Veel van de kernbeslissingen zullen de komende vijftien jaar worden omgezet in de uitvoering van een aantal (bouw) projecten in de stad, waardoor Rotterdam over pakweg vijftien jaar inderdaad een sterke economie heeft en aantrekkelijke woongebieden kent, ook voor haar hoogopgeleide bewoners.

Op basis van effectmeting zijn dertien gebiedsontwikkelingen aangewezen die het belangrijkst zijn voor de realisatie van de doelen 'sterke economie' en 'aantrekkelijke woonstad', zogenoemde VIP-gebieden. Deze dertien grote gebiedsontwikkelingen krijgen prioriteit in de nabije toekomst (de komende 10 jaar). 

2.3.2 Woonvisie Rotterdam, koers naar 2030, agenda tot 2020

Vastgesteld op 15 december 2016 door de Rotterdamse gemeenteraad

De Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam. Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld.

Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door:

  • de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen;
  • te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat; en
  • woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid.

Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door: 

  • een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad;
  • ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden; en
  • energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen.

De basis op orde houden door:

  • het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen;
  • betaalbaarheidproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk;
  • goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken;
  • toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt; en
  • woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning.

De Woonvisie is een visie op hoofdlijnen en doet geen gebiedsgerichte uitspraken. De Woonvisie is een instrumentele uitwerking van de Stadsvisie op het onderwerp wonen op de korte termijn. De Woonvisie richt zich op acties in de huidige woningmarkt, binnen de kaders van het collegeprogramma, om zo de ambitie van de Stadsvisie te helpen realiseren.

2.3.3 NPRZ Handelingsperspectief wijk Groot IJsselmonde

Dit document schetst voor de hele wijk Groot IJsselmonde een perspectief: In 2030 is Groot IJsselmonde nog steeds die wijk waarvan de karakteristiek moeilijk in één zin is samen te vatten maar die zich, door diverse ontwikkelingen, sterker profileert als rustige, groene wijk met attractieve woonbuurten en buurtjes. Het is een groene wijk, een goed bereikbare wijk, een wijk met duurzame populaire woningen, een wijk met rivier wonen, Stadionpark en Sportcampus zijn gerealiseerd, ontwikkellocaties zijn 'af' en het is een goed gewaardeerde wijk.

Groot-IJsselmonde krijgt in de periode 2015-2030 te maken met diverse ontwikkelingen die van belang zijn voor de kwaliteit van de wijk. Om deze ontwikkelingen optimaal te laten landen zullen ze als transformatieprogramma in beeld gebracht worden. Voor het bestemmingsplan Groenenhagen - Tuinenhoven zijn de volgende vier ontwikkelingen in ieder geval relevant:

Te verbeteren verbindingen afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1102GroenhTuinh-va01_0004.png"

Voor langzaam verkeer zal het netwerk verbeterd worden door de oversteekbaarheid van wegen of andere obstakels te verbeteren dan wel door nieuwe verbindingen te realiseren. Belangrijk daarin is een oost-west verbinding tussen de fietsbrug over de A16 en het Stadionpark via de Keizerswaard. Hier wordt de fietsbrug rechtstreeks aangesloten op de een nieuw fietspad dat wordt aangelegd in de groenstrook tussen Groenenhagen en Tuinenhoven. Deze wordt aangesloten op het fietspad langs de Keizerswaard. In het verlengde daarvan wordt de bestaande voetgangersverbinding door Park De Twee Heuvels opgewaardeerd met een fietspad. Vanuit Stadionpark wordt eventueel op lange termijn een nieuwe verbinding gerealiseerd met Hillesluis via de Riederlaan. Dit gekoppeld aan de realisatie van het NS station De Kuip. De bestaande fietstunnel onder het spoor tussen Olympiaweg en Groene Zoom wordt verbeterd op het punt van sociale veiligheid. Het streven is verder om het Eiland van Brienenoord beter te verbinden met IJsselmonde door de aanleg van een extra brug.

Gebieden die transformeren afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1102GroenhTuinh-va01_0005.png"

Drie gebieden in de wijk met corporatiewoningen zullen naar alle waarschijnlijkheid in de komende jaren gaan transformeren. Het gaat daarbij om de flats ten noorden van de Oosterse Tuin, een groot deel van Sportdorp en een deel van Kreekhuizen Woonbron zal de komende jaren bepalen op welke wijze deze transformaties plaats kunnen vinden. Daarnaast is er de kantelwijkenaanpak in Tuinenhoven en Hordijkerveld die gericht is op sociale transformatie.

Locaties met potentie afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1102GroenhTuinh-va01_0006.png"

Aan de zuidrand van Hordijkerveld en aan de oostrand van Groenenhagen zullen twee bouwrijpe locaties ontwikkeld worden door commerciële partijen. Het zijn locaties met potentie en uitstraling op hun omgeving. Op de locatie De Zwanen gaat het om middeldure tweekappers op eilandjes, op de locatie in Hordijkerveld om grondgebonden woningen. Na realisatie van deze twee locaties kunnen twee andere locaties, De Spechten en Pietersdijk ontwikkeld worden, eveneens met middeldure eengezinswoningen. Naast deze woningbouwlocaties zijn ook bedrijventerrein Hordijk en de Stadionweg van belang. Hordijk wordt afgemaakt door uitgifte van nieuwe terreinen met voorkeur aan medisch gerelateerde bedrijven. De Stadionweg transformeert aan beide zijden tot een aantrekkelijke stadsentree.

Verduurzamingsopgave afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1102GroenhTuinh-va01_0007.png"

In verschillende delen van Groot-IJsselmonde zullen woningen verduurzaamd worden. Daarbij is onderscheid tussen delen van de wijk met overwegend corporatiebezit (Groenenhagen, Tuinenhoven en Kreekhuizen) en delen van de wijk met overwegend particulier bezit (Reyeroord en Zomer-land). In Groenenhagen, Tuinenhoven en Kreekhuizen neemt Woonbron het initiatief tot verduurzaming van haar eigen woningen en van woningen die Woonbron in het verleden verkocht heeft. In Reyeroord en Zomerland neemt de gemeente het inititatief om eigenaren voor te lichten over de mogelijkheden en voordelen van het verbeteren van de energieprestatie van hun woningen.


afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1102GroenhTuinh-va01_0008.png"

Uitsnede van de kaart "Perspectief" uit NPRZ Handelingsperspectief

2.3.4 Stedelijk Verkeersplan Rotterdam 2017 - 2030+

Vastgesteld op 11 mei 2017 door de Rotterdamse Gemeenteraad

Het Stedelijk Verkeersplan is een plan waarbij bereikbaarheid in dienst van een economisch sterk en gezond Rotterdam staat. Het Stedelijk Verkeersplan zet de lange termijnvisie neer, waarbij het uitgangspunt is dat mobiliteit geen doel op zich is, maar een belangrijke randvoorwaarde voor een economische sterk, gezond en aantrekkelijk Rotterdam. De Rotterdamse Mobiliteitsagenda kent een drietal vertrekpunten:

  • de groei en stedelijke verdichting van Rotterdam naar 690.000 inwoners in 2035;
  • de economische vernieuwing (Next Economy) en de daarbij horende energietransitie;
  • de stedelijke mobiliteitstransitie naar meer fiets en ov-gebruik.

Bovengenoemde ontwikkelingen zijn vertaald in een verschillend aantal kansen en bereikbaarheidsmaatregelen die bijdragen aan Rotterdam als levendige en sterke economische stad. Een goede balans in modaliteiten, oftewel een nieuw evenwicht tussen fietsers, voetgangers, auto’s en het openbaar vervoer is daarbij vertrekpunt. Dit betekent dat de verdichting met woningen binnen het stedelijk gebied prioriteit krijgt en de transitie naar de Next Economy het regionaal en stedelijk vervoersnetwerk vorm geeft. Hierbij staat de gezondheid van de Rotterdammer voorop en wordt geïnvesteerd in slimme mobiliteit, waarbij de stad functioneert als proeftuin. De structuuringrepen binnen het Stedelijk Verkeersplan bieden de meeste kansen om een stedelijk en regionaal infrastructuur netwerk te vormen dat voldoende flexibel en genoeg adaptief is om de stad van de toekomst (Next City) vorm te geven. De mobiliteitsstrategie ontstaat vanuit de gewenste ruimtelijke en economische ontwikkeling van stad en regio en wordt -wanneer de bereikbaarheidsopgave in de toekomst verandert- steeds opnieuw aan de tijdgeest aangepast, omdat het geen volgordelijkheid kent. Dit leidt tot de volgende beleidskeuzen:

  • 1. City Lounge versterkt: stimuleren van fiets en ov;
  • 2. een samenhangend regionaal en stedelijk netwerk: wegen en ov in evenwicht;
  • 3. regionale en stedelijke oeververbindingen: nieuwe en transformatie van bestaande;
  • 4. aantrekkelijke en levendige (Binnen)stad: de City Lounge versterkt;
  • 5. versterken nieuwe vervoerswijzen: vervoer over water en Last Mile;
  • 6. geen vervoersarmoede: sociale en maatschappelijke participatie versterkt;
  • 7. gezonde leefomgeving: versterken ruimtelijke kwaliteit, luchtkwaliteit en Zero Emissie;
  • 8. slimme mobiliteit: technologische innovatie en ict;
  • 9. gebieden Buiten de Ring: duurzaam verbinden.
2.3.5 Nota Detailhandel 2017

Vastgesteld op 22 en 29 juni 2017 door de Rotterdamse gemeenteraad

De Nota Detailhandel uit 2013 is in 2017 geactualiseerd. De nota bestaat uit een algemeen deel dat de stedelijke ambities ten aanzien van dit onderwerp bevat en 13 separate gebiedsgerichte uitwerkingen, die het detailhandelsbeleid per gebied beschrijven. De nota en de gebiedskoersen doen geen uitspraken over het centrum, hiervoor blijft de nota 'WNKLN N RTTRDM' het relevant beleidskader.

Stedelijke ambities en spelregels ten aanzien van detailhandel

Het detailhandelsbeleid bestaat in de basis uit een beleidskader, waarin op grond van de trends en ontwikkelingen de visie en ambitie van Rotterdam op de detailhandelsstructuur wordt uitgesproken. Met dit kader zet Rotterdam in op een krachtige, toekomstbestendige winkelstructuur, waarbij de consument centraal staat en sprake is van complete, compacte comfortabele en levensvatbare centra.

Om deze ambities te realiseren, is een aantal spelregels onontbeerlijk en zijn vier stedelijke ambities geformuleerd:

  • Een evenwichtige detailhandelsstructuur (aantrekkelijk, levensvatbaar, complementair)
  • Meer flexibiliteit en dynamiek ter versterking van de detailhandelsstructuur
  • Detailhandelsbeleid als kader voor ruimtelijke ontwikkelingen
  • Een bruisende Binnenstad!


De spelregels die nodig zijn om de ambities te behalen zijn:

  • Nieuwe ontwikkelingen zijn alleen mogelijk in de winkelconcentratiegebieden zoals in de Gebiedskoersen Detailhandel zijn vastgesteld.
  • Creëren van nieuwe winkelgebieden is enkel onder strikte voorwaarden mogelijk.
  • Geen nieuwe solitaire vestiging van winkels buiten de detailhandelsstructuur van winkelgebieden.
  • In kleine kernen kan maatwerk vereist zijn, om de kwaliteit van de leefomgeving te behouden.
  • Vestiging van grootschalige detailhandel bekijken we kritisch.
  • Geen nieuwe perifere concentratiegebieden.
  • Tuincentra en bouwmarkten buiten de aangewezen winkelgebieden zijn onder voorwaarden bespreekbaar.
  • Geen detailhandel op bedrijventerreinen.
  • Winkels in tweedehandsgoederen vestigen we in winkelgebieden; uitzondering voor kringloopwinkels.
  • Internetwinkels en -afhaalpunten met een (beperkte) bezoekersfunctie worden enkel toegestaan in de winkelgebieden en op trafficlocaties.
  • Voor winkels geldt in de horecanota Rotterdam 2017-2021 de basisvrijstelling.

Gebiedskoersen

De stedelijke ambities zijn het uitgangspunt voor de gebiedsgerichte uitwerking voor detailhandel. In de gebiedskoersen detailhandel zijn de winkelgebieden ruimtelijk begrensd, zodat voor iedereen duidelijk is wat de winkelgebieden in de stad zijn en wat de gemeentelijke koers daarbij is.

De keuzes op gebiedsniveau vormen de basis voor het gemeentelijk handelen ten aanzien van enerzijds het versterken van winkelontwikkelingen (door bijvoorbeeld mee te werken aan nieuwe winkelvestiging) en anderzijds de transformatieopgave.

2.3.6 Gebiedskoers Detailhandel 2017-2020 IJsselmonde

Vastgesteld op 22 en 29 juni 2017 door de Rottedamse gemeenteraad

De winkelstructuur in IJsselmonde wordt voor een belangrijk deel bepaald door de planmatige manier waarop de wijken zijn ontwikkeld. Van oudsher is bij de realisatie van de woonwijken een structuur van buurtstrips, buurt-, wijk- en stadsdeelcentra ontwikkeld. Dit is nog altijd terug te zien in IJsselmonde. De grotere centra, zoals Keizerswaard en Spinozaweg zijn ook nu nog als zodanig te herkennen, maar veel van de oude kleine buurtsteunpunten hebben de functie als winkelconcentratie in veel gevallen al geheel of gedeeltelijk verloren. Vooral in IJsselmonde Zuid en Lombardijen zijn verschillende strips, vaak onder appartementgebouwen, niet meer in gebruik als winkel. In de huidige situatie zijn deze vaak al van functie veranderd, of zitten in een proces van verandering. Dit geldt bijvoorbeeld voor Spitsenhagen.

Prinsenplein

Het Prinsenplein functioneert prima als basis boodschappencentrum. De belangrijkste trekker is de supermarkt, welke wordt aangevuld met enkele speciaalzaken. Door de gunstige ligging weet de consument uit IJsselmonde dit winkelgebied te vinden. De ligging op zeer korte afstand van de Keizerswaard is in het verleden geen probleem gebleken, wat bijzonder is voor een boodschappencentrum van deze schaal.

Verspreide bewinkeling

Buiten de echte winkelconcentraties is er in IJsselmonde ook verspreid gevestigd aanbod te vinden. Een deel van dit aanbod is gelegen in woonbuurten en langs doorgaande stadsstraten. In IJsselmonde is de verspreide bewinkeling vooral een gevolg van de manier hoe het gebied door de jaren heen planmatig is opgezet. In die tijd zijn hiërarchisch winkelgebieden ontwikkeld, van buurtstrip tot stadsdeelcentrum. Door de jaren heen is de positie en het functioneren van de buurtstrips onder druk komen te staan, waardoor die functie is verdwenen. Dit zijn wel de plekken waar sporadisch verspreide bewinkeling is te vinden.

In het stedelijk detailhandelsbeleid ligt de focus voor detailhandel echter specifiek op de toekomst- bestendige winkelconcentraties. Daarom wordt nieuwe verspreide detailhandelsvestiging buiten deze winkelgebieden wordt als ongewenst getypeerd. Winkels die reeds een plek hebben buiten de winkelgebieden en passen binnen het bestemmingsplan worden uiteraard niet actief gesaneerd, maar leegstaande winkelpanden krijgen op termijn de mogelijkheid te transformeren. In de toekomst- bestendige winkelgebieden kunnen winkeliers een plek vinden, zodat het toekomstperspectief voor het collectief van ondernemers wordt vergroot.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1102GroenhTuinh-va01_0009.png"

Afbeelding: Uitsnede van Kaart winkelconcentratiegebieden detailhandelsstructuur

2.3.7 Horecanota Rotterdam 2017-2021

Vastgesteld door B&W op 1 november 2016

In de Horecanota 2017-2021 staat de balans tussen levendigheid en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat centraal. De nota beschrijft het instrumentarium dat hieraan invulling geeft. Gebiedsgericht werken, een verdere vereenvoudiging van het vergunningstelsel, verfijning van het handhavingskader en stimulering van eigen initiatief door experimenten zijn hiervan de elementen.

Belang voor de stad

Rotterdam is een levendige stad met een aantrekkelijke binnenstad, een groot cultureel aanbod en een gevarieerde samenstelling van bewoners, ondernemers en bezoekers. Horeca speelt een cruciale rol: een goede mix van kwaliteit en kwantiteit, een balans met andere stedelijke functies en openbare orde en veiligheid, bevordert de populariteit van Rotterdam. Bovendien levert de horecasector werkgelegenheid op en stimuleert het de lokale economie. De aantrekkingskracht van de stad is de afgelopen jaren toegenomen. Er wordt weer geld uitgegeven door bezoekers, Rotterdam voert de goede lijstjes aan en is in 2015 uitgeroepen tot beste binnenstad van Nederland. Tegelijkertijd verdicht de bewoning en is ruimte schaars. Het is dus van belang alles in goede banen te leiden en deze schaarse ruimte optimaal te benutten. De positieve ontwikkelingen van Rotterdam weten sommige delen van de stad onvoldoende te bereiken vanwege de aanwezigheid van malafide ondernemingen, georganiseerde criminaliteit en overlast. Dit vraagt om extra aandacht en stevig optreden.

Visie en ambities

Met dit horecabeleid borduurt Rotterdam voort op de goede ontwikkelingen in onze stad. Met oog voor ondernemerschap en aandacht voor een prettig woon- en leefklimaat voor onze bewoners zijn aan de hand van een aantal uitgangspunten vier ambities bepaald waarmee Rotterdam invulling geeft aan de visie op horeca voor de komende jaren.

De Horecanota 2017-2021 geeft invulling aan de visie van Rotterdam ten aanzien van de horeca voor de komende vijf jaar. De horecanota staat niet op zichzelf. Het is een kader dat samen met andere gemeentelijke kaders en visies moet zorgen voor het behoud en de verdere ontwikkeling van Rotterdam als aantrekkelijke stad om in te wonen, te werken en te verblijven. Op basis van de visie en aan de hand van onderstaande uitgangspunten realiseert Rotterdam de ambities van balans in de wijk, een veerkrachtige binnenstad, verantwoord ondernemerschap en de stad als laboratorium.

  • Rotterdam bruist!;
  • de wijk is het uitgangspunt bij het bepalen van de mogelijkheden en onmogelijkheden;
  • bewoners en ondernemers hebben inspraak en nemen gezamenlijk verantwoordelijkheid;
  • ruimte voor innovatie en experimenten ter bevordering van het ondernemerschap en woon- en leefgenot;
  • minder regels, minder lasten en een vereenvoudigd vergunningenstelsel;
  • uitgaan van vertrouwen en sturen op naleving (high trust);
  • wanneer regels en afspraken worden geschonden, dan wordt stevig opgetreden (high penalty).

Uiteenzetting horecastelsel (vergunningen)

In deze paragraaf is aangegeven wat in Rotterdam verstaan wordt onder horeca en voor welke vormen een exploitatievergunning noodzakelijk. Ook wordt een toelichting gegeven op bijzondere vormen van (tijdelijke) horeca en de andere zaken die bij het starten en/of overnemen van een horeca-inrichting komen kijken.

Wat is horeca?

Horeca kent enorm veel verschijningsvormen en dankzij creatieve ondernemers komen er naast hotels, restaurants en cafés nog steeds meer vormen bij. In Rotterdam verstaan we onder horeca elk openbaar pand of openbare ruimte waar je structureel en tegen betaling kan eten en drinken (of afhalen) en/of waar amusement of ontspanning wordt aangeboden. De exacte definitie is in de Algemene Plaatselijke Verordening opgenomen onder het begrip: openbare inrichting.

De Horecanota ziet niet toe op alle vormen van openbare inrichtingen. Prostitutiebedrijven en coffeeshops kennen vanwege hun bijzondere karakter eigen beleidsregels en aparte vergunningen. Vestigingsvoorwaarden voor hotels zijn eveneens geen onderdeel van dit beleid. Een restaurant in een hotel natuurlijk wel.

Exploitatievergunning of niet?

In Rotterdam bestaan meerdere categorieën exploitatievergunningen. De aard van de activiteiten die in de horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt welke categorie vereist is. Hoe uitbundiger de bedrijfsvoering van een horeca-inrichting, hoe uitgebreider de vereiste exploitatievergunning. Dit geeft tevens de mogelijkheid om een deel van de ondernemers die beperkte en/of zeer lichte vormen van horeca exploiteren vrij te stellen van de vergunningplicht (categorie 0). Dit is de afgelopen jaren een duidelijke lastenverlichting gebleken en sluit aan bij de high trust (high penalty) aanpak.

Naast bedrijven waar horeca de primaire bedrijfsvoering is, kent Rotterdam ook talloze bedrijven, instellingen en clubhuizen waar horeca slechts een ondersteunende functie heeft. Ook hiervan kan een groot deel gebruik maken van de vrijstelling van de vergunningplicht. Omdat er op basis van landelijke wetgeving, zoals de Winkeltijdenwet, ruimtelijke ordeningswetgeving en de Drank- en Horecawet nu eenmaal verschil zit tussen deze vormen van zeer lichte en/of ondersteunende horeca, onderscheiden we in Rotterdam drie varianten die vrijgesteld van de exploitatievergunningplicht mogen exploiteren; exploitatiecategorie 0.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1102GroenhTuinh-va01_0010.png"

Indien een horeca-inrichting een horecabestemming heeft, dan worden de basisvoorwaarden verruimd en deels vervangen met onderstaande voorwaarden. De overige voorwaarden blijven gelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1102GroenhTuinh-va01_0011.png"

Ook als er geen sprake is van een horecabestemming kan het zijn dat er ruimere voorwaarden gelden. Sommige instellingen en voorzieningen hebben traditiegetrouw een aanzienlijk horecadeel, maar waarbij de openbare orde niet in het geding komt. Dit is een verzamelcategorie van instellingen en bijzondere objecten (limitatief): muziek- en sportverenigingen, musea, theaters, filmhuizen, hotels/hostels, rouwcentra, ziekenhuizen, bejaarden- en verzorgingshuizen, gebedshuizen, bedrijfskantines en instelling voor hoger onderwijs. De overige voorwaarden blijven gelijk aan de basisvoorwaarden. (Voor muziek- en sportverenigingen geldt dat uit de bestemming dient te volgen dat sport en/of muziek de primaire functie van het object is.)

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1102GroenhTuinh-va01_0012.png"

Indien het woon- en leefklimaat in een straat of buurt onder grote druk staat, kan de burgemeester verbieden dat horeca zich daar zonder vergunning vestigt. Dit gebeurt door middel van een aanwijzingsbesluit dat voor bepaalde of onbepaalde tijd van kracht is. De aanwijzing wordt genomen op basis van het Horecagebiedsplan (zie ook paragraaf 2.3.8) dat ter plaatse van kracht is, waarin ook gemotiveerd is waarom het gebied wordt aangewezen. In die gevallen is altijd een exploitatievergunning vereist om horeca-activiteiten te exploiteren, ook al is er sprake van één van de hierboven beschreven situaties.

Exploitatievergunning

Wanneer een ondernemer meer of zwaardere activiteiten wil dan hierboven beschreven is een exploitatievergunning noodzakelijk. Rotterdam hanteert hiervoor een duidelijk vergunningstelstel dat aan de hand van losse activiteiten is opgebouwd. Dit wil zeggen dat de activiteiten worden vergund die in een horeca-inrichting kunnen plaatsvinden. Het vergunningstelsel biedt ondernemers op deze manier ruimte voor verschillende horecaconcepten.

Exploitatiecategorieën

De combinatie van activiteiten die in een horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt in welke exploitatiecategorie de inrichting valt. Daarbij is relevant in hoeverre de activiteiten effect hebben op de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf. Hoe meer effect, des te zwaarder de exploitatiecategorie. Hoe zwaarder de categorie, des te zwaarder de toets bij vergunningverlening. Elke ondernemer kan gebruik maken van de voor hem of haar geldende vrijstelling van de exploitatievergunningplicht (categorie 0). Indien meer of zwaardere activiteiten worden aangeboden is een exploitatievergunning vereist in de categorie 1 t/m 4+ (licht, regulier, middelzwaar, zwaar, buiten categorie).

Gebiedsgericht werken

Een belangrijk, zo niet het belangrijkste onderdeel van de Horecanota is gebiedsgericht werken; kennis uit de wijk is bepalend voor wat kan en wat niet. Deze werkwijze, waarbij maatwerk en flexibiliteit centraal staan, heeft in de afgelopen jaren reeds z’n vruchten afgeworpen op het gebied van horeca. Door per wijk of buurt een duidelijke visie en/of ambitie te hebben en daaraan vestigingsvoorwaarden te stellen, kunnen bekende en nog onbekende horeca-ontwikkelingen worden beoordeeld en gerealiseerd. Het horecagebiedsplan biedt het kader hiervoor.

2.3.8 Horecagebiedsplan IJsselmonde 2019-2021

Vastgesteld door B&W op 2 juli 2019

IJsselmonde is met een inwonertal van ruim 58.000 en een oppervlakte van ca. 13 km² in omvang het vijfde gebied van Rotterdam. De naam verwijst naar de ligging tegenover de monding van de Hollandse IJssel in de Nieuwe Maas. Hier lag vroeger het dorp IJsselmonde, dat nu als Oud IJsselmonde deel uitmaakt van het gebied. In dit horecagebiedsplan onderscheiden we vijf verschillende wijken. Groot IJsselmonde Noord is er daar een van. En Groenenhagen - Tuinenhoven maakt daar weer onderdeel van.

IJsselmonde streeft naar een verlevendiging van het woongebied. Het gebied is volop in beweging: er zijn niet lang geleden verschillende grootschalige nieuwbouw- en ontwikkelingsplannen opgeleverd. Het gaat om de volgende ontwikkelingen:

  • De ontwikkeling van het Hart van IJsselmonde leidt tot een levendig en multifunctioneel centrumgebied. Een combinatie van (nieuw toegevoegde) woningen, de uitbreiding van het winkeloppervlak, de komst van de Stadswinkel, de bibliotheek, het Werkplein, horeca en het cultureel centrum Islemunda maken het tot een compleet centrum. Afronding van dit gebied staat de komende jaren op de planning.
  • Het Stadionpark (met De Kuip, Pathé bioscoop, horeca, Topsportcentrum en sportcluster Varkenoord) vervult nu al een sterke bovenlokale rol op het gebied van sport- en recreatiebehoefte. Het gebied faciliteert (top)sport en tal van andere activiteiten. Met de ontwikkeling van de Sportcampus is daar een modern breedtesportcentrum bij gekomen. En daarbij ook extra mogelijkheden op het gebied van werkgelegenheid en nieuwe bedrijvigheid.

Het gebied IJsselmonde is dus een gebied met meerdere gezichten. Een groene en ontspannen woonwijk, maar ook onderdeel van de stad Rotterdam. Een wijk waar het goed wonen is, maar niet overal ingelijke mate.

Het huidige horeca-aanbod voorziet ruim in de vraag, om die reden wordt ingezet op de ontwikkelingrichting "consolideren". En meer specifiek voor het bestemmingsplangebied:

Al in het gebiedsplan 2015-2018 wordt gesproken over vier focusgebieden. In deze gebieden is een aantal straten waar de situatie het meest zorgwekkend is. Deze zijn benoemd als kantelbuurt en het bestemmingsplangebied is zo’n kantelbuurt.

Voor deze kantelbuurten is een integrale aanpak opgesteld die loopt tot en met 2018 (onderdeel van het Nationaal Programma Rotterdam Zuid), bedoeld om de neerwaartse spiraal om te buigen. Sociale en fysieke maatregelen worden in een gebied gecombineerd. De drie concrete en essentiële onderdelen van de kantelwijkenaanpak zijn:

  • de achter-de-voordeuraanpak, uitgevoerd door Bureau Frontlijn;
  • extra aandacht voor gezinnen met kinderen/jeugd, vergelijkbaar met de aanpak ‘Childrens Zone’, zoals in andere wijken op Zuid;
  • het ‘Convenant instroom kantelbuurten IJsselmonde’.

Aangezien het gaat om een kantelbuurt welke een integrale aanpak vergt, is gekozen voor de gewenste ontwikkelrichting consolideren en is vrijgesteld van de vergunningplicht niet toegestaan.

2.3.9 Beleidsnota Archeologie 2008-2011, Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), Archeologieverordening Rotterdam

Vastgesteld op 17 juli 2008 door de Rotterdamse Gemeenteraad, vastgesteld op 31 januari 2006 en vastgesteld op 29 september 2009 door de Burgemeester en Wethouders van Rotterdam, vastgesteld op 5 november 2009 door de Rotterdamse Gemeenteraad

In 1992 hebben de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen te Valletta (Malta) het Europese Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed ondertekend. Met het Verdrag van Malta is het streven vastgelegd naar onder meer:
- het behoud van het archeologisch bodemarchief ter plaatse (in situ);
- het documenteren van het archeologisch bodemarchief, indien behoud niet mogelijk blijkt;
- het vroegtijdig en volwaardig betrekken van de archeologie bij ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening;
- het verbreden van het draagvlak voor de archeologie;
- het toepassen van het beginsel 'de verstoorder betaalt'.
De afspraken van Malta zijn verwerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg, die op 1 september 2007 in werking is getreden. Het zwaartepunt van het archeologiebeleid is bij gemeenten komen te liggen. In een bestemmingsplan moet een gemeente aangeven welke archeologische waarden mogelijkerwijs aan de orde zijn.

Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van het Rotterdamse archeologiebeleid is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een vastgestelde Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), een vastgestelde Beleidsnota Archeologie 2008-2011 en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de eveneens vastgestelde Archeologieverordening Rotterdam. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen.

2.3.10 Beleidsnota "Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020" en de Monumentenverordening Rotterdam 2010

Vastgesteld op 22 december 2016 en vastgesteld op 30 oktober 2010 door de Rotterdamse gemeenteraad

Rotterdam heeft een inmiddels volwassen monumententraditie. Er is sprake van een toenemend historisch bewustzijn in de stad. De karakteristieke vermenging van tijdlagen en de daarbij horende afwisseling van oud en nieuw zorgt voor een belangrijke en onderscheidende identiteit van het stadsbeeld.

In de beleidsnota Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020 wordt de visie op het Rotterdams gebouwde erfgoed en de hieruit voortvloeiende ambities beschreven. Rotterdam verbindt de zorg voor behoud van het gebouwd erfgoed met de hedendaagse opgaven van de stad. Ingezet wordt op bescherming, behoud en hergebruik, en instandhouding van erfgoed. Steeds vaker wordt cultuurhistorie gekozen als uitgangspunt voor (gebieds-)ontwikkelingen, waardoor de historische gelaagdheid van de stad behouden blijft voor toekomstige generaties. Het wettelijke instrumentarium hiervoor is de Monumentenverordening Rotterdam 2010. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van het planologisch instrumentarium.

Hoofdstuk 3 Beschrijving van het plangebied

3.1 Archeologie

3.1.1 Beleidskader

Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden.

De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld.

Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureau-onderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen.

3.1.2 Bewoningsgeschiedenis

Uit vondsten binnen en in de directe omgeving van het plangebied blijkt dat dit deel van IJsselmonde een lange bewoningsgeschiedenis kent. Zowel direct grenzend aan de oostzijde van het plangebied, ten zuidwesten én binnen de contouren van het plangebied zelf zijn delen van een en hetzelfde rivierduincomplex onderzocht. Op de door latere sedimenten overdekte rivierduinen werden sporen gevonden uit het Mesolithicum (8000-5300 voor Christus) en het Neolithicum (5300-2000 voor Christus). Het deels heel diep gelegen rivierduincomplex beslaat het gehele zuidelijk deel van het plangebied.

Sporen uit de Romeinse tijd zijn onderzocht ten noordoosten van het plangebied aan de Valkenburgsingel. Behalve vondstmateriaal (aardewerk en bot) werden slootjes gevonden, die vanaf een kleilaag, die op het veen langs de oever van de Maas is afgezet, zijn ingegraven.

In de 10e-12e eeuw is het gebied ontgonnen. Het gebied is vóór 1300 bedijkt en maakte toen onderdeel uit van de Riederwaard, een rondom bedijkt gebied, dat het grootste deel van het huidige IJsselmonde besloeg. Verschillende laatmiddeleeuwse vindplaatsen zijn uit de omgeving van het plangebied bekend. In 1373 gaat de Riederwaard door overstromingen ten onder, waarbij een dik pakket zand wordt afgezet. Aan de westkant van het plangebied bevindt zich een gedeelte van één de dijken van de herontginning van het gebied na 1373, de huidige Noorder Kerkedijk. De polder waartoe het plangebied behoorde, Oost-IJsselmonde, is een van de oudste polders van het 'nieuwe' IJsselmonde (1437).

De kadastrale minuut van Rotterdam uit 1811-1832 laat in het plangebied een langgerekte strokenverkaveling zien. Op slechts een plaats, aan de westkant van de Noorder Kerkedijk, is bebouwing te zien (een erf en huis van de koopman Cornelis Visser).

Enkele delen van het plangebied zijn in de 20e eeuw opgehoogd, in de noordwesthoek van het plangebied en in de vorm van geluidswallen langs de A-16.

3.1.3 Archeologische verwachting

In het plangebied kunnen bewoningssporen uit de Prehistorie, Romeinse tijd, Middeleeuwen en Nieuwe tijd voorkomen. Vooral het zuidelijk deel van het plangebied (Groenenhagen), met de rivierduinafzettingen in de ondergrond, is kansrijk voor het aantreffen van bewoningssporen uit het Mesolithicum en het Neolithicum. Op het over de duinen heen liggende veen kunnen in het hele plangebied bewoningssporen voorkomen uit de IJzertijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen. Vooral langs de Noorder Kerkedijk, die op het laat 14e-eeuwse overstromingsdek ligt, kunnen bewoningssporen vanaf de 15e eeuw voorkomen.

3.1.4 Aanbevelingen

Waarde - Archeologie 1

Voor het terrein met huis en erf van eerste kadastrale kaart, langs de Noorder Kerkedijk (Waarde - Archeologie 1) geldt een bouwregeling en een omgevingsgunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld, ongeacht de oppervlakte van de ingreep.

Waarde - Archeologie 2

Voor de geluidswal langs de rijksweg A-16 aan de oostzijde van het plangebied (Waarde - Archeologie 2) geldt een bouwregeling en een omgevingsgunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 3,0 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak beslaan groter dan 100 vierkante meter.

Waarde - Archeologie 3

Voor het opgehoogde gebied aan de noordwestzijde van het plangebied (Waarde - Archeologie 3) geldt een bouwregeling en een omgevingsgunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 2,0 meter beneden maaiveld, en die tevens een terreinoppervlak beslaan groter dan 100 vierkante meter.

Waarde - Archeologie 4

Voor de rest van het landgedeelte van het plangebied (Waarde - Archeologie 4) geldt een bouwregeling en een omgevingsgunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak beslaan groter dan 100 vierkante meter.

Waarde - Archeologie 5

Voor het binnen het plangebied gelegen water (Waarde - Archeologie 5) geldt een bouwregeling en een omgevingsgunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan de onderwaterbodem en die tevens een terreinoppervlak beslaan groter dan 100 vierkante meter.

3.2 Huidig gebruik

Bebouwing

Kenmerkend voor de opbouw van de buurten Groenenhagen en Tuinenhoven is dat de hogere bebouwing zich aan de rand van de wijk bevindt en dat het veld daartussen geheel ingenomen wordt door laagbouwwoningen.

In Tuinenhoven bestaat de rand van de wijk uit galerijflats van 4 lagen. De begane grondlaag bestaat uit bergingen en grondgebonden woningen die een eigen, kleine tuin hebben die grenst aan de gemeenschappelijke binnentuin. De Tuynenburghflat met een bouwhoogte van 11 lagen staat langs de Oosterse Tuin, gericht op de kop van de buurttuin.

In de oorspronkelijke opzet van de wijk Groenenhagen bestond de rand van de wijk uit portieketageflats, de zogenaamde Dura-Coignet flats, van 5 lagen hoog. De begane grond bestond uit garageboxen afgewisseld met de entree naar de portieken.

Te midden van deze flats stond de Hagenburghflat. Deze flat met een hoogte van 11 lagen was gepositioneerd langs de Oosterhagen, precies tegenover de kop van de buurttuin Groenenhagen. De laagbouw in Groenenhagen bestaat uit 2 lagen met een schuine kap. Hiermee onderscheidt Groenenhagen zich van Tuinenhoven, waar de laagbouw bestaat uit kleine woningen (begane grondoppervlak ca. 5m x 8m) in twee lagen met een plat dak.

Wegen en groen

Groenenhagen en Tuinenhoven zijn twee van de buurten die in een krans om de centrumring van IJsselmonde liggen. De buurten worden van elkaar gescheiden door brede groenzones, waarin soms ook de uitvalswegen zijn opgenomen. Aan de zuidzijde van de Groenenhagen is dit de Groeninx van Zoelenlaan. Aan de westzijde van Tuinenhoven is dat de Adriaan Volkerlaan. De wijken zijn ontsloten door een interne verkeerslus die aantakken op de centrumring (de Groene Tuin) en de Groeninx van Zoelenlaan. De groenzone die tussen Groenenhagen en Tuinenhoven is gelegen loopt over de centrumring heen door naar het hart van IJsselmonde. In het midden van iedere buurt ligt een buurttuin centraal in de laagbouw. Het onderscheid tussen de buurttuinen en de buurtscheidende groenzone is niet groot. Alleen de aanwezige waterpartij verraadt het verschil in status.

Voorzieningen

In Groenenhagen en Tuinenhoven zijn niet alle mogelijke voorzieningen aanwezig. Maar veel voorzieningen zijn in de directe omgeving (het centrumgebied) te vinden. Er bevindt zich binnen het plangebied één buurtwinkelcentrum aan het Prinsenplein. Er is gewerkt aan een herstructurering van het gebied. Het winkelcentrum moet een trekker zijn voor winkels. In de beide buurten is kleinschalige bedrijvigheid beperkt aanwezig. Tevens is er het een en ander te vinden in het gebied achter de Koninginneweg, het Prinsenplein en er is een kleine winkelstrip op de hoek van de Spitsenhagen.

In de twee buurten en de directe omgeving zijn voldoende crèches. Onder andere op de hoek van de Hollands Tuin en Noorderhagen is een kinderopvang gelegen en aan de Noorderhagen en de Koninginneweg zijn twee basisscholen gelegen.

Langs de Oosterhagen en Hollands Tuin zijn twee blindeninstituten gevestigd.

3.3 Stadsgezichten en Monumenten

Algemeen

De gemeente Rotterdam kent een groot aantal panden en gebieden die vanwege cultuurhistorische waarden worden beschermd. Voor de bescherming wordt gebruik gemaakt van bestaand instrumentarium – Erfgoedwet (2016) en Monumentenverordening Rotterdam 2010. Daarnaast krijgen rijks beschermde stadsgezichten, wederopbouwaandachtsgebieden en beeldbepalende panden op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan de dubbelbestemming “Waarde – Cultuurhistorie”.

Rijksmonumenten (RM) en Gemeentelijke monumenten (GM)

Een rijks- of gemeentelijk monument kan zijn een gebouw, water, terrein of een ander object dat van nationaal belang is, of van algemeen belang voor Rotterdam is (gemeentelijk monument), vanwege de schoonheid, betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Dit is vastgelegd in respectievelijk de Erfgoedwet (2016) en de Monumentenverordening Rotterdam 2010. Bij een monument gaat het om één gebouw of complex, zowel buiten als van binnen. Voor een Rijksmonument geldt dat het object ten minste vijftig jaar oud moet zijn. Als vanzelfsprekend is het verboden om wijzigingen aan te brengen aan een beschermd monument zonder vergunning.

Beschermde stadsgezichten (BS)

Rotterdam kent door haar stedelijke omgeving alleen beschermde stadsgezichten. Een beschermd stadsgezicht is een groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens schoonheid, onderlinge ruimtelijke structurele samenhang of wetenschappelijke waarde. De bescherming richt zich op de stedenbouwkundige karakteristiek en op een samenhangend geheel van straten en bebouwing. Het gaat om gebieden van voor 1945. Na aanwijzing van een beschermd stadsgezicht dient er binnen twee jaar een bestemmingsplan beschikbaar te zijn waarin de historische kwaliteiten en de relatie tot eventuele toekomstige ontwikkelingen vastliggen.

Wederopbouwaandachtsgebieden

Naast de van rijkswege beschermde stadsgezichten kent Rotterdam twee wederopbouwaandachtsgebieden van nationaal belang. Verder heeft de gemeente in de binnenstad een aantal wederopbouwaandachtsgebieden met een waardevolle samenhang tussen het stratenplan, de invulling van de bouwblokken en de architectuur. Bij nieuwe ontwikkelingen dient bekeken te worden hoe deze historische kwaliteiten kunnen worden behouden. Betreffende gebieden hebben geen wettelijke bescherming.

Beeldbepalende objecten (BO)

In Rotterdam is een groot aantal gebouwen te vinden die geen status hebben als monument, maar wel cultuurhistorisch waardevol zijn, zogenaamde beeldbepalende objecten. Voor deze panden geldt geen wettelijke bescherming, maar de gemeente zet zich wel in om de waarden van deze panden te behouden.

Het plangebied

IJsselmonde werd al bewoond rond 2500 jaar voor onze jaartelling. Tijdens de bouw van de Beverwaard werden bij opgravingen sporen gevonden van bewoning door vissende en jagende boeren die hebben behoord tot de zogenaamde 'Vlaardingen-cultuur'. De opkomst van IJsselmonde als dorpsgemeenschap kunnen we stellen rond 1450. Tot die tijd was IJsselmonde een vrij onbelangrijk aanhangsel van Kralingen. Na die tijd kunnen we spreken van de ambachtsheerlijkheid IJsselmonde. De ambachtsheer was een door graaf, kerk of leenheer aangesteld persoon en had de bevoegdheid bepaalde privileges uit te oefenen over de bevolking zoals rechtspraak en belastingheffing.

De bevolking van IJsselmonde telde in 1778 zo'n 1000 zielen die werden bestuurd door een eigen raad. Deze raad mocht onder andere beslissen over de brandweer, het onderwijs, de politie, verbetering van wegen en het organiseren van de jaarlijkse paardenmarkt. Tijdens de Franse overheersing aan het begin van de negentiende eeuw kreeg de gemeenteraad van IJsselmonde als taak het bijhouden van een burgerlijke stand en een bevolkingsregister. Het grondgebied van IJsselmonde omvatte toen een groot deel van het huidige Rotterdam-Zuid, en strekte zich uit tot waar tegenwoordig de wijken Katendrecht en Feijenoord liggen. Ook het tegenwoordige Lombardijen, dat sinds 1991 deel uitmaakt van deze voormalige deelgemeente, was destijds al IJsselmonds grondgebied.

Aan de eeuwenlange zelfstandigheid van IJsselmonde kwam in 1941 een einde toen het werd ingelijfd bij Rotterdam. Na 1945 is het overgrote deel van IJsselmonde gebouwd. De echte groei begon eigenlijk met de bouw van Sportdorp net voor en tijdens de oorlog. In de vijftiger jaren werden woningen gebouwd ten noorden van de Van Hoochstratenweg en daarna de '301 woningen' of Sagenbuurt, en het Zomerland. In de zestiger jaren ging de bouw steeds sneller. Gestart werd met Lombardijen, Hordijkerveld, Tuinenhoven, Reyeroord, Groenenhagen en Kreekhuizen volgden.

Ontwerp voor IJsselmonde in de jaren ‘50

Het oorspronkelijk stedenbouwkundig plan voor Groot IJsselmonde is eind jaren ’50 ontworpen door ir. Van Drimmelen en vanaf begin jaren ’60 aangelegd. Het plan voorzag een H-vormige hoofdwegenstructuur. Dit stelsel van uitvalswegen verbindt de wijk met het centrum van Rotterdam, de rijkswegen en de omliggende wijken. Naast dit stelsel van hoofdwegen is er een centrumring te herkennen, ter ontsluiting van de woongebieden. Aan deze centrumring takt een zevental woonwijken aan die als ‘bloemblaadjes’ rond de ringweg zijn gelegen. Deze woonwijken strekken zich uit over de ringweg heen. In het plan is een vijftal ensembles van 2 galerijflats geprojecteerd. Deze schijven van 13 lagen markeren binnen de ringweg de koppen van de woonbuurten waar die zich over de ringweg heenstrekken. De woonwijken worden van elkaar gescheiden door wijkscheidende groenzones en door de hoofdwegen, die in een ruim opgezet en groen wegprofiel zijn gelegen. De afzonderlijke woonwijken hebben elk een eigen, intern gelegen groenvoorziening op buurtniveau.

Tijdens de realisering van de nieuwbouwplannen voor IJsselmonde werd door de Nederlandse Aardolie Maatschappij een olievlek ontdekt. Daarom moesten in het ontwerp enkele proefboorlocaties (de zogenaamde NAM-velden) worden ingepast.

Hieronder zijn, op basis van gegevens van het gemeentelijke Bureau Monumenten, de gebouwen en gebieden genoemd die van cultuurhistorische waarde zijn binnen het plangebied.

Binnen het bestemmingsplangebied ligt het volgende beeldbepalende object:

Bron: Inventariserend en waarderend objectenonderzoek langs historische kernen en linten in Oud IJsselmonde (Rotterdam, Denise Güth, 2013)

Beeldbepalend object Koninginneweg 300 (onderwijsgebouw).  

Cutluurhistorisch

Op 29 maart 1933 werd de eerste steen van de Rehobothschool, ook wel Koningin Emmaschool genoemd, gelegd. De gereformeerde school werd in 1964 uitgebreid met een grote vleugel aan de zuidzijde.

Architectuurhistorisch

De bakstenen school uit de jaren dertig bestaat uit één bouwlaag met erop een dak met een lichte helling. De ingangspartij met ronde erker is overdekt. Naast de ingangsdeur is een gevelsteen waarop de datum van de eerstesteenlegging geschreven staat. Aan de achtergeel is nog een tweede ronde erker. Beide erkers hebben strookramen. De uitbouw van de jaren zestig aan de zuidzijde is van beton en heeft grote vensters, maar past zich verder aan het bestaande gebouw aan.

Situering

Het vrijstaande pand ligt aan de Koninginneweg. De grootte van het perceel is erg ruim, in tegenstelling tot de percelen van de overige panden in de omgeving. Aan de achtergevel zijn de bij de school horende buitenterreinen nog aanwezig.

Tevens is in opdracht van de gemeente Rotterdam in oktober 2019 voor Tuinenhoven en Groenenhagen een cultuurhistorische quickscan uitgevoerd door Joosje van Geest. In deze cultuurhistorische quickscan wordt de ontstaansgeschiedenis van de wijk beknopt geschetst met een beschrijving van de achterliggende idealen en de meest opvallende stedenbouwkundige en architectonische kwaliteiten.

De argumentatie voor de waardering van Tuinenhoven en Groenenhagen is opgebouwd vanuit de volgende vijf waarden:

  • 1. Cultuurhistorische waarden
    Tuinenhoven en Groenenhagen hebben cultuurhistorische betekenis als vrij gave voorbeelden van de antroposofische stedenbouw uit de vroege jaren 1960 van de gemeentelijke stedenbouwkundige Peter van Drimmelen. Onderscheidend zijn vooral de buurttuinen en de toepassing van woongroepen als sociaal ordenend principe.
  • 2. Architectuurhistorische waarden
    De bebouwing van de wijk heeft architectuurhistorische betekenis als voorbeeld van de sobere systeembouw die zowel voor de woningen als voor de scholenbouw is toegepast zoals het typische Rotterdamse bouwsysteem Dura-Coignet en MUWI. Met de huidige renovatie van de laagbouwwoningen is de sobere, elementaire uitstraling van de woningen intact gebleven.
    Waardevol is de typologie van galerijflats met in de plint een aantal woningen met privétuin en met aangrenzende collectieve tuin (de kartelrand van Tuinenhoven). De rijen eengezinswoningen in combinatie met woonpad en woonhof zijn qua verkaveling eveneens beschermenswaardig.
  • 3. Situationele- en ensemblewaarden
    De situationele- en ensemblewaarden komen tot uitdrukking in de stedenbouwkundige verkaveling waarvan de ringvormige ontsluiting, de woonpaden en de woonhoven het meest bijzonder en beschermenswaardig zijn. De combinatie van eenvoudige woningbouw met royale groen- en waterstructuren is waardevol (maar ook kwetsbaar).
  • 4. Gaafheid en herkenbaarheid
    De opzet en de bebouwing van Tuinenhoven en een groot deel van Groenenhagen zijn nog gaaf en zeer herkenbaar.
  • 5. Zeldzaamheid
    De opzet van de wijken, vooral het veld van laagbouw, de woonpaden en woonhoven en de fraaie buurttuinen en buurtscheidende groenstrook zijn bijzonder en zeldzaam.

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

4.1 Opzet van het plan

De doelstelling van het nieuwe bestemmingsplan is een nieuw planologisch en juridisch kader voor het gebied voor de komende jaren. De basis voor het nieuwe bestemmingsplan is het bestemmingsplan Groenenhagen - Tuinenhoven uit 2009 en de parapluherzieningen voor horecaterrassen, parkeren en biologische veiligheid. Extra kaders volgen uit nieuw beleid op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. Het bestemmingsplan zal net als het bestemmingsplan uit 2009 gedetailleerd van aard zijn.

4.2 De verschillen tussen het oude en het nieuwe plan

Het uitgangspunt voor het nieuwe plan is het zo veel mogelijk overnemen van de geldende rechten uit de vorige bestemmingsplannen. Dit plan is echter geen exacte kopie van het vorige plan. Bepaalde zaken worden op een andere manier geregeld. Ook zijn er verschillen met de vorige plannen als gevolg van nieuw gemeentelijk, provinciaal en landelijk beleid ten aanzien van de ruimtelijke ordening. De belangrijke verschillen zijn in de volgende paragrafen beschreven.

Vergunde projecten

De afgelopen planperiode is een aantal projecten vergund. Meerdere projecten hadden een globale bestemming. Die bestemming kan nu meer precies worden aangegeven. En een klein deel van de projecten is in afwijking van het vorige plan vergund. Deze worden opgenomen in het nieuwe plan.

4.3 Ontwikkelingen

In 2000 is gestart met een forse herstructurering waarbij de portieketageflats langs de A16, zorgcentrum de Hagenburgh en de duplexwoningen langs de Noorderhagen zijn gesloopt. In totaal zijn er in Groenenhagen rond de 800 woningen gesloopt. Per begin 2020 zijn hiervoor circa 450 nieuwe woningen gerealiseerd en staan er nog zo'n 150 op de planning.

4.3.1 Nieuwbouw woningen strook Noorderhagen

Het gaat hier om de vervanging van zes blokjes met voormalige duplexwoningen door een strook met eengezinswoningen. De blokjes zijn inmiddels gesloopt. In de ontwikkeling met de naam 'De Spechten' gaat het om eengezinswoningen, waarvan de grond in eigendom is van de corporatie. De locatie is bestemd als Woongebied, hetgeen in lijn is met de mogelijkheden van het bestemmingsplan uit 2009.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1102GroenhTuinh-va01_0013.png"

Op ten minste twee plaatsen in het woongebied zal een doorgang gemaakt worden voor langzaam verkeer naar de groenstrook ten noorden van de Noorderhagen gerealiseerd dient te worden. Er geldt een maximum bebouwingspercentage van 40 per bouwperceel en de maximum bouwhoogte is 12 meter.

4.3.2 Nieuwbouw Kruisherenstraat 89 op vrije kavel

De ontwikkeling van één vrijstaande woning op Kruisherenstraat 89. Deze woning dient met de naastgelegen woning ter compensatie van de gesloopte woning aan de Koninginneweg 226, ter verbetering van de situatie van de Meester Baarsschool. De ontwikkelingsmogelijkheid is overgenomen uit het bestemmingsplan van 2009. De ingetekende bestemming 'Wonen - 2' en 'Tuin' zijn in overeenstemming met de vergunde situatie.

4.3.3 Nieuwbouwlocatie brandweerkazerne

In het bestemmingsplan uit 2009 is aangegeven dat in het kader van de centrumontwikkelingen in IJsselmonde de brandweerkazerne aan de Kromme Hagen verplaatst dient te worden. Na een uitgebreid locatieonderzoek is gebleken dat het voormalige NAM-terrein aan de Adriaan Volkerlaan, naast het tankstation de meest geschikte locatie is.

De locatie is als “Maatschappelijk - 2” bestemd en heeft een maximale hoogte en een maximaal bebouwingspercentage op de verbeelding gekregen. De locatie is globaal bestemd, omdat het nog onduidelijk is hoe de brandweer precies gesitueerd gaat worden. De ontsluiting van de locatie gebeurt vanaf de Adriaan Volkerlaan.

4.3.4 Bouwregels dakopbouwen

In het noordelijk deel van het plangebied is sprake van blokken met eengezinswoningen in twee bouwlagen, uitgevoerd zonder kap. Door de verkoop van dit voormalig corporatiebezit groeit de behoefte aan heldere bouwregels voor (incidentele en/of projectmatige) dakopbouwen. Het oude bestemmingsplan staat afdekking met een kap toe, maar stedenbouwkundig leidt het afdekken met een kap tot een ongewenste situatie. Meer passend in deze situatie met stempel- en strokenbouw is het toestaan van een plat afgedekte dakopbouw, met een gevel die terugligt ten opzichte van de voor- en achtergevellijn. Dit is geregeld binnen de bestemming 'Wonen - 3' in de buurt Tuinenhoven.

4.3.5 Bescherming cultuurhistorische waarden

In het nieuwe plan wordt een drempel opgenomen tegen sloop van cultuurhistorisch beeldbepalende objecten (Koninginneweg 300). Cultuurhistorisch is vooral de stedenbouwkundige opzet van de wijk en de groenstructuur van belang. Ten behoeve van het bestemmingsplan is de cultuurhistorische verkenning voor de wijk in 2019 geactualiseerd.

4.3.6 Fietsverbinding langs de groenstrook Noorderhagen

Het nieuwe bestemmingsplan maakt een verbetering van de fietsverbinding tussen IJsselmonde Centrum en Beverwaard mogelijk.

4.4 Mogelijk toekomstige ontwikkelingen

4.4.1 Adriaan de Jongstraat

Op de locatie van het voormalige districtskantoor van Woonbron, de yoga-studio en het speelterrein aan de Hendrik van Winkelhofstraat, wordt gestudeerd op de ontwikkeling van een nieuwbouwlocatie met woningen. De grond is deels in eigendom van de gemeente en deels in eigendom van Woonbron. Het plan en bijbehorend programma is nog onvoldoende concreet om in het bestemmingsplan mee te nemen. De mogelijkheden uit het bestemmingsplan van 2009 worden overgenomen.

4.4.2 Schoolgebouw Hollands Tuin

Het schoolgebouw aan Hollands Tuin staat leeg. Met Woonbron lopen gesprekken over de ontwikkeling van de locatie voor woningbouw. Het object is eigendom van de gemeente en staat te koop. Bij verkoop gaan de gedachten uit naar een herontwikkeling binnen het bestaande object dan wel door middel van sloop/nieuwbouw. In het kader van het nieuwe bestemmingsplan is onderzocht of de ontwikkeling meegenomen kan worden. Het plan en bijbehorend programma is nog onvoldoende concreet om in het bestemmingsplan mee te nemen. De mogelijkheden uit het bestemmingsplan van 2009 worden overgenomen.

4.4.3 De vierde reiger aan de Backershagen

Het bestemmingsplan uit 2009 maakt aan de Backershagen de ontwikkeling van gemengde bebouwing mogelijk in vier grote gebouwen. Het opgenomen programma voor de ontwikkeling is reeds gerealiseerd in drie gebouwen (De Reigers). Stedenbouwkundig is er ruimte voor een vierde gebouw van vergelijkbare afmetingen als de drie gerealiseerde gebouwen. In het kader van het bestemmingsplan is onderzocht of de ontwikkeling meegenomen kan worden. De ontwikkeling is op dit moment onvoldoende concreet om in het bestemmingsplan te worden meegenomen. De locatie is bestemd als 'Groen' in overeenstemming met het huidige gebruik.

4.5 Juridische planbeschrijving

4.5.1 Bedrijfsbestemmingen

Aan de Taselaarstraat en aan het eind van de Noorderhagen zijn in de bestemming 'Bedrijf' kleine bedrijven toegestaan. Het gaat om bedrijven tot en met milieucategorie 2 die zijn opgenomen in de lijst met toegestane bedrijfsactiviteiten.

Het benzineservicestation aan de Adriaan Volkerlaan is bestemd als 'Bedrijf - Verkooppunt motorbrandstoffen met lpg'. Het vulpunt en de ondergrondse voorraadtank voor lpg liggen op het IJsselmondseplein en daarmee buiten het bestemmingsplangebied. De afleverzuil ligt binnen de genoemde bestemming. Een nadere aanduiding is niet nodig, omdat binnen de risicocontouren geen (beperkt) kwetsbare objecten liggen. In de plansituatie is dat ook niet het geval.

Het transformatorgebouw aan de Adriaan de Jongstraat is bestemd als 'Bedrijf - Nutsvoorziening'.

Dienstverlenende bedrijvigheid, zoals bijvoorbeeld een kappersbedrijf of beautysalon, zijn toegestaan binnen de gemengde bestemmingen 'Gemengd - 1 , - 2 en - 3'. Deze bedrijvigheid valt onder het begrip 'dienstverlening'.

Hoog-risico biologische laboratoria

Binnen bedrijfsbestemmingen en maatschappelijke bestemmingen zijn in principe ook laboratoria toegestaan. Voorheen waren binnen deze bestemmingen dus ook hoog-risico biologische laboratoria toegestaan. Dit is vanuit het oogpunt van veiligheid niet wenselijk, daarom zijn hoog-risico biologische laboratoria nu in beginsel niet toegestaan binnen de maatschappelijke bestemmingen en bedrijfsbestemmingen (met inbegrip van de gemengde bestemmingen). Daartoe is in de regels van het bestemmingsplan een verbodsbepaling opgenomen. Het betreft hoog-risico biologische laboratoria die onder de werking van het bij dit plan gevoegde beleidskader “Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond” vallen en genoemd zijn in artikel 4.4 onder k, categorie 4, onderdeel C van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. In geval van het werken met genetisch gemodificeerde organismen zijn dat alle categorieën van fysische inperking op inperkingsniveaus III en IV, zoals genoemd in Bijlage 4 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013. Kort gesteld zijn het laboratoria met biologische veiligheidsklasse 3 of hoger.

Na nadere afweging is het wel mogelijk om een hoog-risico laboratorium toe te staan. Burgemeester en wethouder kunnen daarvoor bij omgevingsvergunning afwijken. Ook daartoe is in de regels een bepaling opgenomen. Bij de afweging wordt een advies van de GGD/VRR betrokken. Deze instanties geven een advies op basis van het “Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond”. Aan de hand van het beleidskader kan worden beoordeeld of de risico's van een hoog-risico biologisch laboratorium voldoende beheersbaar zijn bij calamiteiten en of een hoog-risico biologisch laboratorium al dan niet wenselijk is op de voorgenomen locatie.

4.5.2 Gemengde bebouwing

Een aantal panden binnen het plangebied heeft de bestemming 'Gemengd' gekregen. Er is een onderscheid gemaakt in 'Gemengd - 1', 'Gemengd - 2' en 'Gemengd - 3'.

De bestemming 'Gemengd - 1' is gebruikt voor de gemengde bebouwing met het boodschappencentrum aan het Prinsenplein en de kleine winkelstrip aan de Spitsenhagen. De mogelijkheden zijn overgenomen uit het bestemmingsplan uit 2009. Woningen zijn alleen op de verdiepingen toegestaan. Op de begane grond zijn winkels met detailhandel en dienstverlening, (maatschapppelijke) voorzieningen en enkele locaties met horeca toegestaan.

De bestemming 'Gemengd - 2' is gebruikt voor de gemengde bebouwing met de drie woontorens aan de Backershagen (De Reigers, ook wel De Lamel genoemd). Ook hier zijn de mogelijkheden opgenomen uit het bestemmingsplan uit 2009. Wel is de locatie meer gedetailleerd ingetekend nu de ontwikkeling uit dat bestemmingsplan is gerealiseerd. Op de begane grond is enige horeca aanwezig en verder zijn praktijkruimten en (maatschappelijke) voorzieningen toegestaan.

De bestemming 'Gemengd - 3' is gebruikt voor het gemengde woongebouw De Ooievaar aan Hollands Tuin. De mogelijkheden zijn vergelijkbaar met die in het bestemmingsplan uit 2009. Wel is de locatie meer gedetailleerd bestemd nu de ontwikkeling uit dat bestemmingsplan is gerealiseerd. In het gebouw zit op de onderste twee lagen een wijkservicecentrum met allerlei zorg- en welzijnsvvoorzieningen, zoals een buurtcentrum, een budgetrestaurant, een gezondheidscentrum met apotheek en ruimte voor zorgverleners. Het parkeren gebeurt half ondergronds.

4.5.3 Groen

Structurele groengebieden zijn bestemd als 'Groen'. Binnen deze bestemming zijn ook voet- en fietspaden en speeltoestellen toegestaan. Binnen deze bestemmingen is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen, watergangen en waterberging mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming).

In de afgelopen jaren is een aantal kleine percelen met reststroken groen verkocht of verhuurd aan de aanwonenden. Veelal met de nadrukkelijke voorwaarde dat het gemeenteperceel uitsluitend mag worden gebruikt als siertuin. De reststroken behouden vaak wel de bestemming groen, hoofdzakelijk vanwege beheersmatige overwegingen, zoals de aanwezigheid van rioleringen.

4.5.4 Horeca

Horeca definitie en afbakening

In deze paragraaf is aangegeven wat in Rotterdam verstaan wordt onder horeca en voor welke vormen een exploitatievergunning noodzakelijk. Ook wordt een toelichting gegeven op bijzondere vormen van (tijdelijke) horeca en de andere zaken die bij het starten en/of overnemen van een horeca-inrichting komen kijken.

Wat is horeca?

Horeca kent enorm veel verschijningsvormen en dankzij creatieve ondernemers komen er naast hotels, restaurants en cafés nog steeds meer vormen bij. In Rotterdam verstaan we onder horeca elk openbaar pand of openbare ruimte waar je structureel en tegen betaling kan eten en drinken (of afhalen) en/of waar amusement of ontspanning wordt aangeboden. De exacte definitie is in de Algemene Plaatselijke Verordening opgenomen onder het begrip: openbare inrichting.

De Horecanota ziet niet toe op alle vormen van openbare inrichtingen. Prostitutiebedrijven en coffeeshops kennen vanwege hun bijzondere karakter eigen beleidsregels en aparte vergunningen. Vestigingsvoorwaarden voor hotels zijn eveneens geen onderdeel van dit beleid. Een restaurant in een hotel natuurlijk wel.

Exploitatievergunning of niet?

In Rotterdam bestaan meerdere categorieën exploitatievergunningen. De aard van de activiteiten die in de horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt welke categorie vereist is. Hoe uitbundiger de bedrijfsvoering van een horeca-inrichting, hoe uitgebreider de vereiste exploitatievergunning. Dit geeft tevens de mogelijkheid om een deel van de ondernemers die beperkte en/of zeer lichte vormen van horeca exploiteren vrij te stellen van de vergunningplicht (categorie 0). Dit is de afgelopen jaren een duidelijke lastenverlichting gebleken en sluit aan bij de high trust (high penalty) aanpak.

Naast bedrijven waar horeca de primaire bedrijfsvoering is, kent Rotterdam ook talloze bedrijven, instellingen en clubhuizen waar horeca slechts een ondersteunende functie heeft. Ook hiervan kan een groot deel gebruik maken van de vrijstelling van de vergunningplicht. Omdat er op basis van landelijke wetgeving, zoals de Winkeltijdenwet, ruimtelijke ordeningswetgeving en de Drank- en Horecawet nu eenmaal verschil zit tussen deze vormen van zeer lichte en/of ondersteunende horeca, onderscheiden we in Rotterdam drie varianten die vrijgesteld van de exploitatievergunningplicht mogen exploiteren; exploitatiecategorie 0.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1102GroenhTuinh-va01_0014.png"

Indien een horeca-inrichting een horecabestemming heeft, dan worden de basisvoorwaarden verruimd en deels vervangen met onderstaande voorwaarden. De overige voorwaarden blijven gelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1102GroenhTuinh-va01_0015.png"

Ook als er geen sprake is van een horecabestemming kan het zijn dat er ruimere voorwaarden gelden. Sommige instellingen en voorzieningen hebben traditiegetrouw een aanzienlijk horecadeel, maar waarbij de openbare orde niet in het geding komt. Dit is een verzamelcategorie van instellingen en bijzondere objecten: muziek- en sportverenigingen, musea, theaters, filmhuizen, hotels/hostels, rouwcentra, ziekenhuizen, bejaarden- en verzorgingshuizen, gebedshuizen, bedrijfskantines en instelling voor hoger onderwijs. De overige voorwaarden blijven gelijk aan de basisvoorwaarden. (Voor muziek- en sportverenigingen geldt dat uit de bestemming dient te volgen dat sport en/of muziek de primaire functie van het object is.)

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1102GroenhTuinh-va01_0016.png"

Indien het woon- en leefklimaat in een straat of buurt onder grote druk staat, kan de burgemeester verbieden dat horeca zich daar zonder vergunning vestigt. In die gevallen is dus altijd een exploitatievergunning vereist om horeca-activiteiten te exploiteren.

Exploitatievergunning

Wanneer een ondernemer meer of zwaardere activiteiten wil dan hierboven beschreven is een exploitatievergunning noodzakelijk. Rotterdam hanteert hiervoor een duidelijk vergunningstelstel dat aan de hand van losse activiteiten is opgebouwd. Dit wil zeggen dat de activiteiten worden vergund die in een horeca-inrichting kunnen plaatsvinden. Het vergunningstelsel biedt ondernemers op deze manier ruimte voor verschillende horecaconcepten.

Exploitatiecategorieën

De combinatie van activiteiten die in een horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt in welke exploitatiecategorie de inrichting valt. Daarbij is relevant in hoeverre de activiteiten effect hebben op de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf. Hoe meer effect, des te zwaarder de exploitatiecategorie. Hoe zwaarder de categorie, des te zwaarder de toets bij vergunningverlening. Elke ondernemer kan gebruik maken van de voor hem of haar geldende vrijstelling van de exploitatievergunningplicht (categorie 0). Indien meer of zwaardere activiteiten worden aangeboden is een exploitatievergunning vereist in de categorie 1 t/m 4+ (licht, regulier, middelzwaar, zwaar, buiten categorie).

Gebiedsgericht werken

Een belangrijk, zo niet het belangrijkste onderdeel van de Horecanota is gebiedsgericht werken; kennis uit de wijk is bepalend voor wat kan en wat niet. Deze werkwijze, waarbij maatwerk en flexibiliteit centraal staan, heeft in de afgelopen jaren reeds z'n vruchten afgeworpen op het gebied van horeca. Door per wijk of buurt een duidelijke visie en/of ambitie te hebben en daaraan vestigingsvoorwaarden te stellen, kunnen bekende en nog onbekende horeca-ontwikkelingen worden beoordeeld en gerealiseerd.


Terrassen
Binnen de bestemmingen 'Verkeer - Verblijfsgebied' zijn tevens ongebouwde terrassen toegestaan aangrenzend aan bestemmingen die horeca toelaten.

4.5.5 Leidingen

In het plangebied is een ondergrondse hoogspanningsverbindig gelegen (3 x 150 kV). Deze verbinding is met een beschermende zone van 4 meter aan weerszijden van de hartlijn van de verbinding aangegeven op de verbeelding met een dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanning".

In het plangebied liggen enkele grote drinkwater transportleidingen ten behoeve van de watervoorziening. Deze leidingen zijn planologisch relevant en de ligging is inclusief een beschermende zone van 5 meter aan weerszijden met de dubbelbestemming "Leiding - Water" opgenomen op de verbeelding.

4.5.6 Maatschappelijke voorzieningen en Recreatie

Onder maatschappelijke voorzieningen worden voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, cultuur, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening verstaan. Deze voorzieningen kunnen wel of niet geluidsgevoelig zijn volgens de Wet geluidhinder. Geluidsgevoelige voorzieningen zijn bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, terwijl buurthuizen, kerkgebouwen maar ook een buitenschoolse opvang niet geluidsgevoelig zijn.

In dit bestemmingsplan zijn in de bestemming 'Maatschappelijk - 1' zowel geluidsgevoelige als niet geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Dit betekent dat een functie die past in deze definitie zonder planwijziging vervangen kan worden door een andere functie binnen deze definitie.

In de bestemming 'Maatschappelijk - 2' zijn alleen de niet geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen toegestaan, zoals buurthuizen, kerkgebouwen of een buitenschoolse opvang.

Kruisheren Met Zuid aan de Kruisherenstraat 75 is feitelijk een niet geluidsgevoelige maatschappelijke voorziening. Het project is een stadsboerderij en ontmoetingspunt voor bewoners, jongeren, ouderen, psychiatrische patiënten, visueel beperkten en iedereen die behoefte heeft aan sociale contacten. Met verschillende activiteiten op de stadsboerderij worden verbindingen tussen doelgroepen gemaakt. Ook ontstaan werkervaringsplekken voor bewoners uit de buurt zonder betaalde baan en wordt het sociale kapitaal aangesproken. Vanwege het bijzondere karakter als stadsboerderij is voor een aparte bestemming als 'Recreatie - 1' gekozen. Binnen deze bestemming zijn onder meer extra regels opgenomen voor schuilplaatsen voor dieren.

4.5.7 Parkeerregeling

Dynamische verwijzing

Op 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening 2010 van de gemeente Rotterdam, waaronder de voorschriften over parkeernormen, komen te vervallen. Dat betekent dat er vanaf dat moment niet meer getoetst kan worden aan die voorschriften en er dus geen parkeernormen meer gelden. Gelet daarop, is er op 1 februari 2018 over parkeren beleid vastgesteld. Het betreft de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” (hierna: de beleidsregeling). De beleidsregeling is op 21 februari 2018 in werking getreden. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto's én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken.

Om aan dit beleid te kunnen toetsen is er in het bestemmingsplan een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. De bepaling is vormgegeven als een zogenaamde “dynamische verwijzing”. Dat wil zeggen dat er alleen wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor fietsers en auto's conform het in de gemeente Rotterdam geldende parkeerbeleid. In de bepaling wordt niet expliciet verwezen naar de hiervoor genoemde beleidsregeling. Dat is een bewuste keuze. Op het moment van tot stand komen van dit bestemmingsplan is de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” het geldende beleid waaraan getoetst moet worden. Dit beleid kan in de toekomst echter wijzigen. Om ook aan een eventuele wijziging van het beleid van de gemeente Rotterdam te toetsen, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is de beleidsregeling niet expliciet genoemd of bijgevoegd. Met de bepaling is bedoeld dat er bij het verlenen van een omgevingsvergunning voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor auto's en fietsen op basis van parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam dat geldt op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning.

Beleidsregeling

De op dit moment geldende “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” is via de volgende link te raadplegen:

http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Rotterdam/486392/486392_1.html

De desbetreffende beleidsregeling geeft parkeernormen voor zowel auto's als fietsen. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruiken van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling als bijlage is opgenomen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan (geheel of gedeeltelijk) worden afgeweken. Tevens kan er vrijstelling van de parkeereis worden verleend. In de beleidsregeling wordt beschreven onder welke omstandigheden daar sprake van is.

4.5.8 Seksinrichtingen en belwinkels

Het schrappen van het algemene bordeelverbod uit het Wetboek van Strafrecht maakt het mogelijk de exploitatie van seksinrichtingen aan gemeentelijke regelgeving te onderwerpen. In de "Nota prostitutie en seksbranche, Rotterdam 2015" staat hoe dit in de gemeente Rotterdam is geregeld. Het beleid is gericht op het tegengaan van misstanden en mensenhandel in de seksbranche, op een beheersbare vergunde sector, op het versterken van de positie van de sekswerker en op het beschermen van het woon- en leefklimaat.

Het vergunningstelsel wordt als middel gebruikt om de grip op de vergunde branche te behouden en te verbeteren. Het vormt daardoor een barrière voor mensenhandel. De gestelde voorwaarden en vereisten worden streng gecontroleerd en bij nieuwe vergunningaanvragen worden exploitanten gescreend op grond van de Wet Bibob.
Het nieuwe vergunningstelsel sluit beter aan bij de verschillende activiteiten die in de seksbranche worden aangeboden. Daarnaast kunnen vergunningen voor nieuwe seksbedrijven worden aangevraagd via een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan.

Het vergunnen van seksbedrijven dient niet ten koste te gaan van de veiligheid en aantrekkelijkheid van de stad. Overlastgevende seksbedrijven worden aangepakt en nieuwe vergunningen worden alleen verleend wanneer aan de strikte vestigingsvoorwaarden voor seksinrichtingen wordt voldaan.

Binnen dit bestemmingsplan zijn geen seksinrichtingen bestemd.

De aanwezigheid van belwinkels wordt in Rotterdam in menig gebied als problematisch ervaren. Voor belwinkels die alleen de mogelijkheid bieden om (goedkoop) te telefoneren geldt de Winkeltijdenwet niet en dat betekent dat die dienst 24 uur per dag, 7 dagen in de week, mag worden aangeboden. Dit kan leiden tot overlast door het komen en gaan van klanten op late uren in straten waar wonen en detailhandel van oudsher worden gecombineerd.

Overeenkomstig het vorige bestemmingsplan legt dit bestemmingsplan de realisatie van belwinkels aan banden. Het beleid is gericht op het beperken van het aantal belwinkels in Rotterdam.

In het plangebied van dit bestemmingsplan komen dergelijke belwinkels niet voor. Belwinkels zijn doorgaans toelaatbaar in bestemmingen die de functie 'dienstverlening' mogelijk maken. In dit bestemmingsplan is in de begripsbepalingen opgenomen dat belwinkels niet onder Dienstverlening worden begrepen.

4.5.9 Uitbreiding bebouwing achtererfgebied

Op 1 november 2014 is Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bijlage II Bor) gewijzigd. In dit besluit is onder meer het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied geregeld. De wijziging van 1 november 2014 heeft ertoe geleid dat het bouwen van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied (op grond van artikel 2 van Bijlage II Bor) is verruimd ten opzichte van de oude regeling. Dat betekent dat er bij een woning of ander hoofdgebouw meer aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen vergunningvrij mogen worden gebouwd dan voorheen het geval was. De verruiming is mede het gevolg van een andere benadering voor het berekenen van de oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken.

Het vergunningvrije bouwen moet in samenhang gezien worden met de regels in het bestemmingsplan. Dat leidt ertoe dat het bestemmingsplan in beginsel geen invloed heeft op het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken op grond van artikel 2 Bijlage II Bor. Het bestemmingsplan kan alleen maar regelen wat er méér is toegestaan dan wat de regeling uit artikel 2 toelaat.

Hoeveel er op grond van de nieuwe regeling aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken mag worden opgericht, is afhankelijk van de oppervlakte van het bebouwingsgebied. Het bebouwingsgebied maakt onderdeel uit van het achtererfgebied. Hoe groter het bebouwingsgebied, hoe groter de oppervlakte aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken. Het komt erop neer dat maximaal 150 m2 aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken kan worden gebouwd. Dat is het geval bij grote percelen. Bij een doorsnee perceel zal deze oppervlakte veel beperkter zijn.

In het voorliggende bestemmingsplan is ervoor gekozen om een regeling voor het bouwen van aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen op te nemen.

4.5.10 Uitbreiding bebouwing dakopbouwen

De bestemming 'Wonen - 3' is van toepassing op de blokjes stempel- en strokenbouw met laagbouwwoningen in twee bouwlagen, plat afgedekt zonder kap. Deze woningen zijn gelegen in de buurt Tuinenhoven. Het vorige bestemmingsplan stond nog een kap toe. De bouwregels zijn nu meer genuanceerd, zodat een plat afgedekte dakopbouw is toegestaan indien de voor- en achtergevel van de opbouw minimaal 1 meter terugligt ten opzichte van de bestaande voor- en achtergevel.

4.5.11 Verkeers- en verblijfsgebied

De hoofdwegen rond het plangebied, zoals de Adriaan Volkerlaan, Groene Tuin en Groeninx van Zoelenlaan hebben de bestemming 'Verkeer - Wegverkeer'. Deze bestemming is bedoeld voor verkeerswegen met de bijbehorende bruggen, viaducten en parkeerplaatsen. En daarnaast natuurlijk ook voor wandel- en fietspaden en gebouwtjes en bouwwerken ten behoeve van deze functies. Deze bestemming valt juist buiten het plangebied.

De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' is opgenomen voor de ontsluitingswegen met de bijbehorende trottoirs. En daarnaast voor pleinen, snippergroen, speeltoestellen en dergelijke. Binnen deze bestemmingen is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen en watergangen en waterberging mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming).

De bestemming 'Verkeer - Erf' is gebruikt voor enkele (gemeenschappelijke) binnenterreinen.

4.5.12 Voorzieningen van openbaar nut

Deze bestemming is toegekend aan gebouwen ten behoeve van bijvoorbeeld de elektriciteitsvoorziening (trafohuizen) of stadsverwarming en dergelijke. Kleine bouwwerken van openbaar nut, gebouwtjes kleiner dan 80 m3, zijn niet bestemd en kunnen in principe overal worden gerealiseerd. In dit bestemmingsplan zijn een paar grotere voorzieningen van openbaar nut als 'Bedrijf - Nutsvoorziening' bestemd.

4.5.13 Waarde - Cultuurhistorie 2

In 2013 is in opdracht van de gemeente Rotterdam een cultuurhistorische verkenning uitgevoerd ("Inventariserend en waarderend objectenonderzoek langs historische kernen en linten in Oud IJsselmonde, Güth D., Rotterdam 2013) Hieruit blijkt dat de school aan de Koninginneweg 300 cultuurhistorisch waardevol is en als beeldbepalend object is te beschouwen. Dit object heeft een dubbelbestemming gekregen. De dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie 2' werpt een drempel op tegen sloop. Sloop is in principe niet mogelijk. Alleen indien maatschappelijke, technische of economische overwegingen zwaarwegend genoeg zijn om een uitzondering te maken, kan er een sloopvergunning worden verleend. Verder leidt de dubbelbestemming ertoe dat in geval van nieuwbouw voldoende rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van de locatie.

4.5.14 Water, waterstaat en waterkeringen

De in het plangebied aanwezige singels en watergangen hebben de bestemming 'Water - 1' gekregen. De onderhoudstroken langs de hoofdwatergangen, waarop de Keur van het hoogheemraadschap van toepassing is, zijn met een dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie' op de verbeelding aangegeven. De kernzone van de waterkering is op de verbeelding aangegeven met een dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. De beschermingszone van de dijk is bestemd met een aanduidingsregel 'vrijwaringszone - dijk'.

Op grond van de Keur van het Hoogheemraadschap van Delfland is het verboden (behoudens ontheffing) bouwwerken op te richten of houtgewassen te planten binnen een strook van 5 meter (gemeten vanuit de insteek van het talud) langs hoofdwatergangen respectievelijk boezemwatergangen, ten behoeve van het onderhoud van genoemde watergangen.

Een belanghebbende met bouwvoornemens in een keurstrook (zoals aangegeven op de verbeelding) wordt geadviseerd om contact op te nemen met genoemd hoogheemraadschap over antwoord op de vraag of voor het bouwproject in kwestie ontheffing verleend kan worden van het bouwverbod in de Keur.

Voor de uitvoering van werken binnen de voor 'Waterstaat - Waterkering' bestemde zone zoals aangegeven op de verbeelding, is onverminderd de bepalingen van het bestemmingsplan terzake, vergunning vereist van het Hoogheemraadschap.

4.5.15 Wonen en werken aan huis

Het bestemmingsplan gebruikt verschillende bestemmingen voor woningen. Woningen komen voor in gemengde bebouwing en in vier woonbestemmingen: Bij de bestemming 'Wonen - 1' zijn de maximale goot- en bouwhoogte steeds op de verbeelding gegeven. De bestemming is gebruikt voor woningen in hoofdzakelijk appartementgebouwen. Het gaat om gebouwen met verschillende hoogtematen en in diverse typologieën.

De bestemming 'Wonen - 2' is hoofdzakelijk van toepassing voor de blokjes stempel- en strokenbouw met laagbouwwoningen in twee lagen met kap en is ook gebruikt voor de woningen aan de historische linten van de Noorder Kerkedijk en Koninginneweg. Standaard zijn deze woningen gebouwd in twee lagen met kap. De standaard maatvoering voor maximale goot- en bouwhoogte is voor de woningen in de bouwregels gegeven. Eventuele afwijkingen hiervan zijn op de verbeelding aangegeven.

De bestemming 'Wonen - 3' is van toepassing op de blokjes stempel- en strokenbouw met laagbouwwoningen in twee bouwlagen, plat afgedekt zonder kap. Deze woningen zijn gelegen in de buurt Tuinenhoven. Het vorige bestemmingsplan stond nog een kap toe. De bouwregels zijn nu meer genuanceerd, zodat een plat afgedekte dakopbouw is toegestaan indien de voor- en achtergevel van de opbouw minimaal 1 meter terugligt ten opzichte van de voorgevel, respectievelijk achtergevel.

De bestemming 'Woongebied' is gebruikt voor locaties die nog in ontwikkeling zijn. De omschrijving is globaler. Het gaat om de locatie aan de Noorderhagen.

De Oosterse Tuin 78 (Pameijer Woont), Bessentuin 14-36 (Bessentuin/De Ooievaar) en Oosterhagen 239 (Palliatieve zorg) hebben de bestemming "Wonen - Bijzonder woongebouw" gekregen. Op deze locaties zijn woonvormen al dan niet met zorg of verpleging toegestaan. Daarnaast zijn bepaalde bijzondere doeleinden en maatschappelijke voorzieningen toegestaan.

In de regels is een regeling voor werken aan huis opgenomen. Deze regeling gaat uit van een zo groot mogelijke flexibiliteit in toegestane bedrijfsactiviteiten, mits de omgeving geen gevaar loopt en geen onevenredige hinder ondervindt van de activiteit. De bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in alle woningen, ongeacht het type woning of het gebied waar de woning staat. De belangrijkste voorwaarden zijn dat maximaal 30% van de woning voor beroeps-/bedrijfsactiviteiten mag worden gebruikt en dat de woning er aan de buitenkant als woning uit blijft zien. Reclame-uitingen aan de buitenzijde van de woning zijn niet toegestaan. Verder worden detailhandelsactiviteiten en bedrijfsmatige reparatie en onderhoud aan motorvoertuigen nadrukkelijk uitgesloten.

Voor woningen geldt de werken-aan-huisregeling. Voor bepaalde activiteiten is met een functieaanduiding aangegeven dat deze tevens op een bepaald adres binnen de bestemming 'Wonen' zijn toegestaan.

De bestemming 'Wonen - Berging' is gebruikt voor bergingen of bijgebouwen bij woningen die groter zijn dan toegestaan volgens de regeling voor uitbreiding van bebouwing, al dan niet vergunningvrij. De bestemming 'Verkeer - Garagebox' is gebruikt voor garageboxen.

Hoofdstuk 5 Water

Voor het bestemmingsplan is door het ingenieursbureau van Stadsontwikkeling een wateradvies opgesteld. Dit wateradvies (zie Bijlage 2) toetst de fysieke, juridische en beleidsmatige effecten van het plan op de waterhuishouding en is de basis voor de in het bestemmingsplan op te nemen waterparagraaf.

5.1 Beleidskader

5.1.1 Landelijk en Provinciaal

Ruimtelijke adaptatie

In 2014 is de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie genomen. Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen hebben hierin de gezamenlijke ambitie vastgelegd dat Nederland in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig en water robuust is ingericht. Bij (her)ontwikkelingen mag geen extra risico op schade en slachtoffers ontstaan voor zover dat redelijkerwijs haalbaar is.

Waterwet en waterbesluit, primaire waterkeringen

Op 1 januari 2017 zijn nieuwe normen voor de primaire waterkeringen opgenomen in de Waterwet. In het nieuwe waterveiligheidsbeleid, dat opgenomen is in het Nationaal Waterplan 2016-2021 staat de bescherming van mensen en economische waarde centraal. Dit is vertaald in de volgende twee doelen:

  • 1. Dat iedereen die in Nederland achter een primaire waterkering woont uiterlijk per 2050 kan rekenen op een beschermingsniveau van ten minste 10-5 per jaar (d.w.z. dat de kans op overlijden als gevolg van een overstroming voor een individu niet groter is dan 1 op 100.000 per jaar);
  • 2. Dat meer bescherming wordt geboden op plaatsen waar sprake kan zijn van grote groepen dodelijke slachtoffers, grote economische schade of ernstige schade door uitval van vitale en kwetsbare infrastructuur van nationaal belang.

Met deze waterveiligheidsaanpak krijgt iedere bewoner van Nederland die woont achter een primaire kering een vergelijkbaar beschermingsniveau.

5.1.2 Gemeentelijk beleid

Rotterdams Weerwoord

Het college van B&W heeft in februari 2019 het Rotterdams Weerwoord vastgesteld. Het Weerwoord is het Rotterdamse antwoord op de klimaatverandering. Als stad in de delta van Nederland met een dalende bodem is Rotterdam kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering. Klimaatadaptatie, het aanpassen van Rotterdam aan die verandering, is nodig. Want de gevolgen van extremer weer raken iedereen. Om hevige regenval, maar ook langdurige droogte en hitte, grondwateronder- en overlast en bodemdaling aan te pakken zijn sneller en meer ingrepen noodzakelijk in openbaar gebied en op particulier terrein. Door nu actie te ondernemen, kan schade in de toekomst worden beperkt. Tegelijk is flexibiliteit nodig om de aanpak bij te kunnen stellen op basis van nieuwe inzichten. Het Rotterdams Weerwoord richt zich vooral op maatregelen op wijkniveau. In 2019 wordt samen met de waterschappen gewerkt aan uitvoeringsafspraken.

Gemeentelijk Rioleringsplan Rotterdam

Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) Rotterdam 2016-2020 is een wettelijk verplicht meerjarenbeleidsplan, dat alle aspecten op het gebied van de grondwater- en rioleringstaken van de gemeente Rotterdam behandelt. Het plan is in overleg met de waterkwaliteitsbeheerders opgesteld.

5.2 Samenwerking met de waterbeheerder

De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf.
Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders.

Waterschap Hollandse Delta (WSHD) is de waterkwaliteit- en waterkwantiteitbeheerder voor alle binnendijks oppervlaktewater aan de linker Maasoever. De strategie en het beleid van waterschap Hollandse Delta is vooral gericht op: het bieden van veiligheid tegen wateroverlast; veilige (vaar)wegen en voldoende en schoon oppervlaktewater.

Daarnaast werkt het waterschap ook actief aan de ruimtelijke inbedding van “water”, met oog voor de ecologie en het landschap en zo dat water meebepalend wordt voor de gewenste ruimtelijk economische ontwikkelingen.

5.3 Huidige watersysteem

5.3.1 Oppervlaktewater

Het plangebied ligt in de historische polder Oost IJsselmonde. Deze polder had van oorsprong een opstrekkende verkaveling vanaf de ontginningsbasis de Oostdijk aan de Nieuwe Maas. Het maaiveld helde flauw vanaf deze dijk zuidwaarts waardoor de natuurlijke afwatering van het gebied ook zuidwaarts was. De polder werd droog gehouden door twee haaks op de poldersloten lopende weteringen: de Oude Wetering en de Veenwetering.

In tegenstelling tot de oostelijk van het plangebied gelegen wijk Beverwaard (aanleg 1978-1990) is in de wijken die behoren bij de ontwikkeling van Groot IJsselmonde (aanleg 1965-1975) het historische polderwatersysteem geheel verdwenen. Indertijd is gekozen voor het grotendeels afvoeren van neerslag via het riool. Ook het plangebied behoort tot Groot IJsselmonde. Het plangebied kent nu weinig oppervlaktewater.

Het plangebied valt onder Peilbesluit IJsselmonde-Oost dat is vastgesteld op17-08-2010. Het gebied waarvoor dit peilbesluit geldt heeft ongeveer 3% oppervlaktewater, 46% onverhard oppervlak en 50% verhard oppervlak. Voor het plangebied zullen deze cijfers ongeveer overeenkomen, al is het percentage oppervlaktewater mogelijk nog iets lager.

Het water dat door het plangebied stroomt is afkomstig uit de Nieuwe Maas waar het aan de oostkant van de wijk Oud-IJsselmonde wordt ingelaten. Het water stroomt in een globaal zuidwestelijke richting door Groot-IJsselmonde en verlaat het plangebied op twee plaatsen: aan de westzijde richting Park de Twee Heuvels en aan de zuidzijde richting de wijk Reijeroord.

5.3.2 Grondwater

Voor het meten van grondwater zijn er peilbuizen in het plangebied. De ligging van de peilbuizen met de gemiddelde ontwateringsdiepte (afstand tussen maaiveld en grondwaterpeil) zijn weergegeven in onderstaande figuur (gegevens uit grondwateratlas 2016). De ontwateringsdiepte in het plangebied voldoet op een aantal locaties niet aan de vereiste 0,80 meter. In de wijk staat nog een aantal huizen met houten paalfunderingen, grondwateronderlast en paalrot zijn hier aandachtspunten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1102GroenhTuinh-va01_0017.png"

5.3.3 Waterkeringen en waterveiligheid

In het plangebied ligt een regionale waterkering. Rond deze waterkeringen ligt een beschermingszone waarbinnen activiteiten die de waterkering kunnen aantasten niet zijn toegestaan.

Waterveiligheid

Het plangebied ligt geheel binnendijks, binnen de primaire waterkeringen. De primaire waterkeringen worden zo ontworpen dat iedereen die achter de waterkering woont, kan rekenen op een beschermingsniveau van ten minste 10-5 per jaar (d.w.z. de kans op overlijden als gevolg van een overstroming voor een individu niet groter is dan 1 op 100.000 jaar). Dit uitgangspunt is vertaald in een norm per dijktraject. Voor de primaire waterkering die het plangebied beschermt, betekent dit dat de kans op overstromen per jaar vastgesteld is op 1: 3.000 jaar.

De gevolgen van een overstroming binnendijks zijn afhankelijk van meerdere aspecten, zoals de locatie waar de overstroming plaatsvindt, de afstand tot de waterkering en de maaiveldhoogtes in het gebied. Om een indicatie van de risico’s te krijgen is er een landelijk informatiesysteem overstromingen.

Doordat de berekening op een hoog abstractieniveau is uitgevoerd is het detailniveau van de kaarten beperkt. Wel kan uit de kaart worden opgemaakt dat plangebied niet zal overstromen.

5.3.4 Riolering: afval- en hemelwater

Het bestemmingsplangebied valt geheel binnen rioleringsdistrict 36 (IJsselmonde). In het plangebied ligt overwegend een gemengd stelsel. Dat betekent dat het huishoudelijk afvalwater gezamenlijk met het hemelwater wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering (AWZI). District 36 voert, via districtgemaal Kerkedijk (G036) en riooldistricten 30 (Lombardijen) en 26 (Zuiderpark), het afvalwater af naar AWZI Dokhaven. District 36 ontvangt zelf het rioolwater van district 29 (IJsselmonde dorp).

Naast de afvoer richting AWZI Dokhaven beschikt het districtsgemaal Kerkedijk over een overstortbemaling die het afvalwater bij zware regen ongezuiverd op de Nieuwe Maas pompt.

Binnen het plangebied zijn twee vuilwateroverstorten aanwezig. Direct buiten het plangebied liggen nog eens twee vuilwateroverstorten.

5.4 De wateropgave

5.4.1 Oppervlaktewater

Het plangebied heeft een wateropgave.

De door het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen *) zullen geen afname van het aanwezige oppervlaktewater veroorzaken. Door de volgende ontwikkelingen zal de hoeveelheid onverhard oppervlak in het plangebied afnemen:

  • Nieuwbouw Noorderhagen.
  • Nieuwbouw Adriaan de Jongstraat.
  • Nieuwbouw Kruisherenstraat.
  • Nieuwbouw Backershagen.
  • Aanleg fietsverbinding Noorderhagen.

De toename van het verhard oppervlak (=afname onverhard) is ongeveer 14.450 m2.

Hiervoor is de aanleg van in totaal 1.445 m2 compensatiewater nodig. Dit dient conform de voorkeursvolgorde van het waterschap te worden aangelegd.

Per peilgebied is er ten gevolge van de nieuwbouwontwikkeling de volgende wateropgave:

  • Y11.030; ca. 1010 m2.
  • Y11.031; ca. 185 m2.
  • Y11.037; ca. 90 m2.

Hierbij is op de nieuwbouwlocaties uitgegaan van een maximaal bebouwingspercentage van 66% (inclusief verharde buitenruimte). De aanleg van dit compensatiewater komt nog bovenop de wateropgave die al voor het gebied geldt.

*) Nieuwbouwlocaties Adriaan de Jongstraat en Backershagen zijn meegenomen in het water onderzoek, de watertoets. De ontwikkelingen zijn echter onvoldoende concreet om in het bestemmingsplan te worden meegenomen. De locatie Kruisherenstraat is inmiddels vergund.

5.4.2 Grondwater

De ontwikkelingen Nieuwbouw Adriaan de Jongstraat en Nieuwbouw Kruisherenstraat vinden plaats nabij een gebied waar 1 tot 5 % van de panden houten paalfunderingen heeft. Als gevolg van de bouwactiviteiten moet daling van de grondwaterstand voorkomen worden om bij deze panden funderingsschade te voorkomen.

De volgende ontwikkelingen liggen in een gebied waar minder dan 1% van de panden houten funderingen heeft:

  • Nieuwbouw Noorderhagen.
  • Nieuwbouw Backershagen.
  • Woningbouw Hollands tuin.
  • Aanleg fietsverbinding Noorderhagen.

Alvorens de voorgenomen nieuwbouw uit te voeren moeten de risico’s van eventuele grondwaterverlagingen in beeld gebracht te worden.

De mogelijk gemaakte ontwikkeling zijn niet zo groot van omvang dat structurele veranderingen van de grondwaterstand verwacht kunnen worden.

5.4.3 Waterkering en waterveiligheid

Waterkeringen

De polderwaterkeringen in het bestemmingsplangebied worden conform provinciaal beleid bestemd als ‘Waterstaat - Waterkering’ en de beschermingszone als ‘vrijwaringszone-dijk’.

Invloed op de waterkering wordt niet verwacht. In de zones van de waterkering worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt.

Waterveiligheid

De ontwikkelingen in het gebied hebben geen significante invloed op het veiligheidsrisico binnendijks. Ook neemt de economische waarde binnendijks niet significant toe.

5.4.4 Riolering: afval- en hemelwater

De ontwikkelingen in het bestemmingsplan zullen leiden tot een toename van vooral het aantal woningen. Op basis van het aantal woningen is een inschatting te maken van de verandering van de afvalwaterbelasting als gevolg van de ontwikkelingen.

De inschatting van de verandering van de afvalwaterbelasting is gebaseerd op het maximale programma dat extra mogelijk gemaakt wordt binnen het bestemmingsplan, namelijk circa 160 nieuwe woningen.

Hemelwater

Voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het scheiden van schoon en vuil water verplicht. Het Rotterdamse beleid is daarbij dat gestreefd wordt naar het verwerken van hemelwater op het eigen terrein. Als uitgangspunt geldt hierbij dat 70 mm regenwater per een uur en 80 mm regenwater per een dag kan worden geborgen. Dit leidt tot vermindering van vuilwateroverstorten, wat de waterkwaliteit ten goede komt, en zorgt ervoor dat er minder water wordt afgevoerd naar de AWZI.


Na bergen op eigen terrein zal het water alsnog vertraagd afgevoerd moeten worden. Voor de ontwikkelingen in het plangebied kan dat bijvoorbeeld door te kiezen voor het laten afstromen van regenwater naar oppervlaktewater in de directe omgeving. Voor de materiaalkeuze van de bebouwing gelden randvoorwaarden, aangezien verontreiniging van afstromend hemelwater voorkomen moet worden. Uitloogbare materialen vormen een belasting voor de waterkwaliteit, deze zijn niet onvoorwaardelijk toepasbaar.

Verder stimuleert de gemeente toepassing van groene daken. Groene daken houden hemelwater tijdelijk vast en verminderen en vertragen de afvoer ervan. Groene daken worden echter niet meegeteld als compensatie voor de verharding.

5.4.5 Klimaatkansen

Bij de aanleg van de wijk is indertijd gekozen voor afvoer van hemelwater via het riool (gemengd stelsel) en het oppervlaktewatersysteem is derhalve klein uitgevoerd. Door de verwachte klimaatontwikkelingen zal het plangebied niet goed in staat zijn neerslagpieken te verwerken. Het plangebied heeft daarom nog een wateropgave. Voor dit plangebied wordt ingezet op het aanleggen van meer oppervlaktewater.

In het Rotterdamse Weerwoord heeft het plangebied de Hotterdam-score “Hoog” voor hittegevoeligheid. De mogelijk gemaakte ontwikkelingen liggen in een groene omgeving en leiden bij realisatie tot een toename van de hittestress in de wijk. Als mitigatie stelt het Rotterdamse Weerwoord het realiseren van groen en waterberging in de directe leefomgeving voor.

Hoofdstuk 6 Milieu

6.1 Inleiding

Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren.

In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig. Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

6.2 Milieu effectrapportage

Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden.

6.2.1 Plangebied

Het bestemmingsplan maakt de volgende ontwikkeling mogelijk: nieuwbouw van een strook eengezingswoningen (in orde van grootte tot circa 60 woningen).

Om te bepalen of het bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, is het programma getoetst aan de Nederlandse en Europese wetgeving. De bovengenoemde ontwikkeling moet worden gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals omschreven in het Besluit m.e.r. kolom 1, opgenomen in het onderdeel D 11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

Er dient een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden. Als uitgangspunt geldt dat alleen een MER hoeft te worden opgesteld indien het bevoegd gezag (in dit verband het college) van oordeel is dat dit noodzakelijk is vanwege belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling voor dit bestemmingsplan dienen de ontwikkelingen die in dit plan worden mogelijk gemaakt, te worden beschouwd. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de 3 criteria die zijn opgenomen in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten.

Het college heeft, tegelijk met het besluit tot terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen. De strekking van dit besluit is dat er, gezien de vormvrije m.e.r.-beoordeling (zie hieronder), vanwege het bestemmingsplan Groenenhagen - Tuinenhoven geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu worden verwacht. Daarom heeft het college besloten dat er voor dit bestemmingsplan geen milieueffectrapport zal worden opgesteld. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit ligt tegelijk met het ontwerpbestemmingsplan als afzonderlijk besluit ter inzage, en is als bijlage bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

1. Kenmerken van het project als omvang, cumulatie met andere projecten, gebruik natuurlijke hulpbronnen, productie afvalstoffen, verontreiniging en hinder, risico van ongevallen (i.v.m. stoffen/technologieën).

Motivering:

Het bestemmingsplan maakt nieuwbouw van woningen mogelijk. Het aantal nieuwe woningen dat wordt toegevoegd is beperkt (in orde van grootte tot circa 60 woningen op 1 locatie). Momenteel vinden in de omgeving alleen vergelijkbare kleine woningbouwontwikkelingen plaats. Omdat in het plangebied en de omgeving sprake is van een beperkte toename van verkeersbewegingen verdeeld over een groot aantal wegen is van een significante cumulatie geen sprake. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen en productie van afvalstoffen is niet aan de orde bij de nieuwe woningen, evenmin is er sprake van grootschalige verontreiniging. Andere vormen van hinder zijn niet aan de orde en ook van een toename van risico op ongevallen is geen sprake.

2. Plaats van het project (de kwetsbaarheid van het milieu in het gebied waarop het project effect kan hebben), bijvoorbeeld een natuurgebied.

Motivering:

De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden zijn de 'Oude Maas' en 'Boezems Kinderdijk', beide op circa 6 km afstand tot het bestemmingsplangebied. Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats liggen op een afstand van ten minste 20 kilometer tot het bestemmingsplangebied (dit betreffen de gebieden 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck', 'Biesbosch' en 'Solleveld & Kapittelduinen'). De in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte activiteiten hebben geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000-gebieden. Dit blijkt uit de berekening van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden, vanwege de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen. Het resultaat van de berekening is dat er een bijdrage aan de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden is van (afgerond) 0,00 mol per hectare per jaar (oftewel geen significante bijdrage).

Het meest nabijgelegen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de Nieuwe Maas, op circa 1 kilometer ten noorden van het bestemmingsplangebied. Negatieve invloeden op de Natuurnetwerk Nederland gebieden en Belangrijke weidevogelgebieden als gevolg van het vaststellen van het bestemmingsplan zijn uitgesloten. Daarvoor zijn deze ontwikkelingen te beperkt van omvang en liggen ze op te grote afstand van deze gebieden.

3. Kenmerken van het potentiele effect (bereik, waarschijnlijkheid, duur frequentie en onomkeerbaarheid).

Motivering:

Er worden geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu verwacht. Dit blijkt uit de milieuonderzoeken die ten behoeve van het bestemmingsplan zijn uitgevoerd. Het bestemmingsplan zorgt niet voor een significante toename van verkeer, en draagt daarmee ook niet in betekenende mate bij aan een toename van geluid en luchtverontreiniging. Het bestemmingsplan leidt niet tot een verandering ten opzichte van de huidige situatie bij bodemverontreiniging en externe veiligheid. Ook zijn op voorhand geen significante effecten op beschermde soorten te verwachten.

Conclusie

Uit de bovenstaande vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu worden verwacht. Het opstellen van een milieueffectrapport is dan ook niet noodzakelijk.

6.3 Milieuzonering

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering).

De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging.

Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk. Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking.

De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave.

6.3.1 Plangebied

Bedrijven in of nabij het plangebied
Het plangebied van dit bestemmingsplan geldt in het Rotterdamse beleid als een woongebied. In deze gebieden kunnen bedrijven in milieucategorie 2 als passend worden gezien, mits deze een redelijke afstand tot de woonbebouwing hebben. Als indicatieve maat voor milieucategorie 2 geldt een richtafstand van 30 meter.

In het bestemmingsplan worden bedrijven tot en met categorie 2 toegestaan van de bedrijvenlijst die opgenomen is in de bijlage van de regels. Veelal zijn deze bedrijven toegestaan op de begane grond, waarboven wordt gewoond, of in op zichzelf staande gebouwen. In de praktijk laten deze functies zich door de beperkte omvang in het algemeen zonder problemen combineren met woningen, of zijn problemen goed te voorkomen/verhelpen door het nemen van maatregelen. Een uitzondering hierop vormen de volgende bedrijfsactiviteiten: handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven. Dit zijn eveneens activiteiten in milieucategorie 2, maar vanwege de verkeersaantrekkende werking en het gegeven dat deze bedrijven soms gebruik gaan maken van het verblijfsgebied worden deze bedrijven niet als passend in een woonwijk gezien. Daarom hebben de huidige bedrijven die deze activiteiten uitoefenen een maatbestemming gekregen, en zijn nieuwe bedrijven niet toegestaan. Verder is aan de rand van de woonwijk een LPG-tankstation gevestigd. Dit betreft een bedrijf in milieucategorie 3.1.

Overige activiteiten in of nabij het plangebied
In en nabij het plangebied is vooral de Rijksweg A16 van invloed op de nieuwe woningen die het bestemmingsplan mogelijk maakt.

6.3.2 Conclusie

In Groenenhagen - Tuinenhoven en de omgeving daarvan zijn geen bedrijfsactiviteiten en andere activiteiten aanwezig die gezien de indicatieve afstanden voor milieuhinder van invloed zijn op de locaties waar woningen kunnen worden gerealiseerd. Zodat de ontwikkeling van woningen niet door milieuzonering in de weg wordt gestaan.

6.4 Geluid

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg-en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer.
Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te
zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet-wettelijke geluidbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidhinder niet als
geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn.

Rotterdams beleid

In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven. Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidgehinderden zo veel mogelijk terug te dringen.

Plangebied

Het bestemmingsplan Groenenhagen - Tuinenhoven maakt het mogelijk dat op een aantal locaties woningen worden gerealiseerd. Deze locaties moeten op grond van de Wet geluidhinder bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan als nieuwe geluidsgevoelige objecten worden beschouwd. Het betreft de op onderstaande kaart aangegeven locaties.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1102GroenhTuinh-va01_0018.png"

*) Locaties W2, W5 en W6 zijn meegenomen in het akoestisch onderzoek. De ontwikkelingen zijn echter onvoldoende concreet om in het bestemmingsplan te worden meegenomen. Locatie W3 is inmiddels vergund.

6.4.1 Wegverkeer

Als in een zone langs een weg nieuwe situaties mogelijk worden gemaakt, dan moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximum snelheid. In het akoestisch onderzoek kunnen wegen waar een snelheid van maximaal 30 km/u geldt buiten beschouwing blijven. In de onderstaande tabel is de zonebreedte aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1102GroenhTuinh-va01_0019.png"

Bij nieuwe geluidsgevoelige situaties is de voorkeurswaarde aan de gevel 48 dB. Het college van Burgemeester en Wethouders heeft volgens artikel 83 van de Wet geluidhinder de bevoegdheid om een hogere waarde vast te stellen, tot maximaal 53 dB voor buitenstedelijke wegen en tot maxmaal 63 dB voor binnenstedelijke wegen. De onderbouwing van dit voornemen, het ontwerpbesluit, wordt tegelijkertijd met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd.

Om na te gaan in hoeverre aan de normen van de Wet geluidhinder kan worden voldaan zijn geluidberekeningen uitgevoerd. De uitkomsten van het akoestisch onderzoek naar wegverkeer op locatie W1 zijn aangegeven in de onderstaande tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1102GroenhTuinh-va01_0020.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1102GroenhTuinh-va01_0021.png"

Vervangende nieuwbouw

De locatie mag worden gezien als een locatie waar sprake is van vervangende nieuwbouw. Immers er is geen sprake van een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of de bestaande stedenbouwkundige structuur. Tevens leidt de vervanging niet tot een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden.

Rijksweg A16

Uit de tabel blijkt dat de geluidbelasting van de onderzochte ontwikkellocatie vanwege de Rijksweg A16 de voorkeurswaarde van 48 dB overschrijdt. De geluidbelasting vanwege de Rijksweg A16 voldoet aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting vanwege een buitenstedelijke weg voor woningen met toepassing van vervangende nieuwbouw (63 dB).

Stedelijke wegen

De voorkeurswaarde van 48 dB wordt op locatie W1 vanwege de Groene Tuin inclusief tramverkeer met maximaal 7 dB overschreden. Daarbij wordt de maximaal toelaatbare geluidbelasting voor woningen met toepassing van vervangende nieuwbouw (68 dB) vanwege een stedelijke weg en/of tramspoor niet overschreden.

6.4.2 Conclusie

Het Ingenieursbureau van gemeente Rotterdam heeft in opdracht van het cluster Stadsontwikkeling akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het bestemmingplan Groenenhagen - Tuinenhoven. (Zie Bijlage 4.) Het bestemmingsplan Groenenhagen - Tuinenhoven maakt het mogelijk om op een locatie woningen te realiseren. Omdat deze functie nog niet is gerealiseerd noch vergund, worden ze in het kader van de Wgh als een nieuwe situatie aangemerkt. Deze locatie is daarom akoestisch onderzocht.

Voor het plan is wegverkeerslawaai (inclusief tramverkeerslawaai) van belang. Bepaald is wat de geluidbelasting vanwege deze bron op de gevels van de locaties is en of deze voldoet aan de eisen van de Wgh. Daarnaast is bepaald of het plan voldoet aan het ontheffingsbeleid van de gemeente Rotterdam.

Op de ontwikkellocatie wordt de voorkeurswaarde (48 dB) overschreden vanwege één of meerdere zoneplichtige wegen. De maximaal toelaatbare geluidbelastingen vanwege de Rijksweg A16 voor woningen met toepassing van vervangende nieuwbouw (63 dB) en vanwege de stedelijke wegen (68 dB) worden daarbij niet overschreden. Maatregelen zijn gewenst.

De cumulatieve geluidbelasting, zonder aftrek conform artikel 110g van de Wgh, vanwege alle onderzochte zoneplichtige wegen is op de ontwikkellocatie hoger dan 53 dB. De plandrempel van 53 dB, zoals genoemd in het Rotterdams Actieplan geluid 2019-2023, wordt bij deze locatie overschreden.

Indien geen bron- en/of overdrachtsmaatregelen (kunnen) worden getroffen om de geluidbelasting tot de voorkeurswaarde voor de geluidbelasting te verlagen, wordt geadviseerd om hogere waarden aan te vragen bij het college van Burgemeester en Wethouders.

Procedure hogere waarde

Indien geen bron- en/of overdrachtsmaatregelen worden getroffen, is het niet mogelijk om de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai tot de voorkeurswaarde te beperken. In dat geval dienen de maximaal berekende geluidbelastingen als hogere waarden te worden aangevraagd. De daarbij vast te stellen hogere waarden zijn in tabel 7.1 weergegeven. Deze waarden dienen bij het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van het bestemmingsplan Groenenhagen - Tuinenhoven als hogere waarden te worden aangevraagd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1102GroenhTuinh-va01_0022.png"

Ontheffingsbeleid Rotterdam

Niet alle bouwlagen op locatie W1 beschikken over een geluidluwe zijde. Bij realisatie van woningen op locatie W1 zal er aandacht moeten worden besteed aan geluidluwe gevels.

Aanbevelingen uit het akoestisch onderzoek

Het akoestisch onderzoek geeft als aanbeveling voor nieuwe situaties om in de planregels van het bestemmingsplan Groenenhagen - Tuinenhoven op te nemen dat elke woning over minimaal één geluidluwe gevel, en indien van toepassing één geluidluwe buitenruimte moet beschikken.

Naar aanleiding van de aanbeveling is in de bebouwingsnormen bij Woongebied opgenomen dat elke woning over minimaal één geluidluwe gevel, en indien van toepassing één geluidluwe buitenruimte moet beschikken. Daarmee voldoen de geluidsgevoelige functies aan het bij dit bestemmingsplan behorende besluit hogere waarden.

6.5 Luchtkwaliteit

Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan.
De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald. Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden.
Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als:

  • er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden;
  • de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft;
  • er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect;
  • het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling;
  • de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld.


Rotterdams beleid

Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan.
Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn.

6.5.1 Plangebied

Ten behoeve van het bestemmingsplan is nagegaan of de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt wel of niet in betekenende mate bijdragen aan een toename van de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. De ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt betreffen circa 160 nieuwe woningen op vier locaties met nieuwbouw en/of transformatie. (Drie van de vier locaties zijn nog onvoldoende concreet om in het ontwerpbestemmingsplan mee te nemen.)

Door het Ingenieursbureau van Stadsontwikkeling is het bestemmingsplan getoetst aan de wet- en regelgeving Luchtkwaliteit en aan het gemeentelijke Luchtbeleid. De resultaten van het onderzoek zijn als bijlage bij de toelichting gevoegd.

Daarnaast is aanvullend een berekening gemaakt met Aerius 2.0 in het kader van het nieuwe stikstofbeleid.

Als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen zouden effecten kunnen ontstaan op Natura 2000-gebieden. Gelet op de afstand (>10 km) tot Natura 2000-gebieden en de aard van de ontwikkeling zijn directe effecten zoals verstoring, effecten op waterhuishouding en dergelijke op voorhand uit te sluiten. Effecten die wel op grotere afstand kunnen plaatsvinden zijn depositie effecten als gevolg van toename van stikstofemissies. Het rekenresultaat van de berekening is dat er een bijdrage aan de stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden is van afgerond 0,00 mol/ha/jr. Waarmee aan de norm wordt voldaan.

(Toelichting: de afrondingsregel in Aerius 2.0: is als volgt: groter dan of gelijk aan 0,005 wordt 0,1 en kleiner dan 0,005 wordt 0,00.)

Het bestemmingsplan geeft ook geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden. Van verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en habitats van soorten of een significant verstorend effect op soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen, is geen sprake.

6.5.2 Conclusie

Het effect van de ontwikkelingen (circa 160 woningen) is minder dan het effect van 1.500 woningen dat onder het NIBM regime mag worden gebouwd bij een eenzijdige verkeersontsluiting. Het plan draagt daarmee niet-in-betekenende-mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De nieuwe woningen komen niet binnen de contouren van de grenswaarden en voldoen daarmee aan het Rotterdams beleid (bron: monitoringstool-2017 van NSL).

Met de analyse is aangetoond dat het effect van de bestemmingsplan Groenenhagen - Tuinenhoven een niet-in-betekenende-mate (NIBM) bijdrage geeft aan de luchtkwaliteit. Het bestemmingsplan Groenenhagen - Tuinenhoven voldoet daarmee aan de Wet Luchtkwaliteit en tevens aan het Rotterdamse beleid.

Met de Aerius 2.0 berekening is aangetoond dat het bestemmingsplan uit oogpunt van de Natuurbeschermingswet uitvoerbaar is.

6.6 Bodem

De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is.

6.6.1 Plangebied

De Indicatieve Bodemkwaliteitkaart Rotterdam geeft een indicatie van de mate waarin de bodem in een bepaald gebied is verontreinigd. Op basis van de indicatieve bodemkwaliteitskaart is de bodem (0 tot 1m-mv) binnen het plangebied zeer licht verontreinigd (functie: landbouw) en op 1m- mv tot 2m- mv licht verontreinigd (functie: wonen).

Uit de toelichting van het bestemmingsplan uit 2009 blijkt dat voor de volgende ontwikkellocaties bodemonderzoeken zijn uitgevoerd (eventueel gevolgd door bodemsanering): locatie Brandweerkazerne, Meester Baarsschool, Noorderhagenstrook, Kop Noorderhagen, Terraskamers en de Lamel.

Uit dat bestemmingsplan blijkt ook dat er concentraties boven de bijbehorende streefwaarden aangetroffen kunnen worden voor de Noorder Kerkedijk. Deze locatie behoort volgens de bodemkwaliteitskaart Rotterdam tot lintbebouwing. De Noorder Kerkedijk is een oude bewoningskern langs een dijk met historische bewoning en bedrijfsactiviteiten. Hierbij valt onder meer te denken aan landbouw, brandstoffenhandel, blikslagerijen en smederijen. Langs de dijk kunnen plaatselijk verontreinigingen voorkomen boven de bijbehorende interventiewaarden, afhankelijk van de historische bedrijfsactiviteiten. Bij lintbebouwing betreffen de verontreinigingen over het algemeen niet-mobiele verontreinigingen in de grond, zoals zware metalen (lood, koper en zink) en Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK).

Op basis van bovenstaande is de verwachting dat de bodemkwaliteit ter plaatse van de locaties waar het bestemmingsplan woningbouw mogelijk maakt thans al schoon genoeg is voor de woonfunctie.

6.7 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid.

Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd. Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag.

Rotterdams beleid

De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR).

Door het Ingenieursbureau van Stadsontwikkeling is ten behoeve van het bestemmingsplan onderzoek gedaan naar externe veiligheid en verantwoording groepsrisico. Zie bijlage. Het onderzoek richt zich op de volgende risicobronnen:

6.7.1 Transport gevaarlijke stoffen over de A16

Aan de oostkant van het plangebied is de A16 gelegen. Over deze in het Basisnet opgenomen Rijksweg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats.

Plaatsgebonden risico

Het PR plafond (de maximale PR 10-6 contour) wordt gemeten vanaf het midden van de weg en begrenst de gebruiksruimte van het vervoer. Het PR plafond van wegdeel Z134 (Knooppunt Ridderkerk noord - afrit 25 Rotterdam centrum) bedraagt volgens de Regeling basisnet 58 meter.

Aangezien de dichtstbijzijnde bebouwing zich op een afstand van ca. 61 meter van de as van de weg bevindt, is er in de huidige situatie geen knelpunt ten aanzien van (beperkt) kwetsbare objecten

Groepsrisico

Het groepsrisico wordt bepaald door de combinatie van de transportintensiteit van gevaarlijke stoffen over de weg en het aantal aanwezige personen aan weerszijden van de transportroute. Ten behoeve van het bestemmingsplan is de hoogte van het groepsrisico binnen het invloedsgebied berekend. Daarnaast is berekend of de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt voor een verhoging van het groepsrisico zorgt.

De berekening laat zien laat zien dat het risico in de huidige situatie onder de oriëntatiewaarde ligt. Het hoogste groepsrisico bedraagt 0,29 maal de oriëntatiewaarde.

In de plansituatie liggen de ontwikkelingen Noorderhagen en Hollands Tuin binnen het groepsrisico-aandachtsgebied van 200 meter. In de berekening laten deze ontwikkelingen een minimale toename van het groepsrisico zien, het groepsrisico blijft 0,29 maal de oriëntatiewaarde.

6.7.2 Lpg-tankstation Adriaan Volkerlaan nr. 8

Volgens de milieuvergunning van dit tankstation is de doorzet beperkt tot 1.000 m3 lpg per jaar. De voorraad van lpg bestaat uit één ondergrondse tank van 40 m3. Van dit lpg-tankstation liggen het vulpunt en de ondergrondse voorraadtank op het IJsselmondseplein en daarmee buiten het plangebied. De afleverzuil ligt aan de Adriaan Volkerlaan nr. 8 en daarmee binnen het plangebied.

Plaatsgebonden risico

De 10-6 plaatsgebonden risicocontouren van het vulpunt en van de ondergrondse voorraadtank liggen buiten het plangebied. De 10-6 plaatsgebonden risicocontour van de afleverzuil ligt aan de Adriaan Volkerlaan nr. 8. Binnen deze contour liggen nu geen geen (beperkt) kwetsbare objecten), in de plansituatie is dat ook niet het geval.

Effectafstanden

De effectafstanden uit de Circulaire blijven buiten het plangebied

Groepsrisico
Het invloedsgebied van het vulpunt en de ondergrondse voorraadtank ligt buiten het plangebied. Het groepsrisico hoeft daardoor niet te worden verantwoord.

6.7.3 Transport gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas

Het plaatsgebonden risico van het transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas is niet beperkend voor dit bestemmingsplan. Het groepsrisico is niet aan de orde omdat het plangebied op meer dan 200 meter van de rivier ligt. Binnen 40 meter van de oever van de Nieuwe Maas worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Daardoor heeft het oeverbeleid van de Provincie Zuid-Holland geen praktische betekenis.

6.7.4 Hogedruk aardgastransportleiding

Door IJsselmonde loopt, een hogedruk aardgastransportleiding (W-530-02) van de Nederlandse Gasunie (NGU). De leiding ligt ten zuiden van het plangebied en volgt deels de Groeninx van Zoelenlaan.

Op de leiding is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing. Het externe veiligheidsrisico is berekend met het risicoprogramma CAROLA.

De 10-6 plaatsgebonden risicocontour levert geen ruimtelijke beperking op voor dit plan.

Het groepsrisico is kleiner dan 0,1 (10%) maal de oriënterende waarde. In de plansituatie ligt alleen de ontwikkeling Backershagen (circa 80 woonappartementen) binnen het invloedsgebied. Het groepsrisico neemt door deze ontwikkeling enigszins toe, maar blijft kleiner dan 0,1 (10%) maal de oriënterende waarde.

*) De ontwikkeling Backershagen is onvoldoende concreet om mee te nemen in het bestemmingsplan. Er zijn daarom geen ontwikkelingen binnen het invloedsgebied.

6.7.5 Conclusie

De groepsrisico's van de A16 en de hogedruk aardgastransportleiding blijven onder 0,3 maal (30%) van de oriëntatiewaarde. Dit betekent dat volgens het groepsrisicobeleid van de gemeente Rotterdam voor deze risicobronnen een lichte verantwoording geldt van het groepsrisico.

Deze groepsrisico's zullen door het bestuur worden verantwoord bij de vaststelling van dit bestemmingsplan. In het bestemmingplan Groenenhagen - Tuinenhoven wordt aandacht besteed aan het aspect zelfredzaamheid en hulpverleing (de VRR adviseert). De groepsrisico's geven geen beperkingen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen. Bij de definitieve inrichting van de ontwikkelingen dient ten aanzien van de blusvoorzieningen en bereikbaarheid door hulpdiensten advies te worden gevraagd bij de Regionale Brandweer Rotterdam-Rijnmond. Hiermee zijn de groepsrisico's volgens het bestuur van Rotterdam verantwoord.

6.8 Natuur

Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn.

De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen:

  • het behouden en ontwikkelen van natuur;
  • het behouden en herstellen van de biodiversiteit;
  • het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en
  • het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies.

De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur.

Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming nog niet uitgewerkt.

De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming. Het begrip 'aanvaardbaar' betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Wel wordt onderzocht of de nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen onoverbrugbare strijdigheden met de Wet natuurbescherming opleveren (aanvaardbaarheidstoets).

Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna.

6.8.1 Rotterdams beleid

Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland.

In het kader van de Wet natuurbescherming is onderzoek gedaan naar het voorkomen van beschermde planten- en diersoorten, evenals naar beschermde gebieden in of nabij het plangebied. (Zie Bijlage 8) Nieuwe ontwikkelingen zijn getoetst aan de aanwezige natuurwaarden.

Het plangebied ligt op 6,5 kilometer afstand van beschermde Natura 2000-gebieden en op 520 meter afstand van gebieden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, zullen naar verwachting geen nadelige invloed hebben op Natura 2000 gebieden of het Natuurnetwerk Nederland.

6.8.2 Samenvatting onderzoek flora en fauna

Voor Groenenhagen - Tuinenhoven wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld welke dient te worden getoetst aan vigerende natuur wet- en regelgeving. Binnen het bestemmingsplangebied vinden enkele wijzigingen plaats. (Verdiepend) Onderzoek naar flora en fauna is bij enkele ontwikkelingen nodig. Bij ruimtelijke activiteiten die binnen een bestaande bestemming vallen (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw, kap van beplanting) dient voorafgaand aan de uitvoering ervan flora- en faunaonderzoek te worden uitgevoerd. Indien er in het bestemmingsplan in de toekomst alsnog ontwikkelingen gepland worden, waarbij een bestemmingsplanwijzing of projectbestemmingsplan noodzakelijk is, dan dient opnieuw getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming. Eventuele benodigde ontheffingen dienen verkregen én aan voldaan te zijn voordat met de realisatie van de ontwikkelingen begonnen kan worden.

Voor het bestemmingsplan zijn de Verordening ruimte, voor wat betreft het Natuurnetwerk Nederland en de soortenbescherming en gebiedsbescherming onder de Wet natuurbescherming relevant: De meest dichtbij gelegen Natura 2000-gebieden (Oude Maas en Boezems Kinderdijk) liggen buiten de invloedssfeer van mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen in het bestemmingsplangebied. Negatieve invloeden op de Natuurnetwerk Nederland gebieden en Belangrijke weidevogelgebieden als gevolg van het vaststellen van het bestemmingsplan zijn uitgesloten. De onder de Wet natuurbescherming geregelde bescherming van houtopstanden valt buiten deze toetsing.

In het bestemmingsplangebied zijn potenties voor gebouwbewonende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig, te weten Huismus en Gierzwaluw en vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen, te weten Sperwer en Ransuil. Hiernaast is er potentie voor habitatrichtlijnsoorten Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Kleine dwergvleermuis, Tweekleurige vleermuis en Laatvlieger. Het plangebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Zuid-Holland geen vrijstelling geldt. Dit betreft de Steenmarter. Daarnaast is het plangebied geschikt voor Nationaal beschermde soorten die zijn vrijgesteld van ontheffing, dit betreffen meerdere soorten (spits)muizen, egel, bunzing, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander.

Naast onder de Wet natuurbescherming streng beschermde soorten is het plangebied geschikt voor categorie 5-vogels, algemene broedvogels en in de provincie vrijgestelde soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Geadviseerd wordt om bij renovatie, sloop en nieuwbouw gebouwen geschikt te maken voor medebewoning door fauna (natuurinclusief bouwen). Kansen voor natuur binnen het bestemmingsplangebied liggen vooral bij het aanleggen van natuurvriendelijke oevers langs de sloten, het realiseren van ecologisch beheerde bermen, het ecologischer beheren van gazonnen en natuurinclusief bouwen/renoveren.

Bij ruimtelijke ingrepen die plaats vinden binnen bestaande bestemmingen (zoals het slopen van gebouwen, ingrijpende renovatie, herinrichting van terreinen, kapwerkzaamheden of werkzaamheden in of aan waterlopen of de oevers daarvan) is voorafgaand aan de werkzaamheden een onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming verplicht.

De verwachting is dat bij het toepassen van de juiste mitigatie een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming verkregen kan worden.

Met inbegrip van bovenstaande is de conclusie dat het bestemmingsplan 'aanvaardbaar' is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming en andere kaders m.b.t. natuur.

Hoofdstuk 7 Handhaving

In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden.

Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in het Beleidsplan Naleving Omgevingsrecht 2017 - 2021, wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.

Hoofdstuk 8 Financiële uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan legt hoofdzakelijk de bestaande situatie vast, maar maakt ook de bouw van nieuwe woningen en mogelijk.

De ontwikkeling van woningbouw op de locatie Noorderhagen, alsmede de locatie van het vormalige schoolgebouw op Hollands Tuin maken deel uit van de Grex “Groenenhagen - Tuinenhoven” en de gemeentelijke kosten zijn in deze Grex opgenomen.

Ter plaatse van de Adriaan de Jongstraat is de grond gedeeltelijk in eigendom van de gemeente en het andere deel is in erfpacht uitgegeven aan Woonbron. Op beide percelen wordt gestudeerd op de realisatie van grondgebonden woningen. Gemeentelijke kostenverhaal wordt gedekt uit de grondopbrengsten.

De reservering voor de brandweerkazerne aan de Adriaan Volkerlaan wordt overgenomen uit het vorige bestemmingsplan. Bij deze ontwikkelmogelijkheid is er geen concreet bouwplan waarvan de financiële haalbaarheid moet worden vastgesteld. Voor deze locatie dient een overeenkomst met de toekomstige initiatiefnemer te worden gesloten waarmee het gemeentelijke kostenverhaal wordt verzekerd.

De vrije kavel aan de Kruisherenstraat was eigendom van de Gemeente. De gemeente heeft voor de levering van de gronden een koopovereenkomst gesloten met de initiatiefnemer. De gemeentelijke plankosten zijn gedekt uit de grondopbrengsten.

Als conclusie kan getrokken worden dat de ontwikkelingen en ruimtelijke veranderingen in Groenenhagen - Tuinenhoven, conform de ruimtelijke en programmatische uitgangspunten zoals omschreven in het bestemmingsplan, financieel neutraal te realiseren zijn.

Hoofdstuk 9 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In het kader van het overleg bij de voorbereiding van bestemmingsplannen, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan:

  • 1. GS, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, directie DRM;
  • 2. MRDH, Metropoolregio Rotterdam Den Haag;
  • 3. WSHD, Waterschap Hollandse Delta;
  • 4. BOOR, Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam;
  • 5. VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond;
  • 6. DCMR, Milieudienst Rijnmond;
  • 7. LVNL, Luchtverkeersleiding Nederland;
  • 8. TenneT, Zuid-Holland, beheerder hoogspanningsnet;
  • 9. ProRail, beheerder spoorwegnetwerk;
  • 10. KPN Telecom;
  • 11. VWS Pipeline Control;
  • 12. Monet, vereniging van mobiele netwerkoperators;
  • 13. NGU, N.V. Nederlandse Gasunie;
  • 14. Evides, beheerder drinkwatertransportleidingen;
  • 15. Ministerie van Defensie;
  • 16. Ministerie van Economische Zaken en Klimaat;
  • 17. Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
  • 18. RWS, Rijkswaterstaat, West-Nederland Zuid.

9.1 GS, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, directie DRM

Het concept ontwerpbestemmingsplan is door het invullen van het E-formulier aangeboden aan GS. Het E-formulier stelt vragen en de daarop gegeven antwoorden geven inzicht in de vraag of het bestemmingsplan mogelijk strijdig is met het provinciaal beleid en dus door de provincie bekeken moet worden.

Aan de hand van de antwoorden op de vragen uit het formulier volgt dat het plan niet hoeft te worden toegezonden aan de provincie. Provinciale belangen zijn niet in het geding.

Commentaar:

Voor kennisgeving aangenomen.

9.2 WSHD, Waterschap Hollandse Delta

Het waterschap adviseert positief op dit plan. Wel wil het waterschap meedelen dat de gewenste werkzaamheden vergunningplichtig zijn bij het waterschap.

Commentaar:

Wij danken voor deze opmerking en nemen het voor kennisgeving aan.

9.3 VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond

De afdeling Risicobeheersing van de VRR brengt in het kader van externe veiligheid advies uit over de verantwoording van het groepsisico en de mogelijkheden voor hulpverlening en zelfredzaamheid. Zij doet dit door midddel van een analyse van de omgeving, waarbij risicobronnen, mogelijke scenario's en hun effecten worden beschouwd.

VRR geeft aan dat voor het beoordelen van het ruimtelijk plan het college van B&W een gemotiveerde afweging dient te maken tussen de overwegingen met betrekking tot externe veiligheid en de toegevoegde waarde van het ruimtelijk plan. Graag verneemt de VRR het besluit van B&W met betrekking tot de onderstaande adviespunten.

VRR geeft aan dat zowel de Wet ruimtelijke ordening als de Wet veiligheidsregio's mogelijkheden bieden om maatregelen ten behoeve van de verbetering van de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid te borgen. Bij de Wet ruimtelijke ordening gaat het daarbij voornamelijk om voorwaarden die kunnen worden gesteld aan (het gebruik van) bestemmingen. Ook bouwkundige maatregelen kunnen in het bestemmingsplan geborgd worden. De Wet veiligheidsregio's biedt mogelijkheden op het gebied van organisatorische maatregelen en voorlichting. Voor dit plan geldt het volgende advies:

9.3.1 Draag zorg voor een goede voorlichting

Draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne "Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand". Doorgaans is schuilen in een gebouw de beste optie; sluit ramen en deuren, schakel het ventilatiesysteem af, blijf weg bij ramen en schuil bij voorkeur in dat deel van het gebouw dat zo ver mogelijk van het incident af is gelegen. Op de website "www.rijnmondveilig.nl" vindt u meer informatie over wat te doen in geval van een incident.

Commentaar:

Zoals door de Veiligheidsregio wordt gesteld vallen deze adviezen niet binnen de context van de Wet ruimtelijke ordening en kan dit niet in het bestemmingsplan worden geregeld.

9.4 DCMR, Milieudienst Rijnmond

DCMR geeft aan geen formele reactie te geven in het kader van het vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.

Commentaar:

Wij danken voor deze opmerking en nemen het voor kennisgeving aan.

9.5 TenneT, beheerder hoogspanningsnet

TenneT dankt voor toezending van het concept. TenneT geeft aan dat binnen de grenzen van dit plan de 150.000 Volt hoogspanningsleiding Krimpen aan de IJssel - Rotterdam Zuidwijk ligt. Deze leiding is opgenomen in het plan en op de verbeelding. TenneT merkt op dat het rechtergedeelte van de leiding niet is aangegeven met L-H op de pdf van de verbeelding en verzoekt om dit aan te passen.

Voor het overige heeft TenneT geen opmerkingen op het toegezonden plan.

Commentaar:

Wij danken voor deze opmerking en merken op dat de aanduiding L-H uiterst rechts op de pdf staat. Voor een beter overzicht verschuiven we dit naar links op de verbeelding.

9.6 Participatie en informatie

In de startfase is door de wijkmanager van de gebiedscommissie de Wijkagenda 2019-2022 Groot IJsselmonde Noord gedeeld met betrekking tot voor het bestemmingsplan relevante onderwerpen.

Op 14 mei 2019 is de door B&W vastgestelde startnotitie toegelicht bij de gebiedscommissie IJsselmonde. In de vergadering zijn de aandachtspunten voor het bestemmingsplan gedeeld. Aangegeven is welke ontwikkelingen (opnieuw) onderzocht worden om eventueel mee te nemen in het bestemmingsplan.

Op het moment dat het ontwerp ter inzage ligt wordt de gebiedscommissie om advies gevraagd. In het raadsvoorstel voor de vaststelling van het bestemmingsplan wordt aangegeven hoe met het advies wordt omgegaan.

Het ontwerp ligt zes weken ter inzage. In die periode organiseert de gemeente een informatieavond. Daar kan iedereen vragen stellen met betrekking tot het ontwerp. Iedereen kan tijdens die zes weken een zienswijze indienen.