direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Zestienhoven
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0599.BP1100Zestienhoven-va02

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De bestemmingsplannen Polder Zestienhoven (2007) en HSL - Overschie (2000), die in dit bestemmingsplan gecombineerd zijn tot één bestemmingsplan, moeten om verschillende redenen worden geactualiseerd.

Luchthavenbesluit

Het Rijk is voornemens voor Rotterdam The Hague Airport een Luchthavenbesluit te nemen als gevolg van veranderde wetgeving op het gebied van luchtvaart. De verwachting was dat dit besluit medio 2018 in werking zou treden, maar nu blijkt dat het proces meer tijd vergt. Het verwachte Luchthavenbesluit heeft vanwege een verandering van de geluidscontouren gevolgen voor de verdere ontwikkeling van de woonwijk Park 16Hoven en is dus van invloed op de ontwikkelmogelijkheden voor nieuwe woningen uit de twee geldende bestemmingsplannen. Na inwerkingtreding van het Luchthavenbesluit moeten de planologische mogelijkheden uit de geldende bestemmingsplannen aangepast worden op de gevolgen ervan.

Door de gewenste voortgang in de woningbouw wordt echter niet meer op het vertraagde Luchthavenbesluit gewacht, maar wordt het bestemmingsplan nu al geactualiseerd. Voor de woonwijk Park 16Hoven is met name het helikopterverkeer van invloed. De gevolgen hiervan zijn onderzocht in de concept-MER die in maart 2016 is opgesteld voor het te nemen Luchthavenbesluit, met dien verstande dat inmiddels al met aangepaste (meer gespreide) helikopterroutes wordt gevlogen. Uit de deze gegevens blijkt dat een deel van het woningbouwprogramma uit het oorspronkelijke Masterplan Plus uit 2004 (zie paragraaf 2.5.1) na het nemen van het Luchthavenbesluit moet komen te vervallen. Om die reden is het oorspronkelijke masterplan geactualiseerd met de 'Actualisatie Masterplan 16Hoven' en in september 2017 door de gemeenteraad vastgesteld als startnotitie bestemmingsplan 'Zestienhoven' (zie paragraaf 4.1). De programmatische mogelijkheden uit het geactualiseerde Masterplan houden rekening met de scenario's uit het concept-MER met in achtname van de actuele helikopterroutes en anticiperen dus op het toekomstige Luchthavenbesluit. Het geactualiseerde masterplan geldt als startnotitie en dus als grondslag voor het nieuwe bestemmingsplan.

Programmatische wijzigingen

De geldende bestemmingsplannen worden echter ook om andere redenen geactualiseerd. Met name het geldende bestemmingsplan HSL-Overschie maakt een aanzienlijk programma woningen, kantoren, bedrijven en detailhandel mogelijk, zie hiervoor paragraaf 1.4. Door de gewijzigde marktomstandigheden is er nu minder behoefte aan de niet-woonfuncties en zal het nieuwe bestemmingsplan uitgaan van een veel beperkter programma. Ook hiervoor is het geactualiseerde Masterplan de grondslag. In paragraaf 4.1.3 is de programmatische afname in detail beschreven.

1.2 Gekozen planopzet

Gekozen is voor een planopzet waarbij alle toegestane functies, op één locatie na, rechtstreeks bestemd zijn, dus zonder een uitwerkingsplicht (in tegenstelling tot grote delen van de voorafgaande bestemmingsplannen). Alleen in de Zuidelijke Uitloper is nog een uit te werken bestemming opgenomen. Voor de bestaande en gerealiseerde delen van het plangebied zijn strakke bestemmingen opgenomen. Voor de nog te ontwikkelen gebieden is gekozen voor meer globale bestemmingen.

1.3 Ligging en begrenzing

De grens van het bestemmingsplangebied wordt globaal gevormd door de Doenkade en het vliegveld in het noorden en de G.K. van Hogendorpweg in het oosten. De waterloop ten zuiden van de reeds gerealiseerde buurt Rietzoom en de volkstuincomplexen vormt de zuidelijke plangrens en de westelijke plangrens wordt gevormd door de Achterdijk en de A13. De gronden aan weerszijden van de HSL ten zuiden van Rietzoom (tot aan de A20) maken ook onderdeel uit van het plangebied. De exacte begrenzing is weergeven in figuur 1.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1100Zestienhoven-va02_0002.png"

Figuur 1.1: ligging en begrenzing plangebied

Er zijn twee 'gaten' in het plangebied. Het betreft de gronden tussen de Soesterbergstraat, Bovendijk en Teugeweg in het noordoosten van plangebied en het terrein van het voormalige buurthuis aan de Schipholstraat bij het buurtje Laag Zestienhoven in het westen van het plangebied. Voor beide locaties vinder er ontwikkelingen plaats, die gerealiseerd gaan worden met een aparte planologische procedure. Bij de gronden aan de Bovendijk gaat het om de aanleg van o.a. een milieupark en een grondbank die verplaatst moet worden in verband met de nieuwe A16 Rotterdam, bij Laag Zestienhoven gaat het om de sloop van het buurthuis en de nieuwbouw van woningen ter plaatse. Er is bij deze ontwikkelingen gekozen voor een aparte procedure omdat ze een ander tijdspad en/of andere actoren hebben dan dit gebiedsbestemmingsplan. Wel vinden beide ontwikkelingen hun grondslag in de vastgestelde 'Actualisatie Masterplan 16Hoven'.

1.4 Geldende bestemmingsplannen

De volgende geldende plannen liggen geheel of gedeeltelijk binnen het plangebied van het bestemmingsplan.

  • 1. Bestemmingsplan Polder Zestienhoven (565), vastgesteld: 28-04-2005, onherroepelijk: 25-04-2007
  • 2. Bestemmingsplan HSL Overschie (527), vastgesteld: 13-1-2000, onherroepelijk: 23-11-2000
  • 3. Parapluherziening geluidzone RTHA (1082), vastgesteld: 2-2-2017

Zie figuur 1.2. De nummers in de figuur refereren naar de opsomming hierboven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1100Zestienhoven-va02_0003.jpg"

Figuur 1.2: geldende bestemmingsplannen

1. Polder Zestienhoven

Het bestemmingsplan Polder Zestienhoven is een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan dat is opgesteld na vaststelling van het Masterplan Plus. Het bestemmingsplan is redelijk globaal van aard en bestaat uit grote bestemmingsvlakken met directe of uit te werken bestemmingen. De planologische mogelijkheden zijn gekoppeld aan een maximum programma: 1.623 woningen, 3.000 m² maatschappelijke voorzieningen, 1.250 m² recreatieve voorzieningen, 2.300 m² detailhandel, 1.350 m² horeca, 3.000 m² kantoren en 1.700 m² bedrijven. Er mag in twee tot negen bouwlagen gebouwd worden, afhankelijk van de bestemming.

2. HSL-Overschie

Dit bestemmingsplan is opgesteld door het Rijk en had voornamelijk tot doel de aanleg van de HSL tussen Rotterdam en Schiphol mogelijk te maken. Daarnaast anticipeert het plan op de gebiedsontwikkeling in de polder Zestienhoven, een groot gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit te werken bestemmingen die woningen, kantoren, bedrijven, commerciële voorzieningen en sport- en recreatie mogelijk maken. Het bestemmingsplan maakt in totaal 170.000 m² b.v.o. gebouwde nieuwe functies mogelijk, en staat binnen de uit te werken bestemmingen een bouwhoogte van 45 meter toe.

3. Parapluherziening geluidzone RTHA

Dit bestemmingsplan legt de geluidszone van het gezoneerde industrieterrein op RTHA planologisch vast.

1.5 Uitspraak Raad van State over horeca in park De Buitenplaats

Met uitspraak 201907092/1/R3, d.d. 18-03-2020 heeft de Raad van State het besluit van de raad van de gemeente Rotterdam van 9 juli 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Zestienhoven" vernietigd voor zover het betreft de aanduiding "horeca" in park De Buitenplaats en de daarbij horende planregels.

De aanduiding voor horeca op de verbeelding en de bijbehorende regels zijn geschrapt (door middel van een doorhaling). Ter plaatse geldt nu alleen de bestemming 'Groen'. Alle passages met betrekking tot horeca in park De Buitenplaats in de toelichting zijn ook doorgehaald.

Hoofdstuk 2 Beleid

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Vastgesteld op 13 maart 2012

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden en met een Europese en mondiale blik. Voor de middellange termijn (2028) kiest het Rijk drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden:
1) Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijke economische structuur;
2) Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
3) Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Daarnaast benoemt het Rijk 13 nationale belangen, waar het rijk verantwoordelijk voor is. Het betreft:
1) Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren;
2) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie;
3) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen;
4) Efficiënt gebruik van de ondergrond;
5) Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen;
6) Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem;
7) Het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen;
8) Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's;
9) Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening, en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling;
10) Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;
11) Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten;
12) Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten;
13) Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

De nationale ruimtelijke hoofdstructuur geeft de nationale belangen, waarvoor het Rijk verantwoordelijk is, geografisch weer. Op deze kaart in de structuurvisie is op hoofdlijnen aangegeven welke gebieden en structuren van nationaal belang zijn bij de geformuleerde rijksdoelen rond concurrentiekracht, bereikbaarheid en leefbaarheid en veiligheid, zodat een samenhangende ruimtelijke hoofdstructuur zichtbaar wordt.

De structuurvisie infrastructuur en ruimte vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving.

2.1.1.1 Relevant beleid voor het plangebied

RTHA is op de kaart van de SVIR aangeduid als 'luchthaven van nationaal belang'. In de structuurvisie is geen beleid opgenomen dat relevant is voor de het plangebied.

2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Vastgesteld op 22 augustus 2011, geconsolideerde versie 5 juni 2014

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de juridische vertaling van nationaal ruimtelijk beleid. Het besluit bevat regels die doorwerken op gemeentelijk niveau, en dus relevant zijn voor bestemmingsplannen. Voorbeelden van zaken die geregeld zijn in het Barro zijn rijksvaarwegen, hoofdwegen, het 380 kV-netwerk en buisleidingen van nationaal belang.

2.1.2.1 Relevant beleid voor het plangebied

Net als de SVIR kenmerkt het Barro zich tot een hoog abstractieniveau en is het beleid alleen aan de orde op specifieke locaties (bijvoorbeeld in de mainports of nabij de kust) of bij specifieke projecten (zoals het project 'Randstad 380 kV'). Het plangebied ligt niet in een dergelijk gebied en bevat ook geen grootschalige ontwikkelingen die opgenomen zijn in het Barro. Om die reden bevat het Barro geen concreet beleid voor het plangebied.

2.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking)

In werking getreden op 1 oktober 2012, gewijzigd per 1 juli 2017

Het doel van de ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goede ruimtelijke ordening. Gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken motiveren volgens de Ladder.

Concreet betekent dit dat het bestemmingsplan een beschrijving bevat van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Wanneer deze ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied gerealiseerd wordt, moet gemotiveerd worden waarom er niet binnen het stedelijk gebied voorzien kan worden in de behoefte. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

2.1.3.1 Toetsing

Dit bestemmingplan maakt op verschillende locaties nieuwe woningen mogelijk. In totaal gaat het om ca. 850 nieuwe woningen. De bovengenoemde mogelijkheden volgen reeds uit afspraken tussen rijk en gemeente sinds de Vierde nota Ruimtelijk Ordening Extra (Vinex-afspraken). Ze voorzien in een duidelijke behoefte. Deze afspraken zijn ook opgenomen in de door regiogemeenten van de toenmalige Stadsregio Rotterdam opgestelde woonvisie 'Dat spreken we af! - Woningmarktstrategie Regio Rotterdam 2014-2020' (vastgesteld op 12 februari 2014 door de stadsregio Rotterdam), opgesteld ter uitwerking van het provinciale beleid. In april 2014 is deze woonvisie aanvaard door de provincie en daarmee als regionale woonvisie te beschouwen. Uit de woonvisie blijkt dat er een substantiële behoefte is aan nieuwe woningen in de stad en regio: het gaat om 28.000 nieuwe woningen tot 2020. Daardoor zijn de planologische mogelijkheden voor nieuwe woningen in overeenstemming met de ladder.

Nieuwe overige functies

Behalve nieuwe woningen maakt dit bestemmingsplan nog andere functies mogelijk die gezien kunnen worden als stedelijke ontwikkeling:

  • locatie Hof van Maasdam: ca. 750 m² detailhandel, in de vorm van een buurtsupermarkt;
  • locatie Hof van Maasdam: ca. 5.000 m² maatschappelijke voorzieningen;
  • locatie Hof van Maasdam: ca.150 m² horeca;
  • locatie Buitenplaats: ca. 500 m² horeca; (vervallen naar aanleiding van uitspraak Raad van State)
  • locatie Hoog Zestienhoven: ca. 3,5 ha bedrijventerrein ten behoeve van circulaire economie.

Voor de nieuwe horeca, het bedrijventerrein en maatschappelijke functies geldt dat er geen visies bestaan die de behoefte aan deze zaken onderbouwen. De horeca en maatschappelijke functies, bijvoorbeeld in de vorm van een school, hebben een functie voor de bewoners van Park 16Hoven en daarmee een zeer lokaal verzorgingsgebied. De behoefte is hiermee aangetoond.

Wat betreft de mogelijk gemaakte detailhandel is 2017 in het kader van de actualisatie van het Masterplan onderzoek gedaan naar de behoefte aan winkelvoorzieningen in het gebied, in de vorm van een distributieplanologisch onderzoek (DPO). Het Masterplan uit 2003 en het geldende bestemmingsplan gaan namelijk nog uit van een substantieel buurtwinkelcentrum met ca. 2.300 m² winkelvloeroppervlak. Gezien de veranderingen in het consumentengedrag was het de vraag of een dergelijke hoeveelheid winkelvoorzieningen nog wel realistisch en haalbaar is. Het uitgevoerde DPO wijst inderdaad uit dat er geen vraag meer is naar zoveel winkelmeters. Wel is er, gezien de relatief geïsoleerde ligging van de wijk ten opzichte van bestaande supermarkten, bij wijkbewoners grote behoefte aan een servicesupermarkt in de vorm van een 'buurtsuper'. Het verzorgingsgebied van de buurtsuper bestaat vrijwel geheel uit Park 16Hoven. De mogelijkheid tot het vestigen van deze buurtsuper met een winkelvloeroppervlak van maximaal 750 m² is ook expliciet benoemd in het gemeentelijk detailhandelsbeleid (zie ook paragraaf 2.3.3).

De provincie heeft in het kader van het geactualiseerde Masterplan overigens aangegeven akkoord te zijn met de alle stedelijke ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.

2.1.4 Luchtvaartwet en Besluit burgerluchthavens

Met ingang van 1 november 2009 is de Luchtvaartwet gewijzigd en tegelijkertijd zijn het Besluit burgerluchthavens en de Regeling burgerluchthavens in werking getreden. Op basis van de 'Wijzigingswet Wet luchtvaart (Regeling burgerluchthavens en militaire luchthavens)' van 18 december 2008 valt RTHA onder het regime van het Besluit burgerluchthavens. De Wijzigingswet bevat ook een overgangsrecht en volgens dit overgangsrecht zou uiterlijk vóór 1 november 2014 voor onder andere RTHA een luchthavenbesluit moeten zijn vastgesteld. Met het luchthavenbesluit worden de geluidcontouren van 48 dB(A), 56 dB(A) en 70 dB(A) in Lden-waarden vastgesteld. RTHA doet de aanvraag voor het besluit en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat neem het besluit. Verder adviseert de Bestuurlijke Regiegroep RTHA, waar de gemeente Rotterdam ook in zit, de minister op het te nemen besluit.

Er is tot op heden echter nog geen besluit aangevraagd door RTHA. Tot het tijdstip waarop de geluidcontouren van 48 dB(A), 56 dB(A) en 70 dB(A) in Lden-waarden worden vastgesteld blijft het regime van de Lvw van vóór 1 november 2009 van kracht. Deze wet gaat niet uit van Lden waarden, maar van zogenaamde Ke- en BKL-geluidcontouren. In paragraaf 7.4.1.2 wordt uitgebreider ingegaan op de relevante luchtvaartwetgeving.

2.1.4.1 Relevant beleid voor het plangebied

Vooralsnog geldt voor RTHA de Luchtvaartwet zoals die gold vóór 1 november 2009. Conform deze wet gelden voor deze luchthaven het Besluit Geluidbelasting Grote Luchtvaart (BGGL) en het Besluit Geluidbelasting Kleine Luchtvaart (BGKL) als wettelijk kader. In het kader van het BGGL dient te worden getoetst aan Ke-contouren, in het kader van het BGKL aan BKL-contouren. Ruimtelijke plannen dienen van rechtswege te worden getoetst aan deze geluidcontouren, wat dus ook voor voorliggend plan geldt. In paragraaf 7.4.2.3 wordt getoetst aan deze contouren.

Wanneer de Lden-contouren in de toekomst alsnog vastgesteld worden kunnen die via een parapluherziening in onderliggende bestemmingsplannen verwerkt worden.

In het kader van het geactualiseerde masterplan voor Park 16Hoven is uitgebreid onderzoek gedaan naar de mogelijke toekomstige contouren. Hieruit blijkt dat de toekomstige contouren, ongeacht de gekozen variant, geen belemmering vormen voor het afbouwen van de wijk op basis het geactualiseerde masterplan. Aangezien de bouw- en gebruiksmogelijkheden in dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op dit masterplan betekent dit ook dat de toekomstige contouren geen belemmering vormen voor dit bestemmingsplan.

2.2 Provinciaal en regionaal beleid

2.2.1 Visie Ruimte en Mobiliteit en Verordening Ruimte

Vastgesteld door Provinciale Staten op 9 juli 2014, geconsolideerde versie in werking getreden op 29 juni 2018

De hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid zijn weergegeven in de Visie ruimte en mobiliteit, die op 9 juli 2014 door provinciale staten van Zuid-Holland is vastgesteld en geldt als structuurvisie. Vier rode draden geven richting aan de gewenste ontwikkeling en het handelen van de provincie:

1. beter benutten en opwaarderen van wat er is;
2. vergroten van de agglomeratiekracht;
3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

Parallel aan de Visie ruimte en mobiliteit zijn het Programma ruimte en de Verordening ruimte opgesteld. Het Programma ruimte bevat het ruimtelijk-relevante, operationele beleid. Het Programma heeft, net als de Visie ruimte en mobiliteit, de status van structuurvisie. In de Verordening ruimte 2014 zijn de provinciale belangen, zoals opgenomen in de Visie ruimte en mobiliteit, verankerd. In het kader van dit bestemmingsplan zijn de volgende onderwerpen relevant.

2.2.1.1 Relevant beleid voor het plangebied

Artikel 2.1.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

De provinciale ladder voor duurzame verstedelijking is per 29 juni 2018 gelijk aan de ladder uit het Bro, voor zover het gaat om ontwikkelingen binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Voor een toetsing aan de ladder wordt dan ook verwezen naar paragraaf 2.1.3.

Artikel 2.1.2 Kantoren

De Verordening Ruimte Zuid Holland bevat regels voor ontwikkelingen die uitgaan van nieuwe kantoorfuncties. Zo zijn nieuwe kantoorfuncties alleen toegestaan wanneer ze zijn aangeduid op de bij de verordening horende kaart ten aanzien van kantoorlocaties. Er zijn echter een aantal uitzonderingen mogelijk, bijvoorbeeld voor kleine zelfstandige kantoren met een b.v.o. van ten hoogste 1.000 m² per vestiging, kantoren met een lokaal verzorgingsgebied en bedrijfsgebonden kantoren met een b.v.o. dat minder bedraagt dan 50% van het totale bedrijfsoppervlak.

Toetsing

Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe kantoorlocaties mogelijk die groter zijn dan 1.000 m² bruto per vestiging. Binnen de bestemming 'Gemengd - 1' zijn kleinschalige kantoren tot 500 m² toegestaan in de plint. De kantoorbestemming aan de Soesterbergstraat is overgenomen uit het vorige bestemmingsplan en de bebouwing is in de huidige situatie ook in gebruik als kantoor. Verder geldt voor bedrijfsgebonden kantoren dat deze ten hoogste 50% van het bruto vloeroppervlak mogen innemen. De bestaande zelfstandige kantoren op het bedrijventerrein hebben een maatbestemming gekregen en nieuwe zelfstandige kantoren zijn hier niet mogelijk.

Artikel 2.1.4 Detailhandel

In artikel 2.1.4 van de Verordening Ruimte Zuid-Holland is bepaald dat een bestemmingsplan uitsluitend kan voorzien in nieuwe detailhandel indien deze binnen een bestaande winkelconcentratie ligt of daar direct aan grenst. Verder is detailhandel uitsluitend toegestaan binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk of binnen een nieuwe goed bereikbare en centraal gelegen winkelconcentratie als gevolg van herallocatie. In het tweede lid is bepaald dat eventuele nieuwe detailhandel daarnaast in overeenstemming moet zijn met het ontwikkelingsperspectief dat is beschreven in het bij de verordening horende Programma Ruimte. Bij nieuwe detailhandel met een oppervlak van 2.000 m² b.v.o. of groter dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet wordt aangetast en is een advies nodig van de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland. Tenslotte is in het derde lid opgenomen dat bepaalde typen detailhandel algemeen zijn toegestaan, zoals een gemakswinkel of detailhandel in ABC-goederen.

Het provinciaal beleid ten aanzien van detailhandel is er op gericht ontwrichting van de detailhandelsstructuur zo veel mogelijk tegen te gaan. Ontwrichting van de detailhandelsstructuur kan structurele leegstand tot gevolg hebben. Structurele leegstand is ruimtelijk relevant omdat dit gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Parallel aan het voorkomen van leegstand wordt beoogd duurzame ontwrichting van het voorzieningenaanbod te voorkomen. Duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau heeft als gevolg dat voorzieningen voor eerste levensbehoeften niet meer binnen een aanvaardbare afstand aanwezig zijn voor bewoners.

Toetsing
Dit bestemmingsplan maakt 750 m² nieuwe detailhandel mogelijk, wat is toegestaan op basis van de verordening indien er sprake is van een nieuwe woonwijk. Dat is hier het geval. Op basis van het ontwikkelingsperspectief in het Programma Ruimte is nieuwe detailhandel toegestaan in geval van een bevolkingsgroei, waarvan in deze situatie ook sprake is. De realisatie van een kleine buurtsuper heeft ook geen (leegstands) effecten op de bestaande winkelgebieden in de omgeving aangezien het verzorgingsgebied van de winkel vrijwel uitsluitend uit de nieuwe woonwijk bestaat. Op dit moment zijn er geen winkels in de wijk. Het realiseren van een buurtsuper draagt dus bij aan het provinciale beleid om voorzieningen voor eerste levensbehoeften binnen een aanvaardbare afstand voor bewoners te hebben. Tenslotte kan nog opgemerkt worden dat er sprake is van een substantiële planologische sanering van winkelmeters ten opzichte van het vorige bestemmingsplan, dat 2.300 m² nieuwe detailhandel mogelijk maakt.

Artikel 2.3.3 Bescherming molenbiotoop

In de verordening is bepaald dat bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de molenbiotoop van traditionele windmolens in voldoende mate de vrije windvang en het zicht op de molen moet garanderen. De verordening bevat regels voor de hoogte van bebouwing binnen deze biotoop, waarbij de maximaal toegestane hoogte bepaald wordt door de afstand tot de molen en hoogte van de wieken boven maaiveld.

Toetsing

Ten zuiden van het plangebied, nabij de splitsing Overschiese Kleiweg - Oude Kleiweg, staat molen De Speelman. Deze molen heeft een molenbiotoop, een zone waar beperkingen gelden ten aanzien van bebouwing om voldoende windvang en zicht te garanderen. Een deel van de molenbiotoop valt over het plangebied, het gaat om de gronden van de volkstuincomplexen nabij de Terletweg. De volkstuincomplexen zijn hier feitelijk bestemd en de bouwmogelijkheden hier zijn dermate beperkt dat er geen strijdigheid optreedt met regels uit de verordening. Het is om die reden ook niet noodzakelijk een gebiedsaanduiding op te nemen voor de biotoop.

2.3 Gemeentelijk beleid

2.3.1 Stadsvisie Rotterdam: Ruimtelijke ontwikkelingsstrategie 2030

Vastgesteld op 29 november 2007 door de gemeenteraad

De Stadsvisie vormt het ruimtelijk kader voor alle investeringen, projecten en plannen die in de stad worden gerealiseerd. De Stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de stad Rotterdam, voor de periode tot 2030. De Stadsvisie heeft als missie een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad.

Deze missie is uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op de onderwerpen wonen en economie en deze bepalen wat er de komende jaren op deze gebieden gebeurt in de stad. Veel van de kernbeslissingen zullen de komende vijftien jaar worden omgezet in de uitvoering van een aantal (bouw) projecten in de stad, waardoor Rotterdam over pakweg vijftien jaar inderdaad een sterke economie heeft en aantrekkelijke woongebieden kent, ook voor haar hoogopgeleide bewoners.

Op basis van effectmeting zijn dertien gebiedsontwikkelingen aangewezen die het belangrijkst zijn voor de realisatie van de doelen 'sterke economie' en 'aantrekkelijke woonstad', zogenoemde VIP-gebieden. Deze dertien grote gebiedsontwikkelingen krijgen prioriteit in de nabije toekomst (de komende 10 jaar).

2.3.1.1 Relevant beleid voor het plangebied

De ontwikkeling van Park 16Hoven als nieuw onderdeel van het grootschalige groenstedelijke woonmilieu aan de noordzijde van Rotterdam is expliciet genoemd in de Stadsvisie. Dit woonmilieu - Groot Hillegersberg- is één van de dertien VIP-gebieden. De nieuwbouw die dit bestemmingsplan mogelijk maakt is daarmee in lijn met het beleid uit de Stadsvisie.

2.3.2 Woonvisie Rotterdam, koers naar 2030, agenda tot 2020

Vastgesteld op 15 december 2016 door de gemeenteraad

De Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam. Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld.

Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door:

  • de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen sociale stijgers en young potentials te accommoderen;
  • te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen donder druk staat; en
  • woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid.

Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door:

  • een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad,
  • ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden, en
  • energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen.

De basis op orde houden door:

  • het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen;
  • betaalbaarheidproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk,
  • goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken,
  • toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt, en
  • woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning.

De Woonvisie is een visie op hoofdlijnen en doet geen gebiedsgerichte uitspraken. De Woonvisie is een instrumentele uitwerking van de Stadsvisie op het onderwerp wonen op de korte termijn. De Woonvisie richt zich op acties in de huidige woningmarkt, binnen de kaders van het collegeprogramma, om zo de ambitie van de Stadsvisie te helpen realiseren.

2.3.2.1 Relevant beleid voor het plangebied

Park 16Hoven is aangewezen als in- en uitbreidingslocatie die in de komend periode actief ontwikkeld wordt. De nieuwbouw die dit bestemmingsplan mogelijk maakt is daarmee in lijn met het beleid uit de Woonvisie. Verder worden er geen concrete uitspraken gedaan over het plangebied. Eerder is het gebied in het kader van de Vinex-afspraken tussen rijk en gemeente aangewezen als nieuwe woningbouwlocatie.

2.3.3 Detailhandel Rotterdam 2017: stedelijke ambities en spelregels voor een toekomstbestendige detailhandelsstructuur

Vastgesteld op 29 juni 2017 door de gemeenteraad

De detailhandel is een belangrijke sector voor de stad. Het is echter ook een sector is met een hoge dynamiek. Om te komen tot een actueel en toepasbaar detailhandelsbeleid is de nota 'Detailhandel Rotterdam 2017: stedelijke ambities en spelregels voor een toekomstbestendige detailhandelsstructuur' vastgesteld. Deze nota is een update van de in 2013 vastgestelde Nota detailhandel. De nieuwe nota bevat de ambities en uitgangspunten ten aanzien van dit onderwerp voor de komende jaren en is opgesteld in samenwerking met ondernemers(verenigingen) en de Metropoolregio Rotterdam Den Haag.

Er zijn vier stedelijke ambities ten aanzien van detailhandel geformuleerd:

  • 1. een evenwichtige detailhandelsstructuur, waarbij de samenhang tussen de verschillende winkelgebieden essentieel is. Ingezet wordt op toekomstbestendige en geconcentreerde winkelgebieden en verspreid liggende winkels dienen zoveel mogelijk tegengegaan te worden. Per gebied heeft een uitwerking van deze ambitie plaatsgevonden. Deze zijn vastgelegd in de Gebiedskoersen die onderdeel zijn van de nota;
  • 2. meer flexibiliteit en dynamiek ter versterking van de detailhandelsstructuur door het geven van ruimte aan nieuwe concepten in toekomstbestendige winkelgebieden;
  • 3. het detailhandelsbeleid als toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen, bij nieuwe detailhandelsinitiatieven maar ook bij aanpassing of actualisatie van bestemmingsplannen. Dit betekent dat de gemeente de mogelijkheid heeft om bij actualisatie van bestemmingsplannen de detailhandelsbestemming van panden, buiten de gedefinieerde gebieden, te wijzigen (indien het pand geen detailhandelsfunctie meer heeft). Het stedelijk detailhandelsbeleid fungeert in deze context als voorzienbaar kader;
  • 4. een bruisende binnenstad, in samenhang met andere voorzieningen zoals horeca, leisure, dienstverlening en een aantrekkelijke buitenruimte.

Om de ambities te halen zijn een aantal spelregels opgesteld, zoals geen nieuwe winkels buiten de bestaande detailhandelsstructuur, geen detailhandel op bedrijventerreinen en strenge voorwaarden voor het creëren van nieuwe winkelgebieden.

2.3.3.1 Relevant beleid voor het plangebied

Hoewel de nieuwvestiging van solitaire supermarkten in principe tegen het gemeentelijk detailhandelsbeleid ingaat (dit geldt niet voor nieuwe supermarkten bij de bestaande concentraties), wordt de bouw van een kleine supermarkt in Park 16Hoven expliciet benoemd in de Detailhandelsnota. Zoals in paragraaf 2.1.3 ook benoemd is gaat het om een solitaire servicesupermarkt, oftewel een buurtsuper, van ten hoogste 750 m². Dit maximaal aantal m² zal ook vastgelegd worden in de regels van dit bestemmingsplan. De planologische mogelijkheden voor detailhandel die dit bestemmingsplan biedt zijn daarmee in lijn met het gemeentelijk detailhandelsbeleid.

2.3.4 Horecanota Rotterdam 2017-2021

Vastgesteld op 1 november 2016 door B&W

In de Horecanota 2017-2021 staat de balans tussen levendigheid en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat centraal. De nota beschrijft het instrumentarium dat hieraan invulling geeft. Gebiedsgericht werken, een verdere vereenvoudiging van het vergunningstelsel, verfijning van het handhavingskader en stimulering van eigen initiatief door experimenten zijn hiervan de elementen.

Belang voor de stad
Rotterdam is een levendige stad met een aantrekkelijke binnenstad, een groot cultureel aanbod en een gevarieerde samenstelling van bewoners, ondernemers en bezoekers. Horeca speelt een cruciale rol: een goede mix van kwaliteit en kwantiteit, een balans met andere stedelijke functies en openbare orde en veiligheid, bevordert de populariteit van Rotterdam. Bovendien levert de horecasector werkgelegenheid op en stimuleert het de lokale economie. De aantrekkingskracht van de stad is de afgelopen jaren toegenomen. Er wordt weer geld uitgegeven door bezoekers, Rotterdam voert de goede lijstjes aan en is in 2015 uitgeroepen tot beste binnenstad van Nederland. Tegelijkertijd verdicht de bewoning en is ruimte schaars. Het is dus van belang alles in goede banen te leiden en deze schaarse ruimte optimaal te benutten. De positieve ontwikkelingen van Rotterdam weten sommige delen van de stad onvoldoende te bereiken vanwege de aanwezigheid van malafide ondernemingen, georganiseerde criminaliteit en overlast. Dit vraagt om extra aandacht en stevig optreden.

Visie en ambities
Met dit horecabeleid borduurt Rotterdam voort op de goede ontwikkelingen in onze stad. Met oog voor ondernemerschap en aandacht voor een prettig woon- en leefklimaat voor onze bewoners zijn aan de hand van een aantal uitgangspunten vier ambities bepaald waarmee Rotterdam invulling geeft aan de visie op horeca voor de komende jaren.

De Horecanota 2017-2021 geeft invulling aan de visie van Rotterdam ten aanzien van de horeca voor de komende vijf jaar. De horecanota staat niet op zichzelf. Het is een kader dat samen met andere gemeentelijke kaders en visies moet zorgen voor het behoud en de verdere ontwikkeling van Rotterdam als aantrekkelijke stad om in te wonen, te werken en te verblijven. Op basis van de visie en aan de hand van onderstaande uitgangspunten realiseert Rotterdam de ambities van balans in de wijk, een veerkrachtige binnenstad, verantwoord ondernemerschap en de stad als laboratorium.

Uiteenzetting horecastelsel (vergunningen) 
In deze paragraaf is aangegeven wat in Rotterdam verstaan wordt onder horeca en voor welke vormen een exploitatievergunning noodzakelijk. Ook wordt een toelichting gegeven op bijzondere vormen van (tijdelijke) horeca en de andere zaken die bij het starten en/of overnemen van een horeca-inrichting komen kijken.

Wat is horeca?
Horeca kent enorm veel verschijningsvormen en dankzij creatieve ondernemers komen er naast hotels, restaurants en cafés nog steeds meer vormen bij. In Rotterdam verstaan we onder horeca elk openbaar pand of openbare ruimte waar je structureel en tegen betaling kan eten en drinken (of afhalen) en/of waar amusement of ontspanning wordt aangeboden. De exacte definitie is in de Algemene Plaatselijke Verordening opgenomen onder het begrip: openbare inrichting.

De Horecanota ziet niet toe op alle vormen van openbare inrichtingen. Prostitutiebedrijven en coffeeshops kennen vanwege hun bijzondere karakter eigen beleidsregels en aparte vergunningen. Vestigingsvoorwaarden voor hotels zijn eveneens geen onderdeel van dit beleid. Een restaurant in een hotel natuurlijk wel.

Exploitatievergunning of niet?
In Rotterdam bestaan meerdere categorieën exploitatievergunningen. De aard van de activiteiten die in de horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt welke categorie vereist is. Hoe uitbundiger de bedrijfsvoering van een horeca-inrichting, hoe uitgebreider de vereiste exploitatievergunning. Dit geeft tevens de mogelijkheid om een deel van de ondernemers die beperkte en/of zeer lichte vormen van horeca exploiteren vrij te stellen van de vergunningplicht (categorie 0). Dit is de afgelopen jaren een duidelijke lastenverlichting gebleken en sluit aan bij de high trust (high penalty) aanpak.

Naast bedrijven waar horeca de primaire bedrijfsvoering is, kent Rotterdam ook talloze bedrijven, instellingen en clubhuizen waar horeca slechts een ondersteunende functie heeft. Ook hiervan kan een groot deel gebruik maken van de vrijstelling van de vergunningplicht. Omdat er op basis van landelijke wetgeving, zoals de Winkeltijdenwet, ruimtelijke ordeningswetgeving en de Drank- en Horecawet nu eenmaal verschil zit tussen deze vormen van zeer lichte en/of ondersteunende horeca, onderscheiden we in Rotterdam drie varianten die vrijgesteld van de exploitatievergunningplicht mogen exploiteren; exploitatiecategorie 0.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1100Zestienhoven-va02_0004.png"

Indien een horeca-inrichting een horecabestemming heeft, dan worden de basisvoorwaarden verruimd en deels vervangen met onderstaande voorwaarden. De overige voorwaarden blijven gelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1100Zestienhoven-va02_0005.png"

Ook als er geen sprake is van een horecabestemming kan het zijn dat er ruimere voorwaarden gelden. Sommige instellingen en voorzieningen hebben traditiegetrouw een aanzienlijk horecadeel, maar waarbij de openbare orde niet in het geding komt. Dit is een verzamelcategorie van instellingen en bijzondere objecten (limitatief): muziek- en sportverenigingen, musea, theaters, filmhuizen, hotels/hostels, rouwcentra, ziekenhuizen, bejaarden- en verzorgingshuizen, gebedshuizen, bedrijfskantines en instelling voor hoger onderwijs. De overige voorwaarden blijven gelijk aan de basisvoorwaarden. (Voor muziek- en sportverenigingen geldt dat uit de bestemming dient te volgen dat sport en/of muziek de primaire functie van het object is.)

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1100Zestienhoven-va02_0006.png"

Indien het woon- en leefklimaat in een straat of buurt onder grote druk staat, kan de burgemeester verbieden dat horeca zich daar zonder vergunning vestigt. Dit gebeurt door middel van een aanwijzingsbesluit dat voor bepaalde of onbepaalde tijd van kracht is. De aanwijzing wordt genomen op basis van het Horecagebiedsplan (zie ook paragraaf 2.4.2) dat ter plaatse van kracht is, waarin ook gemotiveerd is waarom het gebied wordt aangewezen. In die gevallen is altijd een exploitatievergunning vereist om horeca-activiteiten te exploiteren, ook al is er sprake van één van de hierboven beschreven situaties.

Exploitatievergunning en exploitatiecategorieën
Wanneer een ondernemer meer of zwaardere activiteiten wil dan hierboven beschreven is een exploitatievergunning noodzakelijk. Rotterdam hanteert hiervoor een duidelijk vergunningstelstel dat aan de hand van losse activiteiten is opgebouwd. Dit wil zeggen dat de activiteiten worden vergund die in een horeca-inrichting kunnen plaatsvinden. Het vergunningstelsel biedt ondernemers op deze manier ruimte voor verschillende horecaconcepten.

De combinatie van activiteiten die in een horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt in welke exploitatiecategorie de inrichting valt. Daarbij is relevant in hoeverre de activiteiten effect hebben op de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf. Hoe meer effect, des te zwaarder de exploitatiecategorie. Hoe zwaarder de categorie, des te zwaarder de toets bij vergunningverlening. Elke ondernemer kan gebruik maken van de voor hem of haar geldende vrijstelling van de exploitatievergunningplicht (categorie 0). Indien meer of zwaardere activiteiten worden aangeboden is een exploitatievergunning vereist in de categorie 1 t/m 4+ (licht, regulier, middelzwaar, zwaar, buiten categorie).

Gebiedsgericht werken
Een belangrijk, zo niet het belangrijkste onderdeel van de Horecanota is gebiedsgericht werken; kennis uit de wijk is bepalend voor wat kan en wat niet. Deze werkwijze, waarbij maatwerk en flexibiliteit centraal staan, heeft in de afgelopen jaren reeds z'n vruchten afgeworpen op het gebied van horeca. Door per wijk of buurt een duidelijke visie en/of ambitie te hebben en daaraan vestigingsvoorwaarden te stellen, kunnen bekende en nog onbekende horeca-ontwikkelingen worden beoordeeld en gerealiseerd.

2.3.4.1 Relevant beleid voor het plangebied

Het voor het plangebied relevante horecabeleid is vervat in het Horecagebiedsplan Overschie 2017-2019. Zie hiervoor paragraaf 2.4.2.

2.4 Gebiedsgericht beleid

Algemeen

Sinds 19 maart 2014 kent Rotterdam een nieuwe bestuursstructuur die het stelsel van deelgemeenten heeft vervangen. Rotterdam bestaat nu uit veertien gebieden met gebiedscommissies. De gebiedscommissies zijn de oren en ogen van de wijk en het is hun taak om de vraag uit het gebied scherp in beeld te hebben.

2.4.1 Wijkagenda 2019-2022

Vastgesteld op 13 november 2018

De Wijkagenda Overschie 2019-2022 is de opvolger van het Gebiedsplan Overschie 2015-2018. De Wijkagenda wordt door de gebiedscommissie, wijkraad of het wijkcomité samen met burgers opgesteld en is een belangrijk instrument bij het adviseren aan het stadsbestuur. Het is een bundeling van ideeën om de wijk te verbeteren. Het plan gaat over specifieke wijkopgaven die nog niet zijn opgenomen in de stadsbrede uitvoeringsprogramma's. Het gaat dan vooral over veiligheid, de buitenruimte en voorzieningen in de wijk. De agenda beschrijft opgaven, wijkdoelen en programma's.

2.4.1.1 Relevant beleid voor het plangebied

De opgaven, wijkdoelen en programma's uit de agenda die een raakvlak hebben met dit bestemmingsplan zijn als volgt: het toekomstperspectief detailhandel verbeteren door een kleine buurtsupermarkt in Zestienhoven mogelijk te maken, realiseren van een horecavoorziening in De Buitenplaats, uitbreiding van basisschool Zestienhoven en nieuwe woningen in het midden- en dure segment. Bovengenoemde zaken worden in dit bestemmingsplan expliciet mogelijk gemaakt.

2.4.2 Horecagebiedsplan Overschie 2017-2019

Vastgesteld op 27 juni 2017 door B&W

Het horecagebiedsplan heeft als doel de ontwikkeling van horeca te laten aansluiten bij de ambities uit het gebiedsplan. Tevens dient het als leidraad bij vergunning verlening. Hoewel iedereen positief staat tegenover goed functionerende horecaondernemingen, brengen deze risico's met zich mee die met behulp van het horecagebiedsplan worden ingeperkt. Daarmee bieden de horecagebiedsplannen rechtszekerheid voor zowel ondernemers als bewoners en biedt het sturingsmogelijkheid op de ontwikkeling van gebieden.

Per wijk wordt aangegeven wat wordt toegestaan aan horeca activiteiten. Voor de wijken waar dit nog niet of slecht beperkt duidelijk is wordt de term consolideren gebruikt.

Per wijk wordt ook aangegeven welke exploitatiecategorie wenselijk is in een gebied/wijk, straat of aan een plein. Daarnaast kan vastgelegd worden welke mix van horeca-activiteiten gewenst is. Om de gewenste ontwikkeling richting te kunnen geven (door middel van het verlenen van de exploitatievergunning) wordt in het horecagebiedsplan gewerkt met de begrippen ontwikkelen, consolideren en verminderen. De gekozen ontwikkelrichting wordt ondersteund door redenen van economische, fysieke en ruimtelijke aard en openbare orde en veiligheid.

  • Ontwikkelen: uitbreiding van het aantal horeca inrichtingen alsmede de uitbreiding van het aantal m² terras van bestaande inrichtingen is mogelijk. Een verdere differentiëring is mogelijk door specifieke exploitatie categorieën en/of activiteiten te benoemen.
  • Consolideren: er zijn geen nieuwe horeca inrichtingen toegestaan. Ook is een verzwaring van activiteiten en/of categorieën niet mogelijk en kan het vloeroppervlakte en terras van bestaande inrichtingen in principe niet toenemen. Dit tenzij het een gering aantal m² inpandig betreft of eisen worden gesteld in landelijke wetgeving waardoor ondernemers gedwongen worden aanpassingen in het pand aan te brengen.
  • Verminderen: bij het wijzigen of beëindigen van een horeca-exploitatie wordt ingezet op het terugdringen van het aantal horeca-inrichtingen, vloeroppervlakte en terras of het terugdringen van specifieke exploitatiecategorieën en activiteiten. Indien is gekozen om een bepaalde exploitatiecategorie te verminderen, dan geldt voor al het overige de ontwikkelrichting consolideren, tenzij expliciet anders bepaald. Daar de basis voor een verminderingsbeleid altijd gelegen is in het feit dat de openbare orde en/of het woon- en leefklimaat zwaar onder druk staan, kan bij beëindiging van een exploitatie, een nieuwe ondernemer zich slechts vestigen met horeca van maximaal exploitatievergunning categorie 1. Ook zal in een dergelijk geval met de pandeigenaar gesproken worden over een alternatieve invulling (anders dan horeca) van het pand.

De combinatie van activiteiten die in een horeca-inrichting wordt aangeboden bepaalt in welke exploitatiecategorie de inrichting valt. Daarbij is relevant in hoeverre de activiteiten effect hebben op de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf. Hoe meer effect, des te zwaarder de exploitatiecategorie. Hoe zwaarder de categorie, des te zwaarder de toets bij vergunningverlening. Elke ondernemer kan gebruik maken van de voor hem of haar geldende vrijstelling van de exploitatievergunningplicht (categorie 0). Indien meer of zwaardere activiteiten worden aangeboden is een exploitatievergunning vereist in de categorie 1 t/m 4+.

2.4.2.1 Relevant beleid voor het plangebied

Op basis van het Horecagebiedsplan zijn in Park 16Hoven twee nieuwe horecagelegenheden wenselijk. Bij de ontwikkeling van een kleinschalige winkelvoorziening in Hof van Maasdam die de bewoners van de dagelijkse boodschappen en gemakken dient te voorzien, is de komst van horeca wenselijk. Denk daarbij aan een snackbar of een lunchroom. In dit bestemmingsplan wordt ter plaatse 150 m² horeca mogelijk gemaakt. Via de exploitatievergunning wordt gestuurd op het type horeca.

Ook in het publieksintensieve recreatiegebied park De Buitenplaats is de komst van een horeca-inrichting die ondersteunend is aan het recreatiegebied wenselijk, zodat deze aantrekkelijker wordt voor het publiek. In het park wordt in dit bestemmingsplan 500 m² horeca mogelijk gemaakt (in de driehoek gevormd door de Terletweg, Deelweg en de vijver). Bij de horecavoorziening zijn ook een aantal ondergeschikte functies toegestaan, zoals recreatieve voorzieningen (bijvoorbeeld de verhuur van waterfietsen), de mogelijkheid tot het organiseren van bruiloften en verjaardagsfeesten en ondergeschikte detailhandel, zoals de verkoop van zelfgemaakte producten en de verhuur van picknickboxen e.d. (vervallen naar aanleiding van uitspraak Raad van State)

2.5 Planvorming Park 16Hoven

De grondslag voor het nieuwe bestemmingsplan is de actualisatie van het Masterplan 16Hoven, in september 2017 door de gemeenteraad vastgesteld als startnotitie bestemmingsplan Zestienhoven. Dit document wordt in paragraaf 4.1 beschreven. Hier onder wordt ingegaan op het proces van planvorming voor het gebied, dat uiteindelijk heeft geleid tot het geactualiseerde masterplan.

2.5.1 Planvorming 2003-2017

Voor de ontwikkeling van het gebied zijn verschillende ruimtelijke kaders opgesteld, waarbinnen een hiërarchie in schaalniveau te onderscheiden valt. Op het hoogste schaalniveau gold de structuurvisie Ruimtelijk Plan Rotterdam 2010, vastgesteld in 2001 (nu geldt de Stadsvisie Rotterdam). Hierin is de ontwikkeling van de Polder Zestienhoven aangewezen als strategisch project. Als gevolg daarvan zijn de Masterplannen Zestienhoven (2003) en -Plus (2004, het voorkeursalternatief MER) opgesteld, die de basis voor het bestemmingsplan vormden. Dit bestemmingsplan (vastgesteld in 2005, onherroepelijk geworden in 2007) is het derde ruimtelijke kader binnen de hiërarchie en vormt het juridisch-planologische kader voor de ontwikkeling van het gebied. Na vaststelling van het bestemmingsplan is het Stedenbouwkundig plan Park Zestienhoven vastgesteld (in 2005). Dit plan biedt de ruimtelijke kaders, geeft een globaal beeld van de eindsituatie en beschrijft hoe zaken als ontsluiting, watersysteem en groenstructuur op het niveau van de hele polder vormgegeven zijn. Het volgende document in de hiërarchie van de verschillende schaalniveaus is de Welstandsparagraaf Park Zestienhoven uit 2008. Stedenbouwkundige randvoorwaardennota's per deelgebied vormen het volgende schaalniveau. Hierin staan per deelgebied de stedenbouwkundige voorwaarden omschreven waaraan ontwikkelaars en particuliere opdrachtgevers moeten voldoen bij het indienen van bouwplannen. Een randvoorwaardennota bevat als bijlage een globaal stedenbouwkundig matenplan voor het uitgeefbare terrein. Hier onder wordt uitgebreider ingegaan op een aantal van de genoemde kaders.

2.5.1.1 Masterplan Zestienhoven (2003)

In 2002 is begonnen met de planvorming voor Park 16Hoven. Het Masterplan Polder Zestienhoven is op 20 mei 2003 vastgesteld door het college van B&W. Het masterplan ging uit van drie deelgebieden: Laag Zestienhoven, Midden Zestienhoven en Hoog Zestienhoven. Zie figuur 2.1.

  • Laag Zestienhoven beslaat globaal gezien het gebied ten westen van (het verlengde van) de Van der Waalslaan, met uitzondering van het buurtje Bovenbeek (tussen van de Waalslaan en Copernicuslaan). Het deelgebied heeft een groen karakter vanwege de Overschiese Plasjes, volkstuincomplexen, sportparken en het park Zestienhoven. Op basis van het masterplan waren hier ca. 600 woningen in rustig, groen- en waterrijk woonmilieu beoogd;
  • Midden Zestienhoven ligt ten oosten van Laag Zestienhoven en wordt globaal begrensd door de Van der Duijn van Maasdamweg en Overschiese Kleiweg. De strook gronden direct ten noorden van de Van der Duijn van Maasdamweg en ten oosten van de Woensdrechtsestraat maken ook onderdeel uit van dit deelgebied. In Midden Zestienhoven waren ca. 1.200 woningen, maximaal 5.000 m² wijkgerichte voorzieningen (zoals winkels en onderwijs) en een bedrijventerrein van ca. 4,5 ha gepland;
  • Hoog Zestienhoven, ten noordoosten van Midden Zestienhoven, was op basis van het masterplan bedoeld voor kantoren en bedrijven (maximaal 600.000 m²), 450 woningen en grootschalige recreatieve voorzieningen. De ontwikkeling van dit deelgebied was echter pas beoogd voor na 2015, omdat één en ander afhankelijk zou zijn van de realisatie van de RandstadRail, een station aan de HSL en de A16 Rotterdam (A13/A16). Dit deel zou om die reden conserverend worden bestemd in het bestemmingsplan in het op te stellen bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1100Zestienhoven-va02_0007.jpg"

Figuur 2.1: impressie uit het Masterplan Zestienhoven (2003) met van links naar rechts Laag, Midden en Hoog Zestienhoven.

2.5.1.2 Masterplan Plus (2004) en bestemmingsplan Zestienhoven

In 2004 is een Milieu Effect Rapportage (MER) opgesteld op basis van het masterplan. In de MER zijn een aantal alternatieven voor de uitwerking van het masterplan met elkaar vergeleken, zodat de milieueffecten inzichtelijk zijn geworden. Resultaat van de MER is het zogenoemde voorkeursalternatief, dat het 'Masterplan Plus' (2004) is genoemd. Een impressie van de bijbehorende plankaart is te zien in figuur 2.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1100Zestienhoven-va02_0008.jpg"

Figuur 2.2: impressie Masterplan Plus (2004)

Het programma van het voorkeursalternatief c.q. Masterplan Plus (2004) is als volgt:

  • Laag Zestienhoven: ca. 600 woningen, 300-330 volkstuinen, 6 sportvelden, 750 m² b.v.o. horeca, 1.250 m² voorzieningen;
  • Midden Zestienhoven: ca. 1.200 woningen, ca. 5 ha bedrijventerrein, 2.500 - 5.000 m² commerciële en maatschappelijke voorzieningen;
  • Hoog Zestienhoven: bedrijven en kantoren voor de periode tot 2015, na 2015 (onder voorwaarde van realisatie HSL-station en verplaatsing terminal RTHA naar oostzijde vliegveld) 75.000 m² recreatieve voorzieningen, transferium met 3.000 parkeerplaatsen, 150.000 m² kantoren en 450 woningen ten zuiden van de Fairoaksbaan en 460.000 m² kantoren ten noorden van de Fairoaksbaan.

Delen van Laag en midden Zestienhoven hebben later de volgende buurtnamen gekregen: De Buitenplaats, Vijverbuurt, Bovenbeek, Rietzoom, Reijsendaal en Hof van Maasdam.

2.5.1.3 Bestemmingsplan polder Zestienhoven

Op basis van het Masterplan Plus is het bestemmingsplan 'Polder Zestienhoven' opgesteld, dat in 2005 is vastgesteld en op 25 april 2007 onherroepelijk is geworden. Het bestemmingsplan heeft de juridische basis gevormd voor de ontwikkeling van Park 16Hoven. Een groot deel van het plangebied bestaat uit globale woonbestemmingen. De ligging van ondergeschikte ontsluitingswegen of tuinen is niet vastgelegd. Wel vastgelegd zijn zaken zoals het maximum aantal te bouwen woningen, de maximum bouwhoogte, het percentage aan te leggen water en het maximum oppervlak aan andere voorzieningen en functies. Ook de hoofdwegenstructuur (Fairoaksbaan, Van der Duijn van Maasdamweg, Beekweg) is vastgelegd door middel van verkeersbestemmingen. De meeste bestemmingen zijn rechtstreekse bestemmingen waarbij verwezen werd naar later op te stellen Stedenbouwkundige randvoorwaarden, maar aan weerszijden van de Van der Duijn van Maasdamweg is een uit te werken gemengde bestemming opgenomen. Om deze gronden te ontwikkelen moet dus een uitwerkingsplan opgesteld worden. De gronden binnen het deelgebied Hoog Zestienhoven, ten noorden van deze uit te werken bestemming, zijn feitelijk danwel conform het vóór 2005 geldende bestemmingsplan bestemd aangezien de herontwikkeling van dit gebied pas na 2015 aan de orde zou zijn. Hier zijn overwegend de bestaande bedrijfsbestemmingen opgenomen.

Het tracé van de HSL en omgeving maken geen onderdeel uit van dit van dit bestemmingsplan. Voor deze gronden geldt het bestemmingsplan 'HSL-Overschie' dat is vastgesteld in 2000. Het bestemmingsplan is opgesteld door het Rijk om de aanleg van de HSL mogelijk te maken, maar ook anticipeerde het destijds op de toekomstige ontwikkeling van de polder Zestienhoven. Omdat de Masterplannen toen nog niet opgesteld waren bevat het plan ruime bouwmogelijkheden in uit te werken gemengde bestemmingen. Afhankelijk van de gemengde bestemming is een groot programma aan kantoren, bedrijven, commerciële voorzieningen, sport- en recreatie, woningen en maatschappelijke voorzieningen mogelijk. Een deel van het toegestane programma is gemaximeerd en er mag tot 45 meter hoog gebouwd worden. Omdat het uit te werken bestemmingen betreft is ontwikkeling van deze gronden alleen mogelijk na vaststelling van een uitwerkingsplan. Uiteindelijk zijn er 11 uitwerkingsplannen vastgesteld om telkens een stukje van de nieuwbouwwijk conform het Masterplan-Plus mogelijk te maken, waarbij slechts een fractie van het toegestane programma in de uitwerkingen is opgenomen.

2.5.1.4 Stedenbouwkundig plan polder Zestienhoven

Het stedenbouwkundig plan Park Zestienhoven is vastgesteld op 2 september 2005. Het geeft inzicht in het gewenste eindbeeld en legt de toekomstige groen- en waterstructuur vast. Op basis van het stedenbouwkundig plan wordt het plangebied opgedeeld in kleinere ontwikkeleenheden. Per ontwikkeleenheid zijn stedenbouwkundige randvoorwaarden opgesteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1100Zestienhoven-va02_0009.png"

Figuur 2.3: de plankaart van het stedenbouwkundig plan

Figuur 2.3 betreft de plankaart van het stedenbouwkundig plan. De plankaart is het resultaat van een combinatie van verschillende randvoorwaarden- en themakaarten, zoals stratenkaart, waterkaart, groenkaart en de kaart met woningdichtheden. De belangrijkste uitgangspunten van het stedenbouwkundig plan waren:

  • de Van der Duijn van Maasdamweg als ruggengraat van het plan, waar de lanen als 'ribben' op aantakken;
  • de historische Beekweg (oudste weg binnen plangebied) als tweede oost-west verbinding, waarlangs moderne lintbebouwing kan ontstaan in de vorm van uit te geven welstandsvrije individuele kavels;
  • het principe van de formele lanen en de informele binnenwerelden, waarmee diverse doelgroepen aangesproken kunnen worden binnenwerelden;
  • een oplopende dichtheid van west, waar de wijk het meest groen is, naar oost, waar de wijk ligt binnen de invloedssfeer van 2 haltes van Randstadrail. Ten aanzien van dit thema geldt hoe donkerder de kleur, hoe hoger de dichtheid. Hieruit volgt dat de hoogste dichtheden te vinden zijn aan de Van der Duijn van Maasdamweg ter plaatse van Hof van Maasdam. Hier is de woningdichtheid zo'n 50 woningen per hectare, in combinatie met daaronder en daarbij te realiseren voorzieningen;
  • van noord naar zuid een oplopende hoeveelheid water in de deelgebieden, waardoor het zuidelijk plangebied een waterrijk gebied wordt;
  • in het park wordt een bijzonder woonmilieu in de vorm van 'De Buitenplaats' gerealiseerd.

Masterplan Buitenruimte

Aangezien de groene, waterrijke en kindvriendelijke inrichting van de buitenruimte hét visitekaartje van Park 16Hoven vormt, is in mei 2006 als uitwerking van het stedenbouwkundig plan Polder Zestienhoven het Masterplan Buitenruimte vastgesteld. Hierin is een samenhangend kader vastgelegd voor de structuur én de inrichting van onder andere de groene ruimtes van verschillende maat en schaal, de speelgelegenheden van verschillende maat en schaal, de verkeersstructuur en langzaam verkeersroutes, de waterlopen met hun oevers en de bruggen, kanoroutes en ruiterpaden. Dit alles om een hoogwaardige, samenhangende en kindvriendelijke buitenruimte te verzekeren voor de aan te trekken gezinnen.

Momenteel is park De Buitenplaats met het hertenkamp, de speelvijver en de verharde paden om te skaten en fietsen reeds gerealiseerd. Ook drie van de vier delen van het Westerdijkpark zijn al gerealiseerd met een op sport en spel gerichte inrichting. Verder zijn in de directe nabijheid van de woningen kleinere speelplekken en groen aanwezig voor de jongste kinderen. De huidige en toekomstige basisschool en sportvelden dragen ook bij aan de kindvriendelijkheid. Van en naar de gerealiseerde basisschool loopt een autoluwe langzaam verkeersroute.

2.5.1.5 Randvoorwaardennota's

De verschillende randvoorwaardennota's vormen de verdere uitwerking van het stedenbouwkundig plan. De belangrijkste nota's zijn hier onder in chronologische weergave opgesomd. Sommige van deze nota's zijn later weer op onderdelen herzien of gewijzigd. Deze herzieningen zijn niet opgenomen in de opsomming om het ondergeschikte wijzigingen betreft. In figuur 2.4, onder de opsomming, is te zien waar welke randvoorwaardennota geldt.

  • 1. Randvoorwaardennota bedrijvenpark Zestienhoven (vastgesteld in 2005);
  • 2. Randvoorwaardennota Vijverbuurt Zestienhoven (vastgesteld in 2005);
  • 3. Randvoorwaardennota Buitenplaats Park Zestienhoven (vastgesteld in 2006);
  • 4. Randvoorwaardennota Bovenbeek 1e fase (vastgesteld in 2007);
  • 5. Randvoorwaardennota Rietzoom (vastgesteld in 2010);
  • 6. Randvoorwaardennota Bovenbeek 2e fase (vastgesteld in 2010);
  • 7. Randvoorwaardennota Particuliere kavels januari 2012 (vastgesteld in 2012);
  • 8. Aangepaste Stedenbouwkundige Randvoorwaarden Kavels Beekweg (vastgesteld in 2013);
  • 9. Allonge Buitenplaats (vastgesteld in 2014);
  • 10. Rietzoom Aanvulling randvoorwaardennota t.b.v. projectmatige ontwikkeling Copernicuslaan (vastgesteld in 2015);
  • 11. Riethoven aanpassing randvoorwaarden oktober 2016 (vastgesteld 2016);
  • 12. Randvoorwaardennota Particuliere kavels Rietzoom (vastgesteld in 2017).

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1100Zestienhoven-va02_0010.jpg"

Figuur 2.4: de verschillende randvoorwaardennota's die gelden in het gebied, geprojecteerd op een proefverkaveling. De nummers refereren naar de opsomming hier boven.

Voor een groot deel van het gebied zijn inmiddels randvoorwaardennota's ontwikkeld en woningen gebouwd of vergund (conform de randvoorwaarden). Deze gebieden zijn in dit bestemmingsplan feitelijk bestemd. Een aantal gebieden en kavels binnen het gebied van de randvoorwaardennota's is echter nog niet gebouwd: vrijwel de gehele Buitenplaats, de particuliere kavels binnen Rietzoom en enkele kavels in de Vijverbuurt en langs de Beekweg, drie complexen grenzend aan het HSL-tracé en ca. de helft van de bedrijfskavels in Hoog Zestienhoven. Voor deze gebieden zullen de relevante randvoorwaarden zoals bouwhoogte, maximale bouwmassa en bebouwingsveld doorwerken in de regels en verbeelding van dit bestemmingsplan.

2.5.2 Huidige situatie in relatie tot de voorgaande planvorming

De eerste bebouwing verrees in 2006 aan de Van der Duijn van Maasdamweg. Medio 2018, ruim tien jaar na onherroepelijk worden van het vorige bestemmingsplan zijn er ca. 750 woningen gerealiseerd, en ca. 120 aangevraagd of vergund in de buurten Bovenbeek, Vijverbuurt en Rietzoom. Deze drie buurten zijn daarmee grotendeels voltooid. In De Buitenplaats is het park voltooid, maar de geplande woningbouw en horeca (vervallen naar aanleiding van uitspraak Raad van State) moeten nog ontwikkeld worden. Reijsendaal en Hof van Maasdam zijn nog volledig onbebouwd. Het bedrijventerrein in het noorden van Midden Zestienhoven is voor ca. de helft ontwikkeld, de rest is bouwrijp en voor een aanzienlijk deel in (voor)reservering. Hoog Zestienhoven bestaat nog grotendeels uit bedrijventerrein. De planvorming van het onder voorwaarden te ontwikkelen geplande grote kantoorprogramma hier is gezien de ontwikkelingen op de kantorenmarkt niet gestart.

Hoofdstuk 3 Cultuurhistorie en archeologie

3.1 Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorie

3.1.1 Ontstaansgeschiedenis

Algemeen
In een zeer ver verleden bestond het gebied ten noorden van de Maasmond uit Waddengebied, waar zich een moerasbos ontwikkelde. Door het voortdurend afsterven van hout en bladeren ontstond er een dik waterhoudend veenpakket. Uit deze ‘veenspons’ sijpelden stroompjes als de Rotte en de Schie. Polder Zestienhoven maakt deel uit van dit oorspronkelijke veengebied. Deze situatie bleef voortbestaan tot de 12e eeuw. Hierna werd het gebied bedijkt en ontgonnen. In het land werden in een eindeloze herhaling lange evenwijdige sloten gegraven. Deze zorgden voor de ontwatering van het veenpakket, waardoor het landbouwgebied beter bruikbaar en begaanbaar werd. Het Schiekanaal werd gegraven om de grote hoeveelheden water uit het veenpakket af te voeren. Door de ontwatering kromp de veenspons, waardoor de bodem daalde. Waarschijnlijk werd er aanvankelijk akkerbouw gepleegd. Door het natter worden van het gebied is later overgegaan op veeteelt. Van deze eerste ontginningsfase is weinig bewaard gebleven in het plangebied. Een belangrijk landschappelijk element uit de Middeleeuwen dat nog wel bestaat en in de nabijheid ligt is de Doenkade, de waterscheiding die dateert uit de 12e eeuw tussen Schieland en Delfland.

In de periode 1500-1800 is het grootste gedeelte van het gebied tot beneden de grondwaterspiegel uitgeveend. Daarna is in de 18e en 19e eeuw het gebied weer drooggemalen en herontgonnen. Deze tweede ontginningsfase is de basis van het landschap zoals dat was vóór de ontwikkeling van de nieuwbouwwijk. In het noordoosten van het plangebied ligt een klein gedeelte van de in de periode 1772-1779 drooggemalen Schiebroekse Polder. Polder Laag Zestienhoven is kort na 1786 aangelegd. Het gebied werd verkaveld volgens de in die periode in deze streken gebruikelijke Zuid-Hollandse verkaveling. In 1895 is de aan de boezem gelegen molen vervangen door het huidige gemaal. Er werden twee huisjes voor personeel bij gebouwd. Rond die tijd ontstonden er op beperkte schaal vollegronds-tuinbouwbedrijfjes.

In de eerste helft van de 20e eeuw veranderde er weinig in het gebied. De enige grote ingreep in het gebied is de aanleg van de Wilgenplas in de periode 1900-1910 ten behoeve van de zandwinning voor de aanleg van de Hofplein-spoorbaan. De eerste sportvelden worden aangelegd in de Laag Oudendijkse Polder. Direct buiten het plangebied vindt in de periode 1910-1930 industrialisering van de oevers van de Schie plaats. In de jaren '30 ontstonden ook in het plangebied bedrijven, rondom de Volkelstraat. Aan de westzijde is in ongeveer dezelfde periode, tussen 1928 en 1936, de Rijksstraatweg (de latere rijksweg A13) aangelegd dwars door de veenplassen in de Hoog-Zestienhovense polder. Als gevolg van vergaande zettingen van de zandaanleg duurde de aanleg van deze weg lang.

Tot 1941 behoorde het plangebied tot de gemeente Overschie. In dat jaar is het door Rotterdam geannexeerd. Na deze annexatie van het gebied komen er nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Zo is er tijdens de oorlog in het gebied een wijkje noodwoningen gebouwd, Nooddorp Landzicht met 200 woningen. De meeste volkstuincomplexen, die zo kenmerkend waren voor het gebied, ontstonden in de eerste helft van de jaren vijftig (V.T.V. Blijdorp, V.T.V. Zestienhoven, V.T.V. De Bovendijk). Opmerkelijk is dat de eerste volkstuinen waarschijnlijk ontstonden daar waar tot dan toe de tuinbouwbedrijfjes lagen. In diezelfde periode wordt Vliegveld Zestienhoven aangelegd ter vervanging van het vooroorlogse vliegveld Waalhaven. Het vliegveld werd in 1956 geopend. Aanvankelijk bleef de opzet van het vliegveld bescheiden en werd ten zuiden van de baan een kleine terminal aangelegd met opslagtanks voor kerosine. Daarnaast waren er faciliteiten voor reclamevliegtuigjes, recreatieve vliegerij en de bedrijfsbrandweer (oefenplaats). Ten zuiden van het vliegveld was een gemeentekwekerij ingericht en halverwege de jaren zestig wordt nog een wijkje gebouwd: Laag Zestienhoven met 120 woningen. Rond 1968 werd er een hotel direct ten oosten van de Overschiese Plasjes gebouwd op een met zand opgehoogde strook. In 1971 werd de start- en landingsbaan verlegd in noordoostelijke richting, waarbij de Bovendijk werd omgelegd. Een gevolg hiervan was dat de molen “De Hoop” verplaatst moest worden. Deze korenmolen stamde uit 1712 toen een houten standaard molen werd vervangen door een stenen molen. In 1970 is de molen gesloopt en een jaar later herbouwd op de huidige plek in het lint van de Overschiese Kleiweg; ook de naam is toen veranderd in molen “De Speelman”. De molen is nu aangewezen als rijksmonument.

Tijdens de oorlog werd een gemeentelijke stortplaats geopend in de Zestienhovense Polder. Wanneer deze in 1968 vol is wordt daarop een deel van het bedrijventerrein Zestienhoven aangelegd. Er vestigden zich hier in de loop van de tijd steeds meer milieubelastende bedrijven. De olieterminal van de NAM was een van de eerste bedrijven. Vanaf medio jaren ’60 zijn ook autosloperijen, garagebedrijven en metaalverwerkende bedrijven in het gebied gekomen. In 1981 heeft ook een puinbreker zich hier gevestigd. Na het vertrek van het kadaverdestructiebedrijf in 1989, is het terrein van de puinbreker uitgebreid op het vrijgekomen gebied.

In de zestiger jaren werd begonnen met de uitbreiding van de sportvelden, waarbij sloten werden gedempt en de grond werd opgehoogd. Tussen 1970 en 1975 werden een aantal buiten gebruik zijnde sportvelden en ook bermen langs de Mokweg benut voor het bergen van sloot/singelbagger uit het zuidelijke deel van de polder Zestienhoven. De slib was verontreinigd door lozingen van bedrijven langs de Overschiese Kleiweg. In 1976 werd het slib uitgespreid en vond heraanleg van sportvelden plaats. Rond 1970 is de Laag Zestienhovense Polder als parkgebied heringericht. Hiervoor moest het beter ontsloten worden en daarom zijn de Beekweg, Terletweg, Mokweg en Van der Duijn van Maasdamweg aangelegd. De oude verkaveling werd begraven onder ophogingen en dempingen met grond en teelaarde. Deze ophogingen vonden tot ver in de jaren ’80 plaats en werden gevolgd door de aanplant van bos. Tot aan 1983 werd aan de Van der Duijn van Maasdamweg door de gemeente een stortplaats geëxploiteerd. Deze werd medio jaren ‘80 afgedekt met grond en eveneens ingeplant met bomen en struiken. Tussen 2000 en 2006 is de HSL-zuid aangelegd, die in 2009 werd geopend.

Landzicht en Laag Zestienhoven
De Laag Zestienhovense polder was tot aan de Tweede Wereldoorlog nog maagdelijk leeg. In de omgeving van het huidige Landzicht/Laag Zestienhoven was alleen één boerderij aanwezig. Op 14 mei 1940 vond het bombardement op de binnenstad van Rotterdam plaats. Met het bombardement werden uit het stadscentrum en de omliggende wijken 25.000 woningen weggerukt. Het Regeringscommissariaat voor de Wederopbouw in Den Haag stelde zich de taak zo snel mogelijk nieuwe huisvesting te verzorgen. Dat leidde tot de bouw van een zestal nooddorpen, bedoeld als tijdelijk onderkomen. In Rotterdam-Zuid werd het Brabantse dorp (nu Zuidplein) en Smeetsland (in IJsselmonde) gebouwd. De andere dorpen werden gebouwd aan de noordzijde van de Maas. Langs het Noorderkanaal verschenen het Drentse dorp, het Gelderse dorp en het Utrechtse dorp. In Overschie Laag Zestienhoven of Landzicht. Tenslotte werd tijdens de Wederopbouw, 9 jaar na het bombardement ook nog de Wielewaalbuurt in Rotterdam-Zuid gerealiseerd. Van al deze dorpen is binnenkort alleen Landzicht nog over.

Landzicht werd vernoemd naar de vroegere 19e eeuwse buitenplaats ‘Land en Schiezicht’ die zich dichtbij aan de Rotterdamse Schie bevond en kwam tot stand naar ontwerp van de voormalige Overschiese directeur Gemeentewerken Henk Sutterland sr. Het nooddorp Landzicht werd in 1942 gebouwd. Grond, vijf percelen breed in het rechthoekig stelsel van de polder werden voor de bouw gereed gemaakt. Het nooddorp kwam hiermee in de verder lege polder te liggen. De wijk was oorspronkelijk bedoeld als dorp met 200 semi-permanente woningen met een levensduur van ca. 15 jaar. Het voormalige gemeenteraadslid G.H.J. Hegge van de tot 1941 zelfstandige gemeente Overschie deed tijdens het bouwen een poging de woningen te voorzien van een verdieping. Zijn idee werd echter afgewezen. De huisjes waren slechts bedoeld als tijdelijke huisvesting.

De woningen werden verdeeld over tien stroken aan vijf rechte straten. Binnen de uniforme straten ontwierp Sutterland vier types: 160 woningen met twee of drie slaapkamers, 38 woningen met vier slaapkamers waarbij de woning via de keuken is ontsloten en twee woningen met een winkelruimte. De woningen hadden een oppervlak van 38 – 49 m². De gebouwen werden zonder een paalfundering gebouwd op een doorgaande betonfundering. Wegens gebrek aan materialen werden de muren opgetrokken uit schoongebikte baksteen uit het oorlogspuin. De gevel werd vervolgens bekleed met gasbetonblokken in een blokpatroon. Pas veel later is de gevel gestuct. Bijzonder waren de schokbetonnen kozijnen, die veel later vervangen zijn door hout en kunststof. De daken zijn ook uitgevoerd in beton en waren oorspronkelijk afgewerkt met mastiek.

De buurt Laag Zestienhoven volgde midden jaren ’60 met 120 woningen aan vier woonstraten in een aan Landzicht grenzend buurtschap, met de naar Nederlandse vliegvelden vernoemde Schipholstraat, Ypenburgstraat, Welschapstraat en Eeldestraat. De buurt was gedacht als opvang voor de bewoners van andere nooddorpen aan de rand van Rotterdam, die moesten wijken voor de groeistuipen van de stad. Deze huizen werden gebouwd mét bovenverdieping. In 1967 werd de buurt bovendien verrijkt met een buurthuis.

In 1988 waren er plannen om de buurten Landzicht en Laag Zestienhoven te slopen in verband met de wens hier een bedrijvenpark te realiseren. De bewoners kwamen hierop in protest. Uiteindelijk werd besloten de woningen toch te renoveren. Rond 1990 werden de opgeknapte woningen opgeleverd.

3.1.2 Cultuurhistorische waardering

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in de toelichting van een bestemmingsplan beschreven moet worden wat de cultuurhistorische waarden binnen het plangebied zijn, en hoe eventueel aanwezige waardevolle zaken beschermd worden in het bestemmingsplan. De gemeente Rotterdam laat om die reden zogenaamde Cultuurhistorische Verkenningen (CV) uitvoeren. Een CV bevat een onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van een gebied en doet aanbevelingen ten aanzien van cultuurhistorisch waardevolle objecten, zogenaamde beeldbepalende objecten. Beeldbepalende objecten worden in beginsel (na een afweging) beschermd door middel van een dubbelbestemming die een drempel opwerpt tegen sloop. Een CV kent nog een aantal typen waardering, zoals 'waardevol ensemble'. Voor deze waardering geldt geen bijzondere planologische bescherming zoals een dubbelbestemming. Wel kan met bijvoorbeeld een strakke bestemmingslegging de stedenbouwkundige opzet beschermd worden. Voor het plangebied is de CV voor Overschie relevant. Uit de CV volgen de onderstaande cultuurhistorisch waardevolle zaken. Er staan geen rijks-, gemeentelijke of toekomstig gemeentelijke monumenten in het plangebied.

Achterdijk 4 (gewaardeerd als beeldbepalend)
Een elektrisch gemaal, gebouwd tussen 1917 en 1919, dat de vroegere vijzelmolens heeft vervangen. Het ligt aan de rand van de droogmakerij Rijs en Daal, op de kop van de voormalige molengang, is in gebruik en waardevol omdat het refereert aan de waterhuishoudkundige aanleg van de polder. Het object is ontworpen door ing A. Nolen van het hoogheemraadschap van Schieland. Het eenvoudige gebouw is gedecoreerd met siermetselwerk en gestucte geveldelen in geometrische artdeco stijl.

Achterdijk 6-8 (gewaardeerd als beeldondersteunend)
Twee machinistenwoningen die bij het gemaal aan de Achterdijk 4 horen. De woningen zijn gebouwd van de bakstenen die afkomstig zijn van de voormalige vijzelmolens. Als onderdeel van het gemaal zijn de woningen karakteristiek voor de waterhuishouding van de polders die in de 18e eeuw zijn drooggemalen.

Achterdijk 10 (gewaardeerd als beeldbepalend)
De restanten van de hallehuisboerderij uit 1790 zijn van lokaal belang. De boerderij, gesloopt in 1988, was de laatst bewaarde van de vijf hoeves die werden opgetrokken in de pas drooggelegde Laag Zestienhovensche polder. Er was een karnmolen en een originele melkkelder met drie petten. Veestallen en woning uit 1920 refereren aan de oorspronkelijke agrarische betekenis van Overschie. De 19e eeuwse veestallen zijn opgetrokken in ijsselsteen en met gietijzeren muurankers versterkt, diverse gietijzeren stalraampjes. Een kleine woning op het erf werd in 1920 voor de grootouders van de familie Koppen gebouwd. Het complex met boerenerf is uniek qua typologische verschijningsvorm en qua ouderdom. De andere boerderijen in Rijs en Daal bestaan helemaal niet meer.

Landzicht (gewaardeerd als waardevol ensemble)
Landzicht is het enige nooddorp dat nog resteert na de sloop of ingrijpende renovatie van de andere nooddorpen van Rotterdam. Dat geeft deze wijk een cultuurhistorische waarde voor de geschiedenis van Rotterdam en van Overschie. Stedenbouwkundige of architectuurhistorische waarden zijn er niet of niet meer.

3.1.3 Vertaling in het bestemmingsplan

In beginsel krijgen alle als 'beeldbepalend' gewaardeerde objecten de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie 2'. Deze dubbelbestemming werpt een drempel op tegen sloop, in die zin dat een omgevingsvergunning voor het slopen alleen wordt verleend onder een aantal voorwaarden:

  • sloop is noodzakelijk vanwege zwaarwegende maatschappelijke, technische of economische redenen, en;
  • nieuwbouw mogelijk is, en;
  • de aanvrager van de omgevingsvergunning aannemelijk heeft gemaakt dat de nieuwbouw op de plaats van het te slopen object gebouwd zal worden en dat bij het ontwerp van de nieuwbouw de vanuit cultuurhistorisch oogpunt van belang zijnde stedenbouwkundige, bouwkundige, architectonische en ensemble waarden in acht genomen worden, die onder andere gevormd worden door de situering, schaal, vorm en geleding van de bebouwing.

Er zijn ook een aantal situaties waarin niet voldaan hoeft te worden aan deze voorwaarden, bijvoorbeeld als een gebouw door een calamiteit verloren is gegaan, of in geval van een aanschrijving van B&W op grond van de Woningwet.

Per object vindt echter een afweging plaats. De afweging heeft er in dit geval toe geleid dat alleen het gemaal aan de Achterdijk 4 de dubbelbestemming heeft gekregen. Het perceel Achterdijk 10 is in de CV gewaardeerd als beeldbepalend vanwege de architectuurhistorische kwaliteiten, de uniciteit als enige boerderij die nog in het gebied aanwezig is en inrichting van het perceel. Inmiddels zijn de architectuurhistorische kwaliteiten verdwenen door sloop en nieuwbouw. Alleen een klein deel van de schuur is nog enigszins origineel (gerenoveerd), de rest van de oorspronkelijke bebouwing is verdwenen en vervangen door nieuwbouw. Het enige waardevolle dat resteert is de verwijzing naar het agrarische verleden en de inrichting van het erf. De dubbelbestemming cultuurhistorie is een drempel voor sloop van de bestaande bebouwing. De dubbelbestemming geeft geen bescherming tegen extra bebouwing van het perceel of de inrichting hiervan. De cultuurhistorisch waardevolle agrarische inrichting van het perceel wordt hierdoor dus niet beschermd, waardoor het opnemen van de dubbelbestemming niet doelmatig zou zijn.

3.2 Archeologie

3.2.1 Beleidskader

Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden.

De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld.

Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureau-onderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen.

3.2.2 Bewoningsgeschiedenis

Het plangebied maakte oorspronkelijk deel uit van een (klei-op-)veengebied dat in de 10e-12e eeuw is ontgonnen. In vrijwel het hele plangebied is het veen na de Middeleeuwen afgegraven om als brandstof (turf) te worden benut. Alleen aan de westzijde, tussen de Vliegveldweg en de A-13, en aan de zuidoostzijde ter weerszijden van het tracé van de HSL zijn stukjes van het oude landschap bewaard gebleven. Het zijn delen van de Hoog Zestienhovense polder en de Hoog Oudendijkse Polder. De door de turfwinning ontstane meren werden aan het einde van de 18e eeuw drooggemaakt. In 1772 ontstond zo de Schiebroekse Polder, gevolgd door de Laag Zestienhovense Polder en Oudendijksche Polder in 1786.

De grotendeels afgegraven Bovendijk, nu nog als straat aanwezig, vormde de scheiding tussen de twee poldergebieden. In deze nu relatief laag gelegen gebieden liggen oudere prehistorische landschappen, met voormalige wad- en kwelderkreken uit de periode vóór de veenvorming, aan de oppervlakte. In de diepere ondergrond (vanaf circa 9 meter beneden NAP) bevindt zich onder het hele plangebied een stelsel van fossiele rivier-stroomgordels uit de periode van circa 6000 tot 8000 jaar geleden.

De twee bovengenoemde stukjes oud landschap zijn na de ontginning in de 12e eeuw overstroomd, waarbij een kleidek werd afgezet op het veen. De noordelijke grens van het overstroomde gebied aan de zuidkant ligt ongeveer ter plaatse van de Kleiweg. De kronkelige Kleiweg gaat oorspronkelijk waarschijnlijk terug op het verloop van een geul die rond het begin van de jaartelling in het veen is ingesneden en die mogelijk in verbinding stond met de Schie. Uit archeologisch onderzoek in het kader van de aanleg van de HSL is gebleken dat de geul in meerdere fasen watervoerend en sedimenterend is geweest: in de late prehistorie, de Romeinse tijd en mogelijk de Late Middeleeuwen. Bij het onderzoek zijn tientallen palen van een gebouw uit de IJzertijd aangetroffen juist ten noorden van voornoemde geul. De geul is uiteindelijk opgevuld met zand en klei. Er vormde zich zo een stroomgordel die later in het middeleeuwse ontginningslandschap zichtbaar is gebleven en waarop mogelijk een dijk en een weg (de Kleiweg) zijn aangelegd. Langs de Kleiweg concentreerde zich de bebouwing, waardoor een bewoningslint ontstond.

Ook in het stukje oud landschap aan de noordwestzijde werd de veenvorming in de laatste eeuwen voor de jaartelling onderbroken, door een toename van de invloed van de Schie. Daarbij werden kreekjes gevormd die het veen ontwaterden en van waaruit sedimentatie van klei op het veen plaatsvond. De oevers en in de Romeinse tijd ook de dichtgeslibde kreekbeddingen werden door de mens in cultuur gebracht en intensief bewoond. De nog deels in het gebiedje aanwezige strokenverkaveling gaat terug op de middeleeuwse ontginningen. Twee boerderijen die tot in de twintigste eeuw juist ten westen van de Vliegveldweg lagen gaan mogelijk terug op boerderijen uit de ontginningsperiode.

3.2.3 Archeologische verwachting

In het hele plangebied kunnen archeologische vondsten en bewoningssporen uit verschillende periodes aanwezig zijn. In de diepere ondergrond (tussen circa 9 en 13 meter beneden NAP) kunnen zich op de fossiele stroomgordelafzettingen vondsten en bewoningssporen uit de Steentijd bevinden (circa 6000 tot 4000 voor Christus: Laat Mesolithicum tot Midden-Neolithicum). In de laag liggende, uitgeveende delen van het gebied kunnen vondsten en bewoningssporen uit de periode van circa 4000 tot 2000 voor Christus (Midden- tot Laat Neolithicum) dicht aan de oppervlakte aanwezig zijn. Ook kunnen hier vondsten en sporen uit de Nieuwe Tijd worden aangetroffen. In de twee stukjes oud landschap kunnen ook nog archeologische vondsten en bewoningssporen uit de jongere periodes Bronstijd, IJzertijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen-Nieuwe Tijd voorkomen.

In de regels wordt al aangegeven dat het vergunningvereiste niet geldt voor bestaande weg- en leidingcunetten. In dit gebied geldt dat eveneens voor het tracé van de HSL.

3.2.4 Vertaling in het bestemmingsplan

Waarde - Archeologie 1
Voor het gebiedje waar het oude klei-op-veenlandschap nog aanwezig en niet overbouwd is (Waarde - Archeologie 1) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 0,3 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 100 vierkante meter beslaan.

Waarde - Archeologie 2
Voor de twee gebiedjes waar het oude klei-op-veenlandschap nog aanwezig maar wel overbouwd is (Waarde - Archeologie 2) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 100 vierkante meter beslaan.

Waarde - Archeologie 3
Voor de rest van het gebied, dat is uitgeveend (Waarde - Archeologie 3), geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 1,0 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 200 vierkante meter beslaan.

Hoofdstuk 4 Visie op het plangebied

Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van het plangebied. Hierbij valt onderscheid te maken tussen de gebieden die nog ontwikkeld moeten worden, de gebieden die reeds (grotendeels) ontwikkeld zijn en de gebieden die wel binnen het plangebied vallen, maar geen onderdeel uitmaken van de nieuwe woonwijk. Het kader voor de nog te ontwikkelen delen van het gebied is het geactualiseerde Masterplan 16Hoven, vastgesteld op 7 september 2017 door de gemeenteraad van Rotterdam. Dit zal in paragraaf 4.1 beschreven worden. Daarna volgt een beschrijving van het plangebied per deelgebied. In totaal zijn er dertien verschillende deelgebieden te onderscheiden binnen het plangebied. Zie figuur 4.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1100Zestienhoven-va02_0011.jpg"

Figuur 4.1: indeling in deelgebieden

4.1 Actualisatie Masterplan

4.1.1 Aanleiding tot actualisatie

Op 7 september 2017 heeft de gemeenteraad de 'Actualisatie Masterplan 16Hoven' vastgesteld als startnotitie voor dit bestemmingsplan. Zoals de naam al zegt betreft dit document een actualisatie van het Masterplan Plus uit 2004, dat overigens grotendeels van kracht blijft. Er zijn verschillende redenen om het oude masterplan te actualiseren, hier onder wordt daar op ingegaan. In figuur 4.2 is de ligging te zien van de in paragraaf 4.1.3 beschreven gebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1100Zestienhoven-va02_0012.png"

4.2: ligging van de gebieden waar de actualisatie betrekking op heeft

4.1.2 Ontwikkelingen

Inhoudelijk spelen de Actualisatie Masterplan en de daaruit volgende actualisatie van het bestemminsplan in op de volgende ontwikkelingen:

  • Wanneer het te nemen Luchthavenbesluit Rotterdam The Hague Airport in werking treedt, worden andere geluidscontouren van toepassing voor Park 16Hoven, óók indien de luchthaven niet uitbreidt. Ten eerste veranderen de gehanteerde geluidseenheden van KE en BKR naar dB(A) Lden. Daarnaast verandert ook het wettelijk regime dat van toepassing is. Binnen de toekomstige 56 Lden geluidscontour mogen geen woningen meer gebouwd worden. Tussen de toekomstige 56 Lden en de toekomstige 48 Lden geluidscontour moet de ontwikkeling van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen zoals woningen zorgvuldig worden afgewogen. Hoewel Park 16Hoven geen nieuwe ontwikkeling is in die zin dat over de realisatie van deze woningbouwlocatie productieafspraken met het rijk zijn gemaakt en de wijk juridisch-planologisch al bestaat, vraagt de ligging nabij de luchthaven om zorgvuldig handelen in verband met het huisvesten van mensen;
  • De bevolking van Rotterdam groeit en de waardering voor het wonen in de stad neemt toe. De vraag naar woningen neemt toe, zowel in de koop- als in de huurmarkt. Als gevolg daarvan ligt er een forse woningbouwopgave voor Rotterdam de komende tientallen jaren. Hierdoor is de vraag ontstaan welke extra bijdrage Park 16Hoven kan leveren in de realisatie van deze woningbehoefte;
  • Het consumentengedrag is ingrijpend veranderd de afgelopen jaren. Trends als schaalvergroting en het kopen via internet hebben gevolgen voor de detailhandelssector. In verband met het vernieuwen van het bestemmingsplan is onderzoek uitgezet naar de actuele mogelijkheden voor detailhandel in Park 16Hoven;
  • De kantoren- en bedrijvenmarkt zijn sinds het masterplan van 2004 totaal veranderd. Door ontwikkelingen als flexwerken en het grote aanbod aan kantoren in Rotterdam en regio is de behoefte aan nieuwe kantorenlocaties fors teruggelopen. Ook kan op dit moment goed voorzien worden in de actuele behoefte aan bedrijfspanden en bedrijfsterreinen.

4.1.3 Uitwerking

De bovengenoemde ontwikkelingen hebben geleid tot een aantal afwegingen en scenario's. Hier onder worden de resultaten van de keuzes voor de deelgebieden kort samengevat. In paragrafen 4.2 en 4.3 wordt nog nader ingegaan op de gebieden Hof van Maasdam, Reijsendaal en Hoog Zestienhoven.

Park 16Hoven ten zuiden van de Van der Duijn van Maasdamweg
De plandelen van Park 16Hoven ten zuiden van de Van der Duijn van Maasdamweg worden conform het vastgesteld Masterplan Plus (2004) gerealiseerd. Huidige bewoners wonen hier met veel plezier en het zou onwenselijk zijn gaten te laten vallen in reeds bestaande woonbuurten. Het betreft woningen in de Vijverbuurt, Bovenbeek, Rietzoom en De Buitenplaats, die een zeer hoge woonomgevingskwaliteit hebben of krijgen.

Schipholstraat
Omzetten van de bestemming van de locatie van het leegstaand voormalig Buurthuis Landzicht aan de Schipholstraat 76-80 van de bestemming Maatschappelijke voorzieningen naar woningbouw. Deze ontwikkeling volgt een eigen ruimtelijke procedure en de gronden maken daarom geen onderdeel uit van dit bestemmingsplan.

Reijsendaal
Reijsendaal ligt het dichtst nabij de luchthaven. In Reijsendaal wordt het oppervlak voor woningbouw sterk verkleind. Als het luchthavenbesluit is genomen mogen er binnen de toekomstige 56 Lden-contour geen woningen meer worden gebouwd. Door verder alleen de zone langs de Van der Duijn van Maasdamweg (de 'oprijlaan' naar De Buitenplaats) in een lage dichtheid van 10-20 woningen per hectare te bebouwen, wordt het aantal toekomstige bewoners nabij de verwachte 56 Lden-contour contour sterk verkleind. Het woningaantal wordt daarmee teruggebracht van ruim 310 naar ruim 140 woningen. Door een deel van de woningen in de vrije sector huur te realiseren, een product waar vraag naar is, geeft dit bewoners een grotere keuzevrijheid en flexibiliteit nabij de luchthaven. Keuzevrijheid is, naast de houding ten opzichte van vliegtuiggeluid, een belangrijke factor in de beleving van geluid en daarmee een belangrijke factor in mogelijke gezondheidseffecten.

Nabij de luchthaven wordt een strook met bestaande beplanting gehandhaafd, een wens van de huidige bewoners van Park 16Hoven. Tussen die beplanting en de woningbouw blijft een gebied van substantieel formaat over, dat gereserveerd wordt voor bestemmingen in de sfeer van kwekerij/bomendepot, nutstuinen, e.d. Dit zijn niet-geluidgevoelige functies, die zich goed verhouden tot een woonwijk en daar kwaliteit aan kunnen toevoegen. Het is de verwachting dat de stadskwekerij hier medio 2018 gevestigd wordt. Deze moet verplaatst worden vanwege de nieuwbouwwijk Nieuw Kralingen.

Hof van Maasdam
Hof van Maasdam ligt zowel in de invloedssfeer van de luchthaven waar - naast de positieve aspecten - geluidhinder een rol speelt, als binnen de invloedssfeer van metrostations Melanchtonweg en Meijersplein, een belangrijke vestigingsfactor voor woningbouw. Hier is gekozen voor een middenweg, waarbij een evenwicht gevonden wordt tussen de beide locatiekenmerken.

Door veranderingen in de kantorenmarkt is het kantorenprogramma zoals opgenomen in het vorig masterplan niet meer opportuun. Wel blijft ingezet worden op woningbouw. Met woningbouw in een dichtheid van 50 tot 80 woningen per hectare (gemiddeld ca. 60 woningen/ha) bestaat de mogelijkheid om aan de zijde van de toekomstige 56 Lden-contour en nabij de bestaande woningen aan de Bovendijk een wat lagere dichtheid toe te passen en in het middengebied een wat hogere woningdichtheid te kiezen op deze locatie nabij het hoogwaardig openbaar vervoer. Dit woonmilieu leent zich goed voor de realisatie van een substantieel deel huurwoningen, een product waar vraag naar is en dat bewoners flexibiliteit en keuzevrijheid biedt nabij de luchthaven. Met dit voorstel wordt het aantal woningen in Hof van Maasdam verhoogd van ca. 420 naar ca. 540.

Detailhandel, centrumvorming
Volgens een in januari 2017 opgeleverd extern onderzoek blijkt er onvoldoende distributieve ruimte aanwezig te zijn in Park 16Hoven voor de ontwikkeling van een volwaarding basis-boodschappencentrum met een moderne supermarkt en aanvullende dagelijkse winkelvoorzieningen. Op basis van het totale inwoneraantal, de bestedingsstromen e.d. is de aangetoonde marktruimte niet toereikend voor een moderne ontwikkeling. Er is slechts distributieve ruimte voor een zeer kleine supermarkt, die beperkt rendabel zou zijn.

Hoewel het stedelijk detailhandelsbeleid is gericht op het behoud en ontwikkelen van toekomstbestendige winkelgebieden, in plaats van het realiseren van solitaire supermarkten, wordt in deze specifieke situatie een uitzondering gemaakt, omdat in het oorspronkelijk masterplan en het huidig bestemmingsplan op basis van het Masterplan 2003 verwachtingen zijn gewekt bij kopers van woningen. Om die reden is in de actualisatie van het masterplan planologische ruimte gereserveerd voor een supermarkt van maximaal 750 m² in Hof van Maasdam.

Naast de bestaande school en de voorzieningen ten zuiden van de Van der Duijn van Maasdamweg zal het centrum ten noorden van de weg bestaan uit de optie voor een buurtsupermarkt (750 m²), een horecavoorziening (150 m²) en maatschappelijke voorzieningen (5.000 m²) waaronder een tweede basisschool die volgens de actuele prognose noodzakelijk is.

Hoog 16Hoven
Bedrijventerrein Hoog 16Hoven ligt aan de Fairoaksbaan, tussen het vliegveld en metrostation Meijersplein met bijbehorend P&R-terrein. Hoewel de locatie nu al goed ontsloten is, is het de komende 10 jaar nog niet wenselijk hier functies te ontwikkelen die in grote mate concurrerend zijn met bestaand stedelijk vastgoed, of reeds in gang gezette ontwikkelingen elders in de stad. De marktvraaganalyse voor de sectoren bedrijven, kantoren en winkels leidt tot de conclusie dat er voorlopig geen ruimte is voor grootschalige nieuwe ontwikkeling van dit gebied. De huidige functie bedrijven blijft de komende 10-20 jaar het dominante gebruik. Middels kleinschalige en goed onderbouwde innovatieve en adaptieve initiatieven kan wel vast de weg richting toekomst worden ingezet.

Het in ontwikkeling zijnde, bouwrijpe, bedrijventerrein langs de Fairoaksbaan ontwikkelde zich voorheen in een lager tempo dan voorzien. Momenteel is er voor bijna alle percelen belangstelling, wat heeft geleid tot diverse voorreserveringen en reserveringen. Op twee andere gemeentelijke percelen die nog niet bouwrijp zijn, is de bedrijfs- en kantoorbestemming uit het bestemmingsplan HSL-Overschie komen te vervallen. Deze percelen zijn conform het feitelijke gebruik als groen bestemd. Twee andere percelen zijn op basis van de visie bedoeld voor circulaire economie. Twee andere percelen zijn op basis van de visie bedoeld voor circulaire economie. Bij het ene perceel, tussen de Fairoaksbaan en Woensdrechtsestraat, moet gedacht worden aan de bebouwing van de stadskwekerij, een bomendepot (beide te verplaatsen vanwege het project Nieuw Kralingen) en andere bedrijven gericht op circulaire economie. Op het perceel is de bestemming Bedrijf - 4 opgenomen, die deze functies mogelijk maakt. Het andere perceel, nabij de Bovendijk en Soesterdijkstraat, maakt geen onderdeel uit van het plangebied. Hier komt de grondbank die voor de aanleg van de A16 Rotterdam verplaatst moet worden en een modern milieupark. Voor deze ontwikkeling wordt een aparte ruimtelijke procedure doorlopen.

Hoog 16Hoven, lange termijn visie
In de nabije toekomst wordt de A13/16 doorgetrokken en krijgt de G.K. van Hogendorpweg hier een volledige ontsluiting op. Het gebied komt hiermee aan een nieuwe stadsentree te liggen. Op de langere termijn kan Hoog 16Hoven dankzij deze gunstige ligging na bij snelweg en openbaar vervoer én door de beschikbaarheid van ruimte kansen bieden voor de Next Economy. Gedacht kan worden aan de zakelijke productiesector 'business to business', aan consumentendiensten 'business to consumer', aan functies in het kader van de recycling, schone maakindustrie en startups in het kader van de Next Economy. Wellicht kan het huidige goed functionerende P&R terrein op termijn geïntensiveerd worden naar een Transferium. Voor het plandeel ten zuiden van de Fairoaksbaan zijn kleinschaliger bedrijven (langs de Fairoksbaan) en woningbouw (aansluitend aan Hof van Maasdam) een kansrijke invulling. Het zal een fasegewijze gebiedsontwikkeling worden, die kan inspelen op veranderende markten en behoeften. De transformatie zal zich naar verwachting het eerste voordoen rond en ten zuiden van de Fairoaksbaan. Deze lange termijn visie is nog niet vertaald in dit bestemmingsplan, maar geeft een doorkijk naar de verwachte doorontwikkeling in de toekomst.

4.2 Park 16Hoven - nog te ontwikkelen

Hof van Maasdam (1)

Hof van Maasdam ligt binnen de invloedssfeer van metrostations Melanchtonweg en Meijersplein en heeft daarmee een goede verbinding met de NS-stations Rotterdam Centraal en Den Haag Centraal, een belangrijke vestigingsfactor voor woningbouw. Gezien deze ligging krijgt het de hoogste dichtheid binnen Park 16Hoven van 50-80 woningen per hectare en zal de sfeer wat stedelijk zijn dan in de meer westelijk gelegen buurten van Park 16Hoven. Het wordt een gemengd gebied met planologische ruimte voor ca. 540 woningen, ca. 750 m² detailhandel, ca. 150 m² horeca en ca. 5.000 m² maatschappelijke voorzieningen (waaronder de tweede basisschool binnen de nieuwbouwwijk).

De Tinbergenlaan wordt in noordelijke richting doorgetrokken tot aan de huidige Woensdrechtstraat en vormt dan de westelijke begrenzing. De noordelijke en oostelijke begrenzing wordt gevormd door de bestaande watergang die ten zuiden van de Woensdrechtstraat en ten oosten van de Bovendijk ligt, en de zuidelijke begrenzing wordt gevormd door de Van der Duijn van Maasdamweg. De belangrijkste ontsluitingswegen zijn de Tinbergenlaan, de Woensdrechtsestraat en de Van der Duijn van Maasdamweg.

Hof van Maasdam wordt doorsneden door het HSL-tracé met daar bovenop het Westerdijkpark, waardoor er veel woningen aan een park liggen. Er kan overwegend in maximaal vier lagen gebouwd kan worden, maar op drie locaties kunnen hoogteaccenten van 12 bouwlagen komen en op vier locaties kunnen hoogteaccenten komen van 6 bouwlagen. Deze bebouwing bestaat uit appartementen of stadswoningen. Het parkeren wordt op verschillende manieren opgelost, op maaiveld en op de binnenterreinen, al dan niet in gebouwde vorm. Daarbij bestaat de mogelijkheid om terrassen of groenvoorzieningen boven de parkeervoorzieningen aan te leggen, hetgeen bijdraagt aan de woonkwaliteit. In het westelijk deel komen naast woningen ook de detailhandel, horeca en maatschappelijke voorzieningen, in de vorm van een school en voorzieningen zoals een kinderdagverblijf.

De buurt bestaat uit buitenranden (aan de randen van het gebied en het Westerdijkpark) en binnenwerelden. Aan de buitenranden ontstaan grotendeels ononderbroken bouwblokken die op slechts een paar locaties onderbroken worden door de wegen die de binnenwerelden ontsluiten. Om een monotoon gevelbeeld te voorkomen is er variatie in de architectuur en wordt er gebruik gemaakt van verschillende gevelhoogtes. Bij de binnenwerelden kunnen wel onderbroken blokjes ontstaan, met eventueel verspringende rooilijnen. Hier kunnen voortuinen worden aangelegd.

Globale wijze van bestemmen
Voor de te ontwikkelen woningen zijn de bestemmingen 'Woongebied - 1' en 'Woongebied - 2' opgenomen, waarbij de maatvoering afgestemd is op het bovenstaande. Ook verblijfsgebied en tuinen zijn mogelijk in deze bestemming. De voorzieningen met daarboven woningen zijn bestemd als 'Gemengd - 2'.

Reijsendaal (2)

Reijsendaal wordt ontwikkeld als kleine woonbuurt met een lage dichtheid (10-20 woningen per hectare). Er komen in totaal maximaal 145 woningen, verdeeld over vier woonblokken die in de lengterichting langs de Van der Duijn van Maasdamweg liggen. Bij de woningen aan de Van der Duijn van Maasdamweg wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht met de bestaande woningen aan de andere zijde van de Van der Duijn van Maasdamweg. Er zijn met name grondgebonden woningen gepland, deze worden uitgevoerd in twee lagen met een kap of in drie lagen met een platte afdekking. Het zijn rijwoningen of twee-onder-één-kap woningen in kleine blokjes. De woningen zijn voorzien van een voortuin. Verder zijn er twee kleinschalige appartementengebouw gepland, uitgevoerd in drie of vier bouwlagen met terugliggende vierde dan wel vijfde laag, net als aan de zuidzijde van de weg. Aan de noordzijde van de bouwblokken zijn grondgebonden woningen voorzien, vrijstaande, twee-onder-één-kap woningen of rijwoningen, in twee lagen met kap of drie lagen zonder kap, Ze zijn eveneens voorzien van een voortuin.

Op basis van de plannen uit het verleden en op basis van het vorige bestemmingsplan waren ten noorden van deze bouwblokken ook woningen gepland. Hiervan is in het geactualiseerde masterplan afgezien vanwege de toekomstige te verwachten geluidscontouren geluidscontouren in het te nemen Luchthavenbesluit voor Rotterdam The Hague Airport. De gronden zijn nu aangewezen voor een kwekerij en/of nutstuinen. De bestaande groenstrook tussen deze gronden en het vliegveld blijft nu gehandhaafd.

Globale wijze van bestemmen
Voor de te ontwikkelen woningen zijn de bestemmingen 'Wonen - 4' t/m 'Wonen - 7' opgenomen, waarbij de maatvoering afgestemd is op het bovenstaande. De omliggende gronden zijn bestemd als 'Tuin - 1'. De nutstuinen of kwekerij zijn bestemd als 'Agrarisch - Tuinbouw' en de groenstrook als 'Groen'.

De Buitenplaats (3)

De Buitenplaats is één van de visitekaartjes van de nieuwe woonwijk en bestaat, zoals de naam al doet vermoeden, voornamelijk uit park. Slechts op vier locaties zal gebouwd worden. In het verleden maakte het park en de directe omgeving een verwaarloosde en anonieme indruk waardoor het weinig populair was. Door een nieuwe inrichting heeft het park een grote kwaliteitsimpuls gekregen. In 2006 is de randvoorwaardennota voor de bebouwing van De Buitenplaats vastgesteld (met actualisaties in 2014 en 2018) Het thema 'Buitenplaats' is gekozen als verwijzing naar de historische buitenplaatsen in de omgeving.

Het park

Het park is de afgelopen planperiode reeds op de schop de gegaan. In 2014 waren de werkzaamheden afgerond. De waterpartij is uitgebreid en van vorm veranderd, er is een heuvel aangelegd, de infrastructuur is volledig vernieuwd, er zijn drie bruggen aangelegd en er is een hertenkamp gekomen, alsmede diverse speelvoorzieningen. De hardlooproutes en ruiterpaden zorgen er voor dat het park ook gebruikt kan worden om te sporten. Een groot deel van het park is niet beplant met bomen en kan gebruikt worden als ligweide of speelterrein. Het westelijk deel van het park is qua hoofdopzet vrijwel onveranderd gebleven ten opzichte van de oude situatie en is overwegend bebost. Bijzonder is dat hier een natuurlijke waterbron ontspringt, de enige in Rotterdam. Het park is 25 hectare groot.

Bebouwing
Vier locaties in het park zullen in de toekomst bebouwd worden met drie woongebouwen, en één horecavoorziening, (vervallen naar aanleiding van uitspraak Raad van State) zie figuur 4.3. De woongebouwen bestaan uit een hoofdgebouw en twee ondergeschikte gebouwen (de bosrandvilla's), naar analogie van een traditionele buitenplaats. Het hoofdgebouw bestaat uit minimaal vier bouwlagen met eventueel een terugliggende vijfde laag, de bosrandvilla's zijn minimaal drie bouwlagen hoog met eventueel een terugliggende vierde laag. In het hoofdgebouw zijn maximaal 45 woningen gepland, in de bijgebouwen maximaal 20 woningen. Het totaal aantal woningen in de gebouwen bedraagt niet meer dan 70. De gebouwen in het park worden omzoomd door zogenaamde domeinen, die de overgang van park naar gebouw vormen met een representatief karakter vanwege de ligging in het park. Accenten bij de entrees van het park, zichtassen, het hertenkamp en de visvijver zorgen voor een verdere invulling van het thema 'Buitenplaats'. Het hoofdgebouw komt in de oksel van het Terletpad en Deelenpad nabij het water, de noordelijke bosrandvilla komt ten zuiden van de Van der Duijn van Maasdamweg nabij de aansluiting met het Pilotenpad en de zuidelijke bosrandvilla wordt gebouwd ter hoogte van de aansluiting van de Beekweg op het Terletpad.

Verder komt er nog een horecavoorziening in het park, aan het water in de oksel van het Terletpad en Deelenpad. De ligging aan het water biedt mogelijkheden voor een mooi terras. Voor de horecavestiging is een b.v.o. van maximaal 500 m² toegestaan, met een hoogte van maximaal 8 meter. Er zijn ook een aantal ondergeschikte functies toegestaan. (vervallen naar aanleiding van uitspraak Raad van State)

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1100Zestienhoven-va02_0013.jpg"

Figuur 4.3: ligging van de beoogde nieuwbouw. Het hoofdgebouw is aangeduid met '3', de twee bosrandvilla's met '4' en '5'. en de horecavoorziening met '6'. (vervallen naar aanleiding van uitspraak Raad van State)

Globale wijze van bestemmen
Het park en het water zijn respectievelijk bestemd als Groen en Water, waarbij paden algemeen mogelijk zijn binnen Groen, en bruggen algemeen mogelijk zijn binnen Water. De woongebouwen zijn bestemd als 'Wonen - 8' en 'Wonen - 9' en de omliggende tuinen zijn bestemd als 'Tuin - 2'. De horecavoorziening (met terras, parkeren en speelvoorzieningen) is met een functieaanduiding 'horeca' mogelijk gemaakt binnen de bestemming 'Groen'. (vervallen naar aanleiding van uitspraak Raad van State)

4.3 Park 16Hoven - (grotendeels) ontwikkeld

Vijverbuurt (4)

Vijverbuurt wordt begrensd door de Van der Duijn van Maasdamweg in het noorden, de achterzijde van de kavels aan de oostzijde van de Copernicuslaan in het oosten, de Beekweg in het zuiden en de vijver van De Buitenplaats in het westen. Het is de eerste woonbuurt die ontwikkeld werd (de ontwikkeling is gestart in 2006). Er zijn verschillende woningtypologieën te vinden in deze buurt: aan de Van der Duijn van Maasdamweg staan twee-onder-één-kap woningen, rijwoningen en appartementencomplexen, aan de Copernicuslaan staan twee-onder-één-kap woningen en vrijstaande woningen en in het meest westelijk deel en aan de Beekweg staan vrijstaande woningen op vrije kavels. De buurt is bijna afgebouwd, alleen de bouw van de projectmatige ontwikkeling aan de Buys Ballotlaan is nog niet voltooid en aan het van Leeuwenhoekhof liggen ook nog enkele kavels die nog bebouwd moeten worden. In totaal komen er ca. 140 woningen in Vijverbuurt. Het aantal bouwlagen varieert van twee tot vier, al dan niet afgedekt met een kap.

De filosofie van de lanen, binnengebieden en linten zoals beschreven in het Stedenbouwkundig plan is goed herkenbaar. De Buys Ballot- en Copernicuslaan refereren aan het oude poldergrid en hebben een continu karakter. De binnenwerelden worden gevormd door het van Leeuwenhoekhof en Linnaeushof en aangrenzende bebouwing. Deze hoven wijken qua opzet en materiaalgebruik af van de lanen en vormen meer kleinschalige binnenwerelden. De Beekweg met aangrenzende vrije kavels vormt tenslotte het lint.

Globale wijze van bestemmen

De reeds gerealiseerde planmatige woningen zijn voorzien van de bestemming 'Wonen - 1' waarbij het bestemmingsvlak strak om de hoofdmassa ligt. In de regels is bepaald dat de bebouwing uit twee lagen met een kap mag bestaan, uitzonderingen hierop zijn op de verbeelding aangegeven. De omliggende gronden zijn bestemd als 'Tuin - 1'. De nog niet gerealiseerde planmatige woningen hebben eenzelfde bestemmingslegging maar een ruimer bestemmingsvlak, dat is afgestemd op het Stedenbouwkundig Matenplan (SMP). De vrije kavels zijn ongeacht of ze al bebouwd zijn bestemd als 'Wonen - 3' en er is een bouwvlak opgenomen dat is afgestemd op de randvoorwaardennota voor de vrije kavels.

Bovenbeek (5)

Deze buurt wordt doorsneden door het HSL-tracé (met daar boven op het Westerdijkpark) en is daarom op te delen in een westelijk deel en een oostelijk deel. In 2011 is de ontwikkeling van deze buurt begonnen. Voor ieder deel is een aparte randvoorwaardennota vastgesteld, Bovenbeek 1e fase ten westen van het tracé (2007) en Bovenbeek 2e fase ten oosten van het tracé (2010). Bovenbeek 1e fase is geheel afgebouwd. Conform het Stedenbouwkundig plan is de dichtheid hier hoger dan in Vijverbuurt omdat de buurt verder naar het oosten ligt. Alle soorten woningentypen zijn aanwezig maar rijwoningen vormen de meerderheid. In de driehoek die wordt gevormd door de Van der Duijn van Maasdamweg, Tinbergenlaan en Westerdijkpark staat de basisschool Park 16hoven, aangevuld met andere maatschappelijke voorzieningen in de plint van het aangrenzende woongebouw. Aan de zijde van het Westerdijkpark is dit gebouw negen bouwlagen hoog om het zuidelijk deel van het centrum te markeren. De overige woningen bestaan uit twee t/m vijf bouwlagen, al dan niet afgedekt met een kap. Er zijn ca. 335 woningen gerealiseerd binnen Bovenbeek 1e fase.

Aan de andere zijde van het Westerdijkpark is Bovenbeek 2e fase in ontwikkeling. Het gedeelte met grondgebonden woningen (rijwoningen, twee-onder-één-kap woningen en vrijstaande woningen op vrije kavels met twee of drie bouwlagen) is reeds voltooid. Hier zijn ruim 80 woningen gerealiseerd. Evenwijdig aan het park zullen nog twee blokken gebouwd worden met een combinatie van rijwoningen en appartementen en een hoogte van drie of vier bouwlagen. In de driehoek die gevormd wordt door de Tinbergenlaan, Beekweg en het Westerdijkpark is aan de noordzijde nog ruimte voor een bijzonder type eengezinswoningen of appartementen in drie of vier bouwlagen. Langs de Beekweg wordt in de driehoek aansluiting gezocht bij de typologie van de kavels.

Globale wijze van bestemmen
Alle planmatige woningen hebben de bestemming 'Wonen - 1' waarbij het bestemmingsvlak strak om de hoofdmassa ligt (gerealiseerde woningen) dan wel is afgestemd op het SMP (nog niet-gerealiseerde woningen). Het maximum aantal bouwlagen bedraagt twee, tenzij anders is aangegeven op de verbeelding. Eventuele aan- en uitbouwen die niet meetellen voor de vergunningvrije bouwwerken zijn ook bestemd als Wonen en voorzien van een aparte maatvoeringsaanduiding indien deze lager zijn dan de hoofdmassa. De omliggende gronden zijn bestemd als 'Tuin - 1' indien er sprake is van omliggende gronden. De basisschool is bestemd als 'Maatschappelijk - 1', het aangrenzende woongebouw met maatschappelijke functies in de plint als 'Gemengd - 1'. De vrije kavels aan de Beekweg zijn bestemd als 'Wonen - 3' met een bouwvlak dat is afgestemd met de randvoorwaardennota Aangepaste stedenbouwkundige randvoorwaarden kavels Beekweg uit 2013. Het Westerdijkpark is bestemd als 'Groen'. Het ondergrondse HSL-tracé is bestemd door middel van de functieaanduiding 'tunnel' en de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - spoor'.

Rietzoom (6)

Rietzoom is het meest zuidelijke gebied binnen Park 16Hoven en is in ontwikkeling sinds 2014. Circa 20% van de buurt bestaat uit water, waardoor veel woningen met tuin of terras aan water grenzen. Het meest westelijke deel van Rietzoom bestaat uit 46 vrije kavels in een lage dichtheid rondom de Buys Ballotlaan. Deze kavels moeten nog ontwikkeld worden, al zijn de eerste kavels reeds verkocht en/of in ontwikkeling. De particuliere kavels voorzien in een behoefte om een huis naar eigen wens te kunnen bouwen. Deze doelgroep wil kavelindeling, woningtypologie en architectuur zoveel mogelijk zelf bepalen. Binnen een aantal ruimtelijke voorwaarden is dat op de particuliere kavels mogelijk. De ruimtelijke voorwaarden zijn vastgelegd in de randvoorwaardennota die voor dit gebied geldt (Particuliere kavels Rietzoom, vastgesteld in 2017) en hebben onder andere betrekking op de maximale bouwhoogte (12 m), het maximum bebouwd oppervlak (afhankelijk van de kavelgrootte) en het maximum bouwvolume.

Verder naar het oosten zijn medio 2018 vrijstaande en twee-onder-één-kap woningen met overwegend twee bouwlagen in aanbouw aan de Copernicuslaan. Aan het Albert Sabinhof en Jonas Salkhof staan twee-onder-één-kap woningen en rijwoningen. Direct ten oosten van het Westerdijkpark (Van der Waalslaan e.o.) zijn deze woningtypes ook te vinden. Het meest oostelijke deel van Rietzoom, de Tinbergenlaan en zijstraten, is medio 2018 grotendeels in aanbouw. De toekomstige woningen zijn allemaal vergund. Aan de Tinbergenlaan komen vrijstaande woningen, twee-onder-één-kap woningen en appartementen in maximaal vier bouwlagen, aan de zijstraten worden rijwoningen gebouwd in twee of drie bouwlagen.

Globale wijze van bestemmen
Vrijwel alle woningen (gerealiseerd en niet gerealiseerd) zijn voorzien van de bestemming 'Wonen - 1' waarbij dezelfde systematiek als bij Bovenbeek gehanteerd is. De vrije kavel-woningen rondom de Buys Ballotlaan zijn bestemd als 'Wonen - 2'. De omliggende gronden zijn bestemd als 'Tuin - 1' indien er sprake is van omliggende gronden. Het Westerdijkpark en de HSL zijn op dezelfde manier bestemd als binnen Bovenbeek.

Hoog Zestienhoven (7)

Hoog Zestienhoven is het gebied dat globaal omsloten is door het vliegveld, het HSL-tracé en de Woensdrechtstraat. Circa de helft van dit gebied is in gebruik als bedrijventerrein, verder is er een volkstuinencomplex en manege, alsmede onbebouwd terrein. Een opvallend element zijn de zogenaamde 'Skaeve Huse' aan de Soesterbergstraat. De gronden tussen de Bovendijk, Soesterbergstraat en Teugeweg maken wel onderdeel uit van Hoog Zestienhoven, maar niet van dit bestemmingsplan. Hier worden enkele functies ontwikkeld in het kader van de circulaire economie. Deze worden mogelijk gemaakt met een aparte ruimtelijke procedure.

De Fairoaksbaan is de belangrijkste ontsluitingsweg van het gebied. Het bedrijventerrein ligt overwegend ten noorden van deze weg en is ontsloten door de Hatostraat, Volkelstraat en Gilze-Rijenstraat. Ten zuiden van de Fairoaksbaan ligt ook een klein deel van het bedrijventerrein. Op beide delen zijn bedrijven t/m categorie 3.2 of 3.1 toegestaan, met een maximum bouwhoogte die varieert van 9 t/m 15 meter. Er zijn diverse soorten bedrijven aanwezig, waaronder groothandel, technische bedrijven, expeditie- en transportbedrijven, voedselindustrie en autosloperijen.

Met de vaststelling van het vorige bestemmingsplan is het bedrijventerrein destijds iets uitgebreid met twee kavels tussen de Volkelstraat, Gilze-Rijenstraat en Hatostraat. Deze kavels zijn medio 2018 ongeveer voor de helft bebouwd of in ontwikkeling. Voor de kavels is in 2005 een randvoorwaardennota vastgesteld met een stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitseisen. In verband met ligging aan de Fairoaksbaan, de nieuwe oostelijke ontsluiting van de luchthaven, moesten de kavels een hoogwaardige uitstraling krijgen. In de randvoorwaardennota zijn onder andere voorwaarden gesteld aan afstand van de rooilijn, bouwen in de rooilijn, terreininrichting, parkeren en bouwhoogte. Op deze bedrijfskavels worden bedrijven in categorie t/m 3.1 en 3.2 toegestaan, maar geen autosloperijen.

Direct ten zuiden van deze twee bedrijfskavels, aan de andere zijde van de Fairoaksbaan, ligt een stuk grond met een oppervlakte van ca. 3,5 ha. Deze gronden worden conform het geactualiseerde masterplan ontwikkeld ten behoeve van circulaire economie (zie ook paragraaf 4.1). Ook worden hier naar verwachting de gebouwen gerealiseerd die bij de stadskwekerij horen, alsmede een bomendepot. Deze functies moeten verhuizen vanwege het project Nieuw Kralingen.

Globale wijze van bestemmen

De gronden ten behoeve van circulaire economie worden bestemd als 'Bedrijf - 4'. De rest van het bestaande bedrijventerrein, met inbegrip van de kavels tussen de Volkelstraat, Gilze-Rijenstraat en Hatostraat, zijn bestemd als 'Bedrijf - 1', 'Bedrijf - 2' of 'Bedrijf - 3'. De maximum bouwhoogte is op de verbeelding opgenomen. De manege en de volkstuinen zijn respectievelijk bestemd als 'Recreatie' en 'Recreatie - Volkstuin'. Het complex met de Skaeve Huse aan de Soesterbergstraat is bestemd als 'Wonen - 1', 'Tuin - 1' en 'Maatschappelijk - 2' (voor de beheerderswoning) en het HSL-tracé is hetzelfde bestemd als in de eerder genoemde deelgebieden.

4.4 Overige gebieden

Noordwestelijke punt (8)

De noordwestelijke punt van het plangebied ligt ingeklemd tussen de A13, de Doenkade en het vliegveld en bestaat overwegend uit agrarisch gebied en natuur. Een groot deel van dit deelgebied bestaat uit water, dit zijn de Overschiese Plasjes die zijn overgebleven na het steken van turf in het verleden. Bebouwing en stedelijke functies zijn schaars in dit gebied. Aan de Achterdijk is een hotel aanwezig met daarnaast een medische kliniek. Op korte afstand hiervan staat een rijtje van achter voormalige bedrijfswoningen en iets ten zuiden daarvan ligt het perceel Achterdijk 1.

Op dit perceel is een leegstaande woning aanwezig en niet-courante bedrijfsbebouwing. Onderzocht is of een ruimere bestemming mogelijk is. Voor dit perceel is een bedrijfsbestemming opgenomen waarbinnen bedrijven t/m categorie 2 zijn toegestaan, alsmede een (bedrijfs)woning (de bestaande woning of een nieuwe woning ter vervanging van deze woning). Voor de woning is de maatvoering van de huidige woning opgenomen. Het bebouwingspercentage is afgestemd op het nu aanwezige metrage (bedrijfs) bebouwing plus een kleine marge. Indien de huidige bebouwing gesloopt wordt is dit percentage aan nieuwbouw toegestaan. Als de huidige woning gesloopt wordt en er geen bedrijfswoning wordt teruggebouwd mag het toegestane metrage volledig aangewend worden voor bedrijfsbebouwing.

Landzicht en Laag Zestienhoven (9)

Na aanleg van de Rijksstraatweg (de latere A13) en de eerste bedrijven en recreatievoorzieningen, is in de periode 1940-1942 het nooddorp Landzicht aangelegd. Circa 20 jaar later is ten zuidoosten een tweede woonbuurt aangelegd, Laag Zestienhoven. Landzicht bestaat uit 200 (nood)woningen in één bouwlaag en Laag Zestienhoven bestaat uit 120 woningen in twee bouwlagen. Over beide buurtjes is meer te lezen in paragraaf 3.1.1. In beide buurtjes zijn nauwelijks voorzieningen, in Landzicht is een snackbar aanwezig en in Laag Zestienhoven een buurthuis dat al ruime tijd leeg staat. Het buurthuis is recentelijk verkocht en wordt gesloopt. Op de locatie worden nieuwe woningen gebouwd. Deze ontwikkeling volgt een eigen ruimtelijke procedure en de gronden maken dan ook geen onderdeel uit van het plangebied. Verder zijn nog een kleinschalig agrarisch bedrijf aan de Achterdijk 10, een voetbalveld en een kleinschalig volkstuinencomplex aanwezig binnen dit gebied.

Volkstuinencomplexen en IJskelder (10)

Dit deelgebied bestaat voornamelijk uit volkstuincomplexen. Er zijn twee volkstuinverenigingen aanwezig: VTV Blijdorp en VTV Zestienhoven. Het eerstgenoemde complex is opgericht in 1934 en bestaat uit 170 tuinen met een oppervlakte van gemiddeld 300 m². Naast de privétuinen zijn er een aantal gemeenschappelijke thematuinen, zoals een vlindertuin, kruidentuin en fruittuin. VTV Zestienhoven is met 178 tuinen van vergelijkbare grootte en ook hier zijn naast de privé tuinen openbare thematuinen aanwezig. En deel van VTV Zestienhoven heeft moeten wijken voor de nieuwbouwwijk. De gebouwtjes op het complex, één per tuin, hebben een vloeroppervlak van ca. 30 m² en bestaan uit één bouwlaag. Verder staan op beide complexen nog enkele gemeenschappelijke gebouwen.

Ten westen van de complexen ligt het natuurgebied de IJskelder. Ooit was dit veenweide-natuurgebied het laagste gedeelte van de polder. De naam is ontstaan omdat de boeren hier vroeger hun melk koel hielden met ijsblokken. Er komen diverse beschermde plant- en diersoorten voor.

Sportpark Zestienhoven (11)

Het sportpark is geopend in 2009 en huisvest twee voetbalverenigingen met ieder hun eigen velden, kantines en kleedkamers. Er zijn twee kunstgrasvelden aanwezig en vier gewone grasvelden. Al sinds de jaren '30 zijn er binnen het plangebied sportvelden en -complexen aanwezig, met name in Midden Zestienhoven. In de jaren '60 zijn er uitbreidingen bijgekomen en tot aan de start van de gebiedsontwikkeling bestond het circa een kwart van het plangebied uit sportvelden en -complexen, en met inbegrip van de in onbruik geraakte sportvelden een nog groter deel van het plangebied. De zes huidige velden zijn gerealiseerd op basis van het Masterplan Plus (2004).

Zuidelijke uitloper (12)

De meest zuidelijke punt van het plangebied bestaat ten noorden van de Overschiese Kleiweg uit het ondergrondse HSL-tracé met de daar bij behorende gebouwde voorzieningen. Op maaiveld bestaat het tracé uit groen met een fietspad. Andere bebouwing dan de HSL-voorzieningen komt niet voor. Ten zuiden van de Overschiese Kleiweg begint de HSL-tunnel, in dit gebied loopt de HSL dan ook deels boven en deels onder maaiveld. De omliggende gronden daar hebben een agrarische functie en bebouwing komt hier evenmin voor.

Direct ten noorden van de Overschiese Kleiweg en ten oosten en westen van de HSL-tunnel was in het vorige bestemmingsplan de bestemming 'Gemengde Doeleinden III Uit te werken' opgenomen, waarbinnen woningen, sport en recreatie mogelijk zijn. Deze bestemming is in dit bestemmingsplan ten westen van de HSL omgezet in 'Wonen - Uit te werken'. Op basis van een vastgesteld uitwerkingsplan zijn hier 5 tot 7 woningen toegestaan met een hoogte van twee bouwlagen met kap. De uit te werken bestemming ligt op 20 meter afstand van de tunnelbak van de HSL.

Ten oosten van de HSL is de uit te werken bestemming omgezet in de bestemming 'Groen', conform het huidige gebruik. Deze gronden grenzen aan het terrein van de voormalige voetbalclub AVS-Germinal direct ten oosten van het plangebied, die gefuseerd is en de locatie aan de Overschiese Kleiweg heeft verlaten. Op termijn zal het voormalige complex van AVS-Germinal herontwikkeld worden en de gronden direct ten oosten van de HSL (binnen het plangebied) zullen ook onderdeel worden van deze herontwikkeling. Wanneer de herontwikkeling concreet wordt zal daarvoor een apart projectbestemmingsplan worden opgesteld. Omwonenden zullen in de vroege planfase worden betrokken bij het opstellen van het ruimtelijk en programmatisch kader.

G.K. van Hogendorpweg en omgeving (13)

Dit gebied betreft het meest oostelijke deel van dit bestemmingsplan. De G.K. van Hogendorpweg -een belangrijke verbinding tussen de A20 en de Doenkade- is prominent aanwezig. De Fairoaksbaan en Van der Duijn van Maasdamweg sluiten aan op deze weg, waardoor het belangrijkste ontsluiting voor de nieuwe woonwijk is. Ook de route Overschiese Kleiweg - Bovendijk loopt door dit gebied. Er staan acht rijtjes vooroorlogse woningen aan deze route ter hoogte van het Limburg Stirumplein. In de meest noordelijke punt ligt een klein natuurgebied met water. Ten zuiden daarvan en direct ten noorden van de Fairoaksbaan staat een groot kantoorcomplex en ligt het parkeerterrein van transferium Meijersplein. Het Randstadrail-station zelf ligt net buiten het plangebied. Ten zuiden van de Fairoaksbaan is een sociale werkplaats aanwezig. Het complex bestaat voornamelijk uit kassen waar allerlei planten gekweekt worden door mensen met een arbeidsbeperking. De rest van het gebied bestaat overwegend uit groen en infrastructuur.

Hoofdstuk 5 Planbeschrijving

5.1 Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft het nieuwe bestemmingsplan Zestienhoven. In paragraaf 5.2 wordt de opzet van het plan beschreven. Paragraaf 5.3 betreft de juridische planbeschrijving, waarin de regels uitgelegd worden.

5.2 Opzet van het plan

De doelstelling van het nieuwe bestemmingsplan is een planologisch en juridisch kader voor de nog te ontwikkelen en reeds ontwikkelde delen van Park 16Hoven en het aangrenzende gebied. In algemene zin bevat dit bestemmingsplan daarom verschillende systematieken. Voor de nog te ontwikkelen gebieden Reijsendaal, Hof van Maasdam en Buitenplaats zijn ruime, ontwikkelingsgerichte bestemmingen opgenomen die eventueel gekoppeld zijn aan een maximaal programma. De vrije kavels hebben ook een ruimere bestemming die is afgestemd op de bouwmogelijkheden die bij de kavels geboden worden. De reeds ontwikkelde delen van de woonwijk en de rest van het plangebied hebben een meer strakke bestemmingslegging. Hier onder wordt per bestemming dieper ingegaan op de mogelijkheden.

5.3 Juridische planbeschrijving

5.3.1 Parkeerregeling (geldt voor meerdere bestemmingen)

Dynamische verwijzing

Op 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening 2010 van de gemeente Rotterdam, waaronder de voorschriften over parkeernormen, komen te vervallen. Dat betekent dat er vanaf dat moment niet meer getoetst kan worden aan die voorschriften en er dus geen parkeernormen meer gelden. Gelet daarop, is er op 1 februari 2018 over parkeren beleid vastgesteld. Het betreft de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” (hierna: de beleidsregeling). De beleidsregeling is op 21 februari 2018 in werking getreden. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto's én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken.

Om aan dit beleid te kunnen toetsen is er in het bestemmingsplan in artikel 55.1 een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. De bepaling is vormgegeven als een zogenaamde “dynamische verwijzing”. Dat wil zeggen dat er alleen wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor fietsers en auto's conform het in de gemeente Rotterdam geldende parkeerbeleid. In de bepaling wordt niet expliciet verwezen naar de hiervoor genoemde beleidsregeling. Dat is een bewuste keuze. Op het moment van tot stand komen van dit bestemmingsplan is de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” het geldende beleid waaraan getoetst moet worden. Dit beleid kan in de toekomst echter wijzigen. Om ook aan een eventuele wijziging van het beleid van de gemeente Rotterdam te toetsen, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is de beleidsregeling niet expliciet genoemd of bijgevoegd. Met de bepaling is bedoeld dat er bij het verlenen van een omgevingsvergunning voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor auto's en fietsen op basis van parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam dat geldt op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning.

Beleidsregeling

De op dit moment geldende “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” is via de volgende link te raadplegen:

http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Rotterdam/486392/486392_1.html

De desbetreffende beleidsregeling geeft parkeernormen voor zowel auto's als fietsen. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruiken van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling als bijlage is opgenomen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan (geheel of gedeeltelijk) worden afgeweken. Tevens kan er vrijstelling van de parkeereis worden verleend. In de beleidsregeling wordt beschreven onder welke omstandigheden daar sprake van is.

In de regels van de vrije kavels is, los van het parkeerbeleid, expliciet bepaald dat er per woning twee parkeerplaatsen op eigen terrein aangelegd moeten worden.

5.3.2 Maximale bouwhoogte (geldt voor meerdere bestemmingen)

Maximum aantal bouwlagen

Voor de meeste bestemmingen die wonen mogelijk maken en bij de gemengde- en kantoorbestemmingen geldt dat de maximale bouwhoogte wordt uitgedrukt in aan maximum aantal bouwlagen.
Bij de meest voorkomende woonbestemming ('Wonen - 1') is in de regels bepaald dat twee bouwlagen zijn toegestaan indien geen aanduiding 'maximum aantal bouwlagen' op de verbeelding is opgenomen. Als op de verbeelding wel een aanduiding voor het aantal bouwlagen is toegestaan dan geldt het aangeduide aantal als maximum. Bij de bestemmingen 'Wonen - 4' t/m 'Wonen - 9' en Wonen - Uit te werken is het aantal bouwlagen in de regels beschreven en zijn geen aanduidingen op de verbeelding opgenomen. Bij de bestemmingen Gemengd - 1, Gemengd - 2, Woongebied - 1, Woongebied - 2 en Kantoor is het toegestane aantal bouwlagen wel op de verbeelding opgenomen.

Ongeacht het aantal bouwlagen is bovenop het maximum aantal bouwlagen nog een kap, vliering, zolder of dakopbouw binnen het theoretisch kapprofiel toegestaan, tenzij de bouwaanduiding 'plat dak' op de verbeelding is opgenomen of in de regels bepaald is dat de gebouwen plat afgedekt moeten worden. Met 'theoretisch kapprofiel' wordt de ruimte binnen een kap met schuine zijden bedoeld, waarvan de hellingshoek ten minste 20 en maximaal 60 graden bedraagt, en de hoogte maximaal 4 meter. Bij sommige bestemmingen is bepaald dat een extra bouwlaag is toegestaan maar dat de mogelijkheid voor een kap dan komt te vervallen. Ook is in sommige gevallen in de regels ogenomen dat een extra bouwlaag is toegestaan indien deze terugliggend wordt uitgevoerd.

Maximum bouwhoogte

Bij de bestemmingen 'Wonen - 2' en 'Wonen - 3' (ter plaatse van de vrije kavels) wordt de maximale bouwhoogte in de regels uitgedrukt in meters in plaats van een aantal bouwlagen. Bij de bestemmingen Agrarisch, Bedrijf - 1 t/m Bedrijf - 4, Bedrijf - Nutsvoorziening, Horeca - Hotel, Maatschappelijk - 1, Maatschappelijk - 2, Recreatie en Sport - Sport- en speelterrein is de maximum bouwhoogte in meters aangegeven op de verbeelding. De maximum bouwhoogte in meters voor de overige bestemmingen is bepaald in de regels.

5.3.3 Dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen (algemeen)

Dubbelbestemmingen

Een zogenaamde dubbelbestemming regelt een medegebruik van gronden naast het primaire gebruik. Een dubbelbestemming kan meerdere enkelbestemmingen overlappen. Vaak is dit een niet-tastbaar gebruik of een beschermende regeling zoals een archeologische verwachtingswaarde of de beschermingszone van een waterkering. Ook is er sprake van een rangorde tussen de enkel- en dubbelbestemming. In dit bestemmingsplan komen de volgende dubbelbestemmingen voor:

'Waarde - Archeologie 1', 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' zijn opgenomen ten behoeve van de bescherming van eventuele archeologisch waardevolle resten in de bodem. De regeling gaat uit van een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek wanneer er vanaf een bepaalde diepte onder NAP bodemverstorende werkzaamheden met een bepaalde oppervlakte worden uitgevoerd. Deze onderzoeksverplichting geldt ter plaatse van Waarde - Archeologie 1 voor bodemverstorendwerkzaamheden van 100 m² of groter én dieper dan 0,3 meter beneden NAP. Voor Waarde - Archeologie 2 is dit respectievelijk 100 m² of groter én dieper dan 0,5 meter beneden NAP, en voor waarde - Archeologie 3 geldt een oppervlakte van 100 m² of groter en een diepte van 1 meter beneden NAP.

Om de cultuurhistorische waarden van een aantal gebouwen en complexen te beschermen is op een aantal locaties de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie 2' opgenomen. Zie hiervoor paragraaf 3.1.3

'Waterstaat - Waterkering' en 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie' zijn respectievelijk opgenomen om de waterkering van de Polder Zestienhoven te beschermen en om de onderhoudsstrook van 5 meter aan weerszijden van een aantal hoofdwatergangen te waarborgen. Beide dubbelbestemmingen bevatten een bouwverbod waar bij vergunning van af kan worden geweken.

Gebiedsaanduidingen

Er komen vijf gebiedsaanduidingen voor in dit plan. De 'Vrijwaringszone - dijk' is opgenomen ter plaatse van de beschermingszone van de waterkering van de Polder Zestienhoven. Deze sluit aan op de eerder genoemde dubbelbestemmingn ten behoeve van de waterkering en bevat een bouwverbod waar bij vergunning van kan worden afgeweken. De 'Vrijwaringszone - spoor' bevat eveneens een bouwverbod en is opgenomen aan weerszijden van de HSL. Binnen de vrijwaringszones mag wel gebouwd worden ten behoeve van de waterkering cq. de ondergrondse spoorbanen en bijbehorende voorzieningen.

De gebiedsaanduiding 'Luchtvaartverkeerzone' is opgenomen ter plaatse van de 35 Ke-contour en sluit nieuwe geluidgevoelige objecten uit. Ten slotte is nog 'Geluidzone - industrie' opgenomen ter plaatse van de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein RTHA. Geluidsgevoelige objecten binnen deze zone zijn alleen toegestaan wanneer voldaan kan worden aan de Wet geluidshinder. Overigens maakt dit bestemmingsplan geen nieuwe geluidgevoelige objecten of functies mogelijk binnen één van beide contouren.

Ter plaatse van de P+R aan het Meijersplein is de gebiedsaanduiding wetgevingzone - wijzigingsgebied opgenomen. Na vaststelling van een wijzigingsplan is een extra parkeerdek mogelijk waardoor er een tweelaagse parkeervoorziening gerealiseerd kan worden.

5.3.4 Agrarisch

Direct ten noorden van Reijsendaal komt waarschijnlijk de gemeentelijke stadskwekerij die vanwege nieuwbouw de huidige locatie in het Kralingse Bos moet verlaten. De gronden waar het depot komt zijn bestemd als 'Agrarisch - Tuinbouw'. In de bestemmingsregels zijn een stadskwekerij en nutstuinen mogelijk gemaakt. Verder ligt aan de Achterdijk 10 een perceel met de bestemming 'Agrarisch'. Binnen deze bestemming is de uitoefening van een agrarisch bedrijf toegestaan en mogen bouwwerken zoals een schuur of stal gebouw worden. Hiervoor is een maximum bouwhoogte opgenomen (6 meter) en een maximum bebouwingspercentage (10%).

5.3.5 Bedrijven

Dit bestemmingsplan bevat vier bedrijfsbestemmingen. 'Bedrijf - 1' maakt bedrijven t/m categorie 2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten mogelijk, 'Bedrijf - 2' maakt bedrijven t/m categorie 3.1 mogelijk, 'Bedrijf - 3' staat bedrijven t/m categorie 3.2 toe en 'Bedrijf - 4' is opgenomen voor bedrijvigheid die is toegespitst op circulaire economie, alsmede de bebouwing van de stadskwekerij en het bomendepot. Binnen de bestemming 'Bedrijf - 2' zijn twee maatbestemmingen opgenomen voor bedrijven die een afwijkende milieucategorie hebben, ook zijn voor drie bedrijven uitsterfconstructies opgenomen. Uitleg hierover is te vinden in paragraaf 7.3.1.

Ten slotte bevat dit plan ook nog de bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening'. Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van het gemaal aan de Achterdijk 4. Kleinere nutsvoorzieningen (tot 80 m3), zoals transformatorhuisjes en gemaaltjes, zijn niet apart bestemd maar algemeen mogelijk in bestemmingen voor de openbare ruimte.

5.3.6 Gemengde bebouwing

Het bestemmingsplan bevat twee gemengde bestemmingen. 'Gemengd - 1' is opgenomen in de oksel van de Van der Duijn van Maasdamweg en Tinbergenlaan (Bovenbeek 1e fase) en maakt wonen, kantoren (maximaal 500 m² per vestiging) en geluidgevoelige maatschappelijke voorzieningen mogelijk. De woningen mogen op elke verdieping aanwezig zijn, de kantoren alleen in de plint en de maatschappelijke voorzieningen alleen in de plint en op de eerste verdieping.

'Gemengd - 2' is opgenomen in de zuidoostelijke hoek van Hof van Maasdam. Er zijn verschillende functies mogelijk, en omdat het een ontwikkelingsgerichte bestemming is, zijn de functies gekoppeld aan een maximum programma: 150 woningen, 5.000 m² maatschappelijke voorzieningen, 750 m² detailhandel en 150 m² horeca. In het grootste deel van Hof van Maasdam met deze bestemming mag tot vier bouwlagen hoog gebouwd worden, op twee locaties zijn echter hoogteaccenten van twaalf en zes bouwlagen toegestaan.

5.3.7 Groen

Structurele groengebieden zoals het park, de oevers langs watergangen en het Johanna Westerdijkpark zijn bestemd als 'Groen'. Binnen deze bestemming zijn ook voet- en fietspaden, auto-ontsluitingen en speeltoestellen toegestaan. Ook is de aanleg van nieuwe waterpartijen, watergangen en waterberging mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming). De groenbestemming biedt bouwmogelijkheden voor zaken als straatmeubilair en kleine nutsvoorzieningen mist deze een beperkte omvang hebben.

Binnen de groenbestemming zijn nog een aantal aanduidingen opgenomen om medegebruik te regelen. De horecagelegenheid van maximaal 500 m² in het park is mogelijk gemaakt met de aanduiding 'horeca'. Ter plaatse van deze aanduiding zijn ook voorzieningen mogelijk voor sport en recreatie, zoals voorzieningen voor de verhuur van waterfietsen. Ondergeschikt aan de horeca, waarbij de nadruk ligt op eten en drinken, is ook de verkoop van afhaalmaaltijden en de kleinschalige verkoop van overige producten toegestaan. Hierbij moet gedacht worden aan een verkoopstalletje of hoekje met zelfgeteelde groente, zelfgemaakte jam, boekjes, kinderspeelgoed enzovoort. Verder is het geven van cursussen en workshops ondergeschikt mogelijk, net als de verhuur van ruimten voor buurtactiviteiten, feesten en bruiloften. Het gaat er bij de hierboven genoemde zaken nadrukkelijk om dat ze ondergeschikt zijn aan de horeca. Het is dus niet toegestaan hier een solitaire winkel te openen zonder dat deze onderdeel uitmaakt van een horecagelegenheid, ook een zelfstandig zalencentrum is niet toegestaan. Eén en ander zal ook in de exploitatievergunning geregeld worden. (vervallen naar aanleiding van uitspraak Raad van State)

Andere aanduidingen binnen de groenbestemming zijn voor een opslag- en hondentrainterrein (aanduiding 'opslag') en de tunnel van de HSL (aanduiding 'tunnel'). Ter plaatse van de HSL-tunnel is verder de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - spoor' opgenomen, die een vergunningstelsel bevat voor werkzaamheden vanwege de spoortunnel.

5.3.8 Hoogtebeperkingen door aanvliegroute Rotterdam Airport

Aandacht gaat uit naar het obstakelvrij houden van de aanvliegroutes. Door provincie en gemeenten wordt al gewerkt met de 'obstakelvrije zones' (ook wel Runway-End Safety Areas (RESA) genoemd). Een wettelijke verplichting ontbreekt echter nog. Momenteel is echter een aanpassing van de Luchtvaartwet in voorbereiding, waardoor in de toekomst ook voor regionale en kleine luchthavens een Luchthavenindelingsbesluit zal worden opgesteld. Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen de aanvliegroute van Rotterdam Airport. In verband met de vliegveiligheid geldt er binnen de aanvliegroute een hoogtebeperking voor gebouwen en andere bouwwerken.

De noordoostelijke en noordwestelijke punt liggen binnen een aanvliegroute waar de strengste beperkingen gelden. In deze zones worden geen nieuwe bouwmogelijkheden geboden, alleen de bestaande situatie en hoogte is bestemd. Ook evenwijdig aan de landingsbaan van RTHA gelden redelijk strenge beperkingen. De zone waar beperkingen gelden ligt voor een deel over het plangebied en reikt globaal gezien tot (het verlengde van) de noordelijke kavelgrenzen van de bedrijfspercelen ten noorden van de Volkelstraat. Binnen deze zone worden evenmin nieuwe bouwmogelijkheden geboden en is de bestaande situatie en hoogte bestemd. Aansluitend op deze zone ligt een zone waar beperkingen gelden voor bebouwing hoger dan 45 m. Deze zone ligt over het gehele plangebied. Dit bestemmingsplan biedt echter geen bouwmogelijkheden hoger dan 40 m waardoor er ook geen strijdigheid is met deze contour. De bouwmogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt zijn dus niet van invloed op de vliegveiligheid.

5.3.9 Hoogtebeperkingen door toetsingsvlakken Luchtverkeersleiding Nederland

Naast de in paragraaf 5.3.8 genoemde hoogtebeperkingen als gevolg van aanvliegroutes gelden er ook hoogtebeperkingen vanwege de communicatie- en navigatie installaties van de Luchtvaartverkeersleiding Nederland (LVNL) op of nabij RTHA. Over het plangebied liggen daarom toetsingsvlakken. Om de kwaliteit van de communicatie- en navigatieapparatuur van de LVNL te waarborgen dient de bebouwing in beginsel onder de corresponderende hoogte van het toetsingsvlak te blijven. Als beoogde nieuwe bebouwing de toetsingsvlakken doorsnijdt moet de ontwikkelende partij advies advies inwinnen bij de LVNL over het effect van de uitvoering van deze plannen, zodat er voor gezorgd wordt dat de apparatuur correct blijft werken.

De toetsingsvlakken liggen over grote delen van het plangebied en hier maakt het bestemmingsplan op sommige locaties een grotere bouwhoogte mogelijk dan is toegestaan op basis van de vlakken. Daarom is in artikel een 52.11 een regeling opgenomen die een bouwverbod bevat voor hogere bouwhoogtes. Hiervoor wordt verwezen naar Bijlage 3, een kaart waarop alle toetsingsvlakken met de bijbehorende hoogtebeperkingen staan weergeven. Wanneer een bouwplan de in de bijlage aangegeven hoogte overschrijdt kan B&W afwijking verlenen van het bouwverbod, mits de ontwikkelende partij advies heeft ingewonnen bij de Luchtverkeersleiding Nederland of een daarvoor in de plaats tredende instantie over het effect van de doorsnijding van het toetsingsvlak op de correcte werking van de LVNL-apparatuur. Hoger bouwen in deze zone is dus mogelijk, mits de betreffende instanties akkoord zijn.

5.3.10 Horeca

In de 'Horecanota Rotterdam' worden de hoofdlijnen van het horecabeleid in de gemeente Rotterdam beschreven, zie paragraaf 2.3.4. De uitwerking per gebied is vastgelegd in de Horecagebiedsplannen, zie hiervoor paragraaf 2.4.2.

In dit bestemmingsplan is op twee locaties (vervallen naar aanleiding van uitspraak Raad van State) horeca mogelijk gemaakt, in het park en (vervallen naar aanleiding van uitspraak Raad van State)  binnen Hof van Maasdam. Op de eerstgenoemde locatie is de horeca met bijbehorende voorzieningen (zoals een terras, speelvoorzieningen en parkeerplaatsen) mogelijk ter plaatse van de aanduiding 'horeca' binnen de bestemming 'Groen'. In de regels is verder bepaald dat het b.v.o. maximaal 500 m² mag bedragen en de bouwhoogte maximaal 8 meter mag bedragen. (vervallen naar aanleiding van uitspraak Raad van State) De horeca in Hof van Maasdam is mogelijk gemaakt binnen de bestemming 'Gemengd - 2' en mag 150 m² b.v.o. bedragen.

Het type horeca, openingstijden, specifieke activiteiten en dergelijke zijn niet geregeld in het bestemmingsplan. Dergelijke zaken worden geregeld in de exploitatievergunning. voor de twee locaties. (vervallen naar aanleiding van uitspraak Raad van State) 

5.3.11 Horeca - Hotel

Direct ten westen van RTHA staat een hotel, dit is bestemd als Horeca - Hotel. In het hotel aanwezige horeca zoals een restaurant of bar is ook mogelijk binnen deze bestemming. Deze zaken zijn dus niet apart geregeld door middel van een aanduiding 'horeca'.

5.3.12 Kantoren

Kantoren zijn binnen verschillende bestemmingen toegestaan. Binnen de vier bedrijfsbestemmingen zijn bedrijfsgebonden kantoren toegestaan, mits ze niet meer dan 50% van het bruto vloeroppervlak innemen, en met een maximum van 3.000 m². Op het bedrijventerrein ten noorden van de Fairoaksbaan zijn ook een aantal zelfstandige kantoren aanwezig, deze zijn voorzien van een functieaanduiding. Nieuwvestiging van zelfstandige kantoren op het bedrijventerrein is niet wenselijk en daarom ook niet mogelijk op basis van de regels.

Zelfstandige kantoren zijn wel toegestaan binnen de bestemming 'Gemengd - 1', uitsluitend op de begane grond en maximaal 500 m² b.v.o. Verder zijn kantoren mogelijk binnen de bestemming 'Kantoor' die is opgenomen aan de Soesterbergstraat. Hier gelden geen restricties ten aanzien van de verdieping of oppervlakte.

5.3.13 Maatschappelijke voorzieningen

Onder maatschappelijke voorzieningen worden voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, cultuur, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening verstaan. Deze voorzieningen kunnen wel of niet geluidsgevoelig zijn volgens de Wet geluidhinder. Geluidsgevoelige voorzieningen zijn bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, terwijl buurthuizen of kerkgebouwen niet geluidsgevoelig zijn.

In dit bestemmingsplan zijn in de bestemming 'Maatschappelijk - 1' zowel geluidsgevoelige als niet geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Dit betekent dat een functie die past in deze definitie zonder planwijziging vervangen kan worden door een andere functie binnen deze definitie.

In de bestemming 'Maatschappelijk - 2' zijn alleen de niet geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Deze bestemming komt voor ter plaatse van de revalidatiekliniek nabij het vliegveld en is opgenomen voor het beheergebouw van de bijzondere woningen aan de Soesterbergstraat.

5.3.14 Sport en recreatie

Nabij Landzicht en ten noordwesten van Reijsendaal zijn een aantal sportvelden aanwezig, deze zijn bestemd als 'Sport - Sport- en speelterrein'. Er mogen alleen in de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd, zoals kleedkamers en lichtmasten. De maximum bouwhoogte van gebouwen is aangegeven op de verbeelding, evenals het maximum bebouwingspercentage. De maximum bouwhoogte voor overige zaken, niet zijnde gebouwen, is opgenomen in de regels.

Verder is er nog een manege aanwezig ten noorden van de Volkelstraat, hiervoor is de bestemming 'Recreatie' opgenomen. De maximum bouwhoogte is aangeduid op de verbeelding en het maximum bebouwingspercentage is opgenomen in de regels (5%).

5.3.15 Tuinen

Er zijn twee tuinbestemmingen opgenomen in dit bestemmingsplan.
'Tuin - 1' is opgenomen voor de 'reguliere' voor- en achtertuinen. Binnen deze bestemming zijn naast tuinen ook parkeervoorzieningen, aanbouwen en uitstekende delen van woningen toegestaan, net als bouwwerken zoals erfafscheidingen. Voor aanbouwen zijn regels met betrekking tot de maximale maatvoering opgenomen. Daarnaast zijn de zogenaamde vergunningsvrije bouwwerken toegestaan, zie paragraaf 5.3.16.
'Tuin - 2' is uitsluitend opgenomen rondom de woongebouwen in De Buitenplaats. Het verschil met 'Tuin - 1' is dat er in deze bestemming geen gebouwen zijn toegestaan.

5.3.16 Uitbreiding/bebouwing op het achtererfgebied

Op 1 november 2014 is Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bijlage II Bor) gewijzigd. In dit besluit is onder meer het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied geregeld. De wijziging van 1 november 2014 heeft ertoe geleid dat het bouwen van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied (op grond van artikel 2 van Bijlage II Bor) is verruimd ten opzichte van de oude regeling. Dat betekent dat er bij een woning of ander hoofdgebouw meer aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen vergunningvrij mogen worden gebouwd dan voorheen het geval was. De verruiming is mede het gevolg van een andere benadering voor het berekenen van de oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken.

Het vergunningvrije bouwen moet in samenhang gezien worden met de regels in het bestemmingsplan. Dat leidt ertoe dat het bestemmingsplan in beginsel geen invloed heeft op het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken op grond van artikel 2 Bijlage II Bor. Het bestemmingsplan kan alleen maar regelen wat er méér is toegestaan dan wat de regeling uit artikel 2 toelaat.

Hoeveel er op grond van de nieuwe regeling aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken mag worden opgericht, is afhankelijk van de oppervlakte van het bebouwingsgebied. Het bebouwingsgebied maakt onderdeel uit van het achtererfgebied. Hoe groter het bebouwingsgebied, hoe groter de oppervlakte aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken. Het komt erop neer dat maximaal 150 m² aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken kan worden gebouwd. Dat is het geval bij grote percelen. Bij een doorsnee perceel zal deze oppervlakte veel beperkter zijn.

In dit bestemmingsplan is ervoor gekozen om de aan- en uitbouwen die vallen onder deze regeling niet apart op te nemen in de bestemmingsregeling. Uitzonderingen hierop zijn wel bestemd.

5.3.17 Verkeers- en verblijfsgebied

Er zijn in totaal zeven verkeersbestemmingen opgenomen in het bestemmingsplan. Een klein deel van de A20 valt binnen het plangebied, hier is de bestemming 'Verkeer - Autosnelweg' opgenomen. Ter plaatse van de ongelijksvloerse kruising met de HSL is een functieaanduiding opgenomen. 'Verkeer - Wegverkeer' is opgenomen voor de doorgaande wegen zoals de Van der Duijn van Maasdamweg en G. K. van Hogendorpweg. De meer ondergeschikte wegen zijn bestemd als 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Deze bestemming is door het hele plangebied terug te vinden en het is de meest voorkomende verkeersbestemming. Zowel buurtontsluitingswegen, woonerven als woonstraten zijn als zodanig bestemd. Voor alle bovengenoemde verkeersbestemmingen geldt dat groen- en watervoorzieningen ook zijn toegestaan binnen de bestemming. Voor de aanleg van bijvoorbeeld een plantsoen hoeft dus geen planologische procedure gevolgd te worden. Binnen 'Verkeer - Verblijfsgebied' en - Wegverkeer' zijn ook kleine nutsgebouwtjes toegestaan (tot 80 m³), straatmeubilair, abri's etc. Terrassen zijn toegestaan binnen de bestemming voor Verblijfsgebied en Groen, als er ook een horecavestiging is toegestaan op basis van de bestemming van de aangrenzende gronden.

Er zijn verder drie verkeersbestemmingen die in meer of mindere mate specifiek bedoeld zijn voor het parkeren. 'Verkeer - Parkeerterrein' is opgenomen voor het P+R-terrein nabij de Randstad Rail-halte Meijersplein. Op deze locatie is ook een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt een parkeerdek aan te leggen, zodat er een tweelaagse parkeervoorziening kan ontstaan. De bestemming 'Verkeer - Erf' is opgenomen voor parkeerterreinen en ontsluiting van aanliggende bebouwing, bijvoorbeeld bij het Airport Hotel. De bestemming 'Verkeer - Garagebox' is opgenomen voor gebouwde parkeervoorzieningen. Overigens is parkeren ook mogelijk in de overige verkeersbestemmingen behoudens die voor de snelweg.

Ten slotte is de bestemming 'Verkeer - Spoorverkeer' opgenomen voor het bovengrondse gedeelte van de HSL. Daar waar de HSL ondergronds ligt is de functieaanduiding 'tunnel' opgenomen binnen de bestemming die op maaiveld ligt, in combinatie met de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - spoor'.

5.3.18 Volks- en nutstuinen

In het zuidwesten en noorden van het plangebied zijn drie volkstuincomplexen aanwezig, deze zijn bestemd als 'Recreatie - Volkstuin'. Behalve de volkstuinen zelf zijn bepaalde voorzieningen toegestaan, zoals tuinhuisjes, kassen, sanitaire voorzieningen en gemeenschappelijke gebouwen, waarvan één en ander is gemaximeerd in aantal, hoogte of oppervlakte. Nabij Landzicht is ook nog een complex met nutstuinen aanwezig, dat bestemd is als 'Recreatie - Nutstuin'. Het verschil tussen een volkstuin en een nutstuin is dat laatstgenoemde alleen gebruikt mag worden om gewassen te kweken. De bouwmogelijkheden binnen deze bestemming zijn dan ook beperkter dan bij volkstuinen.

5.3.19 Werken aan huis

Bij de woonbestemmingen is een regeling voor 'werken aan huis' opgenomen. Deze regeling gaat uit van een zo groot mogelijke flexibiliteit in toegestane bedrijfsactiviteiten, mits de omgeving geen gevaar loopt en geen onevenredige hinder ondervindt van de activiteit. De belangrijkste voorwaarden zijn dat maximaal 30% van de woning voor beroeps-/bedrijfsactiviteiten mag worden gebruikt en dat de woning er aan de buitenkant als woning uit blijft zien. Reclame-uitingen aan de buitenzijde van de woning zijn niet toegestaan. Verder worden detailhandelsactiviteiten en bedrijfsmatige reparatie en onderhoud aan motorvoertuigen nadrukkelijk uitgesloten.

5.3.20 Wonen

Wonen is mogelijk binnen veertien bestemmingen. Hier onder volgt een beknopte omschrijving per bestemming. Voor alle bestemmingen geldt dat naast het wonen ook 'werken aan huis' is toegestaan, net als bijbehorende voorzieningen zoals bergingen, tuinen, groen en water.

  • 'Gemengd - 1' is opgenomen voor de bestaande woningen in de bebouwing in de oksel van de Van der Duijn van Maasdamweg en Tinbergenlaan. In de plint van de bebouwing zijn andere functies aanwezig;
  • 'Gemengd - 2' betreft de nog te ontwikkelen zuidwestelijke hoek van Hof van Maasdam. Op de verbeelding is het maximum aantal woningen aangeduid en in de regels is bepaald dat minimaal 0,4 ha moet worden ingericht als verblijfs- en/of groengebied;
  • 'Wonen - 1' is opgenomen voor alle reeds bestaande woningen, met uitzondering van de woningen die zijn genoemd bij 'Gemengd - 1', en een deel van de nog planmatig te ontwikkelen woningen in Bovenbeek en Rietzoom. Voor de nog te ontwikkelen woningen is 'Wonen - 1' opgenomen wanneer er geen bijzondere stedenbouwkundige voorwaarden gelden zoals een minimum of maximum aaneen te bouwen woningen of een minimum of maximum breedte per woning. Het is daarmee de meest algemene woonbestemming. Voor de reeds bestaande woningen geldt dat het bestemmingsvlak strak om de bestaande bebouwing ligt, met op sommige locaties een aparte maatvoeringsaanduiding om de hoogte van de ondergeschikte delen van de woning te regelen;
  • 'Wonen - 2' is bedoeld voor de nog te ontwikkelen vrije kavels rondom de Buys Ballotlaan in het oostelijk deel van Rietzoom. De regeling is afgestemd op de Randvoorwaardennota Particuliere kavels Rietzoom (vastgesteld in 2017). Het bestemmingsvlak is voorzien van een bouwvlak. De woning inclusief alle bijbehorende gebouwen moet binnen dit bouwvlak gebouwd worden. De maximum bouwhoogte bedraagt 12 meter en het maximum bebouwingspercentage en de maximum inhoud zijn afhankelijk van de kaveloppervlakte. Kelders zijn niet toegestaan;
  • 'Wonen - 3' is opgenomen ter plaatse van de andere vrije kavels aan de Beekweg en het Van Leeuwenhoekhof. De regeling van deze bestemming lijkt inhoudelijk sterk op die van 'Wonen - 2'. Ook hier is de inhoud van het artikel afgestemd op de geldende randvoorwaardennota's (Randvoorwaardennota Particuliere kavels januari 2012, vastgesteld in 2012 en Aangepaste Stedenbouwkundige Randvoorwaarden Kavels Beekweg, vastgesteld in 2013). De mogelijkheden uit de randvoorwaardennota's zijn overgenomen in het bestemmingsplan ongeacht of de kavel reeds bebouwd is of niet. Zo blijven de bouwmogelijkheden zoals deze golden bij de aankoop van het perceel door een bewoner van kracht. Het verschil met 'Wonen - 2' is dat binnen 'Wonen - 3' wel kelders zijn toegestaan;
  • 'Wonen - 4' is terug te vinden ter plaatse van de toekomstige woningen direct grenzend aan de Van der Duijn van Maasdamweg binnen Reijsendaal. Anders dan bij 'Wonen - 1' zijn stedenbouwkundige bepalingen opgenomen: woningen moeten aaneengeschakeld worden gebouwd met maximaal vier woningen per blok, waarbij maximaal twee naastgelegen bouwblokken in dezelfde rooilijn toegestaan zijn. Verder zijn er onder andere bepalingen opgenomen over het maximum aantal bouwlagen, de diepte van hoofdgebouwen en de diepte van voortuinen;
  • 'Wonen - 5' is de bestemming voor de twee appartementengebouwen binnen Reijsendaal. De hoogte bedraagt maximaal vier bouwlagen en minimaal drie bouwlagen, een terugliggende vijfde bouwlaag is toegestaan. De overige bepalingen hebben betrekking op parkeren, afstand tot de erfafscheiding en de voortuinen
  • 'Wonen - 6' komt op slechts één locatie voor, binnen Reijsendaal direct ten zuiden van de sportvelden. Hier zijn alleen vrijstaande of twee-onder-één-kap-woningen toegestaan in twee bouwlagen met kap of in drie lagen plat afgedekt;
  • 'Wonen - 7' is de bestemming voor de rest van de noordelijke strook woningen binnen Reijsendaal. Uitsluitend aaneengeschakelde woningen zijn toegestaan met een maximum van zes woningen per blok. De overige bepalingen hebben net als bij de andere woonbestemmingen betrekking op zaken zoals het aantal bouwlagen of de rooilijn;
  • 'Wonen - 8' maakt het hoofdgebouw van Buitenplaats mogelijk, in vier bouwlagen met een terugliggende vijfde bouwlaag. Er mogen maximaal 30 tot 40 woningen gerealiseerd worden, met dien verstande dat het totaal aantal woningen binnen Buitenplaats niet meer dan 70 bedraagt. Deze regeling hangt samen met de regeling van 'Wonen - 9';
  • 'Wonen - 9' maakt de twee bijgebouwen van Buitenplaats mogelijk. Binnen deze bestemming mag in maximaal drie lagen gebouwd worden, met een terugliggende vierde laag. Per gebouw zijn 10 tot 20 woningen toegestaan zolang het maximum van 70 woningen voor Buitenplaats niet overschreden wordt;
  • 'Woongebied - 1' is de meest voorkomende bestemming binnen Hof van Maasdam. Binnen deze bestemming zijn maximaal 375 nieuwe woningen mogelijk, maar er moet ook rekening gehouden worden met het aantal nieuwe woningen binnen 'Woongebied - 2' en Gemengd - 2. Het totaal aantal nieuwe woningen binnen deze drie bestemmingen mag namelijk ten hoogste 540 bedragen. Er mag overwegend in vier bouwlagen gebouwd worden, maar ter plaatse van een aantal hoogteaccenten mag tot zes of twaalf lagen gebouwd worden;
  • 'Woongebied - 2' is opgenomen in het zuidoostelijke deel van Hof van Maasdam. De bestemmingsregeling is vrijwel gelijk aan die van 'Woongebied - 1', maar in deze bestemming is bepaald dat minimaal 0,25 hectare dient ingericht te worden als openbaar groen of verblijfsgebied. Het aantal nieuwe woningen is ten hoogste 40;
  • 'Wonen - Uit te werken' is opgenomen op de gronden ten noorden van de Overschiese Kleiweg. Hier kunnen 5 tot 7 nieuwe woningen gebouwd worden na vaststelling van een uitwerkingsplan. Er moet dus nog een separate ruimtelijke procedure doorlopen worden alvorens hier gebouwd kan worden. Deze bestemming is bewust opgenomen omdat er geen sprake is van een concreet initiatief. In de uitwerkingsregels is onder andere bepaald dat de woningen in twee lagen gebouwd mogen worden, de gronden tot ten hoogste 25% bebouwd mogen worden en dat er minimaal 5 m afstand aangehouden moet worden tot de perceelgrenzen van de bestaande bebouwing. Het uitwerkingsplan wordt getoetst aan deze regels.

Hoofdstuk 6 Water

6.1 Beleidskader

6.1.1 Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening.

Het Nationaal Waterplan (2016-2021) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast.

6.1.2 Provinciaal beleid

Het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 (11 november 2009 vastgesteld door Provinciale Staten van Zuid-Holland) bevat de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid voor deze periode. Het plan komt in plaats van het waterbeleid zoals is vastgelegd in het beleidsplan Groen, Water en Milieu (2006). Het provinciaal waterplan vervangt tevens het Grondwaterplan 2007-2013 en beschrijft dus ook het strategische grondwaterbeleid voor Zuid-Holland. De provinciale rol in het waterveld spitst zich toe op kaderstelling en toezicht.

6.1.3 Regionaal beleid

De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen:

  • Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk;
  • Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig;
  • Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen.

Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma 2013-2018.

6.2 Samenwerking met de waterbeheerder

De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders. De beheerder van het oppervlaktewater in het plangebied is het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK). De gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden.

6.3 Huidige watersysteem

6.3.1 Oppervlaktewater

Het plangebied bestaat uit het zuidelijke stuk van de in de periode 1786 en 1792 drooggemalen Zestienhovensepolder en Oudendijksepolder. De hogere delen (Bovenpolder) hoefden niet te worden drooggemalen. In 1919 zijn deze polders samengevoegd tot de Zestienhovensepolder. Vanaf 1930 vestigden zich steeds meer perifeer stedelijke voorzieningen in de polder. Als gevolg hiervan hebben in het plangebied zeer veel ophogingen plaats gevonden. Van het oorspronkelijke ontwatering (van na de droogmaking) is alleen nog iets terug te vinden in de volkstuincomplexen. Het proces van ophogen is nog steeds gaande. Op dit moment in het kader van het bouwrijp maken van delen van het plangebied. Het uitgiftepeil na het ophogen is -4,8 meter NAP. Vanaf 1963 werd deze polder niet langer bestuurd door een onder het hoogheemraadschap vallend polderbestuur maar rechtstreeks door de gemeente Rotterdam. Het plangebied omvatte tot 2010 een groot aantal kleine peilgebiedjes. In het kader van de herstructurering van het plangebied is het aantal peilgebieden de afgelopen jaren flink teruggebracht.

De hoofdwatergangen lopen overwegend van Noordoost naar Zuidwest. Dit is ook de globale stroomrichting in het plangebied. Het oppervlaktewater komt het plangebied op de volgende plaatsen binnen:

  • aan de westzijde wordt bij gemaal Achterdijk water uit de tussenboezem (GPG-404) ingelaten in het plangebied. Dit water komt in peilgebied GPG-431 terecht en blijft daar;
  • aan de westzijde pompt gemaal Noorderlaan water van het vliegveld (geheel uit peilgebied GPG-430 bestaand) in het plangebied;
  • via de waterloop welke rond het vliegveld (en GPG-430) loopt. Het water in deze waterloop is afkomstig uit polder Schieveen en van het vliegveld.

Verder treedt in het hele plangebied kwel op en zijn er 9 riooloverstorten aanwezig.

Het oppervlaktewater verlaat het plangebied aan de westzijde. Hier pompt gemaal Achterdijk water uit peilgebied GPG-431 naar de tussenboezem (peilgebied GPG-404). In de herijking van Waterplan 2 bleek dat het plangebied niet voldoet aan de normen voor wateroverlast uit Nationaal Bestuursakkoord Water. Het plangebied heeft daarom een wateropgave. Dat betekent dat het gebied bij zware regenbuien meer water moet kunnen bergen. Het hoogheemraadschap is voornemens om de bemalingscapaciteit uit te breiden om de wateropgave op te lossen.

6.3.2 Grondwater

Voor grondwater liggen 7 peilbuizen in het plangebied. De gemiddelde ontwateringsdiepte in het plangebied voldoet bij twee van de zeven peilbuizen niet aan de vereiste 0,80 meter. Een daarvan ligt in een omgeving met huizen met houten paalfunderingen. De ontwateringsdiepte kan daar niet zomaar vergroot worden.

Voor de te bebouwen locaties is een uitgiftepeil vastgesteld van -4,80 meter NAP. Nabij de Volkelstraat zijn de uitgifte peilen -4,60 en – 4.30 NAP. Bij een (flexibel) polderpeil van tussen de -6,0 en -6,20 meter NAP zal de ontwateringsdiepte na uitgifte voldoen. Rond de Beekweg, van de Waalslaan en Lineaushof zijn klachten bekend over aanzienlijke hoeveelheden (grond-)water in de kruipruimte van de nieuwbouwwoningen. De overige bekende meldingen en klachten hebben betrekking op rioleringsproblemen en een gesprongen waterleiding. Aan de rand van het plangebied (Overschiese Kleiweg en Bovendijk) staan nog een aantal huizen met houten paalfunderingen, het risico op paalrot door grondwaterstandsverlanging is hier aandachtspunt.

6.3.3 Waterkering

Waterkeringen

Nabij het plangebied, en in het noordwesten ook in het plangebied, liggen twee waterkeringen. Dit zijn de Doenkade en de dijk van polder Zestienhoven. Rondom de waterkeringen worden verschillende beschermingszones gehanteerd. De waterkeringen en bijbehorende beschermingszones zijn weergeven in figuur 6.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1100Zestienhoven-va02_0014.png"

Figuur 6.1: waterkeringen en beschermingszones in en nabij het plangebied.

Waterveiligheid 

Het plangebied ligt geheel binnendijks, binnen de primaire waterkeringen. De primaire waterkeringen worden zo ontworpen dat iedereen die achter de waterkering woont, kan rekenen op een beschermingsniveau van ten minste 10-5 per jaar (d.w.z. de kans op overlijden als gevolg van een overstroming voor een individu niet groter is dan 1 op 100.000 jaar). Dit uitgangspunt is vertaald in een norm per dijktraject. Voor de primaire waterkering die het plangebied beschermt, betekent dit dat de kans op overstromen per jaar vastgesteld is op 1: 100.000.

De gevolgen van een overstroming binnendijks zijn afhankelijk van meerdere aspecten, zoals de locatie waar de overstroming plaatsvindt, de afstand tot de waterkering en de maaiveldhoogtes in het gebied. Om een indicatie van de risico's te krijgen is er een landelijk informatie systeem overstromingen. Bij een overstroming in het plangebied kan een waterdiepte ontstaan van meer dan 2,5 meter. Bij een dergelijke diepte is er kans op slachtoffers en is evacuatie in geval van een overstroming noodzakelijk.

6.3.4 Riolering

Het bestemmingsplangebied valt vrijwel geheel binnen rioleringsdistrict 8 (Overschie). Alleen een klein zuidoostelijke hoekje van het plangebied valt binnen rioleringsdistrict 7 (Blijdorp). Het rioolstelsel in het plangebied is grotendeels van recente datum. In het plangebied liggen daarom overwegend gescheiden en verbeterd gescheiden stelsels. Het huishoudelijk afvalwater en het hemelwater wordt gescheiden afgevoerd. District 8 voert in principe via het districtsgemaal het afvalwater af naar AWZI Dokhaven. De nieuwbouw in het plangebied voert echter, via District 13, af naar AWZI Kralingse Veer. Binnen het plangebied zijn vijf vuilwateroverstorten aanwezig.

6.4 De wateropgave

6.4.1 Oppervlaktewater

De ontwikkelingen in het gebied bestaan voornamelijk uit nieuwbouw. Er wordt door het bestemmingsplan een toename van maximaal 93.450 m² verhard oppervlak mogelijk gemaakt. Dit aantal m² is overigens alleen aan de orde indien het bedrijfskavel ten behoeve van circulaire economie volledig verhard wordt (dit is niet de verwachting) en wanneer de Zuidelijke Uitloper op grond van een uitwerkingsplan bebouwd wordt.

Voor de toename van verharding dient in beginsel watercompensatie te worden aangelegd. In het kader van het vorige bestemmingsplan, dat meer programma (en dus meer verharding) mogelijk maakte, heeft het HHSK echter een raamvergunning verleend (kenmerk K.09.389.V01). Op de Zuidelijke Uitloper na vallen alle ontwikkellocaties binnen deze raamvergunning. De watercompensatie is geregeld in bijzondere voorwaarde 11 van de vergunning. Vrijwel al het water dat op basis van deze vergunning moet worden aangelegd is reeds gerealiseerd, de rest zal volgen wanneer de laatste locaties ontwikkeld worden. Doordat het programma van dit bestemmingsplan minder is dan het programma waarop de raamvergunning is gebaseerd zal er uiteindelijk meer dan voldoende watercompensatie zijn gerealiseerd.

Voor de Zuidelijke Uitloper, die buiten de raamvergunning valt, geldt dat ca. 170 m² water aangelegd moet worden als benodigde compensatie voor de verhardingstoename. Dit is binnen de begrenzing van de voorgenomen ontwikkeling te realiseren. De definitieve oppervlakte van de watercompensatie moet nog door de waterbeheerder worden bepaald wanneer de plannen verder uitgewerkt zijn.

6.4.2 Grondwater

Er vindt toename van de verharding plaats en toekomstige woongebieden worden opgehoogd met gemiddeld 0,5 meter tot uitgiftepeil -4,8 meter NAP. Daarnaast wordt het oppervlaktewatersysteem heringericht. Effecten op de grondwaterstand worden verwacht. Ter mitigatie geldt het uitgiftepeil en wordt de hierboven aangegeven watercompensatie aangelegd.

6.4.3 Waterkering en waterveiligheid

Waterkeringen

Invloed op de waterkering wordt niet verwacht. In de uit te werken woonbestemming in de Zuidelijke Uitloper ligt een waterkering. Bij de uitwerking van deze locatie zal hier rekening mee gehouden worden. In de zones van de waterkering worden verder geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De waterkeringen zelf zijn bestemd met de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' en de beschermingszone is voorzien van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk'.

Waterveiligheid binnendijks
De ontwikkelingen in het gebied hebben geen negatieve gevolgen op de inundatiekans in het plangebied (eerste laag meerlaagse veiligheid). Wel neemt de economische waarde binnendijks toe en gaan er ook meer mensen wonen. Ten behoeve van het voltooien van de wijk worden de delen van het plangebied waar gebouwd gaat worden opgehoogd waardoor de inundatiediepten zullen afnemen. De mogelijk gemaakte ontwikkelingen geven daarmee een positieve invulling aan de tweede laag van de meerlaagse veiligheid (beperken slachtoffers en schade bij een eventuele overstroming).

6.4.4 Riolering

Afvalwater

De ontwikkelingen in het bestemmingsplan zullen leiden tot een toename van het aantal woningen en een toename van het oppervlakte bedrijven en voorzieningen (incl. winkels en horeca). Op basis van het aantal woningen en het aantal vierkante meters bedrijven is een inschatting te maken van de verandering van de afvalwaterbelasting als gevolg van de ontwikkelingen. De inschatting van de verandering van de afvalwaterbelasting is gebaseerd op het maximale programma dat extra mogelijk gemaakt wordt binnen dit bestemmingsplan, namelijk ca. 850 nieuwe woningen, maximaal 35.000 m² nieuw bedrijventerrein (circulaire economie) en ca. 6.400 m² voorzieningen (detailhandel, maatschappelijk, horeca).

Uitgangspunten afvalwater woningen, kantoren en industrie:

  • in een woning zijn gemiddeld 2,5 personen aanwezig die gemiddeld 12 liter afvalwater per persoon per uur produceren;
  • gemiddelde belasting kantoren: 0,5 m³ per hectare/uur;
  • gemiddelde belasting industrie: 0,5 tot 2,5 l/s/ha bruto-oppervlak voor industrie. In de berekening is; uitgegaan van het 'worst-case' scenario; 2,5 l/s/ha BVO;
  • gemiddelde school: 2 tot 3 liter per uur/per leerling, in de berekening is uitgaan van 2,5 l/uur. Het maximaal aantal leerlingen is berekend door de bruto vloeroppervlakte van het gebouw te delen door de ruimte per basisschool leerling (ongeveer 7 m² voor middelbare scholen, ongeveer 3,5 m² voor basisscholen);
  • gemiddelde belasting detailhandel: 6 liter per werknemer per uur. In de berekening is uitgegaan van een winkel met 5 werknemers;
  • gemiddelde belasting horeca (niet restaurant): 25 liter per werknemer per uur. In de berekening is uitgegaan van een horecabedrijf met 3 werknemers.

Ontwikkeling   Aantal/hoeveelheid (ca.)   Toename productie afvalwater (m³/uur)  
Woningbouw   850 woningen   25,6  
Restant uit te geven bedrijfskavels   35.000 m²   31,5  
Bedrijfskavel circulaire economie   35.000 m²   31,5  
Maatschappelijke voorzieningen   5.000 m²   3,6  
Winkels   750 m²   nihil  
Horeca   650 m² (vervallen naar aanleiding van uitspraak Raad van State)
150 m²  
nihil  
Totaal     92,3  

Voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het scheiden van schoon en vuil water verplicht. De Gemeente Rotterdam heeft hierbij aanvullend beleid: klimaatbestendigheid met berging op eigen terrein. Het is wenselijk water bij neerslag pieken op het eigen terrein te kunnen bergen. Als uitgangspunt geldt hierbij het bergen van 50 mm regenwater in een uur en 80 mm regenwater in een dag. Dit leidt tot vermindering van vuilwateroverstorten, wat de waterkwaliteit ten goede komt, en zorgt ervoor dat er minder water wordt afgevoerd naar de AWZI.

Na bergen op eigen terrein zal het water alsnog vertraagd afgevoerd moeten worden. Voor de ontwikkelingen in het plangebied kan dat bijvoorbeeld door te kiezen voor het laten afstromen van regenwater naar oppervlaktewater in de directe omgeving. Voor de materiaalkeuze van de bebouwing gelden randvoorwaarden, aangezien verontreiniging van afstromend hemelwater voorkomen moet worden. Uitloogbare materialen vormen een belasting voor de waterkwaliteit, deze zijn niet onvoorwaardelijk toepasbaar.

Verder stimuleert de gemeente toepassing van groene daken. Groene daken houden hemelwater tijdelijk vast en verminderen en vertragen de afvoer ervan. Groene daken worden echter niet meegeteld als compensatie voor de verharding.

Hoofdstuk 7 Milieu

7.1 Inleiding

Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig. Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

Ontwikellocaties

De milieuonderzoeken in dit hoofdstuk hebben afhankelijk van het thema betrekking op een aantal ontwikkellocaties. Dit zijn de locaties waar dit bestemmingsplan nieuwe functies ten opzichte van de huidige situatie mogelijk maakt. Voor de meeste milieuonderzoeken is de verandering ten opzichte van de huidige situatie het meest relevant, zoals bij het onderzoek naar stikstofdepositie. Er zijn echter ook milieuonderzoeken waar de verandering ten opzichte van de planologische situatie uit het vorige bestemmingsplan bepalend is. Een voorbeeld hiervan is onderzoek naar luchtkwaliteit. Per onderzoek is aangeven welke van de twee situaties relevant is.

Figuur 7.1 betreft een indicatief overzicht van alle ontwikkellocaties binnen het plangebied. De nummers verwijzen naar tabel 7.1, waar de naam van de ontwikkeling en het mogelijk gemaakte programma (ten opzichte van de huidige situatie) beschreven staat. De ontwikkellocaties komen afhankelijk van het milieuonderzoek aan bod in onderstaande paragrafen. Niet elke ontwikkellocatie is echter relevant voor elk onderzoek. Zo zijn voor het akoestisch onderzoek alleen de ontwikkellocaties relevant waar geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt worden. Het nieuwe bedrijventerrein voor circulaire economie bijvoorbeeld zal daarom niet terugkomen in dat onderzoek. Het nieuwe bedrijventerrein is daarentegen wel weer relevant voor het flora- en faunaonderzoek.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1100Zestienhoven-va02_0015.jpg"

Figuur 7.1: ontwikkellocaties

Locatie   Naam   Programma wonen (ca.)   Programma overig (ca.)  
1   vervallen (Schipholstraat)   -   -  
2   Reijsendaal   145    
3   Hof van Maasdam   540   750 m² detailhandel
5.000 m² maatschappelijk
150 m² horeca  
4   CPO kavels Overschiese Kleiweg   2    
5, 6 en 8   De Buitenplaats   70    
7   Achterdijk 1     1.100 m² bedrijven t/m cat. 2*  
9 t/m 12   Vrije kavels Rietzoom   36    
13 t/m 16   Bovenbeek 2e fase   40    
17   Horeca buitenplaats (vervallen naar aanleiding van uitspraak Raad van State)     500 m² horeca (vervallen naar aanleiding van uitspraak Raad van State)  
18   Bedrijfskavel circulaire economie     3,5 ha bedrijventerrein  
19   Restant uit te geven kavels bedrijventerrein Hoog 16Hoven     3,5 ha bedrijventerrein  
20   Zuidelijke Uitloper   10 (na uitwerking)    

*op deze locatie is reeds bedrijfsbebouwing aanwezig, deze is echter incourant

Tabel 7.1: nieuwe functies per ontwikkellocatie

7.2 Milieu effectrapportage

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU m.e.r.-richtlijn 2014/52/EU. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden. Dit bestemmingsplan is vormvrij m.e.r.-beoordelingsplichtig en planm.e.r.-beoordelingsplichtig.

7.2.1 m.e.r.-beoordelingsplicht

Toetsing bestemmingsplan aan m.e.r.-beoordelingsplicht

Om te bepalen of het bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, is het programma dat dit bestemmingsplan mogelijk maakt getoetst aan de Nederlandse en Europese wetgeving. Het mogelijk gemaakte programma moet worden gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals omschreven in het Besluit m.e.r. kolom 1, opgenomen in het onderdeel D 11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Het aantal nieuwe woningen is 850 en blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. De oppervlakte van de te ontwikkelen bedrijfsvloeroppervlakte (detailhandel, maatschappelijk en horeca) is 6.500 m² en blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde van 200.000 m².

Planm.e.r.-beoordeling

Door de wijze van bestemmen van bedrijvigheid in het bestemmingsplan, waarbij (op het bedrijfskavel voor circulaire economie) maximaal milieucategorie 2 mogelijk wordt gemaakt, valt niet uit te sluiten dat bedrijven in de toekomst (vormvrij) m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten in het plangebied zullen aanvragen. Daarmee is het bestemmingsplan in beginsel kaderstellend voor mogelijke toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. Daarom is er voor gekozen om dergelijke m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten boven de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. uit te sluiten door middel van een specifieke bedrijvenlijst. En wordt er voor activiteiten onder de drempelwaarden door middel van een planm.e.r.-beoordeling onderbouwd dat er door deze activiteiten geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu op zullen treden.

Gelet op bovenstaande geldt dat voor dit bestemmingsplan zowel een vormvrije m.e.r.-beoordeling als een planm.e.r.-beoordeling moet worden opgenomen. In dit bestemmingsplan is dit gecombineerd opgenomen in één beoordeling. Op basis van deze beoordeling dient een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden. Als uitgangspunt geldt dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld indien het bevoegd gezag (in dit verband het college) van oordeel is dat dit noodzakelijk is vanwege belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben. Bij de (plan)m.e.r.-beoordeling voor dit bestemmingsplan dienen de ontwikkelingen die in dit plan worden mogelijk gemaakt, te worden beschouwd. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de drie criteria die zijn opgenomen in bijlage III van de EU richtlijn milieubeoordeling projecten:

 

1. Kenmerken van het project
Dit bestemmingsplan maakt het afbouwen van de woonwijk Park 16Hoven mogelijk. Het gaat om ca. 850 nieuwe woningen, ca. 750 m² nieuwe detailhandel, ca. 5.000 m² nieuwe maatschappelijke voorzieningen, ca. 650 m² (vervallen naar aanleiding van uitspraak Raad van State) 150 m² nieuwe horeca en ca. 3,5 ha. bedrijventerrein ten behoeve van circulaire economie. Een groot deel van deze ontwikkeling was al mogelijk op basis van de vorige bestemmingsplannen (waarvoor een MER uitgevoerd is), waarbij er ten aanzien van het aantal woningen, kantoren en winkelmeters zelfs sprake is van een afname van het programma. Er is slechts in verwaarloosbare mate sprake van cumulatie, dit betreft de woningbouwontwikkeling aan de Schipholstraat met ca. 30 woningen. Het afbouwen van de wijk en de aanleg van het bedrijventerrein ten behoeve van circulaire economie gaat niet gepaard met het gebruik van natuurlijke hulpbronnen of de productie van afvalstoffen. Wel zal het afbouwen een toename van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg hebben, maar in paragraaf 7.5 is aangetoond dat dit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het bedrijfskavel voor circulaire economie trekt nauwelijks verkeer aan. Andere vormen van verontreiniging zijn niet aan de orde. De toename van het aantal inwoners en verkeersbewegingen leidt wel tot een toename van het aantal geluidgehinderden. Uit het akoestisch onderzoek (paragraaf 7.4) blijkt echter dat de bestaande infrastructuur zoals de A13 hier het grootste aandeel in heeft. Tenslotte is er gezien de toegestane bedrijfscategorieën geen groter risico op ongevallen. Dit blijkt ook uit de paragraaf over externe veiligheid (7.7). Op de kavel voor circulaire economie zijn grote lawaaimakers of anderszins zwaar overlastgevende en/of vervuilende bedrijven uitgesloten. Op de overige nog niet ingevulde bedrijfskavels binnen het plangebied zijn vanwege de relatief beperkte milieucategorie geen grote vervuilers of lawaaimakers mogelijk, en in paragraaf 7.3 is aangetoond dat voor bestaande en toekomstige bedrijven wordt voldaan aan de VNG-richtafstanden.

Verder kan nog gesteld worden dat in 2004 een MER is opgesteld in het kader van het Masterplan Plus, dat vertaald is in het vorige bestemmingsplan uit 2007. De MER uit 2004 wees uit dat de uitvoering van het masterplan (en daarmee het bestemmingsplan) geen significant negatieve effecten op het milieu heeft. Het nieuwe bestemmingsplan maakt minder programma mogelijk dan het vorige bestemmingsplan, waardoor de conclusies uit de destijds uitgevoerde MER ook voor dit bestemmingsplan gelden.

2. Plaats van het project  
Het plangebied ligt op ca. 140 meter van het dichtsbijzijnde beschermd natuurgebied, het NNN-gebied Polder Schieveen. De kortste afstand tussen de ontwikkellocaties en dit gebied is echter substantieel groter, zo'n 1,4 km. De afstand tot het dichtsbijzijnde Natura 2000-gebied is 10 km. Het plangebied zelf maakt geen onderdeel uit van een beschermd natuurgebied. Uit paragraaf 7.8 blijkt dat dit bestemmingsplan geen negatieve effecten heeft op deze gebieden.

3. Kenmerken van het potentiele effect
De nieuwe woningen en voorzieningen trekken verkeer aan, dit heeft gevolgen voor de luchtkwaliteit en het veroorzaakt geluid. Het verkeer zal hoofdzakelijk via de A13 en G.K. van Hogendorpweg afgewikkeld worden. Via deze wegen verspreidt het verkeer zich waardoor de effecten ook verspreid worden. De geluidbelasting als gevolg van het extra verkeer is onderzocht in paragraaf 7.4 en hieruit blijkt dat overal voldaan wordt aan de maximale ontheffingswaarden. Uit paragraaf 7.5 blijkt dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Op het perceel voor circulaire economie zijn grote vervuilers uitgesloten.

7.2.2 Conclusie

Gezien de bovenstaande m.e.r.-beoordeling heeft het college besloten dat voor dit bestemmingsplan geen MER wordt gemaakt.

7.3 Milieuzonering

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering).
De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden, waarbij onderscheid gemaakt wordt in afstanden tot een 'rustig woongebied' en afstanden tot een 'gemengd gebied'. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging (gemengd gebied).
Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk. Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. Wanneer er sprake is van een gebied met functiemenging mogen de richtafstanden tot gevoelige functies uit de VNG-uitgave met één afstandstap teruggebracht worden ten opzichte van de richtafstanden die gelden voor een rustig woongebied.
De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave.

7.3.1 Plangebied

Bedrijfsbestemmingen
Het noordoostelijk deel van het plangebied bestaat overwegend uit bedrijventerrein. In de rest van het plangebied komen geen bedrijfsbestemmingen of gemengde bestemmingen die bedrijven mogelijk maken voor. Deze paragraaf spitst zich daarom toe op het noordoostelijk deel van het plangebied. Hier liggen in totaal acht gebieden met de bestemming 'Bedrijf - 1, - 2, - 3 of - 4'. Binnen de bestemming 'Bedrijf - 1' zijn bedrijven t/m categorie 2 toegestaan, binnen 'Bedrijf - 2' bedrijven t/m categorie 3.1 en binnen 'Bedrijf - 3' bedrijven t/m categorie 3.2. Binnen 'Bedrijf - 4' zijn een gemeentewerf en specifieke bedrijven en functies toegestaan die gericht zijn op circulaire economie, en die qua richtafstand te vergelijken zijn met categorie 2. De acht gebieden zijn als volgt verdeeld:

  • twee gebieden ten noorden van de Volkelstraat met bestemming 'Bedrijf - 3'. In het meest westelijke gebied zijn autosloperijen toegestaan, deze zijn in de rest van de gebieden uitgesloten;
  • drie gebieden tussen de Volkelstraat en Fairoaksbaan waar overwegend 'Bedrijf - 3' is opgenomen (zijde Volkelstraat) en voor een kleiner deel 'Bedrijf - 2' (zijde Fairoaksbaan);
  • twee gebieden ten zuiden van de Fairoaksbaan, één ten westen van de Gilze-Rijenstraat ('Bedrijf - 4', specifiek ten behoeve van circulaire economie) en één ten oosten van de Gilze-Rijenstraat ('Bedrijf - 2' en 'Bedrijf - 3');
  • één gebied/groot kavel tussen de Bovendijk en G.K. van Hogendorpweg met bestemming 'Bedrijf - 1' en één klein kavel aan de Achterdijk 1 met dezelfde bestemming.

Verder ligt er aan de Fairoaksbaan op het terrein van RTHA (buiten het plangebied) nog een bedrijventerrein. Dit is een gezoneerd industrieterrein, wat betekent dat grote lawaaimakers zijn toegestaan. Het meest oostelijke deel is bestemd ten behoeve van categorie 3.2 en het westelijke deel ten behoeve van categorie 4.1.

Toetsing richtafstanden
Het toekomstige woongebied dat het dichtst bij het bedrijventerrein ligt (Hof van Maasdam) kan in principe gezien worden als gemengd gebied vanwege de voorzieningen die daar behalve woningen aanwezig zijn. Het andere toekomstige woongebied dat in de omgeving van het bedrijventerrein ligt is Reijsendaal, dit is een rustig woongebeid. In tabel 7.2 zijn de richtafstanden van de verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van deze twee gebieden opgenomen.

Milieucategorie   Richtafstand tot rustige woonwijk   Richtafstand tot gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m (in Rotterdam: 0 m)  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

tabel 7.2: richtafstanden uit de VNG-publicatie 'bedrijven en milieuzonering'

Bedrijven binnen het plangebied
De kortste afstand het bedrijventerrein ten noorden van de Fairoaksbaan tot aan Hof van Maasdam bedraagt ca. 210 meter. De afstand tot aan Reijsendaal is nog groter. De bestemmingen voor categorie 3.1 en 3.2-bedrijven liggen dus op meer dan voldoende afstand van het toekomstige woongebied, waardoor de toekomstige woningen niet gehinderd worden door de bedrijven en vice versa. In het gebied is één bedrijf aanwezig dat in een hogere milieucategorie valt, dit betreft een bedrijf uit categorie 4.1 dat is gericht op vervaardiging van kruiden en specerijen dan wel vervaardiging van meel (productiecapaciteit <500 ton/uur) en/of vervaardiging van overige voedingsmiddelen c.q. bakkerijgrondstoffen, op het adres Woensdrechtstraat 37-47/Bovendijk 156). Dit bedrijf heeft een maatbestemming gekregen. De afstand tot het dichtstbijzijnde woongebied bedraagt ca. 230 m. Aan de richtafstand wordt voldaan.

De afstand tussen het perceel ten behoeve van circulaire economie (ten westen van de Gilze-Rijenstraat) en het dichtstbijzijnde woongebied, Hof van Maasdam, bedraagt ca. 55 meter. Ook hier is de afstand tussen bedrijventerrein en woongebied voldoende aangezien de toekomstige functies en bedrijven qua hinder vergelijkbaar zijn met een categorie 2-bedrijf.

De afstand tussen de bedrijfsbestemming ten oosten van de Gilze-Rijenstraat tot aan Hof van Maasdam is eveneens ca. 65 meter. Dit is voldoende voor de 3.1-categorie bedrijven die daar overwegend zijn toegestaan. Hier zijn in de huidige situatie twee bedrijven aanwezig die een hogere categorie hebben. Het betreft een transportbedrijf aan de Gilze-Rijenstraat 52 (categorie 3.2) en een bedrijf dat gespecialiseerd is in oppervlaktebehandelingen aan metalen aan de Gilze-Rijenstraat 48 (categorie 4.1). De afstand van het 3.2-bedrijf tot aan de dichtstbijzijnde woongebied bedraagt 70 meter, de afstand van het 4.1-bedrijf bedraagt 110 meter. Aan de VNG-richtafstanden wordt dus voldaan. Wel krijgen beide bedrijven een maatbestemming om de afwijkende bedrijfscategorie te regelen. Het meest oostelijke bedrijfskavel is vanaf een afstand van 100 meter vanuit Hof van Maasdam bestemd voor categorie 3.2-bedrijven.

Aan de Gilze-Rijenstraat 38 en 46 zijn twee autosloperijen aanwezig. Hoewel er voldaan wordt aan de richtafstanden (categorie 3.1) is een dergelijke bedrijfsvoering in beginsel niet wenselijk nabij een woongebied. Hetzelfde geldt voor het bedrijf dat gespecialiseerd is in oppervlaktebehandelingen aan metalen (Gilze Rijenstraat 48). Voor deze drie bedrijven is in de regels een uitsterfconstructie opgenomen. Wanneer de bedrijfsvoering beëindigd is en vervangen is door andere bedrijfsvoering is het niet toegestaan dat er opnieuw een autosloperij komt, of een bedrijf gespecialiseerd in oppervlaktebehandelingen aan metalen. Op het bedrijfskavel nabij de Volkelstraat wordt wel ruimte geboden voor dergelijke bedrijfsactiviteiten.

De afstand tussen het bedrijfskavel met categorie 2 tussen de G.K. van Hogendorpweg en Bovendijk en Hof van Maasdam tenslotte bedraagt ca. 95 meter. Ook dit is ruim voldoende afstand.

Bedrijven buiten het plangebied
De kortste afstand tussen het bedrijventerrein op RTHA waar categorie 4.1 is toegestaan en Reijsendaal bedraagt ca. 300 meter. Dit voldoet ruimschoots aan de richtafstand voor een rustig woongebied. De afstand van het 3.1-gedeelte van dit bedrijventerrein tot Hof van Maasdam bedraagt ca. 250 meter, wat dus ook ruim voldoende is. De geluidzone die bij het gezoneerde industrieterrein hoort is geregeld in de Parapluherziening geluidzone RTHA (vastgesteld op 2 februari 2017). De zone ligt voor een deel over het bedrijventerrein rondom de Volkelstraat en voor het andere deel tussen de noordelijke plangrens van dit bestemmingsplan en de Van der Duijn van Maasdamweg, ter hoogte van de sportvelden. De dichtstbijzijnde woningbouwlocatie is één van de woongebouwen binnen De Buitenplaats, maar deze ligt ten zuiden van de Van der Duijn van Maasdamweg en dus buiten de geluidzone. De geluidzone vormt dus geen beperking voor de beoogde woningbouw binnen het plangebied.

7.3.2 Conclusie

Er wordt voldaan aan de VNG-richtafstanden en de geluidzone van bedrijventerrein RTHA ligt niet over één van de ontwikkellocaties. Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen beperking voor de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan.

7.4 Geluid

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg -en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer.
Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidshinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn.

7.4.1 Wetgeving, normen en beleid
7.4.1.1 Wet geluidhinder (Wgh)

Voor de geluidbronnen wegverkeer en industrielawaai is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. Uitzondering hierop zijn 30 km/uur wegen. Deze zijn vrijgesteld van toetsing aan de Wgh. Industrielawaai blijft in deze paragraaf verder buiten beschouwing omdat er geen ontwikkelingen binnen een geluidzone van een gezoneerd industrieterrein liggen.

Geluidzone

Wegverkeerslawaai
Alle wegen (inclusief tramwegen) met een maximumsnelheid die groter is dan 30 km/uur hebben een geluidzone. De zonebreedte langs een weg is afhankelijk van de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied en het aantal rijstroken van die weg. De Rijksweg A13 en A20 zijn buitenstedelijke wegen bestaande uit 5 rijstroken of meer. Aan weerszijden van de Rijksweg geldt een geluidzone van 600 meter breed. De overige voor dit onderzoek relevante wegen zijn stedelijke wegen bestaande uit 2 of meer rijstroken. Dit zijn de Achterdijk, Bovendijk, G.K. van Hogendorpweg, Overschiese Kleiweg, Van der Duijn van Maasdamweg, Vliegveldweg en Woensdrechtsestraat. De breedte van de bijbehorende geluidzones varieert van 200 tot 350 meter. Indien een bestemmingsplan de realisatie van nieuwe geluidgevoelige functies (zie hier onder) binnen de geluidzone van een geluidbron mogelijk maakt moet aan de normen van de Wgh worden getoetst en voldaan.

Railverkeerslawaai
De spoorlijn (ter hoogte van het plangebied betreft het de lijnen Rotterdam - Gouda en de HSL-zuid) is aangegeven op de geluidplafondkaart. De geluidzone van deze spoortrajecten is afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond (GPP) op het betrokken referentiepunt (artikel 1.4a Besluit geluidhinder). De GPP's langs het spoor ter hoogte van het plangebied, variëren van 66,0 dB (op referentiepunt 29906) tot en met 68,4 dB (op referentiepunt 29913). De geluidzone langs de spoorlijn bedraagt derhalve maximaal 600 meter.

Geluidgevoelige bestemmingen
Als een bestemming als geluidgevoelig is aangemerkt gelden de regels uit de Wgh. In de Wgh worden woningen als geluidgevoelig aangemerkt. Ziekenhuizen, verpleeghuizen, onderwijsinstellingen en kinderdagverblijven worden als andere geluidgevoelige gebouwen aangemerkt. Standplaatsen voor woonwagens en ligplaatsen in het water voor woonschepen worden als geluidgevoelige terreinen aangemerkt. Dit bestemmingsplan maakt nieuwe woningen en geluidgevoelige maatschappelijke functies mogelijk.

Voorkeurswaarde en maximaal toelaatbare geluidbelasting
In tabel 7.2 zijn de relevante voorkeurswaarden en maximaal toelaatbare geluidbelasting voor de geplande woningen en onderwijsvoorzieningen voor wegverkeers- en railverkeerslawaai weergegeven. Bij overschrijding van de voorkeurswaarde is onderzoek naar maatregelen noodzakelijk en/of kan ontheffing in de vorm van een hogere grenswaarde worden aangevraagd bij het college van Burgemeester en Wethouders. De geluidbelasting op de gevel van de locaties mag de in de Wgh genoemde maximale grenswaarde niet overschrijden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1100Zestienhoven-va02_0016.png"

Tabel 7.2: voorkeurswaarden en maximale ontheffingswaarden uit de Wgh voor weg- railverkeerslawaai

Daarnaast kent de Wgh nog het begrip 'vervangende nieuwbouw', specifiek voor woningen. Wanneer er geen sprake is van een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden of een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur, kan een hogere waarde tot 68 dB voor stedelijke wegen verleend worden, en een hogere waarde tot 63 dB voor snelwegen. Binnen dit plangebied ligt één locatie waar mogelijk sprake is van vervangende nieuwbouw, dit is Achterdijk 1.

7.4.1.2 Luchtvaartlawaai

Met ingang van 1 november 2009 is de Lvw gewijzigd en tegelijkertijd zijn het Besluit burgerluchthavens en de Regeling burgerluchthavens in werking getreden. Conform de “Wijzigingswet Wet luchtvaart (Regeling burgerluchthavens en militaire luchthavens)” van 18 december 2008 valt RTHA onder het regime van het Besluit burgerluchthavens. Dit betekent echter niet dat de gewijzigde Wet luchtvaart en het daarop gebaseerde Besluit burgerluchthavens per 1 november 2009 in volle omvang van toepassing zijn voor RTHA. In de wijzigingswet is namelijk een overgangsrecht opgenomen dat in een gefaseerde invoering van het nieuwe wettelijke regime voor luchthavens, waaronder RTHA, voorziet. Conform dit overgangsrecht zou uiterlijk vóór 1 november 2014 voor onder andere RTHA een luchthavenbesluit moeten zijn vastgesteld waarmee de geluidcontouren van 48 dB(A), 56 dB(A) en 70 dB(A) in Lden-waarden zouden worden vastgesteld. Dit is echter nog niet gebeurd. Het niet vaststellen van de geluidcontouren in de genoemde Lden-waarden is in de wet niet gesanctioneerd. Tot het tijdstip waarop de geluidcontouren van 48 dB(A), 56 dB(A) en 70 dB(A) in Lden-waarden worden vastgesteld blijft het regime van de Lvw van vóór 1 november 2009 van kracht.

Vigerende geluidcontouren

In verband met het bovenstaande geldt voor RTHA de Lvw zoals die gold vóór 1 november 2009. Conform deze wet gelden voor deze luchthaven het Besluit Geluidbelasting Grote Luchtvaart (BGGL) en het Besluit Geluidbelasting Kleine Luchtvaart (BGKL) als wettelijk kader. In het 'Wijzigingsbesluit van de Aanwijzing luchtvaartterrein RTHA' van 22 september 2010 zijn de huidige vigerende 35, 40, 45, 50 en 55 Ke-geluidcontouren conform variant 4c uit de MER Rotterdam Airport 2008 vastgesteld. De huidige vigerende 47 en 57 BKL-geluidcontouren zijn door middel van het 'Aanwijzingbesluit luchtvaartterrein Rotterdam Airport', 17 oktober 2001, vastgesteld. Ruimtelijke plannen dienen van rechtswege te worden getoetst aan deze geluidcontouren. In het BGGL is een voorkeurswaarde van 35 Ke aangegeven. In het BGKL is een voorkeurswaarde van 47 BKL aangegeven. Woningen tussen deze contouren en het vliegveld (waar de geluidbelasting dus hoger is) zijn alleen onder bepaalde voorwaarden of in bepaalde situaties mogelijk.

Verwacht Luchthavenbesluit

Hoewel de toetsing in dit bestemmingsplan heeft plaatsgevonden op basis van het vigerend beleid, speelt dit bestemmingsplan vast in op de verwachte situatie na inwerkingtreding van het nieuwe Luchthavenbesluit omdat het geactualiseerde Masterplan de grondslag voor dit bestemmingsplan vormt. De impact op geluidgevoelige woonbestemmingen in Park 16Hoven wordt vooral gevormd door het op meer realistisch gemodelleerde routes van het helikopterverkeer, die een uitstulping in de toekomstige geluidscontouren laten zien over Park 16Hoven. Op basis van de gegeven uit het concept-MER Rotterdam The Hague Airport (maart 2016) en de gegevens over de meer gespreide routes die de helikopters inmiddels vliegen, is de Actualisatie Masterplan 16Hoven opgesteld en in september 2017 vastgesteld als startnotitie bestemmingsplan Zestienhoven door de gemeenteraad van Rotterdam. Wanneer het Luchthavenbesluit te zijner tijd in werking treedt, kunnen de vastgestelde geluidscontouren worden ingepast, of via een parapluherziening worden verwerkt.

7.4.1.3 Rotterdams Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder

Het Rotterdamse ontheffingsbeleid is alleen van toepassing op nieuwe woningen waarvoor hogere waarden moeten worden vastgesteld en geldt niet voor aanwezige woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. Eén van de belangrijkste criteria van het gemeentelijke ontheffingsbeleid is het creëren van minimaal één geluidluwe gevel en indien van toepassing minimaal één geluidluwe buitenruimte per woning. Conform dit beleid wordt een gevel als geluidluw aangemerkt indien de geluidcumulatie van alle zoneplichtige (deel)bronnen binnen één bronsoort een bepaalde waarde niet overschrijdt. Voor wegverkeerslawaai is die waarde 53 dB en voor railverkeerslawaai 55 dB.

7.4.1.4 Motie Beynen

Naar aanleiding van een motie van de gemeenteraad van Rotterdam (bekend als motie Beynen, 12 februari 1998, nr. 28) hebben B&W toegezegd om alle mogelijke inspanningen te verrichten om geen nieuwbouw (van woningen) binnen de 20 Ke-contour van RTHA plaats te laten vinden. Slechts bij uitzondering kan in incidentele gevallen en bij zwaarwegende belangen medewerking aan de bouw in overweging worden genomen. Deze gevallen zullen ter afweging worden voorgelegd aan de betrokken raadscommissies. Voorts heeft het college de omliggende gemeenten in overweging gegeven ook af te zien van dergelijke plannen.

7.4.1.5 Actieplan Geluid Rotterdam

Uit de Geluidkaarten 2012 blijkt dat 374.000 Rotterdammers op een plek wonen met te veel geluid. Hiervan zijn ruim 105.000 Rotterdammers (ernstig) gehinderd door geluid. Door de geluidkaarten is de hinder door wegverkeer, railverkeer, luchtvaart en het industrielawaai van gezoneerde industrieterreinen in kaart gebracht. Het stedelijk wegverkeer geeft de meeste hinder (92.230 gehinderden). Om deze problematiek aan te pakken en om te voldoen aan de wettelijke verplichting heeft Rotterdam het Actieplan geluid 2013-2018 opgesteld. Dit actieplan richt zich dan ook met name op het wegverkeer. Bij de aanpak van geluid is uitgegaan van een geluidbelasting van 55 dB, de zogenaamde plandrempel, voor het gehele Rotterdamse grondgebied. De plandrempel is afgeleid van een advies van de Wereld Gezondheidsorganisatie. Vanaf 55 dB treden negatieve gezondheidsgevolgen op. In grote delen van de stad wordt de plandrempel van 55 dB overschreden. De plandrempel heeft betrekking op alle geluidbronnen afzonderlijk, dus zonder cumulatie van verschillende geluidbronsoorten. Wat de plandrempel voor wegverkeer betreft, is dat de gecumuleerde geluidbelasting van alle wegen zonder aftrek conform artikel 110g van de Wgh. De plandrempel is een signaalwaarde en wordt alleen gebuikt voor het kiezen en afwegen van maatregelen in het kader van het actieplan.

7.4.2 Onderzoeksresultaten

Dit bestemmingsplan bevat een aantal ontwikkellocaties waar nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt worden. Zie figuur 7.2. De nummers refereren aan de opsomming onder de figuur. Ontwikkellocatie 1 is komen te vervallen omdat deze geen onderdeel meer uitmaakt van het plangebied. Ook is vermeld tot op welke hoogte gerekend is, echter zal niet in alle gevallen tot deze hoogte gebouwd worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1100Zestienhoven-va02_0017.png"

Figuur 7.2: ontwikkellocaties met nieuwe geluidgevoelige functies.

Verklaring:

  • 1. Vervallen (locatie Schipholstraat);
  • 2. Reijsendaal, ca. 145 nieuwe woningen, maximaal ca. 11 of 17 meter hoog;
  • 3. Hof van Maasdam, ca. 540 nieuwe woningen en 5.000 m² maatschappelijke voorzieningen, maximaal ca. 17, 23 of 40 meter hoog;
  • 4. CPO-kavel Overschiese Kleiweg, 2 nieuwe woningen, maximaal ca. 11 meter hoog;
  • 5. De Buitenplaats locatie 1, ca. 70 nieuwe woningen in totaal met locaties 6 en 8, maximaal ca. 16 meter hoog;
  • 6. De Buitenplaats locatie 2, ca. 70 nieuwe woningen in totaal met locaties 5 en 8, maximaal ca. 20 meter hoog;
  • 7. Achterdijk 1, geen nieuwe woningen, wel mogelijkheden om bestaande woning op kavel te slopen en herbouwen (vervangende nieuwbouw), maximaal 10 meter hoog;
  • 8. De Buitenplaats locatie 3, ca. 70 nieuwe woningen in totaal met locaties 5 en 6, maximaal ca. 16 meter hoog;
  • 9. Particuliere kavels Rietzoom, 36 woningen in totaal met locaties 10, 11 en 12, maximaal 12 meter hoog;
  • 10. Particuliere kavels Rietzoom, 36 nieuwe woningen in totaal met locaties 9, 11 en 12, maximaal 12 meter hoog;
  • 11. Particuliere kavels Rietzoom, 36 nieuwe woningen in totaal met locaties 9, 10 en 12, maximaal 12 meter hoog;
  • 12. Particuliere kavels Rietzoom, 36 nieuwe woningen in totaal met locaties 9, 10 en 11, maximaal 12 meter hoog;
  • 13. Bovenbeek 2e fase gebouw noord, 20 nieuwe woningen, maximaal ca. 17 meter hoog;
  • 14. Bovenbeek 2e fase gebouw midden, 20 nieuwe woningen, maximaal ca. 14 meter hoog;
  • 15. Bovenbeek 2e fase gebouw zuid, 15 nieuwe woningen, maximaal ca. 13 meter hoog;
  • 16. Bovenbeek 2e fase vrije kavel, 1 nieuwe woning, maximaal 12 meter hoog;
  • 17. Uit te werken woonbestemmings Zuidelijke Uitloper, maximaal 5-7 woningen, maximaal ca. 11 meter hoog.

Bovengenoemde ontwikkellocaties zijn in de volgende paragrafen getoetst aan het in paragraaf 7.4.1 genoemde beleid. In paragraaf 7.4.4 is de conclusie opgenomen. De ontwikkellocaties zoals die in figuur 7.2 zijn weergeven betreffen globale vlekken om aan te duiden waar de onderzochte locaties liggen. In het akoestisch onderzoek zelf zijn deze locaties nauwkeuriger onderzocht. Daar zijn de bouwmogelijkheden op basis van de verbeelding en regels van dit bestemmingsplan aangehouden. Om die reden zijn er voor sommige locaties meerdere hogere waarden aangevraagd (zie paragraaf 7.4.3.4).

7.4.2.1 Wegverkeerslawaai

De geluidbelasting vanwege alle relevante zoneplichtige wegen is op de gevels van de ontwikkellocaties onderzocht. De geluidbelasting vanwege de Kleiweg inclusief tramverkeer, Melanchtonweg inclusief tramverkeer, Fairoaksbaan, Rotterdam Airportbaan, Linatebaan, Kastrupbaan, Zuiderlaan, Parallelstraat en Wouwerlaan ligt ruim onder de voorkeurswaarde van 48 dB. Om één en ander overzichtelijk te houden worden deze waarden verder buiten beschouwing gelaten. Uit het onderzoek blijkt dat de binnenstedelijke zoneplichtige wegen op (delen van) locaties 2, 3, 4, 5, 7, 13 en 16 geluidbelastingen van 49 dB of hoger veroorzaken (inclusief de aftrek conform artikel 110g van de Wgh). Nergens wordt de maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor binnenstedelijke wegen overschreden. Hogere waarden kunnen worden verleend als maatregelen niet mogelijk blijken. Zie paragraaf 7.4.3.

Ontwikkellocaties 7 en 17 liggen binnen de geluidzone van een buitenstedelijke weg, respectievelijk de A13 en A20. Op ontwikkellocatie 7 wordt de maximale ontheffingswaarde voor vervangende nieuwbouw niet overschreden, op ontwikkellocatie 17 wordt de reguliere maximale ontheffingswaarde wel overschreden. Hogere waarden kunnen op voorhand niet worden verleend voor deze locatie. In de uitwerkingsregels is daarom bepaald dat nader akoestisch onderzoek uit moet wijzen hoe toch kan worden voldaan aan de Wgh. Wanneer er een mogelijke verkaveling voor deze locatie is bedacht kan nader onderzoek uitwijzen welke hogere waarden er verleend moeten worden en waar dove gevels noodzakelijk zijn. Een groot deel van deze locatie ligt overigens buiten de geluidzone van de A20. Hier hoeft niet getoetst te worden aan de Wgh en hier zijn dus geen hogere waarden of dove gevels nodig.

A16Rotterdam

In de toekomst zal ten noorden van het plangebied de A16Rotterdam aangelegd worden. In het akoestisch onderzoek is rekening gehouden met de toekomstige rijksweg. Bij het onderzoek zijn conform de Wet geluidhinder de brongegevens uit het Geluidregister gebruikt (versie 22 december 2017). Het tracébesluit A16 dat de nieuwe A16Rotterdam mogelijk maakt (op 29 juni 2016 door de minister vastgesteld) is in het geluidregister verwerkt. Hierin zijn ook de toekomstige effecten op de Doenkade meegenomen. De toekomstige geluidzone van de A16 valt niet over één van de ontwikkellocaties binnen het plangebied. Ook de geluidzone van de in de toekomst te wijzigen Doenkade valt niet over één van de ontwikkellocaties. Verder is in de verkeersgegevens van de gemeentelijke wegen rekening gehouden met de invloed van de A16Rotterdam.

7.4.2.2 Railverkeerslawaai

In tabel 7.3 is de maximaal berekende geluidbelasting op de gevels van de ontwikkellocaties weergegeven als gevolg van het railverkeer. Railverkeerslawaai wordt veroorzaakt door de HSL en de spoorlijn Rotterdam - Gouda.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1100Zestienhoven-va02_0018.png"

Tabel 7.3: maximaal berekende geluidbelasting per ontwikkellocatie (railverkeerslawaai)

Uit tabel blijkt dat alleen op locatie 17 de voorkeurswaarde vanwege railverkeerslawaai wordt overschreden, zie hiervoor paragraaf 7.4.3. De maximaal toelaatbare geluidbelasting wordt daarbij niet overschreden. Hogere waarden kunnen verleend worden. Op de overige locaties blijft de geluidbelasting onder de voorkeurswaarde.

7.4.2.3 Luchtvaartlawaai

Zoals in paragraaf 7.4.1 is beschreven is er voor RTHA nog geen Luchthavenbesluit genomen waardoor er geen sprake is van Lden-waarden. Om die reden is onderzoek gedaan naar de nu vigerende Ke- en BKL-contouren. De contouren en de ontwikkellocaties zijn weergeven in figuur 7.3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1100Zestienhoven-va02_0019.png"

Figuur 7.3: Ke- en BKL-contouren RTHA en ontwikkellocaties.

Uit figuur 7.3 blijkt dat ontwikkellocaties 2 t/m 6 en 8 t/m 17 voldoen aan de voorkeurswaarden van 35 Ke (lichtgroen aangeduid) en 47 BKL (roze aangeduid). De geluidbelasting op ontwikkellocatie 7 overschrijdt de wettelijke voorkeurswaarden van 35 Ke en 47 BKL en bedraagt vanwege grote luchtvaart maximaal 40 Ke en vanwege kleine luchtvaart maximaal 57 BKL. Op deze locatie gaat het om eventuele vervanging van een reeds aanwezige woning door één (ruimere) woning binnen bestaand perceel. Er zal daarom geen sprake zijn van een toename van het aantal geluidgehinderden. Omdat het vervanging van een bestaande woning betreft, is op deze locatie conform het BGGL een geluidbelasting van 40 Ke en conform het BGKL een geluidbelasting van 57 BKL toelaatbaar.

Motie Beynen
Ontwikkellocaties 2 t/m 6 en 8 t/m 17 bevinden zich buiten de 20 Ke-geluidcontour en voldoen aan de motie Beynen. Ontwikkellocatie 7 ligt binnen de 20 Ke-geluidcontour en voldoet daardoor in beginsel niet aan de motie Beynen. Hier is echter geen sprake van een toename van het aantal geluidgehinderden ten opzichte van de huidige situatie waardoor de motie Beynen niet van toepassing is.

7.4.2.4 Cumulatie van geluid

De gecumuleerde geluidbelasting wordt bepaald als er sprake is van een overschrijding van de voorkeurswaarde bij een geluidgevoelige locatie door meer dan één soort geluidbron waarvoor een hogere waardeprocedure moet worden gevolgd. Op ontwikkellocatie 7 is er sprake van een overschrijding van de voorkeurswaarde vanwege wegverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Afhankelijk van het rekenpunt en de rekenhoogte ligt de geluidbelasting hier tussen 62 dB en 65 dB. Op locatie 17 is sprake van een overschrijding van de voorkeurswaarde vanwege rail en wegverkeerslawaai. Hier ligt de geluidbelasting tussen 58 dB en 62 dB, afhankelijk van het rekenpunt en de rekenhoogte.

7.4.3 Hogere waarden en maatregelen

Bij een overschrijding van een voorkeurswaarde uit de Wgh bestaat de verplichting om te onderzoeken of de geluidbelasting mogelijkerwijs door middel van maatregelen tot de voorkeurswaarde teruggebracht kan worden. Bij het toepassen van maatregelen wordt onderscheid gemaakt tussen maatregelen aan de bron, in de overdracht en bij de ontvanger. Een belangrijk criterium van het al dan niet treffen van maatregelen is de doeltreffendheid of redelijkheid van de maatregelen. In de volgende paragrafen is er per geluidbron ingegaan op mogelijke maatregelen.

Op (delen van) locaties 2, 3, 4, 5, 7, 13 en 16 wordt de voorkeurswaarde van 48 dB vanwege wegverkeerslawaai overschreden, en op locatie 17 wordt de voorkeurswaarde van 55 dB vanwege railverkeerslawaai overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Op locatie 17 wordt zowel de voorkeurswaarde als de maximale ontheffingswaarde voor wegverkeerslawaai voor een snelweg (53 dB) overschreden. Verder wordt de plandrempel van 55 dB uit het Rotterdams Actieplan geluid 2013-2018 bij de geplande woningen op locaties 2 t/m 5, 7, 13, 16 en 17 overschreden. In het kader van het Actieplan geluid moeten geluidsreducerende maatregelen ter beperking van de geluidbelasting worden overwogen.

7.4.3.1 Wegverkeerslawaai

Afhankelijk van de ontwikkellocatie zijn één of twee soorten wegen verantwoordelijk voor de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. Voor ontwikkellocatie 7 zijn dat zowel de Rijksweg (A13) als de stedelijke wegen, voor locatie 17 is dat alleen de Rijksweg (A20) en voor de overige ontwikkellocaties zijn dat alleen de stedelijke wegen. Voor locatie 17 geldt dat nader akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai zal plaatsvinden in het kader van het op te stellen uitwerkingsplan. Daarom zal deze locatie verder buiten beschouwing worden gelaten in deze paragraaf.

Rijksweg A13
De voorkeurswaarde voor woningen (48 dB) wordt vanwege de Rijksweg A13 op locatie 7 overschreden. Maatregelen op of aan rijkswegen vallen onder het domein van Rijkswaterstaat.

Bronmaatregelen

Als bronmaatregel kan gedacht worden aan snelheidsverlaging, vermindering van (vracht)verkeer en toepassing voor stiller wegdek. Gezien de belangrijke functie van deze weg zijn geen van deze maatregelen reëel. De kosten en verkeerskundige gevolgen van de eventuele maatregelen staan niet in relatie tot de baten.

Overdrachtsmaatregelen

Bij overdrachtsmaatregelen kan gedacht worden aan het vergroten van de afstand tussen bron en ontvanger of afschermende maatregelen zoals een geluidsscherm. De eerstgenoemde maatregel is niet aan de orde aangezien er een verdubbeling van de afstand tussen ontwikkellocatie en rijksweg nodig is om een geluidreductie van 3 dB te bereiken. Zowel de ontwikkellocatie als de rijksweg kunnen niet verplaatst worden.

Ontvangermaatregelen

Indien bron- en/of overdrachtsmaatregelen niet mogelijk of onvoldoende blijken te zijn om de geluidbelasting tot de voorkeurswaarde te beperken, moet bij woningen met een geluidbelasting hoger dan 53 dB (norm voor de geluidluwe gevel conform het ontheffingsbeleid Rotterdam) door een akoestisch gunstige indeling van woningen een goed akoestisch klimaat worden gecreëerd. Hierbij kan worden gedacht aan de situering van niet-geluidgevoelige functies aan de wegzijde en de situering van geluidgevoelige ruimtes, met name (hoofd)slaapkamers, voor zover mogelijk aan de minst belaste gevels. Conform het Bouwbesluit 2012 bedraagt de maximaal toelaatbare geluidbelasting vanwege een weg in een verblijfsgebied van een woning of onderwijsinstelling 33 dB. Het realiseren van een binnenwaarde van 33 dB in de beoogde woningen en onderwijsinstelling is door middel van aanvullende geluidwerende gevelvoorzieningen technisch en financieel haalbaar.

Stedelijke wegen
De voorkeurswaarde wordt op (delen van) locaties 2 t/m 5, 7, 13 en 16 overschreden. De maximale ontheffingswaarde vanwege gemeentelijke wegen wordt daarbij niet overschreden. De overschrijdingen vinden plaats vanwege de G.K. van Hogendorpweg, Van der Duijn van Maasdamweg, Woensdrechtstraat, Overschiese Kleiweg en Achterdijk.

Bronmaatregelen
Als bronmaatregel kan gedacht worden aan vermindering van (vracht)verkeer, snelheidsverlaging en/of toepassing van stillere wegdekken. Gelet op de (toekomstige) ontwikkelingen binnen en in de directe omgeving van het plangebied is een vermindering van (vracht)verkeer op de genoemde wegen niet aan de orde. Vanwege de verkeersfunctie van deze wegen is een snelheidsverlaging verkeerskundig niet gewenst. Het huidige wegdek van de Van der Duijn van Maasdamweg, Woensdrechtstraat en Achterdijk en de G.K. van Hogendorpweg ten noorden van het Limburg van Stirumplein bestaat uit dicht asfalt beton (DAB). Vervanging van DAB door een dunne geluidreducerende deklaag kan een geluidreductie opleveren van circa 4 dB. De te behalen geluidreductie is echter niet voldoende om daarmee de geluidbelasting vanwege deze wegen tot de voorkeurswaarde terug te dringen. Stille wegdekken zijn veelal slijtagegevoeliger dan DAB en kunnen veelal op wegen met hellingen, bochten of kruispunten (wegens wringend, optrekkend en afremmend verkeer) niet of slechts op een deel van de weg worden toegepast. Ze zijn daardoor minder effectief. Als toepassing van stille wegdekken op de onderhavige wegen als een mogelijke maatregel in overweging wordt genomen, zullen asfaltdeskundigen moeten worden gevraagd om te onderzoeken of voor deze wegen een stiller asfalt met de gewenste geluidreductie civieltechnisch toepasbaar en financieel haalbaar is. Vervolgens moet uit een nader akoestisch onderzoek blijken hoe effectief dat stille type wegdek is in deze situatie. Op de Overschiesse Kleiweg zijn momenteel klinkers in keperverband aanwezig. Door het vervangen van dit wegdek door asfalt, stille klinkers, een akoestisch geoptimaliseerd steenmastiekasfalt of een asfalt met een dunne geluidreducerende deklaag kan de geluidemissie van deze weg worden teruggebracht, afhankelijk van de verkeerssamenstelling, met maximaal 2 dB, 4 dB, 5dB respectievelijk 6 dB. Het vervangen van het wegdek is voor de aan geluid blootgestelde woningen niet zinvol omdat de parallel lopende G.K. van Hogendorpweg maatgevend is voor de geluidbelasting. Op de G.K. van Hogendorpweg ten zuiden van het Limburg van Stirumplein is reeds een geluidreducerende dunne deklaag toegepast. Stillere wegdektypen zijn op dit moment nog niet beschikbaar.

Overdrachtsmaatregelen
Bij overdrachtsmaatregelen kan worden gedacht aan afstandsvergroting en/of afschermende maatregelen. Een verdubbeling van de afstand tussen de weg en de ontvanger levert een geluidreductie op van 3 dB. De te behalen geluidreductie hangt af van de mate van de afstandvergroting en moet blijken uit een nader geluidonderzoek. Binnen het profiel van de G.K. van Hogendorpweg is in principe ruimte beschikbaar voor een geluidscherm ten behoeve van locatie 4 en een deel van locatie 3. Het effect en de doelmatigheid van een dergelijk scherm worden beperkt door de kruising met het Limburg van Stirumplein waardoor de afscherming wordt onderbroken. Voor de andere wegen geldt dat deze zich in een stedelijk gebied bevinden. Het aanbrengen van een geluidscherm langs deze wegen is vanuit verkeerskundig en stedenbouwkundig oogpunt niet mogelijk/wenselijk.

Ontvangermaatregelen
Indien bron- en/of overdrachtsmaatregelen niet mogelijk of onvoldoende blijken te zijn om de geluidbelasting tot de voorkeurswaarde te beperken, moet bij woningen met een geluidbelasting hoger dan 53 dB (norm voor de geluidluwe gevel conform het ontheffingsbeleid Rotterdam) door een akoestisch gunstige indeling van woningen een goed akoestisch klimaat worden gecreëerd. Hierbij kan worden gedacht aan de situering van niet-geluidgevoelige functies aan de wegzijde en de situering van geluidgevoelige ruimtes, met name (hoofd)slaapkamers, voor zover mogelijk aan de minst belaste gevels. Conform het Bouwbesluit 2012 bedraagt de maximaal toelaatbare geluidbelasting vanwege een weg in een verblijfsgebied van een woning of onderwijsinstelling 33 dB. Het realiseren van een binnenwaarde van 33 dB in de beoogde woningen en onderwijsinstelling is door middel van aanvullende geluidwerende gevelvoorzieningen technisch en financieel haalbaar.

7.4.3.2 Railverkeerslawaai

Als gevolg van het railverkeer wordt de voorkeurswaarde voor woningen (55 dB) op locatie locatie 17 met 4 dB overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting voor woningen (68 dB) wordt daarbij niet overschreden.

Bronmaatregelen
Hierbij kan worden gedacht aan het toepassen van een stillere bovenbouw, het toepassen van raildempers, het akoestisch slijpen van rails, het vervangen van bestaand materieel en het verlagen van de intensiteiten op het spoor. Het verlagen van de intensiteiten of het vervangen van materieel is gezien de functie en het gebruik van de spoorlijn niet aan de orde. Momenteel is er bij het spoor ter hoogte van het plangebied sprake van een bovenbouw van rails op hout/zigzagbeton in ballastbed (bovenbouwcode 2). Door deze bovenbouw te vervangen door rails op betonblokken (mono of duoblokken in ballastbed, bovenbouwcode 1) kan de geluidemissie van het spoor worden gereduceerd met ongeveer 2 dB. Door aanvullend raildempers toe te passen kan de geluidemissie met nog een 2 tot 3 dB worden gereduceerd. Hierdoor kan ook op locatie 17 de geluidbelasting tot onder de voorkeurswaarde worden teruggebracht en daalt de geluidbelasting tot onder de voorkeurswaarde voor woningen (55 dB). Het toepassen van de bovenstaande bronmaatregelen is aan de spoorbeheerder Prorail.

Overdrachtsmaatregelen
Hierbij kan worden gedacht aan afstandsvergroting en/of afschermende maatregelen. Een afdoende afstand vergroting op locatie 17 zou het bouwoppervlak te veel beperken om woningbouw op deze locatie rendabel te houden. Gezien de geringe overschrijdingen ten opzichte van de voorkeurswaarde op de locaties is het toepassen van geluidschermen in het kader van dit bestemmingsplan financieel niet doelmatig.

Ontvangermaatregelen
Indien bron- en/of overdrachtsmaatregelen niet mogelijk of onvoldoende blijken te zijn om de geluidbelasting tot de voorkeurswaarde te beperken, moet bij woningen met een geluidbelasting hoger dan 55 dB (norm voor de geluidluwe gevel conform het ontheffingsbeleid Rotterdam) door een akoestisch gunstige indeling van woningen een goed akoestisch klimaat worden gecreëerd. Hierbij kan worden gedacht aan de situering van niet-geluidgevoelige functies aan de spoorzijde en de situering van geluidgevoelige ruimtes, met name (hoofd)slaapkamers, voor zover mogelijk aan de minst belaste gevels. Conform het Bouwbesluit 2012 bedraagt de maximaal toelaatbare geluidbelasting vanwege een spoorweg in een verblijfsgebied van een woning of onderwijsinstelling 33 dB. Het realiseren van een binnenwaarde van 33 dB in de beoogde woningen en onderwijsinstelling is door middel van aanvullende geluidwerende gevelvoorzieningen technisch en financieel haalbaar.

7.4.3.3 Rotterdams ontheffingenbeleid

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat alle beoogde nieuwe woningen op de ontwikkellocaties kunnen beschikken over minimaal één geluidluwe gevel, en indien van toepassing een geluidluwe buitenruimte, en voldoen daarmee aan het ontheffingsbeleid van de gemeente Rotterdam.

7.4.3.4 Hogere waarden

In de vorige paragrafen is aangetoond dat het niet haalbaar of doelmatig is om bron- en overdrachtsmaatregelen te treffen vanwege het wegverkeerslawaai of railverkeerslawaai. Indien geen bron- en/of overdrachtsmaatregelen worden getroffen, is het niet mogelijk om de geluidbelasting tot de voorkeurswaarde te beperken. In dat geval dienen de maximaal berekende geluidbelastingen als hogere waarden te worden aangevraagd. Deze waarden zijn bij het college van Burgemeester en Wethouders ten behoeve van het bestemmingsplan als hogere waarden aangevraagd en vastgesteld, zie Bijlage 2.

7.4.4 Conclusie

Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeer-, railverkeer- en luchtvaart lawaai. Daaruit blijkt dat op alle ontwikkellocaties voldaan kan worden van de maximale ontheffings- of grenswaarden, met uitzondering van locatie 17. Voor deze locatie zal nader akoestisch onderzoek uitgevoerd worden bij het uitwerkingsplan. Wel wordt op locaties 2, 3, 4, 5, 7, 13 en 16 de voorkeurswaarde overschreden. Voor deze locaties zijn hogere waarden verleend. Het aspect 'geluid' vormt geen beperking voor de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan.

7.5 Luchtkwaliteit

Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan.

De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald. Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden.

Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als:

  • er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden;
  • de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft;
  • er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect;
  • het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling;
  • de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld.

In de Regeling NIBM zijn categorieën van gevallen aangewezen die worden aangemerkt als NIBM projecten. Voor pure woningbouw betekent dit dat bij een eenzijdige verkeersontsluiting niet meer dan 1.500 nieuwe woningen mogen worden gebouwd onder het NIBM regime en bij een tweezijdige ontsluiting 3.000 woningen.


Rotterdams beleid
Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan.
Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn.

7.5.1 Onderzoek ontwikkelingen

De luchtkwaliteit is in gemengde- en woongebieden met name afhankelijk van de verkeersaantrekkende werking van de in dat gebied aanwezige functies. Elke functie (wonen, detailhandel, bedrijvigheid etc.) heeft een bepaalde verkeersaantrekkende werking. Zo heeft detailhandel de grootste verkeersaantrekkende werking, terwijl een kantoor of horeca relatief weinig verkeer aantrekt. Op bepaalde vormen van onderwijs na (middelbaar, hoger en voortgezet onderwijs) hebben woningen de laagste verkeersaantrekkende werking. Dit bestemmingsplan maakt de volgende ontwikkelingen mogelijk die mogelijk een effect hebben op de luchtkwaliteit:

  • ca. 850 nieuwe woningen;
  • ca. 750 m² nieuwe detailhandel;
  • ca. 5.000 m² nieuwe maatschappelijke voorzieningen;
  • ca. 650 m² (vervallen naar aanleiding van uitspraak Raad van State) 150 m² nieuwe horeca;
  • ca. 4.5 ha bedrijventerrein voor circulaire economie.

Een groot deel van deze functies was echter al mogelijk op basis van het vorige bestemmingsplan en daarom hoeven de effecten op de luchtkwaliteit niet opnieuw onderzocht te worden. Voor de meeste functies geldt bovendien dat er sprake is van een afname ten opzichte van het programma uit dat bestemmingsplan. Zo neemt het te realiseren aantal woningen af met ca. 40, en komt er 1.500 m² detailhandel en 3.000 m² kantoren te vervallen. Het programma horeca blijft ongeveer gelijk. De enige toename zit in het aantal m² onderwijsvoorzieningen, in het vorige bestemmingsplan was 3.000 m² toegestaan versus 5.000 m² in dit plan, en het nieuwe bedrijventerrein ten behoeve van circulaire economie. Vanwege het extensieve karakter van de laatstgenoemde functie is de verkeersaantrekkende werking hiervan echter te verwaarlozen.

De gevolgen van de toename van het maatschappelijke programma op de luchtkwaliteit worden echter ruimschoots gecompenseerd door het vervallen van het kantoren- en detailhandelsprogramma. Detailhandel genereert per 100 m² b.v.o. ca. 84 motorvoertuig-ritten per etmaal, en kantoren genereren per 100 m² b.v.o. ca. 8 ritten per etmaal, wat betekent dat het vervallen van dit programma ervoor zorgt dat er ca. 1.500 ritten minder plaatsvinden. De 1.500 m² extra maatschappelijke voorzieningen genereren ca. 332 ritten per etmaal wanneer wordt uitgegaan van een combinatie van basisschool en kinderdagverblijf. Netto is er sprake van een afname van ca. 1.200 ritten, waar nog de vervallen ritten bijkomen als gevolg van het verminderde woningprogramma. Nader onderzoek naar de gevolgen op de luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.

7.5.2 Onderzoek huidige luchtkwaliteit

Grenswaarden
De in de Wet luchtkwaliteit genoemde grenswaarde voor stikstofdioxide (NO2) geldt vanaf 01- 01-2015 en is 40 µg/m3. De grenswaarde voor fijnstof (PM10) is 40 µg/m3 en geldt sinds 01- 07-2011. Het aantal dagen waarop de daggemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 voor PM10 mag worden overschreden is 35. Deze daggemiddelde grenswaarde wordt overschreden bij een jaargemiddelde concentratie van 32,4 µg/m3 en hoger.

Actuele waarden
Volgens de NSL Monitoringstool-2017 wordt in het plangebied aan de grenswaarde voor NO2 voldaan. Ook wordt aan de grenswaarden (daggemiddelde en jaargemiddelde) voor fijnstof voldaan. De concentraties van de overige stoffen die ingevolge de Wet luchtkwaliteit moeten worden getoetst zijn zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen, lood en de uurgemiddelde grenswaarde van stikstofdioxide (NO2). De waarden van deze stoffen liggen in Rotterdam en omgeving ruim onder de grenswaarden en worden daarom buiten beschouwing gelaten.

7.5.3 Conclusie

De planologische mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt in vergelijking met het vorige bestemmingsplan zorgen voor een afname van het aantal ritten en dus een afname van negatieve effecten op de luchtkwaliteit. De huidige luchtkwaliteit voldoet aan de relevante grenswaarden. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen beperking voor de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.

7.6 Bodem

De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is.

7.6.1 Plangebied

De Indicatieve Bodemkwaliteitkaart Rotterdam (IBR) geeft een indicatie van de mate waarin de bodem in een bepaald gebied is verontreinigd. Wat algemene bodemkwaliteit betreft bestaat de verwachting dat het plangebied in de contactzone (van 0 tot 1 meter beneden maaiveld) licht verontreinigd is ter plaatse van Reijsendaal, Hof van Maasdam en de andere nieuwbouwlocaties voor woningen. Ondanks de lichte verontreiniging is de kwaliteit voldoende voor de functie wonen. Voor een deel van de toekomstige kavel voor circulaire economie bestaat het vermoeden dat de bodem sterk verontreinigd is. Hier is echter concreet vervolgonderzoek uitgevoerd dat uitwijst dat de bodem niet verontreinigd is en dat vervolgonderzoek achterwege kan blijven.

De verwachte algemene bodemkwaliteit in de zone van 1 tot 2 meter beneden maaiveld is voor het hele plangebied 'zeer licht verontreinigd', wat betekent dat de verwachting bestaat dat deze geschikt is voor de functie wonen.

In het verleden zijn diverse verkennende en nadere bodemonderzoeken uitgevoerd in het gebied om de daadwerkelijke bodemkwaliteit in beeld te brengen. De onderzoeken zijn om diverse redenen uitgevoerd, bijvoorbeeld voor de aanleg van de HSL of de aankoop van voormalige sportvelden. Vanwege de veelheid aan onderzoeken en de verwachte goede bodemkwaliteit op basis van de IBR worden niet al deze onderzoeken afzonderlijk behandeld in dit bestemmingsplan. Hoe dan ook moet voor de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het bouwen van de nieuwe woningen en andere functies een bodemonderzoek uitgevoerd worden om de daadwerkelijke bodemkwaliteit inzichtelijk te maken.

7.6.2 Conclusie

Het aspect 'bodemkwaliteit' vormt geen beperking voor de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.

7.7 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op -en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid.

Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spooren buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. De circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRnvgs) beschrijft het beleid van de overheid over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. De zone is 40 meter bij zeeschepen en 25 meter voor binnenvaartschepen. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriëntatiewaarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag.

Rotterdams beleid
De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR).

Plangebied
In de omgeving van het plangebied zijn een aantal risicobronnen aanwezig die relevant zijn voor de externe veiligheid. Het betreft RTHA, een LPG-tankstation, de spoorlijn Rotterdam - Gouda, de A20 en de A13. In de onderstaande paragrafen wordt nader ingegaan op deze risicobronnen.

7.7.1 Transport gevaarlijke stoffen over weg

De A13 grenst in het noordwesten direct aan het plangebied, evenals de A20 ter plaatse van de zuidelijke uitloper. In de toekomst zal ook de A16 Rotterdam in de nabijheid van het plangebied liggen. De afstand tot de ontwikkellocaties is echter relatief groot.

Plaatsgebonden risico
Voor de A20 gelden volgens de Regeling basisnet de volgende PR-10-6 plafonds (gemeten vanaf het midden van de weg):

  • Knooppunt Kethelplein - knooppunt Kleinpolderplein (wegvak Z49): 20 meter;
  • Knooppunt Kleinpolderplein – afrit 14 Rotterdam centrum (wegvak Z50): 10 meter;
  • Knooppunt Terbregseplein - afrit 14 Rotterdam Centrum (wegvak Z125): 11 meter;

Omdat deze contouren buiten het plangebied vallen hebben zij geen betekenis.

Voor de A13 nabij Overschie geldt het volgende PR-plafond (gemeten vanaf het midden van de weg):

  • afrit 11 (Berkel en Rodenrijs) – knooppunt Kleinpolderplein: 6 meter.

Omdat deze contour buiten het plangebied valt is zij van geen betekenis.

Plasbrandaandachtsgebied
Binnen het plasbrandaandachtsgebied van 30 meter vanaf de rand van beide rijkswegen vinden geen ontwikkelingen plaats.

Groepsrisico
De meest dichtbij gelegen ontwikkellocatie (Zuidelijke Uitloper) ligt op 700 meter van de A20. Vanwege de grote afstand gaat er geen invloed uit op het groepsrisico, en omdat de overige ontwikkellocaties op nog grotere afstand liggen geldt daarvoor hetzelfde. Het bestaande groepsrisico bedraagt 0,8 maal de oriëntatiewaarde (bron: 'Externe veiligheid Bestemmingsplan Franciscus', Ingenieursbureau Rotterdam, 21 oktober 2014, v.0.4, project 2013- 0006).

De meest dichtbij gelegen ontwikkellocatie (de mogelijke vervangende nieuwbouw aan de Achterdijk 1) ligt op 220 meter van de A13. Vanwege de grote afstand gaat er geen invloed uit op het groepsrisico, en omdat de overige ontwikkellocaties op nog grotere afstand liggen geldt daarvoor hetzelfde. Het bestaande groepsrisico bedraagt 0,6 maal de oriëntatiewaarde (bron: 'Externe Veiligheid Bestemmingsplan Overschie', Ingenieursbureau Rotterdam, 6 november 2015, v.0.3., project 2013- 0006).

A16 Rotterdam

In het kader van het Tracébesluit A16 Rotterdam is door Rijkswaterstaat onderzoek gedaan naar het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van deze nieuwe rijksweg die op dit moment wordt aangelegd en in 2023 operationeel zal zijn. De Doenkade wordt geïntegreerd in de nieuwe rijksweg. In bijlage H (Rapport externe veiligheid) van het Tracébesluit staat vermeld dat de PR 10-6 contour 0 meter bedraagt, de PR 10-7 contour 87 meter en de PR 10-8 contour 431 meter. Het groepsrisico van het deel van de rijksweg langs het vliegveld ligt in de autonome situatie (2023) ruim onder de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico bedraagt minder dan 10% van de oriëntatiewaarde. Het PR 10-6 en het plasbrandaandachtsgebied reiken bij lange na niet tot aan één van de ontwikkellocaties binnen het plangebied, de dichtstbijzijnde ontwikkellocatie (Achterdijk 1) ligt op ca. 800 m afstand. Op een dergelijke afstand (buiten de PR 10-8) is de bijdrage van de ontwikkelingen binnen het plangebied aan het GR van de A16 Rotterdam verwaarloosbaar.

7.7.2 Transport gevaarlijke stoffen over rail

De spoorlijn Rotterdam - Gouda grens ter plaatse van de zuidelijke uitloper direct aan het plangebied. De kortste afstand tussen de spoorlijn en het te ontwikkelen woongebied is ca. 500 meter.

Plaatsgebonden risico
Het 10-6 per jaar plaatsgebonden risico van dit traject ligt volgens de Regeling basisnet 7 meter uit het hart van de spoorbundel. Voor dit bestemmingsplan betekent dit dat het 10-6 per jaar plaatsgebonden risico geen belemmering vormt omdat er geen nieuwe ontwikkelingen in deze zone mogelijk worden gemaakt.

Plasbrandaandachtsgebied
Binnen het plasbrandaandachtsgebied van 30 meter vanaf de rand van het spoor maakt dit bestemmingsplan geen ontwikkelingen mogelijk.

Groepsrisico
De meest dichtbij gelegen ontwikkellocatie (Zuidelijke Uitloper) ligt op 315 meter van de spoorweg. Vanwege de grote afstand gaat er geen invloed uit op het groepsrisico, en omdat de overige ontwikkellocaties op nog grotere afstand liggen geldt daarvoor hetzelfde. Het bestaande groepsrisico bedraagt 0,2 maal de oriëntatiewaarde (bron: 'Externe veiligheid Bestemmingsplan Franciscus', Ingenieursbureau Rotterdam, 21 oktober 2014, v.0.4, project 2013- 0006).

7.7.3 Luchtvaart

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico van het vliegverkeer is weergegeven in figuur 7.4 (bron: notitie Groepsrisicobeleid vanwege luchtvaart in de omgeving van Rotterdam The Hague Airport van 16 december 2014 van Provincie Zuid Holland). De rode en oranje contour in deze figuur vertegenwoordigen respectievelijk de plaatsgebonden risicocontouren van 10-6 en 10-7 per jaar. De ontwikkellocaties vallen buiten de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar en vormen daardoor geen belemmering voor dit plan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1100Zestienhoven-va02_0020.png"

Figuur 7.4: plaatsgebonden risicocontouren en verantwoordingsgebied groepsrisico RTHA

Groepsrisico
Voor het groepsrisico is paragraaf 3.2.1 uit het genoemde Groepsrisicobeleid vanwege luchtvaart in de omgeving van Rotterdam The Hague Airport (16 december 2014 van Provincie Zuid Holland) van toepassing. In dit beleid is voorgeschreven dat het groepsrisico in de omgeving van de luchthaven wordt bepaald voor vierkante kavels van 250 meter bij 250 meter met behulp van de Airport Risk Tool (ART). In de beleidslijn is tevens een kaart van het verantwoordingsgebied groepsrisico opgenomen. Van de ontwikkellocaties valt alleen de Achterdijk 1 (waar de woon- en tuinbestemming is omgezet in een bedrijfsbestemming met bedrijfswoning) binnen het verantwoordingsgebied. Voor deze locatie is het effect van de voorgenomen ontwikkeling met ART berekend. Hierbij is rekening gehouden met de aanwezigheid van één woning (de huidige en dus geen toename), en verder met de randvoorwaarde dat er alleen overdag ten hoogste 27 personen tegelijk op het perceel aanwezig zijn als gevolg van nieuwe bedrijfsmatige functies. De 27 personen zijn gebaseerd op de 800 m² bestaande bedrijfsbebouwing en de gemiddelde bezetting van een kantoor (1 persoon per 30 m²). Het rekenresultaat van de berekening, uitgedrukt als factor ten opzichte van de oriëntatiewaarde, is 0,12 maal de oriëntatiewaarde. In de huidige situatie is het groepsrisico 0,11 maal de oriëntatiewaarde. Omdat het groepsrisico kleiner is dan 10% van de oriëntatiewaarde is een nadere verantwoording niet aan de orde.

7.7.4 LPG-tankstation Melanchtonweg 151

Dit tankstation ligt net ten oosten van het plangebied, op ca. 180 meter van de bestaande woningen aan de Overschiese Kleiweg.

Plaatsgebonden risicocontouren
Voor dit LPG-tankstation dat een doorzet van maximaal 1.000 m3 per jaar heeft (Wm vergunning van 11-12-2006 van het DB van de Deelgemeente Hilligersberg - Schiebroek) moet rekening gehouden worden met de volgende PR10-6 afstanden, waarbinnen geen (geprojecteerde) kwetsbare objecten zijn toegestaan; en beperkt kwetsbare objecten alleen als sprake is van gewichtige redenen:

  • 45 meter vanaf het vulpunt;
  • 25 vanaf de ondergrondse tank en;
  • 15 meter vanaf de afleverzuil.

Binnen deze PR10-6 afstanden zijn in de huidige situatie geen kwetsbare objecten en ook geen beperkt kwetsbare objecten aanwezig, het nieuwe bestemmingsplan maakt deze ook niet mogelijk.

Groepsrisico
Binnen de invloedsafstand van 150 meter van het vulpunt en de ondergrondse voorraadtank is de bebouwingsdichtheid gering. Een groot deel van het invloedsgebied ligt buiten het plangebied en wordt ingenomen door Van Limburg Stirumplein, het tankstation zelf en een deel van de Melanchtonweg. Oostelijk van het tankstation ligt in de zone van 75-150 meter ten opzichte van het vulpunt een bedrijf (de sociale werkplaats) en zes woningen. Het groepsrisico is berekend met de LPG tool en bedraagt minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Dit groepsrisico neemt door het bestemmingsplan niet toe. Reden hiervoor is dat er geen ontwikkelingen binnen de invloedsafstanden van het vulpunt en de ondergrondse tank liggen.

7.7.5 Conclusie

Voor alle risicobronnen geldt dat het plaatsgebonden risico geen beperking vormt voor de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. Het groepsrisico van de spoorlijn, A20, A13 en het LPG-tankstation verandert niet door de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan. De toename van het groepsrisico van RTHA is verwaarloosbaar en hoeft niet verantwoord te worden. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen beperking voor de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.

7.8 Natuur

Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn.

De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen; -het behouden en ontwikkelen van natuur, - het behouden en herstellen van de biodiversiteit, -het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en -het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur.

Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming nog niet uitgewerkt.

De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming. Het begrip 'aanvaardbaar' betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Wel wordt onderzocht of de nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen onoverbrugbare strijdigheden met de Wet natuurbescherming opleveren (aanvaardbaarheidstoets).

Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna.

7.8.1 Onderzoek

In het kader van de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt is ecologisch onderzoek uitgevoerd. In de volgende paragrafen zijn de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek opgenomen. Voor meer uitgebreide informatie wordt verwezen naar het onderzoek zelf in Bijlage 1.

7.8.1.1 Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden

Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is de Oude Maas, op ca. 10 km afstand van het bestemmingsplangebied. Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats liggen op een afstand van tenminste 20 kilometer van het bestemmingsplangebied (dit betreffen onder andere Nieuwkoopse Plassen & De Haek en Solleveld & Kapittelduinen). In paragraaf 7.8.1.4 wordt nader ingegaan op de effecten van dit bestemmingsplan op stikstofgevoelige gebieden.

Natuurnetwerk Nederland

Het meest nabij gelegen Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de Polder Schieveen, op ca. 140 meter ten noorden van het bestemmingsplangebied. Dit gebied heeft als beheertype N13.01 Vochtig weidevogelgrasland. Het meest nabij gelegen Belangrijk Weidevogelgebied is de Polder Schieveen, op ca. 750 meter ten noorden van het bestemmingsplangebied. Dit bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk binnen deze gebieden, waardoor er geen negatieve effecten zijn op de instandhoudingsdoeleinden.

Rotterdamse Natuurkaart

Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. In dit beleidsinstrument zijn de ambities van de gemeente Rotterdam op het gebied van de ecologie en natuur vastgelegd. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is. De Natuurkaart is een instrument om ruimtelijke ontwikkelingen te ondersteunen. De kaart geeft kerngebieden waar hoge ecologische waarden aanwezig zijn of verwacht kunnen worden en de reeds aanwezige verbindingszones tussen deze kerngebieden en de verbindingszones met het Natuurnetwerk. De Rotterdamse Natuurkaart signaleert ook de knelpunten in de ecologische structuur. In de Rotterdamse Natuurkaart is geen verbinding gemaakt met het Rotterdamse duurzaamheidsbeleid. Op de natuurkaart is te zien dat in het westelijk deel van het bestemmingsplangebied 'Parkbos en Polder met Natuurbeheer' aanwezig is. Verspreid in een lijnvormige structuur is groene wijkdooradering aanwezig. Dit betreffen bomen langs de Overschiese Kleiweg en de Achterdijk. De G.K. van Hogendorpweg wordt gekenmerkt als een Droog lint. Kansen voor vergroting van de biodiversiteit zijn te vinden in:

  • Versterking groene wijkdooradering door behoud en aanvulling bomenlanen Van der Duijn van Maasdamweg en Woensdrechtstraat. Deze stroken, eventueel versterkt met bloemrijk mengsel in de onderbegroeiing bieden kansen voor planten, insecten, kleine grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en vogels om Polder Zestienhoven te doorkruisen en te bewonen;
  • Aanleg natuurvriendelijke oevers en overige maatregelen voor verbetering waterkwaliteit. In de waterpartijen en watergangen kunnen vispaaiplaatsen worden aangelegd. De singel langs de Beekweg en de hierop aansluitende watergangen lenen zich hier uitstekend voor. Hier zijn de genoemde maatregelen reeds gerealiseerd. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de ecologische biodiversiteit;
  • Daarnaast kunnen verbindingen worden aangelegd tussen deze gebieden. Gedacht kan worden aan het realiseren van een ecologische verbinding parallel aan de Van der Duijn van Maasdamweg. De hoge bomen langs deze weg kunnen een belangrijk dragend element vormen als verbinding. Ook watergangen en waterpartijen in de woongebieden en bedrijventerreinen vormen potentiële verbindingszones. Op diverse locaties zijn deze verbindingen inmiddels gerealiseerd.

7.8.1.2 Soortenbescherming

Soorten vogelrichtlijn

In de natuurdatabase zijn in het bestemmingsplangebied waarnemingen van vogels met jaarrond beschermde nesten aanwezig. Dit betreft meerdere waarnemingen van de huismus op het terrein van V.T.V. 'Zestienhoven' aan de Terletweg, in het nooddorp Landzicht en in de omgeving van de Schipholstraat. Het kan niet worden uitgesloten dat er meerdere locaties met huismussen aanwezig zijn omdat het plangebied potentieel geschikt habitat is als vaste rust- en verblijfplaats of voortplantingsplaats. Voor overige vogels met een jaarrond beschermde verblijfplaats in de gebouwen (zoals Gierzwaluw) is het bestemmingsplangebied eveneens geschikt. Voor vogels met jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen in bomen is het plangebied zeer geschikt. In het westelijk deel van het bestemmingsplangebied zijn voortplantingsplaatsen van boomvalk, buizerd, ransuil en ooievaar aanwezig. Naast deze beschermde soorten kunnen algemene en minder algemene boom-, struweel-, gebouw- en dakbroedende vogelsoorten in het bestemmingsplangebied verwacht worden, zoals Groenling, Goudhaan, Vink, Zwarte roodstaart, IJsvogel, Kleine karekiet, Wilde eend, Torenvalk, Pimpelmees, Koolmees en Grote bonte specht. Verder is er een Blauwe reigerkolonie aanwezig in het westelijk deel van het plangebied.

Soorten habitatrichtlijn

In de natuurdatabase is in het bestemmingsplangebied zijn waarnemingen van vleermuizen bekend. Dit betreffen waarnemingen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, meervleermuis en watervleermuis. De bebouwing in het plangebied is geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. De oudere bomen zijn geschikt als verblijfplaats voor boombewonende soorten (Ruige dwergvleermuis, Rosse vleermuis en Watervleermuis). Er zijn op diverse locaties vleermuis- en vogelkasten aangebracht die geschikt zijn voor vleermuizen. Binnen het gebied zijn meerdere lijnvormige structuren aanwezig zoals watergangen, bomenrijen, wegen, gevellijnen, parken en tuinen, die door vleermuizen gebruikt kunnen worden als functioneel leefgebied, foerageergebied en/of (essentiële) vliegroute. Het parkgebied in het westen en de Overschiese Plasjes zijn aangemerkt als essentieel foerageergebied. Voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied en essentiële vliegroutes zijn in de Wet natuurbescherming strikt beschermd.

Ten behoeve van de ontwikkeling van Park 16Hoven heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) ontheffing verleend (kenmerk FF/75C/2016/0614, d.d. 14-06-2017) van een aantal verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Het gaat om een ontheffing voor het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis, en het vernielen en beschadigen van vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis in de periode 2017 tot en met 2021. Het gaat om de volgende werkzaamheden:

  • kap- en rooiwerkzaamheden,
  • dempen en graven van watergangen,
  • aanleg van een brug,
  • samenvoegen van peilgebieden en
  • grondwerkzaamheden.

Bij de ontheffing hoort een ecologisch werkprotocol (projectcode P16H-U205, IB gemeente Rotterdam, d.d. 25-01-2018).

Het plangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren, opgenomen in de Habitatrichtlijn, zoals Bever, Noordse woelmuis en Otter. Het gebied is ook ongeschikt voor reptielen, amfibieën en vissen uit de Habitatrichtlijn.

Nationaal beschermde soorten en aandachtssoorten

In het plangebied kunnen nationaal beschermde grondgebonden zoogdieren worden verwacht. Dit betreffen soorten waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt. Met name egel, haas, konijn, vos en meerdere soorten (spits)muizen kunnen zich goed handhaven in de stadsrand met parken en een stedelijke omgeving. De Steenmarter wordt sinds enige jaren in de wijdere omgeving van het plangebied waargenomen. Geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen zijn in het bestemmingsplangebied, voor zover bekend, afwezig. Het plangebied kan worden gebruikt als functioneel leefgebied (jachtgebied). Er dient rekening mee te worden dat het plangebied in potentie geschikt is voor vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van steenmarter. De watergangen zijn ongeschikt voor nationaal beschermde soorten vissen (zoals de Grote modderkruiper). Wel kunnen in de visrijke wateren de volgende aandachtssoorten worden aangetroffen: Bittervoorn, Kleine modderkruiper, Kroeskarper en Vetje en de algemenere soorten als Baars, Blankvoorn, Kolblei, Ruisvoorn en Snoek. Verder kunnen nationaal beschermde amfibieën worden verwacht waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt. Voorbeelden zijn de Bruine kikker, Gewone pad en Kleine watersalamander, Meerkikker en Bastaardkikker. Het plangebied is ongeschikt voor nationaal beschermde muur- en vaatplanten, er komen wel een aantal aandachtssoorten zoals de Brede wespenorchis en Bosaardbei.

7.8.1.3 Effecten van de ontwikkelingen op natuurgebieden en flora en fauna

Effecten op beschermde en waardevolle natuurgebieden

Het bestemmingsplangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke weidevogelgebieden. Het bestemmingsplan voorziet niet in ontwikkelingen die impact zullen hebben op het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke weidevogelgebieden, vanwege de afstand tussen het plangebied en deze gebieden. Ten aanzien van stikstofdepositie wordt verwezen naar paragraaf 7.8.1.4.

Effecten op (beschermde) soorten

Reijsendaal en Hof van Maasdam

Functioneel leefgebied en vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van vleermuizen kunnen hier aanwezig zijn. Functioneel leefgebied van buizerd kan hier aanwezig zijn. Deze ontwikkellocatie is tevens potentieel geschikt voor algemene broedvogels en vogels met niet jaarrond beschermde nesten, vrijgestelde Nationaal beschermde soorten en Aandachtssoorten. Voor de uitvoering van de werkzaamheden is in 2017 ontheffing van de Wet natuurbescherming verleend. Er dient gewerkt te worden conform de voorwaarden die zijn gesteld in de verleende ontheffing en het opgestelde ecologisch werkprotocol. Indien er werkzaamheden na 2021 plaatsvinden dient de ontheffing te worden verlengd of is onderzoek naar- en toetsing aan de op dat moment geldende natuurwetgeving noodzakelijk. Bij buitenwerkzaamheden dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen. Het verwijderen en verstoren van bezette nesten leidt tot overtreding van de Wet natuurbescherming.

CPO kavels Overschiese Kleiweg en woningbouw plus horeca De Buitenplaats

Bovengenoemde locaties zijn potentieel geschikt voor algemene broedvogels en vogels met niet jaarrond beschermde nesten, vrijgestelde nationaal beschermde soorten en aandachtssoorten. De bouwmogelijkheden hier hebben geen schadelijke effecten op overige beschermde flora en fauna. Bij buitenwerkzaamheden dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen. Het verwijderen en verstoren van bezette nesten leidt tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Er dient gewerkt te worden conform de voorwaarden die zijn gesteld in de verleende ontheffing en het opgestelde ecologisch werkprotocol. Indien er werkzaamheden na 2021 plaatsvinden dient de ontheffing te worden verlengd of is onderzoek naar- en toetsing aan de op dat moment geldende natuurwetgeving noodzakelijk.

Bedrijfskavel circulaire economie

Deze locatie is potentieel geschikt voor algemene broedvogels en vogels met niet jaarrond beschermde nesten, vrijgestelde nationaal beschermde soorten en aandachtssoorten. Voor de uitvoering van de werkzaamheden is in 2017 ontheffing van de Wet natuurbescherming verleend. Er dient gewerkt te worden conform de voorwaarden die zijn gesteld in de verleende ontheffing en het opgestelde ecologisch werkprotocol. Indien er werkzaamheden na 2021 plaatsvinden dient de ontheffing te worden verlengd of is onderzoek naar- en toetsing aan de op dat moment geldende natuurwetgeving noodzakelijk. Bij buitenwerkzaamheden dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen. Het verwijderen en verstoren van bezette nesten leidt tot overtreding van de Wet natuurbescherming.

Restant uit te geven kavels Bedrijventerrein Hoog Zestienhoven

Voor de uitvoering van de werkzaamheden is in 2017 ontheffing van de Wet natuurbescherming verleend. Er dient gewerkt te worden conform de voorwaarden die zijn gesteld in de verleende ontheffing en het opgestelde ecologisch werkprotocol. Indien er werkzaamheden na 2021 plaatsvinden dient de ontheffing te worden verlengd of is onderzoek naar- en toetsing aan de op dat moment geldende natuurwetgeving noodzakelijk. Bij buitenwerkzaamheden dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen. Het verwijderen en verstoren van bezette nesten leidt tot overtreding van de Wet natuurbescherming.

Bovenbeek 2e fase en vrije kavels Buys Ballotlaan e.o.

Deze locatie is potentieel geschikt voor algemene broedvogels en vogels met niet jaarrond beschermde nesten en vrijgestelde Nationaal beschermde soorten. De voorgenomen ontwikkelingen in dit deel van het bestemmingsplangebied hebben geen schadelijke effecten op overige beschermde flora en fauna. Bij buitenwerkzaamheden dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen. Het verwijderen en verstoren van bezette nesten leidt tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Er dient gewerkt te worden conform de voorwaarden die zijn gesteld in de verleende ontheffing en het opgestelde ecologisch werkprotocol. Indien er werkzaamheden na 2021 plaatsvinden dient de ontheffing te worden verlengd of is onderzoek naar- en toetsing aan de op dat moment geldende natuurwetgeving noodzakelijk.

Achterdijk 1

Deze locatie ligt buiten de scope van de verleende ontheffing Wet natuurbescherming. De bebouwing is potentieel geschikt voor huismus en gierzwaluw en gebouwbewonende vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger). De beplanting is potentieel geschikt als functioneel leefgebied voor huismus en vleermuizen. Daarnaast kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van ruige dwergvleermuis en ransuil aanwezig zijn in de bomen binnen het deelgebied. De locatie is ook potentieel geschikt voor algemene broedvogels en vogels met niet jaarrond beschermde nesten en vrijgestelde nationaal beschermde soorten. Indien renovatie, sloop, of isolatiewerkzaamheden aan de buitenschil (gevels en daken) en kap van beplanting plaatsvinden is onderzoek naar en toetsing aan de op dat moment vigerende natuurwetgeving nodig alvorens met de ontwikkeling kan worden aangevangen. De locatie valt buiten de scope van de verleende ontheffing Wet natuurbescherming. Bij buitenwerkzaamheden dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen. Het verwijderen en verstoren van bezette nesten leidt tot overtreding van de Wet natuurbescherming.

Woningen zuidelijke uitloper (uit te werken woonbestemming)

Deze locatie ligt buiten de scope van de verleende ontheffing Wet natuurbescherming. De locatie is potentieel geschikt voor algemene broedvogels en vogels met niet jaarrond beschermde nesten en vrijgestelde Nationaal beschermde soorten aanwezig. Daarnaast zijn in de bebouwing direct grenzend aan het kavel (Overschiese Kleiweg 669 A t/m N) inbouwkasten voor vleermuizen aanwezig. Deze zijn hier geplaatst in het kader van het verwijderen van een kraamverblijfplaats voor gewone dwergvleermuis. Het herontwikkelen van dit kavel kan schadelijke effecten hebben op de mogelijk in deze bebouwing aanwezige vleermuisverblijfplaatsen. De beplanting is potentieel geschikt als functioneel leefgebied voor huismus in de aangrenzende bebouwing. Dit kavel is tevens potentieel geschikt voor algemene broedvogels en vogels met niet jaarrond beschermde nesten en vrijgestelde nationaal beschermde soorten. Onderzoek naar en toetsing aan de op dat moment vigerende natuurwetgeving is nodig alvorens met de ontwikkeling kan worden aangevangen. Dit onderzoek zal plaatsvinden in het kader van het uitwerkingsplan dat noodzakelijk is voordat deze locatie herontwikkeld kan worden. Bij buitenwerkzaamheden dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen. Het verwijderen en verstoren van bezette nesten leidt tot overtreding van de Wet natuurbescherming.

Algemeen

Voor werkzaamheden zoals sloop, renovatie en herinrichting van groen binnen het reeds bestaande deel van Park 16Hoven en omliggende gronden geldt dat de gevolgen voor de aanwezige beschermde flora en fauna voorafgaand aan de uitvoering van die werkzaamheden getoetst dienen te worden.

Bij de ontwikkellocaties liggen veel kansen voor meer groen in de toepassing van (boom)beplanting, groene kaden en groene bermen en schuil- en voortplantingsplekken voor vissen in open water. Dit kan met name voor insecten, vleermuizen, vogels en vissen meer leefgebied creëren. Hiernaast kan men door te kiezen voor de toepassing van groene daken zowel een bijdrage leveren aan de vergroening van de stad als aan de biodiversiteit in de stad.

7.8.1.4 Stikstofdepositie

De in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen dragen bij aan de emissies (uitstoot) van stikstofoxiden (NOx). Het betreft primair de uitstoot van de nieuwe gebouwen (woningen, bedrijven, horeca, maatschappelijk en detailhandel) als gevolg van ruimteverwarming en warm tapwater, en secundair de uitstoot van het extra wegverkeer binnen het plangebied dat door de ontwikkelingen aangetrokken wordt. Deze emissies zijn gekwantificeerd op basis van kentallen, hierbij is een conservatieve aanname gemaakt die inhoudt dat de nieuwe gebouwen aangesloten worden op het aardgasnet. Dit geldt overigens niet voor woningen waarvan de omgevingsvergunning na 1 juli 2018 is of wordt aangevraagd. Met het totaal van de emissies is de cumulatieve bijdrage aan de stikstofdepositie in de Natura-2000 gebieden berekend met de Aerius Calculator (www.aerius.nl). Het resultaat van de berekening is dat er geen natuurgebieden zijn die als gevolg van het bestemmingsplan Zestienhoven worden belast met een stikstofdepositie die hoger is dan de drempelwaarde. Dit betekent dat er geen effect is op de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.

7.8.2 Conclusie

Het bestemmingsplan heeft geen negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Binnen het plangebied zijn diverse soorten beschermde soorten aanwezig. Voor de meeste ontwikkellocaties is ontheffing van de Wet natuurbescherming verleend, waardoor de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden. Voor de ontwikkelingen op de overige locaties zal in een later stadium nader onderzoek plaatsvinden. Tenslotte hebben de ontwikkelingen geen effect op de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden. Het aspect 'natuur' vormt geen beperking voor de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.

7.9 Trillingshinder

Door de aanwezigheid van een spoorlijn, in dit geval de HSL, kan er mogelijk trillingsschade en/of -hinder ontstaan bij nieuw te bouwen woningen die in de nabijheid van het spoor liggen. Er bestaan geen wettelijke normen voor trillingshinder maar er is wel een richtlijn waaraan getoetst kan worden, de zogenaamde SBR-richtlijn. Uit het onderzoek naar trillingshinder moet naar voren komen of er geen grenswaarden (schade aan gebouwen) of streefwaarden (hinder voor personen in gebouwen) worden overschreden.

7.9.1 Plangebied

Vanaf de start van de aanleg van de HSL in 2001 tot aan het moment van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan zijn er in totaal vier onderzoeken en metingen uitgevoerd naar de te verwachten trillingshinder:

  • 1. Trillingshinder in de gebruiksfase HSL-zuid, Rotterdam – Zoetermeer, kenmerk GMV-FU-010014424\04 versie 2 dd. 5 juli 2001;
  • 2. Indicatief trillingsonderzoek naar effect hogesnelheidstreinen op bebouwing, Kenmerk 2013-002-A-1 dd. 8 maart 2013 van ingenieursbureau Gemeente Rotterdam;
  • 3. Indicatief trillingsonderzoek naar effect hogesnelheidstreinen op bebouwing, aanvullende meting ten behoeve van optimalisatie vrij te waren zone, Kenmerk 2013-061-001 dd. 28 mei 2015 van ingenieursbureau Gemeente Rotterdam;
  • 4. Vrij te houden zone tussen hogesnelheidstraject en bebouwing, Kenmerk 2013-061-002 V2.1 dd. 1 november 2018 van ingenieursbureau Gemeente Rotterdam.

In 2001, voorafgaand aan de aanleg van het traject en het woongebied, zijn prognoseberekeningen gemaakt naar trillingshinder voor de nabije bebouwing als gevolg van dynamische belastingen door de hoge snelheidstreinen (onderzoek 1). De prognose heeft voor Park 16Hoven aangegeven dat er geen trillingshinder zal optreden wanneer een zone van 20 m tussen de bebouwing en het tunneltraject in acht genomen wordt.

In 2013 is een indicatieve meting uitgevoerd (onderzoek 2) om te verifiëren of de prognose correct is. De meting is uitgevoerd bij bebouwing op 22 m afstand van de HSL. De indicatieve meting gaat uit van 12 passages per uur (6 per richting). Op het moment van terinzagelegging zijn er maximaal 10 passages per uur. Uit de meting blijkt dat de trillingen geen schade opleveren (SBR-A) en ook geen hinder veroorzaken (SBR-B). De trillingen zouden wel voelbaar kunnen zijn maar leiden niet tot hinder. In 2015 heeft er vervolgonderzoek plaatsgevonden (onderzoek 3) om uit te wijzen of deze conclusie ook geldt voor een afstand van 20 m of zelfs 16 m. Uit dit onderzoek blijkt dat op 20 m afstand ook voldaan wordt aan de SBR-A en -B normen, maar dat verdere verkleining van de zone niet mogelijk is. Geconcludeerd wordt de vrij te waren zone van 20 m te handhaven.

Specifiek voor dit bestemmingsplan is onderzoek 4 uitgevoerd, waarin onderzocht is of er bij meer dan 12 treinpassages per uur ook voldaan wordt aan de normen op 20 m afstand van de HSL. Uit het onderzoek blijkt dat er tot en met 18 treinpassages per uur nog voldaan wordt aan de SBR-A en -B normen. Dit betekent ca. elke 7 minuten een trein per richting. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan gesteld worden dat de dienstregeling niet verder geïntensiveerd wordt dan dit aantal treinen. Aangezien alle bestemmingsvlakken in dit bestemmingsplan op minimaal 20 m afstand van het HSL-tracé liggen zal voor de toekomstige woningen voldaan worden aan de relevante normen.

7.9.2 Conclusie

Uit de onderzoeken blijkt dat er tot en met 18 treinpassages per uur geen trillingshinder ontstaat op 20 m afstand van de tunnelwand van de HSL en dat voldaan wordt aan de SBR-A en -B normen. Dit bestemmingsplan biedt geen bouwmogelijkheden voor woningen of anderszins trillingshindergevoelige bebouwing binnen een afstand van 20 m vanaf de HSL waardoor trillingshinder uitgesloten is.

Hoofdstuk 8 Handhaving

In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden.

Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in het “Handhavingsbeleidsplan Toezicht Gebouwen” uit 2009 wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.

Hoofdstuk 9 Financiële uitvoerbaarheid

Dit bestemmingsplan maakt de verdere ontwikkeling van Park 16Hoven mogelijk. De gronden in het te ontwikkelen gebied zijn in eigendom van de gemeente. Voor het gebied is een grondexploitatie opgesteld. In deze grondexploitatie zijn alle kosten en opbrengsten in beeld gebracht.

Gelet eigendomssituatie van de gemeente, kan door middel van gronduitgifte gestuurd worden op het kostenverhaal. Het kostenverhaal is derhalve anderszins verzekerd waardoor afgezien kan worden van het vaststellen van een exploitatieplan. Voor het overige legt dit bestemmingsplan de feitelijke situatie vast of worden de planologische mogelijkheden uit het vorige bestemmingsplan overgenomen.

Hoofdstuk 10 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

10.1 Participatie

Dit bestemmingsplan betreft een actualisatie van de bestemmingsplannen HSL Overschie (2000) en Polder Zestienhoven (2007).

Het bestemmingsplan Polder Zestienhoven was gebaseerd op het Masterplan Polder Zestienhoven (2003) en het Masterplan Plus (2004), het Voorkeursalternatief uit het MER Polder Zestienhoven. Over deze producten is in de periode 2003-2004 een reeks van participatiebijeenkomsten georganiseerd. Deze plannen bevatten de hoofdopzet van de nieuwe woonwijk Park 16hoven en de indeling van de bedrijventerreinen in Hoog 16Hoven waarin geen grote veranderingen optraden.

In 2017 bleek een aantal (in de toelichting beschreven) ontwikkelingen te zijn opgetreden, die vroegen om een bijstelling van het Masterplan voor gebied ten noorden van de Van der Duijn van Maasdamweg. Over de voorgestelde veranderingen heeft op 30 maart 2017 een grote participatiemarkt plaatsgevonden, waarvoor meer dan 1000 adressen een uitnodiging hebben ontvangen. Via panelen en persoonlijke toelichting door professionals hebben de genodigden kennis kunnen nemen van de voorgestelde wijzigingen en hebben zij hun mening kenbaar kunnen maken via aanwezige tablets met vragen. De opgehaalde meningen zijn ter beschikking gesteld van de Gebiedscommissie Overschie, die heeft geadviseerd op de concept Actualisatie Masterplan 16Hoven. Na advisering is het plan wat bijgesteld, met name op het punt van het tóch opnemen van de planologische mogelijkheid voor een buurtsupermarkt van max. 750 m². De gemeenteraad heeft de Actualisatie Masterplan 16hoven vastgesteld op 7 september 2017.

Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan is een ieder, gedurende zes weken, in de gelegenheid een zienswijze in te dienen met betrekking tot het ontwerpbestemmingsplan. Gedurende de periode van terinzagelegging zal een informatieavond georganiseerd worden waar een ieder vragen kan stellen met betrekking tot het terinzageliggende ontwerpbestemmingsplan.

10.2 Vooroverleg

In het kader van het overleg bij de voorbereiding van bestemmingsplannen, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan:

  • GS, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, directie Ruimte en Milieu;
  • Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard;
  • VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond;
  • Tennet, Zuid-Holland, beheerder hoogspanningsnet;
  • Stedin, regionale netbeheerder gas en elektriciteit;
  • K.P.N. Telecom;
  • N.V. Nederlandse Gasunie;
  • Ministerie Infrastructuur en Milieu;
  • Inspectie Leefomgeving en Transport;
  • Rotterdam The Hague Airport;
  • Ministerie van Defensie, dienst gebouwen, werken en terreinen;
  • Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
  • Rijkswaterstaat West-Nederland;
  • Rijksluchtvaartdienst;
  • Luchtverkeersleiding Nederland;
  • Prorail;
  • Evides;
  • Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR) ;
  • Metropoolregio Rotterdam Den Haag;
  • Monet, beheerder telecommunicatiemasten;
  • VWS Pipelinecontrol.

Er is een reactie ontvangen van de in de volgende paragrafen genoemde overlegpartners.

10.2.1 Gasunie

De Gasunie geeft aan dat het bestemmingsplan getoetst is aan het huidige externe veiligheidsbeleid. Het plangebied ligt buiten de 1% letaliteitsgrens van de dichtstbijzijnde aardgastransportleiding. Om die reden is deze leiding niet van invloed op het bestemmingsplan.

Reactie gemeente Rotterdam

De gemeente neemt de reactie ter kennisgeving aan.

10.2.2 Luchtvaartverkeersleiding Nederland

Luchtvaartverkeersleiding Nederland (LVNL) geeft een uiteenzetting van haar wettelijke taken en activiteiten, die betrekking hebben op luchtverkeersbeveiliging en het beheren van apparatuur voor communicatie, navigatie en surveillance. De inhoudelijke reactie heeft betrekking op paragraaf 5.3.9 van de toelichting, artikel 52.11 van de regels en Bijlage 3 van de regels.

Ten aanzien van paragraaf 5.3.9 geeft LVNL aan dat er geen radarinstallaties op of nabij RTHA staan. Er is enkel sprake van toetsingsvlakken vanwege communicatie- en navigatieapparatuur. Ook is de titel van de paragraaf niet volledig. Verzocht wordt de paragraaf hierop aan te passen. Verder verzoekt LVNL in lid b van artikel 52.11 een onderscheid te maken tussen hoogtebeperkingen als gevolg van aanvliegroutes en hoogtebeperkingen als gevolg van de apparatuur van LVNL. Een voorstel voor een regeling is bijgevoegd. Deze gaat uit van een plicht tot het inwinnen van advies bij LNVL indien een toetsingsvlak voor communicatie- of navigatieapparatuur doorsneden wordt. Ten aanzien van Bijlage 3 merkt LVNL op dat de (trechtervormige) ILS 06 en ILS 24-toetsingsvlakken niet meer actueel zijn. Verzocht wordt de meest actuele toetsingsvlakken op te nemen in de bijlage. Deze zijn bij de overlegreactie gevoegd.

Reactie gemeente Rotterdam

Paragraaf 5.3.9 is aangepast op de tekstuele opmerkingen en de kaart in Bijlage 3 is aangepast op de meest actuele toetsingsvlakken. Naar aanleiding van de overlegreactie met betrekking tot de regels zijn de hoogtebeperkingen als gevolg van aanvliegroutes nogmaals bestudeerd. Er is gebleken dat deze voor dit bestemmingsplan niet relevant zijn omdat de hoogtebeperkingen vanwege de apparatuur van LVNL strenger en dus maatgevend zijn. Ook bevat dit bestemmingsplan geen nieuwe bouwmogelijkheden binnen de toetsingsvlakken als gevolg van de aanvliegroutes. Om die reden is tegemoet gekomen aan het verzoek om lid b van artikel 52.11 aan te passen, in die zin dat de regeling enkel betrekking heeft op de toetsingsvlakken van de LVNL. Ook is de huidige regeling, die uitgaat van het verkrijgen van een verklaring van geen bedenkingen, aangepast in de verzochte adviesplicht. Overigens is paragraaf 5.3.8 ook gewijzigd als gevolg van de constatering dat de hoogtebeperkingen vanwege aanvliegroutes geen gevolgen hebben voor de bouwmogelijkheden in dit bestemmingsplan.

10.2.3 Prorail

Prorail verzoekt onderzoek te doen naar trillingshinder als gevolg van de HSL ter plaatse van de toekomstige woningbouwlocaties die op korte afstand van de HSL liggen. Er wordt aangeraden indicatief onderzoek uit te voeren (en op te nemen in de toelichting) om uit te wijzen of voldaan wordt aan de relevante richtlijnen en regelgeving. Indien niet voldaan wordt kan overwogen worden eisen en maatregelen te stellen bij de uitwerking van het plan. Geadviseerd wordt dit door te laten werken in de regels van het bestemmingsplan. Verder merkt Prorail op dat er geen woningbouw mag plaatsvinden binnen de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - spoor'.

Reactie gemeente Rotterdam

Er zijn in het verleden diverse onderzoeken naar trillingshinder uitgevoerd. Ook is er specifiek voor dit bestemmingsplan onderzoek uitgevoerd. Als gevolg van deze overlegreactie is een paragraaf over trillingshinder opgenomen in dit bestemmingsplan (zie paragraaf 7.9). De resultaten van de onderzoeken werken door in de verbeelding van het bestemmingsplan. Om te voorkomen dat er trillingshinder of -schade ontstaat worden er geen bouwmogelijkheden geboden is een zone van 20 vanaf de tunnelwand van de HSL. Verdere doorwerking in de regels is niet noodzakelijk. Ten aanzien van de reactie over de vrijwaringszone merken wij op dat er geen bestemmingen binnen deze aanduiding liggen die woningbouw mogelijk maken.

10.2.4 Rijkswaterstaat West-Nederland

Rijkswaterstaat geeft aan dat uit de onderzoeken en het bestemmingsplan niet duidelijk wordt of rekening gehouden is met de toekomstige A16Rotterdam, die ten noorden van het plangebied aangelegd wordt. Zo is de A16Rotterdam niet genoemd in de paragraaf over wegverkeerslawaai, terwijl de A13 en A20 wel genoemd zijn. Ook is de nieuwe snelweg niet genoemd als zijnde een ontwikkeling in de omgeving. Verzocht wordt rekening te houden met de toekomstige A16Rotterdam en mogelijke raakvlakken en conflicten in kaart te brengen.

Reactie gemeente Rotterdam

De toekomstige A16Rotterdam heeft raakvlakken met de aspecten wegverkeerslawaai en externe veiligheid uit dit bestemmingsplan. Hoewel niet expliciet aangegeven is er in het akoestisch onderzoek wel degelijk rekening gehouden met de toekomstige snelweg. Bij het akoestisch onderzoek zijn conform de Wet geluidhinder de brongegevens uit het Geluidregister gebruikt (versie 22 december 2017). Het tracébesluit A16 dat de nieuwe A16Rotterdam mogelijk maakt (op 29 juni 2016 door de minister vastgesteld) is in het geluidregister verwerkt. Hierin zijn ook de toekomstige effecten op de Doenkade meegenomen. De toekomstige geluidzone van de A16 valt niet over één van de ontwikkellocaties binnen het plangebied. Ook de geluidzone van de in de toekomst te wijzigen Doenkade valt niet over één van de ontwikkellocaties. Verder is in de verkeersgegevens van de gemeentelijke wegen rekening gehouden met de invloed van de A16Rotterdam. Nader onderzoek is dus niet aan de orde. Ook in het onderzoek naar externe veiligheid is de A16Rotterdam beschouwd. Het plasbrandaandachtgebied en groeps- en persoonsgebonden risico zijn niet van invloed op de ontwikkellocaties binnen het plangebied.

De betreffende paragrafen zijn aangevuld met deze onderzoeksresultaten.

10.2.5 Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond

De afdeling Risicobeheersing van de VRR geeft een uiteenzetting van haar werkzaamheden en brengt het volgende advies uit. Het plangebied valt deels binnen het verantwoordingsgebied van de luchthaven Rotterdam The Hague Airport ligt. De VRR verwijst naar de brief van 26 februari 2015 waarin (bouwkundige) maatregelen worden aangedragen om de zelfredzaamheid te vergroten. Verder wordt gewezen op de campagne 'Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand', waarin beschreven staat hoe te handelen in geval van calamiteit.

Reactie gemeente Rotterdam

Zowel de brief als de campagne zijn bij de gemeente bekend, maar hebben geen raakvlakken met het bestemmingsplan. Wij nemen deze reactie ter kennisgeving aan.

10.2.6 Provincie Zuid-Holland

De provincie laat weten akkoord te zijn met het voorontwerpbestemmingsplan. Wel wordt aandacht gevraagd voor de molenbiotoop nabij de volkstuincomplexen. Deze stelt namelijk niet alleen restricties aan de hoogte van bebouwing maar ook aan de hoogte van beplanting.

Reactie gemeente Rotterdam

De gemeente neemt de reactie ter kennisgeving aan. Ten aanzien van de molenbiotoop wordt opgemerkt dat beplanting (en bebouwing) op de volkstuincomplexen op basis van de regels uit Verordening Ruimte tussen de ca. 8 m en 18 m hoog mag zijn. Het is niet aannemelijk dat de hoogte van de gewassen in de tuinen van het complex deze hoogte overschrijden.