direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Hoek van Holland - Buitengebied
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0599.BP1080HvHBuitengeb-va03

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De nu geldende bestemmingsplannen voor het buitengebied van Hoek van Holland zijn aan vernieuwing toe. Bovendien geldt voor een deel van het plangebied alleen de Bouwverordening als planologisch kader. Het opstellen van het nieuwe bestemmingsplan gebeurt in het kader van het meerjarenprogramma voor de actualisering van bestemmingsplannen.

De doelstelling van het bestemmingsplan is om een vastgesteld bestemmingsplan voor het gebied "Hoek van Holland - Buitengebied" te hebben, waarin de kaders voor de gewenste ruimtelijke situatie en de mogelijke ontwikkelingen wettelijk zijn verankerd. Er is binnen het plangebied geen sprake van grootschalige gebiedsontwikkelingen, daarom is dit bestemmingsplan overwegend een actualisatie van de plannen.

1.2 Gekozen planopzet

In het nieuwe bestemmingsplan "Hoek van Holland - Buitengebied" is er voor gekozen om zo veel mogelijk aan te sluiten bij de planologische mogelijkheden uit de vorige bestemmingsplannen (zie paragraaf 1.4). Daarnaast is ter plaatse van de bouwverordening uitgegaan van de feitelijk aanwezige situatie. Grotendeels is sprake van een globaal bestemmingsplan, met op enkele locaties een meer gedetailleerde bestemmingsplanregeling.

In hoofdstuk 4 wordt verder ingegaan op de gekozen planopzet. Paragraaf 4.2 beschrijft het huidige gebruik van het plangebied, paragraaf 4.3 de verschillen tussen de oude plannen en het nieuwe plan en in paragraaf 4.4 wordt vervolgens op de juridische planbeschrijving ingegaan. In die paragraaf is per (dubbel)bestemming een beschrijving opgenomen over de bijbehorende bouw- en gebruiksmogelijkheden.

1.3 Ligging en begrenzing

Het plangebied is het buitengebied rondom de kern Hoek van Holland. Het noordelijke en oostelijke gedeelte van het plangebied bestaan voornamelijk uit glastuinbouwgebied, grenzend aan het glastuinbouwgebied van de gemeente Westland. De noordelijke plangrens is de gemeentegrens met Westland. De oostelijke plangrens wordt gevormd door de Bonnenpolder (Oranjebonnen).

Het westelijke gedeelte van het plangebied betreft de kuststrook met duinen, strand en zee. In dit gedeelte van het gebied liggen verspreid diverse functies, waaronder een camping, strandpaviljoens, strandhuisjes, woningen en recreatieve routes. De zuidelijke plangrens wordt gevormd door de (doorgetrokken) Hoekselijn en de woonkern Hoek van Holland.

Op afbeelding 1.1 is de begrenzing van het bestemmingsplan opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1080HvHBuitengeb-va03_0002.png"

Afbeelding 1.1: de globale ligging van de plangrens van het nieuwe bestemmingsplan

1.4 Vigerende bestemmingsplannen

De volgende geldende plannen zijn geheel of gedeeltelijk binnen het plangebied van het bestemmingsplan gelegen. Bij elk plan is aangegeven wanneer het is vastgesteld door de gemeenteraad en wanneer het eventueel is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland:

Nummer   Bestemmingsplan   Vastgesteld   Onherroepelijk  
159   Bouwverordening Rotterdam 2012 na wijziging 4   06-03-2014   -  
441   Hoek van Holland Buitengebied noord en oost II   03-04-1986   27-02-1989  
462   Hoek van Holland - Kaapweg   29-10-1987   22-03-1988  
  Hoek van Holland - Kaapweg, eerste herziening   06-09-2012   10-11-2012  
2033   Langeweg   01-06-2011   29-07-2011  
2035   Padenbundel fietspad (F370), ruiterpad en voetpad   24-11-2011   27-01-2012  

De planbegrenzing van de bovengenoemde bestemmingsplannen en de bouwverordening zijn ook op afbeelding 1.1 weergegeven.

1.5 Raad van State, bestuurlijke lus

Op 28 juni 2018 heeft de gemeenteraad van Rotterdam het bestemmingsplan "Hoek van Holland - Buitengebied" vastgesteld (zie het raadsbesluit, Bijlage 1).

Tegen het vastgestelde bestemmingsplan is beroep ingesteld bij de Raad van State. De beroepen zijn op 30 januari 2020 ter zitting behandeld. Eén van de beroepen betrof het ontbreken van duiding van de relatie van de woningen met een status plattelandswoning met het agrarische bedrijf waartoe zij behoorden. De Raad van State heeft op 8 april 2020 uitspraak gedaan (www.raadvanstate.nl, zaaknummer 201807485/1/R3)(Bijlage 2). Het betreft een tussenuitspraak met toepassing van een zogenoemde bestuurlijke lus. In de uitspraak is de gemeenteraad opgedragen om binnen 26 weken na de uitspraak het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan “Hoek van Holland - Buitengebied” van 28 juni 2018 op onderdelen te herstellen. Het gebrek dat hersteld dient te worden, betreft het alsnog duidelijk weergeven van de relatie van de voormalige agrarische bedrijfswoningen met het bijbehorende agrarische bedrijf. Het reparatiebesluit betreft uitsluitend de voormalige agrarische bedrijfswoningen, die met de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning” zijn aangeduid.

Op 1 oktober 2020 heeft de gemeenteraad van Rotterdam het bestemmingsplan vastgesteld. In het bestemmingsplan is het gebrek hersteld door aan artikel 4.1 onder d van de regels de volgende zinsnede toe te voegen:

“oorspronkelijk behorende bij het agrarisch bedrijf zoals opgenomen in bijlage 5 bij deze regels. ”

en in de bijbehorende Bijlage per voormalige agrarische bedrijfswoning met de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning” de relatie met het bijbehorende agrarische bedrijf weer te geven.

Hoofdstuk 2 Beleid

2.1 Rijksbeleid

Algemeen

Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 zijn de juridische mogelijkheden van het Rijk gewijzigd. Structuurvisies zullen voortaan de hoofdlijnen van het nationale ruimtelijk beleid aangeven en de nationale belangen die met dat beleid worden behartigd proberen veilig te stellen. Ter verwezenlijking daarvan heeft het Rijk de beschikking over nieuwe juridische mogelijkheden. Het Rijk kan een bestemmingsplan opstellen, een zogenaamd rijksinpassingsplan. Daarnaast zijn er instrumenten die
uitvoering van het rijksbeleid kunnen verzekeren zoals de bevoegdheid tot het stellen van algemene
regels in een algemene maatregel van bestuur (amvb) en het opleggen van aanwijzingen.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is in werking getreden en geeft de rijksbelangen weer die doorwerken in gemeentelijke bestemmingsplannen.

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Vastgesteld op 13 maart 2012 (SVIR) en 5 juni 2014 (Barro, geconsolideerde versie)

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden en met een Europese en mondiale blik. Voor de middellange termijn (2028) kiest het Rijk drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden:

  • 1. Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijke economische structuur;
  • 2. Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • 3. Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Daarnaast benoemt het Rijk 13 nationale belangen, waar het rijk verantwoordelijk voor is. Het betreft:

  • 1. Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren;
  • 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie;
  • 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen;
  • 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond;
  • 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen;
  • 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem;
  • 7. Het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen;
  • 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's;
  • 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening, en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling;
  • 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;
  • 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten;
  • 12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten;
  • 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

De nationale ruimtelijke hoofdstructuur geeft de nationale belangen, waarvoor het Rijk verantwoordelijk is, geografisch weer. Op deze kaart in de structuurvisie is op hoofdlijnen aangegeven welke gebieden en structuren van nationaal belang zijn bij de geformuleerde rijksdoelen rond concurrentiekracht, bereikbaarheid en leefbaarheid en veiligheid, zodat een samenhangende ruimtelijke hoofdstructuur zichtbaar wordt.

De structuurvisie infrastructuur en ruimte vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving.

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de juridische vertaling van het beleid uit de SVIR. Het besluit bevat regels die doorwerken op gemeentelijk niveau, en dus relevant zijn voor bestemmingsplannen. Voorbeelden van zaken die geregeld zijn in het Barro zijn rijksvaarwegen, hoofdwegen, het 380 kV-netwerk en buisleidingen van nationaal belang.

2.1.1.1 Relevant beleid voor het plangebied

Greenport

Het Rijk benoemt de greenports als een opgave van nationale betekenis. Een greenport is een groot tuinbouwcluster waarin planten, bomen, bollen, bloemen en groenten worden geproduceerd en verhandeld. Het betreft zowel productie onder glas (de glastuinbouw) als in de open lucht (vooral de bollenteelt en boomsierteelt). Behalve productie en handel is er sprake van een hele keten van activiteiten met onder andere kassenbouw, techniek, transport, onderwijs, onderzoek en veredeling. Nodig voor het versterken van deze greenports is een multimodaal logistieknetwerk en ruimte voor vernieuwing, schaalvergroting en intensivering van de productiefunctie in combinatie met beschikbaarheid van CO2, zoet water en geothermie. Binnen het plangebied is vooral de glastuinbouw sterk aanwezig. In aansluiting op het rijksbeleid wordt in dit bestemmingsplan ingezet op behoud en waar mogelijk versterking van de glastuinbouw.

Natura 2000

De Europese wet- en regelgeving rondom Natura 2000 vindt haar oorsprong in de Europese Vogelrichtlijn en Europese Habitatrichtlijn. De Europese Vogelrichtlijn (1979) regelt de bescherming van leefgebieden van Europees bedreigde en kwetsbare vogelsoorten. Met de Europese Habitatrichtlijn (1992) worden Europese (half-) natuurlijke habitats en bedreigde en kwetsbare dier- (andere dan vogels) en plantensoorten beschermd. De Natura 2000-gebieden zijn de gebieden die zijn aangewezen als speciale beschermingszones (SBZ's) in het kader van de EU Vogel- en/of Habitatrichtlijn. Deze gebieden samen vormen het omvangrijke Europese Netwerk Natura 2000. Het hoofddoel van Natura 2000 is het stoppen van de achteruitgang en de waarborging van de biodiversiteit in Europa.

Bij besluit van 14 februari 1997 is een deel van het plangebied aanwezen als natuurmonument en later in 2011 als Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen, zie afbeelding 2.1. Een deel van het plangebied is gelegen in het gebied Spanjaards Duin.

Solleveld & Kapittelduinen maakt deel uit van een aaneenschakeling van Natura 2000-gebieden die in het duinlandschap langs de Noordzeekust zijn gelegen. De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998. Projecten die de natuurwaarden in beschermde gebieden negatief zouden kunnen beinvloeden dienen aan deze wetgeving te worden getoetst.

In het voorliggende bestemmingsplan hebben de gronden een beschermde bestemming Natuur gekregen. Middels deze bestemming worden de bijzondere natuurwaarden zoals vermeld in het 'Beheerplan bijzondere natuurwaarden Solleveld en Kapittelduinen 2012-2017' van de provincie Zuid-Holland veilig gesteld.

Het doel van dit provinciale beheerplan is om met het veiligstellen van de leefomgevingen de bijzondere natuursoorten te beschermen en diversiteit aan soorten te behouden. Het gaat hierbij om helmduinen, kalkrijke duingraslanden, vochtige duinvalleien, duinstruwelen, duinbossen en de nauwe korfslak.

Voor het plangebied geldt dat indien het bestemmingsplan voorziet in activiteiten welke mogelijk significant negatieve effecten zullen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, dan dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1080HvHBuitengeb-va03_0003.png"

Afbeelding 2.1: Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen

Primaire waterkering buiten het kustfundament (titel 2.11 Barro)

Deze titel legt vast dat primaire waterkeringen de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering krijgen in het bestemmingsplan. De beschermingszone krijgt de gebiedsaanduiding Vrijwaringszone - dijk. Voor nieuwe bestemmingen binnen de zones van de waterkering geldt dat deze geen nadelige invloed mogen hebben op de waterkering.

Gelet op het conserverende karakter van onderhavig bestemmingsplan worden er geen nieuwe ontwikkelingen voorzien binnen de zones van de waterkering.

Kustfundament (titel 2.3 Barro)

Een deel van het plangebied wordt in het Barro aangewezen als kustfundament, een nationaal ruimtelijk belang, zie afbeelding 2.2. Het kustfundament omvat het gehele zandgebied, nat én droog, dat als geheel van belang is als drager van functies in het kustgebied. Het is van nationaal belang om bescherming tegen overstromingen vanuit zee blijvend te waarborgen. Een duurzaam kustfundament met voldoende ruimte voor de versterking van de zeewering met behoud van de natuurlijke waarden is het kerndoel. Om dit te bewerkstelligen is nieuwe bebouwing op gronden buiten het stedelijk gebied conform het Barro niet toegestaan, enkel ten behoeve van seizoensgebonden activiteiten, herbouw of uitbreiding tot 10% en of bebouwing voor openbaar belang.

Conform het Barro dienen gronden waarop een primaire waterkering ligt of die de functie van primaire waterkering hebben, bestemd te worden als Waterstaat - Waterkering. Gronden die deel uitmaken van een beschermingszone, krijgen, conform het Barro, de gebiedsaanduiding Vrijwaringszone - duin, indien de primaire waterkering een duin is.

Ontwikkelingen kunnen enkel worden toegestaan voor zover bij de verwezenlijking daarvan geen belemmeringen kunnen ontstaan voor de instandhouding of versterking van het zandige deel van het kustfundament of het onderhoud, de veiligheid of mogelijkheden voor versterking van de primaire waterkering.

Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een conserverende regeling. Nieuwe ontwikkelingen buiten het stedelijk gebied zijn conform het Barro niet toegestaan op enkele activiteiten, zoals eerder benoemd, na.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1080HvHBuitengeb-va03_0004.jpg"

Afbeelding 2.2: Barro kustfundament

Kustpact

In januari 2016 heeft de minister van Infrastructuur en Milieu toegezegd een Kustpact te sluiten met de decentrale overheden en natuurorganisaties. Er zijn voorlopige afspraken gemaakt over nieuwe recreatieve bebouwing in de kustzone. Met het Kustpact spreken alle betrokken overheden de intentie uit om in duinen en op het strand geen nieuwe bebouwing toe te staan met uitzondering van bebouwing in reeds vergunde ontwikkellocaties. Dit geldt voor alle bebouwing, dus ook voor seizoensbebouwing. In de hele kustzone wordt alle nieuwe bebouwing (bestaande bebouwing, vergunde bebouwing en vergunde ontwikkellocaties) scherp begrensd in daarvoor aangewezen zones en dan alleen als dit de kernwaarden van de kust respecteert of zelfs versterkt. In de zones daarbuiten wordt in de provinciale verordening verankerd dat hier geen ruimte is voor nieuwe recreatieve bebouwing. Naar verwachting wordt het definitieve Kustpact eind november getekend. Het voorliggende bestemmingsplan houdt al vast rekening met het toekomstige kustpact en voorziet niet in nieuwe bebouwing op het strand.

Natuurnetwerk Nederland (titel 2.10 Barro)

Onder het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt verstaan; het stelsel van natuurgebieden van internationaal of nationaal belang dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten. Bij provinciale verordening worden regels gesteld die bewerkstelligen dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied behorende tot het Natuurnetwerk Nederland en een omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken geen activiteiten mogelijk maken, die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden, tenzij:

  • er sprake is van een groot openbaar belang;
  • er geen reële alternatieven zijn, en;
  • de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd.

Met betrekking tot het Natuurnetwerk Nederland dienen ontwikkelingen, waarbij middels een omgevingsvergunning wordt afgeweken van het bestemmingsplan, te voldoen aan de in de provinciale verordening gestelde regels.

Project Mainportontwikkeling Rotterdam (titel 2.2 Barro)

Een zone in de Noordzee, binnen het plangebied is in het Barro aangewezen voor compensatie van de effecten van de landaanwinning op open droog duin. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen de begrenzing van het gebied, bevat geen bestemmingen waardoor een belemmering kan ontstaan voor de aanleg of verdere ontwikkeling van 100 hectare duincompensatie voor de ontwikkeling van de landaanwinning.

Gelet op het conserverend karakter van onderhavig bestemmingsplan worden er geen nieuwe ontwikkelingen voorzien binnen het duincompensatiegebied.

2.1.2 Beleidsvisie Erfgoed en Ruimte

Vastgesteld op 15 juni 2011

In de beleidsvisie "Kiezen voor Karakter, Visie Erfgoed en ruimte" van juni 2011 schetst het kabinet haar visie op het borgen van onroerend cultureel erfgoed in de ruimtelijke ordening. De beleidsvisie is complementair aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het ministerie van I&M. Daarnaast gaat het Rijk duidelijke prioriteiten stellen en aangeven welke cultuurhistorische gebieden en opgaven voor het Rijk van (inter)nationaal belang zijn en waar het Rijk voor zichzelf een rol ziet. De vijf in de visie geschetste prioriteiten zijn:

  • 1. Werelderfgoed: samenhang borgen, uitstraling vergroten;
  • 2. Eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren;
  • 3. Herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: focus op groei en krimp;
  • 4. Levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie, ecologie;
  • 5. Wederopbouw: tonen van een tijdperk.

In het geval van dit bestemmingsplan is alleen prioriteit 2 van toepassing. Doelstelling van het Rijk is om het culturele karakter van de kuststrook te versterken en erfgoed goed te positioneren bij ruimtelijke belangenafwegingen op de Noordzee. Aangezien in de kuststrook binnen het plangebied geen ontwikkelingen zijn voorzien, blijft het culturele karakter van de kuststrook in ieder geval gelijk.

2.2 Provinciaal en regionaal beleid

Algemeen

Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 zijn de juridische mogelijkheden van de provincie gewijzigd. Structuurvisies zullen voortaan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid aangeven en de provinciale belangen die met dat beleid worden behartigd veilig stellen. Ter verwezenlijking daarvan heeft de provincie de beschikking over nieuwe juridische mogelijkheden, te weten het provinciale bestemmingsplan ofwel inpassingsplan, de verordening en het opleggen van aanwijzingen. Met de inwerkingtreding van de Wro is de goedkeuringstaak van Gedeputeerde Staten ten aanzien van ruimtelijke plannen komen te vervallen. Dit betekent dat de provincie dient te handelen vanuit het provinciaal belang. Enkel op die basis kan de provincie gebruik maken van het instrumentarium dat op grond van de Wro beschikbaar is.

2.2.1 Visie Ruimte en Mobiliteit

De hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid zijn weergegeven in de Visie ruimte en mobiliteit, die op 9 juli 2014 door provinciale staten van Zuid-Holland is vastgesteld en geldt als structuurvisie. Vier rode draden geven richting aan de gewenste ontwikkeling en het handelen van de provincie:

  • 1. beter benutten en opwaarderen van wat er is;
  • 2. vergroten van de agglomeratiekracht;
  • 3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  • 4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

Parallel aan de Visie ruimte en mobiliteit zijn het Programma ruimte en de Verordening ruimte opgesteld. Het Programma ruimte bevat het ruimtelijk-relevante, operationele beleid. Het Programma heeft, net als de Visie ruimte en mobiliteit, de status van structuurvisie.

2.2.1.1 Relevant beleid voor het plangebied

In de Verordening ruimte 2014 zijn de provinciale belangen, zoals opgenomen in de Visie ruimte en mobiliteit, verankerd. In het kader van dit bestemmingsplan zijn de volgende artikelen relevant.

Glastuinbouwgebied (artikel 2.1.5 VR)

Een bestemmingsplan voor gronden binnen het glastuinbouwgebied, laat alleen glastuinbouwbedrijven en openlucht tuinbouwbedrijven toe, alsmede de daarbij behorende voorzieningen. De verdere ontwikkeling van de glastuinbouwgebieden tot een economisch concurrerende en duurzame greenport is van provinciaal belang. De provincie streeft naar een greenport waar het accent ligt op specifieke hoogwaardige productie, met een centrale plaats voor logistiek, handel, kennis en innovatie. Voor het glastuinbouwgebied Westland-Oostland (waar het plangebied deel van uitmaakt - zie het gearceerde gedeelte op onderstaande figuur) is in dit bestemmingsplan de bestemming 'Agrarisch - Tuinbouw' opgenomen, in aansluiting op de Verordening Ruimte.

In dit bestemmingsplan wordt een oplossing geboden voor de aanwezige bestaande burgerwoningen (voormalige agrarische bedrijfswoningen) in het glastuinbouwgebied. Na uitgebreide afweging (zie 4.3) is gebleken dat de woningen voornamelijk aan bestaande gemengde bebouwingslinten (Haakweg, Nieuwlandse Polderweg, Kapittelland, Bagijneland, Nieuwlandse Molenpad), randen of watergangen liggen. Deze bestaande bebouwingslinten zijn veelal een voortzetting van de in het Werkboek Westland aangewezen linten voor woningbouw. Tevens waren deze linten ook al in het vorige bestemmingsplan bestemd met een bebouwingszone voor woon- en bedrijfsbebouwing. Deze structuur zal ook bij herstructurering niet worden geschrapt en daarmee beperken de woningen niet het potentiële glastuinbouwareaal. In dat kader zijn ook voormalige bedrijfsbebouwing, zoals schuren en kassen, die bij de voormalige agrarische bedrijfswoning zijn blijven horen niet bestemd met een woon/tuinbestemming, maar behouden een agrarische bestemming.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1080HvHBuitengeb-va03_0005.png"

Figuur: uitsnede uit Verordening Ruimte (provincie Zuid-Holland)

Afwijkingsmogelijkheid ten behoeve van maatwerk voor ketengerelateerde bedrijven in het glastuinbouwgebied Westland-Oostland

Uitgangspunt is dat bedrijven die gerelateerd zijn aan de greenport maar geen of minder kweekoppervlak hebben dan glastuinbouwbedrijven, zich vestigen op een (agro-gerelateerd) bedrijventerrein. Het bestemmingsplan kan bij uitzondering een bedrijf toelaten dat behoort tot de keten glastuinbouw en dat een bijdrage levert aan de ontwikkeling van het glastuinbouwgebied als internationaal centrum voor teelt, kennis en handel van glastuinbouwproducten, voor zover:

  • a. de gronden zijn gelegen binnen het glastuinbouwgebied Westland-Oostland;
  • b. aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied.

Voor dit bestemmingsplan is gekozen bovenstaande regeling niet toe te passen. In voorkomende gevallen zal dat buitenplans worden toegestaan.

Stedelijke ontwikkelingen buiten BSD (artikel 2.1.1 VR)

Volgens de Verordening ruimte moeten nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen buiten BSD van meer dan 3 ha in het door Provinciale Staten (PS) vastgestelde Programma ruimte staan. Onderstaande uitsnede is uit de kaart in dit Programma ruimte en in de bijbehorende tabellen met woningbouwlocaties staat aangegeven dat voor Buitengebied Noord en Oost II met een bruto oppervlakte van 47 hectare. Omdat de plannen nog niet voldoende concreet zijn voor dit bestemmingsplan zijn deze niet opgenomen in dit bestemmingsplan, maar zullen op termijn worden gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1080HvHBuitengeb-va03_0006.png"

Ruimtelijke kwaliteit (artikel 2.2.1 VR)

Indien een bestemmingsplan een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt is er sprake van een aantal toetsingscriteria. Op basis van de begripsbepalingen uit de VR kan een ruimtelijke ontwikkeling omschreven worden als 'nieuwe bebouwing of nieuw gebruik van bebouwing en grond'. Wanneer hier sprake van is dient de ruimtelijke ontwikkeling binnen de aard en schaal van het gebied te passen en te voldoen aan de richtpunten van de kwaliteitskaart. In de VR is het plangebied voor een deel aangewezen als categorie 1: ecologische hoofdstructuur, verder te noemen Natuurnetwerk Nederland (NNN). Op basis van de huidige VR is het mogelijk dat aan de kust nieuwe bebouwing wordt opgericht. De stranden van Hoek van Holland zijn niet gelegen in de beschermingscategorie ruimtelijke kwaliteit.

Bestaande en nieuwe natuur, waternatuurgebied of ecologische verbinding (artikel 2.3.4 lid 1 VR)

Een bestemmingsplan voor gronden binnen de ecologische hoofdstructuur, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuurgebied en ecologische verbinding, wijst geen bestemmingen aan die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Zoals al blijkt uit de voorgaan de paragraaf Ruimtelijke kwaliteit blijft de aanwezige ecologische hoofdstructuur gehandhaafd. Bestaande bebouwing wordt bestemd in overeenstemming met de planologische mogelijkheden uit de voorgaande bestemmingsplannen. Daarnaast wordt - daar waar een bouwverordening gold - de feitelijke situatie bestemd.

Bescherming molenbiotoop (artikel 2.3.5 VR)

Aan het Nieuwlandse Molenpad, binnen het plangebied ligt de Nieuwelandse Molen. Deze molen is aangewezen als Rijksmonument en dateert van de zestiende eeuw. Het zicht en de windvang van deze molen wordt beschermd door een molenbiotoop. Gelet op het conserverende karakter van onderhavig plan zijn geen nieuwe ontwikkelingen voorzien. Derhalve wordt er geen vrijwaringszone op de verbeelding en in de regels opgenomen.

Archeologie (artikel 2.4.4 VR)

In het bestemmingsplan worden de archeologische waarden beschermd met een dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1', 'Waarde - Archeologie 2', 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4'. Zie ook paragraaf 3.2.

2.2.1.2 Ontwerp Actualisering 2016 VRM

Het onderwerp voor de kust is opgenomen in de startnotitie voor de partiële wijziging 2016 van de Visie ruimte en mobiliteit, het Programma ruimte en de Verordening ruimte 2014. In het licht van de recente ontwikkelingen met betrekking tot kustbebouwing is het wenselijk te bezien in hoeverre het beleid hierop is toegesneden. In verband hiermee en in relatie tot de motie kustbebouwing (593) zullen Gedeputeerde Staten bezien of beleid en regels van de provincie voldoen, of dat aanpassingen nodig zijn. Er is een inventarisatie uitgevoerd naar waar daadwerkelijk kustbebouwing staat en wat er mogelijk nog bijkomt.

Het belangrijkste onderdeel van de aanscherping van het beleid betreft het toevoegen van het rustige deel van het strand van Hoek van Holland dat ligt voor het Natura 2000-gebied, aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het strand binnen het plangebied krijgt daarmee de status van beschermingscategorie 1. Dit betekent dat toekomstige ontwikkelingen moeten passen bij de maat en schaal van bestaande kenmerken van het gebied. Hier wordt toegevoegd dat op de rustige stranden meer ingezet wordt op de openheid en rust en dat daarmee geen nieuwe seizoensgebonden en/of permanente bebouwing ten behoeve van verblijfsrecreatie wordt toegestaan.

Bestaande permanente en seizoensgebonden bebouwing die binnen het NNN gaat vallen mag blijven staan of kan (voor zover er niet op basis van andere criteria anders wordt besloten) elk jaar worden teruggebouwd. Ook als verplaatsing als gevolg van duinaangroei nodig is. Het voorliggende bestemmingsplan houdt reeds rekening met de voorgenomen wijziging van de VR en voorziet niet in nieuwe bebouwing op het strand.

2.2.2 Strategisch handelingsperspectief Greenport Westland-Oostland

Het Strategisch handelingsperspectief is de uitkomst van een gezamenlijk proces van de provincie Zuid-Holland, gemeente Westland en de Greenport Westland-Oostland (GreenportWO). Het proces is gestart met de vraag hoe de sterke positie van de tuinbouw in de toekomst behouden kan blijven en kan doorgroeien als het Sillicon Valley van de tuinbouw. Met dit handelingsperspectief voor de GreenportWO zal een stap worden gezet naar het gezamenlijk met partners uitvoeren van projecten die een wezenlijke bijdrage leveren in de doorontwikkeling, transitie, van de huidige Greenport naar een Greenport 3.0. De ruimtelijke uitgangssituatie van de Greenport Westland-Oostland voor een transitie is goed. Verweving met het grootstedelijke netwerk van Den-Haag-Rotterdam en de mainport Rotterdam, de nabijheid van kennisinstellingen en toonaangevende bedrijven in de voedingsmiddelenindustrie geven kansen om verder te ontwikkelen tot de Greenport 3.0.

De Greenport 3.0 Westland-Oostland is een energieneutraal gebied waar nieuwe tuinbouw-, handel- en logistieke concepten worden ontwikkeld en toegepast, cross-overs ontstaan met bijvoorbeeld farmacie, (gespecialiseerde) voedingsindustrie, robotica, lichttechnologie en big data toepassingen. Duurzame productie, handel en logistiek en kennis komen in de Greenport 3.0 in tijd en ruimte samen.

Bij modernisering/herstructurering is naast infrastructuur voor bereikbaarheid, water en CO2 ook de energie infrastructuur van groot belang. In Oostland wordt een haalbaarheidsstudie voor tracé Oost van de warmterotonde uitgewerkt. Daarna wordt bezien of deze verder uitgewerkt moet worden naar een gecombineerde energie-herstructurering strategie.

In het kader van het duurzamer maken van het plangebied biedt het handelingsperspectief voor Greenport 3.0 een kader voor de toekomstige ontwikkeling de aanwezige glastuinbouwbedrijven.

In het voorliggende bestemmingsplan is, vanwege het ontbreken van concrete plannen, nog geen specifieke regeling opgenomen in het kader van Greenport 3.0. In het voorkomende geval zullen deze ontwikkelingen via een buitenplanse procedure mogelijk worden gemaakt.

2.3 Gemeentelijk beleid

Algemeen

Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 kunnen ook gemeenten hun gemeentelijk beleid vastleggen in structuurvisies. Ter verwezenlijking van de doelen in het ruimtelijk beleid stelt de gemeente bestemmingsplannen op. In Rotterdam zijn er twee typen bestemmingsplannen te onderscheiden het zogenoemde gebiedsbestemmingsplannen en projectbestemmingsplannen. Gebiedsbestemmingsplannen worden opgesteld door het cluster Stadsontwikkeling naar aanleiding van een meerjarenplanning. Wanneer een bepaalde ontwikkeling buiten het opstellen van een gebiedbestemmingsplan valt, kan daar een projectbestemmingsplan voor opgesteld worden of een omgevingsvergunningprocedure voor doorlopen worden, door een initiatiefnemer.

2.3.1 Stadsvisie Rotterdam: Ruimtelijke ontwikkelingsstrategie 2030

Vastgesteld op 29 november 2007 door de Rotterdamse gemeenteraad

De Stadsvisie vormt het ruimtelijk kader voor alle investeringen, projecten en plannen die in de stad worden gerealiseerd. De Stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de stad Rotterdam, voor de periode tot 2030. De Stadsvisie heeft als missie een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad.

Deze missie is uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op de onderwerpen wonen en economie en deze bepalen wat er de komende jaren op deze gebieden gebeurt in de stad. Veel van de kernbeslissingen zullen de komende vijftien jaar worden omgezet in de uitvoering van een aantal (bouw) projecten in de stad, waardoor Rotterdam over pakweg vijftien jaar inderdaad een sterke economie heeft en aantrekkelijke woongebieden kent, ook voor haar hoogopgeleide bewoners.

Op basis van effectmeting zijn dertien gebiedsontwikkelingen aangewezen die het belangrijkst zijn voor de realisatie van de doelen 'sterke economie' en 'aantrekkelijke woonstad', zogenoemde VIP-gebieden. Deze dertien grote gebiedsontwikkelingen krijgen prioriteit in de nabije toekomst (de komende 10 jaar). 

Rotterdam bouwt voort op de sterke woonmilieu van Hoek van Holland. Hoek van Holland met haar strand, duinen, pier en haven kan zich de komende jaren ontwikkelen tot een kustlocatie met een aantrekkelijk groenstedelijk woonmilieu.

2.3.2 Rotterdams beleid t.a.v. zendmasten mobiele telecommunicatie

Vastgesteld op 16 mei 2002 door de Rotterdamse gemeenteraad

In de beleidsnota uit 2002 zijn wensen en oplossingsrichtingen opgenomen ten aanzien van de plaatsing van antennes, masten en apparatuurkasten. De nota sluit aan op nationaal antennebeleid waarin ook onderscheid gemaakt wordt in vergunningsvrije en vergunningsplichtige bouwwerken.

2.3.3 Horecanota Rotterdam 2017-2021

Vastgesteld op 1 november 2016 door College van burgemeester en wethouders

In de Horecanota 2017-2021 staat de balans tussen levendigheid en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat centraal. De nota beschrijft het instrumentarium dat hieraan invulling geeft. Gebiedsgericht werken, een verdere vereenvoudiging van het vergunningstelsel, verfijning van het handhavingskader en stimulering van eigen initiatief door experimenten zijn hiervan de elementen.

Belang voor de stad

Rotterdam is een levendige stad met een aantrekkelijke binnenstad, een groot cultureel aanbod en een gevarieerde samenstelling van bewoners, ondernemers en bezoekers. Horeca speelt een cruciale rol: een goede mix van kwaliteit en kwantiteit, een balans met andere stedelijke functies en openbare orde en veiligheid, bevordert de populariteit van Rotterdam. Bovendien levert de horecasector werkgelegenheid op en stimuleert het de lokale economie. De aantrekkingskracht van de stad is de afgelopen jaren toegenomen. Er wordt weer geld uitgegeven door bezoekers, Rotterdam voert de goede lijstjes aan en is in 2015 uitgeroepen tot beste binnenstad van Nederland. Tegelijkertijd verdicht de bewoning en is ruimte schaars. Het is dus van belang alles in goede banen te leiden en deze schaarse ruimte optimaal te benutten. De positieve ontwikkelingen van Rotterdam weten sommige delen van de stad onvoldoende te bereiken vanwege de aanwezigheid van malafide ondernemingen, georganiseerde criminaliteit en overlast. Dit vraagt om extra aandacht en stevig optreden.

Visie en ambities

Met dit horecabeleid borduurt Rotterdam voort op de goede ontwikkelingen in onze stad. Met oog voor ondernemerschap en aandacht voor een prettig woon- en leefklimaat voor onze bewoners zijn aan de hand van een aantal uitgangspunten vier ambities bepaald waarmee Rotterdam invulling geeft aan de visie op horeca voor de komende jaren.

De Horecanota 2017-2021 geeft invulling aan de visie van Rotterdam ten aanzien van de horeca voor de komende vijf jaar. De horecanota staat niet op zichzelf. Het is een kader dat samen met andere gemeentelijke kaders en visies moet zorgen voor het behoud en de verdere ontwikkeling van Rotterdam als aantrekkelijke stad om in te wonen, te werken en te verblijven. Op basis van de visie en aan de hand van onderstaande uitgangspunten realiseert Rotterdam de ambities van balans in de wijk, een veerkrachtige binnenstad, verantwoord ondernemerschap en de stad als laboratorium.

  • Rotterdam bruist!;
  • de wijk is het uitgangspunt bij het bepalen van de mogelijkheden en onmogelijkheden;
  • bewoners en ondernemers hebben inspraak en nemen gezamenlijk verantwoordelijkheid;
  • ruimte voor innovatie en experimenten ter bevordering van het ondernemerschap en woon- en leefgenot;
  • minder regels, minder lasten en een vereenvoudigd vergunningenstelsel;
  • uitgaan van vertrouwen en sturen op naleving (high trust);
  • wanneer regels en afspraken worden geschonden, dan wordt stevig opgetreden (high penalty).

2.4 Gebiedsbeleid

2.4.1 Gebiedsplan Hoek van Holland 2014 - 2018

De komende jaren zijn er een aantal prioriteiten gesteld voor Hoek van Holland. Dit zijn de volgende voor dit plangebied relevante prioriteiten:

  • Het uitvoeren van de projecten aanleg H6-weg en ombouw Hoeksche Lijn;
  • De vierseizoenenbadplaats realiseren;
  • Bijzondere aandacht voor het milieu in Hoek van Holland.

Met betrekking tot het plangebied zijn enkele punten van toepassing. In het glastuinbouwgebied is onderscheid gemaakt in burgerwoningen en plattelandswoningen. Overige prioriteiten worden niet uitgesloten door het bestemmingsplan, waarbij de H6-weg en de Hoeksche Lijn buiten het plangebied liggen. Het voorliggende bestemmingsplan legt hier geen beperkingen op.

2.4.2 Horeca en evenementen

Horecagebiedsplan 2015 - 2016

Het Horecagebiedsplan 2015 - 2016 doet uitspraak over de volgende zaken:

  • Het aantal Bed and Breakfastvoorzieningen is vergroot en het bestaande aanbod is verbeterd;
  • Een kwaliteitsimpuls aan het recreatieoord en camping is gerealiseerd. Er is een locatie voor kampeerplaatsen geopend;
  • Het Convenant Veiligheid en Openbare Orde Strand is geëvalueerd en waar nodig herzien;
  • Het (betaald) parkeerregime op het strand is geoptimaliseerd;
  • Het evenementenprogramma voor het strand is doorontwikkeld. Daarbij is het locatieprofiel strand geëvalueerd en geactualiseerd;
  • Er is consequent toezicht op strandexploitaties.

Het bestemmingsplan sluit zaken, zoals hierboven genoemd, niet uit.

Hoofdstuk 3 Beschrijving van het plangebied

3.1 Bewoningsgeschiedenis

Het plangebied maakt deel uit van een voornamelijk in en na de Late Middeleeuwen (1000-1500) gevormd landschap tussen Naaldwijk/'s-Gravenzande en de monding van de Nieuwe Maas. In de Romeinse tijd (begin jaartelling-350 na Chr.) en Vroege Middeleeuwen (350-1000) lag hier het mondingsgebied van de Nieuwe Maas. Afzettingen uit deze tijd ontbreken; tot op grote diepte bevinden zich slechts afzettingen die na het verschuiven van de Maasmonding naar het zuiden in de Late Middeleeuwen en daarna zijn gevormd. Het huidige landschap bestaat uit bedijkte kleigebieden en zogenaamde haakwallen: zandige strandafzettingen waarop duinvorming heeft plaatsgevonden.

De haakwallen zijn in verschillende fasen in zuidwaartse richting afgezet. De meest noordelijke haakwal (waarop 's-Gravenzande ligt) is in het midden van de 12de eeuw gevormd. De tweede haakwal is die van het Nieuwlandse Duin en Staalduinen en moet vóór 1242 zijn gevormd. Deze bevindt zich voor een deel in het plangebied. De derde haakwal (De Haak) is pas gevormd na 1542 en ligt juist ten zuiden van het plangebied, langs de Nieuwe Waterweg. De (dan nog onbedijkte) Nieuwlandse Polder wordt voor het eerst in 1367 genoemd en is kort vóór 1421 bedijkt. De zuidelijke dijk van deze polder loopt langs de noordrand van het Nieuwlandse Duin. Het duingebied ten westen van De Strandboulevard is pas na 1850 ontstaan. Het duingebied ten oosten van De Strandboulevard is ouder en dateert uit de 15e-16e eeuw.

3.2 Archeologie

3.2.1 Beleidskader

Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden.

De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld.

Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen.

3.2.2 Archeologische potentie

De relatief jonge vorming van het landschap betekent dat de archeologische potentie van het plangebied niet groot is. Desalniettemin zijn in het gebied ten oosten van de Strandboulevard plaatselijk ondiep gelegen vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd te verwachten. Voor de diepere ondergrond is er een kleine kans op de aanwezigheid van oudere bewoningssporen en vondsten, afhankelijk van het al dan niet intact zijn van oudere, mogelijk niet geërodeerde landschapselementen uit periodes voorafgaand aan de Late Middeleeuwen. Ook is er een kleine kans op het aantreffen van scheepswrakken. In Archeologie is de Archeologische kaart opgenomen.

3.2.3 Regeling

Waarde - Archeologie 1

Voor het landelijk gebied ten noorden en ten oosten van de woonkern van Hoek van Holland (Waarde - Archeologie 1) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden dieper dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte groter dan 200 m2 beslaan.

Waarde - Archeologie 2

Voor het natuurgebied ten westen van de woonkern van Hoek van Holland tot aan de Strandboulevard (Waarde - Archeologie 2) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden dieper dan 1,0 meter beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte groter dan 200 m2 beslaan.

Waarde - Archeologie 3

Voor het gebied ten westen van de Strandboulevard (Waarde - Archeologie 3) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden dieper dan 2,0 meter beneden NAP en die tevens een oppervlakte groter dan 200 m2 beslaan.

Waarde - Archeologie 4

Voor het binnen het plangebied gelegen water (Waarde - Archeologie 4) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden die een oppervlakte van meer dan 200 m2 beslaan en die tevens dieper reiken dan de huidige onderwaterbodem.

3.3 Cultuurhistorie

Algemeen

De gemeente Rotterdam kent een groot aantal panden en gebieden die vanwege cultuurhistorische waarden worden beschermd. Voor de bescherming wordt gebruik gemaakt van bestaand instrumentarium. In het bestemmingsplan zijn geen nadere planologische regelingen opgenomen - behoudens (indien aan de orde) de planologische bescherming die overeenkomstig de Monumentenwet (1988), voorts te noemen Erfgoedwet (2016) (de Monumentenwet 1988 is in juni 2016 is vervangen door de Erfgoedwet) die dient te rusten op een beschermd dorps- of stadsgezicht.

Rijksmonumenten (RM) en Gemeentelijke monumenten (GM)

Een rijks- of gemeentelijk monument kan zijn een gebouw, water, terrein of een ander object dat van nationaal belang is, of van algemeen belang voor Rotterdam is (gemeentelijk monument), vanwege de schoonheid, betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Dit is vastgelegd in respectievelijk de Erfgoedwet (2016) en de monumentenverordening Rotterdam 2003. Bij een monument gaat het om één gebouw of complex, zowel buiten als van binnen. Voor een Rijksmonument geldt dat het object tenminste vijftig jaar oud moet zijn. Als vanzelfsprekend is het verboden om wijzigingen aan te brengen aan een beschermd monument zonder vergunning.

Beeldbepalende objecten (BO) en Beeldbepalende gevelwanden (BG)

In Rotterdam is een groot aantal objecten te vinden die geen status hebben als gemeentelijk monument, maar wel van cultuurhistorische waarde zijn omdat deze objecten karakteristiek voor de stad of een wijk zijn: de zogenaamde Beeldbepalende Objecten. Ook heeft

Rotterdam cultuurhistorisch waardevolle gevelwanden. Beeldbepalende objecten en gevelwanden hebben geen juridische status op grond van de Erfgoedwet 2015 en de Monumentenverordening Rotterdam 2010

Het plangebied

Binnen het plangebied ligt geen beschermd stadsgezicht.

De Nieuwlandse Molen aan het Nieuwlandse Molenpad is een Rijksmonument.

In het plangebied liggen enkele beeldbepalende panden, die de dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie hebben gekregen:

Nieuwlandsedijk 160: het August Reitsmahuis als voormalig chaletgebouw van de Duitse Wehrmacht.

Haakweg 25/27: het "Hertog Albrechthof" als voormalig chaletachtig dienstgebouw van de Duitse Wehrmacht.

Helmweg 7: Duitse radarobservatiepost "Münze" (thans "De Zeetoren")

Duinweg 39: villa "Calorama" uit 1916

Nieuwlandsedijk 140: boerderij "Hillwoning" uit 1780

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

4.1 Inleiding

Binnen het plangebied vigeerde een aantal bestemmingsplannen. De rechten uit deze bestemmingsplannen zijn zoveel mogelijk in het voorliggende bestemmingsplan overgenomen. Daarnaast ontbrak voor een deel van de gronden binnen het plangebied een actueel planologisch kader en was sprake van de bouwverordening. Voor deze gronden is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de feitelijke situatie. Paragraaf 4.2 gaat in op de bestaande situatie van het buitengebied van Hoek van Holland. De ontwikkelingen (omzetting bedrijfswoningen) zijn beschreven in paragraaf 4.3. Paragraaf 4.4 geeft tenslotte een toelichting op de juridische planbeschrijving.

4.2 Huidige situatie

Het Buitengebied van Hoek van Holland kan globaal worden ingedeeld in drie deelgebieden met ieder een eigen kenmerk. Per deelgebied is onderstaand een beschrijving opgenomen.

1. Glastuinbouw (aangewezen door provincie)

Het oosten van het plangebied bestaat grotendeels uit glastuinbouw. Door de aanwezige groenstructuur alsmede de Nieuwlandsedijk en Nieuwlandseduinweg wordt het gebied opgedeeld in twee gebieden. De groenstructuur is aangewezen als een Natura 2000-gebied. Ten oosten van de kern Hoek van Holland en ten zuiden van de Nieuwlandsedijk ligt een glastuinbouwgebied met verschillende functies. Ten noorden van de Nieuwlandseduinweg ligt het tweede en tevens grootste glastuinbouwgebied in de gemeente. Hoewel dit gebied in de gemeente Rotterdam ligt, maakt het ook deel uit van een veel groter gebied van de gemeente Westland. Dit glastuinbouwgebied is niet alleen van nationaal belang, maar ook van internationaal belang. De meest voorkomende functies in beide gebieden zijn glastuinbouw voor akker- en/of tuinbouw en aanverwante bedrijven.

2. Duingebied

Centraal in het gebied, ten westen van de kern Hoek van Holland, bevindt zich het duingebied (Natura 2000, Solleveld en Kapittelduinen). De duinen zijn de overgang van het strand naar het achterland. Het duingebied is als het ware op te delen in twee subgebieden. Enerzijds een recreatief gedeelte en anderzijds de ongerepte duinen waar enkel extensieve recreatie plaatsheeft.

In het recreatieve subgebied bevindt zich één recreatieoord en één camping in de duinovergang. Ten noorden van de Schelpweg ligt recreatieoord 'Hoek van Holland'. Op dit recreatieoord is ruimte geboden aan 1.000 recreatiewoningen, met bijgebouwen. In de zomerperiode van 1 maart tot 1 november is het recreatieoord geopend.

Ten noorden en zuiden van de Schelpweg ligt ook een buurt waar vrijstaande woningen zijn gerealiseerd. Ten zuiden van de woningen bevindt zich vervolgens de kleinere camping Vafamil. Ten zuidoosten van deze camping ligt, ingesloten tussen de strandweg en de stationsweg, het station Hoek van Holland Strand. Dit station vormt een belangrijke toegang tot het strand voor toeristen. Het tracé van de toekomstige Hoekse lijn sluit aan op dit station. Het tracé wordt doorgetrokken tot het strand van Hoek van Holland.

Het tweede subgebied zijn de duinen, die de toegang tot het strand vormen. Via de Rechtestraat, die aantakt op de Schelpweg, is het strand bereikbaar. Op de overgang van de Schelpweg naar de Rechtestraat bevinden zich aan de noord- en zuidzijde twee ruime parkeerterreinen. Aan het noordelijke parkeerterrein ligt 'De Zeetoren'. Deze historische toren biedt ruimte aan verschillende activiteiten. In het zuiden vormt de strandboulevard de toegang tot de strandopgang in het zuiden.

3. Strand en zee

In het deelgebied strand en de Noordzee bevinden zich twee strandpaviljoens. Deze strandpaviljoens bevinden zich aan de Rechtestraat 24 en 25. De strandpaviljoens hebben voornamelijk een horecafunctie en zijn jaarrond geopend. Daarnaast bevinden zich op het strand, ter hoogte van de Rechtestraat een surfschool, watersportvereniging, strandwacht en strandhuisjes. Deze strandhuisjes zijn niet jaarrond aanwezig, maar zijn seizoensgebonden.

4.3 Ontwikkelingen (voormalige agrarische bedrijfswoningen)

Het nieuwe bestemmingsplan sluit, daar waar voorheen een bestemmingsplan gold, zoveel mogelijk aan op de voorgaande bestemmingsplannen en voorziet - met uitzondering van de omzetting van bedrijfswoningen, niet in nieuwe ontwikkelingen.

Glastuinbouwgebied

Voor het bestaande glastuingebied is in aansluiting op rijks en provinciaal beleid gekozen voor een sterke glastuinbouwsector. Dat betekent dat primair gekozen is voor een bestemming voor glastuinbouw. De bouw- en ontwikkelingsmogelijkheid uit het vigerende bestemmingsplan zijn integraal overgenomen.

Voormalige agrarische bedrijfswoningen

Aanleiding

Het glastuinbouwgebied van Hoek van Holland maakt deel uit van het glastuinbouwconcentratiegebied Westland-Oostland. De concentratie van het glastuinbouwprogramma in één gebied schept een belangrijke voorwaarde voor de duurzame en hoogwaardige glastuinbouwgebieden.

In het plangebied zijn nogal wat bedrijfswoningen (behorende tot een glastuinbouwbedrijf) als burgerwoning in gebruik genomen. Dat gebeurde door voormalige tuinders of door burgers die de bedrijfswoning opkochten. Tot op heden heeft nauwelijks handhaving van dit strijdige gebruik plaatsgevonden. Door deze praktijk is bij de tuinders en burgers een verwachtingspatroon ontstaan.

Met dit bestemmingsplan is beoogd een oplossing te vinden voor de bestaande situaties waarin voormalige agrarische bedrijfswoningen worden bewoond door derden. Deze woningen kunnen niet opnieuw worden bestemd als bedrijfswoning.

Omzetting van voormalige agrarische bedrijfswoningen naar burgerwoning

De belangrijkste randvoorwaarde in de beoordeling of een voormalige agrarische bedrijfswoning kan worden omgezet in een burgerwoning is dat een omzetting alleen kan plaatsvinden wanneer dit geen nadere beperkingen oplevert voor de glastuinbouwsector en in het bijzonder voor het glastuinbouwbedrijf, dat voorheen bij de bedrijfswoning behoorde. Voor de omliggende bedrijven zal qua milieuwetgeving geen verandering optreden wanneer een voormalige bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning, aangezien die aan dezelfde normen dient te voldoen als een bedrijfswoning van derden.

De beoordeling

Het Activiteitenbesluit bevat voorschriften voor de sector glastuinbouw. Een glastuinbouwbedrijf valt normaal gesproken alleen onder het Activiteitenbesluit. Een vergunning voor milieu is in de regel niet nodig. Voorheen golden afstandseisen voor glastuinbouwbedrijven (zoals het voormalige Besluit glastuinbouw (vervallen sinds 2013). Deze afstandseisen komen niet meer terug in het Activiteitenbesluit. De idee daarachter is dat het ruimtelijke spoor (bestemmingsplan) een betere manier is om dit te regelen. Welke afstanden in de ruimtelijke afweging geschikt zijn, heeft de wetgever aan de praktijk overgelaten.

De VNG-brochure

Bij het mogelijk maken van milieubelastende functies (zoals bedrijven) is de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' een handzame handreiking om op hoofdlijnen te kunnen bepalen welke afstand in acht moet worden genomen tot gevoelige functies (zoals woningen). Het gaat om een richtafstanden waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Wanneer aan de afstandsnormen wordt voldaan, is in beginsel sprake van een goede ruimtelijke ordening in de zin van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Hoewel de VNG-brochure in principe niet bedoeld is voor het beoordelen van een bestaande situatie, zijn de in de brochure genoemde minimaal gewenste richtafstanden een geschikt hulpmiddel om te bepalen of inpassing van de (bedrijfs)woning als burgerwoning in het bestemmingsplan in beginsel tot de mogelijkheden behoort. Het in aanmerking te nemen glastuinbouwbedrijf is te herleiden tot de richtafstandentabel, zijnde bedrijven met SBI-codes 011 (teelt van eenjarige gewassen), 012 (teelt van meerjarige gewassen), 013 (teelt van sierplanten) en 016 (behandeling van gewassen na oogst/behandeling van zaden voor vermeerdering).

Omgevingstype en milieuaspecten

Beginnend bij geluid, geur, gevaar en stof kan het volgende worden geconstateerd. De VNG-brochure houdt ten aanzien van glastuinbouw een richtafstand van 30 meter aan voor geluid. Voor geur, gevaar en stof wordt een richtafstand van 10 meter aangehouden.

De afstanden die in de VNG-brochure worden aanbevolen, gelden in beginsel tussen de perceelsgrens van een bedrijf en de gevel van een woning die is gelegen in een “rustige woonwijk” of een vergelijkbaar omgevingstype. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied.

Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype “gemengd gebied”, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent.

De afstandsstap kan met één stap worden verlaagd als er sprake is van een “gemengd gebied”; 30 meter wordt dan 10 meter, 100 meter wordt dan 50 meter.

Samenvattend kan worden vastgesteld dat voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar in beginsel een richtafstand van 30 meter dient te worden aangehouden. Deze richtafstand wordt bepaald door het aspect geluid. De andere aspecten vergen een kortere minimale richtafstand.

Het glastuinbouwgebied van Hoek van Holland met agrarische, andere bedrijvigheid en woningen kan qua omgevingstype als “gemengd gebied” worden beschouwd. Aldus mag volgens de VNG-brochure de afstandsstap met één stap worden verlaagd tot een minimale richtafstand van 10 meter.

Installaties

Voor het milieuaspect geluid geldt aanvullend voor glastuinbouwbedrijven dat deze zich bedienen van installaties met milieuaspecten te weten Warmtekrachtkoppelingen (Wkk's) en heftrucks.

De Wkk's zijn onder de naam 'total energy installaties (met gasmotor)' afzonderlijk opgenomen in de VNG-richtafstandenlijst, tabel 2 “Opslagen en Installaties”.

De daar opgenomen richtafstanden voor installaties zijn verwerkt in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, voor zover het activiteiten betreft die onderdeel uitmaken van een bedrijf. In een gebied met omgevingstype “rustige woonwijk” dient een richtafstand van 50 meter tot gevoelige functies te worden aangehouden. Maatgevend milieuaspect betreft het geluid (met de toevoeging C (continu)). Voor het omgevingstype “gemengd gebied” kan één stap terug gedaan worden naar 30 meter.

De heftrucks met verbrandingsmotor worden veelal gebruikt bij het laden en lossen. Tot de laad- en losplek, waar de heftruck met verbrandingsmotor rondrijdt geldt voor het omgevingstype “rustige woonwijk” een richtafstand van 50 meter tot gevoelige functies. Ook die afstand kan worden teruggebracht naar 30 meter nu het gaat om het omgevingstype ”gemengd gebied”.

Wijze van bestemmen

Wanneer de afstand van de voormalige agrarische bedrijfswoning tot de dichtstbij gelegen kas of relevante geluidsbron meer is dan de minimale richtafstanden uit de VNG-brochure dan kan de voormalige agrarische bedrijfswoning de bestemming "Wonen" krijgen.

Wanneer de afstand van de voormalige agrarische bedrijfswoning tot de dichtstbij gelegen kas of relevante geluidsbron minder is dan de minimale richtafstand uit de VNG-brochure dan kan deze woning geen bestemming "Wonen" krijgen, maar biedt de Wet Plattelandswoningen wel de mogelijkheid deze woning binnen de bestemming "Agrarisch - tuinbouw" aan te duiden als "plattelandswoning". In Bijlage 5 bij de regels is met kaartbeelden per voormalige agrarische bedrijfswoning met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning" de relatie met het bijbehorende agrarische bedrijf weergegeven.

Wet Plattelandswoningen

Op 1 januari 2013 is de zogenoemde Wet plattelandswoningen in werking getreden. Met deze Wet wordt het mogelijk gemaakt dat een voormalige agrarische bedrijfswoning, die dus geen deel meer uitmaakt van een agrarisch bedrijf, kan worden bewoond door derden zonder dat conflicterende belangen met het voormalige agrarische bedrijf optreden.

De (reikwijdte van de) Wet Plattelandswoningen

De Wet Plattelandswoningen betreft de wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en enkele andere wetten om de planologische status van gronden en opstallen bepalend te laten zijn voor de mate van milieubescherming alsmede om de positie van agrarische bedrijfswoningen aan te passen (plattelandswoningen). De Wet Plattelandswoningenregelt dat:

  • Het planologische regime (en niet langer het feitelijke gebruik) bepalend is voor de bescherming die een gebouw of terrein geniet tegen milieueffecten;
  • Een voormalige agrarische bedrijfswoning die wordt bestemd of aangeduid als plattelandswoning bewoond mag worden door personen die geen binding hebben met de (voorheen bijbehorende) agrarische bedrijven, maar wordt niet langer beschermd tegen de milieueffecten van het (voorheen) bijbehorende bedrijf.

De Wet Plattelandswoningen beperkt zich tot omzetting van bestaande agrarische bedrijfswoningen, dus woningen die behoren of behoorden bij een agrarisch bedrijf (een landbouwinrichting dat wordt voortgezet en voldoet aan de definitie van een landbouwinrichting uit de milieuregelgeving). Hieronder vallen bedrijven waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten, zijnde het telen of kweken van landbouwgewassen of het fokken, mesten, houden of verhandelen van landbouwhuisdieren, dan wel activiteiten die daarmee verband houden worden verricht.

Een bedrijfswoning van een agrarisch hulp- of nevenbedrijf (een bedrijf dat is gericht op het leveren van goederen en/of diensten aan agrarische bedrijven, of het bewerken, vervoeren of verhandelen van agrarische producten) of reguliere bedrijvigheid komt dus niet in aanmerking om omgezet te worden naar een plattelandswoning, omdat hier geen sprake is van een voormalige agrarische bedrijfswoning behorende bij een agrarisch bedrijf. Bij deze bedrijfswoningen is alleen omzetting in een burgerwoning mogelijk (mits aan de voorwaarden van omzetting wordt voldaan).

Wanneer het een voormalige agrarische bedrijfswoning betreft, waarvan het voormalige bedrijf niet meer is te herleiden kan uitsluitend omzetting in een burgerwoning aan de orde zijn, omdat deze situaties op grond van de Wet plattelandswoningen niet in aanmerking komen voor een plattelandswoning (de wet geldt alleen voor voormalige bedrijfswoningen bij een landbouwinrichting dat wordt voortgezet en voldoet aan de definitie van een landbouwinrichting uit de milieuregelgeving).

Bescherming milieueffecten

Met de plattelandswoning is beoogd een verruiming van de bewoningsmogelijkheden te realiseren zonder dat dit leidt tot beperkingen voor de bedrijfsvoering van het voorheen bijbehorende agrarische bedrijf, derhalve zonder een wijziging van het milieubeschermingregime van de woning. Aan deze burgerwoning komt dus niet het (hogere) beschermingsniveau van burger- of bedrijfswoningen van derden toe, omdat een plattelandswoning bij milieutoetsing (vergunningverlening/meldingstoets) wordt beschouwd als onderdeel van de agrarische inrichting.

De plattelandswoning wordt op een zelfde manier beschermd tegen omliggende (agrarische) bedrijven als zijnde een bedrijfswoning. Omdat deze plattelandswoning niet beschermd wordt tegen de milieugevolgen van het (voorheen) bijbehorende bedrijf (zie Bijlage 5) en de bescherming van een plattelandswoning gelijk gesteld wordt aan de bescherming van een reguliere bedrijfswoning bestaat de kans dat bewoners hinder ervaren op milieugebied die groter zijn dan bij een reguliere woonbestemming. Ondanks dat een plattelandswoning formeel niet wordt beschermd dient wel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te worden gegarandeerd. Het kader daarvoor wordt in deze toelichting geschetst.

Beoordeling aanvaardbaarheid woon- en leefklimaat

Beoordeeld is of voor de bewoners van de voormalige agrarische bedrijfswoning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gesproken als het akoestisch klimaat redelijk tot goed is.

In paragraaf 6.4 Geluid zijn de resultaten van het geluidsonderzoek vermeld. Voor nagenoeg alle onderzochte woningen is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd en kunnen deze voormalige agrarische bedrijfswoningen worden aangeduid als plattelandswoningen. In Bijlage 3 staat de onderbouwing per adres.

Voor Bagijneland 39 is geconstateerd dat sprake is van een matig akoestisch klimaat. Om bij deze woning aan de streefwaarden te kunnen voldoen en daarbij de geluidkwaliteit te verbeteren zouden maatregelen kunnen worden getroffen. Eén van de maatregelen die getroffen zou kunnen worden is het plaatsen van een geluidsscherm. Deze zou evenwel op korte afstand van de woningen moeten worden gerealiseerd, hetgeen noodzakelijkerwijs niet ten goede komt aan de woonkwaliteit in verband met een sterk verminderd uitzicht vanuit de woning. Bovendien gaan deze maatregelen gepaard met hoge kosten. Gezien het voorgaande, kan worden aangenomen dat, ondanks de overschrijding van de streefwaarden ter plaatse van de woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierdoor is omzetting naar een plattelandswoning vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening geen probleem.

Voor Haakweg 47 is geconstateerd dat sprake is van een tamelijk slecht akoestisch klimaat. Om bij deze woning aan de streefwaarden te kunnen voldoen en daarbij de geluidkwaliteit te verbeteren zouden maatregelen kunnen worden getroffen. Eén van de maatregelen die getroffen zou kunnen worden is het plaatsen van geluidsschermen. Deze zouden evenwel op korte afstand van de woning gerealiseerd moeten worden, hetgeen noodzakelijkerwijs niet ten goede komt aan de woonkwaliteit in verband met een sterk verminderd uitzicht vanuit de woning. Bovendien gaan deze maatregelen gepaard met hoge kosten. Tevens is de tussen de woningen geprojecteerde laad- en losplek niet in gebruik. Gezien het voorgaande, kan worden aangenomen dat, ondanks de overschrijding van de streefwaarden ter plaatse van de woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierdoor is omzetting naar een plattelandswoning vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening geen probleem.

Wijze van bestemmen

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de voormalige agrarische bedrijfswoningen alsmede welke bestemming/functieaanduiding deze woningen hebben gekregen.Voor de voormalige agrarische bedrijfswoningen met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning" is in Bijlage 5 bij de regels met kaartbeelden per woning de relatie met het bijbehorende agrarische bedrijf weergegeven.


Adres  
Bestemming/ functieaanduiding  
Bagijneland 26   'Wonen'  
Bagijneland 39   'Specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning'  
Dirk van de Burgweg 12   'Specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning'  
Dirk van de Burgweg 14   'Specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning'  
Dirk van de Burgweg 46   'Specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning'  
Dirk van de Burgweg 48   'Specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning'  
Dwarshaak 44   'Specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning'  
Haakpad 27   'Specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning'  
Haakweg 25   'Wonen'  
Haakweg 33   'Wonen'  
Haakweg 43   'Specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning'  
Haakweg 47   'Specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning'  
Haakweg 57   'Wonen'  
Kaapweg 125   'Specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning'  
Kapittelland 16   'Wonen'  
Kapittelland 41   'Wonen'  
Kapittelland 48   'Wonen'  
Nieuwlands Molenpad 46   'Wonen'  
Nieuwlands Molenpad 49   'Wonen'  
Nieuwlands Molenpad 51   'Wonen'  
Nieuwlands Molenpad 54   'Wonen'  
Nieuwlandse Polderweg 7   'Specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning'  
Nieuwlandse Polderweg 9   'Wonen  
Nieuwlandse Polderweg 11   'Wonen'  
Nieuwlandse Polderweg 15   'Specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning'  
Nieuwlandse Polderweg 18   'Specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning'  
Nieuwlandse Polderweg 21   'Wonen'  
Nieuwlandse Polderweg 24   'Wonen'  

Tabel 4.1 overzicht bestemmingen/functieaanduidingen wonen en plattelandswoning

4.4 Juridische planbeschrijving

4.4.1 Agrarisch

Deze bestemming is opgenomen voor een deel van een agrarisch perceel waar geen glastuinbouw aanwezig is, ten noordoosten van de kern Hoek van Holland. De bestemming Agrarisch laat toe dat het bestaande agrarische gebruik kan worden voorgezet. Binnen de bestemming is geen bebouwing mogelijk.

4.4.2 Agrarisch - Tuinbouw

De bestemming Agrarisch - Tuinbouw is opgenomen om de bestaande glastuinbouwcomplexen te bestemmen. De bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn nagenoeg gelijkluidend uit het voorgaande bestemmingsplan overgenomen. Binnen deze bestemming zijn bedrijfsgebouwen enkel toegestaan binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak. Voor kassen geldt dat deze zowel binnen als buiten het bouwvlak zijn toegestaan. Ook gietwaterbassins, watertanks, warmtetanks en watersilo's mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gerealiseerd.

Voor zover sprake is van een bestaande bedrijfswoning, is hiervoor de aanduiding 'bedrijfswoning' opgenomen. Voor zover de bedrijfswoningen niet meer als zodanig functioneren is per situatie de afweging gemaakt of een aanduiding 'plattelandswoning' kan worden toegekend. Zie paragraaf 4.3 Ontwikkelingen (voormalige agrarische bedrijfswoningen).

Voor de bijgebouwen die bij deze voormalige bedrijfswoningen zijn toegestaan, is aansluiting gezocht bij de regeling voor bijgebouwen bij bedrijfswoningen, zoals opgenomen in het voorheen geldende bestemmingsplan. Dat betekent dat het oppervlak van bijgebouwen bij een plattelandswoning niet meer mag zijn dan 30 m2.

Voor de gronden van Camping Jagtveld aan de Nieuwlandsedijk 41 is binnen deze bestemming de aanduiding 'kampeerterrein' opgenomen. Hier zijn de gronden tevens bestemd voor verblijfsrecreatie met kampeermiddelen alsmede voor de daarbij behorende accommodaties, ontsluitingswegen en -paden, parkeerplaatsen en groenvoorzieningen.

4.4.3 Bedrijven

Onderscheid is gemaakt in vier verschillende soorten bedrijven: 'Bedrijf ', 'Bedrijf - Nutsbedrijf', 'Bedrijf - Nutsvoorziening' en 'Bedrijf - Verkooppunt motorbrandstoffen met lpg'. Binnen de bestemming Bedrijf is een bestaand garagebedrijf met één bedrijfswoning van een specifieke bestemming voorzien. Het nutsbedrijf aan de Dirk van den Burgweg, hoek Kaapweg heeft de bestemming Bedrijf - Nutsbedrijf gekregen. De bestemming Bedrijf - Nutsvoorziening is toegekend aan het trafohuisje ten behoeve van elektriciteitsvoorziening dat is gelegen in de duinen. Kleine bouwwerken van openbaar nut zijn niet bestemd en kunnen in principe overal worden gerealiseerd. Het gaat hierbij om gebouwtjes met een inhoud van minder dan 80 m3. Het bedrijf aan de Dirk van den Burgweg dat motorbrandstoffen, inclusief lpg, verkoopt heeft de bestemming Bedrijf - Verkooppunt motorbrandstoffen met lpg gekregen.

4.4.4 Cultuur en ontspanning

De Zeetoren is bestemd als Cultuur en ontspanning. Momenteel is de Zeetoren in gebruik als locatie voor horeca, evenementen en uiteenlopende activiteiten. Op basis van dit feitelijke gebruik is er voor gekozen binnen de bestaande bebouwing een ruime bestemming qua gebruik toe te kennen die ruimte biedt voor diverse activiteiten gericht op cultuur en ontspanning, inclusief horeca.

4.4.5 Groen

Structurele groengebieden zijn bestemd als Groen. Binnen deze bestemming zijn ook voet- en fietspaden toegestaan. Ook is de aanleg van nieuwe waterpartijen, watergangen en waterberging mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming).

4.4.6 Horeca

In de "Horecanota Rotterdam" worden de hoofdlijnen van het horecabeleid in de gemeente Rotterdam beschreven. Dit beleid is, voor zover ruimtelijk relevant, vastgelegd in dit bestemmingsplan.

Horeca definitie en afbakening

In deze paragraaf is aangegeven wat in Rotterdam verstaan wordt onder horeca en voor welke vormen een exploitatievergunning noodzakelijk. Ook wordt een toelichting gegeven op bijzondere vormen van (tijdelijke) horeca en de andere zaken die bij het starten en/of overnemen van een horeca-inrichting komen kijken.

Wat is horeca?

Horeca kent enorm veel verschijningsvormen en dankzij creatieve ondernemers komen er naast hotels, restaurants en cafés nog steeds meer vormen bij. In Rotterdam verstaan we onder horeca elk openbaar pand of openbare ruimte waar je structureel en tegen betaling kan eten en drinken (of afhalen) en/of waar amusement of ontspanning wordt aangeboden. De exacte definitie is in de Algemene Plaatselijke Verordening opgenomen onder het begrip: openbare inrichting.

De Horecanota ziet niet toe op alle vormen van openbare inrichtingen. Prostitutiebedrijven en coffeeshops kennen vanwege hun bijzondere karakter eigen beleidsregels en aparte vergunningen. Vestigingsvoorwaarden voor hotels zijn eveneens geen onderdeel van dit beleid. Een restaurant in een hotel natuurlijk wel.

Exploitatievergunning of niet?

In Rotterdam bestaan meerdere categorieën exploitatievergunningen. De aard van de activiteiten die in de horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt welke categorie vereist is. Hoe uitbundiger de bedrijfsvoering van een horeca-inrichting, hoe uitgebreider de vereiste exploitatievergunning. Dit geeft tevens de mogelijkheid om een deel van de ondernemers die beperkte en/of zeer lichte vormen van horeca exploiteren vrij te stellen van de vergunningplicht (categorie 0). Dit is de afgelopen jaren een duidelijke lastenverlichting gebleken en sluit aan bij de high trust (high penalty) aanpak.

Naast bedrijven waar horeca de primaire bedrijfsvoering is, kent Rotterdam ook talloze bedrijven, instellingen en clubhuizen waar horeca slechts een ondersteunende functie heeft. Ook hiervan kan een groot deel gebruik maken van de vrijstelling van de vergunningplicht. Omdat er op basis van landelijke wetgeving, zoals de Winkeltijdenwet, ruimtelijke ordeningswetgeving en de Drank- en Horecawet nu eenmaal verschil zit tussen deze vormen van zeer lichte en/of ondersteunende horeca, onderscheiden we in Rotterdam drie varianten die vrijgesteld van de exploitatievergunningplicht mogen exploiteren; exploitatiecategorie 0.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1080HvHBuitengeb-va03_0007.png"

Indien een horeca-inrichting een horecabestemming heeft, dan worden de basisvoorwaarden verruimd en deels vervangen met onderstaande voorwaarden. De overige voorwaarden blijven gelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1080HvHBuitengeb-va03_0008.png"

Ook als er geen sprake is van een horecabestemming kan het zijn dat er ruimere voorwaarden gelden. Sommige instellingen en voorzieningen hebben traditiegetrouw een aanzienlijk horecadeel, maar waarbij de openbare orde niet in het geding komt. Dit is een verzamelcategorie van instellingen en bijzondere objecten: muziek- en sportverenigingen, musea, theaters, filmhuizen, hotels/hostels, rouwcentra, ziekenhuizen, bejaarden- en verzorgingshuizen, gebedshuizen, bedrijfskantines en instelling voor hoger onderwijs. De overige voorwaarden blijven gelijk aan de basisvoorwaarden. (Voor muziek- en sportverenigingen geldt dat uit de bestemming dient te volgen dat sport en/of muziek de primaire functie van het object is).

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1080HvHBuitengeb-va03_0009.png"

Indien het woon- en leefklimaat in een straat of buurt onder grote druk staat, kan de burgemeester verbieden dat horeca zich daar zonder vergunning vestigt. In die gevallen is dus altijd een exploitatievergunning vereist om horeca-activiteiten te exploiteren.

Exploitatievergunning 

Wanneer een ondernemer meer of zwaardere activiteiten wil dan hierboven beschreven is een exploitatievergunning noodzakelijk. Rotterdam hanteert hiervoor een duidelijk vergunningstelstel dat aan de hand van losse activiteiten is opgebouwd. Dit wil zeggen dat de activiteiten worden vergund die in een horeca-inrichting kunnen plaatsvinden. Het vergunningstelsel biedt ondernemers op deze manier ruimte voor verschillende horecaconcepten.

Exploitatiecategorieën

De combinatie van activiteiten die in een horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt in welke exploitatiecategorie de inrichting valt. Daarbij is relevant in hoeverre de activiteiten effect hebben op de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf. Hoe meer effect, des te zwaarder de exploitatiecategorie. Hoe zwaarder de categorie, des te zwaarder de toets bij vergunningverlening. Elke ondernemer kan gebruik maken van de voor hem of haar geldende vrijstelling van de exploitatievergunningplicht (categorie 0). Indien meer of zwaardere activiteiten worden aangeboden is een exploitatievergunning vereist in de categorie 1 t/m 4+ (licht, regulier, middelzwaar, zwaar, buiten categorie).

Gebiedsgericht werken

Een belangrijk, zo niet het belangrijkste onderdeel van de Horecanota is gebiedsgericht werken; kennis uit de wijk is bepalend voor wat kan en wat niet. Deze werkwijze, waarbij maatwerk en flexibiliteit centraal staan, heeft in de afgelopen jaren reeds z'n vruchten afgeworpen op het gebied van horeca. Door per wijk of buurt een duidelijke visie en/of ambitie te hebben en daaraan vestigingsvoorwaarden te stellen, kunnen bekende en nog onbekende horeca-ontwikkelingen worden beoordeeld en gerealiseerd.

Horecagelegenheden binnen het plangebied zijn in diverse bestemmingen geregeld. Het hotel aan de Stuifkenszand is specifiek bestemd voor Horeca (hotel). Binnen de bestemming Natuur - Recreatie zijn de twee strandpaviljoens gesitueerd (jaarrondexploitatie). Het betreft bestaande functies. De locatie van o.a. de strandpaviljoens is vastgelegd op de verbeelding door middel van de aanduiding 'Gemengd'. Voor de strandbebouwing is een bouwvlak opgenomen met bijbehorende bouwregels. Bij de strandpaviljoens is een terras op maaiveld toegestaan, maar is op het gebouw ook een dakterras mogelijk.

4.4.7 Maatschappelijke voorzieningen

Onder maatschappelijke voorzieningen worden voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, cultuur, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening verstaan. Deze voorzieningen kunnen wel of niet geluidsgevoelig zijn volgens de Wet geluidhinder. Geluidsgevoelige voorzieningen zijn bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, terwijl buurthuizen of kerkgebouwen niet geluidsgevoelig zijn.

In dit bestemmingsplan is de bestemming Maatschappelijk opgenomen voor het voormalige Natuurvriendenhuis aan de Nieuwlandsedijk 160. Binnen deze bestemming is een functiewisseling naar een andere maatschappelijke functie mogelijk, zolang het geen geluidsgevoelige functie betreft.

4.4.8 Leidingen

In het plangebied zijn een gasleiding en een hoofdrioolpersleiding anwezig die is aangegeven op de verbeelding van het bestemmingsplan en bestemd met een dubbelbestemmingen Leiding - Gas en Leiding - Riool. Het bestemmingsplan gebruikt ter bescherming van deze leiding een aanlegvergunningstelsel. In de regels is aangegeven welke werkzaamheden verboden zijn. Ook is aangegeven voor welke werkzaamheden een vergunning verleend kan worden na een positief advies van de leidingbeheerder.

4.4.9 Natuur

Deze bestemming is aangewezen voor de Natura 2000-gebieden. Het behoud, het herstel of de ontwikkeling van de op deze gronden voorkomende dan wel daaraan eigen zijnde natuurwetenschappelijke waarden moeten beschermd worden. De bestemming Natuur regelt dat activiteiten die nadelig kunnen zijn voor het Natura 2000-gebied, zoals beschreven in het provinciaal beheerplan Solleveld en Kapittelduinen, niet zijn toegestaan. Extensieve recreatie is binnen deze bestemming wel toegestaan. Een vergunning is vereist voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde.

Langs het tracé van de Hoekselijn zijn hekwerken ten behoeve van de Hoekselijn met een bouwhoogte van niet meer dan 2 meter toegestaan. Ook fiets-, voetpaden en ontsluitingswegen zijn binnen deze bestemming toegestaan.

4.4.10 Natuur - Recreatie

De bestemming Natuur - Recreatie is opgenomen voor het strand en de zee voor zover niet gelegen binnen de Natura 2000-gebieden. Binnen deze bestemming wordt ruimte geboden voor dagrecreatie. Daarnaast zijn 183 seizoensgebonden strandhuisjes toegestaan. Deze huisjes mogen nu ook al worden opgericht. Voorts zijn ter plaatse van de aanduiding “gemengd” twee gebouwen voor sportgerelateerde voorzieningen, een gebouw voor de strandwacht en twee strandpaviljoens toegestaan. Aan de Stuifkeszand is een solitair paviljoen toegestaan. Het betreft de bestaande surfschool, het gebouw voor de watersportvereniging, het gebouw voor de strandwacht en de bestaande strandpaviljoens met bijbehorende terrassen. De aanwezige weg is binnen deze bestemming voorzien van de aanduiding 'ontsluiting'. Het aanwezige parkeerterrein is eveneens voorzien van een aanduiding. Van primair belang binnen deze bestemming is behoud, herstel en ontwikkeling van de aan de bossen, houtwallen, zandwallen, duinen, duingraslanden, zandplaten, slikken, schorren, oevervegetaties, poelen en water eigen zijnde natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden.

4.4.11 Parkeerregeling

Algemeen
Aanleiding voor het opnemen van deze parkeerregeling is gelegen in het feit dat de stedenbouwkundige bepalingen (waaronder de parkeernormen) uit de Bouwverordening Rotterdam 2010 met de nieuwe Wro (1 juli 2008) en de daarop gebaseerde overgangswet (29 november 2014) hun werkingskracht hebben verloren. Dit betekent dat de stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening geen aanvullende werking meer hebben op bestemmingsplannen die vanaf 29 november 2014 worden vastgesteld. Het betreft met name de bepalingen over het parkeren (en laden en lossen). Immers, bij elke bouwaanvraag kwam via de toetsing aan de Bouwverordening de vraag aan de orde of bij het bouwplan wel voldoende parkeergelegenheid wordt of kan worden gerealiseerd. Nu de grondslag aan deze bepalingen is komen te vervallen, kan hier ook niet meer aan worden getoetst.

Het overgangsrecht zorgt ervoor dat de parkeernormen uit de Bouwverordening wel van toepassing blijven, voor vijf jaar, voor alle plannen vastgesteld vóór 29 november 2014. Het opleggen van de parkeernormen moet geregeld worden door het opnemen van een zogenoemde voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan. Als grondslag hiervoor geldt het tweede lid van artikel 3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waarin is opgenomen dat een bestemmingsplan regels kan bevatten waarvan de uitleg bij het gebruik van een bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Hierdoor is het mogelijk om in de bestemmingsplanregel te verwijzen naar gemeentelijke beleidsregels over parkeernormen. Omdat nu nog geen beleid is vastgesteld, is er voor gekozen de normen uit de Bouwverordening Rotterdam 2010 op te nemen in het bestemmingsplan. Tevens is in de regels een bepaling opgenomen waarmee geregeld is dat nieuw beleid ten aanzien van parkeernormen de nu vastgelegde parkeernormen kan vervangen.

Regeling
In de regels van het bestemmingsplan is nu de regel 'Voorwaardelijke verplichting over parkeren' opgenomen. In deze regeling wordt voor de parkeernormen verwezen naar de bijlage Parkeernormen. Deze normen zijn gelijk aan de normen zoals opgenomen in de Bouwverordening Rotterdam 2010. Er is geen materiële wijziging van de toetsingsnormen beoogd. Slechts de wettelijke grondslag is gewijzigd.

Uitvoering
Bij het bouwen van woningen en voorzieningen worden in het bestemmingsplan eisen gesteld aan de aanwezige parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden. In het centrum geldt dat er alleen maximumnormen zijn, in de andere gebieden zijn er ook minimumnormen. Wat betreft de parkeergelegenheid wordt er een parkeereis gesteld. Deze parkeereis wordt berekend aan de hand van de parkeernormen die zijn opgenomen in bijlage Parkeernormen van de regels van dit bestemmingsplan. De minimumparkeernormen zijn er om te zorgen dat de behoefte aan parkeerruimte bij nieuwe ontwikkelingen geaccommodeerd wordt. De maximumnormen zijn bedoeld om de bereikbaarheid en leefbaarheid van de binnenstad te verbeteren. Om overlast in het openbaar gebied tegen te gaan moet de parkeereis door de ontwikkelaar op eigen terrein gerealiseerd worden.

Afwijkingsbepaling
In situaties waarin dit tot onoverkomelijke problemen leidt kan een beroep worden gedaan op de afwijkingsbepaling.

Onder a, wordt met dubbelgebruik bedoeld dat bij het ontwikkelen van meerdere functies, zoals wonen, bedrijfsfuncties, winkelfuncties e.a. die op verschillende tijdstippen gebruik maken van parkeerplaatsen, een deel van de parkeerplaatsen dubbel gebruikt kan worden. De totale parkeereis voor het geheel wordt hierdoor lager dan de parkeereisen per functie afzonderlijk.

Onder b, wordt met parkeereisovereenkomst bedoeld een overeenkomst, tussen de ontwikkelaar en de gemeente, waarbij de gemeente de verplichting op zich neemt om (een deel van) de parkeerplaatsen in de omgeving beschikbaar te stellen of te realiseren. De ontwikkelaar betaalt hiervoor een compensatiesom. De hoogte van de afkoopsom is afhankelijk van het aantal te compenseren parkeerplaatsen en het gebied waarin de ontwikkeling wordt geïnitieerd.

Onder b en c, wordt gesproken over een gemeentelijk belang. Dit houdt in dat de ontwikkeling zodanig gewenst is vanuit de gemeente dat de gemeente toestaat dat een deel van de parkeereis wordt opgelost in het openbare gebied. De ontwikkelaar moet hierbij kunnen aangeven met gegronde redenen dat het niet mogelijk is om de parkeereis op eigen terrein te realiseren.

Onder d, wordt gesproken over een bijzonder gemeentelijk belang. Het gaat hierbij om zeer uitzonderlijke situaties, waarbij met gegronde redenen aangetoond is, dat het niet mogelijk is om aan (een deel van) de parkeereis op eigen terrein te voldoen én er ook geen mogelijkheden bestaan om (een deel van) de parkeereis in de openbare ruimte op te lossen. Het verschil met het gemeentelijk belang, zoals genoemd in onderdeel b en c, zit in het feit dat de gemeente de ontwikkeling zodanig gewenst vindt, uit economisch oogpunt of uit het oogpunt van milieu, hinder of woonomgeving, dat er volledige vrijstelling van de parkeereis wordt toegestaan. Deze afwijking zal slechts worden verleend na een bestuurlijk besluit waarin de motivering van het verlenen van deze afwijking is opgenomen.

4.4.12 Recreatie

Er is sprake van drie bestemmingen voor recreatie: Recreatie - 1, Recreatie - 2 en Recreatie - 3.

De bestemming Recreatie - 1 is opgenomen voor de recreatiewoningen in het Recreatieoord aan de Wierstraat 100. Binnen de bestemming Recreatie - 1 zijn de gronden bedoeld voor verblijfsrecreatie in zomerhuizen met de daarbij behorende accommodaties, ontsluitingswegen en -paden, parkeerplaatsen, groenvoorzieningen, waterlopen en overige in het kader van de waterhuishouding nodige voorzieningen, zoals taluds, keerwanden en beschoeiingen.

Op basis van de bestemming zijn in beginsel zomerhuizen toegestaan met een goothoogte van maximaal 3 meter en een bouwhoogte van maximaal 3,75 meter. Dit is een nieuwe regeling. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Kaapweg, inclusief herziening" waren hogere goot- en bouwhoogtes toegestaan. De in het voorliggende bestemmingsplan opgenomen goot- en bouwhoogten voor zomerhuizen worden echter vanuit ruimtelijk oogpunt meer wenselijk geacht.

Omdat in het voorheen geldende plan "Kaapweg, inclusief herziening" hogere hoogtes waren toegestaan, is voor bestaande zomerhuizen die een hogere goot- en/of bouwhoogte hebben een andere regeling opgenomen. Deze zomerhuizen zijn opgenomen in Bijlage 3 "Recreatieoord: zomerhuizen met afwijkende maatvoering". Voor deze zomerhuizen geldt dat de goothoogte maximaal 4 meter mag zijn en de bouwhoogte niet meer dan 0,75 mag bedragen boven de gerealiseerde goothoogte. Deze laatste bepaling heeft in de praktijk voor enige discussie gezorgd. De bepaling dient zo te worden uitgelegd dat bovenop de gerealiseerde goothoogte een kap mag worden gerealiseerd, maar de bouwhoogte nooit meer mag bedragen dan 0,75 meter meer dan de gerealiseerde goothoogte. Bij een zomerhuis met een gerealiseerde goothoogte van bijvoorbeeld 3,75 meter, mag de bouwhoogte niet meer dan 4,50 meter bedragen. Voorts geldt dat bij sloop van een zomerhuis, opgenomen in Bijlage 3, bij nieuwbouw voldaan moet worden aan de standaardhoogtebepalingen, te weten een goothoogte van maximaal 3 meter en een bouwhoogte van maximaal 3,75 meter.

Bij een zomerhuis mag maximaal één berging worden gerealiseerd met een maximum oppervlak van 6 m2, een goothoogte van maximaal 2 meter en een bouwhoogt van maximaal 2,5 meter.

Aangezien de brandveiligheid gewaarborgd moet worden, moet gelden er minimale afstanden van gebouwen (zomerhuizen en bergingen) tot de erfafscheiding en van gebouwen onderling. Als de Brandpreventiecommissie een positief advies geeft, dan kan van die minimale afstanden worden afgeweken. Daartoe is een afwijkingsbepaling opgenomen.

Op het terrein mogen ook bijbehorende accommodaties worden gerealiseerd. Deze gebouwen mogen een goothoogte hebben van maximaal 4 meter en een bouwhoogte van maximaal 4,75 meter.

De bestemming Recreatie - 2 is ook opgenomen voor het Recreatieoord aan de Wierstraat 100, maar dan voor het gedeelte waar alleen kampeermiddelen zijn toegestaan, voor verblijfsrecreatie met kampeerdoeleinden en de daarbij behorende accommodaties, ontsluitingswegen en -paden, parkeerplaatsen, groenvoorzieningen, waterlopen en overige in het kader van de waterhuishouding nodige voorzieningen, zoals taluds, keerwanden en beschoeiingen. Ook hier geldt een minimale afstand van kampeermiddelen tot de erfafscheiding of weg en tot kampeermiddelen/gebouwen onderling. Na een positief advies van de brandpreventiecommissie kan van die afstanden worden afgeweken.

Uit het oogpunt van brandveiligheid zijn regels opgesteld waar veranda's bij kampeermiddelen aan dienen te voldoen. Het gaat dan om regels met betrekking tot de breedte, diepte en de afstand tot andere bouwwerken (anders dan het kampeermiddel). De regels zijn gelden niet voor bestaande situaties die daarvan afwijken. Deze bestaande situaties zijn geïnventariseerd en opgenomen in Bijlage 4 behorende bij de regels. In geval van sloop/nieuwbouw dient wel weer te worden voldaan aan de genoemde regels t.a.v. breedte en diepte en de afstanden tot andere bouwwerken.

De bestemming Recreatie - 3 is opgenomen voor de gronden van de voormalige camping VaFaMil, gelegen aan de Strandweg. Op dit terrein is alleen Extensieve recreatie toegestaan.

4.4.13 Tuin-1

De bij een woning behorende gronden hebben de bestemming Tuin - 1 gekregen. De voor tuin aangewezen gronden zijn bestemd voor uitstekende delen aan gebouwen die toegelaten zijn krachtens een aangrenzende bouwbestemming almede aanbouwen en bijgebouwen ten behoeve van een woning die krachtens een aangrenzende woonbestemming zijn toegelaten. Voor de tuin bij de woning aan de Nieuwlandsedijk (Hilwoning) is vanwege de aanwezig erfbebouwing een afwijkende regeling opgenomen die extra erfbebouwing in de tuin toelaat.

4.4.14 Tuin-2

Voor de woningen aan de Duinroosweg is een andere regeling opgenomen. Het betreft de bestemming 'Tuin - 2'. Voor deze woningen gold het bestemmingsplan “Kaapweg”. Teneinde de geldende rechten te respecteren is een aparte tuinbestemming opgenomen.

4.4.15 Uitbreiding/bebouwing op het achtererfgebied

Op 1 november 2014 is Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. In dit besluit is onder meer het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied geregeld. De wijziging van 1 november 2014 heeft ertoe geleid dat het bouwen van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied is verruimd ten opzichte van de oude regeling. Dat betekent dat er bij een woning of ander hoofdgebouw meer aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen vergunningvrij mogen worden gebouwd dan voorheen het geval was. De verruiming is mede het gevolg van een andere benadering voor het berekenen van de oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken.

Het vergunningvrije bouwen moet in samenhang gezien worden met de regels in het bestemmingsplan. Dat leidt ertoe dat het bestemmingsplan in beginsel geen invloed heeft op het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken. Het bestemmingsplan kan alleen maar regelen wat er méér is toegestaan dan wat de regeling toelaat.

Hoeveel er op grond van de nieuwe regeling aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken mag worden opgericht, is afhankelijk van de oppervlakte van het bebouwingsgebied. Het bebouwingsgebied maakt deel uit van het achtererfgebied. Hoe groter het bebouwingsgebied, hoe groter de oppervlakte aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken. Het komt erop neer dat maximaal 150 m2 aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken kan worden gebouwd. Dat is het geval bij grote percelen. Bij een doorsnee perceel zal deze oppervlakte veel beperkter zijn.

Naast voorgaande regeling biedt het Bor aanvullende mogelijkheden voor erfbebouwing.

4.4.16 Verkeers- en verblijfsgebied

De hoofdwegen in het plangebied hebben de bestemming Verkeer - Wegverkeer gekregen. Deze bestemming is bedoeld voor verkeerswegen met de bijbehorende bruggen, viaducten en parkeerplaatsen. En daarnaast natuurlijk ook voor wandel- en fietspaden en gebouwtjes en bouwwerken ten behoeve van deze functies. Binnen de bestemming Verkeer - Wegverkeer zijn doorgaans de 50-km wegen opgenomen.

De bestemming Verkeer - Verblijfsgebied is opgenomen voor de ontsluitingswegen met de bijbehorende trottoirs. En daarnaast voor pleinen, snippergroen, speeltoestellen en dergelijke. Binnen deze bestemmingen is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen en watergangen en waterberging mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming).

4.4.17 Wonen

De bestemming Wonen is toegekend aan de woningen gelegen in de duinen alsmede aan de verspreid liggende woningen in het glastuinbouwgebied. Enkele voormalige agrarische bedrijfswoningen zijn omgezet naar burgerwoningen, zie Ontwikkelingen (voormalige agrarische bedrijfswoningen), en hebben hierdoor de bestemming Wonen gekregen.

Er is gekozen voor een gedetailleerde manier van bestemmen. De gronden zijn bestemd voor woningen, met de daarbij behorende voorzieningen zoals (inpandige) bergingen en garageboxen. De maximum bouw- en goothoogte is op de verbeelding aangegeven. Tevens mogen woningen, onder voorwaarden, mede worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis gebonden beroep of bedrijf, zie Werken aan huis. Voor de wijk Grootzand geldt dat als begane grond de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer geldt.

4.4.18 Werken aan huis

In de regels is een regeling voor werken aan huis opgenomen. Deze regeling gaat uit van een zo groot mogelijke flexibiliteit in toegestane bedrijfsactiviteiten, mits de omgeving geen gevaar loopt en geen onevenredige hinder ondervindt van de activiteit. De bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in alle woningen, ongeacht het type woning of het gebied waar de woning staat. De belangrijkste voorwaarden zijn dat maximaal 30% van de woning voor beroeps-/bedrijfsactiviteiten mag worden gebruikt en dat de woning er aan de buitenkant als woning uit blijft zien. Reclame-uitingen aan de buitenzijde van de woning zijn niet toegestaan. Verder worden detailhandelsactiviteiten en bedrijfsmatige reparatie en onderhoud aan motorvoertuigen nadrukkelijk uitgesloten.

Bed and breakfast wordt niet expliciet genoemd in de regels, maar is mogelijk indien deze voldoet aan regels van werken aan huis.

4.4.19 Waarde - Cultuurhistorie

Cultuurhistorisch beeldbepalende panden krijgen naast hun hoofdbestemming (bijvoorbeeld de bestemming "Wonen"), de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie".

Deze dubbelbestemming werpt een drempel op tegen sloop. Mogelijke toekomstige sloopplannen voor de cultuurhistorische waardevolle bebouwing zijn dan in principe niet mogelijk. Het gemeentebestuur kan echter wel een sloopvergunning verlenen indien maatschappelijke, technische dan wel economische overwegingen zwaarwegend genoeg zijn om een uitzondering te maken. Daarbij moet een nieuw bouwplan voldoende rekening houden met de cultuurhistorische waarden van de omgeving.

4.4.20 Waterstaat - Waterkering

Aan de duinen, die bescherming bieden tegenover een overstroming vanuit zee en de Delflandsedijk, die bescherming biedt tegenover een overstroming vanuit de Nieuwe Waterweg, is de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering toegekend. De bijbehorende beschermingszone voor de duinen als primaire waterkering is aangeduid als Vrijwaringszone - duin. Doel van deze vrijwaringszone is de instandhouding of versterking van een duurzaam kustfundament met voldoende ruimte voor versterking van de zeewering. De bijbehorende beschermingszone voor de Delflandsedijk als primaire waterkering is aangeduid als Vrijwaringszone - dijk. Doel van deze vrijwaringszone is de bescherming van de functie van de waterkering.

Binnen de aanduiding is alleen de bestaande bebouwing toegestaan en bebouwing die van beperkte invloed is. Voor de regeling is aansluiting gezocht bij het Barro

Hoofdstuk 5 Water

5.1 Beleidskader

5.1.1 Landelijk

De Europese Kaderrichtlijn Water

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000) (KRW) beschermt de waterkwaliteit van alle wateren en stelt doelen om ervoor te zorgen dat de ‘goede toestand’ wordt bereikt. Voor de KRW-waterlichamen in het plangebied is hiervoor het ‘Goede Ecologisch Potentieel (GEP)’ van belang. Dit is de toestand die voor sterk veranderde en kunstmatig aangelegde waterlichamen bereikt moet worden. Het Europees beleid is erop gericht om de lozing van prioritair gevaarlijke stoffen te beëindigen, dan wel vergaand te reduceren. De KRW is vertaald in Nederlandse regelgeving met het ‘Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009’ en de ‘Ministeriële Regeling Monitoring kaderrichtlijn water’. Hierin staan de normconcentraties voor de te lozen stoffen vermeld. Verder zijn van belang de Europese Richtlijn Prioritaire Stoffen en de nieuwe Europese richtlijn ‘Industriële Emissies, 2011’.

Waterwet en waterbesluit (2009)

Volgens de Waterwet en bijbehorend waterbesluit is het verboden om zonder toestemming van de minister van Infrastructuur en Milieu iets anders te doen met een waterstaatswerk, dan waarvoor het bedoeld is. Voor bouwen in of rond een waterstaatswerk moet daarom een vergunning in het kader van de Waterwet worden aangevraagd. Uitzondering hierop zijn de gebieden die door het Waterbesluit zijn aangewezen als gebieden met een vrijstelling van de vergunningplicht (op dit onderdeel van de regelgeving). Van deze gebieden is bepaald dat ze uit rivierkundig oogpunt minder van belang zijn. Deze gebieden blijven wel deel uit maken van het rivierbed en kunnen bij hoogwatersituaties onder water komen te staan (artikel 6.16 Waterbesluit).

Een klein deel van het plangebied ligt in buitendijks gebied, dat deel uitmaakt van het stroomgebied van de Nieuwe Waterweg. Het plangebied valt binnen het gebied waarop vrijstelling van bovengenoemde vergunningplicht van toepassing is.

Naast het gebied dat aangegeven is op afbeelding 5.1 is de waterwet ook op het strand en de Noordzee van toepassing. Activiteiten en bouwwerken op het strand zijn vergunning- of meldingsplichtig op grond van de Waterwet en worden o.a. getoetst aan de beleidslijn Kust (2007).

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1080HvHBuitengeb-va03_0010.png"

Afbeelding 5.1: Legger Rijkswaterstaat (bron: Ministerie van Verkeer en Waterstaat).

In de Waterwet is geregeld dat bewoners en gebruikers van buitendijkse gebieden zelf verantwoordelijk zijn voor het treffen van gevolgbeperkende maatregelen in geval van een overstroming en zelf het risico dragen van waterschade. De gemeenten en de veiligheidsregio’s hebben de taak de veiligheidssituatie en de noodzaak van aanvullende maatregelen te beoordelen. Zij stellen bewoners en gebruikers op de hoogte van de veiligheid en de risico’s. De provincies kunnen nader beleid opstellen voor de buitendijkse veiligheid. Het Rijk stelt de kaders voor buitendijkse ontwikkeling, gericht op de waterveiligheid binnendijks. Welk beschermingsniveau bereikt moet worden in buitendijks gebied is niet vastgelegd in wetgeving.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (BARRO)

Nationale ruimtelijke belangen zijn beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Juridisch zijn deze belangen onder meer geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Voor het plangebied zijn van belang:

Kustfundament (titel 2.3)

Deze titel geeft regels over hoe in bestemmingsplannen met deze primaire keringen in het kustfundament moet worden omgegaan. De bepalingen van het Barro zijn gericht op het realiseren en behouden van een duurzaam kustfundament met voldoende ruimte voor versterking van de zeewering met behoud van natuurlijke waarden. Ook moet nieuwe bebouwing in onbebouwd gebied van het kustfundament worden voorkomen.

Grote rivieren (titel 2.4)

In deze titel worden algemene eisen gesteld aan de inhoud van nieuwe bestemmingsplannen die betrekking hebben op gronden gelegen in het rivierbed. Hiermee wordt voorkomen dat zonder meer werken worden toegestaan die een bedreiging vormen voor de waterafvoer.

Primaire waterkeringen buiten het kustfundament (titel 2.11)

Deze titel legt vast dat primaire waterkeringen de bestemming ‘waterkering’ krijgen in het bestemmingsplan. De beschermingszone krijgt de bestemming ‘vrijwaringszone-dijk’ of ‘vrijwaringszone-waterstaatswerk’. Voor nieuwe bestemmingen binnen de zones van de waterkering geldt dat deze geen nadelige invloed mogen hebben op de waterkering.

Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatswerken

In deze beleidsregel van het ministerie van Infrastructuur en Milieu worden regels geven m.b.t. het plaatsen van windturbines. Langs kanalen, rivieren en havens wordt plaatsing van windturbines toegestaan bij een afstand van ten minste 50m uit de rand van de vaarweg. De rand van de vaarweg is niet altijd gelijk aan de oever. Binnen deze afstand wordt plaatsing alleen toegestaan als uit aanvullend onderzoek blijkt dat er geen hinder voor wal –en scheepsradar optreed. De minimale afstand tot de rand van de vaarweg is altijd ten minste de helft van de rotordiameter. Ook mogen windmolens geen visuele hinder opleveren voor het scheepvaartverkeer en het bedienen van kunstwerken. Plaatsen van windturbines in het waterstaatswerk of de beschermingszone van een waterkering wordt alleen toegestaan als de initiatiefnemer aantoont dat deze geen negatieve gevolgen heeft voor de waterkerende functie.

Deltaprogramma

Voorstellen voor de deltabeslissingen zijn op Prinsjesdag 2014 aangeboden aan de Tweede Kamer. De minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken hebben naar aanleiding hiervan op 1 december 2014 de tussentijdse wijziging van het Nationaal Waterplan 2009- 2015 vastgesteld. Ook zijn de deltabeslissingen verwerkt in het Nationaal Waterplan 2016 - 2021. Voor dit bestemmingsplan zijn met name de deltabeslissing Waterveiligheid en de deltabeslissing Rijnmond-Drechtsteden van belang.

Deltabeslissing waterveiligheid (3)

In het nieuwe waterveiligheidsbeleid staat de bescherming van mensen en economische waarde centraal. Dit is vertaald in de volgende twee doelen:

1. Dat iedereen die in Nederland achter een primaire waterkering woont, voor 2050 kan rekenen op een beschermingsniveau van ten minste 10-5 per jaar (d.w.z. dat de kans op overlijden als gevolg van een overstroming voor een individu niet groter is dan 1 op 100.000 per jaar);

2. Dat meer bescherming wordt geboden op plaatsen waar sprake kan zijn van grote groepen dodelijke slachtoffers , grote economische schade of ernstige schade door uitval van vitale en kwetsbare infrastructuur van nationaal belang. Met de nieuwe waterveiligheidsaanpak krijgt iedere bewoner van Nederland die woont achter een primaire kering een vergelijkbaar beschermingsniveau. Waterkeringen die nu al het gewenste beschermingsniveau bieden, worden goed op orde gehouden. Waar de waterkeringen een hoger beschermingsniveau moeten bieden, vindt dijkversterking of rivierverruiming plaats. In deelprogramma’s zijn voorkeursstrategieën aangegeven welke maatregelen daarvoor nodig zijn, op korte en op lange termijn. De voorkeursstrategieën vormen de basis voor het nieuwe uitvoeringsprogramma Deltaplan Waterveiligheid. Daarbij wordt gekeken naar toepassing van slimme combinaties van verschillende typen maatregelen:

  • Laag 1: maatregelen om overstromingen te voorkomen (zoals versterking van dijken, dammen en duinen en rivierverruiming);
  • Laag 2: gevolgen van overstromingen beperken via ruimtelijke inrichting;
  • Laag 3: gevolgen van overstromingen beperken via rampenbestrijding.

De nieuwe normen worden vastgelegd door een wijziging van de Waterwet. Het streven is dat de gewijzigde wet van kracht wordt in 2017. Na het van kracht worden van de wet wordt gestart met het toetsen van alle dijktracés. Verwacht wordt dat in 2023 duidelijk is welke dijkvakken op grond van de nieuwe normen versterkt moeten worden.

5.1.2 Provinciaal beleid

De provincie ziet het als haar rol om te zorgen dat gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen een goede afweging maken van hoogwaterrisico's. Gemeenten worden gevraagd bij nieuwe ontwikkelingen en herstructureringen in buitendijkse gebieden een inschatting te maken van het slachtofferrisico bij overstromingen en te verantwoorden hoe zij daarmee zijn omgegaan. Het beleidskader is opgenomen in de provinciale Visie ruimte en mobiliteit en in de provinciale Verordening Ruimte (VR). De provincie heeft een Risico Applicatie Buitendijks (RAB) ontwikkeld, die gemeenten hierbij kunnen gebruiken. De oriëntatiewaarde van het risico op individueel overlijden (LIR) in deze methodiek bedraagt 1x10-5.

5.1.3 Regionaal beleid

Het hoogheemraadschap van Delfland hanteert het standstill beginsel bij het boordelen van ruimtelijke plannen. Dit betekent dat het niet is toegestaan dat plannen een verslechtering van de waterhuishouding mogelijk maken en bij voorkeur dat plannen de waterhuishouding zelfs verbeteren. Dit beleid is vastgelegd in de keur en in verschillende beleidsstukken.

Keur Delfland

In het beheergebied van Delfland gelden momenteel de regels van de Keur Delfland 2015. De regels gaan onder andere over:

  • gedoogplichten, zoals de verplichting voor perceeleigenaren om Delfland toe te laten voor onderhoudswerkzaamheden;
  • geboden, zoals de verplichting om watergangen en waterkeringen te onderhouden;
  • verboden, zoals het verbod om watergangen of -keringen te veranderen.

Waterbeheerplan 2016-2021 Strategierichting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap

In het Waterbeheerplan heeft Delfland de ambities en doelstellingen voor de komende jaren vastgelegd. Voor de zorgplicht voor ‘droge voeten’, ‘stevige dijken’ en ‘schoon water’ zijn meerjarenprogramma’s opgesteld die doorlopen in de planperiode tot 2027. Delfland zet in op stedelijk waterbeheer en samen met gemeenten werken wij aan klimaatadaptatie. Een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem is vertaald naar zelfvoorzienendheid door het sluiten van kringlopen van water, energie en grondstoffen. Om doelen te bereiken werkt Delfland samen met gebiedspartners en werken we aan het waterbewustzijn om draagvlak te vergroten.

Ambities:

  • Zoet water is van levensbelang en daarom is het belangrijk dat iedereen zuinig omgaat met water en zorgt dat het water schoon blijft.
  • We willen gezuiverd afvalwater hergebruiken en zorgen dat water langer in het gebied bewaard blijft voor droge tijden.
  • Klimaatverandering leidt vaker tot langdurige droogte en heftiger regenbuien. Om de stad klimaatbestendig te maken zoeken we met partijen naar slimme manieren om water langer vast te houden zonder dat het tot overlast leidt.
  • Om de waterkwaliteit te verbeteren neemt Delfland verschillende maatregelen en controleren we nog beter op illegale lozingen. Het water in zwemplassen moet tijdens warme dagen vrij zijn van blauwalgen en bacteriën.
  • Door samen te werken kunnen we ook kosten besparen. Bij elke ontwikkeling willen we kijken welke kansen er zijn om het watersysteem toekomstbestendiger te maken.

Regenwaterbeleid

Om riooloverstorten zoveel mogelijk te voorkomen en de afvalwaterzuiveringsinstallaties gelijkmatiger te belasten wil Delfland dat er minder regenwater in de riolering terecht komt. Het is dan ook meestal verplicht om bij nieuwe ontwikkelingen een gescheiden rioolstelsel aan te leggen. Bij een gescheiden rioolstelsel worden afvalwater en regenwater gescheiden van elkaar afgevoerd. Het afvalwater wordt hierbij op de gebruikelijke manier via het rioolstelsel ingezameld en afgevoerd naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie. Regenwater wordt dan in de bodem geïnfiltreerd of naar het oppervlaktewater afgevoerd. Regenwater is echter lang niet altijd schoon genoeg om direct in oppervlaktewater geloosd te worden, soms is voorzuivering nodig.

Beleidsregels dempen en graven

De keur van Delfland verbiedt het zonder vergunning aanpassen van waterlopen en het zonder vergunning graven van nieuwe waterlopen. De beleidsregels dempen en graven fungeren als toetsingskader voor de vergunningverlening.

Beleidsregel werken in het profiel van wateren

De keur van Delfland verbiedt het zonder vergunning werken in het profiel van wateren. De beleidsregel fungeert als toetsingskader voor de vergunningverlening.

Beleidsnota beperken en voorkomen wateroverlast

Ook voor de kans op wateroverlast geldt het standstill beginsel. Door een ruimtelijke ingreep die invloed heeft op het watersysteem mag de kans op wateroverlast niet toenemen. Dit betekent dat de initiatiefnemer ervoor moet zorgen dat de negatieve gevolgen van een ruimtelijk plan worden voorkomen, beperkt of gecompenseerd. Negatieve gevolgen ten aanzien van wateroverlast kunnen bijvoorbeeld worden voorkomen of beperkt door hier bij de locatiekeuze rekening mee te houden. Compensatie van negatieve gevolgen moet worden gerealiseerd door middel van bergen óf in het onderdeel van de trits vasthouden-bergen-afvoeren waarin de verslechtering optreedt. Bij deze afweging van compensatiemaatregelen zijn voor Delfland de volgende aspecten doorslaggevend:

  • Mate waarin de oplossing bijdraagt aan het behoud of de verbetering van het watersysteem, gelet op de structuur, het functioneren en de beheerbaarheid;
  • Betrouwbaarheid, inzetbaarheid, instandhouding en juridische handhaafbaarheid van de oplossing.

Dit betekent over het algemeen dat bergingsmaatregelen en oplossingen die de structuur van het watersysteem verbeteren de voorkeur zullen hebben. Dit afwegingskader biedt echter ook mogelijkheden voor vasthoudmaatregelen, met name voor de compensatie van verslechtering van de natuurlijke vasthoudcapaciteit.

Handreiking Watertoets voor gemeenten

De handreiking Watertoets biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvaten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau in Delflands gebied. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid en is erop gericht ruimtelijke functies en waterhuishoudkundige mogelijkheden optimaal op elkaar aan te laten sluiten.

Beleidsregels waterkeringen

In het Algemeen Waterkeringenbeleid is het overkoepelende beleidskader voor alle waterkeringen van Delfland opgenomen. Het streefbeeld van Delfland is dat de waterkering zoveel mogelijk vrij is van medegebruik omdat niet waterkerende objecten of werkzaamheden bij waterkeringen in beginsel het waterkerende vermogen en beheer van de kering in gevaar kunnen brengen of de kosten van het beheer onevenredig kunnen laten toenemen. Voor primaire waterkeringen geldt dat ruimte gereserveerd wordt voor toekomstige versterkingen: het profiel van vrije ruimte. Voor kust en zeedijk wordt hierbij uitgegaan van een periode van 200 jaar, voor de rivierdijk van 100 jaar. Hierbij wordt rekening gehouden met het maximumscenario van zeespiegelstijging van de KNMI. Bij planvorming voor primaire waterkeringen wordt daarentegen uitgegaan van het middenscenario van de KNMI.

In de leggers wordt de ligging van het waterstaatswerk, de beschermingszones en profiel van vrije ruimte van de keringen weergegeven. Ook zijn in de leggers dwarsdoorsnedes van de waterkeringen opgenomen.

In de Tussennotitie Kust worden de kaders beschreven voor het beheer van de zeewering langs de kust van Delfland. Daar waar het vanuit het oogpunt van de wettelijk voorgeschreven veiligheid tegen overstroming mogelijk is, kiest Delfland voor het zoveel mogelijk op natuurlijke wijze beheren van de kust en daarmee bijdragen aan het herstel van de natuurlijke dynamiek in de duinen en de vergroting van de veerkracht van de kust. Dynamisch kustbeheer is vooral in onbebouwde gebieden mogelijk waar sprake is van een overmaat aan zand. In het plangebied is hier sprake van.

Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft regels vastgelegd met betrekking tot het medegebruik van de Delflandsedijk. Medegebruik in de zone van het waterstaatswerk is alleen toegestaan als er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en de activiteit redelijkerwijs niet elders of op een andere wijze kan plaatsvinden (het ‘nee, tenzij’ principe). Medegebruik in de beschermingszone is mogelijk als de waterkerende functie van de zeewering niet wordt aangetast (het ‘ja, mits’ principe). Indien na zorgvuldige afweging het medegebruik tot consequentie heeft dat het functioneren en of het beheer in negatieve zin wordt beïnvloed moeten compenserende maatregelen worden getroffen. De kosten voor deze maatregelen zijn in principe voor de veroorzaker (initiatiefnemer).

De Delflandsedijk heeft een lengte van 31 kilometer en ligt tussen Hoek van Holland en de Parksluizen in Rotterdam langs de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas. De Delflandsedijk bestaat uit twee trajecten:

  • de zeedijk van Hoek van Holland tot aan de Maeslantkering in de Nieuwe Waterweg;
  • de rivierdijk vanaf de Maeslantkering via Maassluis, Vlaardingen, Schiedam tot aan de Parksluizen in Rotterdam.

De zeedijk is hoger dan de rivierdijk, aangezien de rivierdijk tijdens hoge waterstanden beschermd wordt door de dan gesloten Maeslantkering. Ter plaatse van het plangebied loopt de zeedijk.

5.1.4 Gemeentelijk beleid

De gemeenteraad van Rotterdam heeft in 2007 het Waterplan 2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de stad. In het Waterplan zijn lange termijn streefbeelden en kwaliteitsdoelstellingen geformuleerd die een beeld geven van de gewenste situatie voor het watersysteem in heel Rotterdam. De streefbeelden hebben een integraal karakter, niet alleen waterkwaliteit en -kwantiteit, maar ook natuurwaarden en belevingswaarden spelen een rol. In juni 2013 is een herijking van het Waterplan vastgesteld met een uitvoeringsstrategie tot 2018. Thans wordt het deelgemeentelijk Waterplan Hoek van Holland herzien in een nieuw Gebiedswaterplan.

Gemeentelijk Rioleringsplan Rotterdam

Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) Rotterdam 2016-2020 is een wettelijk verplicht meerjarenbeleidsplan, dat alle aspecten op het gebied van de riolerings- en grondwatertaken van de gemeente Rotterdam behandelt. Het plan is in overleg met de waterkwaliteitsbeheerders opgesteld.

Voor de planperiode 2016-2020 heeft Rotterdam vier doelen geformuleerd:

  • Beschermen van de volksgezondheid door doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater.
  • Voorkomen van wateroverlast door doelmatig inzamelen, transporteren en verwerken van hemelwater.
  • Voorkomen of beperken van structureel nadelige gevolgen van een hoge of lage grondwaterstand door doelmatige maatregelen in openbaar gebied.
  • Rotterdammers van dienst zijn en bewustwording tot stand brengen over hun rol in het stedelijk watersysteem door actief communiceren en de Rotterdammers en Rotterdamse bedrijven handelingsperspectieven te laten zien.

Nieuwe uitgiftepeilen buitendijks gebied

Op dit moment vindt herijking van uitgiftepeilen plaats, de nieuwe uitgiftepeilen zijn inmiddels door het directieoverleg Stadsontwikkeling vastgesteld, maar nog niet door het college van B&W van Rotterdam. De gemeente gaat uit van een hoger veiligheidsniveau dan de oriëntatiewaarde van het risico op individueel overlijden (LIR) van 1x10-5 die de provincie Zuid-Holland hanteert. Zo wordt de kans op maatschappelijke ontwrichting en grote economische schade door het uitvallen van functies verkleind. Uitgiftepeilen richten zich op nieuwe ontwikkelingen of herstructureringen en geven in termen van maaiveldhoogtes de minimale vereisten voor het waarborgen van waterveiligheid.

Het nieuwe beleid gaat uit van een onderscheid in een basis en een basis+ uitgiftepeil in buitendijks gebied. Het basispeil is bedoeld voor reguliere, niet kwetsbare functies en is lager dan het basis+ peil. Het basis+ peil geldt voor kwetsbare functies (zoals nutsvoorzieningen, risicovolle bedrijven) waarbij overstroming effecten kan sorteren die de omgeving c.q. de maatschappij kunnen ontwrichten. Dit basis+ peil ligt hoger waardoor er meer veiligheid tegen overstroming wordt geboden ten opzichte van het basispeil. Onderscheid wordt gemaakt tussen gebieden buiten de Maeslantkering en binnen de Maeslantkering. Voor gebieden buiten de Maeslantkering is het advies een uitgiftepeil van NAP +5,10 m NAP voor de basisfuncties en een uitgiftepeil van NAP + 5,50m voor kwetsbare functies.

Rotterdamse Klimaatadaptatie Strategie

In 2008 heeft Rotterdam het klimaatadaptatieprogramma Rotterdam Climate Proof vastgesteld. Eén van de belangrijkste resultaten van dit programma is het opstellen van een klimaatadaptatiestrategie voor Rotterdam. Deze strategie is eind 2013 vastgesteld.

Klimaatadaptatie is aanpassing aan de klimaatverandering. De klimaatadaptatiestrategie geeft aan welke aanpak wordt gevolgd om de stad aan te passen aan de klimaatverandering. De strategie geeft aan waarom Rotterdam zich aanpast en welke stappen hiervoor gezet worden. Aanpassing aan de klimaatverandering is een zaak van lange adem die echter nu moet starten, omdat de stad voortdurend verandert en zich verder ontwikkelt.

De effecten van klimaatverandering zijn de toe- en afname van waterhoeveelheden in de rivier, de verhoging van waterstanden in de zee, toe- en afname van neerslag en hogere temperaturen. Deze klimaateffecten hebben gevolgen die van betekenis zijn voor de stad, zoals:

  • een toename van het risico op overstroming en schade als gevolg van een dijkdoorbraak;
  • extra benodigde ruimte voor dijkversterking;
  • vaker wateroverlast op straat en/of in gebouwen als gevolg van hevige neerslag;
  • versterkte inklinking van de bodem en afname van de water- en groenkwaliteit als gevolg van drogere perioden;
  • hittestress als gevolg van hogere temperaturen, met name in verharde gebieden.

De klimaatverandering biedt ook kansen, zoals:

  • mogelijkheden voor nieuwe ontwerpen die de stad aantrekkelijker maken;
  • integratie van dijkversterking en gebiedsontwikkeling;
  • waterpleinen en vergroenen van de buitenruimte;
  • het ontwikkelen van nieuwe producten en deze vermarkten.

In de strategie voor een klimaatbestendig Rotterdam wordt onderscheid gemaakt in een strategie voor de ‘stad achter de dijk’ en de ‘stad buiten de dijk’.

Het plangebied ligt grotendeels achter de primaire waterkering. Hierop is de strategie voor de ‘stad achter de dijk’ van toepassing. Het binnendijkse deel van Rotterdam staat bloot aan de risico’s van overstroming, extreme neerslaggebeurtenissen of juist een tekort aan water en langere perioden met hoge temperaturen. Het plangebied ligt voor een klein deel buiten de primaire waterkering. Hierop is de strategie voor de ‘stad buiten de dijk’ van toepassing.

In buitendijks Rotterdam is er een open relatie met de rivier en de zee en ontbreekt het aan bescherming door dijken. Er is daardoor een grotere kans op overstromingen dan binnendijks. Overstromingen zijn door de veelal hoge ligging echter van korte duur en de overstromingsdieptes (inundaties) blijven relatief beperkt. De verantwoordelijkheid ligt in buitendijks gebied primair bij de gemeente, de bewoners en de gebruikers van het gebied. In buitendijks Rotterdam staat het meerlaagse veiligheidsprincipe voorop. Adaptief bouwen en inrichten is uitgangspunt. Voorbeelden zijn ‘floodproof’ bouwen, het aanleggen van waterbestendige openbare ruimte, drijvend bouwen en ‘bouwen met de natuur’. De haven en vitale infrastructuur zijn blijvend beschermd tegen overstromingen.

Watersensitive Rotterdam

Water Sensitive Rotterdam is een beweging welke ingezet is om de ambities vanuit de Rotterdamse Adaptatiestrategie te realiseren. Het koppelen van gebiedsopgaven en projecten aan de water- en klimaatopgaven is hierbij essentieel. Elke verandering in Rotterdam is een kans om met partijen in de stad actief, de gestelde ambities invulling te geven. Dit betekent onder meer:

  • samen met initiatiefnemers nagaan op welke wijze wederzijdse toegevoegde waarde gecreëerd kan worden ten aanzien van de water- en klimaatopgaven;
  • maatregelen nemen in de haarvaten van het watersysteem, om zodoende de robuustheid te vergroten;
  • de zichtbaarheid van water- en klimaatmaatregelen waarderen, om het waterbewustzijn en de aantrekkelijkheid van de stad, te vergroten.

Hemelwater wordt in deze benadering als een grondstof beschouwd welke we waar mogelijk lokaal moeten benutten. Hierdoor kunnen transportafstanden en -middelen voor het afvoeren en toevoeren van water gereduceerd worden. Echter altijd wel geredeneerd vanuit de mogelijkheden die de betreffende locatie, en de directe omgeving, geeft.

5.2 Samenwerking met de waterbeheerder

De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf.

Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders.

De beheerder van het oppervlaktewater in het plangebied is het Hoogheemraadschap van Delfland. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden.

5.3 Huidige watersysteem

Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is een wateradvies uitgebracht.

5.3.1 Oppervlaktewater

Het westelijk deel van het plangebied maakt deel uit van de Noordzee, Rijkswaterstaat is hier de waterbeheerder. In het oostelijk deel van het plangebied is het Hoogheemraadschap van Delfland de waterbeheerder.

De Hoekse Bosjes (peilgebied GPG2015HVH I) maken deel uit van het Natura -2000 gebied Solleveld & Kapittelduinen. Het peil is hier flexibel zodat het niet nodig is om gebiedsvreemd water in het laten. Dit natuurgebied wordt alleen gevoed met regenwater en grondwater uit de duinen.

Het gewenste beschermingsniveau voor wateroverlast is 1/50 jaar. Uit een recente analyse van het watersysteem door het Hoogheemraadschap Delfland blijkt dat het watersysteem thans aan zijn maximum zit. In de toekomst zal er bij een T50-bui sprake kunnen zijn van wateroverlast door inundatie. Deze inundatie zal voornamelijk optreden in het gebied tussen de Krimsloot en de Haakweg en mogelijkerwijs buiten het plangebied.

5.3.2 Grondwater

Voor grondwater liggen er nauwelijks peilbuizen in het plangebied. De gemiddelde ontwateringsdiepte is in het plangebied bij elke peilbuis groter dan de vereiste 0,80 meter.

5.3.3 Waterkering

In het plangebied liggen twee primaire waterkeringen. De zachte zeewering die bescherming biedt tegen een overstroming vanuit de Noordzee en de Delflandsedijk die bescherming geeft tegen een overstroming vanuit de Nieuwe Waterweg. Verder ligt in het gebied een aantal polderkaden. Rondom de waterkeringen worden verschillende beschermingszones gehanteerd.

Het plangebied ligt grotendeels binnendijks, binnen de waterkeringen van dijkring 14 (Zuid-Holland). Voor dijkring 14 geldt in het vigerende beleid dat de waterkering een extreme waterstand met overschrijdingskans van 1/10.000 per jaar moet kunnen keren.

De gevolgen van een overstroming binnendijks zijn afhankelijk van meerdere aspecten, zoals de locatie waar de overstroming plaatsvindt, de afstand tot de waterkering en de maaiveldhoogtes in het gebied. Om een indicatie van de risico's te krijgen heeft de provincie Zuid-Holland voor de gehele provincie berekend welke gebieden in de huidige situatie bij een doorbraak van de primaire kering onder water lopen en indicatief welke overstromingsdiepte op de kwetsbare locaties bereikt kan worden.

5.3.4 Riolering

Het plangebied valt binnen de rioleringsdistricten 14 (Kaapweg) en 15 (Krimsloot). Beide districten voeren af naar de AWZI Nieuwe Waterweg. Het gebied heeft grotendeels een gemengd stelsel wat betekent dat het huishoudelijk afvalwater gezamenlijk met het hemelwater wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering (AWZI). Op een aantal locaties is een afzonderlijk regenwaterstelsel aanwezig. In het plangebied is een aantal vuilwateroverstorten aanwezig.

5.4 De Wateropgave

Oppervlaktewater

Glastuinbouw

In het vigerende bestemmingsplan zaten uitbreidingsmogelijkheden voor de glastuinbouw. Deze mogelijkheden worden opnieuw opgenomen in dit bestemmingsplan. De mogelijke uitbreiding van kassen kan leiden tot een toename van verhard oppervlak. Grotendeels betreft dat nu nog onverhard oppervlak ingericht als bijvoorbeeld grasland. Het huidige watersysteem is op orde. Niet uit te wijzen is wanneer tijdens de planperiode van dit bestemmingsplan het verhard oppervlak door de uitbreiding van kassen zal toenemen en het watersysteem daarmee zal worden belast. Op deze mogelijke vergroting van de belasting van het watersysteem wordt in dit stadium reeds geanticipeerd door de Rel in de aangrenzende Bonnenpolder te verbreden.

Als een concreet bouwplan leidt tot toename van verhard oppervlak dat zal hiervoor gecompenseerd moeten worden. Richtlijnen voor deze compensatie staan in de Beleidsnota "Beperken en voorkomen wateroverlast". In de planregels is geregeld dat gietwaterbassins mogelijk zijn. Daarmee kan toepassing worden gegeven aan de dynamische inzet van gietwaterbassins. Dit zorgt ervoor dat tijdens extreme regenval meer capaciteit ontstaat voor het opvangen van hemelwater in het gebied. In het gebied tussen de Haakweg en de Krimsloot is het gewenst dat de lozing van water uit de gietwaterbassins op het oppervlaktewater van de Krimsloot zal plaatsvinden.

Voormalige agrarische bedrijfswoningen

Bedrijfswoningen in het glastuinbouwgebied hebben - vanuit wateroverlast gezien - het beschermingsniveau behorende bij glastuinbouw (1/50 jaar). In dit bestemmingsplan wordt het mogelijk gemaakt om voormalige agrarische bedrijfswoningen om te zetten in burgerwoningen. Bij burgerwoningen hoort normaliter het bestermingsniveau van stedelijk gebied (1/100 jaar). Bij het omzetten van voormalige agrarische bedrijfswoningen naar burgerwoningen is het echter niet mogelijk om het beschermingsniveau van het gehele peilvak te verhogen naar 1/100 jaar. In het buitengebied worden de bedrijfswoningen dus weliswaar burgerwoningen, maar deze woningen houden een beschermingsniveau tegen wateroverlast van 1/50 jaar (gelijk aan het omringende glastuinbouwgebied).

Grondwater

De mogelijke uitbreiding van kassen kan de grondwaterstand beïnvloeden. Wanneer concrete initiatieven zich aandienen zal hiernaar onderzoek worden gedaan.

Riolering: afval- en hemelwater

Het gebied heeft grotendeels een gemengd stelsel. Dit houdt in dat het huishoudelijk afvalwater gezamenlijk met het hemelwater wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering (AWZI). Op een aantal locaties is een afzonderlijk hemelwaterstelsel aanwezig.

De uitbreiding van de kassen kan leiden tot een toename van afvalwater uit de kassen. Dit afvalwater mag niet op het oppervlaktewater worden geloosd, maar dit afvalwater dient via het riool te worden afgevoerd.

Waterkwaliteit

Effect op de waterkwaliteit wordt niet verwacht, aangezien gebruikt afvalwater uit de kassen niet rechtstreeks op het oppervlaktewater of in de bodem mag worden geloosd.

Waterkeringen en waterveiligheid

Waterkeringen

In het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is vastgelegd hoe de zones van primaire waterkeringen moeten worden weergegeven op de verbeelding van een bestemmingsplan. Het waterstaatswerk moet worden bestemd met de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering". De beschermingszone moet worden bestemd als "vrijwaringszone - duin", "vrijwaringszone - dijk", of "vrijwaringszone - overig" en het profiel van vrije ruimte moet worden bestemd met de aanduiding ‘vrijwaringszone-waterstaatswerk’. Ook de polderwaterkeringen in het plangebied moeten conform provinciaal beleid worden bestemd als ‘Waterstaat - Waterkering’ en de beschermingszone als ‘vrijwaringszone-dijk’ of ‘vrijwaringszone-waterstaatswerk’.

Invloed op de primaire waterkering wordt niet verwacht. In de nabijheid van de polderkades zijn wel ontwikkelingen (afbeelding 5.2). Als daadwerkelijk gebouwd gaat worden zal hier over overlegd moeten worden met het Hoogheemraadschap van Delfland. Relevant is daarbij dat Delfland momenteel bezig is met het wijzigen van ondermeer de leggers voor de polderkades in het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1080HvHBuitengeb-va03_0011.png"

Afbeelding 5.2: Ontwikkelingen nabij waterkeringen

Waterveiligheid

De ontwikkelingen in het gebied hebben geen significante invloed op het veiligheidsrisico binnendijks en dragen maar beperkt bij aan de totale waarde binnen dijkringgebied 14.

Waterveiligheid buitendijks

Om inzicht te krijgen in de toekomstbestendigheid van het buitendijkse gebied ten aanzien van de waterveiligheid is de maaiveldhoogte van het gebied vergeleken met een waterstand gebaseerd op terugkeertijd van 1/4.000 jaar in het jaar 2100, uitgaande van de bovengrens van het KNMI Gscenario. Dit levert het volgende beeld op (Afbeelding 5.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1080HvHBuitengeb-va03_0012.png"

Afbeelding 5.3 Overstromingsdiepte buitendijksgebied, klimaatscenario G+ 2100, 1 : 4000 jaar.

Uit de afbeelding blijkt dat lagere delen van het duingebied op de lange termijn kwetsbaar zijn voor hoog water.

Klimaatkansen

De bouw van nieuwe kassen biedt de mogelijkheid om het gebruik van hemelwater in de kas te optimaliseren. Aansluiting kan daarbij gezocht worden bij het Programma Water Sensitive Rotterdam.

Hoofdstuk 6 Milieu

6.1 Inleiding

Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren.

In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig. Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

6.2 Milieu effectrapportage

Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r.. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden.

6.2.1 Plangebied

Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, met uitzondering van de omzetting van voormalige agrarische bedrijfswoningen. Om te bepalen of het bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, is het programma getoetst aan de Nederlandse en Europese wetgeving. In het bestemmingsplan zijn geen activiteiten opgenomen die voorkomen op de C/D-lijst. De ontwikkelingen hebben geen invloed op de nabij gelegen Natura 2000 gebied. Bovendien hebben de ontwikkelingen vanwege de beperkte omvang geen grote negatieve effecten op het milieu. Dit blijkt uit de milieuonderzoeken waarvan de resultaten beschreven zijn in hoofdstuk 6 van dit bestemmingsplan.

Op grond van het bovenstaande is bestemmingsplan Hoek van Holland - Buitengebied niet m.e.r.-beoordelingsplichtig en daarmee ook niet m.e.r.-plichtig.

6.3 Milieuzonering

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. De gemeente Rotterdam gebruikt al sinds de jaren '50 instrumenten om bedrijven in te passen in de omgeving. Dit gebeurde eerst door middel van de Hinderwetverordening. Vanaf de jaren '70 werkt de gemeente met de Rotterdamse 'Staat van Inrichtingen'. Deze is afgeleid van de inrichtingen die zijn opgenomen in het Hinderbesluit en uitgebreid met een indeling in milieucategorieën. Begin jaren '90 heeft Rotterdam beleid vastgesteld waarbij voor de milieuzonering gebruik wordt gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering).

De (huidige) VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging.

Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk. Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking.

De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave.

6.3.1 Plangebied

Het plangebied van dit bestemmingsplan is volgens de Rotterdamse systematiek aangeduid als een gemengd gebied (zie 4.3 Ontwikkelingen (voormalige agrarische bedrijfswoningen). In het bestemmingsplan zijn de functies zoals bijvoorbeeld; agrarische doeleinden, garagebedrijf, tankstation, horeca, maatschappelijke voorzieningen en recreatie als zodanig bestemd en niet als algemene bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Het inpassen van deze functies is maatwerk. Hiervoor is gebruik gemaakt van de indicatieve afstanden uit de VNG-uitgave.

Overige activiteiten in of nabij het plangebied

In en nabij het plangebied zijn er geen activiteiten die van invloed zijn op het plangebied in verband met geluid, lucht, externe veiligheid. De overige activiteiten in of nabij het plangebied zijn niet belemmerend voor (nieuwe ontwikkelingen binnen) dit bestemmingsplan, anders dan die reeds in het bestemmingsplan zijn genoemd, en/of waarmee reeds rekening is gehouden.

6.4 Geluid

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg- en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer.

Volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht.

In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidshinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn, zoals kinderdagverblijven.

Wet Plattelandswoningen, 2013

Op 1 januari 2013 is de Wet Plattelandswoningen in werking getreden. Deze wet zorgt ervoor dat bij het beschermen van woningen en andere bouwwerken in de omgeving van deze inrichting de planologische status, en niet het feitelijk gebruik, bepalend is. Daarnaast is in deze wet geregeld dat (voormalige) agrarische bedrijfswoningen (een zogenaamde plattelandswoning) (ook) door derden mogen worden bewoond. Als gevolg hiervan zijn onder andere de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het Activiteitenbesluit milieubeheer (Barim) en de Wet geluidhinder (Wgh) gewijzigd.

In artikel 1.1, eerste lid van het Barim, is, analoog aan artikel 1 van de Wgh, de volgende definitie voor het begrip woning opgenomen “woning: gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening, bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijk ordening, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid van de Wet algemene beplatingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van laatstgenoemde wet.”

In artikel 1.1a van de Wabo is het begrip plattelandswoning als volgt gedefinieerd “Een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, die op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning door een derde bewoond mag worden, wordt met betrekking tot die inrichting voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen beschouwd als onderdeel van die inrichting, tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald.”.

Rotterdams beleid

In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven. Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeursgrenswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zo veel mogelijk terug te dringen.

6.4.1 Onderzoek

Uit paragraaf 4.3 is gebleken dat voor enkele woningen 44 nader geluidsonderzoek noodzakelijk is. In dit kader is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, welk als bijlage Bijlage 3 bij dit bestemmingsplan is gevoegd.

De Wgh kent geen verschil tussen een bedrijfswoning en een burgerwoning. Deze woningen worden in de Wgh aangehaald als zijnde woning. Conform de Wgh is er geen toetsing aan de normen van deze wet aan de orde indien op het tijdstip van de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan zowel de geluidbron (dit kan een weg, een spoorweg en of een gezoneerd industrieterrein zijn) als de geluidsgevoelige functie aanwezig of in aanbouw is. Binnen het plangebied is sprake van zowel een aanwezige geluidsbron (wegverkeerslawaai: Haakweg en Dwarshaak, industrielawaai: gezoneerd industrieterrein (Europoort-Maasvlakte) als twee bestaande woningen (de twee onderhavige plattelandswoningen). Toetsing in het kader van de Wgh is derhalve niet aan de orde.

De omzetting van voormalige agrarische bedrijfswoning naar plattelandswoning betekent dat er niks verandert met betrekking tot de bescherming tegen geluidshinder van omliggende 'derde' bedrijven. De bescherming is en blijft op het niveau van een burgerwoning, zodat omgekeerd de omliggende bedrijven niet met een aanscherping van normering te maken krijgen. Toetsing van de plattelandswoningen aan de geluidsnormen van de omliggende 'derde' bedrijven is derhalve niet aan de orde. Tevens verandert de omzetting niets ten aanzien van geluidshinder van bijbehorend bedrijf (zie voor de bijbehorende bedrijven, Bijlage 5 bij de regels). Dit komt doordat de woning wordt beschouwd als onderdeel van de inrichting ook al is hij afgesplitst. Gelet op bovenstaand is toetsing aan de Wabo niet aan de orde.

Hoewel in het kader van dit bestemmingsplan met betrekking tot de plattelandswoningen geen toetsing aan de geluidregelgeving aan de orde is, wordt de geluidsituatie bij deze woningen voor de afweging met betrekking tot het akoestische klimaat aan de hand van etmaalgemiddelde bij de betreffende plattelandswoningen in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk gemaakt:

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1080HvHBuitengeb-va03_0013.png"

Wanneer de afstand van de voormalige agrarische bedrijfswoning tot de dichtstbij gelegen kas of relevante geluidsbron minder is dan de minimale richtafstand van 10 meter uit de VNG-brochure dan wordt met een onderzoek de geluidssituatie onderzocht of voor de bewoners van de voormalige agrarische bedrijfswoning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gesproken als het akoestisch klimaat redelijk tot goed is.

Wanneer een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd dan kan de voormalige agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning worden bestemd (zie Bijlage 3 en 4.3) .

Uit het geluidsonderzoek blijkt voor de onderzochte adressen het volgende:

Bagijneweg 39

De geluidniveaus op de gevels van de woning aan de Bagijneland 39 afkomstig van het voorheen bijbehorende agrarisch bedrijf zijn hoger dan de streefwaarden. Deze woning verkeert ten aanzien van geluid afkomstig van het bijbehorend bedrijf in een matig akoestisch klimaat. Om bij deze woning aan de streefwaarden te kunnen voldoen en daarbij de geluidkwaliteit te verbeteren zouden maatregelen kunnen worden getroffen. Eén van de maatregelen die getroffen zou kunnen worden is het plaatsen van een geluidsscherm. Deze zou evenwel op korte afstand van de woningen moeten worden gerealiseerd, hetgeen noodzakelijkerwijs niet ten goede komt aan de woonkwaliteit in verband met een sterk verminderd uitzicht vanuit de woning. Bovendien gaan deze maatregelen gepaard met hoge kosten.

Gezien het voorgaande, kan worden aangenomen dat, ondanks de overschrijding van de streefwaarden ter plaatse van de woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierdoor is omzetting naar een plattelandswoning vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening geen probleem.

Dirk van den Burgweg 46 en 48

De geluidniveaus op de gevels van de woningen aan de Dirk van den Burgweg 46 en 48 afkomstig van het voorheen bijbehorende agrarisch bedrijf zijn hoger dan de streefwaarden. Deze woningen verkeren ten aanzien van geluid afkomstig van het bijbehorend bedrijf in een redelijk akoestisch klimaat. Om bij deze woningen aan de streefwaarden te kunnen voldoen en daarbij de geluidkwaliteit te verbeteren zouden maatregelen kunnen worden getroffen. Eén van de maatregelen die getroffen zou kunnen worden is het plaatsen van geluidsschermen. Deze zouden evenwel op korte afstand van de woningen moeten worden gerealiseerd, hetgeen noodzakelijkerwijs niet ten goede komt aan de woonkwaliteit in verband met een sterk verminderd uitzicht vanuit de woning. Bovendien gaan deze maatregelen gepaard met hoge kosten.

Gezien het voorgaande, kan worden aangenomen dat, ondanks de overschrijding van de streefwaarden ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierdoor is omzetting naar een plattelandswoning vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening geen probleem.

Dwarshaak 44

De geluidsniveaus op de gevels van de woning aan de Dwarshaak 44 afkomstig van het voorheen bijbehorende agrarisch bedrijf zijn hoger dan de streefwaarden. Om bij deze woning aan de streefwaarden te kunnen voldoen en daarbij de geluidkwaliteit te verbeteren zouden maatregelen kunnen worden getroffen. Eén van de maatregelen die getroffen zou kunnen worden is het plaatsen van geluidsschermen. Deze zouden evenwel op korte afstand van de woning gerealiseerd moeten worden, hetgeen noodzakelijkerwijs niet ten goede komt aan de woonkwaliteit in verband met een sterk verminderd uitzicht vanuit de woning. Bovendien gaan deze maatregelen gepaard met hoge kosten.

Een andere maatregel om de geluidsbelasting op de gevel van de woning te reduceren is het isoleren van de Wkk-installatie. Gebleken is evenwel dat de Wkk van het glastuinbouwbedrijf alleen in bedrijf is tijdens koude dagen. Derhalve heeft de Wkk in de praktijk een weinig tot geen invloed op het akoestisch klimaat in de woning, aangezien dat wordt bepaald door het industrieterrein Maasvlakte - Europoort. Gezien die omstandigheid kan ook worden gesteld dat het akoestisch onderzoek is gebaseerd op een worst case-scenario, namelijk op een situatie waarbij de Wkk het gehele etmaal in werking is met een geluidsbelasting van 90 dB. Dit scenario is echter niet het meest realistische scenario in de praktijk.

Gezien het voorgaande, kan worden aangenomen dat, ondanks de overschrijding van de streefwaarden ter plaatse van de woning aan Dwarshaak 44 sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierdoor is omzetting naar een plattelandswoning vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening geen probleem.

Haakpad 27

De geluidniveaus op de gevels van de plattelandswoning aan het Haakpad 27 afkomstig van het voorheen bijbehorende agrarisch bedrijf zijn hoger dan de streefwaarden. Deze woning verkeert ten aanzien van geluid afkomstig van het bijbehorend bedrijf in een redelijk akoestisch klimaat. Om bij deze woning aan de streefwaarden te kunnen voldoen en daarbij de geluidkwaliteit te verbeteren zouden maatregelen kunnen worden getroffen. Eén van de maatregelen die getroffen zou kunnen worden is het plaatsen van geluidsschermen. Deze zouden evenwel op korte afstand van de woning gerealiseerd moeten worden, hetgeen noodzakelijkerwijs niet ten goede komt aan de woonkwaliteit in verband met een sterk verminderd uitzicht vanuit de woning. Bovendien gaan deze maatregelen gepaard met hoge kosten.

Een andere maatregel om de geluidsbelasting op de gevel van de woning te reduceren is het isoleren van de Wkk-installatie. Gebleken is evenwel dat de Wkk van het glastuinbouwbedrijf alleen in bedrijf is tijdens koude dagen. Derhalve heeft de Wkk in de praktijk een weinig tot geen invloed op het akoestisch klimaat in de woning, aangezien dat wordt bepaald door het industrieterrein Maasvlakte-Europoort. Gezien die omstandigheid kan ook worden gesteld dat het akoestisch onderzoek is gebaseerd op een worst case-scenario, namelijk op een situatie waarbij de Wkk het gehele etmaal in werking is met een geluidsbelasting van 90 dB. Dit scenario is echter niet het meest realistische scenario in de praktijk.

Gezien het voorgaande, kan worden aangenomen dat, ondanks de overschrijding van de streefwaarden ter plaatse van de woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierdoor is omzetting naar een plattelandswoning vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening geen probleem.

Haakweg 43 en 47

De geluidniveaus op de gevels van de plattelandswoningen aan de Haakweg 43 en 47 afkomstig van het voorheen bijbehorende agrarisch bedrijf zijn hoger dan de streefwaarden. Deze woningen verkeren ten aanzien van geluid afkomstig van het voorheen bijbehorende bedrijf in een redelijk respectievelijk tamelijk slecht akoestisch klimaat.

Om bij deze woning aan de streefwaarden te kunnen voldoen en daarbij de geluidkwaliteit te verbeteren zouden maatregelen kunnen worden getroffen. Eén van de maatregelen die getroffen zou kunnen worden is het plaatsen van geluidsschermen. Deze zouden evenwel op korte afstand van de woning gerealiseerd moeten worden, hetgeen noodzakelijkerwijs niet ten goede komt aan de woonkwaliteit in verband met een sterk verminderd uitzicht vanuit de woning. Bovendien gaan deze maatregelen gepaard met hoge kosten. Tevens is de tussen de woningen geprojecteerde laad- en losplek niet in gebruik.

Gezien het voorgaande, kan worden aangenomen dat, ondanks de overschrijding van de streefwaarden ter plaatse van de woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierdoor is omzetting naar een plattelandswoning vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening geen probleem.

Nieuwlandse Polderweg 7

De geluidniveaus op de gevels van de plattelandswoning aan de Nieuwlandse Polderweg 7 afkomstig van het voorheen bijbehorende agrarisch bedrijf is lager dan de streefwaarden. Deze woning verkeert ten aanzien van geluid afkomstig van het voorheen bijbehorende bedrijf in een goed akoestisch klimaat.

Gezien het voorgaande, kan worden aangenomen dat, ondanks de overschrijding van de streefwaarden ter plaatse van de woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierdoor is omzetting naar een plattelandswoning vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening geen probleem.

Nieuwlandse Polderweg 15

De geluidniveaus op de gevels van de plattelandswoning aan de Nieuwlandse Polderweg 15 afkomstig van het voorheen bijbehorende agrarisch bedrijf is lager dan de streefwaarden. Deze woning verkeert ten aanzien van geluid afkomstig van het voorheen bijbehorende bedrijf in een goed akoestisch klimaat.

Gezien het voorgaande, kan worden aangenomen dat, ondanks de overschrijding van de streefwaarden ter plaatse van de woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierdoor is omzetting naar een plattelandswoning vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening geen probleem.

Nieuwlandse Polderweg 18

De geluidniveaus op de gevels van de plattelandswoning aan de Nieuwlandse Polderweg 18 afkomstig van het voorheen bijbehorende agrarisch bedrijf zijn hoger dan de streefwaarden. Deze woning verkeert ten aanzien van geluid afkomstig van het bijbehorend bedrijf in een redelijk akoestisch klimaat.

Om bij deze woning aan de streefwaarden te kunnen voldoen en daarbij de geluidkwaliteit te verbeteren zouden maatregelen kunnen worden getroffen. Eén van de maatregelen die getroffen zou kunnen worden is het plaatsen van geluidsschermen. Deze zouden evenwel op korte afstand van de woning gerealiseerd moeten worden, hetgeen noodzakelijkerwijs niet ten goede komt aan de woonkwaliteit in verband met een sterk verminderd uitzicht vanuit de woning. Bovendien gaan deze maatregelen gepaard met hoge kosten.

Een andere maatregel om de geluidsbelasting op de gevel van de woning te reduceren is het isoleren van de Wkk-installatie. Gebleken is evenwel dat de Wkk van het glastuinbouwbedrijf alleen in bedrijf is tijdens koude dagen. Derhalve heeft de Wkk in de praktijk een weinig tot geen invloed op het akoestisch klimaat in de woning, aangezien dat wordt bepaald door het industrieterrein Maasvlakte-Europoort. Gezien die omstandigheid kan ook worden gesteld dat het akoestisch onderzoek is gebaseerd op een worst case-scenario, namelijk op een situatie waarbij de Wkk het gehele etmaal in werking is met een geluidsbelasting van 90 dB. Dit scenario is echter niet het meest realistische scenario in de praktijk.

Gezien het voorgaande, kan worden aangenomen dat, ondanks de overschrijding van de streefwaarden ter plaatse van de woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierdoor is omzetting naar een plattelandswoning vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening geen probleem.

6.4.2 Conclusie

Met betrekking tot de omzetting van voormalige agrarische bedrijfswoningen naar plattelandswoningen is toetsing aan de wet- en regelgeving voor geluid niet aan de orde. Het akoestisch onderzoek is derhalve uitgevoerd ten behoeve van een goede ruimtelijke onderbouwing van dit bestemmingsplan en geeft een beoordeling over het akoestisch klimaat aan de hand van etmaalgemiddelde.

Uit het akoestisch onderzoek is enerzijds gebleken dat voor nagenoeg alle woningen de geluidniveaus afkomstig van het voorheen bijbehorende agrarisch bedrijf lager zijn dan de streefwaarden en deze dus kan worden omgezet naar een plattelandswoning. Anderzijds zijn de geluidniveaus op de gevels van een tweetal woningen weliswaar hoger dan de streefwaarden, maar omzetting naar een plattelandswoning kan, omdat is aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

6.5 Luchtkwaliteit

De Wet Luchtkwaliteit maakt nieuwbouw en een beperkte omvang van een ruimtelijk programma mogelijk zonder onderzoek en zonder toetsing aan grenswaarden (luchtkwaliteitseisen). Dit geldt voor de zogenoemde niet in betekenende mate (NIBM) projecten. Thans is de 3% regeling van kracht. Dit houdt in dat er sprake is van een NIBM project als de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) ten gevolge van het plan met maximaal 1,2 µg/m3 toenemen ten opzichte van de autonome ontwikkeling. NIBM projecten voldoen aan de Wet luchtkwaliteit en kunnen worden gerealiseerd zonder toets aan de grenswaarden uit de Wet Luchtkwaliteit.

Aan de hand van de anti-cumulatieregeling wordt beoordeeld of het project afzonderlijk kan worden bekeken of dat ook andere ontwikkelingen binnen een straal van 1.000 meter dienen te worden meegenomen bij de bepaling of het project NIBM is. Hierbij is het van belang om te bepalen of de ontwikkellocaties gebruik maken van dezelfde ontsluitingsweg. Bij deze analyse wordt een ontsluitingsweg gedefinieerd als een weg waar minimaal 50 procent van het verkeer vanuit de nieuwe ontwikkeling overheen gaat. Indien plannen gebruik maken van dezelfde ontsluitingsweg dienen ze te worden gecumuleerd.

In de Regeling NIBM zijn categorieën van gevallen aangewezen die worden aangemerkt als NIBM projecten. Voor pure woningbouw betekent dit dat bij een eenzijdige verkeersontsluiting niet meer dan 1.500 nieuwe woningen mogen worden gebouwd onder het NIBM regime en bij een tweezijdige ontsluiting 3.000 woningen. Voor alleen kantoren geldt een 3% criterium van maximaal 100.000 m2 b.v.o. (bruto vloeroppervlakte) bij een eenzijdige verkeersontsluiting en maximaal 200.000 m2 b.v.o. bij een tweezijdige ontsluiting. Voor plannen die niet bestaan uit louter kantoren en/of woningen, de zgn. gemengde programma's met bijv. winkels en bedrijven, biedt de wet (art. 5.16 Wm, eerste lid, onder c) de mogelijkheid om het aannemelijk te maken dat die plannen in niet-betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit.

Op 16 januari 2009 is het Besluit Gevoelige Bestemmingen in werking getreden. Met deze AmvB kan de vestiging van 'gevoelige bestemmingen' - zoals een school - in de nabijheid van provinciale en rijkswegen worden beperkt. Nieuwe gevoelige bestemmingen moeten op meer dan 300 meter van een snelweg en op meer dan 50 meter van een provinciale weg gebouwd worden indien binnen deze afstanden grenswaarden worden overschreden. In dit besluit zijn woningen niet als gevoelige bestemming gekwalificeerd. Dit besluit is niet van toepassing op dit nieuwe bestemmingsplan omdat nieuwe gevoelige bestemmingen, zoals benoemd in dit Besluit, niet mogelijk worden gemaakt.

Het Rotterdams beleid schrijft voor dat er binnen de contouren van de grenswaarden geen nieuwe woningen mogen worden gebouwd.

Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn.

Deze beleidsregel is op dit nieuwe bestemmingsplan niet van toepassing omdat nieuwe scholen (basisscholen en voortgezet onderwijs) en/of nieuwe locaties voor kinderopvang niet mogelijk worden gemaakt.

Grenswaarden en actuele waarden luchtkwaliteit

De in de Wet luchtkwaliteit genoemde grenswaarde voor stikstofdioxide (NO2) geldt vanaf 01-01-2015 en is 40 µg/m3. De grenswaarde voor fijnstof (PM10) is 40 µg/m3 en geldt sinds 01-07-2011. Het aantal dagen waarop de daggemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 voor PM10 mag worden overschreden is 35. Deze daggemiddelde grenswaarde wordt overschreden bij een jaargemiddelde concentratie van 32,4 µg/m3 en hoger.

6.5.1 Plangebied

Ten behoeve van het bestemmingsplan is een onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit in het plangebied. Volgens de NSL Monitoringstool-2016 wordt in het plangebied vanaf 2015 aan de grenswaarde voor NO2 in het plangebied voldaan. Ook wordt in 2011 en later aan de grenswaarden (daggemiddelde en jaargemiddelde) voor fijnstof voldaan. De concentraties van de overige stoffen die ingevolge de Wet luchtkwaliteit moeten worden getoetst zijn zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen, lood en de uurgemiddelde grenswaarde van stikstofdioxide (NO2). De waarden van deze stoffen liggen in Rotterdam en omgeving ruim onder de grenswaarden en worden daarom buiten beschouwing gelaten.

Het bestemmingsplan is conserverend van aard, echter, in het glastuinbouwgebied liggen meerdere woningen. Deze woningen betreffen veelal bedrijfswoningen die bij het glastuinbouwbedrijf behoorden, maar nu deze relatie niet meer hebben. In het bestemmingsplan wordt onderzocht of deze woningen omgezet kunnen worden naar plattelandswoningen. Voor een deel van de kassen is nog ruimte beschikbaar om uit te breiden. Deze mogelijkheden bestaan ook al in het vigerende bestemmingsplan maar zijn nog niet geheel benut. De uitbreidingsmogelijkheid wordt in het nieuwe bestemmingsplan gehandhaafd. In het kader van de vergunningverlening (Wabo) zullen de emissies van deze uitbreidingsmogelijkheid worden getoetst aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit.

De voorgenomen transformatie van agrarische woningen naar plattelandswoningen heeft geen invloed op het aantal verkeersbewegingen, daarmee verandert ook de luchtkwaliteit ook niet. Cumulatie met effecten van andere plannen in de omgeving van het plangebied is niet aan de orde, omdat er geen (nul) effect is van het bestemmingsplan "Hoek van Holland - Buitengebied". Het plan "Hoek van Holland - Buitengebied" voldoet aan de Wet luchtkwaliteit.

6.5.2 Conclusie

In het luchtonderzoek zijn de mogelijke effecten op de luchtkwaliteit van het bestemmingsplan "Hoek van Holland - Buitengebied" inzichtelijk gemaakt. In deze analyse is aangetoond dat het bestemmingsplan "Hoek van Holland - Buitengebied" niet bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Dit plan voldoet daarmee aan de Wet Luchtkwaliteit. Het plan voldoet tevens aan het Rotterdamse beleid.

6.6 Bodem

De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal.

Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is.

Voor het verkrijgen van een bouwvergunning, moet worden aangetoond dat de bodemkwaliteit goed genoeg is om te bebouwen ten behoeve van de toegekende bestemming (bodemgeschiktheidsverklaring): er mag pas worden gebouwd als de bodem schoon genoeg is bevonden. In het kader van de bouwplannen zal de bodem ter plaatse nader worden onderzocht. Indien nodig zal de bodem voorafgaand of tijdens de bouw geschikt gemaakt worden op basis van de nota "Naar een gezamenlijk Bodemsaneringsbeleid in provincie en stad".

6.6.1 Plangebied

In 2000 is de Indicatieve Bodemkwaliteitkaart Rotterdam opgesteld. In dit document wordt een indicatie gegeven van de mate waarin de bodem in een bepaald gebied is verontreinigd.

Het westelijke gedeelte van het plangebied vormt een duidelijk herkenbaar opgespoten duingebied tussen de bebouwde kom en de huidige kustlijn. Het gebied is met schoon zeezand opgespoten. Mogelijk is het parkeerterrein verhard met licht verontreinigde materialen. De ondergrond bestaat geheel uit schoon zeezand en oorspronkelijk duinzand. De bodemkwaliteit voor dit gebied wordt ingeschat op klasse natuur (G1).

Het noordelijke en oostelijke gedeelte van het plangebied (glastuinbouwgebied en recreatieoord) werd voor de Tweede Wereldoorlog gebruikt voor landbouw. Tijdens de oorlog zijn tankgrachten in het gebied gegraven, die na de oorlog weer zijn gedempt om over te gaan op glastuinbouw. Op basis van een bodemonderzoek nabij de Kulkweg is gebleken dat waarschijnlijk schoon tot licht verontreinigd materiaal is toegepast voor de demping van de voormalige tankgrachten. De bodemkwaliteit voldoet waarschijnlijk aan klasse landbouw (G2). Evenzo geldt dit voor de ondergrond (de tankgrachten waren tot 2,5 meter diep). Ook hier voldoet de bodemkwaliteit waarschijnlijk aan de klasse landbouw (G2).

Conclusie

De bodemkwaliteit is naar verwachting niet beperkend voor de in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen.

6.7 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid.

Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. De circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRnvgs) beschrijft het beleid van de overheid over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. De zone is 40 meter bij zeeschepen en 25 meter voor binnenvaartschepen. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag.

Rotterdams beleid

De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR).

In het kader van dit bestemmingsplan is een risicoanalyse externe veiligheid uitgevoerd, d.d. 4 oktober 2016.

6.7.1 Transport gevaarlijke stoffen over weg

Bestemmingen waar gevaarlijke stoffen naar kunnen worden vervoerd zijn:

1. StenaLine

2. DSM Synres

3. LPG-station aan de Dirk van den Burgweg.

De route die relevant is voor dit bestemmingsplan waar mogelijk gevaarlijke stoffen over kunnen worden vervoerd:

  • de N223 ook wel Hoekse Baan genoemd, na realisatie van het laatste stuk H-6 weg tot het station Hoek van Holland Haven (2017 en later).

De hoeveelheden gevaarlijke stoffen die worden vervoerd over de binnenstedelijke weg (H6-weg) zijn in de worst case gelijk aan het transport via wegvak Z122 van de A20 (afrit N223). De transporthoeveelheid GF3 volgens de Regeling basisnet bedraagt 1000 tankauto's en de PR10-6 contour bedraagt 0 m.

Er wordt geen plaatsgebonden risicocontour 10-6/jr berekend voor transport over de wegen. Het groepsrisico voor de wegen ligt na planrealisatie een factor 1000 beneden de oriëntatiewaarde. Het maximaal mogelijke transport van gevaarlijke stoffen over de wegen vormt geen beperking voor de ontwikkelingen die in dit bestemmingsplan zijn opgenomen.

6.7.2 Transport gevaarlijke stoffen over water

De provincie Zuid-Holland heeft op 7 januari 2003 het beleidskader "Gedifferentieerde veiligheidszonering oevers Nieuwe Waterweg en de Nieuw Maas" vastgesteld. Over deze waterwegen vindt transport van gevaarlijke stoffen met zeeschepen en binnenvaartschepen plaats. Om bebouwing langs de oever te beschermen tegen de risico's van ongevallen met giftige of brandbare stoffen en om te garanderen dat de oever bereikbaar is voor hulpdiensten, dienen veiligheidsafstanden aan te worden gehouden.

Indien zeeschepen met gevaarlijke stoffen langs de kade varen dan wel aanmeren moet een zone van 40 m vanaf de kade vrijgehouden worden van kwetsbare bebouwing. In een zone tussen 40 en 65 m vanaf de kade mogen alleen kwetsbare functies worden gebouwd als goed gemotiveerd kan worden waarom hier gebouwd moet worden en niet buiten de 65 meter-zone; dit is in Rotterdam vanaf raainummer 1034 (Hoek van Holland) tot en met raainummer 1004 (ingang Schiehaven). Voor binnenvaartschepen zijn deze veiligheidsafstanden 25 respectievelijk 40 m; dit gebied loopt vanaf raainummer 1004 (ingang Schiehaven) tot raainummer 995 (splitsing Nieuwe Maas en Hollandse IJssel). Deze afstanden gelden niet voor bedrijfsbebouwing waarin minder dan 50 mensen verblijven.

Het doorgaande transport over de Nieuwe Maas is van belang. Vanuit de monding van de Nieuwe Waterweg tot aan de Waalhaven vindt transport met zowel zeeschepen als binnenvaartschepen plaats. De plaatsgebonden risicocontour 10-6/jr voor transport over de Nieuwe Maas ligt buiten het plangebied. Het groepsrisico voor transport over de Nieuwe Maas is niet berekend omdat het meest nabije punt van het bestemmingsplan op 400 meter afstand ligt van de transportroute de Nieuwe Maas. Het transport over de Nieuwe Maas vormt geen beperking voor de ontwikkelingen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.

6.7.3 Leidingen

Aardgasleidingen

De aardgasleidingen van de NAM en van de Gasunie liggen gedeeltelijk in het plangebied. In of grenzend aan het plangebied liggen drie hogedruk aardgasleidingen die van belang zijn voor de externe veiligheid. In de directe omgeving van het bestemmingsplan ligt één aardolieleiding (K1), die vanuit de Noordzee via het strand en door het duingebied onder de Nieuwe Waterweg en het Calandkanaal naar het Europoortgebied loopt.

De kwetsbare bestemmingen vallen buiten het invloedsgebied van de buisleidingen. Het groepsrisico voor de aardgasleidingen en de aardolieleidingen na planrealisatie ligt meer dan een factor 100 beneden de oriëntatiewaarde. De aardgasleidingen en de aardolieleiding vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan. Het transport door de buisleidingen vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

6.7.4 Inrichtingen

De bedrijven in of in de directe omgeving van het bestemminsplangebied die mogelijk invloed hebben op het plangebied zijn: LPG-tankstation aan de Dirk van den Burghweg, StenaLine, DSM Synres en Munitiezeefinstallatie.

LPG-tankstation

Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) van kracht geworden. Tegelijk met dit besluit is een ministeriële regeling van kracht geworden waarin afstandsnormen voor onder andere LPG-tankstations zijn vastgelegd. Welke afstanden er gelden is afhankelijk van de doorzet (verkoop) van LPG in m3 per jaar en van het feit of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. In het REVI zijn de afstanden voor het plaatsgebonden risico vastgelegd en de normen voor de berekening van het groepsrisico gegeven.

Het LPG-tankstation Dirk van den Burghweg heeft een LPG doorzet per jaar van 1.000 m3 en de inhoud van de ondergrondse tank bedraagt 20 m3. Het tankstation heeft een plaatsgebonden risico contour die tot in het plangebied reikt. Het groepsriscio ongeveer een factor 4 beneden de orientatiewaarde. De omvang van het groepsrisico is zodanig gering dat de inrichting geen belemmering vormt voor de ontwikkelingen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. De bedrijfsactiviteiten van het tankstation vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan.

StenaLine

De inrichting StenaLine heeft geen plaatsgebonden risico contour 10-6/jr die tot in het plangebied reikt. Het groepsrisico voor de inrichting ligt ruim onder de oriëntatiewaarde (factor 1/1000). Zowel het plaatsgebonden- als het groepsrisico vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan. De bedrijfsactiviteiten vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan.

DSM Synres

De inrichting heeft geen plaatsgebonden risico contour 10-6/jr die tot in het plangebied reikt. DSM Synres ligt op een afstand van 400 meter van het plangebied. Aangezien het invloedsgebied voor de GR-berekening een afstand van 100 meter vanaf de loods bedraagt, leveren aanwezigen in het plangebied geen bijdrage aan het groepsrisico. De inrichting vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.

Munitiezeefinstallatie

De veiligheidszone rond de inrichting, ter bescherming van glas- en vliesvezels en van (beperkt) kwetsbare bestemmingen bedraagt een afstand van 124 meter. De plangrens ligt op een afstand van 175 meter van de munitiezeefinstallatie, zodat hieraan voldaan wordt.

6.7.5 Conclusie

De groepsrisico's als gevolg van risicobronnen in en buiten het plangebied nemen door de ontwikkelingen in dit plangebied niet toe. De groepsrisico's blijven onder de 30% van de oriëntatiewaarde, daarmee is een categorie 'lichte' verantwoording aan de orde. De zelfredzaamheid van de aanwezigen in het gebied is, gelet op de verblijfsfuncties en de verkeersinfrastructuur, groot. Dit aspect wordt benoemd in het bestemmingsplan. Het groepsrisico geeft geen beperkingen voor de ruimtelijke ontwikkelingen in dit bestemmingsplan. Hiermee is het groepsrisico volgens het bestuur van Rotterdam verantwoord.

6.8 Natuur

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Met de Wnb zijn de verantwoordelijkheden voor het beleidsveld natuur overgedragen van het Rijk aan provinciale staten en gedeputeerde staten. De provincies hebben daarom via een verordening aanvullende regels vastgelegd voor de onderdelen faunabeleid, houtopstanden, tegemoetkoming faunaschade, soortenbeleid en Natura 2000. Tevens worden diverse vrijstellingen verleend in deze verordening. Daarnaast heeft de provincie Zuid-Holland regelgeving omtrent natuur vastgelegd in haar Verordening Ruimte, onder meer ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Soortenbescherming

In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten:

  • 5. het beschermingsregime Vogelrichtlijn;
  • 6. het beschermingsregime Habitatrichtlijn.
  • 7. het beschermingsregime Andere Soorten.

De provincies kunnen voor beschermingsregime Andere Soorten een algemene ontheffing verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In Hoek van Holland (Rotterdam) is de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag voor de Wnb. De provincie Zuid-Holland is - blijkens het concept van de 'Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland' - voornemens de vrijstelling voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden te handhaven voor een deel van de soorten die vielen onder de vrijstelling in de Flora- en faunawet voor algemeen voorkomende soorten (Tabel 1 AMvB art 75). Voor Bunzing, Egel, Hermelijn en Wezel is deze vrijstelling echter komen te vervallen omdat er onvoldoende zicht is op de trend en status van deze soorten.

Natura 2000

De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijngebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen door de Nbw beschermde natuurgebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. In dit geval is dat de Omgevingsdienst Haaglanden namens de Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland.

6.8.1 Plangebied

Soortenbescherming

Ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan is ecologisch onderzoek gedaan, te weten: 'Flora en fauna BP Hoek van Holland - Buitengebied, Flora en faunatoets t.b.v. het bestemmingsplan Hoek van Holland - Buitengebied' (9 augustus 2016, gemeente Rotterdam). In deze rapportage wordt vastgesteld dat in het plangebied verschillende soorten voorkomen die door de Flora- en faunawet werden beschermd, waaronder Groenknolorchis, Blauwe zeedistel, Parnassia, Vleeskleurige orchis, Rietorchis, Slanke gentiaan, Daslook, Grote keverorchis, Grote kaardebol, Akkerklokje, Gewone vogelmelk, Brede wespenorchis, Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Watervleermuis, Baardvleermuis, Gewone grootoorvleermuis, Huismus, Gierzwaluw, Buizerd, Sperwer, Boomvalk, Bittervoorn, Rugstreeppad, Zandhagedis en Wijngaardslak. Hiernaast bestaat er kans op de aanwezigheid van door de Flora- en faunawet beschermde muurflora (Tongvaren, Zwartsteel, Steenbreekvaren), Kleine modderkruiper en Steenmarter. Ook zijn er diverse algemene grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vissen te verwachten en verschillende (andere) vogelsoorten. Een deel van deze soorten is ook onder de Wnb beschermd, terwijl sommige andere soorten niet meer zijn beschermd.

Voorliggend bestemmingsplan is conserverend van aard; er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt en er treden dan ook geen negatieve effecten op door de Wnb beschermde soorten op. Bij ruimtelijke activiteiten die binnen een bestaande bestemming vallen (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw van woningen of de uitbreiding van glastuinbouw) dient voorafgaand aan de uitvoering nog wel in het veld flora- en faunaonderzoek te worden uitgevoerd in het kader van de Wnb. Indien er in de toekomst alsnog ontwikkeling gepland worden, waarbij een bestemmingsplanwijzing of projectbestemmingsplan noodzakelijk is, dan dient opnieuw getoetst te worden aan natuurwetgeving (Wnb). Eventuele benodigde ontheffingen dienen verkregen te zijn voordat met de realisatie van de ontwikkelingen begonnen kan worden.

Natura 2000

Een aanzienlijk deel van het plangebied is gelegen binnen het Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen' (zie afbeelding 6.1), maar gezien het conserverende karkater van het plan is het optreden van de meeste typen verstoring (als gevolg van het bestemmingsplan) uit te sluiten en daarmee ook het optreden van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1080HvHBuitengeb-va03_0014.png"

Afbeelding 6.1 ligging Natura 2000-gebied 'Solleveld en Kapittelduinen'.

Een deel van het plangebied is gelegen binnen provinciaal concentratiegebied voor glastuinbouw en het bestemmingsplan biedt hier nog enige ontwikkelingsruimte voor glastuinbouw. Het gaat om bestaande rechten die uit het vorige plan zijn overgenomen. Een toename aan glastuinbouwareaal kan een toename veroorzaken van de stikstofdepositie op habitats en leefgebieden van soorten in omliggende Natura 2000-gebieden. Dit komt doordat bij de verwarming van kassen NOx kan vrijkomen die vervolgens neerslaat op Natura 2000-gebieden in de omgeving. Een toename van atmosferische stikstofdepositie heeft een verzurend en/of vermestend effect en kan een negatieve invloed hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van daarvoor gevoelige habitats en leefgebieden van soorten. Deze negatieve effecten treden alleen op indien de ter plaatse aanwezige achtergronddepositie samen met de toename aan stikstofdepositie als gevolg van het plan hoger uitkomt dan de kritische depositie waarde (KDW) van het habitattype lager. Alleen bij een stikstofdepositie boven de KDW zijn habitats 'overbelast' en kan het risico niet worden uitgesloten dat de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast

Programma Aanpak Stikstof

Op 1 juli 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) voor het tijdvak 2015-2021 in werking getreden, met andere woorden voor een duur van zes jaar. In het programma zijn enerzijds maatregelen opgenomen die zorgen voor een daling van de stikstofdepositie (brongerichte maatregelen) en anderzijds maatregelen die bijdragen aan het herstel van de natuurkwaliteit in Natura 2000-gebieden (gebiedsgerichte maatregelen). Hierdoor ontstaat ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen. Deze ruimte wordt 'depositieruimte' genoemd. Een deel van de 'depositieruimte' wordt ter beschikking gesteld voor nieuwe ontwikkelingen. Deze ruimte is de 'ontwikkelingsruimte'. Deze 'ontwikkelingsruimte' is alleen gekoppeld aan concrete projecten en andere handelingen waarvoor in de lopende programmaperiode toestemming wordt verleend.

De uitbreiding van glastuinbouw in het plangebied is niet aangemerkt als 'prioritair project' in de Regeling programmatische aanpak stikstof. Als een project niet als 'prioritair project' is opgenomen, geldt in het PAS thans een grenswaarde van 1,00 mol stikstof per hectare per jaar. Als de toename van stikstofdepositie op een stikstofgevoelig habitat of leefgebied hoger is, is een project of andere handeling vergunningplichtig en dient een aanvraag te worden ingediend bij het bevoegd gezag om een deel van de 'vrije ontwikkelingsruimte' (segment 2 uit het PAS) te mogen gebruiken. Ligt de toename van stikstofdepositie op een stikstofgevoelig habitat of leefgebied in een Natura 2000-gebied tussen de 0,05 en 1,00 mol/ha/j, dan kan voor een project of andere handeling worden volstaan met een melding in AERIUS Calculator; een vergunning is dan niet nodig. Als 95% van de gereserveerde depositieruimte door het beroep op de ontwikkelingsruimte is benut, wordt de grenswaarde van rechtswege verlaagd tot 0,05 mol/ha/j. AIs de toename van stikstofdepositie op een stikstofgevoelig habitat of leefgebied in een Natura 2000-gebied minder is dan 0,05 mol/ha/j, dan is het effect verwaarloosbaar en treden volgens het PAS ecologisch gezien geen aantoonbare verschillen in de kwaliteit van een habitat of leefgebied op. Verplichtingen zijn dan niet aan de orde.

Aanvullend provinciaal beleid

De provincie Zuid-Holland heeft aanvullend beleid ten aanzien van stikstofdepositie met de 'Beleidsregel toedeling ontwikkelingsruimte programmatische aanpak stikstof Zuid-Holland 2015 segment 2'. Hieruit volgt dat aan een project of andere handeling bij een toestemmingsbesluit niet meer dan 3 mol stikstof per hectare per jaar aan ontwikkelingsruimte wordt toegedeeld per PAS-programmaperiode.

AERIUS Calculator

Tegelijk met het van kracht worden van het PAS is het reken- en registratie-instrument AERIUS Calculator beschikbaar gesteld. Daarmee moet worden berekend wat de gevolgen van een ontwikkeling zijn voor de stikstofdepositie op de verschillende gebieden en habitats. Aan de hand van de resultaten kan worden beoordeeld of door de ontwikkeling sprake kan zijn van significante gevolgen door stikstofdepositie. AERIUS geeft ook aan of er nog ontwikkelingsruimte beschikbaar is voor de betreffende habitats en leefgebieden van soorten. Bovendien dient in AERIUS voor bepaalde typen projecten of handelingen melding te worden gedaan indien de toename van stikstofdepositie op een stikstofgevoelig habitat/leefgebied in een Natura 2000-gebied uitkomt tussen de 0,05 en 1,00 mol/ha/j, ervan uitgaande dat er voor het betreffende habitat op dat moment nog ontwikkelingsruimte beschikbaar is.

Haalbaarheid bestemmingsplan

Het glastuinbouwgebied ligt zeer dichtbij het Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen', dat stikstofgevoelige habitats en leefgebieden herbergt. Op veel grotere afstand liggen de eveneens stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden 'Voornes Duin', Westduinpark & Wapenveld' en 'Meijendel & Berkheide'. Voor de zekerheid is daarom in AERIUS Calculator per individuele eigenaar, van gronden waarop uitbreiding van glastuinbouw mogelijk is, berekend of de eigenaar al zijn/haar uitbreidingsruimte kan benutten zonder dat (significante) negatieve effecten optreden op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Uit de berekeningen blijkt dat alle individuele eigenaren aanspraak kunnen maken op de depositieruimte in het kader van het PAS, waarbij overigens in twee gevallen wel een vergunning in het kader van de Nbw benodigd is. Ook voor alle uitbreidingen tezamen is voldoende ontwikkelingsruimte beschikbaar. Omdat het PAS passend beoordeeld is, leiden de uitbreidingen niet tot negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Ook blijkt dat de potentiële glastuinbouwuitbreidingen individueel voldoen aan de 'Beleidsregel toedeling ontwikkelingsruimte PAS Zuid-Holland 2015 segment 2' van de provincie Zuid-Holland, omdat ze afzonderlijk zorgen voor een toename aan stikstofdepositie (op overgevoelige habitats) die lager is dan 3 mol/ha/j. Hiermee is aangetoond dat het bestemmingsplan haalbaar is.

In de berekeningen in AERIUS Calculator is uitgegaan van kengetallen die AERIUS als standaard hanteert voor glastuinbouw. De emissie wordt daarbij geschat op 1.004 kg NOx per hectare glastuinbouw per jaar. Indien tussentijds de ontwikkelingsruimte in het PAS opraakt, dienen - om te voorkomen dat alsnog significant negatieve effecten op Natura 2000 optreden - de uit te breiden glastuinbouwcomplexen duurzaam te worden verwarmd, bijvoorbeeld door de benodigde warmte te genereren met WKO. Hierdoor zullen de werkelijke toenames aan stikstofemissies - en daarmee -stikstofdeposities op Natura 2000 - veel lager of zelfs nul zijn.

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen bekend als Ecologische Hoofdstructuur - EHS) is in het plangebied hetzelfde begrensd als het Natura 2000-gebied 'Solleveld en Kapittelduinen'. Wat betreft wet- en regelgeving voor dit NNN-gebied in het plangebied zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor dit Natura 2000-gebied leidend. Voorliggend plan veroorzaakt echter geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied.

6.8.2 Conclusie

Voorliggend bestemmingsplan is 'uitvoerbaar' vanuit het oogpunt van natuur(wet- en regelgeving). Het bestemmingplan voorziet niet in een ander beheer, onderhoud, gebruik en ruimtelijke inrichting. De Wnb en de provinciale Verordening Ruimte (in het kader van het Natuurnetwerk Nederland) worden niet door dit bestemmingsplan overtreden. Er treden geen negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden op als gevolg van dit plan. Indien in de toekomst alsnog ontwikkelingen worden gepland die afwijken van het bestemmingsplan dient het effect hiervan op beschermde gebieden en soorten (opnieuw) van tevoren te worden onderzocht en getoetst aan de Wnb en de provinciale regelgeving. Ontwikkelingen die binnen bestaande bestemmingen plaatsvinden, dienen eveneens van tevoren getoetst te worden aan de natuurwet- en regelgeving.

6.9 Duurzaamheid en energie

Rotterdam ambieert een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van de stad, de regio en de haven.

Binnen de stad speelt het streven naar duurzaamheid op alle schaalniveaus een rol, zowel op het niveau van de stad als geheel, als op het niveau van de verschillende stadsdelen: de binnenstad, wijken en buurten en op het niveau van een gebouw. Deze duurzaamheidsambitie is uitgewerkt in een aantal beleidsplannen, zoals het Programma Duurzaamheid, Rotterdamse Woningkwaliteit (RWK), het Waterplan Rotterdam, Gezond in de stad, de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit (RAL) en het Rotterdam Climate Initiative (RCI).

6.9.1 Duurzaam bouwen

Bij duurzaam bouwen is de insteek om er zorg voor te dragen dat tijdens de hele kringloop van bouwen, renoveren en beheren van bouwwerken, het milieu en de menselijke gezondheid zo min mogelijk negatieve effecten ondervinden. Het Bouwbesluit geeft aan welk kwaliteitsniveau ten minste is vereist. In Rotterdam geldt daarnaast 'De Rotterdamse Woningkwaliteit' (RWK). Het RWK is een eenvoudig systeem van aanvullende kwaliteiten op het Bouwbesluit en bestaat uit zes thema's: oppervlakte, veiligheid, toegankelijkheid, duurzaamheid, flexibiliteit en comfort. Een aantal van de duurzaam bouwen maatregelen kunnen worden toegepast bij nieuwe ontwikkelingen in het plangebied:

  • Afkoppeling van hemelwater, zodat regen en afvalwater niet in hetzelfde riool terecht komen. Het schone regenwater kan in het gebied zelf worden vastgehouden.
  • Geen zink gebruiken voor bijvoorbeeld dakgoten. Zink heeft de eigenschap uit te logen waarbij neerslag zink oplost in het regenwater. Een alternatief is stalen dakgoten.
  • Gebruik hout met een milieukeur, bijvoorbeeld FSC. Het keurmerk FSC geeft aan dat het hout uit een goed beheerd bos afkomstig is.
  • Pas waterbesparende maatregelen toe, bijvoorbeeld een waterbesparende douchekop of een waterbesparend toilet.
  • Maak gebruik van zonne-energie zoals een zonneboiler of zonnecellen.
  • Bekijk of nieuwe gebouwen uitgevoerd kunnen worden met een groen dak.
6.9.2 Duurzame energie

Eén van de meest ambitieuze doelstellingen is om de CO2-uitstoot in 2025 met 50% te verminderen ten opzichte van het niveau van 1990. Ook wordt in 2025 gestreefd naar een energieneutrale gebouwde omgeving.

Om een substantiële bijdrage aan deze doelstelling te leveren en energie te besparen, is het beleid van de gemeente Rotterdam er op gericht zoveel mogelijk woningen, bedrijven en voorzieningen aan te sluiten op een collectief warmtenet. Dit warmtenet omvat een stelsel van leidingen waardoor warm water wordt gepompt voor verwarming en warm tapwater. Daarbij wordt als warmtebron gebruik gemaakt van industriële restwarmte. Bij grootschalige toepassing, op gemeentelijk niveau, wordt een grote milieuwinst behaald op het gebied van het broeikaseffect (CO2) en de lokale luchtkwaliteit (NOx).
Dankzij de in 2007 doorgevoerde aanpassing van de bouwverordening wordt aansluiting op het warmtedistributienet bevorderd. Indien ter plaatse een warmtedistributienet aanwezig is, dan dient een te bouwen bouwwerk te worden aangesloten op dat net. Dit is aan de orde als het bouwwerk minder dan 40 meter van de dichtstbijzijnde leiding ligt, of als de kosten van de aansluiting niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 meter.

De gemeente bevordert het opwekken van duurzame energie in de gebouwde omgeving. Kleine windmolens ('urban wind') en photovoltaïsche zonnepanelen (PV) zijn nu nog niet concurrerend met netstroom, maar dat wordt in de nabije toekomst wel verwacht. Naast bovengenoemde maatregelen moeten nieuw op te richten gebouwen of gebouwen die gerenoveerd worden daarom wat betreft daklast ook geschikt zijn voor het (na)plaatsen van zonnepanelen, zonneboiler of een groen dak. Om een bijdrage te kunnen leveren aan het klimaatprogramma van Rotterdam dient bij het ontwerp van gebouwen rekening te worden gehouden met duurzaam bouwen principes en de energieprestatie eisen. Zo is het reeds langer het verplicht om een EPC-berekening (EnergiePrestatieCoëfficiënt) in de dienen in het kader van het aanvragen van een omgevingsvergunning.

6.9.3 Groene daken

De gemeente Rotterdam stimuleert de aanleg van groene daken in Rotterdam. Zo is er een aantrekkelijke subsidie voor huiseigenaren en heeft de stad inmiddels een aantal gemeentelijke gebouwen voorzien van een groen dak.

Wanneer groene daken op grote schaal worden toegepast dragen ze bij aan een duurzame en gezonde stad. Groene daken vangen regenwater op en voeren het vertraagd af. Hierdoor wordt het riool minder belast als het hard regent. Groene daken nemen stofdeeltjes op uit de atmosfeer en vormen zo een buffer tegen luchtvervuiling. Daarmee leveren groene daken een bijdrage aan de vermindering van CO2-uitstoot. Een beplant dak isoleert het pand eronder. Daardoor blijft het vooral in de zomer koeler in huis. Bovendien stralen groene daken bij hogere temperaturen minder warmte uit waardoor het ook een gunstige invloed heeft op de omgevingstemperatuur. En natuurlijk wordt de stad groener, waardoor er meer kansen komen voor flora en fauna en de leefbaarheid wordt verbeterd.

Hoofdstuk 7 Handhaving

In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden.

Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in het “Handhavingsbeleidsplan Toezicht Gebouwen” uit 2009 wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.

Hoofdstuk 8 Financiële uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan legt overwegend de planologische mogelijkheden vast die in het voorgaande bestemmingsplan al waren opgenomen dan wel de feitelijke situatie voor die gronden waar geen sprake is van een voorgaand bestemmingsplan. Er is dan ook geen sprake van ontwikkelingen. Gelet daarop is het bestemmingsplan financieel uitvoerbaar.

Hoofdstuk 9 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

9.1 Participatie

Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, is een ieder gedurende zes weken, in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen met betrekking tot het ontwerpbestemmingsplan. Gedurende de periode van terinzagelegging is een informatieavond georganiseerd waar een ieder vragen kon stellen met betrekking tot het terinzageliggende ontwerpbestemmingsplan.

9.2 Vooroverleg

In het kader van het overleg bij de voorbereiding van bestemmingsplannen, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan:

  • Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid;
  • K.P.N. Telecom;
  • VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond;
  • N.V. Nederlandse Gasunie;
  • LTO Noord Glaskracht Westland; 
  • Hoogheemraadschap van Delfland;
  • Gemeente Westland;
  • GS, Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland, directie DRM;
  • BOOR, Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam;
  • Metropoolregio Rotterdam Den Haag;
  • Tennet, Zuid-Holland, beheerder hoogspanningsnet;
  • Stedin, regionale netbeheerder gas en elektriciteit;
  • LVNL, Luchtverkeersleiding Nederland;
  • Ministerie van Defensie, dienst gebouwen, werken en terreinen;
  • Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
  • Ministerie van Infrastructuur en Milieu;
  • Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed;
  • Havenbedrijf Rotterdam;

Door de partijen vermeld onder de nummers 1, 2, 3, 4, 5 en 6 (vetgedrukt) is schriftelijk gereageerd. Van de overige partijen is geen reactie ontvangen.

1. Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid

Rijkswaterstaat meldt dat op 21 februari 2017 het Kustpact is gesloten en ziet dat graag opgenomen in paragraaf 2 van de toelichting

Commentaar:

De toelichting is op dit punt geactualiseerd.

2. KPN Telecom

KPN kan niet beoordelen of er consequenties zijn voor het kabelnet, omdat het bestemmingsplan geen gedetailleerd inzicht geeft in de werkzaamheden die mogelijk uitgevoerd gaan worden.

Commentaar:

Op het schaalniveau van een bestemmingsplan is geen sprake van werkzaamheden die direct van invloed zijn op het kabelnet van KPN. Wel geeft het bestemmingsplan inzicht, bijvoorbeeld in paragraaf 4.3, welke locaties op termijn ontwikkeld kunnen worden. Hierbij kunnen op termijn belangen van KPN geraakt worden. Bij grondwerkzaamheden wordt rekening gehouden met de aanwezige kabels en leidingen. Wij adviseren KPN vooral op te letten en te adviseren bij bijzondere situaties en deze in de bestemmingsplanfase te melden.

3. VRR - Veiligheidsregio Rotterdam - Rijnmond

3.1 Herontwikkelingen binnen de 1%-letaliteitscontour van de hogedruk aardgastransporteiding

Verzocht wordt eventuele herontwikkelingen binnen de 1%-letaliteitscontour van de hogedruk aardgastransportleiding (15 meter vanuit het hart van de leidingen) zodanig te construeren dat deze beschermd zijn tegen branddoorslag en brandoverslag als gevolg van een fakkelbrand. Hierbij kan worden gedacht aan blinde gevels of beperking van het glasoppervlak.

Commentaar:

De te nemen maatregelen zijn niet ruimtelijk relevant en kunnen niet in het bestemmingsplan worden geregeld. Het VRR-advies wordt wel als bijlage in het bestemmingsplan opgenomen.

3.2 Herontwikkelingen binnen de 1%-letaliteitscontour van de hogedruk aardgasltransporteiding

Verzocht wordt eventuele herontwikkelingen binnen de 1%-letaliteitscontour van de hogedruk aardgastransportleiding (15 meter vanuit het hart van de leidingen) zodanig te construeren dat aanwezigen bij een dreigende fakkelbrand of plasbrand goede ontvluchtingsmogelijkheden hebben. Voor het ontvluchten is het wenselijk minimaal één nooduitgang van de leidingen af te richten.

Commentaar:

Binnen een afstand van 15 meter vanuit het hart van de hogedruk aardgastransportleiding zijn in het bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen voorzien.

3.3 Voorlichting

Draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne “Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand”.

Commentaar:

Zoals door de Veiligheidsregio wordt gesteld valt dit advies niet binnen de context van de Wet ruimtelijke ordening en kan dit niet in het bestemmingsplan worden geregeld.

4. N.V. Nederlandse Gasunie

De Gasunie geeft aan dat in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (of Bevb) is bepaald dat een bestemmingsplan de ligging van de leidingen en de daarbij behorende belemmeringenstrook weergeeft. Volgens de Gasunie maakt een adequaat artikel “Leiding - Gas” hier onderdeel van uit. Gelet daarop heeft de Gasunie een voorstel gedaan voor het artikel.

Commentaar:

Met de Gasunie zijn wij het eens dat het Bevb verankerd moet zijn in het bestemmingsplan. Na nadere bestudering van het door de Gasunie en het in het concept-ontwerpbestemmingsplan opgenomen artikel “Leiding - Gas” zijn wij van mening dat laatstgenoemd artikel voldoende tegemoet komt aan de eisen uit het Bevb. In het desbetreffende artikel is geregeld dat binnen de dubbelbestemming “Leiding - Gas” alleen gebouwd mag worden ten behoeve van de gasleiding. Voor alle andere bestemmingen die in de dubbelbestemming vallen, geldt - behoudens voor bestaande bebouwing - een bouwverbod. Pas na advies van de leidingbeheerder (de Gasunie) kan op basis van die andere bestemmingen gebouwd worden. Op basis van dat advies kunnen bovendien voorwaarden verbonden worden aan een eventueel te verlenen omgevingsvergunning. Ook voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of werkzaamheden geldt dat deze pas na advies van de leidingbeheerder gerealiseerd kunnen worden.

Ten aanzien van de voorrangsregeling die in het tekstvoorstel van de Gasunie voor de bestemming “Leiding - Gas” is opgenomen, merken wij op dat, nu in de regels is opgenomen dat voor de andere bestemmingen een bouwverbod geldt waar pas na advies van de leidingbeheerder van kan worden afgeweken, de belangen van de gasleiding voldoende beschermd worden. De voorrangsregeling heeft geen toegevoegde waarde. Bovendien ligt de gasleiding in gronden die de bestemming “Groen”, “Natuur” en “Verkeer - Wegverkeer”. Op grond van deze bestemmingen is slechts bebouwing van beperkte omvang toegestaan. De enige dubbelbestemming die op de gronden met de bestemming “Leiding - Gas” is geprojecteerd, betreft de dubbelbestemming “Waarde - Archeologie”. Op grond van deze bestemming kan niet gebouwd worden.

Gezien het voorgaande kan worden gesteld, dat de strekking van het artikel dat de Gasunie ons heeft toegestuurd gelijk is aan het artikel dat in het concept-ontwerpbestemmingsplan is opgenomen. Omdat de gemeente Rotterdam waarde hecht aan uniformiteit in de planregels, zal laatstgenoemd artikel dan ook gehandhaafd worden.

5. LTO Noord Glaskracht Westland

LTO wenst dat de in dit gebied gelegen bedrijven ruimte voor ontwikkeling, zoals modernisering van het areaal, herstructurering en schaalvergrotting, moet worden geboden en niet enkel consolidatie van de huidige situatie. Om meer flexibiliteit mogelijk te maken vraagt LTO met name artikel 1 en 4 aan te passen.

5.1 Begripsbepalingen

Glastuinbouw

Voorstel voor de begripsbepaling van Glastuinbouw (artikel 1): Een volwaardig en doelmatig bedrijf gericht op het voortbrengen van producten en het leveren van diensten door middel van het duurzaam en intensief telen en verzorgen van gewassen, geheel of hoofdzakelijk met behulp van kassen en de daarbij behorende bouwwerken en installaties).

Kassen

In artikel 1.36 wordt aan de definitie van kassen de restrictie toegevoegd dat het om een gebouw moet gaan met wanden en dak dat bestaat uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal. Hierdoor is het gebruik van sandwichpanelen niet mogelijk. Verzocht wordt om bovenstaande definitie aan te passen.

Commentaar:

Conform de vooroverlegreactie van LTO zijn de begripsbepalingen voor "Glastuinbouw" en "Kassen" aangepast. Daarbij zal aansluiting worden gezocht bij het bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied" van de gemeente Westland.

Voor wat betreft de reactie ten aanzien van de bestemming "Agrarisch -Tuinbouw" wordt opgemerkt dat aan de bestemmingsomschrijving zal worden toegevoegd dat tevens bijbehorende voorzieningen zijn toegestaan. Daarmee blijft de bestemming flexibel, maar wordt wel tegemoet gekomen aan het verzoek van LTO om de in de vooroverlegreactie genoemde voorzieningen mogelijk te maken.

Opgemerkt wordt dat wonen in een bedrijfswoning uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding. De regeling zal op dit punt niet worden aangepast aan het voorstel van LTO.

5.2 Bedrijfsgebouwen buiten het bouwvlak

LTO vindt het te beperkend dat bedrijfsgebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gerealiseerd en silo's, tankbassins e.d. uitsluitend buiten het bouwvlak. LTO pleit ervoor om oprichting van bedrijfsgebouwen ook buiten het bouwvlak mogelijk te maken. Dit is met name belangrijk daar voor het optimaal inrichten van een glastuinbouwbedrijf waarbij de bedrijfsbebouwing vaak onlosmakelijk (functioneel en logistiek) met de kas is verbonden. Om het bouwvlak optimaal te kunnen benutten is het vervolgens wenselijk om (bijvoorbeeld voor overhoeken etc) ook bouwwerken als silo’s of bassins op te kunnen richten en (indien wenselijk) ook kassen.

Commentaar:

Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is het wenselijk bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen etc, uitsluitend op bepaalde locaties op het perceel toe te staan, te weten in een lint langs de bestaande wegen. Indien deze bepaling zou worden losgelaten dan zou dergelijke bebouwing verspreid over het perceel kunnen worden gerealiseerd. Dat wordt stedenbouwkundig niet wenselijk geacht. Daar komt bij dat ook vanuit praktisch oogpunt (ontsluiting vanaf de weg) het nodig is dat de bedrijfsgebouwen aan de weg worden gesitueerd. Voorts geldt ook voor kassen dat het wenselijk is om vast te houden aan de regeling uit het geldende bestemmingsplan om deze alleen buiten het bouwvlak toe te staan.

Wel zijn wij het met LTO eens dat de bepaling dat gietwaterbassins, watertanks en watersilo's uitsluitend buiten het bouwvlak opgericht moeten worden, niet wenselijk is. Teneinde het bouwvlak optimaal te kunnen benutten, zal de bepaling worden geschrapt. Bovendien wordt er feitelijk ook niet aan deze bepaling voldaan.

5.3 Bedrijfswoning

LTO vraagt zich af waarom de goothoogte van bedrijfswoningen binnen het glastuinbouwgebied tot een maximale goothoogte van 3,5 meter is beperkt (artikel 4.4.2, onder g), terwijl voor de woningen met de bestemming "Wonen" geen restrictie inzake maximale bouwhoogte is opgenomen.

Commentaar:

De goothoogte van bedrijfswoningen is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan. Wij zien geen aanleiding om deze goothoogte aan te passen. Voor de woningen met een woonbestemming geldt een goothoogte zoals op de verbeelding is opgenomen. In de aan LTO toegestuurd conceptversie van het bestemmingsplan was daar nog geen sprake van. In het ontwerpbestemmingsplan zal ter plaatse van deze bestemming echter een aanduiding op de verbeelding worden opgenomen op grond waarvan een goothoogte van 3,5 meter is toegestaan. Daarmee is de goothoogte van deze woningen gelijk aan die van bedrijfswoningen.

5.4 Bouwhoogte kassen en installaties

LTO acht de gehanteerde bouwhoogte van 7,5 meter voor kassen te laag en vraagt om de planregel als volgt aan te passen (artikel 4.2.2, onder e).

  • Goothoogte van kassen (venlokas en breedkapper) 10 meter
  • Nokhoogte van kassen (venlokas en breedkapper) 13,5 meter
  • Hoogte van overige bedrijfsgebouwen (verwerkingsruimtes, 13,5 meter nokhoogte ketelruimtes, Wkk ruimtes etc), rekening houdend met dubbel ruimtegebruik.
  • Hoogte van warmteopslagtanks (verticaal) 15 meter
  • Hoogte van watersilo’s 15 meter

Commentaar:

Conform het bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied" van de gemeente Westland zal voor kassen een maximale goothoogte van 8 meter en een maximale bouwhoogte van 10 meter worden opgenomen. Wij gaan ervan uit dat een dergelijke goot- en bouwhoogte voldoende is voor rendabele kassen. Voor de overige bedrijfsgebouwen zal de toegestane maximale bouwhoogte van 8 meer worden gehandhaafd, zoals opgenomen in het geldende bestemmingsplan. Voor tanks zal een bouwhoogte van 15 meter worden gehandhaafd (de bepaling wordt aangevuld met warmtetanks) en voor watersilo's blijft 4 meter gelden. Deze bouwhoogte zijn in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan evenals met voornoemd bestemmingsplan van de gemeente Westland.

5.5 Inhoud van gietwaterbassins

LTO wenst dat artikel 4.2.2, onder f wordt geschrapt, zodat grotere gietwaterbassins mogelijk zijn. Grotere gietwaterbassins bieden juist meer mogelijkheden om effectief in te worden gezet ter voorkoming van wateroverlast bij hevige buien.

Commentaar:

De bepaling zal worden geschrapt.

5.6 Warmtetanks

LTO verzoekt om artikel 4.2.2, onder m aan te passen, zodat de planregels inzake bouwhoogte van watertanks binnen de bestemming "Agrarisch – Tuinbouw" ook van toepassing zijn voor de bouwhoogte van warmtetanks.

Commentaar:

Aan de bepaling zal worden toegevoegd dat deze ook ziet op warmtetanks.

5.7 Omzetting van bestemming voor bedrijfswoningen

LTO is van mening dat bij de beoordeling of een bedrijfswoning in een glastuinbouwgebied een woonbestemming of bestemming plattelandswoning zou kunnen krijgen, nadrukkelijk gekeken moet worden naar de (toekomstige) mogelijkheden voor herstructurering. LTO Glaskracht constateert echter dat in het voorliggende plan daar bij de beoordeling van diverse woningen niet naar is gekeken.

LTO verzoekt de woningen aan de Dwarshaak 44 en Haakweg 47 als bedrijfswoning te bestemmen. LTO is van mening dat bij (her)bestemming van woningen ook naar de gevolgen voor toekomstig gebruik c.q mogelijkheden voor omliggende bedrijven en gronden gekeken moet worden. Aangezien beide woningen al belemmerend zouden kunnen zijn voor de bij de woning behorende bedrijven, acht LTO het zeer waarschijnlijk dat omzetting ook voor omliggende bedrijven / gronden en mogelijkheden voor (toekomstige) herstructurering en schaalvergroting belemmerend zou kunnen zijn.

Commentaar:

Bij het onderzoek of de voormalige agrarische bedrijfswoningen omgezet kunnen worden naar een woonbestemming of een bestemming voor plattelandswoning zijn uitsluitend de omgevingsaspecten zoals verwoord in de toelichting van dit plan betrokken. Niet is beoordeeld of deze omzetting in verband met toekomstige herstructureringsopgaven strookt. Enerzijds heeft dit te maken met de omstandigheid dat het bewonen van de voormalige agrarische bedrijfswoningen door derden in dit gebied een situatie betreft die al gedurende lange tijd bestaat. Het voorliggende bestemmingsplan beoogt een planologische oplossing te bieden voor deze situaties, zonder de bestaande glastuinbouwbedrijven te beperken in hun bedrijfsvoering. Anderzijds is de herstructureringsopgave niet betrokken bij de beoordeling, omdat er bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan van concrete plannen geen sprake is.

Daarbij wordt tevens opgemerkt dat het ook maar de vraag is in hoeverre de omzetting naar de woonbestemming cq plattelandswoning een toekomstige herstructureringsopgave bemoeilijkt. De desbetreffende woningen liggen namelijk nagenoeg allemaal langs de bestaande wegen op locaties waar kassenbouw beperkt mogelijk is. Bovendien is het gebied grotendeels al volgebouwd en is het realiseren van nieuwe kassen slechts beperkt mogelijk.

5.8 Archeologie

LTO Glaskracht verzoekt om de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" voor het glastuinbouwgebied (bestemming "Agrarisch – Tuinbouw") te volstaan met het vastleggen van een meldingsplicht voor toevalsvondsten in de planregels.

In het plangebied is sprake van gebied waar volgens de Archeologische Beleidskaart archeologisch onderzoek verplicht zou moeten zijn. Het zou dan in eerste instantie vooral moeten gaan om bureau-onderzoek. Aangezien in het glastuinbouwgebied al sprake is van verstoring van de grond pleit LTO voor het volstaan met een meldingsplicht voor toevalsvondsten. Omdat de verplichting van archeologische onderzoek en bescherming van mogelijke vindplaatsen tot hoge kosten kan leiden, vinden wij dat het opleggen van een beschermingsniveau dat verder gaat dan een meldingsplicht voldoende onderbouwd moet worden. Zeker omdat dit een gebied betreft waar door de bestaande bebouwing al een mogelijke verstoring heeft plaatsgevonden. Het opleggen van een beschermingsniveau, dat verder gaat dan een meldingsplicht, is volgens LTO inziens onvoldoende onderbouwd.

Commentaar:

Meldingsplicht bij toevalsvondsten is volgens de wet verplicht (Erfgoedwet, artikel 5.10) en hoeft dus niet nogmaals in een bestemmingsplan te worden geregeld. Het is iets dat altijd geldt en dus ook niet een dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" kan 'vervangen'. Zeker niet aangezien archeologische vondsten en vooral sporen niet altijd herkend worden en de kans lopen om ongezien te verdwijnen. Door de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" op te nemen worden eventuele archeologische waarden in de ondergrond behouden. Dit behoud gaat van ondiep, tot heel diep, tot de top van het pleistocene zand. Glastuinbouw heeft alleen de bovenste bodemlaag verstoord, en niet eens vlakdekkend. De diepere ondergrond dient ook te worden beschermd.

Overigens is het zo, dat het bestemmingsplan alleen aangeeft wanneer in het kader van de omgevingsvergunning naar archeologie gekeken moet worden. Het is dus geen onderzoekseis. De formulering van het 'overleggen van een rapport' is overgenomen uit formele regels, in de praktijk werkt dit heel anders. In de meeste gevallen volstaat een plantoets door het BOOR. BOOR kijkt daarbij of een geplande ingreep een bedreiging kan vormen voor eventuele waarden in de ondergrond. Het is als het ware een beknopt archeologisch bureauonderzoek, dat de gemeente (BOOR) kosteloos uitvoert. Uiteraard wordt bestaande verstoring daar ook in meegenomen.

Gelet op het voorgaande zijn wij van anders dan LTO van mening dat het glastuinbouwgebied, op goede gronden is belegd met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1". Een melding wordt als niet afdoende geacht.


5.9 Parkeernorm

Voor glastuinbouwbedrijven pleit LTO Glaskracht voor het hanteren van een parkeernorm van 2-4 parkeerplaatsen per ha kas. Dat kan door het opnemen van een bepaling dat per glastuinbouwbedrijf een parkeernorm geldt van 4 parkeerplaatsen per ha en het opnemen van een afwijkingsbevoegdheid om bij omgevingsvergunning van deze regel af te wijken voor het aanleggen van minder parkeerplaatsen tot minimaal 2 parkeerplaatsen per ha.

Commentaar:

De parkeernomen die in dit bestemmingsplan zijn opgenomen, zijn overgenomen uit de bouwverordening. Deze normen zijn vastgesteld voor de gehele gemeente Rotterdam. Er bestaat geen aanleiding om op dit moment van die normen af te wijken.

5.10 Verbeelding

LTO vraagt aandacht voor de correcte intekening van bouwvlakken, mede gezien de in het voorliggende plan voorgestelde restricties over al dan niet bouwen van bedrijfsgebouwen en bouwwerken binnen danwel buiten het bouwvlak. Op de verbeelding zijn in het glastuinbouwgebied binnen de bestemming "Agrarisch – Tuinbouw" bouwvlakken ingetekend die nu dwars over bestaande bedrijfsbebouwing, kassen, bassins en silo’s zijn getekend.

Commentaar:

Op basis van het geldende bestemmingsplan zijn de bouwvlakken op de verbeelding ingetekend. Hiervoor is al aangegeven dat wij aan de vooroverlegreactie van LTO tegemoetkomen voor zover het gaat om het toestaan gietwaterbassins binnen het bouwvlak. Voor kassen handhaven wij de geldende bepaling. Derhalve zien wij geen aanleiding om de verbeelding op dit onderdeel te herzien.

6. Hoogheemraadschap van Delfland

6.1 Verbeelding

Verzocht wordt de verbeelding aan te passen op basis van de legger Zeewering en de legger Delflandsedijk.

Commentaar:

De verbeelding is aangepast.

6.2 Waterberging Bagijneland

Het water Bagijneland heeft de functie van waterberging voor het omliggende glastuinbouwgebied. Verzocht wordt dit water bestemmen als waterberging.

Commentaar:

Het water Bagijneland heeft de bestemming "Water" gekregen op de verbeelding.

6.3 Primaire watergang Krimsloot

De Krimsloot is een primaire watergang. Verzocht wordt deze watergang te bestemmen met de bestemming "Water".

Commentaar:

De Krimsloot heeft de bestemming "Water" gekregen op de verbeelding.

6.4 Rioolpersleiding

Binnen het plangebied ligt een rioolpersleiding met een beschermingszone (5 meter aan weerszijden). Verzocht wordt deze op de verbeelding op te nemen met "Leiding - Riool".

Commentaar:

Deze rioolpersleiding wordt niet opgenomen op de verbeelding. Op de verbeelding worden alleen leidingen opgenomen, waarbij rekening dient te worden gehouden op het gebied van bijvoorbeeld externe veiligheid, zoals gasleidingen.

6.5 Polderkades

Binnen het plangebied ligt een aantal polderkades. Verzocht wordt deze op de verbeelding te bestemmen met "Waterstaat - Waterkering".

Commentaar:

De polderkades zijn opgenomen op de verbeelding.

6.6 Uit te werken tuinbouwgebied

De uit te werkenregeling uit het vigerende plan dat 5% uit open water dient te bestaan komt nite terug in dit bestemmingsplan. Verzocht wordt deze regeling op te nemen voor de percelen waar deze betrekking op heeft of aan te geven hoe hiermee is omgegaan.

Commentaar:

In het vigerende bestemmingsplan zat inderdaad een uit te werken bestemming voor het tuinbouwgebied. De uit te werken bestemming lag echter niet voor de gehele tuinbouwbestemming, maar alleen voor het oostelijke gedeelte van Nieuwland. In 1990 is dit gebied uitgewerkt. In het nieuwe bestemmingsplan is het vigerende plan inclusief uitwerking 1-op-1 overgenomen. De uitwerkingsregel dat 5% van het gebied uit open water dient te bestaan is vertaald in een directe waterbestemming van de watergangen in het oostelijke gedeelte van Nieuwland.

6.7 Gebiedswaterplan

Verzocht wordt het gebiedswaterplan in de toelichting te noemen en aan te geven dat het oplossen van de wateropgave verder zal worden verkend.

Commentaar:

De toelichting is hierop aangepast.

6.8 Watersysteemanalyse

Verzocht wordt de tekst in paragraaf 5.3.1 aan te passen met actuelere informatie.

Commentaar:

De tekst in paragraaf 5.3.1 is geactualiseerd.

6.9 Omzetting van bedrijfswoningen

Verzocht wordt om in paragraaf 5.4 de tekst aan te passen en op te nemen dat de omzetting van bedrijfswoningen naar burgerwoningen wel invloed heeft op het aspect water.

Commentaar:

De tekst in paragraaf 5.4 is aangepast.

6.10 Maatregelen

Verzocht wordt om in samenspraak te bepalen welke maatregelen in de planregels kunnen worden opgenomen om de toename van wateroverlast zoveel mogelijk te voorkomen. Gedacht wordt aan het slim inrichten/benutten van gietwaterbassins, regels waarmee wordt geborgd dat voldoende hoog wordt gebouwd en het waterrobuust inrichten van terreinen. Dit in combinatie met separate afspraken over het watersysteem in de Bonnenpolder.

Commentaar:

In artikel 4.2.2, onder f van de planregels is de maximale inhoud van gietwaterbassins geschrapt. In de waterparagraaf van de toelichting is opgenomen dat bij de realisatie van nieuwe gietwaterbassins in het gebied tussen de Haakweg en Krimsloot het gewenst is dat de lozing plaats zal vinden op de Krimsloot. Een standaardregeling voor het gebied voor de aanleghoogte is door verschillen in bodemgesteldheid en maaiveldhoogte per perceel niet vast te stellen. In 2017 zal worden verkend welke mogelijkheden er zijn om extra waterberging te creëeren.

7. Gemeente Westland

7.1 Begripsbepalingen

Glastuinbouw

Voorstel voor de begripsbepaling van Glastuinbouw (artikel 1): Een volwaardig en doelmatig bedrijf gericht op het voortbrengen van producten en het leveren van diensten door middel van het duurzaam en intensief telen en verzorgen van gewassen, geheel of hoofdzakelijk met behulp van kassen en de daarbij behorende bouwwerken en installaties).

Kassen

In artikel 1.36 wordt aan de definitie van kassen de restrictie toegevoegd dat het om een gebouw moet gaan met wanden en dak dat bestaat uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal. Hierdoor is het gebruik van sandwichpanelen niet mogelijk. Westland verzoekt om de definitie aan te passen.

Commentaar:

Verwezen wordt naar het commentaar op de vooroverlegreactie van LTO onder 5.1

7.2 Bedrijfsgebouwen buiten het bouwvlak

Westland vindt het te beperkend dat bedrijfsgebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gerealiseerd en silo's, tankbassins e.d. uitsluitend buiten het bouwvlak. Westland pleit ervoor om oprichting van bedrijfsgebouwen ook buiten het bouwvlak mogelijk te maken. Dit is met name belangrijk daar voor het optimaal inrichten van een glastuinbouwbedrijf waarbij de bedrijfsbebouwing vaak onlosmakelijk (functioneel en logistiek) met de kas is verbonden. Om het bouwvlak optimaal te kunnen benutten is het vervolgens wenselijk om (bijvoorbeeld voor overhoeken etc) ook bouwwerken als silo’s of bassins op te kunnen richten en (indien wenselijk) ook kassen.

Commentaar:

Verwezen wordt naar het commentaar op de vooroverlegreactie van LTO onder 5.2.

7.3 Bedrijfswoning

Westland vraagt zich af waarom de bouwhoogte van bedrijfswoningen binnen het glastuinbouwgebied tot een maximale goothoogte van 3,5 meter is beperkt (artikel 4.4.2, onder g), terwijl voor de woningen met de bestemming "Wonen" geen restrictie inzake maximale bouwhoogte is opgenomen.

Commentaar:

Verwezen wordt naar het commentaar op de vooroverlegreactie van LTO onder 5.3.

7.4 Bouwhoogte kassen en installaties

Westland acht de gehanteerde bouwhoogte van 7,5 meter voor kassen te laag en vraagt om de planregel als volgt aan te passen (artikel 4.2.2, onder e).

  • Goothoogte van kassen (venlokas en breedkapper) 10 meter
  • Nokhoogte van kassen (venlokas en breedkapper) 13,5 meter
  • Hoogte van overige bedrijfsgebouwen (verwerkingsruimtes, 13,5 meter nokhoogte ketelruimtes, Wkk ruimtes etc), rekening houdend met dubbel ruimtegebruik.
  • Hoogte van warmteopslagtanks (verticaal) 15 meter
  • Hoogte van watersilo’s 15 meter

Commentaar:

Verwezen wordt naar het commentaar op de vooroverlegreactie van LTO onder 5.4.

7.5 Inhoud van gietwaterbassins

Westland wenst dat artikel 4.2.2, onder f wordt geschrapt, zodat grotere gietwaterbassins mogelijk zijn. Grotere gietwaterbassins bieden juist meer mogelijkheden om effectief in te worden gezet ter voorkoming van wateroverlast bij hevige buien.

Commentaar:

Verwezen wordt naar het commentaar op de vooroverlegreactie van LTO onder 5.5.

7.6 Warmtetanks

Westland verzoekt om artikel 4.2.2, onder m aan te passen, zodat de planregels inzake bouwhoogte van watertanks binnen de bestemming "Agrarisch – Tuinbouw" ook van toepassing zijn voor de bouwhoogte van warmtetanks.

Commentaar:

Verwezen wordt naar het commentaar op de vooroverlegreactie van LTO onder 5.6.