Type plan: wijzigingsplan
Naam van het plan: Middenmolendijk 199
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0597.WPZAND2018MMD199-VG01

Toelichting

 
1 Inleiding
 
1.1 Aanleiding
De initiatiefnemer wil een nieuwe woning bouwen op het perceel aan de Middenmolendijk 199 in Ridderkerk. Deze nieuwe woning is in strijd met de regels van het geldende bestemmingsplan 'Het Zand en De Gorzen'. Het college van burgemeester en wethouders heeft op basis van het ontwikkelingsplan 'Middenmolendijk 199' aangegeven in principe te kunnen instemmen met de gewenste nieuwbouw. Om de bouw daadwerkelijk mogelijk te maken is een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk. Om die reden is het voorliggende wijzigingsplan opgesteld.
1.2 Ligging van het plangebied
Het plangebied van dit wijzigingsplan ligt aan de Middenmolendijk 199 in Ridderkerk. De locatie ligt ten zuidoosten van het centrum van Ridderkerk. De locatie wordt globaal gezien begrensd door de Middenmolendijk aan de zuidzijde, enkele woningen aan de oost- en westzijde en met tussenkomst van een watergang door de Hugo de Grootlaan aan de noordzijde. De volgende afbeelding toont de begrenzing van het plangebied.
 
Globale ligging plangebied (rode omkadering)
 
1.3 Geldend bestemmingsplan
Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het bestemmingsplan 'Het Zand en De Gorzen'. De gemeenteraad heeft dit bestemmingsplan op 28 november 2013 vastgesteld. De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan 'Het Zand en De Gorzen'.
 
Fragment verbeelding geldend bestemmingsplan 'Het Zand en De Gorzen'
 
In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Wonen' met een maximum van 6 wooneenheden en de dubbelbestemming 'Waarde- Archeologie'. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. 
 
Het plangebied maakt onderdeel uit van de gebiedsaanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied 1'. In artikel 25.2 staat onder welke voorwaarden het college de bestemming mag wijzigen naar 'Woongebied'. In toelichting paragraaf 3.3.1 wordt de toetsing aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid besproken.
1.4 Leeswijzer
Dit wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 wordt een overzicht gegeven van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en omgevingsaspecten. Tot slot bevat de toelichting hoofdstukken over de opbouw, verantwoording en uitleg van de planregels (hoofdstuk 5) en de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan (hoofdstuk 6).
 
2 Planbeschrijving
  
2.1 Bestaande situatie
Het plangebied staat kadastraal bekend onder gemeente Ridderkerk, sectie B, nummer 2035 (eigendom) en sectie H, nummer 4070 (erfpacht). De Middenmolendijk is een oude dijk die is afgesloten voor doorgaand verkeer. Alleen bewoners en bezoekers van de Middenmolendijk gebruiken de dijk met hun auto. De omgeving van het plangebied laat zich voornamelijk kenmerken door woningen. Aan de dijk staan zowel oude dijkwoningen als nieuwbouwwoningen.
 
Het plangebied zelf bestaat uit een langgerekt perceel. Daar waar de oude dijkwoning was gesitueerd (zie navolgende afbeelding) is inmiddels een nieuwe schuur gerealiseerd. Deze schuur heeft een kaprichting parallel aan de dijk. Verderop op het perceel is een tijdelijke woonunit aanwezig. Voor het overige bestaat het achterterrein uit een tuin. Het perceel wordt aan de oost- en westzijde omgeven door een bomenrij. De navolgende afbeelding geeft een impressie van het plangebied, bezien vanaf de dijk.
 
Aanzicht Middenmolendijk 199 met aan de rechterzijde Middenmolendijk 203. Het woonhuis nr. 199 is recent gesloopt. Hier staat nu een schuur (Bron: Google streetview)
 
2.2 Toekomstige situatie
De nieuwe woning wordt achter op het perceel, onder de dijk gesitueerd. De woning sluit goed aan bij de nieuwbouw in Het Zand. Door de rooilijn van de achtergevel van woning nr. 199 wat verder naar het noorden te positioneren, verspringt de gevel ten opzichte van woning nr. 207 en ontstaat er voor beide woningen meer privéruimte in de achtertuin. Ruimtelijk geeft deze verspringing een speels beeld en is de woning op nummer 199 als het ware een opmaat naar de nieuwbouwwoningen van ‘Groot goed’.
 
De navolgende afbeeldingen geven een impressie van de toekomstige situatie weer.
 
Schets toekomstige situatie
 
Impressie nieuwe woning
 
Gezien de ligging van de woning, verder vanaf de dijk, beschikt de woning over meerdere karakteristieke gevels. De stijl sluit aan bij de nieuwbouw in Het Zand. De woning is voorzien van een souterrain. De kap begint vanaf de eerste bouwlaag, gemeten vanaf maaiveld. Hierdoor past de woning goed bij de omgeving.
 
Duurzaamheid
De woning voldoet bouwkundig aan de laatste eisen van het Bouwbesluit 2012. Om een nul op de meter woning te realiseren worden de navolgende maatregelen genomen:
  • De woning wordt zonder gasaansluiting gerealiseerd (All-electric);
  • In de vloeren worden PCM panelen opgenomen voor de opslag van de warmte energie, hiermee wordt met een kleine energiebron voldoende warmte gegenereerd voor de verwarming van de woning. Een kleine energiebron betekend ook een laag energieverbruik;
  • Voor de verwarming en de warmwater voorziening worden lucht/water CO2 warmtepompen met een COP van 4,5 met PCM buffer toegepast die een temperatuur van 85 graden kunnen maken ten behoeve van de warmwatervoorziening;
  • Voor de opwekking van de benodigde elektra worden 50 pv panelen op de berging en de woning aangebracht.
3 Beleidskader
3.1 Rijksbeleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. In deze visie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'.
 
Planspecifiek
Doordat de beoogde ontwikkeling geen rijksverantwoordelijkheid omvat zijn er geen raakvlakken met de SVIR.
 
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 13 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
 
Planspecifiek
Het plan valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast is het plan dusdanig klein van schaal dat het niet van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
 
Planspecifiek
Stedelijke ontwikkeling
Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien ligt bij 11 woningen.
 
De voorgenomen ontwikkeling betreft de bouw van een vrijstaande woning op het perceel aan de Middenmolendijk 199 in Ridderkerk. De bestaande woning (nr. 199) is gesloopt en de nieuwe woning zal deze vervangen. Daarmee blijft het aantal woningen op het perceel gelijk aan de huidige situatie. Hiermee voorziet de ontwikkeling in de  bestaande behoefte. De gronden waarop de woning wordt gebouwd maken al onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied.
 
Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
 
3.2 Provinciaal beleid
 
3.2.1 Visie Ruimte en Mobiliteit
Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland hebben op 30 mei 2018 Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) - Actualisering 2018 vastgesteld. Op 29 juni 2018 is de geconsolideerde versie in werking getreden. In deze visie signaleert de provincie de structurele veranderingen in samenleving, economie en milieu. Deze tijd vraagt om maatwerk, flexibiliteit en aanpassingsvermogen. De Visie Ruimte en Mobiliteit is opgesteld vanuit de gedachte dat regels en kaders van de overheid nodig blijven, maar niet nodeloos mogen knellen.
 
De Visie Ruimte en Mobiliteit biedt geen vastomlijnd ruimtelijk eindbeeld, maar wel een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. De gewenste ontwikkeling is verwoord in vier rode draden:
  • beter benutten en opwaarderen van wat er is;
  • vergroten van de agglomeratiekracht;
  • verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  • bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving.
Vanuit het besef dat stad en land één leefomgeving vormen met elkaar aanvullende kwaliteiten, kent deze VRM een indeling in functionele hoofdstukken. Het hoofdstuk 'Mobiliteit en bebouwde ruimte' geeft uitwerking aan de eerste en tweede rode draad. Het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit (derde rode draad) komt hoofdzakelijk tot uiting in het hoofdstuk 'Kwaliteit van landschap, groen en erfgoed’ en het bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving hoofdzakelijk bij ‘Water, bodem en energie’. De verschillende onderdelen zijn samengevat weergegeven op een kaart met de volgende vier kaartlagen:
  • laag van de ondergrond;
  • laag van de cultuur- en natuurlandschappen;
  • laag van de stedelijke occupatie;
  • laag van de beleving.
Planspecifiek  
Met betrekking tot het plangebied zijn de kaartlagen 'Laag van de ondergrond' en 'Laag van de stedelijke occupatie' van belang. In de volgende alinea's wordt dit nader toegelicht.
 
Laag van de ondergrond
De volgende afbeelding toont een fragment van de kaartlaag 'Laag van de ondergrond'.
 
  
Fragment kaartlaag 'Laag van de ondergrond'
 
Uit voorgaande afbeelding blijkt dat het plangebied in een rivierdeltacomplex ligt. De ondergrond wordt gevormd door rivierklei en veen. Dit zijn voedselrijke, draagkrachtige gronden. Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar in stand evenals de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap. De voorgenomen ontwikkeling betreft een dermate kleinschalige ontwikkeling dat deze geen nadelige invloed zal hebben op de herkenbare landschappelijke structuurdragers van het zeekleilandschap. De ontwikkeling past in maat en schaal binnen het stedelijk gebied van Ridderkerk.
  
Laag van de stedelijke occupatie
De volgende afbeelding toont een fragment van de kaartlaag 'Laag van de stedelijke occupatie'.
 
Fragment kaartlaag 'Laag van de stedelijke occupatie'
 
Uit voorgaande afbeelding blijkt dat het plangebied in een gebied aangeduid als 'steden en dorpen' ligt. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in dit gebied wordt aandacht gevraagd voor het behouden of versterken van de identiteit en gebruikswaarde van stads- en dorpsgebied. De voorgenomen ontwikkeling is dermate kleinschalig dat de identiteit en gebruikswaarde van het stads- en dorpsgebied niet worden aangetast. Daarbij wordt gebruik gemaakt van enkele stedenbouwkundige elementen waardoor de ontwikkeling past in maat en schaal binnen de omgeving (zie ook toelichting paragraaf 2.2).  
 
3.2.2 Verordening Ruimte
Tegelijk met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland ook de Verordening Ruimte 2014 vastgesteld. Op 29 juni 2018 is een geactualiseerde versie van de verordening in werking getreden.
 
Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD.
   
Planspecifiek Ladder voor duurzame verstedelijking
De provinciale ladder voor duurzame verstedelijking komt grotendeels overeen met de ladder voor duurzame verstedelijking die in toelichting paragraaf 3.1.3 aan de orde is gekomen. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor toetsing aan de eisen van artikel 2.2.1 van de provinciale verordening niet vereist is.
 
3.3 Gemeentelijk beleid
3.3.1 Toetsing aan de wijzigingsbevoegdheid
Hieronder wordt de wijzigingsbevoegdheid integraal weergegeven voor zover relevant voor de voorgenomen ontwikkeling:
 
Artikel 25.2 Wro-zone - wijzigingsgebied - 1
Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de gronden met de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied - 1' te wijzigen naar de bestemming 'Woongebied', waarbij geldt dat:
  1. uitsluitend vervangende nieuwbouw is toegestaan;
  2. de rooilijn van de vervangende nieuwbouw niet dichter naar de Vlietlaan mag worden gepositioneerd dan de bestaande rooilijn;
  3. de goot- en bouwhoogtes van hoofdgebouwen bedragen ten hoogste:
    Indien het hoofdgebouw wordt gebouwdgoothoogtebouwhoogte
    vanaf kruin tot de voet van de dijk3 m6 m
    vanaf de voet tot 5 m vanaf de voet van de dijk6 m 10 m
    vanaf 5 m vanaf de voet van de dijk en verder4 m 9 m
  4.  de afstand van hoofdgebouwen tot de perceelsgrens dient ten minste 3 m te bedragen;
  5. de maximale breedte van de voorgevel bedraagt ten hoogste:
    perceelbreedtetot 16 m16 m of meer
    maximale breedte voorgevel8 m11 m
  6. indien de breedte van de voorgevel meer dan 6 m bedraagt dient een geleding van het hoofdgebouw te worden gerealiseerd door het verspringen van de voorgevel of de nokrichting. 
Planspecifiek 
Ad a
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een vrijstaande woning op het perceel aan de Middenmolendijk 199 in Ridderkerk. De bestaande woning (nr. 199) wordt gesloopt en de nieuwe woning zal deze vervangen. Daarmee blijft het aantal woningen op het perceel gelijk aan de huidige situatie.  
 
Ad b
Met de ontwikkeling wordt de stedenbouwkundige opzet van de buurt versterkt. De woning wordt gerealiseerd in een zelfde rooilijn met de woningen ten westen van het plangebied en in lijn met de woning aan de oostzijde (nr. 207). Een nieuwe schuur wordt gerealiseerd op de locatie van de huidige woning. In geen geval wordt de ontwikkeling dichter op de Vlietlaan gepositioneerd.
 
Ad c
De nieuwe woning komt op meer dan 5 m van de voet van de dijk te liggen. De goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk circa 2,9 m en 9,8 m. Hiermee wordt voldaan aan de maximale toegestane goothoogte. De bouwhoogte wijkt af van het gestelde in het wijzigingsplan waar 9 meter is toegestaan. Parallel aan de wijzigingsbevoegdheid zal een omgevingsvergunning worden aangevraagd waarbij tot maximaal 10% kan worden afgeweken van de regels (zoals gesteld in artikel 24 van het bestemmingsplan Het Zand en De Gorzen). Een bouwhoogte van 9,8 m is hiermee passend binnen de regels van het bestemmingsplan Het Zand en De Gorzen.
 
Ad d
In toelichting paragraaf 2.2 is een plattegrond opgenomen waarop de situering van de nieuwe woning is weergeven. Hieruit volgt dat het hoofdgebouw op ten minste 3 m afstand tot de perceelsgrens is gelegen.
 
Ad e
In toelichting paragraaf 2.2 is een plattegrond opgenomen waarop de situering van de nieuwe woning is weergeven. Hieruit volgt dat de voorgevel van de nieuwe woning 10 m is. Met een perceelbreedte van minimaal 16 m ter hoogte van de nieuw te bouwen woning, wordt voldaan aan het maximum van 11 m.
 
Ad f
In toelichting paragraaf 2.2 is een impressie van de nieuwe woning opgenomen. Hieruit blijkt dat een geleding van het hoofdgebouw wordt gerealiseerd door het verspringen van de nokrichting.

3.3.2 Omgevingsvisie Ridderkerk
De Omgevingsvisie Ridderkerk is door de raad van de gemeente Ridderkerk vastgesteld op 14 september 2017. Met de omgevingsvisie anticipeert de gemeente op de nieuwe Omgevingswet, die waarschijnlijk in 2021 in werking treedt. De omgevingsvisie geeft aan welke ambities en doelen de gemeente op lange termijn nastreeft (de visie) en op welke wijze de gemeente deze doelen en ambities wil bereiken (het uitvoeringsprogramma).
De wijken van Ridderkerk, veelal ontstaan als dorpen, zijn een absolute kernwaarde van Ridderkerk. Veel mensen waarderen vooral de identiteit die de verschillende wijken kenmerkt. De sociale cohesie binnen de wijken is sterk. Dat uit zich in een sterk en hecht verenigingsleven en het feit dat nieuwe bewoners niet kiezen voor Ridderkerk, maar specifiek willen wonen in één van de wijken. Een belangrijke opgave voor het versterken van deze kernwaarde ligt in het verbeteren van en vergroten van de diversiteit aan georganiseerde en ongeorganiseerde ontmoetingsplekken, alsook de differentiatie in woningtypen en woonvormen.  
 
Planspecifiek
Het plangebied ligt in de wijk Het Zand, een rustige woonwijk die deels nog in aanbouw is. Onderhavige ontwikkeling, de bouw van een nieuwe, vrijstaande woning, past goed binnen de karakteristiek van de wijk. Ook draagt de herontwikkeling van het perceel bij aan de kwaliteit en het vitaal houden van de wijk. Daarmee is het initiatief in lijn met het belang van de gemeente de kernwaarden en identiteit van Ridderkerk te behouden.
 
4 Uitvoerbaarheid
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.).
 
4.1 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen.
  
Planspecifiek
Uit een recente uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:348, 31 januari 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.
 
De bebouwingsmogelijkheden nemen bij het voorgenomen plan vergeleken met de bestaande (planologische) situatie niet toe. De bouw van een nieuwe woning ter vervanging van de voormalige dijkwoning betreft een wijziging die naar aard en omvang zeer beperkt is. Bovendien nemen de gebruiksmogelijkheden niet toe, omdat de gronden reeds voor wonen zijn bestemd. Er is daarmee geen sprake van een stedelijke ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Dit betekent dat het Besluit m.e.r. niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.
 
Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
 
4.2 Milieu
4.2.1 Bodem
In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied.
 
Planspecifiek
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een bodemonderzoek uitgevoerd op de planlocatie (Econsultancy, 17 juli 2017, zie bijlage). Uit het onderzoek volgt dat de bovengrond plaatselijk bestaat uit zwak humeus, zwak zandige klei. De overige bovengrond bestaat voornamelijk uit zwak humeus, zwak siltige klei. De ondergrond bestaat uit zwak humeus, zwak zandige klei. Vanaf 2,7 m -mv bestaat de ondergrond bovendien uit sterk kleiig veen. De bovengrond is plaatselijk zwak puinhoudend. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen.
 
Tijdens de veldwerkzaamheden is plaatselijk puin aangetroffen. Conform de NEN 5707 is de bodem verdacht voor de parameter asbest. De bovengrond is licht verontreinigd met cadmium, kobalt, koper, kwik, nikkel, lood, zink en PAK. De ondergrond is licht verontreinigd met koper, kwik, lood en zink. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en xylenen.
 
De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "verdacht" kan worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Echter, gelet op de aard en mate van deze verontreinigingen, bestaat er met betrekking tot de onderzochte paramaters geen reden voor een nader onderzoek.
Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing.
 
Het waargenomen puin is afkomstig van de gesloopte woning. Ten behoeve van de sloop is voor het gehele bouwwerk een volledige asbestinventarisatie Type A uitgevoerd (RPA-advies, 19 mei 2016, zie bijlage). Uit dit rapport volgt dat er geen asbesthoudende toepassingen zijn aangetroffen. Een nader asbestonderzoek op locatie is daarom niet noodzakelijk.
 
4.2.2 Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen.
 
Planspecifiek
In artikel 74 van de Wet geluidhinder is bepaald dat zich langs alle wegen een geluidszone bevindt. Dit is de zone langs een weg waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Uitzondering hierop zijn de wegen:
  • die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;
  • waarvoor een maximumsnelheid geldt van 30 km/u.
De nieuw te realiseren woning ligt binnen de wettelijk vastgestelde geluidszone van de Vlietlaan. Daarom is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (Windmill, 1 augustus 2016, zie bijlage). Het plan is niet gelegen binnen de zone van andere wegen, industrieterreinen of spoorwegen. Desondanks zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening de niet zoneplichtige wegen, de Hugo de Grootlaan en de Middenmolendijk, meegenomen in het onderzoek.  
 
Uit de rekenresultaten blijkt dat vanwege het wegverkeer op de Vlietlaan de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt gerespecteerd. Er zijn geen andere wegen die voor geluidsbelasting zorgen. Daarom is geen sprake van cumulatie. Gezien het feit dat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde is het niet noodzakelijk om maatregelen te onderzoeken teneinde de geluidbelasting ter plaatse van het plan te reduceren. Er is sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. 
 
4.2.3 Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
 
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM).
In het Besluit NIBM is in hoofdlijnen opgenomen dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm van 1,2 µg/m³ voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing.
 
Planspecifiek
Per saldo blijft met de voorgenomen ontwikkeling het aantal woningen op de planlocatie (=1) gelijk aan de huidige situatie. Gesteld kan worden dat de ontwikkeling 'Niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit waardoor het niet hoeft te worden getoetst aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen.  
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de NSL-monitoring 2017 (Rijksoverheid) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2016 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in de nabijheid plangebied (rekenpunt 15892166) bedragen respectievelijk maximaal 19,5 µg/m³, 11,7 μg/m³ en 28,3 μg/m³. Daarmee worden de wettelijke normen niet overschreden.
 
Hiermee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
 
4.2.4 Milieuzonering
Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen).
 
Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven alsmede een goed klimaat voor de gevoelige functies.
 
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
 
Planspecifiek
Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Ridderkerk. In de omgeving van het plangebied zijn overwegend woningen aanwezig. Hierdoor kan het gebied worden getypeerd als 'rustige woonwijk'.
 
Ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich een winkelcentrum waar verschillende functies aanwezig zijn zoals horeca, detailhandel en kantoren. Dergelijke functies vallen binnen milieucategorie 1, waarvoor een richtafstand geldt van 10 m in een rustige woonwijk. De nieuwe woning is met ruim 115 m op voldoende afstand gesitueerd tot dit winkelgebied.
 
Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich het verzorgingshuis Aafje 't Ronde Sand en kinderopvang Mundo-PleSant. Beide voorzieningen vallen in milieucategorie 2, waarvoor een richtafstand geldt van 30 m. Het plangebied ligt met minimaal 50 m ook op voldoende afstand tot deze functies.
 
Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen inrichtingen aanwezig waarvan de milieuzonering mogelijk van invloed is op de ontwikkeling. Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de voorgenomen ontwikkeling dan ook niet in de weg.
 
4.2.5 Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd.
 
De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
  • risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
   
Planspecifiek
Met behulp van de risicokaart is gekeken of in de directe omgeving van het plangebied risicovolle activiteiten plaatsvinden of risicovolle inrichtingen liggen. De volgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart.
 
Fragment risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauwe ster)
 
Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle bedrijven in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Vervoer door buisleidingen is niet relevant omdat het plangebied buiten het invloedsgebied blijft van de buisleidingen ten zuiden van het plangebied. Ook is het plangebied niet gelegen binnen het invloedsgebied van een waterweg of (spoor)weg. De Rotterdamseweg, gelegen ten noordoosten van het plangebied, maakt deel uit van de gemeentelijk routering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, maar is niet opgenomen in het Basisnet of de Circulaire RVGS. Dat houdt in dat voor deze weg geen risicoplafond is vastgesteld met de bijbehorende veiligheidszone. Het plangebied ligt met ruim 450 m op voldoende afstand tot de Rotterdamseweg. 
 
De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting betreft het benzinestation De Haan ten noordwesten van het plangebied (circa 630 m afstand). Het benzinestation beschikt over een LPG reservoir en LPG afleverinstallatie. Hier geldt een plaatsgebonden risicocontour van 45 m. Het plangebied ligt niet binnen de risicocontour van het benzinestation. Andere bedrijven en/of andere inrichtingen liggen op een afstand van meer dan 800 m tot het plangebied. Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid de beoogde ontwikkeling niet in de weg staat.
 
4.3 Waterhuishouding
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
 
Waterschap Hollandse Delta
Vanaf 2016 is er een nieuw Waterbeheerprogramma 2016-2021 van kracht. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema’s Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen.  
Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de hydraulische belasting van de afvalwaterzuivering. Bij een toename van verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied geldt een compensatieplicht. Als er sprake is van toename aan verhard oppervlak, dan moet in principe 10% van deze toename worden gecompenseerd in de vorm van open water binnen het peilgebied waarin de toename van verharding plaatsvindt. Schoon hemelwater dient te worden geloosd op het oppervlaktewater voor zover dit niet infiltreert in de bodem.
 
Watertoets 
In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen.
 
Planspecifiek
Met de voorgenomen ontwikkeling neemt de hoeveelheid verharding toe met circa 160 m² (< 500 m²). Compenserende maatregelen zijn daarom niet vereist. De vuilwaterafvoer van het plan zal aangesloten worden op het openbaar riool grenzend aan het plangebied. Een gescheiden stelsel heeft daarbij de voorkeur. Het hemelwater zal afgekoppeld worden en binnen het plangebied worden verwerkt, bijvoorbeeld door infiltratie. Daar is geen lozingsvergunning voor nodig.
 
Het plangebied ligt niet binnen de zonering van een waterkerende waterkering. Aan de achterzijde van het perceel ligt een overige watergang (T02713). Deze watergang heeft een beschermingszone van 1 meter die vrij gehouden moet worden voor de uitvoering van onderhoud door gemeente Ridderkerk.
 
4.4 Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Soortenbescherming is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De soortenbescherming binnen de Wnb is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.
 
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
 
Planspecifiek
Gebiedsbescherming
De volgende afbeelding toont de beschermde natuurgebieden in de omgeving van het plangebied.
 
Te bescherming natuurgebieden
 
Het plangebied ligt niet in of nabij een beschermd natuur- of groengebied. Daarnaast maakt het plangebied ook geen deel uit van een Nationaal Landschap of Natuurnetwerk Nederland (NNN) welke op minimaal 850 m afstand zijn gelegen. Ten Noordoosten van het plangebied ligt het Natura-2000 gebied Boezems Kinderdijk. Boezems Kinderdijk is aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn. Gezien de afstand tot dit natuurgebied (ruim 1,5 km) en de ligging van het plangebied binnen bestaand stedelijk gebied, vormt de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering voor dit gebied. Negatieve effecten op natuurgebieden in de omgeving kunnen worden uitgesloten.
 
Soortenbescherming (Flora- en faunawet)
Het plangebied is in gebruik als woonperceel met een nieuwe schuur aan de dijk en een tijdelijke woonunit verderop op het perceel. De locatie van het nieuw te bouwen woonhuis bevindt zich achter de schuur, ter hoogte van de voormalige moestuin. Met de bouw van de schuur en het plaatsen van de tijdelijke woonunit hebben er diverse werkzaamheden op het perceel plaatsgevonden. De voormalige moestuin ligt braak. Het overige deel van het perceel is in gebruik als tuin bij de tijdelijke woonunit. Er bevindt zich geen opgaande beplanting in de tuin, vanwege het voornemen de nieuwe woning op korte termijn te kunnen realiseren. De planten en bomen op de perceelsgrens blijven behouden. De nieuwe woning wordt gerealiseerd op 3 m afstand tot deze perceelsgrens. Op de volgende afbeelding is te zien dat er geen bijzondere natuurwaarden in het plangebied voorkomen. 
 
 
Luchtfoto plangebied (bron: Bing.com/maps)
 
Gezien de huidige invulling van de locatie en het feit dat de locatie intensief wordt onderhouden, is de kans op de aanwezigheid van een mogelijke habitat voor plant- en diersoorten onwaarschijnlijk. In algemene zin kan redelijkerwijs worden gesteld dat op grond van de mogelijke effecten de voorgenomen ontwikkeling niet door de Wet natuurbescherming wordt verhinderd, mits rekening wordt gehouden met het broedseizoen en de zorgplicht wordt nageleefd.
 
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
 
4.5 Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan.  
 
Planspecifiek
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (Transect, 11 juli 2017, zie bijlage).
Uit het onderzoek volgt dat op basis van de resultaten van het veldonderzoek er in archeologisch opzicht geen bezwaar tegen de voorgenomen nieuwbouw van een woning in het plangebied bestaat. Er hoeven daarmee, ten behoeve van de archeologische monumentenzorg (AMZ), geen aanvullende maatregelen te worden genomen. Op het moment dat tijdens graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Ridderkerk). In artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet staat namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
 
4.6 Cultuurhistorie
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.
 
Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
 
Planspecifiek
In de gemeente Ridderkerk staan verschillende rijks- en gemeentelijke monumenten. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Het dichtstbij gelegen gemeentelijk monument ligt op ruim 250 m afstand van het plangebied. Met deze afstand en de aard en schaal van de ontwikkeling kan worden geconcludeerd dat de monumentale waarden niet worden aangetast. Voorts is de woning passend in maat en schaal binnen de omgeving.
 
4.7 Verkeer en parkeren
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur in en rondom het plangebied.
 
Planspecifiek
Ten opzichte van de huidige situatie neemt het aantal woningen binnen het plangebied (=1) niet toe. De ontwikkeling heeft dan ook geen noemenswaardige verkeerstoename tot gevolg. Parkeren zal geheel op eigen terrein plaatsvinden. Op het perceel is hier voldoende ruimte voor. Ook wordt er een garage onder de woning gerealiseerd. De ontwikkeling leidt hiermee niet tot een toename van de parkeerdruk in de omgeving.
 
De woning wordt via de bestaande in- en uitrit richting de woningen nrs. 195/197/199 op de Middenmolendijk ontsloten, welke in verbinding staat met de Hugo de Grootlaan.
 
5 Juridische planbeschrijving
Dit wijzigingsplan maakt na vaststelling integraal onderdeel uit van het bestemmingsplan 'Het Zand en De Gorzen'. Dit betekent dat in alle algemene bepalingen en bestemmingen die op het bestemmingsplan van toepassing zijn, zoals de begripsbepalingen, de bestemmingsbepalingen, de zonebepalingen en de overgangsbepalingen, ook voor het voorliggende plan gelden. Voor de uitleg van deze planregels en aanduidingen wordt verwezen naar het bestemmingsplan 'Het Zand en De Gorzen'.
Het plangebied is voorzien van de bestemming ‘Woongebied’. Ten behoeve van de leesbaarheid zijn enkel de voor de ontwikkeling relevante bepalingen van de bestemming 'Woongebied' uitgeschreven in dit wijzigingsplan. Tevens is een aanduiding ‘bijgebouwen’ opgenomen ter plaatse van de reeds vergunde en gerealiseerde schuur.
 
6 Uitvoerbaarheid
6.1 Economische uitvoerbaarheid
Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten, als bedoeld in artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening. De kosten zijn dankzij de overeenkomst anderszins verzekerd waardoor een exploitatieplan niet nodig is. De economische uitvoerbaarheid van het plan is zodoende verzekerd.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het ontwerpwijzigingsplan zal gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er voor belanghebbenden de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen. Na vaststelling door het college van Burgemeester en Wethouders zal het vaststellingsbesluit bekend gemaakt worden. Het wijzigingsplan ligt na bekendmaking dan 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid van beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.
 
6.2.1 Overleg
In mei 2018 heeft de initiatiefnemer de omwonenden aan de Middenmolendijk 195, 197, 203 en 207 uitgenodigd om de plannen toe te lichten. Op de bewoners van de Middenmolendijk 197 na, waren alle genodigden aanwezig. Naar aanleiding van de gepresenteerde plannen gaven de bewoners van de woning aan de Middenmolendijk 207 aan het gewenst te vinden als het nieuwe woonhuis verder richting de sloot (noordzijde) wordt gepositioneerd zodat er voor beide eigenaren meer privacy in de tuin is. Naar aanleiding van deze opmerking is de positionering van de nieuwe woning aan de Middenmolendijk 199 verder naar het noorden verschoven (circa 3,75 m verschil).
 
Voorts blijkt uit het overleg met de omwonenden dat er onduidelijkheden zijn met betrekking tot de rechten en plichten van de gezamenlijke in- en uitrit ter hoogte van de woning aan de Middenmolendijk 195. Voorgenoemde onduidelijkheid zal buiten het kader van deze ruimtelijke ontwikkeling nader worden uitgezocht en onderling afgestemd worden.
  
6.2.2 Vooroverleg
In het kader van vooroverleg is het concept-ontwerpwijzigingsplan Middenmolendijk 199 op 10 augustus 2018 naar de volgende vooroverleginstanties gestuurd:
  • DCMR Milieudienst Rijnmond;
  • Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond;
  • Waterschap Hollandse Delta;
  • Oasen;
De Provincie Zuid-Holland is geïnformeerd via het E-formulier (bijlage 5).
 
De DCMR Milieudienst Rijnmond, het Waterschap Hollandse Delta en de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond hebben van de mogelijkheid gebruik gemaakt om op het plan te reageren (bijlage 6, 7 en 8). Hieronder een korte samenvatting van hun vooroverlegreactie en onze reactie daarop.
 
DCMR Milieudienst Rijnmond
De DCMR heeft gevraagd om de toelichting van het wijzigingsplan op twee punten aan te vullen:
  1. Uit de toelichting blijkt dat er sprake is van een activiteit die is genoemd in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage. Ook als de drempelwaarde niet wordt overschreden is er sprake van een (vormvrije) m.e.r-beoordelingsplichtige activiteit. Hiervoor is een m.e.r.-beoordelingsbesluit nodig dat bij het ter visie gaan van het ontwerpwijzigingsplan bijgevoegd moet zijn. De DCMR adviseert ons daarom om een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen en deze gelijktijdig met het ontwerpwijzigingsplan te publiceren.
  2. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied te geven. Dit kan worden gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2017 (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort.
Reactie:
Omdat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject is er geen sprake van een activiteit die is genoemd in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage. Er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht. Het opstellen van een m.e.r.-beoordelingsbesluit is daarom niet noodzakelijk. De tekst in paragraaf 4.1 is ter verduidelijking aangescherpt. De gevraagde aanpassing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit is in paragraaf 4.2.3 van de toelichting verwerkt.    
 
Waterschap Hollandse Delta
Het waterschap heeft laten weten alleen belang te hebben bij de watergang aan de achterzijde van de woning. Deze watergang heeft een beschermingszone van 1 meter die vrij gehouden moet worden voor de uitvoering van onderhoud door gemeente Ridderkerk. Voor het realiseren van de woning is geen vergunning van het waterschap nodig. Verder heeft het waterschap een aantal tekstuele opmerkingen gemaakt.
 
Reactie:
De opmerkingen zijn verwerkt in paragraaf 4.3 van de toelichting.
 
Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond
De veiligheidsregio heeft laten weten geen relevante externe veiligheidsaspecten geconstateerd te hebben.
 
6.2.3 Zienswijzen
Het ontwerpwijzigingsplan en de ontwerp-omgevingsvergunning Middenmolendijk 199 hebben vanaf 31 januari 2019 tot en met 13 maart 2019 ter inzage gelegen. Dit is bekend gemaakt met een publicatie in de Staatscourant, de Blauwkai en op onze website op 30 januari 2019. Iedereen kon de stukken tijdens die periode bekijken en er op reageren (zienswijze indienen).
Van die mogelijkheid hebben twee personen gebruik gemaakt, namelijk:
  • Bewoner Middenmolendijk 197 op 9 maart 2019 (ontvangen op 11 maart 2019)
  • Bewoners Middenmolendijk 207 op 9 maart 2019 (ontvangen op 11 maart 2019)
Een samenvatting van deze zienswijzen en de gemeentelijke beantwoording per zienswijze staat in de nota Zienswijzen. Deze nota is als bijlage 9 toegevoegd aan dit wijzigingsplan (zie bijlagen bij toelichting).