Type plan: wijzigingsplan
Naam van het plan: Middenmolendijk 199
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0597.WPZAND2018MMD199-VG01

Regels

1 Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen
De regels en begrippen die deel uitmaken van het bestemmingsplan 'Het Zand en De Gorzen' zijn op dit wijzigingsplan van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien in het geldende bestemmingsplan verwezen wordt naar de verbeelding, de bij het wijzigingsplan behorende verbeelding wordt bedoeld, en met dien verstande dat wordt verstaan onder:
 
1.1 bestemmingsplan
het bestemmingsplan 'Het Zand en De Gorzen' met identificatienummer NL.IMRO.0597.BPZANDENGORZ-VG01 zoals vastgesteld door de raad van de gemeente Ridderkerk op 28 november 2013;
 
1.2 wijzigingsplan
het wijzigingsplan Middenmolendijk 199 van de Gemeente Ridderkerk, met identificatienummer NL.IMRO.0597.WPZAND2018MMD199-VG01;
 
Artikel 2 Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt gemeten conform de regels in artikel 2 van het bestemmingsplan 'Het Zand en De Gorzen'.
 
2 Bestemmingsregels
 
Artikel 3 Woongebied
   
3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. het wonen met aan-huis-gebonden beroepen en aan-huis-gebonden bedrijven;
  2. verkeer- en verblijfsfuncties;
  3. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, groen en water.
3.2 Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:
 
3.2.1 Algemeen
  1. er mogen uitsluitend grondgebonden woningen worden gebouwd, tenzij anders aangegeven;
  2. de goot- en bouwhoogtes van hoofdgebouwen bedragen ten hoogste:  
bouwtypegoothoogtebouwhoogte
2 bouwlagen met kap6,5 m11 m
3 bouwlagen 9 m
  1. voorgevels van hoofdgebouwen worden ten minste op 3 m afstand gebouwd tot de perceelsgrens die is gericht naar de openbare weg;
  2. als eenmaal een hoofdgebouw is gerealiseerd, mogen - in afwijking van het bepaalde in lid 3.2.2 - de maten van dat hoofdgebouw niet worden vergroot.
3.2.2 sba-1 (nieuwe dijkwoningen)
In aanvulling en/of afwijking op het bepaalde in lid 3.2.1 gelden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' de volgende regels:
  1. het aantal hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan door middel van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven;
  2. de goot- en bouwhoogtes van hoofdgebouwen bedragen ten hoogste:
indien het hoofdgebouw wordt gebouwdgoothoogtebouwhoogte
vanaf de kruin tot de voet van de dijk3 m6 m
vanaf de voet tot 5 m vanaf de voet van de dijk6 m10 m
vanaf 5 m vanaf de voet van de dijk en verder4 m9 m
  1. de afstand van hoofdgebouwen tot de perceelsgrens dient ten minste 3 m te bedragen;
  2. de maximale breedte van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste:
perceelbreedtetot 16 m16 m of meer
maximale breedte voorgevel8 m11 m
  1. indien de breedte van de voorgevel meer dan 6 m bedraagt dient een geleding van het hoofdgebouw te worden gerealiseerd door het verspringen van de voorgevel of de nokrichting;
  2. de auto-ontsluiting vindt plaats via de Middenmolendijk.
3.2.3 Aan- en uitbouwen, overkappingen en bijgebouwen
In aanvulling op het bepaalde in lid 3.2.1 en lid 3.2.2 gelden voor aan- en uitbouwen, overkappingen en bijgebouwen bij grondgebonden woningen de volgende regels: 
  1. aan- en uitbouwen, overkappingen en bijgebouwen worden op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw gebouwd, met uitzondering van erkers;
  2. in afwijking van het bepaalde onder a, zijn bijgebouwen toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen';  
  3. de diepte van aan- en uitbouwen, gemeten vanaf de achtergevel van het hoofdgebouw, bedraagt:
    1. bij vrijstaande woningen: ten hoogste 5 m;
    2. bij overige woningen: ten hoogste 3 m;
  4. het gezamenlijk oppervlak van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste:
    1. 50% van de bij het hoofdgebouw behorende zij- en/of achtererf, met een maximum van 50 m², met dien verstande dat een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 25 m² van het zij- en achtererf onbebouwd en onoverdekt dient te blijven;
    2. 65 m², indien de oppervlakte van het bij het hoofdgebouw behorende zij- en achtererf ten minste 200 m² en ten hoogste 250 m² bedraagt;
    3. 75 m², indien de oppervlakte van het bij het hoofdgebouw behorende zij- en achtererf meer dan 250 m² en ten hoogste 500 m² bedraagt;
    4. 100 m², indien de oppervlakte van het bij het hoofdgebouw behorende zij- en achtererf meer dan 500 m² bedraagt;
  5. de goothoogte van aan- en uitbouwen bedraagt ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,3 m, met een maximum van 4 m;
  6. de goothoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m;
  7. de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 4 m;
  8. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 3 m.
3.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde
  1. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m;
  2. de bouwhoogte van erfafscheidingen achter de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 2 m;
  3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
3.3 Specifieke gebruiksregels
  1. onder strijdig gebruik wordt niet verstaan het gebruik van gedeelten van woningen en/of bijgebouwen voor kantoor- en/of praktijkruimte ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en aan-huis-gebonden bedrijven, voor zover:
    1. de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd wordt;
    2. het vloeroppervlak in gebruik voor kantoor- en/of praktijkruimte niet groter is dan 30% van het vloeroppervlak van hoofdgebouwen en erfbebouwing, met een maximum van 70 m²;
    3. ten behoeve van de kantoor- en/of praktijkruimte wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid;
    4. het gebruik van deze gronden voor woningen is uitsluitend toegestaan indien binnen de bestemming aan de parkeernorm wordt voldaan van:
      1. voor de nieuwe grondgebonden woningen 1,95 parkeerplaats per woning;
      2. voor appartementen 1,7 parkeerplaats per woning;
    5. het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer;
    6. geen horeca en geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte verkoop ondergeschikt aan de uitoefening van toegestane aan-huis-gebonden beroepen;
    7. het beroep of de activiteit door de bewoner wordt uitgeoefend.
    8. de woonfunctie alleen is toegestaan indien voldaan wordt aan het Besluit hogere waarde.
  2. met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken geldt dat de handel in en opslag van consumentenvuurwerk, softdrugs en hallucinogene middelen niet is toegestaan.
3.4 Afwijken van de gebruiksregels
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 voor het gebruik van een aan- of bijgebouw of een gedeelte van een woning als afhankelijke woonruimte (inwoning), met dien verstande, dat: 
  1. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit het oogpunt van mantelzorg;
  2. op het perceel een woning aanwezig dient te zijn;
  3. per woning maximaal één omgevingsvergunning ten behoeve van inwoning voor mantelzorg mag worden verleend;
  4. inwoning in beginsel dient plaats te vinden bij, in of direct aansluitend aan de woning, waarbij de afhankelijke woonruimte een onderlinge verbinding met de woning dient te hebben;
  5. ten behoeve van de inwoning geen aparte aansluiting op de nutsvoorzieningen mag worden aangelegd. Er dient gebruikgemaakt te worden van de bestaande aansluiting;
  6. maximaal 80 m² van hoofdgebouw en/of bijgebouwen mag worden gebruikt ten behoeve van de inwoning;
  7. geen eigen in-/uitrit mag worden aangelegd voor de afhankelijke woonruimte;
  8. indien de bij het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is, de houder van de omgevingsvergunning burgemeester en wethouders daarvan binnen drie maanden schriftelijk in kennis stelt.
Artikel 4 Waarde - Archeologie
Op de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn de regels van artikel 17 'Waarde - Archeologie' van het bestemmingsplan 'Het Zand en De Gorzen', voor zover relevant, van toepassing.
 
3 Algemene regels
Op dit wijzigingsplan zijn de algemene regels uit hoofdstuk 3 van het bestemmingsplan 'Het Zand en De Gorzen', voor zover relevant, van toepassing.
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 5 Overgangsrecht
Op dit wijzigingsplan zijn de overgangsregels uit artikel 27 van het bestemmingsplan 'Het Zand en De Gorzen', voor zover relevant, van toepassing.
 
Artikel 6 Slotregel
Deze regels worden aangehaald als:
Regels van wijzigingsplan Middenmolendijk 199 van de Gemeente Ridderkerk.