| Plan: | Anjerstraat / Bloemenstraat |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0597.BPOOST2018AnjeBloe-VG01 |
Het planvoornemen is om op de hoek van de Anjerstraat en Bloemenstraat een kleinschalige woonzorgvoorziening voor dementerende ouderen te ontwikkelen. Hiertoe wordt in een deel van het plangebied een woonzorgcomplex gerealiseerd. De rest van het plangebied blijft in gebruik als park.
Het plangebied ligt binnen het vigerende bestemmingsplan Ridderkerk West (vastgesteld 9 september 2008). Het complex is gesitueerd binnen het bouwvlak maar de beoogde goothoogte bedraagt meer dan de toegestane hoogte. Derhalve wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld om de ontwikkeling planologisch mogelijk te maken.
Het plangebied ligt op de hoek van de Anjerstraat en Bloemenstraat te Ridderkerk (ter hoogte van Anjerstraat 63), ten westen van het centrum van Ridderkerk. In onderstaande afbeelding is de ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.
Het plangebied grenst aan de noordoost- en oostzijde aan de Anjerstraat en aan de zuidkant aan de Bloemenstraat. Langs de west- en noordgrens van het plangebied loopt een watergang met daaraan grenzend woningen.
Afbeelding begrenzing en ligging plangebied
Het plangebied ligt binnen het vigerende bestemmingsplan Ridderkerk-West, vastgesteld 9 september 2008. Het plangebied is bestemd als 'Maatschappelijke doeleinden' en 'Groenvoorzieningen'. Binnen de bestemming 'Maatschappelijke doeleinden' zijn maatschappelijke voorzieningen toegestaan. De goothoogte van gebouwen mag maximaal 4 meter bedragen. Het planvoornemen past binnen de bestemmingsomschrijving maatschappelijke voorzieningen. Echter de goothoogte van de nieuwe bebouwing bedraagt meer dan 4 meter. Derhalve is sprake van strijdigheid met de bouwregels van de bestemming 'Maatschappelijk'.
De gronden met de bestemming 'Groenvoorzieningen' zijn bestemd voor beplantingen, geluidwerende voorzieningen, speelvoorzieningen en in samenhang daarmee voor voet- en fietspaden, voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling en voor bermen. Voor het park wordt in voorliggend bestemmingsplan de bestemming 'Groen' opgenomen.
Afbeelding uitsnede vigerend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied is een zone met een archeologische dubbelbestemming weergegeven (Archeologisch Waardevol Gebied). Op basis van artikel 29 van het bestemmingsplan geldt een onderzoeksverplichting wanneer het bouwplan voorziet in bodemingrepen met;
Ter plaatse van het plangebied is archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie hiervoor paragraaf 4.8.
In hoofdstuk 2 wordt het planvoornemen toegelicht. In hoofdstuk 3 wordt het relevante beleid behandeld. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de onderzoeken en beoordelingen van verscheidene milieuaspecten toegelicht. In hoofdstuk 5 wordt de uitvoerbaarheid van het plan beschreven. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de juridische planbeschrijving toegelicht.
Bebouwing
In de bestaande situatie bestaat het plangebied grotendeels uit park. Er stonden 2 gebouwen in het plangebied, welk gebruikt werden ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen. Beide gebouwen zijn gesloopt.
Afbeelding bestaande situatie plangebied
Structuren
Ligging achter de Lagendijk
De Lagendijk is een historische lintstructuur die loopt vanuit het buitengebied tot aan het centrum van Ridderkerk. Het is een lange cultuurhistorisch-waardevolle structuurlijn die duidelijk herkenbaar is aan de kleinschalige korrel van individuele gebouwen. Daarnaast is het gebied achter de dijk nog duidelijk herkenbaar in het stedelijk weefsel van Ridderkerk. Zowel aan de noord- als zuidzijde van de dijk bevindt zich achter de lintbebouwing ruimte en groen. De latere wijken/bebouwing hebben hier afstand gehouden. Dit versterkt de cultuurhistorische waarde van de Lagendijk.
Het plangebied ligt ook in deze zone achter de lintbebouwing. Het is dus van belang dat met de nieuwe ontwikkeling het groene en ruimtelijke karakter van deze locatie behouden blijft. Dit wordt toegelicht in de navolgende paragraaf.
Water en groen
Langs de west- en noordkant van het plangebied loopt een watergang. In het park zijn 2 speeltuinen aanwezig, 1 aan de zijde van de Bloemenstraat en 1 aan de noordoostkant van het park. Het plangebied is de belangrijkste groenvoorziening voor de aangrenzende woonbuurt. Het is onderdeel van de groen/blauwe rand die rond de buurt loopt. In dit deel van Ridderkerk-Oost bevindt zich relatief weinig groen en bevinden zich ook relatief weinig bomen. Daarbij komt dat, door de nabijheid van de A16, de luchtkwaliteit in deze buurt minder is. De aanwezigheid van groen en bomen is van belang.
Het planvoornemen betreft de realisatie van een woonzorgcomplex aan de zuidkant van het plangebied. Voor de uitgebreide planbeschrijving wordt verwezen naar Bijlage 1.
Planvoornemen woonzorgcomplex
Voor het planvoornemen van het woonzorgcomplex is een gebiedsanalyse gemaakt, aan de hand daarvan is een visie opgesteld. De voorkeursvariant van de visie wordt hieronder toegelicht.
Het schetsontwerp betreft de realisatie van een woonzorgcomplex bestaande uit een woonzorgcomplex met bijbehorende tuin.
Het woonzorgcomplex wordt ontwikkeld voor het kunnen aanbieden van wonen in combinatie met zorg voor dementerende ouderen. Direct aangrenzend aan het nieuwe gebouw komt een afgesloten tuin voor bewoners. Rondom het gehele complex worden nieuwe paden aangelegd in het park.
Afbeelding schetsontwerp woonzorgcomplex
Het gebouw bestaat uit 21 studio's/woonunits verdeeld over twee bouwlagen met kap. Voor het gebouw is in overleg met omwonenden gekozen voor onderstaande optie als detailuitwerking.
Afbeelding impressie gevelaanzichten gebouw woonzorgcomplex
Verkeer en parkeren
De ontsluiting van het woonzorgcomplex vindt plaats via de Bloemenstraat en vervolgens via de Lagendijk. In het plangebied worden paden aangelegd van en naar het complex en door het park. Het complex zelf is per auto alleen toegankelijk voor bestemmingsverkeer. Aan de oostzijde van het plangebied worden tenminste 11 parkeerplaatsen aangelegd. Er worden geen parkeerplaatsen direct bij het nieuwe gebouw gerealiseerd. Het aspect verkeer en parkeren wordt nader toegelicht in paragraaf 4.6.
Groen
Het bestaande groen en de bestaande volwassen bomen bepalen voor een groot deel de huidige kwaliteiten van de locatie maar zijn tevens bepalend voor de ontwikkelingsmogelijkheden. De solitaire bomen, met name essen, zijn kwalitatief goed. Bij het ontwerp van de nieuwe bebouwing is rekening gehouden met een zo goed mogelijke inpassing binnen het bestaande groen. Het streven is om de speeltuin op de hoek Bloemenstraat - Anjerstraat te vernieuwen. Ter plaatse van de speeltuin is in voorliggend bestemmingsplan de aanduiding 'speelvoorziening' opgenomen.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructurele beleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening. De 3 hoofddoelen van de structuurvisie zijn:
Specifiek beleid ten aanzien van het planvoornemen is niet opgenomen, derhalve wordt de structuurvisie niet nader toegelicht.
Het Barro bevat inhoudelijke regels van de rijksoverheid waaraan ruimtelijke plannen, zoals dit bestemmingsplan, moeten voldoen. Het Barro bevat regels over Project Mainportontwikkeling Rotterdam (Maasvlakte II), Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie (militaire terreinen, munitie, militaire luchtvaart), Erfgoed (Unesco).
Het plangebied ligt niet binnen een invloedssfeer van het Barro.
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de zogenoemde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. De kernbepaling van de laddersystematiek luidt als volgt;
De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.
Voor de onderbouwing van de ladder, zie subparagraaf 3.1.4.
In het Besluit ruimtelijke ordening en in de provinciale verordening is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. In deze subparagraaf wordt het planvoornemen getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Bestaand stedelijk gebied
Het plangebied ligt binnen bestaand stedelijk gebied. Een uitgebreide motivering van de ladder is niet benodigd. In de gebiedsanalyse (zie Bijlage 1) is de geschiktheid van de locatie en de zorgvuldige inpassing in het groene park toegelicht. Het planvoornemen voorziet in een benutting van vrijkomende gronden met een maatschappelijke functie.
Behoefte
Uit de beschrijving van het gemeentelijk beleid (paragraaf 3.2) en uit de gebiedsanalyse (zie Bijlage 1) volgt dat er behoefte is aan woonvormen, al of niet in combinatie met zorg. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van een woonzorgcomplex, waar wonen met zorg gecombineerd kan worden, specifiek in de behoefte van een zorgorganisatie om een nieuw woonzorgcomplex voor dementerende ouderen tot stand te brengen in Ridderkerk.
Op 9 juli 2014 is de visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) vastgesteld (geconsolideerd per 29 juni 2018). Deze visie bevat vier 'rode draden';
Beter benutten en opwaarderen van wat er is
Het plangebied ligt binnen een gebied dat is aangewezen als zijnde bebouwde ruimte. Het beter benutten van deze ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. De Provincie zet in op het zoveel mogelijk concentreren van nieuwbouw binnen de bebouwde ruimte. De Provincie wil op verschillende manieren bijdragen aan het beter benutten van de bebouwde ruimte. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening hanteren gemeenten de ladder voor duurzame verstedelijking om de keuze voor en situering van nieuwe woon- en werklocaties te verantwoorden.
Daarbij spelen ook kwalitatieve aspecten mee; Deze elementen zijn er vooral op gericht de leefkwaliteit van de inwoners te beschermen of zo nodig te versterken;
Het plangebied ligt deels binnen de aangewezen stedelijke groenstructuur.
In de stedelijke groen- en waterstructuur komen diverse doelen en opgaven bijeen, die een (boven)regionale component hebben en daarmee ook van provinciaal belang zijn. De primaire verantwoordelijkheid voor de stedelijke groen- en waterstructuur ligt in de meeste gevallen bij de gemeente en/of het waterschap. Om die reden worden in de Visie ruimte en mobiliteit wel de provinciale belangen met betrekking tot deze structuur benoemd, maar is de structuur zelf indicatief op kaart weergegeven.
In de planbeschrijving (zie ook Hoofdstuk 2 en Bijlage 1) is toegelicht dat het nieuwe gebouw zorgvuldig is ingepast in het aanwezige groen. Daarnaast wordt het groene karakter voor het woonzorgcomplex versterkt door de aanleg van een tuin rondom het complex. Het groen in het park wordt opgeknapt waarmee de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied en de stedelijke groenstructuur worden verbeterd en versterkt.
De provinciale ladder wordt in de volgende subparagraaf toegelicht.
De geactualiseerde versie van de Provinciale Verordening ruimte is vastgesteld door de Provinciale Staten op 12 maart 2014 (geconsolideerde versie per 29 juni 2018).
In de Verordening ruimte is de provinciale Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 2.1.1. In dit artikel is opgenomen dat als een bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, deze moet voldoen aan de volgende eisen:
In subparagraaf 3.1.4 is de onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen
Artikel 2.2.1 Ruimtelijke kwaliteit
Lid 1 Ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen
Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling (nieuwe bebouwing of nieuw gebruik van bebouwing of grond), onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:
De ruimtelijke ontwikkeling van het woonzorgcomplex is passend binnen de bestaande gebiedsidentiteit. In het plangebied stonden 2 gebouwen met een maatschappelijke functie. Het realiseren van een nieuw gebouw met een woonzorg functie (maatschappelijke functies) is daarmee passend op de locatie. Daarnaast is het gebouw zorgvuldig ingepast in de groene omgeving van het park. In de omgeving van het plangebied komen verschillende functies voor, waaronder maatschappelijke functies en wonen. Het realiseren van een woonzorgcomplex op de locatie past daarmee in de omgeving.
Het provinciaal beleid levert geen belemmeringen op.
De (provinciale) Ladder voor duurzame verstedelijking is onderbouwd in subparagraaf 3.1.4. Ook is het aspect ruimtelijke kwaliteit in relatie tot de nieuwe ontwikkeling toegelicht. Daaruit volgt dat het realiseren van een nieuw gebouw met een maatschappelijke functie passend is op de locatie.
De gemeente Ridderkerk heeft de kaders van het gemeentelijk beleid tot 2035 vastgelegd in een Omgevingsvisie, vastgesteld in 2017. Deze visie geeft richting aan toekomstige ontwikkelingen en laat ruimte voor initiatieven vanuit de Ridderkerkse samenleving. De visie is de basis voor alle (gemeentelijke) plannen.
Nederland vergrijst en ook Ridderkerk volgt deze landelijke trend. Het aandeel van de bevolking ouder dan zestig jaar is in Ridderkerk bovengemiddeld (CBS, 2016). Ouderen blijven zo lang mogelijk zelfstandig thuis wonen.
Meer dan voorheen zullen met name oudere mensen een beroep doen op verschillende vormen van zorg, zoals thuiszorg of verpleeghuizen, huisartsen en fysiotherapeuten. In de visie is opgenomen als beleidsuitgangspunt ''Aandacht vragen voor diversiteit aan woonvormen bij' nieuwe ontwikkelingen''.
De ontwikkeling van het woonzorgcomplex sluit aan bij de visie om dementerende ouderen passende zorg en een daarbij behorende woonvorm te bieden.
In januari 2016 is het Integraal accommodatie plan (IAP) door de gemeente Ridderkerk vastgesteld. In dit plan is beschreven dat het gemeentelijk vastgoed Anjerstraat 4 wordt gesloopt en dat een gebiedsvisie voor de locatie gemaakt moet worden aangaande de herontwikkeling van de locatie. Het project is opgenomen in het uitvoeringsprogramma van het IAP (project nr. 31) als zijnde uitvoering van het IAP. De reeds opgestelde gebiedsvisie (zie Bijlage 1) wordt planologisch mogelijk gemaakt met voorliggend bestemmingsplan.
In april 2012 is het bomenplan Ridderkerk opgesteld. De Lagendijk maakt deel uit de bomenstructuur (structuur dijk / oude weg). De wegen direct aangrenzend aan het plangebied maken geen deel uit van de boomstructuur.
In het bomenplan is opgenomen dat bomen met een goede toekomstverwachting waardevol zijn en behouden dienen te worden. De bestaande bomen in het plangebied, en daarmee ook de toekomstverwachting, zijn in de gebiedsanalyse in beeld gebracht. In het ontwerp van het gebouw is rekening gehouden met een zorgvuldige inpassing in het park met daarbij ook behoud van ten minste de toekomstwaardevolle bomen.
In het Milieu- en Duurzaamheidsprogramma van de gemeente Ridderkerk is als doel gesteld om 40% CO2 te reduceren in 2030 ten opzichte van 1990. Dit kan bereikt worden door energieprestatieverbeteringen, efficiëntere en zuinigere energieverbruik en door het verduurzamen van woningen en gebouwen. Belangrijke rode draden in de projecten om deze doelstellingen te bereiken zijn: energiebesparing, duurzame nieuwbouw, duurzame energieopwekking, mobiliteit en vervoer en de samenwerking met ketenpartners.
Het nieuwe gebouw wordt zo duurzaam en energie-efficiënt mogelijk ontworpen. Het gebouw wordt in elk geval zonder gasaansluiting gerealiseerd.
Het planvoornemen is passend binnen het rijksbeleid, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of er ter plaatse van gevoelige functies, zoals wonen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast.
De richtafstanden zijn afhankelijk van het omgevingstype waarbinnen de milieugevoelige bestemming ligt. De VNG-handreiking gaat uit van de omgevingstypes rustige woonwijk/rustig buitengebied of gemengd gebied.
Beoordeling
Voor de beoordeling of er wordt voldaan aan de richtafstand is uitgegaan van het omgevingstype rustige woonwijk. Er is gemeten vanaf de grens van het bouwvlak tot aan de grens van het bestemmingsvlak van de milieubelastende functie.
Het gebouw aan de Anjerstraat 2 is bestemd met 'Maatschappelijk', dit betreft geen milieubelastende functie. Derhalve zijn deze gronden buiten de beoordeling gelaten.
In onderstaande tabel zijn de milieubelastende bedrijven in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Ter plaatse van bijna alle bedrijven wordt voldaan aan de richtafstand uitgezonderd het bedrijf aan de Lagendijk 219. Er wordt niet voldaan aan de richtafstand van 30 meter (werkelijke afstand is 30 meter). In geval er niet wordt voldaan aan de richtafstand moet nader worden gemotiveerd waarom er wel sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In de huidige situatie moet het bedrijf, op grond van het Activiteitenbesluit, al voldoende afstand aanhouden tot de maatschappelijke bestemming van het plangebied en de woningen langs de Lagendijk. Ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan is de bestemming 'Maatschappelijk' op een grotere afstand komen te liggen van het bedrijf. Daarom wordt gesteld dat er geen sprake is van een belemmering van het functioneren van de bedrijfsvoering, danwel van invloed is op het nieuwe woonzorgcomplex.
| Functie | Adres | Milieucategorie | Richtafstand | Werkelijke afstand | |||
| Bedrijf | Lagendijk 219 | 2 | 30 meter | 28 meter | |||
| Bedrijf | Oudelandseweg 59 | 2 | 30 meter | 88 meter | |||
| Bedrijf | Lagendijk 130 | 2 | 30 meter | 70 meter | |||
| Begraafplaats | Lagendijk 114 | 1 | 10 meter | 109 meter | |||
Tabel functies met bijbehorende milieucategorie, omgeving van het plangebied
Conclusie
Het plangebied ligt op voldoende afstand van bijna alle milieubelastende functies in de omgeving van het plangebied, uitgezonderd het bedrijf aan de Lagendijk 219. Bovenstaand is toegelicht dat dit bedrijf geen belemmering vormt voor de realisatie van het woonzorgcomplex.
In de huidige situatie moet het bedrijf, op grond van het Activiteitenbesluit, al voldoende afstand aanhouden tot de maatschappelijke bestemming van het plangebied en de woningen langs de Lagendijk. Ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan is de bestemming 'Maatschappelijk' op een grotere afstand komen te liggen van het bedrijf. Daarom wordt gesteld dat er geen sprake is van een belemmering van het functioneren van de bedrijfsvoering, danwel van invloed is op het nieuwe woonzorgcomplex.
Het aspect bedrijven-en milieuzonering levert geen belemmeringen op voor het bestemmingsplan.
Voor het milieuaspect externe veiligheid zijn een aantal bronnen van belang, namelijk het vervoer van gevaarlijke stoffen via de weg, het spoor of het water, het transport door ondergrondse leidingen en de opslag van gevaarlijke stoffen. Het Externe veiligheidsbeleid heeft betrekking op het gebruik, productie, opslag en transport van gevaarlijke stoffen. De overheid stelt grenzen aan de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen. Die grenzen zijn vertaald in een norm voor het plaatsgebonden risico (PR), een oriëntatiewaarde en verantwoordingsplicht voor het groepsrisico (GR).
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Er worden in dit kader twee normstellingen gehanteerd, te weten:
Beoordeling
Aan de hand van de risicokaart is beoordeeld welke risicobronnen in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Er zijn 2 risicobronnen aanwezig te weten;
Afbeelding uitsnede risicokaart
Buisleiding
Ten noorden en ten oosten van het plangebied ligt een buisleiding van de Gasunie. Deze leiding heeft geen risicocontouren en levert derhalve geen belemmeringen op voor het planvoornemen.
A15
De A15 ligt ten westen van het plangebied en kent een plaatsgebonden risicocontour van 66 meter en een groepsrisico contour van 0 meter. Ook is een plasbrandaandachtsgebied (contour 30 meter, gemeten vanaf buitenste kantstrepen weg) aanwezig. Het plangebied ligt op een afstand van 137 meter en buiten de risicocontouren van de A15. Daarmee wordt gesteld dat deze weg geen belemmering is voor de realisatie van het planvoornemen.
Conclusie
Het aspect externe veiligheid staat een uitvoering van het plan niet in de weg.
Voor het bestemmingsplan is het aspect luchtkwaliteit beoordeeld. Het effect van en op de uitstoot van vervuilende stoffen door wegverkeer moet worden beschouwd. Voor het plan(gebied) dient te worden aangetoond dat het voldoet aan de wettelijke normen voor de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
Onderzoek
Om inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van het plan zijn de concentraties uit de digitale monitoringstool, die behoort bij het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) bekeken. Uit de monitoringstool (2017) blijkt dat de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) ter plaatse van de dichtstbij gelegen doorgaande wegen, de Lagendijk, Bloemenstraat en Burgemeester de Zeeuwstraat, nergens meer bedragen dan grenswaarden 40 ug/m3 (grenswaarde NO2 en PM10). De concentratie NO2 bedraagt maximaal 32,7 ug/m3 en concentratie PM10 bedraagt maximaal 20,1 ug/m3. De fijnstof (PM2,5) concentraties zijn nergens hoger dan 12,2 ug/m3 (2016) (grenswaarde 25 ug/m3). Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog lager is.
De verkeersgeneratie neemt ten gevolge van het plan niet significant toe. Voor de verkeersgeneratie is uitgegaan van 52 verkeersbewegingen. Met behulp van de NIBM-tool van het Kenniscentrum Infomil is op globale wijze beoordeeld of er hiermee sprake is van een al dan niet in betekenende mate bijdrage van het plan aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het resultaat van deze (worst case) berekening met de tool geeft aan dat het plan hiermee niet in betekenende mate bijdraagt.
Afbeelding uitsnede resultaten NIBM tool
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een onderzoek luchtkwaliteit is niet nodig. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor het bestemmingsplan.
Daarnaast is in het kader van een goede ruimtelijke ordening ter plaatse van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2 (stikstofdioxide), PM10 (fijnstof) en PM2,5 beoordeeld. Deze waarden zijn lager dan de gestelde grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit. Vanwege de algemene trend dat de emissies en achtergrondconcentraties zullen dalen worden er ook in de toekomst geen overschrijdingen verwacht.
Buro DB heeft een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 3 bijgevoegd. Het nieuwe woonzorgcomplex ondervindt een geluidsbelasting van de omliggende wegen:
De rijksweg A15 is een bestaande weg die ligt buiten het stedelijke gebied. Bij de toetsing van het geluid van deze weg moet worden uitgegaan van een buitenstedelijke situatie. Bij de toetsing van het geluid van alle overige wegen moet worden uitgegaan van een binnenstedelijke situatie. In alle gevallen geldt 48 dB als de voorkeursgrenswaarde voor de nieuw te realiseren woningen (artikel 82 lid 1 Wgh).
Wanneer deze norm wordt overschreden dan dient eerst nader onderzoek plaats te vinden naar de mogelijkheden voor het toepassen van geluidsbeperkende maatregelen.
Voor de 30 km/uur-wegen, waarbij de geluidsbelasting niet wordt getoetst aan wettelijke normen, wordt onderzocht en beoordeeld of de te verwachten geluidsbelasting voldoet aan de voorwaarden voor een goede ruimtelijke ordening. Bij de beoordeling daarvan is in dit onderzoek aangesloten op de geluidsclassificatie volgens de methode Miedema.
Bij het uitvoeren van de geluidsberekeningen is aan alle zijden van het bouwvlak uitgegaan van de toetshoogtes van 1,5 en 4,5 meter boven het maaiveld. Deze hoogtes zijn representatief voor respectievelijk de begane grond en eerste verdieping van het nieuwe gebouw.
Afbeelding situering toetspunten op de woningen van het plan
A15
Uit de berekeningsresultaten volgt dat de te verwachten geluidsbelasting bij de toetspunten 01, 02, 03 en 07 hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. De hoogst berekende geluidsbelasting is 53 dB bij toetspunt 01. Daarmee wordt de maximale ontheffingswaarde niet overschreden maar wel geëvenaard.
Tabel geluidsbelasting t.g.v. de rijksweg A15, inclusief correctie artikel 110g Wgh
Lagendijk
De geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de Lagendijk bedraagt maximaal 46 dB. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. Nader onderzoek naar de toepassing van geluidsbeperkende maatregelen is voor deze situatie niet nodig.
Burgemeester de Zeeuwstraat
De geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de Burgemeester de Zeeuwstraat is in geen geval hoger dan 30 dB. Aan de voorkeursgrenswaarde wordt ruim voldaan. Nader onderzoek naar de toepassing van geluidsbeperkende maatregelen is voor deze situatie niet nodig.
30 km/uur-wegen
De (ongecorrigeerde en totale) geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de aanwezige 30 km/uur-wegen bedraagt maximaal 51 dB. De geluidsbelasting van deze wegen valt daarmee in de MKM-milieuklasse 'goed' en voor één punt in de klasse 'redelijk'.
In alle gevallen wordt voldaan aan de grenswaarde van 55 dB. Daarmee kan gesteld worden dat de geluidsbelasting van de 30 km/uur-wegen rondom het plangebied voldoet aan de randvoorwaarden voor een goede ruimtelijke ordening. De geluidsbelasting is acceptabel en vanuit het aspect geluid is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Voor de realisatie van het plan is het onderzoeken c.q. treffen van geluidsbeperkende maatregelen voor deze situatie dan ook niet nodig.
Conclusie
Uit het onderzoek volgt dat alleen de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de rijksweg A15 de geldende geluidsnorm overschrijdt. De geluidsbelasting ten gevolge van de overige wegen voldoet wel aan de norm.
De maximale grenswaarde (ontheffingswaarde) van de rijksweg A15 wordt niet overschreden maar wel geëvenaard. De beschouwing van mogelijke geluidsbeperkende maatregelen (zie ook paragraaf 4.5 in Bijlage 3) wijst uit dat geluidsreducerend asfalt op de weg en geluidsafscherming langs de weg reeds aanwezig is. Het toevoegen van geluidsbeperkende maatregelen voor dit plan is niet doelmatig en/of realistisch. Ook het plaatsen van geluidsafscherming nabij de nieuwbouw is vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk en doelmatig.
Het toepassen van dove gevels in het plan biedt ook geen oplossing. Er wordt voor het plan ontheffing aangevraagd voor een hogere grenswaarde voor het geluid van de rijksweg A15 tot een waarde van 53 dB.
De ontheffing voor een hogere grenswaarde voor het geluid van de rijksweg A15 wordt verleend waardoor het plan vanuit het aspect wegverkeerslawaai kan worden gerealiseerd.
Inventerra heeft een verkennend (asbest) bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 4 bijgesloten.
Onderzoek
De tijdens het vooronderzoek verzamelde informatie geeft aanwijzingen voor de aanwezigheid van (voormalige) bodembedreigende activiteiten op de onderzoekslocatie, namelijk een slootdemping. Omdat niet bekend waarmee de sloot in de jaren ’60 is gedempt, is de demping verdacht voor een bodemverontreiniging. Voor het overige is de locatie niet verdacht voor een bodemverontreiniging.
Op basis van bovenstaande hypothese is de locatie onderzocht conform de onderzoeksstrategie voor een ‘onverdachte, niet-lijnvormige locatie’ (ONV-NL, NEN 5740).
Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem, namelijk verdacht voor een verontreiniging met onder andere zware metalen en PAK in het tracé van een slootdemping. Als gevolg van een bijmenging met ondefinieerbaar puin in de bodem (aangetroffen tijdens de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek) is de locatie tevens verdacht voor een verontreiniging met asbest.
Conclusie
Op grond van de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken wordt het volgende geconcludeerd:
Verkennend bodemonderzoek NEN 5740
Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek is de hypothese ‘onverdacht voor verontreiniging’ niet bevestigd, vanwege de aangetoonde licht verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK in de grond. De tijdens het onderzoek aangetoonde verhoogde gehalten in de grond zijn zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. De verhoogde concentratie barium in het grondwater wordt beschouwd als een natuurlijk verhoogde achtergrondconcentratie, waarvoor eveneens geen aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt wordt het terrein geschikt geacht voor de huidige en de toekomstige bestemming.
Verkennend asbestonderzoek NEN 5707
In de opgeboorde en opgegraven puinhoudende grond is visueel en analytisch geen asbest aangetoond. De verdenking op een verontreiniging met asbest is daarmee opgeheven.
Conclusie vanuit milieuhygiënisch oogpunt wordt het terrein geschikt geacht voor de huidige en de toekomstige bestemming. Het aspect bodem levert geen belemmering op voor het bestemmingsplan.
Voor het planvoornemen is de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte bepaald op basis van de kencijfers van de CROW-publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'.
Verkeer
Voor de bepaling van de verkeersgeneratie is uitgegaan van de kencijfers voor een serviceflat/aanleunwoning. Hiervoor geldt een kencijfer van minimaal 2,1 verkeersbewegingen en maximaal 2,8 verkeersbewegingen (rest bebouwde kom) per woning. Gemiddeld 2,45 verkeersbewegingen.
Dit betekent dat het plan 2,45 *21 studio's= 52 verkeersbewegingen genereert.
De ontsluiting van de buurt vindt plaats via de Burgemeester de Zeeuwstraat en de Lagendijk. Deze wegen zijn berekend op een beperkte toename aan verkeer. Met betrekking tot verkeersintensiteiten zijn er daarom geen problemen te verwachten door deze nieuwe ontwikkeling.
Parkeren
Voor de bepaling van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de kencijfers voor een verzorgingstehuis. Hiervoor geldt dat er minimaal 0,5 parkeerplaatsen en maximaal 0,7 parkeerplaatsen aangelegd moeten worden. Voor het plan wordt uitgegaan van de minimale norm. Dit betekent dat er minimaal 0,5*21 studio's=11 parkeerplaatsen benodigd zijn. In de regels is de aanleg van minimaal 11 parkeerplaatsen geborgd.
De realisatie van minder parkeerplaatsen is toegestaan mits uit parkeeronderzoek blijkt dat ook met minder parkeerplaatsen wordt voorzien in de behoefte. Dit is ook geborgd in de regels.
Soortenbescherming
Elzerman ecologisch advies heeft een flora en fauna quickscan uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 5 bijgevoegd.
Onderzoek / conclusie
Vogels
In het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig. De twee wijkgebouwen, die voorheen in het zuidelijke deel van het park stonden, zijn in 2016 gesloopt. Vooraf zijn die gecontroleerd op beschermde soorten (Elzerman, 2016). Hierdoor kunnen jaarrond beschermde vogels die in of op gebouwen broeden in de huidige situatie worden uitgesloten. Een aantal roofvogels en uilen, die jaarrond beschermd zijn, broedt in bomen. Bij het veldbezoek zijn geen nesten van deze soorten aangetroffen. Het plangebied wordt ook niet geschikt geacht, omdat het te weinig dekking biedt en te veel verstoring optreedt door het dagelijkse recreatieve gebruik.
De struiken en bomen bieden wel nestgelegenheid voor diverse andere vogelsoorten. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende stadsvogels. Bij de werkzaamheden moet dan ook rekening gehouden worden met broedvogels. De nesten van alle inheemse vogelsoorten in Nederland zijn gedurende de broedtijd beschermd. Ze mogen niet opzettelijk aangetast, verplaatst of verstoord worden. De broedtijd is geen wettelijk vastgestelde periode, maar wordt bepaald door de broedactiviteit van de vogel.
Zoogdieren
Van de strikt beschermde soorten (van de Europese Habitatrichtlijn) moest op voorhand voornamelijk rekening worden gehouden met vleermuizen. Uit de Natuurwaardenkaart van de BAR-gemeenten bleken enkele soorten in de omgeving van het plangebied waargenomen te zijn (Elzerman, 2015).
Vleermuizen kunnen verblijven in bomen of gebouwen. Gebouwen ontbreken in de huidige situatie. De bomen, die getroffen worden door de nieuwbouw, werden ongeschikt geacht voor een verblijfplaats. Geschikte holtes ontbreken en/of de takkenstructuur blokkeert vrije aanvliegmogelijkheden voor vleermuizen. De bomen in het noordelijke deel van het park zijn niet stuk voor stuk onderzocht, omdat deze behouden blijven. Het is niet uitgesloten dat de grote bomen langs het westelijke wandelpad potentiële verblijfplaatsen bevatten. Deze bomenlaan langs het wandelpad kan ook gebruikt worden als vaste vliegroute, maar vooral als foerageergebied. Onder de dekking van de boomkronen en het naastgelegen water zullen waarschijnlijk insecten concentreren. Hier is ook geen straatverlichting, waardoor het een aantrekkelijk jachtgebied is.
De bouw van het woonzorgcomplex ontneemt een klein deel van het park als foerageergebied, maar er zijn voldoende groenstructuren aanwezig die als alternatief kunnen dienen. Bovendien was voorheen op de plek van de geplande nieuwbouw ook bebouwing aanwezig. Een vaste vliegroute wordt niet doorkruist. Als bij het gebouw vleermuisvriendelijke verlichting wordt toegepast dan wordt het negatieve effect nog verder beperkt.
Buiten vleermuizen kunnen zoogdieren van de ‘nationaal beschermde soorten’ (Art. 3.10 uit Wnb) in het park leven. Het gaat om zoogdieren waarvoor in Zuid-Holland een vrijstelling van een ontheffing geldt, zoals Egel en algemene muizensoorten. Voor deze soorten geldt de Zorgplicht.
Vaatplanten
Het park is grotendeels ingericht met gecultiveerde planten. Alleen op het braakliggende terrein, waar de nieuwbouw gepland is, hebben zich wilde soorten gevestigd. Dit zijn allen kenmerkende soorten van voedselrijke gronden, verstoorde grond en algemeen voorkomende ‘onkruiden’. Beschermde planten zijn niet aangetroffen en kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten.
Overige soorten
In het plangebied zelf is geen water aanwezig, maar het grenst aan een watergang. Het is niet uitgesloten dat vanuit dit water een amfibie van de ‘nationaal beschermde soorten’ het terrein op kan komen. Hiervoor geldt de Zorgplicht.
Het braakliggende perceel trok een diversiteit aan vlinders, libellen en sprinkhanen. Deze diversiteit was groter dan in de rest van het plangebied. Het laat de (tijdelijke) natuurwaarde zien van braakliggende gronden. Hier zaten geen beschermde soorten tussen. Strikt beschermde insecten kunnen ook worden uitgesloten op basis van hun habitateisen en/of beperkte verspreiding in Nederland. Hetzelfde geldt voor de beschermde vissen, weekdieren en geleedpotigen waar een ontheffing voor nodig is.
Houtopstanden
De bomen op het terrein staan binnen de bebouwde kom waardoor ze buiten de regelgeving omtrent beschermde houtopstanden vallen.
Conclusie
Voor de bouw van een woonzorgcomplex zijn geen bezwaren vanuit de Wet natuurbescherming. Met het oog op het gebiedsgebruik door vleermuizen wordt wel aanbevolen om het nieuwe gebouw te voorzien van vleermuisvriendelijke verlichting of op een andere wijze uitstraling van nachtelijke verlichting naar de omgeving te beperken. In de huidige situatie is het park ’s nachts geheel donker te midden van een verlichte woonwijk. Hierdoor vormt het een aantrekkelijk foerageergebied voor vleermuizen. Dit kan het in de nieuwe situatie ook nog zijn, maar dan heeft het meerwaarde om de verlichting van het gebouw naar het park zoveel mogelijk te beperken. Dit betreft geen verplichting maar een advies om effecten van de nieuwbouw nog verder te beperken. Het plan ook kan zonder toepassing van deze verlichting worden gerealiseerd.
Gebiedsbescherming
Om te bepalen of sprake is van invloed op Natura 2000-gebieden en/of op gebieden die onderdeel zijn van het Natuur Netwerk Nederland is de afstand bepaald van het plangebied tot de dichtstbijzijnde gebieden.
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk ligt op een afstand van 2,8 km van het plangebied. Natura 2000-gebied Oude Maas ligt op een afstand van 4,8 km van het plangebied. Het dichtstbijzijnde NatuurNetwerkNederland ligt op een afstand van 1,6 km. Gezien de ruime afstanden tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden en Natuur Netwerk Nederland gebied wordt gesteld dat er vanuit het aspect gebiedsbescherming geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het planvoornemen.
SOB Research heeft een archeologisch bureau onderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 6 bijgevoegd.
Op basis van archeologisch bureau onderzoek is het archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Dit model is getoetst door middel van het inventariserend veldonderzoek.
Conclusie
De oude bebouwing was voorafgaand aan het onderzoek al afgebroken. De belangrijkste te voorziene bodemverstoringen betreffen de graafwerkzaamheden tot op een diepte van maximaal 1.0 meter beneden het maaiveld ten behoeve van de aanleg van de funderingen van de nieuwe bebouwing en - in zeer beperkte mate - het aanbrengen van heipalen. De nieuwe bebouwing wordt niet onderkelderd. Voor de toelichting van de conclusie van de onderzoeksresultaten wordt verwezen naar Bijlage 6.
Op basis van het uitgevoerde Archeologisch Bureauonderzoek en booronderzoek (IVO-Overig) kan worden geconcludeerd dat de binnen het noordelijke deel van het bestemmingsplangebied aanwezige archeologische dubbelbestemming in ieder geval moet worden gehandhaafd (Archeologisch Waardevol Gebied).
Voor wat betreft het onderzoeksgebied van het IVO-Overig (het zuidelijke deel van het bestemmingsplangebied) wordt de uitvoering van nader archeologisch onderzoek in het kader van de planrealisatie niet noodzakelijk geacht. Ter plaatse van het daadwerkelijk te bebouwen oppervlak ligt de top van het hoogst liggende potentiële archeologisch niveau (het Hollandveen) op een diepte van meer dan circa 1.5 meter beneden het maaiveld. In het kader van de bouwwerkzaamheden worden graafwerkzaamheden uitgevoerd tot een maximale diepte van 1.0 meter beneden het maaiveld zodat dit niveau daarbij niet zal worden aangetast.
Hoewel het heipalenplan nog niet bekend is wordt er van uitgegaan dat de heipalen een relatief beperkte oppervlakte zullen beslaan en dat de afstand tussen de heipalen ook voldoende zal zijn om hier ook in de toekomst nog archeologisch onderzoek uit te kunnen voeren. Het aanbrengen van de heipalen wordt daarom niet beschouwd als een significante bodemverstoring.
Wel wordt geadviseerd om ook voor het zuidelijke deel van het bestemmingsplangebied (inclusief het plangebied) de archeologische dubbelbestemming te handhaven.
Ter plaatse van het gehele plangebied wordt de vigerende dubbelbestemming Waarde - Archeologie gehandhaafd. Daarmee wordt gesteld dat het aspect archeologie geen belemmeringen oplevert voor het bestemmingsplan.
Waterschapsbeleid
In het Waterbeheerprogramma (WBP, 2016-2021) staan de doelen beschreven van het waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om die doelen te bereiken.
Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater.
Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m2 of meer in stedelijk gebied of 1.500 m2 of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen:
Beoordeling
Waterkwantiteit
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.
Afvalwaterketen en riolering
Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
Het hemelwater zal direct ter plaatse in de ondergrond infiltreren.
Ter plaatse van het nieuwe complex wordt riolering aangelegd welk wordt aangesloten op het bestaande gescheiden rioolstelsel. Dit is nader uitgewerkt in het civieltechnische ontwerp van het gebouw. Dit maakt geen deel uit van voorliggend bestemmingsplan.
Waterbeheer
In de Keur is geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een waterkering. De watergang aan de oostzijde van het plangebied is aangewezen als overige watergang, hiervoor geldt een beschermingszone van 1 meter. De watergang aan de noordzijde van het plangebied is aangewezen als hoofdwatergang, hiervoor geldt een beschermingszone van 3,5 meter.
Het planvoornemen voor het woonzorgcomplex voorziet niet in werkzaamheden in of nabij de watergangen of binnen de beschermingszones. Bij werkzaamheden in het park dient rekening te worden gehouden met de beschermingszones.
Afbeelding uitsnede Legger Wateren en kunstwerken (bron: Waterschap Hollandse Delta)
Toename verhard oppervlak
Door de realisatie van het woonzorgcomplex neemt de verharding toe. Voor de bestaande situatie is uitgegaan van het verhard oppervlak van de gebouwen en bijbehorende terreinverharding die in het plangebied aanwezig waren. In de onderstaande tabel zijn de oppervlaktes van de verharding weergegeven. In Bijlage 2 Waterberekening zijn de kaarten waarin de bestaande en nieuwe verharding is gevisualiseerd opgenomen.
De toename van het verhard oppervlak bedraagt minder dan 500m2, derhalve is geen watercompensatie benodigd.
| Soort | Aantal m2 bestaand | Aantal m2 nieuw | Toe-/ afname aantal m2 | ||||
| Verhard | 2363 | 2541 | 178 | ||||
| Onverhard | 9405 | 9227 | -178 | ||||
Tabel berekening toename verhard oppervlak en compensatie
Conclusie
Ten gevolge van het planvoornemen neemt de verharding toe in het plangebied. Deze hoeft niet te worden gecompenseerd omdat de toename minder dan 500m2 bedraagt. De bebouwing van het woonzorgcomplex is buiten de beschermingszones van watergangen dan wel van regionale waterkeringen gesitueerd.
De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.
Plannen en activiteiten kunnen nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is geregeld dat in zulke gevallen een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Een bestemmingplan (of wijzigingsplan) kan plan m.e.r.-plichtig zijn. Daarnaast kan een plan ook m.e.r.-plichtig zijn als er een concreet (bouw)plan ter uitvoering ligt.
Het Besluit m.e.r. bestaat uit een hoofddeel en vier bijlagen. De vier bijlagen staan aangeduid als de onderdelen A, B, C en D:
Onderdeel C van het Besluit m.e.r. wijst de activiteiten en gevallen aan waarvoor een directe m.e.r.-plicht geldt. In dit onderdeel staan de activiteiten benoemd die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Onderdeel D van het Besluit m.e.r. bevat grotendeels dezelfde activiteiten als onderdeel C. Een belangrijk verschil zit in de gevallen (kolom 2) waarop de activiteit betrekking heeft. De drempelwaarden die in 'kolom 2' gevallen' aangegeven staan, zijn in onderdeel D lager dan in onderdeel C.
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer zijn voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft. Voorafgaand aan de vergunningaanvraag of de ruimtelijke procedure dient een aparte beslissing te worden genomen dat geen MER nodig is. Voor de initiatiefnemer geldt dat hij moet melden dat er sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling en er geldt dat hij hiervoor informatie moet aanleveren. Het bevoegd gezag moet vervolgens een formeel besluit nemen dat de initiatiefnemer bij zijn vergunningaanvraag moet voegen.
De nieuwe procedure is uitsluitend van toepassing op projecten die voorkomen in het Besluit m.e.r.. Indien kan worden aangetoond dat het project geen onderdeel uitmaakt van onderdeel C of D van het Besluit m.e.r., dan is de nieuwe procedure niet van toepassing.
Beoordeling
In de bijlage van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het de ruimtelijke onderbouwing plan-m.e.r.-plichtig (onderdelen C en D), project-m.e.r.-plichtig (onderdeel C) of m.e.r.-beoordelingsplichtig (onderdeel D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. In de bijlage van het Besluit m.e.r. is in categorie D (11.2), de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject opgenomen. De drempelwaarde voor een formele m.e.r.-beoordeling in het Besluit m.e.r. ligt op:
Het planvoornemen ligt ruimschoots onder de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. en is daarmee niet rechtstreeks plan-m.e.r.-, project-m.e.r. of m.e.r.-beoordelingsplichtig. Omdat het planvoornemen wel een activiteit betreft zoals genoemd in lijst D is een vormvrije m.e.r. beoordeling nodig.
Kenmerken van het project
Het planvoornemen betreft de realisatie van een woonzorgcomplex met daarin 21 studio's (zorgeenheden). In het plangebied stonden 2 gebouwen. Het totale plangebied heeft een oppervlak van 11.768m2. Het totale verhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt 2541m2, een toename van 178m2. De omvang van het project in relatie tot de drempelwaarden in lijst D is relatief klein.
Plaats van het project
Het plangebied ligt op de hoek van de Anjerstraat en Bloemenstraat binnen de bebouwde kom van Ridderkerk. Het plangebied ligt niet in of nabij een Natura 2000-gebied of Natuur Netwerk Nederland gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk ligt op een afstand van 2,8km van het plangebied. Natura 2000-gebied Oude Maas ligt op een afstand van 4,8 km van het plangebied. Het dichtstbijzijnde Natuur Netwerk Nederland gebied ligt op een afstand van 1,6 km.
Ook ligt het plangebied niet binnen de beschermingszone van een waterkering.
Kenmerken potentiële effecten
Uit de beoordelingen en onderzoeken van de omgevingsaspecten blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het planvoornemen.
Conclusie
Op basis van de voorgaande vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt geconcludeerd, gelet op de aard en relatieve omvang van het project, de plaats hiervan en de kenmerken van de potentiële effecten, dat er geen negatieve milieugevolgen aan de orde zijn. Daarmee hoeft er geen m.e.r.-procedure te worden doorlopen.
Voorafgaand aan de ter visie legging is een informatieavond gehouden waarbij het plan is toegelicht. Het ontwerpbestemmingsplan wordt ter visie gelegd en naar de betrokken overlegpartners gestuurd. Gedurende de ter visie termijn is het voor een ieder mogelijk een reactie in te dienen. De resultaten hiervan worden samengevat en beantwoord in een nota zienswijzen en vooroverleg.
Nota zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan 'Anjerstraat / Bloemenstraat', met de daarop betrekking hebbende stukken, lag met ingang van 7 december 2018 tot en met 17 januari 2019 ter inzage. Ook was het plan elektronisch te raadplegen op de gemeentelijke website en op www.ruimtelijkeplannen.nl. Gedurende de zienswijzentermijn is iedereen in de mogelijkheid gesteld schriftelijk en/of mondeling te reageren op het ontwerpbestemmingsplan.
Gedurende de termijn van terinzagelegging zijn in totaal vijf zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan naar voren gebracht. In de nota van beantwoording zijn de zienswijzen samengevat en beantwoord. Ook is per zienswijze aangegeven of deze aanleiding geeft tot wijziging van het ontwerpbestemmingsplan. Tot slot is in de nota een overzicht van de wijzigingen in het bestemmingsplan opgenomen. De nota zienswijzen is als Bijlage 7 bijgesloten.
Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen is het bestemmingsplan als volgt gewijzigd;
Toelichting
Regels
Verbeelding
De realisatie van het planvoornemen voor het woonzorgcomplex komt voor rekening van de initiatiefnemer. Dit is geborgd door middel van een anterieure overeenkomst.
Ingevolge de Wro, het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de daarbij behorende ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) dienen bestemmingsplannen op vergelijkbare wijze opgebouwd en gepresenteerd te worden. Ook moeten ze digitaal uitwisselbaar worden gemaakt. Er is een aantal standaarden en richtlijnen door het toenmalige Ministerie van VROM ontwikkeld, waaronder de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012), de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen (PRBP2012) en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI2012). In dit bestemmingsplan wordt van deze standaarden, voor zover van toepassing, gebruikgemaakt. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend. Het bestemmingsplan is tevens afgestemd op de terminologie en regelgeving zoals opgenomen in de op 1 oktober 2010 in werking getreden Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De regels bestaan uit vier hoofdstukken:
De inleidende regels bevatten:
De bestemmingsregels bevatten de juridische vertaling van de bestemmingen die in het plangebied voorkomen. Deze worden toegelicht in paragraaf 6.3.
De algemene regels bestaan uit:
In Hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels (Artikel 12 Overgangsrecht en Artikel 13 Slotregel).
In het bestemmingsplan zijn vier bestemmingen gegeven aan het plangebied.
De bestemming Groen is opgenomen voor het park en de daarbij behorende voorzieningen. Ter plaatse van de aanduiding 'speelvoorziening' is een speelvoorziening toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' kan de parkeervoorziening worden ingevuld. Binnen de bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.
De gronden met de bestemming Maatschappelijk zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - woonzorgcomplex' is tevens een woonzorgcomplex toegestaan voor bewoners die vanwege leeftijd, lichamelijke of geestelijke beperkingen aangewezen zijn op verblijf, zorg en ondersteuning.
Binnen de bestemming zijn gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, toegestaan. De gebouwen dienen te worden gebouwd binnen het bouwvlak. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen buiten het bouwvlak worden gebouwd. Daarnaast zijn er regels opgenomen met betrekking tot activiteiten die strijdig zijn met de bestemming.
Ter plaatse van het plangebied geldt 1 archeologische dubbelbestemming. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Op de gronden met de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders werken of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld, dan wel de onderwaterbodem, en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 200 m² beslaan. Vergunning wordt verleend nadat de aanvrager een rapport aan burgemeester en wethouders heeft overlegd van een archeologisch deskundige.