direct naar inhoud van Motivering (behorend bij wijzigingsbesluit omgevingsplan (TAM-IMRO))
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Elza Hoeve
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0546.TAM00004-0302

Motivering (behorend bij wijzigingsbesluit omgevingsplan (TAM-IMRO))

Verbreding van de activiteiten van het grondgebonden veehouderijbedrijf aan de Vlietweg 82 in Leiden en herbestemming enkele percelen grond (1865 en gedeeltelijk 2436, 2621 en 2623).

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Initiatiefnemer exploiteert aan de Vlietweg 82 in Leiden een grondgebonden veehouderijbedrijf onder de naam Elza Hoeve. De bedrijfsvoering richt zich op het houden van melkvee en paarden in pension.

Naast het houden van melkkoeien en paarden worden verbredingsactiviteiten georganiseerd. Deze activiteiten zijn voor een belangrijk deel onlosmakelijk verbonden met de agrarische activiteiten van het bedrijf en voor een toekomstbestendige bedrijfsvoering essentieel. De paardenhouderij en enkele verbredingsactiviteiten zijn planologisch (nog) niet toegestaan. Ook zijn enkele voorzieningen zonder omgevingsvergunning gerealiseerd.

In verband met de transitie van het agrarisch bedrijf naar een toekomstbestendige verbrede bedrijfsvoering zijn de afgelopen jaren diverse gesprekken gevoerd met de gemeente en is het rapport 'Route naar een toekomstbestendige verbrede bedrijfsvoering rundveehouderijbedrijf Elza Hoeve' opgesteld. In dit rapport is de toekomstvisie van de Elza Hoeve beschreven.

Initiatiefnemer ziet de toekomst van de Elza Hoeve hoofdzakelijk in een verbreding van de activiteiten in plaats van een schaalvergroting van de agrarische activiteiten. Dit heeft als bijkomend effect dat het bedrijf een kleinschalig karakter behoudt. Hierdoor blijft de impact op het karakteristieke polderlandschap gering.

Het voortbestaan van het agrarisch bedrijf met verbredingsactiviteiten is belangrijk voor de instandhouding van het karakteristieke polderlandschap en de bijbehorende slagenverkaveling en watergangen. De Elza Hoeve vervult, mede vanwege het gegeven dat het bedrijf relatief veel grond beheert, een belangrijke rol bij het in stand houden van dit karakteristieke polderlandschap.

Tussen de gemeente en initiatiefnemer is een intentieovereenkomst afgesloten waarin afspraken zijn gemaakt over de aanpassing van het (tijdelijk) omgevingsplan (hierna: omgevingsplan genoemd). De aanpassingen hebben tot doel om de gewenste verbreding van de bedrijfsactiviteiten planologisch / juridisch te borgen. Deels gaat dit om bestaande en deels om nieuwe activiteiten. In het plan van aanpak, welke is opgenomen als bijlage 2 bij deze motivering, is een uiteenzetting gegeven van de noodzakelijke aanpassingen van het omgevingsplan.

In het voorliggende TAM-omgevingsplan is ook de herbestemming van enkele losse percelen meegenomen tussen de Vlietweg 84 en 94. De gemeente wil de bedrijfsbestemming, die met het inpassingsplan RijnlandRoute gelegd is het op perceel LDN.V.2623 (gedeeltelijk), omzetten naar een bestemming/functie passend bij het karakter van de Oostvlietpolder.

De percelen met de woonbestemming, welke onderdeel zijn van de kadastrale percelen 1865 en 2621, worden omgezet naar een bestemming 'agrarisch met waarden'. Ook zal de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - tijdelijk werkterrein' worden wegbestemd en wordt de aanduiding 'caravanstalling' gelegd op de schuur waar deze stalling ook daadwerkelijk plaatsvindt.

Om het omgevingsplan te kunnen aanpassen / wijzigen moet worden aangetoond dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het voorliggende document is de onderbouwing hiervan.

1.2 Begrenzing projectgebied

Het plangebied, liggend in de Oostvlietpolder, bestaat uit 4 deelgebieden. In deze paragraaf wordt de bestaande situatie van ieder deelgebied ter plaatse van het plangebied beschreven.

  • Deelgebied A: Vlietweg 82

Het plangebied aan de Vlietweg 82 in Leiden wordt gevormd door de gronden die in het bestemmingsplan Oostvlietpolder 2016, welke per 01-01-2024 onderdeel is geworden van het omgevingsplan, de enkelbestemming 'Agrarisch' hebben plus de uitbreiding van deze bestemming in zuidoostelijke richting. In het linker plaatje van afbeelding 1.1. is de ligging van het plangebied in de Oostvlietpolder weergegeven. In het rechter plaatje is de globale de begrenzing van het plangebied aan de Vlietweg 82 met een rode stippellijn weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.TAM00004-0302_0001.png"

Afbeelding 1.1 ligging plangebied in de Oostvlietpolder (links) en begrenzing deelgebied A

  • Deelgebied B: percelen 2436 (deels) en 2623 (deels)

Dit deelgebied betreft het oude tijdelijke werkterrein ten behoeve van de aanleg van de RijnlandRoute en bevindt zich aan de oostzijde van de Corbulotunnel. Het terrein was vanwege deze tijdelijke functie deels voorzien van een verharding ten behoeve van parkeren. Verder waren in een deel van dit gebied bouwketen geplaatst in het kader van de aanleg van de nieuwe wegverbinding en tunnel. De noordzijde van dit perceel [2436] is in particulier bezit. In overleg met de eigenaar wordt een gedeelte van dit perceel ook meegenomen in de ontwikkeling.

  • Deelgebied C: percelen 1865 en 2621 (deels)

Dit deelgebied bevindt zich boven de tunnel van de RijnlandRoute. Voorheen heeft op deze locatie een woning gestaan (Vlietweg 90 te Leiden) en was een bijbehorend erf ingericht, maar vanwege aanleg van de RijnlandRoute en de bijbehorende Corbulotunnel is op dit moment geen bebouwing meer aanwezig ter plaatse van dit deelgebied. De gronden zijn in de bestaande situatie in gebruik als weidegrond. Op deze grond lag een tijdelijke ontsluitingsroute voor voor de bereikbaarheid van het tijdelijk werkterrein vanaf de Vlietweg (zie ook deelgebied B).

In afbeelding 1.2 is de begrenzing van de deelgebieden B en C weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.TAM00004-0302_0002.png"

Afbeelding 1.2 begrenzing deelgebied B en C

1.3 Vigerende planologische regeling

Het geldend planologisch regime is vastgelegd in het omgevingsplan van de gemeente Leiden met identificatienummer akn/nl/act/ gm0546/2020/omgevingsplan. Ter plekke van het deelgebied A geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan, het bestemmingsplan ''Oostvlietpolder 2016', zoals vastgesteld op 6 september 2016 door de gemeenteraad van Leiden en van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Leiden. Ter plaatse van deelgebied A is voor het overgrote deel de bestemming 'Agrarisch' vigerend. Het zuidoostelijk deel van het plangebied heeft de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Ook zijn op de deelgebied de dubbelbestemmingen 'Archeologie' en 'Waarde - Landschap' deels van toepassing.

Ter plaatse van de deelgebieden B en C geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan, het bestemmingsplan ''Rijnlandroute, zoals vastgesteld op 23 maart 2016 door de gemeenteraad van Leiden en van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Leiden. Ter plaatse van deelgebied B is de bestemming 'Bedrijf' vigerend en plaatse van de deelgebieden C en D de bestemming 'Wonen'.


1.4 Leeswijzer

De opzet van deze motivering is zodanig opgebouwd dat alle aspecten, die van belang zijn voor het TAM-omgevingsplan, in beeld worden gebracht.

  • In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie en de plannen voor het plangebied.
  • In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op wat geregeld moet worden op basis van het beleid en instructieregels van het rijk en de provincie. Ook het generieke beleid van de regio en gemeente Leiden, zoals de Omgevingsvisie, komt aan bod.
  • Hoofdstuk 4, 5, 6 en 7 geeft de onderbouwing van de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving in relatie tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarvoor wordt ingegaan op specifieke voorwaarden van het sectorale beleid. Er wordt ingegaan op de beoogde ontwikkeling en in hoeverre daarbij wordt voldaan aan dat beleid en aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ook wordt beschreven welke gevolgen de ontwikkeling heeft voor het TAM-omgevingsplan en op welke wijze dit plan in de regels wordt gewijzigd.
  • Hoofdstuk 4 gaat in op de omgevingskwaliteit. Onderwerpen zijn onder andere stedenbouw, mobiliteit en erfgoed;
  • Hoofdstuk 5 gaat over duurzaamheid. Thema's die aan bod komen zijn energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie en duurzame mobiliteit;
  • Hoofdstuk 6 geeft de onderbouwing van functies zoals wonen en bedrijvigheid
  • Hoofdstuk 7 behandelt de 'traditionele' milieuaspecten zoals geluid, luchtkwaliteit etc. Daarnaast komen aspecten als water en gezondheid aan de orde.
  • Hoofdstuk 8 beidt een juridische toelichting op hoe het plan te lezen. Het geeft een artikelgewijze toelichting op de regels (totdat dit softwaretechnisch gedaan kan worden in de regels).
  • In hoofdstuk 9 wordt de economische en maatschappelijke haalbaarheid aangetoond. Hier wordt ingegaan op het kostenverhaal en de doorwerking daarvan in anterieure overeenkomsten en in de regels voor het plangebied. Daarnaast is beschreven welke ketenpartners zijn gevraagd om advies. En hoe dat advies luidde en wat er mee is gedaan in dit plan. Tot slot worden de resultaten van participatie met de bewoners en gebruikers van het plangebied en de omliggende gebieden beschreven.
  • In Hoofdstuk 10 wordt de belangenafweging gemaakt en volgt de conclusie.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

2.1 Geschiedenis projectgebied

2.1.1 Ontstaansgeschiedenis van Leiden

Algemeen

Na de vorming van de strandwallen en een geleidelijke stijging van de zeespiegel, ongeveer 5000 jaar geleden, raakte het Hollandse landschap steeds meer geïsoleerd van directe invloeden van de zee. Door het steeds verder dichtslibben van riviermondingen in de strandwallen veranderde het milieu en ontstond er langzaam een dik veenpakket: het Holland Laagveenpakket. Rondom Leiden speelde de Oude Rijn een belangrijke rol in de vorming van de ondergrond. De rivier verlegde regelmatig haar oevers, waardoor aan beide zijden grote hoeveelheden klei en zand werden afgezet. Achter deze oeverafzettingen ontstonden relatief hoog gelegen kreek- en geulsystemen, waar ook klei en zand werden afgezet.

Deze oeverafzettingen langs de Oude Rijn en de aangrenzende kreken waren van oudsher ideale plekken voor ijzertijdnederzettingen vanwege hun hogere ligging en stevige ondergrond. De oudst bekende vermelding van bewoning dateert uit het jaar 860 na Christus. De nederzetting die toen Leython werd genoemd lag waarschijnlijk op de noordelijke oever van de Rijn. In de 9e of 10e eeuw werd ook de eerste burchtheuvel aangelegd. Later werd deze heuvel verhoogd en bouwde men er een stenen ringmuur op. Op de zuidelijke oever van de Rijn ontstond in het begin van de 12e eeuw een nederzetting die in korte tijd uitgroeide tot de stad Leiden die rond het jaar 1200 stadsrechten kreeg.

De stad Leiden ontstond op het kruispunt van belangrijke water- en landwegen. De Nieuwe en Oude Rijn kwamen hier samen tot één rivier. De Leidse Vliet en de Mare mondden hier uit in de Rijn. De stad vervulde een centrale rol als markt- en handelscentrum voor het omringende platteland.

Door bevolkingsgroei ontstond tegen het einde van de 17de eeuw ruimtegebrek in de stad. In de middeleeuwen vonden vier stadsvergrotingen plaats: de Hoge Woerd, de uitbreiding in de Waard, de uitbreiding in de Mare en uiteindelijk de uitbreiding van het Nieuwland en Rapenburg in 1386. Aan de oostzijde van de Mare (nu Lange Mare) was een zelfstandige woonkern gelegen. Aan de westzijde langs de Maredijk en de weg over de Mors werd in 1355 een deel van de bebouwing binnen de stadsgrenzen gebracht. Nieuwe bruggen werden aangelegd om de stadsdelen met elkaar te verbinden.

Door bevolkingsgroei begon men aan het eind van de 17de eeuw met de bebouwing van raamlanden (afgesloten moerassige gebieden) in het Nieuwland. Vanwege de groeiende welvaart van de stad was dit echter niet genoeg. De stad werd in de daaropvolgende periode verder uitgebreid. In 1611 vond een grote uitbreiding plaats ten noorden van de bestaande stad, gevolgd door meerdere stadsuitbreidingen. Na deze uitbreidingen was het gebied binnen de singels grotendeels voltooid.

In de 18de eeuw daalde de welvaart sterk, maar Leiden bleef zijn functie als streekcentrum behouden. Tot het laatste kwart van de 19e eeuw waren er geen grote uitbreidingen buiten de singels. Langs uitvalswegen, de Rijnoevers, de Maredijk en de Singels werden in de eerste helft van de 19e eeuw vooral buitenhuizen en bedrijven zoals houtzagerijen gebouwd. Aan het einde van de eeuw werden vooral de zuidelijke singels steeds meer bebouwd met losse villa's of aaneengeschakelde huizen voor de rijkere standen. De eerste geordende stadsuitbreiding buiten de singels was de wijk Vreewijk vanaf 1882.

Na de opkomst van sociale woningbouwverenigingen breidde Leiden zich verder uit. Vanaf de jaren '10 van de vorige eeuw vonden verschillende uitbreidingen plaats in de Kooi, Noord, de Tuinstadwijk, het Haagwegkwartier en de Rijndijkbuurt. De wijken in het noorden waren vooral bedoeld voor arbeiders, terwijl uitbreidingen in het zuiden werden gebouwd voor de middenklasse en welgestelden. Pas in de periode van de Wederopbouw volgden ook aan de zuidzijde uitbreidingen met sociale woningbouw. De uitbreidingen in de Vogelwijk en de wijken Poelgeest en Houtkwartier waren een direct gevolg van de grenswijziging van 1920, die dit gebied bij de gemeente Leiden voegde. De tramlijn langs de Rijnsburgerweg zorgde voor een goede verbinding met het stadscentrum.

Oostvlietpolder

De Oostvlietpolder is de laatste groene polder op het Leidse grondgebied. Weliswaar wordt het gebied door de A4 van het Groene Hart afgesneden, maar door het open polderlandschap, het volkstuinencomplex en de Vliet is er toch het gevoel dat het Groene Hart hier begint.

De meest noordwestelijke grens van de Oostvlietpolder bestaat uit de Vliet en de Vlietweg. De Oostvlietpolder verbindt het Recreatiegebied Vlietland in het zuiden en de parken Polderpark Cronesteyn, de Bult en Matilo in het noorden. Daarnaast is de polder een essentiële schakel voor de verbinding met het Land van Wijk en Wouden in het oosten en het Duin Horst en Weidegebied in het westen.

In de Oostvlietpolder is weinig bebouwing aanwezig. De lintbebouwing langs de Vliet is onmiskenbaar geen onderdeel van de stad. Verder is er hoofdzakelijk sprake van agrarisch natuur en landschapsbeheer van de gronden. In het midden van de Oostvlietpolder ligt een groot volkstuinencomplex, waarin zich ook een strook met recreatie verblijven bevindt. Het volkstuinencomplex deelt het polderlandschap in tweeën en wordt zelf ook weer in twee gedeeld door een strook open polderland.

2.1.2 Geschiedenis plangebied
  • Deelgebied A

Aan de Vlietweg 82 in Leiden is van oudsher een grondebonden veehouderij gevestigd. Het betreft een volwaardig agrarisch bedrijf met gemiddeld 90 melkkoeien en 75 vrouwelijk jongvee. Het rundvee wordt geweid op de huiskavel. Dit zijn de gronden die aansluitend aan de bedrijfslocatie liggen. Een deel van de huiskavel is het bedrijf kwijtgeraakt in verband met de aanleg van de Rijnlandroute.

Vanwege de ligging van het agrarisch bedrijf in de Oostvlietpolder nabij woningen van derden en de beperkte beschikbaarheid van landbouwgrond is uitbreiding van het bedrijf (schaalvergroting) geen reële optie. De ondernemer kiest voor een toekomstbestendige bedrijfsvoering daarom voor verbreden van de activiteiten en is begonnen (al langere tijd geleden) met een paardenpension en andere aan het agrarisch bedrijf verbonden verbredingsactiviteiten.

  • Deelgebieden B en C

De RijnlandRoute is een nieuwe wegverbinding tussen Katwijk, via de A44, en de A4 bij Leiden. De RijnlandRoute wordt aangelegd om de bereikbaarheid en verkeersdoorstroming in de regio te verbeteren en economische groei verder mogelijk te maken.

Een belangrijk onderdeel van de RijnlandRoute is de tunnel in de N434 die onder Voorschoten en het Rijn-Schiekanaal (de Vliet) is aangelegd, de Corbulotunnel. De tunnel is ongeveer 2,5 km lang en ligt op maximaal 20 meter diepte. Vanaf de A44 tot aan de tunnel is de N434 over een afstand van circa 1 km verdiept aangelegd. De overgang tussen de tunnel en de verdiepte ligging is aangelegd ter hoogte van de Gerda Brautigamsingel (Stevenshof) aan de A44-zijde en aan de rand van de Oostvlietpolder, nabij het plangebied van dit TAM-omgevingsplan, aan de A4-zijde. De eerste bouwwerkzaamheden zijn gestart in september 2017 en op het moment van opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn de werkzaamheden inmiddels voltooid.

2.2 Huidige situatie plangebied

  • Deelgebied A

Het grondgebonden veehouderijbedrijf heeft in het omgevingsplan de bestemming 'Agrarisch'. Binnen deze bestemming mogen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering worden opgericht. Het bestemmingsvlak 'Agrarisch' heeft een oppervlakte van circa 1,25 hectare.

Het gedeelte van het plangebied aan de zuidoostzijde met de bestemming 'Agrarisch met waarden' is deels in gebruik als weiland, maar deels ook als erf van het bedrijf. Hier is onder andere de longeercirkel en een paddock gesitueerd.

Op dit deelgebied zijn verder de dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie' en 'Waarde - Landschap' van toepassing. Ter plaatse van de dubbelbestemming Waarde - Archeologie' zijn de gronden mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Landschap' zijn de gronden mede bestemd voor het behoud, herstel en de instandhouding van de aanwezige landschappelijke waarden.

Het grondgebonden veehouderijbedrijf aan de Vlietweg 82 heeft de beschikking over twee bedrijfswoningen (Vlietweg 82 en 82A), een ligboxenstal voor de melkkoeien en het jongvee en diverse overige gebouwen. Ten behoeve van de grondgebonden veehouderij heeft het bedrijf de beschikking over voorzieningen zoals een opslag voor vaste mest en kuilvoeropslagen.

Als bijlage 3 bij deze motivering is de milieutekening van het bedrijf toegevoegd waarop de diverse gebouwen en voorzieningen zijn ingetekend. In het renvooi van de milieutekening is het bestaand gebruik aangegeven.

Naast rundvee worden op het bedrijf ook paarden gehouden. Dit betreft voor een deel pensionpaarden en deels paarden in eigendom. De paardentak bestaat al sinds 2001. Inmiddels is de paardentak uitgegroeid tot een wezenlijk onderdeel van de agrarische bedrijfsvoering. In totaal worden er maximaal 30 paarden gehouden. Ten behoeve van de paardenhouderij heeft het bedrijf de beschikking over stallen, paddocks, een rijbak en een longeerbak.

Tot slot worden op het bedrijf andere aan het agrarisch bedrijf verbonden nevenactiviteiten georganiseerd. Dit betreft onder andere koeknuffelen, boeren lunch, coaching met paarden. Deze nevenactiviteiten vinden plaats in zowel bestaande bebouwing als op het erf van de boerderij.

De ontsluiting van het bedrijf is in noordelijke richting via de Vlietweg in de richting van de Europaweg. In zuidelijke richting is in het weiland een (koe)pad aanwezig welke aansluit op de Hofvlietweg. Dit pad wordt gebruikt voor landbouwvoertuigen en dient als koepad.

  • Deelgebied B

Dit deelgebied betreft het tijdelijk werkterrein ten behoeve van de aanleg van de RijnlandRoute en bevindt zich aan de oostzijde van de Corbulotunnel. Het terrein was vanwege deze tijdelijke functie deels voorzien van een verharding ten behoeve van het parkeren. Verder waren in een deel van dit gebied bouwketen geplaatst in het kader van de aanleg van de nieuwe wegverbinding en tunnel. Aan de noordzijde grenst dit deelgebied aan een bestaande schuur welke in gebruik is als caravanstalling.

  • Deelgebied C

Dit deelgebied bevindt zich boven de tunnel van de RijnlandRoute. Voorheen heeft op deze locatie een woning gestaan (Vlietweg 90 te Leiden) en was een bijbehorend erf ingericht, maar vanwege aanleg van de RijnlandRoute en de bijbehorende Corbulotunnel is op dit moment geen bebouwing meer aanwezig ter plaatse van dit deelgebied. De gronden zijn in de bestaande situatie in gebruik als weidegrond. Er was een tijdelijke ontsluitingsroute aangelegd voor de bereikbaarheid van het tijdelijk werkterrein vanaf de Vlietweg (zie ook deelgebied B).

2.3 Ontwikkelingen in plangebied

  • Deelgebied A

Verbredingsactiviteiten

In verband met de transitie van het agrarisch bedrijf naar een toekomstbestendige bedrijfsvoering wordt primair ingezet op een (verdere) verbreding van de bedrijfsvoering, waarbij het bestaande grondgebonden veehouderijbedrijf de basis blijft.

Een deel van de nevenactiviteiten van het grondgebonden veehouderijbedrijf in de huidige en de toekomstige gewenste situatie zijn niet in overeenstemming met het huidig omgevingsplan. Zie hiervoor ook paragraaf 2.3.1.

De ontwikkelingen die met het voorliggende TAM-omgevingsplan mogelijk worden gemaakt dan wel positief worden bestemd zijn hierna beschreven. Als bijlage 4 is een tekening toegevoegd waarop de nevenactiviteiten zijn ingetekend.

Ten behoeve van enkele nevenactiviteiten zijn bouwwerken - geen gebouwen gerealiseerd waaronder omheiningen en lichtmasten. In de regels van het TAM-omgevingsplan zijn deze voorzieningen waar mogelijk omgevingsvergunningvrij gemaakt. Kan dat niet, dan zijn deze voorzieningen in de bouwregels opgenomen en zal initiatiefnemer na inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan hiervoor alsnog de vergunningen aanvragen.

Pensionpaarden

Naast het rundvee worden op het bedrijf al vele jaren pensionpaarden gehouden. Het bedrijf heeft een milieutoestemming voor het houden van 30 volwassen paarden. In de bijgevoegde milieutekening (zie bijlage 3) is aangegeven waar de paarden op het perceel worden gehouden. De stalling van de paarden is op 50 meter uit de gevel van woningen van derden.

Voor het houden, trainen en berijden van de paarden zijn voorzieningen aanwezig zoals paddocks, een longeerbak en een (verlichte) rijbak.

Een deel van de voorzieningen ten behoeve van de paarden ligt op gronden met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. Het is wenselijk om de bestemming ter plaatse van de genoemde voorzieningen te wijziging in 'Agrarisch'. Hiertoe wordt een gedeelte van het onbenutte bestemmingsvlak ‘Agrarisch‘ -dat aan de weg ligt- verplaatst naar de zuidoostzijde (vormverandering bestemmingsvlak). Zie ook afbeelding 2.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.TAM00004-0302_0003.png"

Afbeelding 2.1: verplaatsen bestemmingsvlak 'Agrarisch'

In totaal zal het gaan om een oppervlakte van circa 2.200 m2 aan bestemmingsvlak dat wordt verplaatst. Bijkomend voordeel is dat in de gewenste situatie een kleiner deel van het bestemmingsvlak agrarisch binnen de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ ligt. Dit is de beschermingszone van de Vliet. Met de voorgestelde verplaatsing is daarom ook beter gewaarborgd dat de beschermingszone gevrijwaard blijft van bebouwing.

Zorgactiviteiten

In de schuur, aangeven op de milieutekening met cijfer 2, wordt een ruimte ingericht als ontvangst- en activiteitenruimte voor zorgcliënten. Initiatiefnemer verhuurt deze ruimte aan de Zorghoek. Zij verzorgen verder de activiteiten en dragen de verantwoordelijkheid voor de cliënten. Het gaat vooral om mensen met een burn-out en soortgelijke klachten die naar de Elza Hoeve komen voor (halve) dagbesteding.

De zorgcliënten (hulpboeren) zullen allerhande klusjes doen op de boerderij. Ze verbouwen met elkaar gewassen, verzorgen er dieren, helpen mee in de boerderijwinkel. Juist op een agrarisch bedrijf met verbredingsactiviteiten is er voor de deelnemers of hulpboeren altijd een klusje te vinden dat hen aanspreekt. De verwachting is dat er tussen 8 en 20 plaatsen voor dagbesteding komen.

In de aan te leggen vlindertuin / moestuin met fruitbomen, tussen de oude mestvaalt en de camperstandplaats/kuilvoeropslag, worden de gewassen verbouwd.

Groepsactiviteiten / dagrecreatie activiteiten

De verbredingsactiviteiten (nevenactiviteiten) die op de Elza Hoeve, in samenhang met de agrarische functie van het bedrijf, worden georganiseerd zijn:

  • Kinderfeestjes;
  • Koeknuffelen;
  • Boeren lunch;
  • High tea;
  • Verzorgde boerenpicknicks;
  • Workshops (beschilder je eigen koe);
  • Coaching met paarden;
  • Verzorgen van paardrijlessen;
  • Activiteiten voor kinderen en volwassenen;
  • Vergaderruimte;
  • Groepsaccommodatie voor bijeenkomsten en evenementen.


De verbredingsactiviteiten vallen grotendeels onder dagrecreatieve activiteiten. Deze activiteiten vinden plaats zowel binnen in bestaande bebouwing als op het erf van de boerderij. Een deel van deze bestaande verbredingsactiviteiten valt onder agrarische- en natuureducatie. Deze activiteiten zijn bij recht toegestaan binnen de bestemming 'Agrarisch' van het omgevingsplan en vallen daarom buiten scope van dit TAM-omgevingsplan.

Voor de boerenpicknick zijn picknickplaatsen gerealiseerd op loopafstand van de boerderij met uitzicht op de weilanden.

De coachingsessies met paarden en de cursus ‘omgaan met paarden’ hebben een educatieve grondslag dan wel zijn gericht op persoonlijke ontwikkeling. Daarnaast is het de wens om in de toekomst op het bedrijf paardrijlessen te geven en vergaderruimte beschikbaar te stellen.

Standplaatsen voor campers

Op het erf binnen de huidige bestemming ‘Agrarisch', ten zuidwesten van de ligboxenstal, is het voornemen om een kleinschalige camperstandplaats te realiseren. De capaciteit van de camperstandplaats bedraagt maximaal 6 stuks. In bijlage 4 is de standplaats voor de campers aangegeven.

Terras

De wens is om een kleinschalig terras te openen met een oppervlakte van circa 180 m2. Het terras zal doordeweeks beperkt open zijn (van 10.00 uur tot 15.00 uur) en richt zich op passanten en mensen die het bedrijf al aandoen vanwege de verbredingsactiviteiten (dus geen extra verkeersaantrekkende werking). Het ‘runnen’ van het terras is voor de zorgcliënten ook een mooie bezigheid.

  • Deelgebieden B en C

Met de afronding van de aanleg van de RijnlandRoute en het in gebruik nemen van de N434 kan de tijdelijke situatie in deze deelgebieden, in verband met de aanlegwerkzaamheden van de RijnlandRoute en de bijbehorende Corbulotunnel, wordt opgeheven.

Dit heeft tevens tot gevolg dat de gronden in het plangebied van dit TAM-omgevingsplan, met uitzondering van het noordelijk deel van deelgebied B (2436), van eigenaar zullen wisselen. De gronden zijn destijds verworven in verband met de (aanleg van de) RijnlandRoute. In de toekomstige situatie worden de weidegronden aan de zuidzijde van deelgebied B (2623) en deelgebeid C in gebruik genomen door de Elza Hoeve. De veehouder bezit reeds weidepercelen aangrenzend aan de verschillende deelgebieden en wordt tevens eigenaar van de weidegronden in het plangebied. Het gebruik van de gronden in het plangebied komt in het teken te staan van het grondgebonden agrarisch bedrijf en bestaat uit de beweiding van vee of ten behoeve van de winning van hooi en gras en het behouden van de landschappelijke waarden.

2.3.1 Proces
2.3.1.1 Planinitiatief

Algemeen

Het voorliggende TAM-omgevingsplan voorziet in een wijziging van de bestemmingen / functies. Deze worden onderstaand per deelgebied beschreven. In het vigerende bestemmingsplan Oostvlietpolder 2016, gebaseerd op de Wro, hebben de gronden een bestemming. Zoals bijvoorbeeld 'Agrarisch met waarden'. In het TAM-omgevingsplan, gebaseerd op de Omgevingswet, worden op de gronden activiteiten en functies toegelaten. De bestemming 'Agrarisch met waarden' uit het bestemmingsplan Oostvlietpolder 2016 krijgt in het voorliggende TAM-omgevingsplan de bestemming 'Agrarisch met waarden - agrarische activiteiten en natuurwaarde - Elza Hoeve. Voor de leesbaarheid van deze motivering is de terminologie van het bestemmingsplan Oostvlietpolder aangehouden. Als bijlage 5 bij deze motivering is een transponeertabel opgenomen waarin per bestemming / functie de overgang van oud (Wro) naar nieuwe (Omgevingswet) voor dit TAM-omgevingsplan overzichtelijk uiteen is gezet.

  • Deelgebied A

Om tot een toekomstbestendige bedrijfsvoering te komen is het belangrijk dat het omgevingsplan wordt aangepast zodat de reeds aanwezige verbredingsactiviteiten en de gewenste verbredingsactiviteiten planologisch juridisch toegestaan zijn.

De beschreven ontwikkelingen in paragraaf 2.3 zijn in strijd met het omgevingsplan. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op deze strijdigheden.

Pensionpaarden

In de bestemmingsomschrijving van artikel 3 ‘Agrarisch’ van het omgevingsplan zijn de gronden bestemd voor:

  • a. de uitoefening van een grondgebonden melkveehouderij;
  • b. agrarische bedrijfswoningen en de daarbij behorende voorzieningen;
  • c. nevenactiviteiten gericht op de agrarische bedrijfsvoering, te weten agrarische / natuur educatie en de verkoop van streekeigen agrarische producten;
  • d. (.....)

In de bestemmingsomschrijving van artikel 5 ‘Agrarisch’ van het omgevingsplan is het houden van (pension) paarden niet opgenomen en daarom niet toegestaan.

Omdat het houden van pensionpaarden niet is toegestaan binnen de bestemming 'Agrarisch' is het realiseren van voorzieningen ten behoeve van deze verbredingstak ook uitgesloten.

Het houden van pensionpaarden wordt toegevoegd aan de bestemmingsomschrijving van artikel 5 ‘Agrarisch'. In de bouwregels wordt opgenomen dat ten behoeve van deze tak voorzieningen gerealiseerd mogen worden (paddocks, rijbak, longeerbak en omheiningen).

Een deel van de reeds aanwezige voorzieningen ten behoeve van de paardenhouderij liggen binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden melkveehouderij en het behoud, herstel en de instandhouding van de aanwezige natuurwaarden.

De aanwezige voorzieningen zijn niet in overeenstemming met de vigerende bestemming. Dit wordt opgelost door een deel van de bestemming 'Agrarisch' te verplaatsen. Zie ook afbeelding 2.1.

Verbredingsactiviteiten

De verbredingsactiviteiten (zorg, terras, groepsactiviteiten, dagrecreatieve activiteiten en camperstandplaatsen) vallen niet onder de uitoefening van een grondgebonden melkveehouderij dan wel onder nevenactiviteiten gericht op de agrarische bedrijfsvoering, te weten agrarische / natuureducatie en de verkoop van streekeigen agrarische producten.

Om deze activiteiten mogelijk te maken is een aanpassing van de bestemmingsomschrijving van artikel 5 'Agrarisch' noodzakelijk.

  • Deelgebied B

Dit deelgebied kent op grond van het inpassingsplan "RijnlandRoute" de enkelbestemming
'Bedrijf' met functieaanduiding 'caravanstalling' en 'specifieke vorm van verkeer - tijdelijk
werkterrein'. Verder geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 1' en deels de
gebiedsaanduiding 'overige zone - verkeerstunnel - beschermingszone'.

Omdat de aanleg van de RijnlandRoute en de Corbulotunnel is afgerond wordt de bestemming van dit deelgebied gewijzigd in een bestemming / functie passend bij het karakter van de Oostvlietpolder. Ter plaatse van het kadastraal perceel 2436 wordt de grrond bestemd voor Woondoeleinden. De aanduiding 'caravanstalling' wordt op de schuur gelegd waar deze stalling ook daadwerkelijk plaatsvindt. Het kadastraal perceel 2634 krijgt de agrrarische bestemming en zal in gebruik worden genomen ten behoeve van de grondgebonden melkveehouderij.

De functieaanduiding 'specifieke vorm van verkeer - tijdelijk werkterrein' wordt wegbestemd. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 1' wordt gehandhaafd.

  • Deelgebied C

Dit deelgebied kent op grond van het inpassingsplan (provinciaal bestemmingsplan) "RijnlandRoute" de enkelbestemming 'Wonen - Leiden' met deels de functieaanduiding 'erf' en 'tunnel' en een bouwvlak. In het bouwvlak geldt de maatvoering: maximum bouwhoogte: 6 m en maximum goothoogte: 4 m. Verder gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie - 1' en 'Waterstaat - Waterkering'. In het deelgebied ligt ook een dubbelbestemming 'Leiding - Water'. De locatie van de leiding is aangegeven met de hartlijn leiding - water. Daarnaast is de gebiedsaanduiding 'overige zone - verkeerstunnel -beschermingszone' van toepassing op de locatie.

De gronden zijn in de bestaande situatie in gebruik als weidegrond. De bestemming van dit deelgebied wordt omgezet naar de bestemming 'Agrarisch met waarden'. De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie - 1', 'Waterstaat - Waterkering' en 'Leiding - Water' worden gehandhaafd.

2.3.1.2 Participatieproces

Er is geen participatieplan opgesteld voor de omgevingsplanwijziging Elza Hoeve. Participatie vindt namelijk op kleinschalige wijze plaats, waardoor een participatieplan niet nodig is. Omwonenden en belanghebbenden worden geïnformeerd via een brief over de omgevingsplanwijziging. Zij zijn betrokken op het niveau 'Informeren'. De naaste buren, woonachtig aan de Vlietweg 84-88, zijn in de gelegenheid gesteld om mee te doen aan de voorgenomen omgevingsplanwijziging. Zij zijn betrokken op het niveau 'Raadplegen' en hebben hun mening kunnen geven over de wijziging.

Kennisgeving

Op 19 december 2024 is een kennisgeving in lijn met artikel 16.29 van de Omgevingswet gepubliceerd. In deze kennisgeving heeft de gemeente laten weten dat er gestart wordt met een wijziging van het omgevingsplan. Er is tevens in de kennisgeving aangegeven dat er een participatieplan is gemaakt, waarin is aangegeven hoe inwoners, bedrijven en andere organisaties worden betrokken bij het maken van deze wijziging van het omgevingsplan. Ook is in de kennisgeving aangegeven waar het participatieplan digitaal is te raadplegen. Uiteindelijk is ervoor gekozen geen participatieplan op te stellen, omdat participatie op kleinschalige wijze plaatsvindt.

Participatie

Begin juli 2025 is een bewonersbrief verzonden naar belanghebbenden en omwonenden. Alle bewoners van de Vlietweg 11-19 (oneven) en Vlietweg 68z-106 (even) hebben deze brief ontvangen. Ook belanghebbenden zoals de gebruikers van de volkstuinparken, VvE Vlietpark en de pachters van het Zuid-Hollands Landschap zijn aangeschreven. In de brief zijn zij geïnformeerd over de voorgenomen omgevingsplanwijziging en de planning van de procedure.

Gedurende het project is er meermaals overleg geweest met de naaste buren, woonachtig aan de Vlietweg 84-88. Zij konden besluiten mee te doen aan de omgevingsplanwijziging. Een van hun percelen heeft een bedrijfsbestemming. In juni 2025 hebben zij besloten mee te doen aan de omgevingsplanwijziging.

De gemeente heeft geen reacties ontvangen op de kennisgeving over de voorgenomen omgevingsplanwijziging.

2.3.2 Planomschrijving
  • Deelgebied A

De agrarische bedrijfsactiviteiten van de Elza Hoeve worden verbreed met nevenactiviteiten. Deze zijn deels al aanwezig en zijn deels nieuw. De nevenactiviteiten vinden plaats in bestaande gebouwen en/of op het agrarisch erf. Er vindt geen nieuwbouw plaats ten behoeve van de nevenactiviteiten. In bijlage 4 van deze Metfal is een tekening toegevoegd waarop de verschillende nevenactiviteiten zijn aangegeven.

Het planvoornemen betreft in essentie daarom alleen een functiewijziging van enkele bestaande gebouwen en/of delen van het erf.

  • Deelgebieden B en C

Met de beëindiging van de aanleg van de RijnlandRoute en de bouw van de Corbulotunnel is de functie van het werkterrein komen te vervallen. De bestemming van deze gronden wordt daarom omgezet naar een bestemming/functie passend bij het karakter van de Oostvlietpolder.

De percelen met de woonbestemming, welke onderdeel zijn van de kadastrale percelen 1865, 2617 en 2621, worden omgezet naar een bestemming 'Agrarisch met waarden'. De aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - tijdelijk werkterrein' zal worden wegbestemd en de aanduiding 'caravanstalling' wordt gelegd op de schuur waar deze stalling ook daadwerkelijk plaatsvindt.

Hoofdstuk 3 Hoofdlijnen ruimtelijk beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie
3.1.1.1 Beleidskader

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. In de Nationale Omgevingsvisie wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk.

De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Ook worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen.

De vier prioriteiten

De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied


Drie afwegingsprincipes

Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. De fysieke leefomgeving omvat bouwwerken en infrastructuur, water en watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed, werelderfgoed. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd:

  • 1. Combineren boven enkelvoudig
  • 2. Kenmerken & identiteit
  • 3. Afwentelen voorkomen

3.1.1.2 Onderzoeksresultaten
  • Deelgebied A

De verbreding van de bedrijfsactiviteiten maakt het bedrijf toekomstbestendig(er). De Elza Hoeve vervult, mede vanwege het gegeven dat het bedrijf relatief veel grond beheert, een belangrijke rol bij het in standhouden van dit karakteristieke polderlandschap. Het planvoornemen draagt in die zin bij aan een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. In die zin sluit het plan aan bij de doelstellingen van de NOVI.

  • Deelgebied B en C

Het planvoornemen in deze deelgebieden betreft een bestemmingswijziging waarbij geen nieuwe bouwmogelijkheden ontstaan. De tijdelijke situatie ten behoeve van de aanleg van de RijnlandRoute is beëindigd. De weidegronden krijgen de bestemming 'Agrarisch met waarden' en het kadastraal perceel 2436 krijgt de bestemming 'Wonen'. De nationale belangen, de vier prioriteiten uit de Uitvoeringsagenda en de afwegingsprincipes worden niet geraakt door het beoogde planvoornemen voor deze deelgebieden.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (instructieregels)
3.1.2.1 Beleidskader

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) richt zich op bestuursorganen en geeft inhoudelijke normen waaraan zij hun taken en bevoegdheden ontlenen. Dit is onder andere bij het opstellen van omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en het vaststellen van omgevingsvergunningen en projectbesluiten. In hoofdstuk 5 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die de gemeente bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moet nemen. Deze instructieregels kunnen worden opgevat als de minimale vereisten waaraan een omgevingsplan in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet voldoen.

Het Bkl bevat instructieregels voor de volgende hoofdonderwerpen:

  • Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2);
  • Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3);
  • Beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
  • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden, cultureel erfgoed en werelderfgoed plus de instructieregels voor cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
  • Het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
  • Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën;
  • Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8);
  • Ter bescherming van Natura 2000-gebieden is in het BKL art 10.24 de regel opgenomen dat een plan alleen kan worden vastgesteld als zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet aantast. Als er wel sprake is van aantasting dan kan het plan alleen worden vastgesteld als aan voorwaarden wordt voldaan (ADC toets) (artikel 10.24 Bkl).

Daarnaast kent het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. Over de onderwerpen waarvoor het Bkl geen instructieregels heeft opgenomen (onderwerpen die buiten het toepassingsbereik van de instructieregels vallen) is de gemeente vrij om regels te stellen, mits dat past binnen de andere kaders natuurlijk.

Een belangrijke verbeterdoelstelling van de Omgevingswet is dat decentrale overheden meer bestuurlijke afwegingsruimte krijgen. Deze afwegingsruimte is in de instructieregels van het Bkl vormgegeven door voor een aantal thema´s (geluid, geur en trillingen) standaardwaarden en grenswaarden op te nemen. Overname van de standaardwaarde kan in beginsel zonder aanvullende motivering. Gebruikmaking van de ruimte tussen standaard- en grenswaarde vergt wel een aanvullende motivering.

3.1.2.2 Onderzoeksresultaten

In Hoofdstuk 7 wordt ingegaan op voor deze deelgebieden van toepassing zijn instructieregels vanuit het Bkl.

  • Deelgebied A

De gronden met een waterkerende functie langs de Vlietweg zijn voorzien van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Dit ter bescherming van de waterkering. In beginsel is het uitsluitend toegestaan om ten behoeve van de dubbelbestemming te bouwen. De waterbelangen zijn op deze manier geborgd.

  • Deelgebieden B en C

Tijdens de aanleg van de RijnlandRoute en de Corbulotunnel is een werkterrein ingericht. Dit werkterrein tastte de landschappelijke waarden van de Oostvlietpolder aan. Met het voorliggende TAM-omgevingsplan wordt de bedrijvenbestemming van het werkterrein gewijzigd in een bestemming/functie passend bij het karakter van de Oostvlietpolder. Een deel van het voormalige werkterrein wordt door de Elza Hoeve wederom in gebruik genomen voor het grondgebonden veehouderijbedrijf. Dit zal de landschappelijke waarden van de Oostvlietpolder ten goede komen.

Een tweede effect dat optreedt is een verbetering van het woon- en leefklimaat als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden aan de RijnlandRoute en de Corbulotunnel. Door het wegvallen van de werkzaamheden is een vermindering opgetreden van de (milieu) belasting op de omgeving. Denk hierbij aan de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen en geluid.

Het planvoornemen in deze deelgebieden zijn daarom niet strijdig met het Bkl.

3.1.3 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) (instructieregels)
3.1.3.1 Beleidskader

Als het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor een bepaalde activiteit geen regels stellen, heeft de gemeente in principe de beleidsvrijheid om in het omgevingsplan daar zelf regels over te stellen. Daarbij gelden uiteraard grenzen:

  • het moet de fysieke leefomgeving betreffen;
  • als het al uitputtend geregeld is in wetgeving die niet opgaat in de Omgevingswet, kan het niet in het omgevingsplan geregeld worden, tenzij het met een ander oogmerk gebeurt;
  • de instructieregels van het Bkl kunnen bepalen dat voor een bepaald onderwerp regels moeten worden gesteld in het omgevingsplan en daarbij ook hoe - denk aan het hiervoor genoemde onderwerp geluid.

Als het Bal of Bbl voor bepaalde activiteiten of bouwwerken wel regels stellen, is het mogelijk dat er maatwerkregels kunnen worden opgenomen in het omgevingsplan, bijvoorbeeld om cumulatie van de gevolgen van effecten van Bal-activiteiten te beperken. Maatwerkregels zijn gebiedsgerichte algemene regels in het omgevingsplan waarmee wordt afgeweken van Bal- of Bbl-regels of waarmee een nadere invulling of concretisering wordt gegeven van Bal- of Bbl-regels. Bij de regels uit het Bal is generiek maatwerk mogelijk, tenzij er specifieke uitzonderingen worden aangegeven. Bij de regels in het Bbl is dat andersom: maatwerkregels zijn alleen mogelijk als dat specifiek wordt toegestaan, zoals bij de eisen aan Bijna Energie Neutraal Bouwen (BENG). Als maatwerkregels mogelijk zijn, geven Bal en Bbl aan binnen welke grenzen daarmee kan worden afgeweken of nader worden ingevuld ten opzichte van de Bal-/Bbl-regels.

De gemeente heeft op grond van het Bal en Bbl vaak ook de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften landen niet in het omgevingsplan, maar zijn afzonderlijke besluiten die gericht zijn aan één initiatiefnemer. Toch zijn ook verleende maatwerkvoorschriften van belang bij het opstellen van het omgevingsplan. In ieder geval moet de gemeente, bij het beoordelen of maatwerkregels zullen worden gesteld, ook nagaan of over het betreffende onderwerp al eerder maatwerkvoorschriften zijn gesteld. Die maatwerkvoorschriften kunnen mogelijk worden geïntegreerd in de maatwerkregels, en dan (na inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan) worden ingetrokken. Met name als er voor een bepaald onderwerp in het verleden veel maatwerkvoorschriften zijn gesteld, is het aan te raden om te bekijken of maatwerkregels in het omgevingsplan niet tot een evenwichtiger en toekomstbestendiger resultaat kunnen leiden.

3.1.3.2 Onderzoeksresultaten
  • Deelgebied A

Door de Omgevingsdienst West-Holland is advies uitgebracht over de verbreding van de bedrijfsactiviteiten in relatie tot de relevante milieuaspecten. De aspecten bedrijven en milieuzonering, ecologie en externe veiligheid moeten nader worden beschouwd. Zie hiervoor Hoofdstuk 7. Voor de overige aspecten verwacht de Omgevingsdienst op basis van de beschikbare informatie geen belemmeringen voor het plan.

  • Deelgebieden B eb C

Binnen deze deelgebieden vinden geen activiteiten plaats die onder het Bal vallen. Bovendien zal met de bestemmingswijziging geen nieuwe bouwmogelijkheden worden toegelaten. Het Bbl is daarom ook niet van toepassing.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciale omgevingsvisie
3.2.1.1 Beleidskader

Op 16 juni 2021 is de laatste versie van de provinciale Omgevingsvisie vastgesteld. Deze versie is in werking getreden op 7 augustus 2021. Het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving is samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities. In de Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving vastgesteld:

  • 1. Naar een klimaatbestendige delta
  • 2. Naar een nieuwe economie: the next level
  • 3. Naar een levendige meerkernige metropool
  • 4. Energievernieuwing
  • 5. Best bereikbare provincie
  • 6. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving


Beleid ruimtelijke kwaliteit

De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit.

Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten:

  • De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder.
  • Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid.
  • Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is.
  • De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is.


In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkelingen:

  • 1. Inpassing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten.
  • 2. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.
  • 3. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Bij transformatieopgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen en een kwalitatief optimaal resultaat. Gelet op de verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat. Ook hierbij kunnen ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig zijn om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.


De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau, en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn.

3.2.1.2 Onderzoeksresultaten
  • Algemeen

De voorgenomen ontwikkelingen voor alle deelgebieden valt onder het type ontwikkeling 'inpassing', aangezien het beoogde plan op structuurniveau geen wijzigingen aanbrengt. Daarnaast zijn de fysieke veranderingen beperkt, waardoor de aard, schaal en identiteit van het plangebied niet veranderd.

Gekeken is welke relevante kwaliteitskaarten van toepassing zijn op het plangebied en welke richtlijnen hierbij horen.

Laag van de ondergrond

Het plangebied is gelegen in 'Rivierdeltacomplex - jonge zeeklei'. Het richtpunt voor ontwikkelingen in dit gebied is:

  • Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden.

Laag van de cultuur- en natuurlandschappen

Het plangebied is gelegen in 'Veen(weide)landschap'. De richtpunten voor ontwikkelingen in dit gebied zijn:

  • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden.
  • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen.
  • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden.
  • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders.
  • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.

Laag van de stedelijke occupatie

Het deelgebieden liggen deels gelegen in 'Stads- en dorpsranden (200 meter)'. Tevens is het plangebied deels gelegen in 'Ruimtelijke reservering wegennetwerk'. De richtpunten voor ontwikkelingen in deze gebieden zijn:

  • Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap).
  • Ontwikkelingen in stad en land houden rekening met het zicht vanuit de trein op de omgeving
  • Ontwikkelingen in stationsgebieden dragen bij aan de versterking van de (hoog)stedelijke kwaliteit ter plaatsen.
  • Nieuwe infrastructuur wordt aangelegd als een logische verbinding van A naar B die ook na langere tijd nog begrijpbaar is.
  • Bij nieuwe provinciale wegen beweegt de weg waar mogelijk mee met de hoofdrichting van het landschap.
  • Nieuwe of aan te passen infrastructuur wordt altijd beschouwd als een integrale gebiedsopgave inclusief inpassingsvraagstukken. Hieronder wordt naast ligging in het landschap ook verstaan; zorgvuldig omgaan met doorlopende landschappelijke structuren, logische oplossingen voor doorgaande ecologische verbindingszones.
  • Een visuele relatie tussen weg en omgeving is gewenst. Waar wegen landschappelijk hoofdstructuren kruisen, dient de landschappelijke lijn als afzonderlijke structuur zichtbaar en herkenbaar te blijven. Deze 'contactpunten' (bijvoorbeeld tunnels, viaducten, aquaducten) worden met zorg ontworpen en komen terug in de beeldkwaliteitsparagraaf.
  • Buiten het stedelijk gebied worden rijks- en provinciale -wegen niet als verstedelijkingsas benut. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen die een relatie met de weg hebben concentreren zich bij de op -en afritten van de weg.
  • Daar waar een weg tegelijkertijd de rand van bebouwing vormt, is extra aandacht vereist voor de kwaliteit van de stads- of dorpsrand, waaronder doorgaande verbindingen tussen stad en ommeland.

Laag van de beleving

De deelgebieden liggen in de 'Groene buffers'. De richtpunten voor ontwikkelingen in dit gebied zijn:

  • Er vinden geen grootschalige nieuwe ontwikkelingen plaats in de bufferzone.
  • Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied.

  • Deelgebied A

Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het gebied met beschermingscategorie 2 met de gebiedstypen belangrijk weidevogelgebied, groene buffer en recreatiegebied.

Het planvoornemen voorziet onder andere in een verbreding van de activiteiten van het grondgebonden veehouderijbedrijf. De verbredingsactiviteiten vinden plaats op het bestaande erf en/of in de bestaande bebouwing. Het plan gaat daarom niet ten koste van het weidevogelgebied en/of de groene buffer. Ook blijft het verkavelingspatroon in tact. De ontwikkelingen in de deelgebieden B en C (zie onderstaand) zullen juist het belangrijk weidevogelgebied en de groene buffer versterken.

De verbredingsactiviteiten richten zich ook op recreatie. In die zijn draagt het plan bij aan het versterken van het belangrijk recreatiegebied. Dit sluit aan bij het richtpunt uit de 'Laag van de beleving'.

De bestemmingswijziging, zoals met het voorliggende TAM-omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt, heeft verder geen effect op het richtpunten zoals voortgekomen uit de 'Laag van de ondergrond' en de 'Laag van de stedelijke occupatie'.

Het planvoornemen heeft tot slot geen negatieve gevolgen voor de genoemde gebiedstypen.

  • Deelgebieden B en C

De bestemmingswijziging, zoals met het voorliggende TAM-omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt, heeft geen effect op het richtpunt zoals voortgekomen uit de 'Laag van de ondergrond'.

In de regels van dit TAM-omgevingsplan is expliciet opgenomen dat de gronden bestemd zijn voor het behoud, herstel en de instandhouding van de aanwezige natuurwaarden en de landschappelijke waarden. In de begripsbepalingen is aangegeven dat de natuurwaarden de aan een gebied toegekende waarde(n) met betrekking tot de leefomgeving van weidevogels zijn, gericht op het voorkomen van (extra) predatiedruk. Ten aanzien van de landschappelijke waarden is aangegeven dat dit de toegekende waarde(n) met betrekking tot het open slagenlandschap met de daarbij behorende van noordwest naar zuidoost lopende slotenstructuur betreft. Tevens is in het TAM-omgevingsplan voorzien in een verbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werk of van werkzaamheden. Hiermee zijn de richtpunten zoals voortgekomen uit de ligging in het 'Veen(weide)landschap' voldoende geborgd in dit TAM-omgevingsplan. De bestemmingswijziging zoals met het voorliggende TAM-omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt heeft hierop derhalve geen negatief effect.

De bestemmingswijziging zoals met het voorliggende TAM-omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt, heeft geen effect op het richtpunt zoals voortgekomen uit de 'Laag van de stedelijke occupatie' doordat geen sprake is van een nieuwe (infrastructurele) ontwikkeling.

Het beoogde plan betreft een bestemmingswijziging waarbij geen nieuwe bouwmogelijkheden ontstaan. De tijdelijke situatie ten behoeve van de aanleg van de RijnlandRoute is beëindigd en de gronden krijgen grotendeels de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Voor het kadastraal perceel 2436 herleefd de bestemming 'Wonen'. Er is geen sprake van een nieuwe ontwikkeling en dit TAM-omgevingsplan heeft daarmee ook geen effect op de richtpunten uit de 'Laag van de beleving'.

Ten aanzien van de kwaliteitskaarten en bijbehorende richtpunten kan aangegeven worden dat aan de van toepassing zijnde richtpunten wordt voldaan en er geen (negatieve) effecten optreden. Hierdoor ontstaat geen strijdigheid met de provinciale Omgevingsvisie.

Omdat het gebruik van de gronden in deze deelgebieden in het teken komt te staan van het grondgebonden veehouderijbedrijf en bestaat uit de beweiding van vee of ten behoeve van de winning van hooi en gras en het behouden van de landschappelijke waarden.

Deze ontwikkeling zal een positief effect hebben op de gebiedstypen belangrijk weidevogelgebied en groene buffer.

3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland
3.2.2.1 Beleidskader

Per 1 januari 2024 is de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) in werking getreden. In de verordening van provinciale staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Aan deze regels moeten ruimtelijke plannen van de gemeenten voldoen. Enkele relevante speerpunten uit de omgevingsverordening zijn de regels voor ruimtelijke kwaliteit en het toepassen van de ladder voor duurzame verstedelijking. Voor de ladder voor duurzame verstedelijking geldt overigens dat deze op basis van landelijke regelgeving niet van toepassing is, maar dat de provincie de bevoegdheid heeft nadere regels te stellen met betrekking tot de onderbouwing van de (regionale) behoefte, hetgeen de provincie Zuid-Holland in haar verordening heeft gedaan.

Stedelijke ontwikkelingen

Op basis van artikel 7.44 van de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland dient een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen, bedrijventerreinen of kantoren mogelijk maakt rekening te houden met de op de behoefteramingen van gedeputeerde staten gebaseerde regionale afgestemde behoefte aan deze ontwikkeling. De regionaal afgestemde behoefte kan blijken uit de instemming met of vaststelling van regionale bestuurlijke afspraken door gedeputeerde staten of uit een door gedeputeerde staten openbaar gemaakt document.

Regels voor ruimtelijke kwaliteit

Voor toetsing aan de provinciale regels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit is vooral de ruimtelijke impact van een ontwikkeling van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging.

In paragraaf 7.3.7 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn de regels ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling opgenomen. In geval van het type ontwikkeling 'inpassing' (zie ook 3.2.1 Provinciale omgevingsvisie) speelt de ontwikkeling zich af op het niveau van een kavel. Bestaande structuren en kwaliteiten veranderen niet tot nauwelijks en er wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Wanneer sprake is van een stedelijke ontwikkeling, moet eveneens worden voldaan aan artikel 7.45 van de Omgevingsverordening; de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Als over de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd of die door gedeputeerde staten zijn vastgesteld, dan kan de motivering van de behoefte, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken.

Werelderfgoed

Het beleid van de Provincie Zuid-Holland richt zich, conform het Rijksbeleid en de Omgevingswet op het behouden van archeologische waarden op de plaats waar de waarden zijn aangetroffen.

In de omgevingsverordening regelt de provincie de bescherming van drie typen gebieden die als provinciaal belang zijn aangemerkt: Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes, de Neder-Germaanse Limes Verwachtingszone en gebieden met hoge en zeer hoge bekende archeologische waarden. Voor deze gebieden dienen gemeenten de bescherming conform de richtlijnen van de provincie op te nemen in ruimtelijke plannen (art. 7.68a, 7.68b en 7.70).

Voor deze gebieden dienen gemeenten de bescherming conform de richtlijnen van de provincie op te nemen in ruimtelijke plannen. In overige gebieden hebben gemeenten de vrijheid om gemotiveerd (op basis van een gemeentelijke archeologische waardenkaart) af te wijken van de in de Omgevingswet voorgeschreven vrijstellingsgrenzen.

In de Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes en de gebieden met hoge en zeer hoge bekende archeologische waarden geldt bij uitstek het uitgangspunt van behoud in situ. Waar dit niet mogelijk is, dient het behoud van archeologische resten in ieder geval via onderzoek te worden gewaarborgd. De Neder-Germaanse Limes verwachtingszone kent een planologische bescherming die het behoud van archeologische resten via onderzoek waarborgt.

Risico's van klimaatverandering

In artikel 7.23 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van:

  • a. wateroverlast door overvloedige neerslag;
  • b. overstroming;
  • c. hitte;
  • d. droogte;


alsmede de effecten van de bovengenoemde risico's van bodemdaling. Voor zover risico’s zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico’s.

In paragraaf 5.1 Klimaatadaptatie en biodiversiteit van deze motivering is uitgebreid toegelicht, op welke wijze rekening wordt gehouden met de risico's van klimaatverandering.

Agrarische bedrijven

In artikel 7.59 lid 3 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een omgevingsplan voor agrarisch gebied onder de volgende voorwaarden kan voorzien in verbredingsactiviteiten bij agrarische bedrijven, waaronder zorg, recreatie, energieopwekking en de verkoop van producten uit eigen teelt:

  • e. het oprichten van bebouwing of het aanbrengen van verharding voor de verbredingsactiviteit is in beperkte mate mogelijk binnen het agrarisch bouwperceel, dat hiervoor in afwijking van het eerste lid, onder a en b, zo nodig vergroot kan worden met ten hoogste 0,5 hectare;
  • f. de agrarische functie blijft de hoofdfunctie van het bedrijf; en
  • g. de bedrijfsvoering van de omliggende agrarische bedrijven wordt niet belemmerd.

3.2.2.2 Onderzoeksresultaten
  • Deelgebied A

De ruimtelijke impact van de ontwikkeling is zeer beperkt omdat het een gebiedseigen ontwikkeling betreft. Bovendien blijft de oppervlakte van de bestemming 'Agrarisch' waarbinnen de agrarische activiteiten en verbredingsactiviteiten plaatsvinden, qua omvang gelijk.

Het planvoornemen sluit aan bij de mogelijkheden die de Omgevingsverordening biedt voor verbreding van agrarisch bedrijven aangezien het grondgebonden agrarisch bedrijf ruimtelijke de hoofdfunctie blijft, er geen omliggende agrarische bedrijven worden belemmerd. Uitbreiding van het bouwperceel is (nog) niet aan de orde.

Omdat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling, is toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde.

Het planvoornemen voorziet niet in een (wezenlijke) toename aan verharding. De nevenactiviteiten vinden plaats in bestaande gebouwen en op het erf. Ten behoeve van het terras wordt enige erfverharding aangebracht. Dit is echter zodanig beperkt dat dit geen gevolgen zal hebben voor wateroverlast als gevolg van neerslag.

  • Deelgebieden B en C

Het planvoornemen in deze deelgebieden ligt niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Daarnaast betreft het beoogde plan een type ontwikkeling "inpassing". In paragraaf 3.2.1.2 is het beoogde plan in het plangebied reeds getoetst aan de relevante richtpunten. Hieruit is naar voren gekomen dat het beoogde plan past bij de gebiedsidentiteit en zich voegt in de bestaande structuur. De richtpunten zijn hierbij in acht genomen.

Verder liggen de deelgebieden in beschermingscategorie 2, het recreatiegebied en de groene buffer. In gevolge van de ligging in dit gebied kan in beginsel slechts een ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt die vallen onder de noemer "inpassen" of "aanpassen" en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9b (recreatiegebied), 6.9c (belangrijk weidevogelgebied) of 6.9d (groene buffers). Onderhavige ontwikkeling betreft een type ontwikkeling "inpassing" en is niet in strijd met de genoemde artikelen. Dit TAM-omgevingsplan voorziet niet in een ruimtelijke ontwikkeling met een negatief effect op het recreatiegebied of de groene buffer. Met het opnemen van de bestemming 'Agrarisch met waarden' zijn de gronden mede bestemd voor het behoud, herstel en de instandhouding van de aanwezige landschappelijke waarden.

Het planvoornemen in deze deelgebieden betreft ook geen stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro. Gezien de aard en de omvang van de ontwikkeling die met dit TAM-omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt is het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking niet benodigd.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020
3.3.1.1 Beleidskader

De Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020, die een beleidsmatige doorkijk biedt tot 2030, is op 25 juni 2009 en in 2012 deels herziend vastgesteld door het Algemeen Bestuur van het samenwerkingsorgaan Holland-Rijnland en vormt het gemeenschappelijke toetsingskader van alle regiogemeenten. Alle ruimtelijke ontwikkelingen in deze regio worden hieraan getoetst.

De Holland Rijnland gemeenten willen een aantrekkelijke regio blijven, waar je niet alleen plezierig werkt en woont, maar ook prettig kunt recreëren. Ook moet Holland Rijnland goed bereikbaar zijn met het openbaar vervoer en de auto. Verder wil de regio zich onderscheiden in de Randstad en bijdragen aan de internationale positionering daarvan. Onder andere door de toegevoegde waarde op het gebied van landschap, wonen en economie. In het bijzonder voor economische sectoren als Greenport, Bio Sciences en ruimtevaarttechnologie.

De visie bevat zeven kernbeslissingen die uitgaan van een evenwichtige ontwikkeling van wonen, recreatie, infrastructuur en intensief, meervoudig en duurzaam ruimtegebruik. De kernbeslissingen zijn:

  • 1. Holland Rijnland is een top woonregio;
  • 2. Leiden vervult een regionale centrumfunctie;
  • 3. Concentratie stedelijke ontwikkeling;
  • 4. Groenblauwe kwaliteit staat centraal;
  • 5. Het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open;
  • 6. Speerpunt voor economische ontwikkeling: Kennis;
  • 7. Speerpunt voor economische ontwikkeling: Greenport.

3.3.1.2 Onderzoeksresultaten
  • Deelgebied A

De Elza Hoeve ligt in het gebied dat op de kaart 'Groen blauw - Natuur en recreatie' van Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020 is aangewezen als openluchtrecreatie of stedelijk groen. De groene pijl geeft de groene verbinding aan. Zie ook de onderstaande uitsnede van de genoemde kaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.TAM00004-0302_0004.png"

Afbeelding 3.1 uitsnede kaart 'Groen blauw - Natuur en recreatie' van Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020

Het voornemen om de bedrijfsactiviteiten te verbreden heeft een positief effect op de toekomstbestendigheid van het bedrijf van initiatiefnemer. Het voortbestaan van het agrarisch bedrijf met verbredingsactiviteiten is belangrijk voor de instandhouding van het karakteristieke polderlandschap en de bijbehorende slagenverkaveling en watergangen. De Elza Hoeve vervult, mede vanwege het gegeven dat het bedrijf relatief veel grond beheert, een belangrijke rol bij het in standhouden van dit karakteristieke groene polderlandschap.

Het planvoornemen sluit daarom aan bij de doelstellingen van Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020 om de Oostvlietpolder groen te houden.

Een aantal van de verbredingsactiviteiten van de Elza Hoeve richten zich op recreatie. Dit sluit tevens aan bij de koers voor het gebied vanuit de regionale structuurvisie.

  • Deelgebieden B en C

Het planvoornemen in deze deelgebieden betreft een bestemmingswijziging waarbij geen nieuwe bouwmogelijkheden ontstaan. De tijdelijke situatie ten behoeve van de aanleg van de RijnlandRoute is beëindigd en de gronden krijgen grotendeels de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Dit TAM-omgevingsplan zorgt voor het behoud van de groen-blauwe kwaliteit onder andere doordat in de regels expliciet is opgenomen dat de gronden bestemd zijn voor het behoud, herstel en de instandhouding van de aanwezige natuurwaarden en de landschappelijke waarden. In de begripsbepalingen is aangegeven dat de natuurwaarden de aan een gebied toegekende waarde(n) met betrekking tot de leefomgeving van weidevogels zijn, gericht op het voorkomen van (extra) predatiedruk. Ten aanzien van de landschappelijke waarden is aangegeven dat dit de toegekende waarde(n) met betrekking tot het open slagenlandschap met de daarbij behorende van noordwest naar zuidoost lopende slotenstructuur betreft. Tevens is in het TAM-omgevingsplan voorzien in een verbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werk of van een werkzaamheid.

3.3.2 Regionale Investeringsagenda
3.3.2.1 Beleidskader

We staan in de regio Holland Rijnland voor uiteenlopende en uitdagende opgaven op het gebied van woningbouw, economie, natuur, klimaat, bereikbaarheid en duurzaamheid. De Regionale Investeringsagenda (2024) laat zie hoe wij in Holland Rijnland bijdragen aan het oplossen van nationale en regionale opgaven. Deze opgaven overstijgen de gemeentegrenzen en vragen om slagkracht, tempo, kwaliteit en draagvlak. Regionale samenwerking, is hierbij de sleutel tot succes. De ambities en opgaven zijn gebundeld in een Regionale Investeringsagenda. Deze gezamenlijke agenda bevat afspraken over de ambities en de aanpak van de opgaven. Het biedt een overzicht van projecten in onze regio waar prioriteit aan geven wordt.

Er is een viertal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:

  • 1. Een bereikbare en verbonden regio
  • 2. Een duurzame en energiezekere regio
  • 3. Een economisch sterke en innovatieve regio
  • 4. Een groene en klimaatbestendige regio

De mobiliteitssopgaven komen vanuit hoofdopgave 1. Met de investeringsagenda wordt ingezet op projecten waarmee we de regio in de toekomst op een duurzame manier verbonden en bereikbaar houden. Er wordt gewerkt aan een betere (ov-)verbinding tussen stad en platteland, het tegengaan van vervoersarmoede en we maken de transitie naar duurzame vervoersmiddelen. Ingezet wordt op hoogwaardig ov, goede fietsverbindingen en aanpassingen in de infrastructuur om te voorkomen dat het verkeer (nog meer) vastloopt. Waar nodig verbeteren we autoverbindingen.

3.3.2.2 Onderzoeksresultaten
  • Deelgebied A

Vanuit de RIA worden projecten uitgevoerd die bijdragen aan het groenblauwe raamwerk, met groene ringen, groene randen en groene vingers. De Oostvlietpolder is onderdeel van een groene vinger (verbinding) tussen Duin Horst & Weide en het Groene Hart.

De verbreding van de bedrijfsactiviteiten, die met het planvoornemen mogelijk worden gemaakt, dragen bij in de verbetering van een duurzame bedrijfsvoering van de Elza Hoeve. Omdat de Elza Hoeve een belangrijke beheerder van het polderlandschap is, zal het planvoornemen indirect ook bijdragen aan het behoud van het polderlandschap.

  • Deelgebieden B en C

Het gebruik van de gronden in deze deelgebieden komt grotendeels in het teken te staan van het grondgebonden veehouderijbedrijf en bestaat uit de beweiding van vee of ten behoeve van de winning van hooi en gras en het behouden van de landschappelijke waarden.

Deze ontwikkeling heeft een positief effect op de Oostvlietpolder als groene vinger.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Leiden 2040
3.4.1.1 Beleidskader

Op 9 november 2021 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Leiden 2040 1.1-versie vastgesteld (RV 21.0078). De omgevingsvisie beschrijft op hoofdlijnen de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Leiden. De ontwerp Omgevingsvisie Leiden 2040 is opgedeeld in vier thema's: groen-blauw raamwerk, aantrekkelijk vestigingsklimaat, duurzame mobiliteit en bodem als fundament. Per thema zijn verschillende keuzes gemaakt voor de lange termijn. Elke keuze bevat een verdere uitwerking over hoe dit bereikt kan worden.

In aanloop naar 2040 wordt ingezet op het verder versterken van (internationale) kennis, (historische) cultuur en in het realiseren van een duurzame, leefbare, innovatieve en inclusieve stad met plek voor iedereen. Er is meer groen en water, er is ruimte voor beweging en ontmoeting in de buurt en er zijn voldoende woningen en banen. Belangrijke stadskeuzes in de ontwerp Omgevingsvisie Leiden 2040 zijn:

  • Er wordt ruimte gemaakt voor een groen-blauw raamwerk, inclusief een tweede groene ring om in te spelen op klimaatveranderingen, de biodiversiteit te versterken en een gezonde en beweegvriendelijke leefomgeving te bieden.
  • Er wordt binnenstedelijke verdicht in plaats van gebouwd in het buitengebied.
  • We bouwen, op een duurzame, klimaatadaptieve en natuurinclusieve wijze, naar behoefte (woningen, banen en voorzieningen) in gemengde stedelijke gebieden.
  • De hoogbouwclusters geven aan waar het toegestaan is om meer hoogbouw te realiseren.
  • We kiezen voor duurzame mobiliteit: gezond, schoon, veilig en ruimte-efficiënt. Hierbij ligt het accent op lopen, fietsen en openbaar vervoer. In combinatie met een minder prominente rol voor de (stilstaande en/of rijdende) auto in de stad en uitbreiding van autoluwe gebieden in de stad.
  • De inrichting van de onder- en bovengrond wordt beter op elkaar afgestemd.

3.4.1.2 Onderzoeksresultaten
  • Deelgebied A

De gemeente geeft in de omgevingsvisie aan dat de Oostvlietpolder één van de weinige (buiten) gebieden in Leiden is. De Oostvlietpolder blijft open, onbebouwd en groen en wordt doorontwikkeld als een duurzame groene en recreatieve schakel die de omliggende groen gebieden met elkaar verbindt. Initiatieven binnen de Oostvlietpolder dienen bij te dragen aan de versterking van het duurzaam groene karakter. Het karakteristieke open slagenlandschap is daarbij het uitgangspunt voor verdere inrichting.

Het planvoornemen tast de openheid en het groen van de polder niet aan. Door in te zetten op verbreding in plaats van schaalvergroting blijft het bedrijf een kleinschalig karakter behouden. Hierdoor blijft de impact op het karakteristieke polderlandschap gering. Het voortbestaan van het agrarisch bedrijf met verbredingsactiviteiten is belangrijk voor de instandhouding van het karakteristieke polderlandschap en de bijbehorende slagenverkaveling en watergangen. De Elza Hoeve vervult, mede vanwege het gegeven dat het bedrijf relatief veel grond beheert, een belangrijke rol bij het in standhouden van dit karakteristieke polderlandschap.

  • Deelgebieden B en C

Het planvoornemen van deze deelgebieden ligt in het 'groen-blauwe raamwerk'. Met het groen-blauwe raamwerk worden bestaande, soms versnipperde groengebieden en waterstructuren slim verbonden, (grotendeels) toegankelijk gemaakt of uitgebreid zodat de meerwaarde voor gebruik, beleving en zichtbaarheid zo groot mogelijk is voor de stad.

De Oostvlietpolder is een van de weinige (buiten)gebieden in Leiden. De Oostvlietpolder moet open blijven, onbebouwd en groen en wordt doorontwikkeld als een duurzame groene en recreatieve schakel die de omliggende groengebieden met elkaar verbindt. Initiatieven binnen de Oostvlietpolder dienen bij te dragen aan de versterking van het duurzaam groene karakter. Het karakteristieke open slagenlandschap is daarbij het uitgangspunt voor verdere inrichting.

Het beoogde plan betreft een bestemmingswijziging waarbij geen nieuwe bouwmogelijkheden ontstaan. De tijdelijke situatie ten behoeve van de aanleg van de RijnlandRoute is beëindigd en de gronden krijgen grotendeels de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Dit TAM-omgevingsplan zorgt voor het behoud van groen-blauwe raamwerk onder andere doordat in de regels expliciet is opgenomen dat de gronden bestemd zijn voor het behoud, herstel en de instandhouding van de aanwezige natuurwaarden en de landschappelijke waarden. Tevens is in het TAM-omgevingsplan voorzien in een verbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werk of van een werkzaamheid. Dit TAM-omgevingsplan draagt hierdoor bij aan de versterking van het duurzaam groene karakter van de Oostvlietpolder als onderdeel van het groen-blauwe raamwerk van Leiden.

3.4.2 Toetsingskader Oostvlietpolder Duurzaam groen
3.4.2.1 Beleidskader

Het toetsingskader Oostvlietpolder heeft als doel om te voorkomen dat in de polder ontwikkelingen plaatsvinden die niet bijdragen aan de versterking van het duurzaam groene karakter van het gebied.

Het toetsingskader is een voorwaarde om het aantal belanghebbende (markt)partijen in het gebied actief te kunnen vergroten. Ondernemers en partijen wiens activiteiten het duurzaam groene karakter van de Oostvlietpolder helpen behouden en versterken worden actief uitgenodigd om zich in het gebied te vestigen. Dat vergroot niet alleen de aantrekkingskracht van de Oostvlietpolder, maar geeft belanghebbenden ook een sterkere positie in het gebied.

Tuin van Leiden

De Oostvlietpolder is de laatste groene polder op het grondgebied van Leiden. Weliswaar
wordt het gebied door de A4 van het Groene Hart afgesneden, maar door het open polderlandschap, het volkstuinen complex en de Vliet zelf is er toch het gevoel dat het Groene Hart hier begint. Deze “stepping stone” naar het Groene Hart is het begin, het is de tuin van Leiden.

Recreatie

De Oostvlietpolder verbindt het Recreatiegebied Vlietland in het zuiden en de parken Polderpark Cronesteyn, de Bult en Matilo in het noorden. Daarnaast is de polder een essentiële schakel voor de verbinding met het Land van Wijk en Wouden in het oosten en het Duin Horst en Weidegebied in het westen. De fraai ingepaste Vlietweg, over de hele lengte vanaf de Hoge Rijndijk tot aan de grens van de bebouwing van Leidschendam is één van de mooiste lange onafgebroken recreatieve
noord-zuidverbindingen in de regio tussen Den Haag en Leiden.

Kwaliteiten

Met de huidige ambities om de Oostvlietpolder duurzaam groen te ontwikkelen pleit alles ervoor om het gebied te zien als onderdeel van de voormalige Rijksbufferzone Den Haag-Leiden-Zoetermeer. Het is een schakel in het groene polderland, en een schakel tussen parkgebieden en daarmee een verbindingszone. Het open polderland is een essentieel onderdeel van dat beeld en daarmee van het metropolitaan park Den Haag-Leiden.

Ambities

De Oostvlietpolder is een essentiële schakel in het groene landschap rondom de Leidse agglomeratie. Vanuit dat regionale perspectief is het belangrijk dat de relaties tussen deze verschillende gebieden worden behouden en versterkt. Als onderdeel van het metropolitaan park Den Haag-Leiden sluit de Oostvlietpolder aan bij de Vlietlanden en polderpark Cronesteyn. Wil het groen van de Oostvlietpolder ook duurzaam zijn dan voegt het gebied zich in deze structuur zonder daarbij het eigen landelijke karakter te verloochenen.

De bijdrage van de Oostvlietpolder aan het grotere geheel zal de ruimtewerking, ecologische waarden (weidevogels) en de beleving van de polder zijn. Om dat te kunnen ervaren wordt de relatie met de omliggende gebieden versterkt door waar nodig de kwaliteit van de verbindingen te verbeteren en door te trekken.

Ruimtewerking

Voor het casco in de Oostvlietpolder is het aanwezige slagenlandschap met zijn groen/blauwe lijnen in oost-westelijke richting beeldbepalend. Deze lange lijnen dragen in hoge mate bij aan de ruimtewerking van het landschap en zijn essentieel voor de ecologische structuur van het gebied. Daarnaast is het onmiskenbaar zo dat op plekken de zichtlijnen ophouden op infrastructuur. Op plekken wordt de infra door bomen aan het zicht te onttrokken waardoor het gebied meer het karakter krijgt van een coulissen landschap.

Ecologische waarden (weidevogels)

Het historische slagenlandschap van het weidevogelgebied met veeteelt blijft onaangetast. Langs de ecologische zone wordt het struinpad voor wandelaars- en hardlopers toegevoegd.

Belevingswaarde

De belevingswaarde van het gebied is belangrijk. Dat geldt op de eerste plaats voor de Vliet en de Vlietweg, maar zeker ook voor het groen. Op dit moment is het groen kijkgroen. Het gebied is per fiets en te voet te doorkruisen vanaf de Vlietweg naar de Hofvlietweg, waarna via een tunnel naar Zoeterwoude kan worden gefietst. Verder zijn er recreatieve paden door de bosjes (oude volkstuinen) langs de Hofvlietweg (bereikbaar vanaf het fietspad) en kan men terug wandelen door de weides die tussen de volkstuinparken liggen.

3.4.2.2 Onderzoeksresultaten
  • Deelgebied A

Het agrarisch bedrijf van initiatiefnemer is uniek in Leiden. Hij is de laatste boer die actief is binnen de gemeentegrenzen. Het behoudt van dit bedrijf in de Oostvlietpolder draagt een belangrijke steen bij aan een duurzame groene Oostvlietpolder.

Het gedeelte van de polder waar de Elza Hoeve is gevestigd is aangewezen als weidevogelgebied. Zie ook afbeelding 3.2. Het historische slagenlandschap van het weidevogelgebied met veeteelt blijft met het planvoornemen onaangetast.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.TAM00004-0302_0005.png"

Afbeelding 3.2: weidevogelgebied in het westen van de polder

De Elza Hoeve zorgt met het beheer en het weiden van de gronden mede voor een duurzaam groene karakter van de Oostvlietpolder. Dit sluit aan bij het Toetsingskader.

De beleving van de Oostvlietpolder / het groen wordt versterkt door de verblijfsmogelijkheden en de verblijfswaarde te vergroten. Hier speelt initiatiefnemer op in door met recreatieve verbredingsactiviteiten zoals de standplaats voor campers. Ook de klanten van de pensionstalling verblijven in de Oostvlietpolder en kunnen genieten van het groen en de natuur van de polder. Ook het berijden van het paard of de pony in de polder draagt zo een steentje bij aan het vergroten van de belevingswaarde van het groen.

Het planvoornemen sluit op verschillende onderdelen goed aan bij het Toetsingskader.

  • Deelgebieden B en C

De bestemming van de gronden in deze deelgebieden wordt grotendeels gewijzigd in een 'Agrarisch met waarden'. Voor het kadastraal perceel 2436 herleefd de woonbestemming.

De nieuwe agrarische bestemming / functie komt de kwaliteit van de Oostvlietpolder, welke bestaat uit groene ruimte in combinatie met landbouw die in het teken staat van natuur(beleving), ten goede.

Dit TAM-omgevingsplan zorgt voor het behoud en versterking van de groene ruimte in combinatie met landbouw onder andere door de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden'. In de regels behorende bij deze bestemming is expliciet opgenomen dat de gronden bestemd zijn voor het behoud, herstel en de instandhouding van de aanwezige natuurwaarden en de landschappelijke waarden.

Tevens is in het TAM-omgevingsplan voorzien in een verbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werk of van een werkzaamheid. Dit TAM-omgevingsplan draagt hierdoor bij aan het bewaren van de kwaliteit van de Oostvlietpolder.

Hoofdstuk 4 Onderbouwing omgevingskwaliteit

4.1 Mobiliteit

4.1.1 Verkeersontsluiting
4.1.1.1 Beleidskader
4.1.1.1.1 Regionale mobiliteitsagenda

De vigerende regionale ambities zijn vastgesteld in de 'Inhoudelijke Agenda 2016-2020' van Holland Rijnland (16 december 2015). Deze agenda benoemt de speerpunten die in verschillende coalities worden opgepakt. Holland Rijnland is een netwerkorganisatie en heeft als opdracht: “zorgdragen binnen de regio voor een optimale verbinding, ontmoeting en samenwerking op ruimtelijk, economisch en sociaal gebied”.

Twee van de vier verwoorde ambities hebben een relatie met de opgaven voor mobiliteit namelijk “koploper in het toepassen van economische en technologische innovaties” en een “aantrekkelijke en vitale woon- en leefomgeving”. Enkele van de bijbehorende speerpunten van Holland Rijnland zijn het beter benutten van het regionaal mobiliteitsnetwerk en ondersteuning van de gemeenten bij het verwerven van subsidies (regionale projecten), strategische verkenningen en kennisdelen. Als uitwerking van het speerpunt mobiliteit heeft Holland Rijnland een knelpuntenanalyse uitgewerkt. Om goed voorbereid te zijn op de toekomst en om een robuust verkeer en vervoersysteem in de regio te garanderen zijn de (toekomstige) mobiliteitskansen en- knelpunten in beeld gebracht. Hierbij is rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen, zowel ruimtelijk-economisch als infrastructureel evenals met diverse trends en ontwikkelingen die effect kunnen hebben op de knelpunten en kansen. Op basis van bovenstaande analyses en met het RVVP (inclusief uitvoeringsprogramma's) en het Regionaal InvesteringsFonds als kaders, is de Regionale Mobiliteitsagenda ontwikkeld.

Op het moment van opstellen van deze motivering, wordt er in Holland Rijnland verband door de gemeenten gewerkt aan een mobiliteitsagenda die de strategie (en daarmee de keuzes en uiteindelijk de uitvoeringsprojecten) voor de langere termijn vastgelegd. Daarnaast wordt gelijktijdig gewerkt aan een ruimtelijke en economische agenda, zodat een geïntegreerde totaal visie op Holland Rijnland schaal ontstaat.

4.1.1.1.2 Mobiliteitsnota 2020-2030

De Mobiliteitsnota 2020-2030 vastgesteld door de gemeenteraad op 16 juli 2020 is onderdeel van het integrale beleid zoals omschreven in de Omgevingsvisie. Vooruitlopend op de Omgevingsvisie is de noodzaak ontstaan om het huidige mobiliteitsbeleid te actualiseren omdat we aan de vooravond staan van transities zoals voor energie, klimaat en daarmee ook voor mobiliteit. De mobiliteitsnota beschrijft hoe we onze stad via een toekomstbestendig mobiliteitssysteem duurzaam bereikbaar maken.

Vervoersvormen die zuinig omgaan met de ruimte en goed zijn voor de leefbaarheid en het milieu in de stad krijgen een hoofdrol. In een compacte, inclusieve, stad, die steeds drukker wordt, zijn de fiets, lopen en goed toegankelijk openbaar vervoer logische opties voor bewoners en bezoekers om zich te verplaatsen. Door het gegeven dat er woningen bijkomen, het aantal banen blijft groeien en de bezoekersstroom blijft toenemen, kunnen we concluderen dat die reizigers onmogelijk allemaal de auto kunnen gebruiken, omdat ons autonetwerk dan ontoereikend is. Alleen met meer fiets- en OV-gebruik houden we onze stad leefbaar en bereikbaar en de luchtkwaliteit op het gewenste niveau. Dit noemen we modal shift. We zorgen ervoor dat iedereen in de stad zich kan verplaatsen én kan meedoen.

Hoofdambitie van het mobiliteitsbeleid is het bereiken van een modal shift naar meer schone mobiliteit. De hoofdambitie is vervolgens onder te verdelen in negen deelambities die bijdragen aan een verschuiving van vervoerswijzen door te faciliteren, stimuleren en verleiden:

  • 1. Leiden als fietsstad
  • 2. Lopen krijgt meer ruimte
  • 3. Stimuleren Openbaar Vervoer
  • 4. Versterken van de hoofdontsluitingsstructuur
  • 5. Autoluwe binnenstad met meer autovrije straten
  • 6. Een aantrekkelijke binnenstad maken door de aanwezigheid van een emissieloos stadsdistributiesysteem
  • 7. De juiste parkeerder op de juiste plek
  • 8. Ondersteunen deelconcepten
  • 9. Gebruik maken van nieuwe technologie


Er gaat veel aandacht uit naar de duurzame mobiliteitsvormen lopen, fietsen en openbaar vervoer. En, hoewel het tegenstrijdig lijkt, is het noodzakelijk om de komende jaren te investeren in autobereikbaarheid. Niet alleen speelt de auto nog geruime tijd een rol bij verplaatsen van Leidenaren en bezoekers aan Leiden, maar door autoverkeer goed af te wikkelen op geschikte routes ontstaat elders tevens ruimte voor voetgangers, fietsers en het openbaar vervoer.

4.1.1.2 Onderzoeksresultaten
  • Deelgebied A

Verkeersgeneratie

De verbreding van de bedrijfsactiviteiten heeft een verkeersaantrekkende werking tot gevolg. De verkeersaantrekkende werking is gering vanwege de beperkte (publieke) omvang.

De verwachte verkeersbewegingen in de nieuwe situatie bedragen in totaal 4-5 vrachtwagens per week, 50-70 personenauto's per week en in het kampeerseizoen 10-20 campers per week.

Een deel van de verkeersbewegingen is bestaand, zoals de vrachtwagenbewegingen die verbonden zijn aan de agrarische bedrijfsvoering. De verkeersbewegingen met personenauto's zal toenemen als gevolg van de (uitbreiding) van de nevenactiviteiten. Dat zal circa 50% bedragen. De verkeersbewegingen met campers is nieuw.

Als gevolg van het planvoornemen is de verwachte verkeersgeneratie met gemotoriseerd verkeer minimaal 35 bewegingen per week en maximaal 55 bewegingen per week.

Een deel van de bezoekers komt met de fiets.

Ontsluiting 

De Elza Hoeve wordt ontsloten via de Vlietweg in de richting van de Europaweg. In de nieuwe situatie zal een tweede ontsluiting worden gerealiseerd in de richting van de Hofvlietweg. Zie ook afbeelding 4.1

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.TAM00004-0302_0006.png"

Afbeelding 4.1: tweede ontsluiting op de Hofvlietweg

In de huidige situatie is reeds een kavelpad aanwezig dat vanaf het erf van De Elza Hoeve in zuidoostelijke richting door het land loopt. Dit pad komt uit op de ontsluitingsweg van het nabijgelegen gasverdeelstation. Deze ontsluitingsweg takt aan op de Hofvlietweg. Om het aanwezige pad geschikt te maken voor zwaar(der) verkeer wordt deze voorzien van Stelcon-platen. In afbeelding 4.1 is de tweede ontsluiting van het bedrijf aangegeven met een rode pijl.

Deze tweede ontsluiting zal met name worden gebruikt voor het vrachtverkeer ten behoeve van het grondgebonden veehouderijbedrijf (zoals het ophalen van melk, en leveren van veevoeders), de campers en voor de verkeersafwikkeling van de zorgtak. De tweede ontsluiting zorgt voor een vermindering van de verkeersdruk op de Vlietweg.

  • Deelgebieden B en C

De tijdelijke situatie ten behoeve van de aanleg van de RijnlandRoute is beëindigd en de gronden krijgen grotendeels de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Voor het kadastraal perceel 2436 herleefd de bestemming 'Wonen'. Met dit TAM-omgevingsplan worden derhalve geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die van onevenredig nadelige invloed kunnen zijn op de parkeerbehoefte, de verkeersgeneratie en de ontsluiting.

In de toekomstige situatie worden de gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden' van deze deelgebieden in gebruik genomen door de Elza Hoeve. De veehouder bezit reeds weidepercelen aangrenzend aan de verschillende deelgebieden, waardoor de ontsluiting van de deelgebieden via de aangrenzende gronden kan plaatsvinden.

4.1.1.3 Conclusie

De aspecten verkeer en ontsluiting vormen geen belemmering voor de uitvoeren van het planvoornemen.

4.1.1.4 Gevolgen omgevingsplan

De aspecten verkeer en ontsluiting hebben geen gevolgen voor het voorliggende TAM-omgevingsplan.

4.1.2 Parkeren
4.1.2.1 Beleidskader
4.1.2.1.1 Parkeervisie

Op 16 juli 2020 heeft de raad de Parkeervisie vastgesteld. In de parkeervisie wordt het toekomstbeeld geschetst van parkeren in Leiden, samengevat in visiepunten voor de auto en de fiets. De Parkeervisie geeft een beeld van de parkeersituatie voor de auto en de fiets in Leiden in 2030 en hoe stapsgewijs naar die nieuwe situatie toegewerkt wordt.

De Parkeervisie bevat de ambities en uitgangspunten voor het beleid van de komende jaren, waarbij er in het bijzonder aandacht is voor het inpassen van de verstedelijkings- en woningbouwopgave en het wijzigen van de modal shift (het bevorderen van schone vervoersvormen, zoals lopen, de fiets en het openbaar vervoer, en het terugdringen van het autogebruik en autobezit).

De Parkeervisie is opgebouwd langs drie redeneerlijnen:

  • 1. De juiste parkeerder op de juiste plek. Leiden wil duidelijkheid verschaffen over wie waar tegen welke kosten een plek kan vinden. Zodat de automobilist of fietsparkeerder weet waar hij/zij aan toe is, niet nodeloos hoeft te zoeken, en desgewenst de afweging kan maken om voor een andere vervoerswijze te kiezen als dat makkelijker, goedkoper of betrouwbaarder blijkt te zijn.
  • 2. Openbare ruimte is, in een sterk groeiende stad, te kostbaar om nog verder te verstenen voor parkeerplaatsen. Liever kiest Leiden voor groen, water, spelen, zonnen, wandelen, dan nog meer parkeerplaatsen toe voegen. Leiden kiest daarom voor het beter reguleren van het parkeren in de openbare ruimte.
  • 3. De fiets krijgt een prominente rol als duurzame en schone vervoersvorm. Dat wordt gefaciliteerd met hogere kwaliteit van fietsparkeervoorzieningen én het uitbreiden van de fietsparkeervoorzieningen. Ook komt er meer aandacht voor fietsparkeernormen en kwaliteitsambities/kwaliteitseisen bij nieuwe ontwikkelingen. Leiden introduceert een fietsparkeernorm zodat in de toekomst fietsers de garantie hebben op goede en voldoende stallingsruimte. Op deze manier stimuleert Leiden het gebruik van de fiets en verrommelt de stad niet.

4.1.2.1.2 Beleidsregels parkeernormen

In het omgevingsplan dienen regels te worden opgenomen ten aanzien van parkeren en laden en lossen. Uitgangspunt is dat bij ontwikkelingen (nieuwbouw of functiewijziging) er voldoende parkeerplaatsen en ruimte voor laden en lossen op eigen terrein beschikbaar moeten zijn. Hiermee wordt voorkomen dat een nieuwe ontwikkeling te veel nadelige gevolgen voor de omgeving oplevert.

Om te beoordelen wat 'voldoende' parkeerplaatsen voor auto- en fietsparkeren, heeft het college van B&W op 14 juli 2020 de 'Beleidsregels parkeernormen Leiden 2020' vastgesteld. Ze hebben ook betrekking op de wijze van bepalen van de hoeveelheid en de kwaliteit van benodigde parkeerplaatsen, in verband met aanvragen voor alle activiteiten.

4.1.2.2 Onderzoeksresultaten parkeren
  • Deelgebied A

Het planvoornemen betreft een ontwikkeling in het buitengebied op een agrarisch erf. Op het erf is ruimte aanwezig voor het parkeren van maximaal 30 auto's en 30 fietsen.

Omdat het bedrijf aan een doodlopende weg zit, heeft deze specifieke ligging directe invloed op de te verwachten parkeerdruk, omdat:

  • 1. Geen doorgaand verkeer

Het bedrijf is gelegen aan een doodlopende weg, wat betekent dat het verkeer enkel afkomstig is van bestemmingsverkeer. Er zijn geen doorgaande verkeersstromen, waardoor er weinig 'toevallige' automobilisten zijn die spontaan aankomen. Het verkeer zal dus in principe alleen bestaan uit mensen die specifiek naar het agrarisch bedrijf, terras of winkel willen gaan. Verwacht wordt dat bezoekers van de winkel en het terras hoofdzakelijk zullen bestaan uit fietsers.

  • 2. Beperkte schaal van het initiatief

Het gaat om een kleinschalig terras en winkel met beperkte openingstijden. Dit betekent dat er geen grootschalige publieksfunctie ontstaat, wat de parkeerdruk beperkt.

In tabel 4.1 is een overzicht opgenomen van de verwachte parkeerdruk.

Tabel 4.1: parkeerbehoefte

Functie   Parkeerbehoefte  
Landbouw   1 (eigen auto)  
Paardenhouderij   7¹ auto's  
Zorg   3 auto's (+ 1 elk uur²)  
Recreatieve activiteiten   4 auto's  
Terras   1 auto (en 16 fietsen)  
Boerderijwinkel   4 auto's (en 8 fietsen)  
Camperstandplaatsen   6³ campers  

¹ De mensen van het paardenpension komen verspreid over de dag van 8.00 tot 22.00.

² Cliënten voor de paardencoaching blijven maar 1 uur, vandaar de +1 elk uur.

³ De campers parkeren op de speciaal daarvoor aangewezen camperstandplaatsen.

De camperstandplaatsen zijn aangegeven in bijlage 4. Op de bestaande verharding is ruimte voor 6 campers. Dit is het maximaal aantal camperstandplaatsen.

Vrachtwagens parkeren niet op het bedrijf. Na het laden en/of lossen wordt het bedrijf weer verlaten.

Omdat op het agrarisch erf voldoende ruimte is voor zowel het auto- als het fietsparkeren, vindt er geen afwenteling van het parkeren plaats op de openbare ruimte.

  • Deelgebieden B en C

Doordat de tijdelijke situatie in een van de deelgebieden, bestaande uit een verharding ten behoeve van parkeren en het plaatsen van bouwketen is beëindigd, is de (tijdelijke) parkeerbehoefte in het plangebied teruggebracht naar nul.

4.1.2.3 Conclusie

Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.

4.1.2.4 Gevolgen omgevingsplan

Het aspect parkeren heeft geen gevolgen voor het voorliggende TAM-omgevingsplan.

4.2 Landschap

4.2.1 Beleidskader
4.2.1.1 Boomregels en Kaderstellend Bomenbeleid


De regels rondom het beschermen en kappen van houtopstanden zijn opgenomen in de Verordening voor de fysieke leefomgeving Leiden 2020, onderdeel bomen en de beleidsregels houtopstand 2023 van de gemeenteraad van de gemeente Leiden. Deze regels zijn in december 2023 in werking getreden. De boomregels 2023 voorzien in de bescherming van bomen (vallend binnen de hierin genoemde categorieën), of deze nu bovengronds (kap, snoei) of ondergronds (bijv. middels bodemverdichting of wijzigingen in hydrologie) beïnvloed worden. Het bepalen van wat waardevolle bomen en structuren zijn, vindt ook plaats via de boomregels 2023. Naast bomen die waardevol zijn door hun leeftijd of omvang zijn er houtopstanden die als ecologisch waardevol worden beschouwd. Dit is uitgewerkt het bij de boomregels 2023 vastgestelde Register ecologische bomen.

4.2.1.2 Omgevingsvisie Groen-blauw raamwerk

In de omgevingsvisie 1.1 (paragraaf 5.1) staat dat om de grote en urgente opgaven op het gebied van onder andere klimaatadaptie, biodiversiteit, gezondheid, duurzame mobiliteit en ruimte voor groene recreatiemogelijkheden in en rondom de stad het hoofd te bieden, heeft Leiden niet voldoende aan de huidige groene plekken, groenstructuren en waterlopen in de stad. Die huidige groene plekken en waterlopen komen al onder druk te staan vanwege de verstedelijkings- en verdichtingsopgave in de stad en voldoen niet voor het opvangen van gevolgen van de klimaatveranderingen (droogte, extreme neerslag en hitte). Daarom is het belangrijk om op de schaal van de stad na te denken over het versterken van de groen-blauwstructuur in Leiden, zowel wat betreft de ruimtevraag als de kwaliteit. Een aantrekkelijke groen-blauwstructuur en een goed ingerichte openbare ruimte spelen in op deze urgente opgaven, dragen bij aan de leefbaarheid en verblijfskwaliteit in de stad. Daarnaast draagt het ook bij aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor mensen en bedrijven en heeft het daarmee ook economische waarde voor de stad. Er wordt ingezet op:

  • Het realiseren van een robuust groen- blauw raamwerk voor klimaatadaptatie mens en natuur
  • Het intensiveren van het vergroenen van de stad waar mogelijk en
  • Het beter benutten van het water en het beter beleefbaar maken
  • In principe natuurinclusief uitvoeren van stedelijke ontwikkelingen.

 

4.2.2 Onderzoeksresultaten
  • Deelgebied A

De Elza Hoeve ligt in de Oostvlietpolder. De verbredingsactiviteiten hebben als bijkomend effect dat de beleving van het groen van de polder wordt versterkt door met name de recreatiemogelijkheden die worden aangeboden.

De impact van het planvoornemen op het landschap zijn nihil aangezien er geen uitbreiding zal plaatsvinden van de bestemming 'Agrarisch' en het plan daardoor geen extra bouwmogelijkheden creëert.

Het voortbestaan van het agrarisch bedrijf is belangrijk voor de instandhouding van het karakteristieke polderlandschap en de bijbehorende slagenverkaveling en watergangen. De Elza Hoeve vervult, mede vanwege het gegeven dat het bedrijf relatief veel grond beheert, een belangrijke rol bij het in standhouden van dit karakteristieke polderlandschap.

Omdat de verbredingsactiviteiten het bedrijf toekomstbestendig maken, wordt bewerkstelligd dat het beheer van een deel van de polder blijvend is verzekerd.

  • Deelgebieden B en C

In de toekomstige situatie worden de gronden van in deze deelgebieden grotendeels in gebruik genomen door de Elza Hoeve. De veehouder bezit reeds weidepercelen aangrenzend aan de verschillende deelgebieden en wordt tevens eigenaar van de weidegronden in het plangebied. Het gebruik van de gronden in het plangebied komt in het teken te staan van het grondgebonden agrarisch bedrijf en bestaat uit de beweiding van vee of ten behoeve van de winning van hooi en gras en het behouden van de landschappelijke waarden.

De nieuwe invulling van de deelgebieden ten behoeve van het grondgebonden veehouderijbedrijf gaat gepaard met een vergroening van het gebied (werkterrein met parkeerplaatsen wordt weiland). In het kader van de klimaatadaptatie heeft deze vergroening een positief effect op mens en natuur. Ten opzichte van een verhard terrein zorgt toevoegen van groen voor verkoeling.

De nieuwe bestemming / functie van deze deelgebieden heeft bovendien een positief effect op de landschappelijke waarden.

4.2.3 Conclusie

Het landschap in de Oostvlietpolder wordt door het planvoornemen niet aangetast.

4.2.4 Gevolgen omgevingsplan

Het aspect landschap heeft geen gevolgen voor het voorliggende TAM-omgevingsplan.

4.3 Erfgoed

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van de rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

4.3.1 Archeologie
4.3.1.1 Beleidskader

4.3.1.1.1 Europees Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed

Met de huidige wetgeving is het accent komen te liggen op het streven naar het behoud en beheer van archeologische waarden in de bodem (in situ) en het beperken van (de noodzaak van) archeologische opgravingen. Uitgangspunt van het beleid is tevens het principe 'de verstoorder betaalt'. Bij het voorbereiden van werkzaamheden die het bodemarchief kunnen verstoren (zoals de aanleg van een weg, een nieuwe woonwijk, een bedrijventerrein), dient onderzocht te worden of daardoor archeologische resten verstoord kunnen worden (dat kan bijvoorbeeld door booronderzoek of sleuvenonderzoek - beide na een gedegen bureauonderzoek).

Als uit het onderzoek blijkt dat er archeologische waarden aanwezig zijn en deze niet ter plaatse behouden kunnen blijven, dan dient de initiatiefnemer van het werk de kosten die gepaard gaan met het opgraven en conserveren van de plaats te dragen.
Met de huidige wetgeving zijn de kerntaken en bestuurlijke verantwoordelijkheden van gemeenten veranderd. Eén van de belangrijkste consequenties is, dat gemeenten een centrale rol is toegekend in de bescherming van archeologisch erfgoed. In de wet is bepaald, dat gemeenten door inzet van een planologisch instrumentarium het archeologisch belang dienen te waarborgen. Bescherming van het archeologisch erfgoed kan onder meer vorm krijgen door in plannen regels ter bescherming van bekende en te verwachten archeologische waarden op te nemen.

4.3.1.1.2 Erfgoednota 2014-2020

Het archeologisch beleid van de gemeente Leiden - vastgelegd in de Erfgoednota 2014-2020, vastgesteld door de raad op 19 december 2013 en bij raadsbesluit voor onbepaalde tijd gecontinueerd in 2021 - is er op gericht de in de grond aanwezige archeologische waarden zoveel mogelijk te behouden. Wanneer dat niet mogelijk blijkt moet de aanwezige archeologie veilig worden gesteld door middel van opgravingen.

De Leidse bodem is rijk aan archeologische waarden. Veel daarvan zijn echter nog niet of maar ten dele bekend. Bij gebieden waar de waarden niet bekend zijn, maar waar de bodemopbouw de aanwezigheid van archeologische waarden mogelijk maakt, wordt gesproken van een archeologische verwachting. Indien in een in voorbereiding zijnd wijzigingsbesluit omgevingsplan gebieden met archeologische waarden en/of verwachtingen aanwezig zijn dan staan deze gebieden aangegeven op de plankaart binnen de aanduiding “Waarde – Archeologie 1” tot en met “Waarde – Archeologie 9”. Voor werkzaamheden die in deze gebieden de grond verstoren, is een aanlegvergunning noodzakelijk, zoals aangegeven in de regels van het omgevingsplan, met uitzondering van Waarde – Archeologie 1, daarvoor geldt een vergunningplicht.

Initiatiefnemers kan verzocht worden om bij de aanvraag van bovengenoemde vergunningen een rapport te overleggen. Daarin moet de daadwerkelijke archeologische waarde van het terrein dat zal worden verstoord zijn vastgesteld.

Het vaststellen van de archeologische waarde vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Voor zover deze stappen gevolgd moeten worden, dienen deze in dat rapport opgenomen te worden met vermelding van de resultaten.

Uitvoering van archeologisch (voor)onderzoek is in Nederland voorbehouden aan daarvoor vergunninghoudende bedrijven of instanties. Archeologisch onderzoek in Leiden vindt plaats volgens de doelstellingen en onderzoeksvragen uit de onderzoeksagenda archeologie en bouwhistorie Leiden (2013). Deze worden vooraf voor elk onderzoek verwerkt in een programma van eisen dat ter goedkeuring aan de gemeente Leiden wordt aangeboden.

4.3.1.2 Onderzoeksresultaten
  • Deelgebied A

De gronden ter plaatse van de Elza Hoeve hebben aan de noordoostzijde de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Aan de zijde van de Vliet geldt de dubbelbestemming 'Waarde -Archeologie 8'. Een klein gebiedje ten noordoosten en ten zuidwesten van de ligboxenstal heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'.

De vrijstelling voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek is uiteengezet in de navolgende tabel.

dubbelbestemming   vrijstelling oppervlakte in cm   vrijstelling diepte in cm beneden maaiveld  
Waarde - Archeologie 3   30   30  
Waarde - Archeologie 5   250   50  
Waarde - Archeologie 8   100   50  

Het planvoornemen betreft in hoofdzaak een functiewijziging van bestaande bebouwing zonder fysieke ingrepen in de bodem.

De vrijstellingsgrenzen van de verschillende archeologische dubbelbestemmingen worden niet overschreden.

  • Deelgebieden B en C

Op de cultuurhistorische waardenkaart zijn in of nabij deze deelgebieden geen cultuurhistorische elementen aangeduid. Ook de bouwhistorische waarden- en verwachtingenkaart toont geen specifieke waarden ter plaatse. Dit TAM-omgevingsplan heeft derhalve geen invloed op de te beschermen en behouden cultuurhistorische waarden in Leiden.

4.3.1.3 Conclusie

Het aspect archeologie staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.3.1.4 Gevolgen omgevingsplan

De dubbelbestemmingen van het tijdelijk omgevingsplan (Oostvlietpolder 2016) worden overgenomen in het TAM-omgevingsplan ter bescherming van potentiële archeologische waarden in de bodem. 

4.3.2 Cultuurhistorie
4.3.2.1 Beleidskader
4.3.2.1.1 Omgevingswet

Met het ingaan van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is een deel van de Erfgoedwet opgegaan in de Omgevingswet en zijn stelsel. Regels over onroerend erfgoed moeten in het omgevingsplan worden opgenomen voor zover het gaat om activiteiten die de fysieke leefomgeving wijzigen. Het Rijk kan nog steeds op grond van de Erfgoedwet objecten aanwijzen als rijksmonument. De bescherming van rijksmonumenten wordt geregeld door een vergunningplicht voor de rijksmonumentenactiviteit, opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), en algemene regels. De Omgevingswet geeft daarnaast de mogelijkheid tot aanwijzing van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Onder stads- en dorpsgezicht worden bedoeld groepen van onroerende zaken, van algemeen belang vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich een of meer monumenten bevinden. Het Bkl verplicht de gemeente om regels te stellen in het omgevingsplan ter bescherming van het beschermd stads- of dorpsgezicht en aantasting van het karakter van het in het omgevingsplan beschermde stads- of dorpsgezicht te voorkomen. De Omgevingswet geeft aan gemeenten de mogelijkheid om zelf gemeentelijke monumenten aan te wijzen in het omgevingsplan.

4.3.2.1.2 Omgevingsvisie Zuid-Holland

Het beleid van provincie Zuid-Holland richt zich in het kader van cultuurhistorie op de bescherming van onder andere molenbiotopen en landgoed- en kasteelbiotopen en ook de Neder-Germaanse Limes. De provincie wil het unieke erfgoed behouden voor toekomstige generaties en doet dit door de kroonjuwelen cultureel erfgoed ruimtelijk te beschermen. Deze waardevolle historische landschappen en ensembles bepalen de identiteit van de bebouwde en groene ruimte, en vertellen de geschiedenis. In de provinciale kroonjuwelen zijn de cultuurhistorische waarden de drager bij ruimtelijke ontwikkelingen.

4.3.2.1.3 Zuid-Hollandse Omgevingsverordening

In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn regels opgenomen met betrekking tot de bescherming van de bijzondere objecten/structuren, waarbij in dit verband de Neder-Germaanse Limes relevant is, molenbiotopen en landgoed- en kasteelbiotopen.

4.3.2.1.4 Erfgoednota 2014-2020

Op 19 december 2013 heeft de Leidse gemeenteraad de Erfgoednota 2014-2020 (RV 13.0113) vastgesteld. De Erfgoednota benadert erfgoed integraal en gaat niet alleen over de historische stad zelf, maar ook over erfgoedkennis, onderwijs, ondernemerschap, collecties, verhalen en beleving. In Leiden, Stad van Ontdekkingen, zorgen professionals, betrokken burgers en gemeente samen voor uitvoering van de ambities van de Erfgoednota.

Visie en ambitie

De Erfgoednota gaat uit van de volgende visie: Leiden heeft met erfgoed een onderscheidende kracht in huis: zo heeft Leiden en de (internationale) kennis en collecties, en de aantrekkelijke historische stad en de grote mate van betrokkenheid van bewoners. Daarbij gaat het niet alleen om de waarde van het erfgoed zelf maar ook om de meerwaarde voor de stad uit maatschappelijk, cultureel, wetenschappelijk en economisch oogpunt. Een belangrijke ambitie uit de Erfgoednota is dat Leiden haar historische omgevingskwaliteit wil behouden, benutten en versterken voor een aantrekkelijke, vitale en toekomstbestendige stad. Erfgoed inspireert in de ontwikkeling van de stad. Daarbij benut Leiden de inspiratie uit het verleden en zoekt aansluiting bij bestaande historische karakteristieken en essenties.


Inbedding cultuurhistorie in ruimtelijke ordening

Onder invloed van rijksbeleid en wetgeving komt voor het erfgoed steeds meer nadruk te liggen op het ruimtelijk instrumentarium. Dit zet zich voort in de ontwikkeling van de nieuwe Omgevingswet, waarin ook het erfgoed is opgenomen. Leiden continueert de aandacht voor cultuurhistorie in het omgevingsplan en anticipeert daarbij op rijksbeleid en wettelijke verplichtingen. Integrale cultuurhistorische waarden maken deel uit van het omgevingsplan. Van archeologie tot bouwhistorie, van historische structuren tot monumentale objecten. Hieraan worden maatregelen gekoppeld. Uitgangspunt is; beschermen wat beschermenswaardig is, zonder onnodige regeldruk. Cultuurhistorische kennis- en waardenkaarten van Leiden (met diverse themakaarten) dragen hieraan bij, evenals de onderzoeksagenda voor archeologie en bouwhistorie.


Herbestemming

Hergebruik en herbestemming van historische bebouwing is in de Erfgoednota een belangrijk thema, met het oog op vitale omgevingskwaliteit en toekomstwaarde. Waar mogelijk en gewenst creëren het omgevingsplan qua functies dan ook ruimte voor flexibele herbestemming.

4.3.2.1.5 Verordening voor de fysieke leefomgeving

De gemeente Leiden hanteert de Verordening voor de fysieke leefomgeving Leiden 2020 (Vfl). Afdeling 2.3 van deze verordening geeft regels over het gemeentelijk erfgoedregister, de aanwijzing van gemeentelijke monumenten en de aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stadsgezicht. De bescherming van de beschermde gemeentelijke monumenten wordt hoofdzakelijk geregeld in het omgevingsplan. Het bevoegd gezag moet de regels in de Vfl omtrent erfgoed (voor het eind van de overgangsfase) overhevelen naar het omgevingsplan.

4.3.2.1.6 Karakteristieke panden

Naast de aanwijzing van gemeentelijke monumenten hanteert de gemeente Leiden het instrument van karakteristieke panden. Doel daarvan is de bijdrage aan de beeldkwaliteit van de openbare ruimte door de aanwezige historische bebouwing te borgen. De aanduiding en bescherming van de karakteristieke panden wordt, indien relevant, geregeld in het betreffende wijzigingsbesluit omgevingsplan. De bescherming heeft betrekking op het exterieur van het betreffende pand: de hoofdafmetingen en onderlinge verhoudingen, de dakvorm, de nokrichting, de dakhelling en de gevelindeling door ramen, deuropeningen en erkers. In de welstandsnota Leiden 2022 zijn aanvullende criteria opgenomen die toezien op de kwaliteit van materiaal en detaillering van de straatgevels en het dak.

4.3.2.2 Onderzoeksresultaten
4.3.2.2.1 Cultuurhistorische paragraaf
  • Deelgebied A

Onderdeel van het planvoornemen is het verplaatsen van de bestemming 'Agrarisch'. Zie hiervoor ook afbeelding 4.2. In totaal zal het gaan om een oppervlakte van circa 2.200 m2 aan bestemmingsvlak dat wordt verplaatst. Met dit TAM-omgevingsplan wordt de grond aan de zijde van de Vlietweg bestemd als 'Agrarisch met waarden', zonder bouwmogelijkheden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.TAM00004-0302_0007.png"

Afbeelding 4.2: verplaatsen bestemmingsvlak 'Agrarisch'

Omdat het bestemmingsvlak 'Agrarisch' per saldo een gelijke oppervlakte behoud, kan worden gesteld dat het planvoornemen geen nadelige gevolgen heeft voor de cultuurhistorische waarden van de polder.

Het perceelgedeelte aan de weg (donkergroen) krijgt de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Op deze gronden mag niet worden gebouwd. Het plan bewerkstellig derhalve dat aan de zijde van de weg geen nieuwe bebouwing opgericht kan worden. Dit komt de cultuurhistorische belevingswaarde van de polder ten goede.

  • Deelgebieden B en C

Op de cultuurhistorische waardenkaart zijn in of nabij deze deelgebieden geen cultuurhistorische elementen aangeduid. Ook de bouwhistorische waarden- en verwachtingenkaart toont geen specifieke waarden ter plaatse. Dit TAM-omgevingsplan heeft derhalve geen invloed op de te beschermen en behouden cultuurhistorische waarden.

4.3.2.2.2 Rijksmonumenten

Dit thema is alleen van toepassing voor deelgebied A. De boerderij en het zomerhuis aan de Vlietweg 82 zijn Rijksmonument (25640). De boerderij bestaat uit een voorhuis en een stal. De oorsprong van de boerderij is vermoedelijk 17e-eeuws, maar heeft in het verleden diverse wijzigingen ondergaan.

Volgens een jaartalsteen in de rechter zijgevel dateert het zomerhuis uit 1832. Vermoedelijk dateert de voorgevel en het voorste deel van de rechterzijgevel uit dit jaar. In de tweede helft van de vorige eeuw zijn de overige gevels vernieuwd en vermoedelijk is het zomerhuis toen ook verlengd.

Verder bestaat het boerderijcomplex uit nog een aantal opstallen waaronder aan de rechterzijde een schuur annex stal uit de jaren '30 van de vorige eeuw.

Het boerderijcomplex en met name de boerderij, het zomerhuis en de schuur annex sta aan de rechterzijde van de boerderij, is door de situering in de polder beeldbepalend vanaf de Vliet. De vermoedelijk van oorsprong 17e-eeuwse boerderij vormt met het zomerhuis uit 1832 en de overige bedrijfsgebouwen een karakteristiek ensemble. De plaats binnen het gedeeltelijk door sloten omgeven terrein en de bedrijfsmatige samenhang geven deze drie gebouwen een hoge ensemblewaarde

De boerderij heeft altijd een naam gehad: de Elza Hoeve. De bouwer, baron Van Clottebuch Patijn van Klottingen, had één dochter en die heette Elza.

De boerderij heeft een puntgevel met vlechtingen en ramen met goede roedenverdeling. Zie ook afbeelding 4.3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.TAM00004-0302_0008.png"

Afbeelding 4.3: Rijksmonument Elza Hoeve

Het planvoornemen heeft geen gevolgen voor het Rijksmonument. Deze blijft onaangetast.

4.3.2.3 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het planvoornemen.

4.3.2.4 Gevolgen omgevingsplan

Het aspect cultuurhistorie heeft geen gevolgen voor het voorliggende TAM-omgevingsplan.

 

Hoofdstuk 5 Onderbouwing duurzaamheid

Leiden is een fijne stad om in te wonen, te werken en te leven. Dat willen we graag zo houden. In de komende jaren staat Leiden voor grote uitdagingen op het gebied van wonen, werken, duurzaamheid en mobiliteit, zoals benoemd in het coalitieakkoord 'Samen maken we de stad'. Om slagvaardig met de omvangrijke opgave van duurzame verstedelijking aan de slag te gaan zijn vier belangrijke opgaven benoemd (Aanpak Duurzaamheidsopgaven 2019 (Z-1348277): de energietransitie, klimaatadaptatie en biodiversiteit circulaire economie en duurzame mobiliteit. Voor elk van deze opgaven is een uitvoeringsprogramma opgesteld. Deze uitvoeringsprogramma richten zich op de ambities, doelen, benodigde inspanningen en beoogde resultaten.

5.1 Klimaatadaptatie en biodiversiteit

5.1.1 Beleidskader
5.1.1.1 Nationaal Deltaprogramma

In het Deltaprogramma staan drie deltaplannen met onderzoeken, maatregelen en voorzieningen voor de waterveiligheid, ruimtelijke adaptatie en de zoetwatervoorziening in Nederland. Het doel van het Deltaprogramma is Nederland nu en in de toekomst beschermen tegen overstromingen, zorgen voor voldoende zoetwater en de inrichting van het land klimaatbestendig maken.

5.1.1.2 Deltaplan Ruimtelijke adaptatie

De plannen om het land klimaatbestendig te maken zijn vastgelegd in het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie. Hierin zijn 7 ambities vastgelegd voor een waterrobuuste en klimaatbestendige inrichting van Nederland.

  • 1. Kwetsbaarheid in beeld brengen
  • 2. Uitvoeringsagenda opstellen
  • 3. Risicodialoog voeren en strategie opstellen
  • 4. Meekoppelkansen benutten
  • 5. Reguleren en borgen
  • 6. Handelen bij calamiteiten
  • 7. Stimuleren en faciliteren

5.1.1.3 Omgevingsvisie Zuid-Holland

In de omgevingsvisie Zuid-Holland is het omgevingsbeleid voor de fysieke leefomgeving vastgelegd. Daarin zijn ook ambities vastgelegd om de gevolgen van klimaatverandering tegen de gaan. De verwachting is dat er meer extreem weer komt, en hogere temperaturen, wat de gezondheid, leefomgeving, welvaart en veiligheid in het geding brengt. De provincie wil zich beter voorbereiden op zaken als hittestress of wateroverlast na hevige stortbuien en de fysieke leefomgeving zo inrichten dat deze klimaatbestendig blijft.

5.1.1.4 Omgevingsverordening Zuid-Holland

In artikel 7.23 van de omgevingsverordening staat dat er rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van:

  • wateroverlast door overvloedige neerslag;
  • overstroming;
  • hitte;
  • droogte.


Alsmede de effecten van de bovengenoemgde risico's op het risico van bodemdaling.

Voor zover risico's zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico's.

5.1.1.5 Leidse richtlijnen klimaatadaptief bouwen

Voor nieuwbouw is in 2018 (in het kader van de verstedelijkingsalliantie) door de provincie Zuid-Holland met verschillende partners het Convenant Klimaatadaptief Bouwen gesloten (link naar richtlijnen). Volgend op het Convenant Bouw Adaptief Zuid-Holland en een advies van de Deltacommissaris, ontwikkelde het ministerie van BZK, LNV en I&W op landelijke niveau richtlijnen voor klimaatadaptief bouwen in een Maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving. Op 23 maart 2023 is de Maatlat aangeboden aan de Tweede Kamer van de Staten Generaal (link). Net als het Convenant kent de Maatlat momenteel nog geen juridische borging. De minister roept gemeenten en andere initiatiefnemers wel alvast op om de richtlijnen te gebruiken. Met de Leidse richtlijnen geven we hier uitvoering aan en wordt klimaatadaptatie voor nieuwbouw, gebiedsontwikkeling en herstructurering in het beleid verankerd en zorgen we ervoor dat we klimaatadaptief ontwerpen, ontwikkelen en realiseren. Omdat de richtlijnen vanuit het Convenant Bouw Adaptief in een breed publiek-private samenwerking zijn opgesteld hebben we deze één op één vertaald naar de Leidse richtlijnen.

Biodiversiteit

Om de biodiversiteit te stimuleren is het wenselijk dat er natuurinclusief wordt gebouwd en dat daarmee hoogwaardige habitats worden gecreëerd met als ambitie het genoemde toetsingskader uit het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw. Natuurinclusief bouwen is een vorm van duurzaam bouwen waarbij zodanig gebouwd en ingericht wordt dat het bouwwerk bijdraagt aan de lokale biodiversiteit en natuurwaarden. Om een hoogwaardig habitat te creëren moet er in ieder geval de mogelijkheden zijn voor voedsel, verblijf en veiligheid voor de soorten. Het puntensysteem natuurinclusief bouwen (link naar puntensysteem) is een hulpmiddel om tot een hoogwaardig habitat voor een soort of soorten te komen. Voor elk bouwplan is voor natuurinclusief bouwen besloten in de gemeente Leiden te handelen volgens het principe 'pas toe, of leg uit'. Het puntensysteem vraagt om maatregelen te nemen op basis van een ecologisch advies. Het advies maakt inzichtelijk welke maatregelen het beste passen bij de situatie van het gebied en hoe een hoogwaardig habitat wordt gecreëerd.

5.1.1.6 Leiden Biodivers en Klimaatbestendig, Samen maken we Leiden groener! Uitvoeringsprogramma 2023-2026

Leiden heeft de ambitie om in 2050 een klimaatbestendige stad te zijn, waarbij Leiden zichtbaar groener is geworden en de biodiversiteit is vergroot (link naar uitvoeringsprogramma). De ambities en doelen voor klimaatadaptatie, vergroenen en biodiversiteit kennen veel samenhang en kunnen niet los van elkaar gezien worden. Deze ambitie sluit aan op de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie, waarin als doel is gesteld dat Nederland in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig is ingericht voor wateroverlast, droogte, hitte en overstromingen.

5.1.2 Onderzoeksresultaten
  • Deelgebied A

Het plangebied ligt in de Oostvlietpolder. De inzet van de gemeente is om de Oostvlietpolder open, onbebouwd en groen te houden.

De Elza Hoeve zorgt met het grondgebonden veehouderijbedrijf en het beheer van een deel van de landbouwgronden in de polder al decennia lang voor het behoud van de prachtige groene open ruimte. Met het toekomstbestendig maken van de bedrijfsvoering is verzekerd dat het beheer van de Oostvlietpolder ook de komende jaren zal plaatsvinden.

Hittestress en wateroverlast zullen als gevolg van het planvoornemen niet toenemen omdat de groene open ruimte niet wordt aangetast.

  • Deelgebieden B en C

In de toekomstige situatie worden de gronden van in deze deelgebieden grotendeels in gebruik genomen door de Elza Hoeve. De veehouder bezit reeds weidepercelen aangrenzend aan de verschillende deelgebieden.

De nieuwe invulling van de deelgebieden gaat gepaard met een vergroening van het gebied (werkterrein met parkeerplaatsen wordt weiland). In het kader van de klimaatadaptatie heeft deze vergroening een positief effect op mens en natuur. Ten opzichte van een verhard terrein zorgt toevoegen van groen voor verkoeling.

Ook komt deze vergroening van het gebied de biodiversiteit ten goede en zal het regenwater, door de afname aan verharding, beter in de bodem kunnen zijgen. Dit heeft minder afstroming tot gevolg waardoor bij hevige regen de kans op wateroverlast kleiner is.

In de toekomstige situatie is het agrarisch natuur en landschapsbeheer in het plangebied middels dit TAM-omgevingsplan geborgd.

5.1.3 Conclusie

De aspecten klimaatadaptatie en biodiversiteit staan de uitvoering van het plan niet in de weg.

5.1.4 Gevolgen omgevingsplan

De aspecten klimaatadaptatie en biodiversiteit hebben geen gevolgen voor het voorliggende TAM-omgevingsplan.

Hoofdstuk 6 Onderbouwing functies

6.1 Maatschappelijk

6.1.1 Spelen en bewegen
6.1.1.1 Beleidskader

Uitgangspunt van het beleid is dat de openbare ruimte uitnodigt tot sporten, spelen en bewegen. De inrichting van speel-en beweegruimte doen we samen met buurtbewoners, zowel volwassenen als kinderen. De hoeveelheid speel en beweegruimte voor kinderen waarborgen we met een richtlijn voor het aantal speelplekken en een richtlijn voor de hoeveelheid speelruimte. De richtlijn voor het aantal speelplekken is 1 speelplek op 50, 0 t/m 6 jarigen / 1 speelplek op 100 7 t/m 12 jarigen / 1 speelplek op 150 13 t/m 18 jarigen

Sporten, spelen en bewegen in de openbare ruimte draagt bij aan een goede fysieke en mentale gezondheid, het voorkomen en bestrijden van overgewicht en draagt eraan bij dat meer Leidenaren voldoen aan de beweegrichtlijnen. Bewegen is daarnaast belangrijk voor de motorische, cognitieve en sociale ontwikkeling van kinderen. In het raadsvoorstel uit 2017 is als richtlijn opgenomen om 3% van de openbare buitenruimte in te richten voor spelen en bewegen. In 2021 heeft het college dit nader uitgewerkt in 'De Leidse Beweegsleutels'. De vastgestelde beweegsleutels zijn:

  • De openbare ruimte is voor alle Leidenaren toegankelijk en bereikbaar;
  • De openbare ruimte is veilig, schoon en goed onderhouden;
  • Ruim baan aan lopen en fietsen;
  • Aantrekkelijke routes en verbindingen;
  • Bewegen door groen;
  • Water is beweegruimte;
  • Bewegen in de buurt;
  • Variatie in speel- en beweegmogelijkheden;
  • Speel- en beweegplekken zijn multifunctioneel;
  • Slim bouwen is meer bewegen;

6.1.1.2 Onderzoeksresultaten

Dit thema is alleen van toepassing op deelgebied A. De verbredingsactiviteiten op het bedrijf van initiatiefnemer richten zich voor een deel op spelen en bewegen. De Elza Hoeve faciliteert bijvoorbeeld kinderfeestjes en koeknuffelen. Op het bedrijf is er ruimte voor kinderen (en volwassen) om te spelen in het groen.

6.1.2 Sport en gezondheid
6.1.2.1 Beleidskader

De gemeente is op basis van de Wet publieke gezondheid systeemverantwoordelijk voor het bevorderen, bewaken en beschermen van de gezondheid van de inwoners van Leiden. De Regionale Dienst Openbare Gezondheid (RDOG,ook bekend als de GGD)Hollands Midden voert een aantal wettelijke taken binnen de publieke gezondheid voor de gemeente Leiden uit. Dit doet zij binnen een Gemeenschappelijke Regeling voor alle gemeenten in de regio Hollands Midden.

De ambitie van het beleidskader sport en gezondheid is een gezond en actief Leiden: een samenleving waarin voor iedere inwoner een plek is, waar Leidenaars naar elkaar omkijken en we uitgaan van het ontwikkelend vermogen van de Leidenaars zelf. Een stad waar Leidenaars bewegen, een gezond gewicht hebben en er een gezonde leefstijl op nahouden. Een stad waar iedereen kan sporten, bewegen en spelen.

In 2024 vindt een integrale evaluatie van spelen, bewegen, sport en gezondheid plaats. Na deze evaluatie is de verwachting dat in het najaar van 2025 een integraal beleidskader spelen, bewegen, sport en gezondheid kan worden vastgesteld.

6.1.2.2 Onderzoeksresultaten

Dit thema is alleen van toepassing op deelgebied A. De Elza Hoeve biedt aan de pensionklanten, die veelal uit Leiden komen, de mogelijkheid om de paardensport te beoefenen. Hiervoor zijn de voorzieningen zoals de buitenrijbak aangelegd. Het bedrijf draagt op deze manier een steentje bij aan de doelstelling uit het beleidskader voor een gezond en actief Leiden

6.1.3 Conclusie

Het planvoornemen draagt op een positieve manier bij aan de mogelijkheden van Leidenaren om te bewegen, te spelen en te sporten.

6.1.4 Gevolgen omgevingsplan

Het aspecten maatschappelijk heeft geen gevolgen voor het voorliggende TAM-omgevingsplan.

6.2 Horeca

6.2.1 Beleidskader
6.2.1.1 Horecavisie Ruimtelijke economische visie Leiden 2020-2026

In de Horecavisie wordt beschreven hoe de gemeente omgaat met toekomstige horeca-ontwikkelingen. De gemeente zorgt dat er voldoende te beleven valt in de stad voor bewoners en bezoekers met leuke restaurantjes, gezellige cafés en comfortabele hotels, en er tegelijk aandacht blijft voor prettig wonen voor de bewoners in de stad. De visie is niet alleen gericht op het beschrijven van ambities, maar wordt tevens gebruikt als juridisch-planologisch toetsingskader bij aanvragen voor ontwikkelingen in de horeca in de komende jaren. Naast toetsing op dit beleid zullen alle aanvragen getoetst worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Ook wordt ingegaan op de relaties van horeca met het gezondheidsperspectief. Zo wordt in de visie rekening gehouden met de aspecten alcohol en gezonde voeding. Hier wordt onder andere invulling aan gegeven door meer mogelijkheden te bieden aan gezondere vormen van grab-en-go-formules en een zorgvuldige afbakening van horecagebieden.

6.2.2 Onderzoeksresultaten

Dit thema is alleen van toepassing op deelgebied A. Onderdeel van de verbredingsactiviteiten van de Elza Hoeve is het kleinschalig terras met een oppervlakte van circa 180 m2. Het terras zal doordeweeks beperkt open zijn (van 10.00 tot 15.00 uur) en richt zich op passanten en mensen die het bedrijf al aandoen vanwege de verbredingsactiviteiten (dus geen extra verkeersaantrekkende werking). Het betreft ondersteunende horeca aan de overige functies en activiteiten op de Elza Hoeve.

Het terras valt onder categorie I, dit betreft daghoreca die uitsluitend tussen 6.00 uur en 22.00 uur geopend is. Op het terras worden hoofdzakelijk kleine etenswaren en/of alcoholvrije dranken worden verstrekt. De bereiding van de etenswaren vindt in het aangrenzende gebouw plaats (zorghoek).

In de Horecavisie Ruimtelijke economische visie Leiden 2020-2026 is aangegeven dat buiten het horecagebied in de binnenstad het soms ook wenselijk is om horeca toe te voegen. De horecafunctie is dan echter anders dan die van de horeca in een historische binnenstad die samen met andere functies de aantrekkingskracht van het gebied bepaalt voor bezoekers. De horeca in de andere gebieden dan het centrum ondersteunt namelijk de hoofdfunctie(s) van het gebied waarbinnen deze is gevestigd. Dit geldt vooral voor de potentiegebieden zoals die zijn benoemd in de Omgevingsvisie waar het nadrukkelijke doel is om gemengde woon- werkgebieden te creëren met een eigen buurtgericht voorzieningenprogramma. Het is niet wenselijk om vanuit deze horecavisie voor al deze locaties te bepalen wat de toekomstige uitbreidingspotentie is. Wel stelt de gemeente kaders waaraan eventuele toekomstige uitbreiding moet voldoen.

Een van de kaders is dat de horeca ter plaatse in een behoefte moet voorzien. Het is dus niet de bedoeling dat de horeca op zich een trekpleister wordt voor bezoekers van buiten het betreffende gebied. Het horeca-aanbod moet qua grootte en aantal vestigingen zijn afgestemd op het aantal mensen dat zich in het betreffende gebied ophoudt, ten behoeve van bijvoorbeeld de kantorenfunctie en/of woonfunctie. Maar ook het type horeca dient aan te sluiten bij de behoefte van de directe omgeving;

Het terras gaat als ondersteunende horeca dienst doen voor hoofdzakelijk bezoekers die het bedrijf al bezoeken. Het zal uitdrukkelijk geen trekplijster worden met als doel om bezoekers aan te trekken. Het terras is ondersteunend aan de activiteiten die al op het erf aanwezig zijn. De horeca functioneert dus n iet zelfstandig, maar is uitsluitend een ondersteunende aanvulling op (en ondergeschikt aan) de bedrijfsfunctie.

6.2.3 Conclusie

De Horecavisie Ruimtelijke economische visie Leiden 2020-2026 gaat niet zozeer over horeca in het buitengebied. Wel kan worden geconstateerd dat het kleinschalige terras valt in categorie I en dat het om ondersteunende horeca gaat.

6.2.4 Gevolgen omgevingsplan

In de regels van het TAM-omgevingsplan wordt de maximale oppervlakte van het terras vastgelegd.

Hoofdstuk 7 Onderbouwing milieu- en omgevingsaspecten

7.1 Milieu

7.1.1 Geluid
7.1.1.1 Beleidskader

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. In het Bkl zijn de instructieregels voor geluid opgenomen in § 5.1.4.2. (Geluid door activiteiten) en § 5.1.4.2a. (Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen). In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de
gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Blootstelling aan omgevingsgeluid kan gepaard gaan met negatieve effecten zoals hinder, slaapverstoring en hart- en vaatziekten. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen zijn via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.

Geluidproductieplafonds

Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken.


Geluidsgevoelige gebouwen

De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.


Geluid door activiteiten

In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden).


Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:

  • Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS);
  • Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS);
  • Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).


Wet- en regelgeving/beoordelingskader

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Ingevolge de Omgevingswet dient voor het opstellen van een omgevingsplan of in het kader van de beoordeling van een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) rekening te worden gehouden met het geluid door wegen op (bestaande en/of beoogde) geluidgevoelige gebouwen, waarbij wordt beoordeeld in hoeverre het geluideffect aanvaardbaar is en daarmee, vanuit optiek van geluid, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In onderstaande paragrafen wordt dit nader uitgewerkt.

Als basis voor beoordeling worden de instructieregels ingevolge het Besluit kwaliteit leefomgeving gehanteerd in samenhang met de regels die volgen uit het vigerende omgevingsplan (Bruidsschat).

Geluid op geluidgevoelige objecten door omliggende wegen

Regels tijdelijk omgevingsplan gemeente Leiden

In het tijdelijk omgevingsplan van de gemeente Leiden zijn geen regels opgenomen voor wegen.

Beoordelen aanvaardbaarheid/evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

Artikel 5.78t. (hoofdregel toelaten van geluidgevoelig gebouw)

  • 1. Een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, voorziet erin dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 5.78t.


Tabel 5.78t Standaardwaarde geluidgevoelige gebouwen

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.TAM00004-0302_0009.png"

  • 1. Artikel 5.78u. (overschrijding standaardwaarde)
    Een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, kan erin voorzien dat het geluid op dat gebouw hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 5.78t, als:
  • a. geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen;
  • b. de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en
  • c. het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u.

Tabel 5.78u Grenswaarde geluidgevoelige gebouwen

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.TAM00004-0302_0010.png"

  • 1. Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld onder a worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.

Artikel 5.78ab. (belang van een geluidluwe gevel)

  • 1. Bij de toepassing van artikel 5.78u wordt het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken.
  • 2. Bij de toepassing van de artikelen 5.78v, 5.78w, 5.78x, 5.78y en 5.78aa wordt rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel.


Artikel 5.78ac. (beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid)

Bij de toepassing van de artikelen 5.78u, 5.78v, 5.78w, 5.78x, 5.78y en 5.78aa wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.

Artikel 5.78ad. (bepalen van gezamenlijk geluid)

Bij de toepassing van de artikelen 5.78u, 5.78v, 5.78w, 5.78x, 5.78y en 5.78aa wordt het gezamenlijke geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald en in het omgevingsplan vastgelegd.

Geluidaandachtsgebied

Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). Voor de bepaling van het geluidaandachtsgebied is in de Omgevingsregeling het volgende opgenomen:


Artikel 17.5. (overgangsrecht geluidaandachtsgebied voor gemeentewegen, lokale spoorwegen en waterschapswegen)

  • 1. Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop de gegevens voor de basisgeluidemissie uiterlijk worden verzameld, bestaat het geluidaandachtsgebied uit het gebied dat zich aan weerszijden van de as van de weg uitstrekt tot de volgende afstand, gemeten vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf van de spoorweg:
  • a. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid
    van 30 km/u of minder geldt: 100 m;
  • b. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en
  • c. voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.
  • 1.
  • 2. Als een lokale spoorweg grotendeels is verweven of gebundeld met een gemeenteweg
    wordt bij de toepassing van het eerste lid het totaal van het aantal sporen of rijstroken beschouwd.

7.1.1.2 Onderzoeksresultaten
  • Deelgebied A

Geluid van wegen

Ter plaatse van het plangebied is het geluid van het wegverkeer lager dan de standaardwaarde van 53 Lden. Zie hiervoor de onderstaande uitsnede van de kaart van de Atlas Leefomgeving. De geluidbelasting op de gevel van de boerderij is circa 49 dB. Verder van de Vlietweg af neemt de geluidbelasting af.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.TAM00004-0302_0011.png"

Afbeelding 7.1: Geluid wegverkeer (bron: Atlas Leefomgeving)

De geluidbelasting van het wegverkeer ter plaatse van het plangebied is relatief laag.

Het planvoornemen voorziet niet in het toevoegen van nieuwe geluidsgevoelige activiteiten en/of objecten.

Geluid door activiteiten

Onderdeel van de verbredingsactiviteiten zijn het bieden van zorg, dagrecreatieve activiteiten en een terras voor bezoekers aan het bedrijf. Dit zijn activiteiten in milieucategorie 1 van de staat van bedrijfsactiviteiten. Hierbij hoort een richtafstand van 10 meter in een rustig buitengebied en een richtafstand van 0 meter in een gemend gebied (zie ook paragraaf 7.1.8).

De dichtstbijzijnde woning van derden ligt aan de Vlietweg 84 op een afstand van circa 16 meter. Dit is gemeten tussen de gevel van de woning en het dichtstbijzijnde gebouw op het erf van de Elza Hoeve. Dit gebouw wordt deels gebruikt als ontvangst- en activiteitenruimte voor de zorgcliënten. De werkelijke afstand tussen de genoemde activiteiten en de woning van derden is groter.

Gezien de afstand tot de woning Vlietweg 84, de afschermende werking van de schuur (gebouw 2 in bijlage 3) en het gegeven dat er geen luidsprekers e.d. worden gebruikt kan op voorhand worden aangenomen dat de activiteiten geen geluidoverlast zullen veroorzaken ter plaatse van woningen van derden.

Voor de camperplaatsen geldt een richtafstand van 50 meter voor geluid in een rustig buitengebied en een richtafstand van 30 meter in een gemengd gebied (zie ook paragraaf 7.1.8). De afstand van de dichtstbijzijnde camperplaats tot de woning Vlietweg 84 is circa 26 meter. In totaal liggen 5 van de 6 plaatsen buiten de richtafstand.

De camperaars zijn over het algemeen (welvarende) ouderen die de rust en de natuur opzoeken. Aangenomen kan worden dat de camperaars er alleen overnachten en daarna weer vertrekken. En dus niet zoals op een kampeerterrein buiten allerlei (sport en spel) activiteiten zullen ontplooien

De aanrijroute van de campers zal plaatsvinden vanaf de Hofvlietweg over het pad door het land. De aan- en afvoerbewegingen gaan niet langs de woning vaan de Vlietweg 84.

Gezien het gering aantal camperplaatsen, die bovendien voor een groot deel buiten de richtafstand van 30 meter uit de woning van derden liggen, de doelgroep en de aanrijroute mag worden aangenomen dat deze activiteit qua geluid inpasbaar is.

Aanvullen op het voorgaande heeft de Omgevingsdienst West-Holland de geluidproducerende activiteiten beoordeeld. Hierbij is getoetst aan de grenswaarden zoals opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (voorheen de Bruidsschat).

Het is gebruikelijk om bij de reguliere toetsing van een agrarisch bedrijf aan de grenswaarden uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan uitsluitend de vast opgestelde toestellen en installaties te betrekken. In dit geval wordt uitgegaan van de ETFAL-toetsing waarin ook alle mobiele bronnen binnen het gebied worden meegenomen. De ruimtelijke toetsing geldt als maatgevend. Getoetst wordt aan de standaardwaarden uit het tijdelijk Omgevingsplan (50/45/40). Deze standaardwaarden komen overeen met het gebiedstype 'woonwijk in stad'. Dit gebiedstype is dit geval (ondanks de lintbebouwing) op zijn plaats aangezien het referentieniveau van het omgevingsgeluid hier wordt bepaald door de A4 en delen van de N434 die niet ondergronds zijn.

Op basis van prognoseberekeningen kan worden bepaald of aan de grenswaarden van dit gebiedstype kan worden voldaan en of er sprake is van ETFAL. De Omgevingsdienst is daarbij uitgegaan van een geluidprognose op basis van eigen berekeningen met realistische geluidvermogens en werkelijke afstanden, aangezien dit een nauwkeuriger beeld oplevert van de voorgenomen situatie dan een toets op basis van richtafstanden milieuzonering. De volgende relevante geluidbronnen binnen het gebied zijn meegenomen:

  • 3. Het rijden van personenwagens van bezoekers over de toegangsweg.
  • 4. Het rijden van vrachtwagens en bestelbussen van afnemers en leveranciers over de toegangsweg.
  • 5. Het parkeren van voertuigen op het terrein en het dichtslaan van portieren.
  • 6. Het rijden met agrarisch materieel zoals trekkers binnen het deelgebied.
  • 7. Aanverwante activiteiten zoals terreinverzorging, ploegen longeerbak en het vermompen van slootwater.
  • 8. Het gebruik van de 5 camperplaatsen, dat wil zeggen het rijden met de campers en de mogelijke aanwezigheid van airco's.

Uit de resultaten van de berekeningen met voornoemde activiteiten volgt dat er ter hoogte van woningen van derden kan worden voldaan aan de grenswaarden uit het tijdelijk omgevingsplan en dat er sprake is van ETFAL. De hoogste langtijdgemiddelde- (LAr,LT) en maximale geluidniveaus (LAmax) ten gevolge van de activiteiten onder 1 t/m 4 treden op ter hoogte van de (eigen) bedrijfswoningen. Deze posities mogen buiten de beschouwing worden gelaten.

  • Deelgebieden B en C

Voor deze deelgebieden geldt dat het onderhavig TAM-omgevingsplan slechts een wijziging van de bestemming / functie betreft waarbij geen nieuwe bouwmogelijkheden ontstaan. De tijdelijke situatie ten behoeve van de aanleg van de RijnlandRoute is beëindigd en de gronden krijgen een bestemming 'Agrarisch met waarden'.

Het aspect geluid is voor deze deelgebieden niet relevant omdat er geen geluidgevoelige bestemmingen voorzien zijn en het toegestane gebruik ter plaatse van het plangebied geen geluidbelasting op de omgeving veroorzaakt.

7.1.1.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van de functies aan locatie.

7.1.1.4 Gevolgen omgevingsplan

In de regels van de TAM-omgevingsplan wordt vastgelegd dat op het erf van de Elza Hoeve geen luidsprekers e.d. gebruikt mogen worden.

7.1.2 Luchtkwaliteit
7.1.2.1 Beleidskader

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft instructieregels voor het beschermen van de gezondheid en van het milieu. In paragraaf 5.1.4.1 zijn regels voor de beoordeling van de kwaliteit van de buitenlucht opgenomen. Gemeente Leiden behoort tot een aandachtsgebied voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Dit betekent dat moet worden beoordeeld of de (aangevraagde) activiteiten tot een verhoging van de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in de buitenlucht leiden. Het gaat hierbij om de volgende activiteiten:

  • aanleg of wijziging van wegen, vaarwegen en spoorwegen;
  • activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken;
  • milieubelastende activiteiten waarvoor in het Bal regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht.


Als het toelaten van de activiteiten tot een verhoging van de concentratie van stikstofdioxide of PM10 in de buitenlucht leidt, dan worden in het omgevingsplan de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht genomen (art. 5.51 Bkl). Dit is niet van toepassing op activiteiten die een 'niet in betekenende bijdrage' (NIBM) leveren (bij een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide en PM10 van 1,2 g/m3 of minder). Het Bkl geeft in art. 5.54 standaardgevallen waarvoor 'niet in betekenende mate' van toepassing is.

De instructieregels in het Bkl voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn de rijksregels waaraan moet worden getoetst bij de vaststelling of wijziging van het omgevingsplan. De gemeente heeft echter ook de mogelijkheid om eigen beleid of eigen ambities mee te wegen in de motivatie van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente kan rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (artikel 2.1 en artikel 2.4 Omgevingswet). De gemeente kan bijvoorbeeld met het oog op het beschermen van de gezondheid sturen in het wel of niet toelaten van scholen of kinderdagverblijven bij een drukke weg. De vraag die hierbij moet worden beantwoord is of de locatie geschikt is voor de functie, of dat functie misschien beter op een andere locatie kan worden geplaatst. De afweging rond de gevolgen van de activiteit voor de gezondheid kan in overleg met GGD Hollands Midden worden gemaakt. De ambities die voortvloeien uit de projecten van het Schone Lucht Akkoord spelen hierbij een rol. De gemeente Leiden heeft dit akkoord ondertekend en onderschrijft hiermee het belang van schone lucht en wil op termijn aan de gezondheidsnormen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voldoen.

7.1.2.2 Onderzoeksresultaten
  • Deelgebied A

Grenswaarde

Met behulp van de Atlas leefomgeving is inzicht verkregen in de concentraties aan stikstofdioxide en fijnstof ter plaatse van het plangebied. De concentraties aan stikstofdioxide en fijnstof ter plaatse van het plangebied betreffen respectievelijk 16,5 g/m3 en 17 g/m3. Dit is ver beneden de geldende grenswaarden. De relatief goede luchtkwaliteit komt door de ligging van het plangebied in het de polder (niet stedelijk gebied).

Niet in betekende mate

De luchtkwaliteit eisen vormen geen belemmering voor een ruimtelijke ontwikkeling als een plan, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. Het plan voorziet in een toename van het verkeer vanwege de uitbreiding van de gewenste nevenactiviteiten. De agrarische tak van het bedrijf blijft qua omvang ongewijzigd.

De verbreding van de bedrijfsactiviteiten heeft een verkeersaantrekkende werking tot gevolg. De verwachte verkeersbewegingen in de nieuwe situatie bedragen in totaal 50-70 personenauto's per week en in het kampeerseizoen 10-20 campers per week.

Een deel van de verkeersbewegingen is bestaand, zoals de vrachtwagenbewegingen die verbonden zijn aan de agrarische bedrijfsvoering. De verkeersbewegingen met personenauto's zal toenemen als gevolg van de (uitbreiding) van de nevenactiviteiten. Dat zal circa 50% bedragen. De verkeersbewegingen met campers is nieuw.

Als gevolg van het planvoornemen is de verwachte verkeersgeneratie met gemotoriseerd verkeer minimaal 35 bewegingen per week en maximaal 55 bewegingen per week. Voor een weekdaggemiddelde (uitgaande van 6 dagen per week) betreft de toename 10 bewegingen.

Met behulp van de NIBM Tool is worst case berekend of een toename van 10 verkeersbewegingen met licht verkeer per dag invloed heeft op de luchtkwaliteit. Het resultaat van de berekening is onderstaand weergegeven. Hieruit volgt dat de bijdrage van de toename van het verkeer niet in berekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.TAM00004-0302_0012.png"

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit

Het plan valt niet onder Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit of een regionaal programma van maatregelen.

  • Deelgebieden B en C

Voor deze deelgebieden geldt dat het onderhavig TAM-omgevingsplan slechts een wijziging van de bestemming / functie betreft waarbij geen nieuwe bouwmogelijkheden ontstaan. De tijdelijke situatie ten behoeve van de aanleg van de RijnlandRoute is beëindigd en de gronden krijgen een bestemming 'Agrarisch met waarden'.

Het aspect luchtkwaliteit is voor deze deelgebieden niet relevant want dit TAM-omgevingsplan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit ter plaatse doordat er geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Verder worden geen gevoelige functies toegestaan waardoor het niet benodigd is de luchtkwaliteit inzichtelijk te maken in het kader van een goed woon- en leefklimaat.

7.1.2.3 Conclusie

Het plan draagt niet-in-betekenende-mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit in de omgeving en kan op dit punt uitvoerbaar worden geacht. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van de functies aan de locatie.

7.1.2.4 Gevolgen omgevingsplan

Het aspect luchtkwaliteit heeft geen gevolgen voor het voorliggende TAM-omgevingsplan.

7.1.3 Bodem
7.1.3.1 Beleidskader

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft instructieregels voor het aspect bodem die een gemeente in het omgevingsplan moeten verwerken. Daarnaast zijn in de bruidsschat voor het thema bodem regels opgenomen. Tot slot zijn er instructieregels die volgen uit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) en de voorbeschermingsregels wijziging ZHOV (VBR ZHOV).

Besluit kwaliteit leefomgeving
Deze regels uit het Bkl hebben betrekking op:

  • 1. Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie (paragraaf 5.1.4.5.1 Bkl)
  • 2. Nazorg (paragraaf 5.1.4.5.2 Bkl)
  • 3. Indeling landbodem in bodemfunctieklassen (paragraaf 5.1.4.5.3 Bkl)
  • 4. Aanwijzing bodembeheergebieden (paragraaf 5.1.4.5.3 Bkl)



1) Bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie

De instructieregels hebben betrekking op het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet daarom regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem opnemen in het omgevingsplan.
De gemeenten moeten:

  • 1. de definitie bodemgevoelig gebouw opnemen (Bkl artikel 5.89g)
  • 2. de definitie bodemgevoelige locatie opnemen (Bkl artikel 5.89h)
  • 3. de waarde vaststellen waarboven maatregelen nodig zijn bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties (Bkl artikel 5.89i en artikel 5.89j)
  • 4. aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van die waarde (artikel 5.89k Bkl)
  • 5. een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn (artikel 5.89l Bkl)
  • 6. een bepaling opnemen over de ingebruikname (artikel 5.89m Bkl).


De instructieregels staan in paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan (paragraaf 22.2.7.2 (bruidsschat)) bevat ook regels over bouwen op verontreinigde bodem. Dit betreft Bkl artikel 5.89n.


2) Nazorg

De gemeente zorgt ervoor dat nazorg en instandhouding van bodemmaatregelen na het saneren in het omgevingsplan komt. Het kan zowel gaan om een sanering die is uitgevoerd volgens paragraaf 4.121 van het Bal, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.


3) Bodemfunctieklassenkaart

De gemeente neemt in het omgevingsplan een bodemfunctieklassenkaart op. Deze kaart geeft de bodemfunctieklassen van de landbodem van het gemeentelijk grondgebied weer. De bodemfunctieklasse beschrijft het gebruik van de bodem voor drie klassen van bodemfuncties:

  • landbouw en natuur
  • wonen
  • industrie


De gemeente houdt bij het aanwijzen van deze klassen rekening met de functie die in het omgevingsplan aan die locatie is toegedeeld. Bijvoorbeeld: wonen met tuin komt in de bodemfunctieklasse wonen.

Het bevoegd gezag gebruikt de bodemfunctieklassen voor het vaststellen van de toepassingseisen voor de milieubelastende activiteit toepassen van grond en baggerspecie. De bodemfunctieklassen zijn nader uitgewerkt in de Regeling bodemkwaliteit. De maximale waarden van deze bodemfunctieklassen zijn mede bepalend voor de vraag aan welke kwaliteit de toe te passen grond of baggerspecie moet voldoen (artikel 5.89p van het Bkl.).


4) Bodembeheergebieden

Als de gemeente gebruik maakt van de mogelijkheid van maatwerk om een soepelere kwaliteitseis op te nemen voor het toepassen van grond en baggerspecie, geldt de instructieregel voor het bodembeheergebied. Dit volgt uit artikel 4.1273, 4.1275, 4.1277 en 4.1279 van het Bal. De instructieregel richt zich zowel tot gemeenten als waterbeheerders. Een belangrijke voorwaarde voor soepelere kwaliteitseisen is dat toe te passen partijen grond of baggerspecie afkomstig moeten zijn uit dat aangewezen bodembeheergebied.

Bruidsschat

De regels uit de bruidsschat hebben betrekking op

  • a. locaties waarbij via eerdere besluitvorming vastgesteld is dat de interventiewaarde bodemkwaliteit is overschreden én voor locaties waar een toevalsvondst aanwezig blijkt.
  • b. de activiteit bouwen op verontreinigde grond.
  • c. milieubelastende activiteiten die niet onder het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) vallen. Het Bkl geeft instructieregels voor het aspect bodem die een gemeente in het omgevingsplan moeten verwerken.

Met betrekking tot deze regels moeten gemeenten besluiten of ze de regel overnemen, aanpassen of schrappen in hun definitieve Omgevingsplan.

Zuid-Hollandse Omgevingsverordening en de voorbeschermingsregels wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening 2022 grondwaterkwaliteit

In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) de Voorbeschermingsregels wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening 2022 grondwaterkwaliteit (VBR ZHOV) zijn voor het thema bodem instructieregels opgenomen die de gemeente in het Omgevingsplan moeten verwerken. Deze regels hebben betrekking op:

  • a. Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie (paragraaf 7.3.5.1 ZHOV) en Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken en binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken (paragraaf 2.1.1.1 VBR ZHOV)
  • b. Saneren van de bodem ter uitvoering van een bronaanpak (paragraaf 7.3.5.2 ZHOV)
  • c. Lozen op of in de bodem (paragraaf 7.3.5.3 ZHOV)
  • d. Activiteiten op een locatie met een historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar verspreidingsrisico (paragraaf 7.3.5.4 ZHOV)
  • e. Milieubelastende activiteiten met gevolgen voor watersystemen (paragraaf 7.3.5.5 ZHOV) en Algemene bepalingen bij milieubelastende activiteiten en beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten (paragraaf 2.2.1 en 2.2.4 VBR ZHOV)

7.1.3.2 Onderzoeksresultaten
  • Deelgebied A

Om vast te stellen of er belemmeringen te verwachten zijn voor de geplande ontwikkelingen is door de Omgevingsdienst een quickscan uitgevoerd. Van het betreffende perceel zijn bij de Omgevingsdienst de volgende gegevens bekend:

  • Op de locatie is geen bodemonderzoek bekend voor dit deel van het perceel;
  • Op het naastgelegen perceel is in het verleden een bodemonderzoek (2000) uitgevoerd. Het bodemonderzoek is verouderd maar dient nog wel als historische informatie. Uit de gegevens van het onderzoek blijkt dat de grond plaatselijk sterk verontreinigd is met koper, zink en PAK. Op het resterende perceel is de grond en het grondwater niet of licht verontreinigd met de onderzochte parameters;
  • Op de locatie zijn geen bodemverontreinigingen aanwezig waarvoor de Wet bodembescherming van toepassing is;
  • De locatie is niet gelegen in het toemaakdekgebied;
  • Op de locatie is geen ondergrondse tank bekend;
  • Op de locatie is meerdere gedempte sloten bekend. Deze sloten zijn gesitueerd aan het oostelijke deel van het perceel;
  • Op de locatie zijn geen (voormalige) bodembedreigende activiteiten bekend.

Er zijn daarom geen belemmeringen te verwachten voor de geplande ontwikkeling. Voor de interne verbouwingen is het niet nodig een bodemonderzoek aan te leveren.

  • Deelgebieden B en C

Voor deze deelgebieden geldt dat het onderhavig TAM-omgevingsplan slechts een wijziging van de bestemming / functie betreft waarbij geen nieuwe bouwmogelijkheden ontstaan. De tijdelijke situatie ten behoeve van de aanleg van de RijnlandRoute is beëindigd en de gronden krijgen een bestemming 'Agrarisch met waarden'.

Het aspect bodem is voor deze deelgebieden niet relevant want gesteld kan worden dat de bodem reeds geschikt is voor de beoogde bestemming doordat in het vigerende bestemmingsplan een gevoeliger bodemfunctie is toegestaan. Daarnaast vinden geen werkzaamheden in de bodem plaats om dit bestemmingsplan te realiseren.

7.1.3.3 Conclusie

Uit de bij de Omgevingsdienst beschikbare gegevens blijkt dat er geen verdenking bestaat van de aanwezigheid van verontreiniging van de bodem. Het aspect bodem staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van de functies aan de locatie.

7.1.3.4 Gevolgen omgevingsplan

Het aspect bodem heeft geen gevolgen voor het voorliggende TAM-omgevingsplan.

7.1.4 Geurhinder
7.1.4.1 Beleidskader

De meeste geurstoffen zijn al te ruiken bij heel lage hoeveelheden die niet schadelijk zijn voor de gezondheid. Wel kunnen geuren verschillende nadelige effecten oproepen, zoals (ernstige) hinder, en ze kunnen het algemene dagelijkse leven beïnvloeden. Blootstelling aan geur, zeker bij herhaling, kan ook stress-gerelateerde gezondheidseffecten oproepen; denk aan hoofdpijn, duizeligheid, misselijkheid en vermoeidheid. Er bestaan geen gezondheidskundige normen voor geur, waardoor het niet eenvoudig is om te bepalen hoeveel geur gezondheidskundig gezien aanvaardbaar is. Een situatie wordt gezondheidskundig als goed beschouwd, als er geen of geen ernstige hinder is.

In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt twee kanten op:

  • bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van geurgevoelige gebouwen;
  • bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geur veroorzakende activiteiten.


Bij de actualisatie van een projectgebied moet worden beoordeeld of er geur veroorzakende activiteiten in of nabij het projectgebied plaatsvinden, of kunnen plaatsvinden. Als dit het geval is, dan moet worden gemotiveerd dat de geur van deze activiteiten aanvaardbaar is bij geurgevoelige gebouwen. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels in het (tijdelijke) omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke mate van geurhinder aanvaardbaar is.

Voor een aantal geur veroorzakende activiteiten zijn geurregels in het (tijdelijke) omgevingsplan opgenomen. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geur veroorzakende activiteiten bepaalt de gemeente zelf welke geurregels in het omgevingsplan worden opgenomen.

7.1.4.2 Onderzoeksresultaten
  • Deelgebied A

Geurhinder kan optreden bij het houden van dieren in dierenverblijven (stallen, inclusief een vaste uitloop) en het opslaan en bewerken van agrarische bedrijfsstoffen (mest, kuilvoer, krachtvoer) en bij horeca-activiteiten. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Daarbij dient de geur op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar te zijn (par. 5.1.4.6 Bkl). Voor enkele, met name agrarische, activiteiten zijn standaardwaarden bepaald voor de geurbelasting of afstand waarbij er in ieder geval sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Voor rundvee en paarden geldt in het buitengebied een vaste afstand van 50 meter, gemeten van het emissiepunt van de stallen tot de gevel van een geurgevoelig object.

Geurgevoelige gebouwen zijn gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon- of onderwijsfunctie heeft. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geur op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet. Dat doet de gemeente vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Bij wijziging van de activiteiten binnen het bouwvlak van het grondgebonden veehouderijbedrijf moet aan de afstand van 50 meter worden getoetst. Het houden van melkvee en paarden en het berijden daarvan op de Elza Hoeve is een bestaande activiteit, waarvoor de eerbiedigende werking uit artikel 22.102 van het (tijdelijke) omgevingsplan geldt.

Het plan voorziet niet in een wijzigingen van rundvee- en/of paardenhouderij. De stalling van de dieren blijft ongewijzigd. De afstand van de emissiepunten van de bestaande stallingen ten opzichte van woningen van derden is minimaal 50 meter.

Onderdeel van de verbredingsactiviteiten is het bieden van een hapje en een drankje aan mensen op het terras. Het terras gaat als ondersteunende horeca dienst doen voor hoofdzakelijk bezoekers die het bedrijf al bezoeken. Voor deze activiteit geldt voor het aspect geur in een gemengd gebied een richtafstand van 10 meter ten opzichte van een gevoelig object.

De bereiding van de etenswaren vindt plaats in een klein keukentje in het voorste gedeelte van een bestaande schuur (zie ook bijlage 4 voor de plek van het keukentje). De afstand van het keukentje tot het dichtstbij gelegen gevoelig object van derden bedraagt circa 20 meter. Aan de richtafstand voor geur wordt voldaan.

  • Deelgebieden B en C

Voor deze deelgebieden geldt dat het onderhavig TAM-omgevingsplan slechts een wijziging van de bestemming / functie betreft waarbij geen nieuwe bouwmogelijkheden ontstaan. De tijdelijke situatie ten behoeve van de aanleg van de RijnlandRoute is beëindigd en de gronden krijgen een bestemming 'Agrarisch met waarden' met o.a. de dubbelbestemming 'Waarde - Landschap'.

Het aspect geurhinder is voor deze deelgebieden niet relevant want er zijn geen geurgevoelige objecten voorzien en het agrarisch natuur en landschapsbeheer veroorzaakt geen geurbelasting.

7.1.4.3 Conclusie

Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van de functies aan de locatie.

7.1.4.4 Gevolgen omgevingsplan

De woning aan de Vlietweg 82A krijgt de functieaanduiding 'voormalige bedrijfswoning'.

7.1.5 Trillingen
7.1.5.1 Beleidskader

Met het oog op de bescherming van de fysieke leefomgeving kunnen gemeenten in het omgevingsplan regels opnemen voor trillingen. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen. Deze instructieregels zijn gericht op de bescherming van trillinggevoelige ruimten (Bkl artikel 5.81) in trillinggevoelige gebouwen (Bkl artikel 5.80).

De instructieregels voor trillingen door activiteiten gelden voor:

  • het op een locatie toelaten van een activiteit en het aanpassen daarvan
  • het op een locatie toelaten van een trillinggevoelig gebouw en het aanpassen daarvan
  • een combinatie van beide


Het gaat hierbij om activiteiten die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, in een frequentie van 1 tot 80 Hz.

De regels gelden niet voor

  • trillinggevoelige gebouwen op een industrieterrein waarvoor een geluidproductieplafond is ingesteld (artikel 5.79, lid 2, onder a, Bkl)
  • de activiteit wonen
  • verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen


In artikel 5.87 en 5.87a van het Bkl staan de standaardwaardwaarden voor respectievelijk continue en herhaald voorkomende trillingen. Continue trillingen worden meestal veroorzaakt door stationaire installaties zoals compressoren of koelmachines en stans- en ponsactiviteiten. Herhaald voorkomende trillingen worden meestal veroorzaakt door het aan- en afrijden van vrachtwagens en andere transportmiddelen.

De standaardwaarden voor continue trillingen zijn ook opgenomen in het tijdelijk omgevingsplan (artikel 22.88 bruidsschat) De gemeente hanteert deze standaardwaarden bij het opnemen van waarden voor trillingen door activiteiten voor een bepaald gebied in het omgevingsplan. Een gemeente kan uit oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gemotiveerd kiezen voor andere waarden waarbij hogere waarden als minder streng moet worden gezien.


Weg- en spoorverkeer

Ook trillingen door weg- en spoorwegverkeer kunnen trillingen veroorzaken in woningen, scholen en andere trilling gevoelige gebouwen. Dit moet het bevoegd gezag betrekken bij de ruimtelijke inpassing van spoor(wegen) en/of trillinggevoelige gebouwen, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Voor gemeentelijke wegen en/of trillinggevoelige gebouwen bij wegen gelden geen instructieregels van het Rijk. In deze situatie kan het bevoegd gezag gebruikmaken van de SBR-richtlijn; de meet- en beoordelingsrichtlijn voor trillingen van Stichting Bouwresearch Rotterdam. Bij de ruimtelijke inpassing van trillinggevoelige functies dicht bij een spoorweg kan ook gebruik worden gemaakt van deze richtlijn. In het algemeen moet binnen een afstand van 100 meter van het spoor het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het zelfs nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan weerszijden van het spoor (zie Handreiking Nieuwbouw en spoortrillingen).

7.1.5.2 Onderzoeksresultaten
  • Deelgebied A

In het plangebied worden geen nieuwe trillingsgevoelige functies, zoals woningen, mogelijk gemaakt. Wel wordt de functie van een bestaande woning gewijzigd.

  • Deelgebieden B en C

Voor deze deelgebieden geldt dat het onderhavig TAM-omgevingsplan slechts een wijziging van de bestemming / functie betreft waarbij geen nieuwe bouwmogelijkheden ontstaan. De tijdelijke situatie ten behoeve van de aanleg van de RijnlandRoute is beëindigd en de gronden krijgen een bestemming 'Agrarisch met waarden'.


Het aspect trillingen is voor deze deelgebieden niet relevant want er zijn geen objecten voorzien die gevoelig zijn voor trillingen.

7.1.5.3 Conclusie

Het aspect trillingen staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van de functies aan de locatie.

7.1.5.4 Gevolgen omgevingsplan

Het aspect trillingen heeft geen gevolgen voor het voorliggende TAM-omgevingsplan.

7.1.6 Omgevingsveiligheid

Het uitgangspunt van de Omgevingswet is dat (decentrale) overheden bij hun plannen in een zo vroeg mogelijk stadium kijken naar veiligheid. Zo kan de gemeente een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen ervan beperken.

Het doel is een veilige leefomgeving in de gemeente Leiden. De gemeente Leiden heeft daarbij beleidsvrijheid om bepaalde functies, gebouwen en locaties en bepaalde activiteiten met veiligheidsrisico's wel of niet -en onder welke voorwaarden- toe te laten in bepaalde delen van de gemeente.

7.1.6.1 Beleidskader

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

De risico's voor de omgevingsveiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties gedlt dat met deze contour rekening gehouden moet worden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Aandachtsgebieden

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het gaat om ongevallen vanwege brand, explosie en een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl.) Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingshuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan de gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Ook heeft de provincie Zuid-Holland in de omgevingsverordening vastgelegd dat in aandachtsgebieden met een verhoogd groepsrisico in bepaalde situaties het groepsrisico berekend dient te worden en welke maatregelen en overwegingen voor de beheersing van het groepsrisico betrokken moeten worden.

Overige bepalingen

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:

  • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl;
  • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;
  • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten: par. 5.1.2.5 Bkl;
  • Veiligheid rond luchthavens: par. 5.1.2.6 Bkl.

7.1.6.2 Onderzoeksresultaten
  • Deelgebied A

Over het plan zijn voor wat betreft externe veiligheid de volgende opmerkingen aan de orde:

  • a. De plannen maken een scala van locaties/gebouwen mogelijk die beschermd moeten worden tegen externe veiligheidsrisico's:
    • 1. De maximaal zes stuks camperstandplaatsen worden in het kader van externe veiligheid beschouwd als 'een beperkt kwetsbare locatie respectievelijk beperkt kwetsbaar gebouw';
    • 2. De paardenhouderij is een sportfunctie of een lichte industriefunctie en betreft een beperkt kwetsbaar gebouw;
    • 3. De groepsactiviteiten/dagrecreatie activiteiten zijn onder de noemer 'een kwetsbare locatie' te scharen;
    • 4. De voormalige bedrijfswoning is een kwetsbaar gebouw;
    • 5. Het beoogde pand voor de zorgactiviteit (berging) is een 'zeer kwetsbaar gebouw'.

Op basis van de signaleringskaart externe veiligheid is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In afbeelding 7.2 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.TAM00004-0302_0013.png"

Afbeelding 7.2 Uitsnede risicokaart met ligging plangebied

De beoogde camperstandplaatsen en zorgactiviteiten bevinden zich binnen het belemmeringengebied van de hogedrukaardgasleiding W-535-01.

De planlocatie is niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour PR 10-6 van een risicovolle milieubelastende activiteit als bedoeld in Bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: risicovolle MBA).

De planlocatie is gelegen binnen het 100%-letaliteitsgegebied van risicovolle MBA's. Het betreft hier de hogedrukaardgasleidingen A560 en W-535-01. Binnen dit gebied zal iedereen komen te overlijden bij het maatgevende incident [fakkelbrand] bij deze risicovolle MBA.

De planlocatie ligt niet binnen de PR 10-6 contour van een risicovolle MBA. Er worden geen nieuwe bouwwerken gerealiseerd binnen het belemmeringengebied van de hogedrukgasleiding.

Aan de Gasunie is advies gevraagd over de gewenste verbredingsactiviteiten binnen het 100%-letaliteitsgegebied.

De camperstandplaats worden op een gedeelte van de kuilvoeropslag gerealiseerd. De kuilvoeropslag, in de vorm van een massieve betonnen vloer, ligt daar al meer dan 30 jaar. De camperstandplaatsen zullen geen extra voorbelasten (zettingen) opleveren op de leiding aangezien de bodem al meer dan een jaar belast is geweest met een gewicht (kuilvoeropslag) gelijk aan wat er toegepast gaat worden (camperstandplaats). In dat geval heeft de voorbelasting al plaatsgevonden en hoeft dat niet meer. Om die reden heeft de Gasunie geen bezwaar tegen het gebruik van (een deel van) de kuilvoeropslag als camperstandpaats.

Het gebouw waarin de zorgactiviteiten worden ondergebracht ligt binnen de belemmeringengebied van de hogedrukaardgasleiding. Het gebouw waarin de zorgopvang zal plaatsvinden staat daar al sinds 1933. Normaliter dient een gebouw in de belemmerende strook demontabel te zijn. Echter omdat het gebouw al zeer lange tijd op deze plaats staat, heeft de Gasuie ook daar geen problemen mee.

Ten aanzien van de berekening van het groepsrisico geeft de Gasuie aan dat dit geen beletsel voor de plannen zal opleveren daar de populatiedruk ter plaatse niet hoog is.

  • Deelgebieden B en C

Het beoogde planvoornemen in deze deelgebieden betreft een bestemmingswijziging waarbij geen nieuwe bouwmogelijkheden ontstaan. De tijdelijke situatie ten behoeve van de aanleg van de RijnlandRoute is beëindigd en de gronden krijgen grotendeels de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Het kadastraal perceel 2436 wordt bestemd voor 'Wonen'.

Met dit TAM-omgevingsplan worden geen nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt binnen deze deelgebieden. Ook voorziet dit TAM-omgevingsplan niet in een Bevi-inrichting.

De ontwikkeling die met dit TAM-omgevinsplan mogelijk wordt gemaakt heeft geen effect op de risicobeoordeling. Doordat de tijdelijke situatie in een van de deelgebieden, bestaande uit een verharding ten behoeve van parkeren en het plaatsen van bouwketen is beëindigd, zullen er in de toekomstige situatie minder mensen in dit deelgebied aanwezig zijn.

7.1.6.3 Conclusie

De Gasunie heeft geen bezwaren tegen de voorgenomen plannen. Omdat de kuilvoeropslag en het gebouw voor de zorgactiviteiten al (zeer) lange tijd aanwezig zijn, en de nieuwe activiteiten geen zetting zullen veroorzaken op bodem, heeft de Gasunie geen bezwaren tegen de plannen.

7.1.6.4 Gevolgen omgevingsplan

Het aspect omgevingsveiligheid heeft geen gevolgen voor het voorliggende TAM-omgevingsplan.

7.1.7 Lichthinder
7.1.7.1 Beleidskader

Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Het Bkl bevat daarom geen instructieregels voor lichthinder. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw staan er rijksregels in het Bal (zie verder). Verschillende instrumenten uit de Omgevingswet zijn van belang als het gaat om lichthinder.


Omgevingsvisie

In bepaalde gebieden kan het van belang zijn om lichthinder, verstoring door licht en horizonvervuiling op te nemen in de omgevingsvisie. Bijvoorbeeld rond lichtgevoelige natuurgebieden, voor kassengebieden of grootschalige bedrijventerreinen. De visie kan beleid bevatten om de lichthinder, verstoring of horizonvervuiling terug te dringen. Een gemeente kan zelf bepalen of lichthinder, verstoring of horizonvervuiling een (of meer) thema's is (zijn) de visie.


Omgevingsplan

In het omgevingsplan is lichthinder een aspect dat meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Een gemeente kan zelf bepalen of ze regels ter voorkoming van lichthinder wil stellen in het omgevingsplan. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassengelden rijksregels uit het Besluit activiteiten leefomgeving.


Omgevingsplan en bruidsschat

Bij het opstellen van het omgevingsplan vindt een afweging plaats of er regels nodig zijn om lichthinder en verstoring van de natuur te voorkomen.


Voor lichthinder bij sportvelden bevat de bruidsschat in paragraaf 22.3.22 specifieke regels. Het gaat om regels die niet vanuit het Activiteitenbesluit zijn overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze regels kan de gemeente in het omgevingsplan aanpassen en afstemmen op de lokale omstandigheden. het advies van de Omgevingsdienst over de bruidsschat is hier aandacht aan besteed.


Kunstlicht in de tuinbouw bij kassen (assimilatiebelichting)

Voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen (veelal assimilatiebelichting of assimilatieverlichting) staan rijksregels in het Bal (artikel 4.790). Dit is ter voorkoming van lichthinder en om de duisternis en het donkere landschap te beschermen.


Specifieke zorgplicht Bal

Het Bal noemt lichthinder niet als een specifieke milieubelastende activiteit. Wel kan een lichthinder veroorzakende activiteit een functioneel ondersteunende activiteit zijn bij een milieubelastende activiteit in de zin van het Bal. In dat geval is de specifieke zorgplicht van het Bal van toepassing op het veroorzaken van lichthinder. De specifieke zorgplicht beschermt namelijk de belangen genoemd in artikel 2.2 van het Bal. En in artikel 2.2, 1e lid, onderdeel c, onder 5, staat lichthinder.


Toetsingskader

Voor objecten met verlichting langs auto(snel)wegen is het Kader beoordeling van objecten langs autowegen van belang. Hierin staan criteria om objecten langs auto(snel)wegen (zoals reclame, informatieborden, kunst, enzovoorts) te toetsen op verkeersveiligheid in relatie tot afleiding.


Maatregelen om lichthinder te voorkomen

Hieronder staat een aantal mogelijke maatregelen om hinder en verstoring door kunstmatige verlichting te voorkomen. Uitgangspunt bij het voorkomen van hinder of verstoring door kunstmatige verlichting is:

  • verlicht niet als het niet nodig is, dus alleen als er geen alternatieven zijn


Bij gebruik van verlichting:

  • scherm de lichtbron af, zodat deze niet direct zichtbaar is
  • verlicht alleen met geringe oppervlaktehelderheid van de lichtbron
  • gebruik alleen betrekkelijk langgolvig licht
  • gebruik bij verlichting niet meer licht dan nodig is: verlicht alleen wat verlicht moet worden en slechts zo lang als het verlicht moet worden
  • vermijd de risicogebieden (zoals natuurgebieden)

7.1.7.2 Onderzoeksresultaten
  • Deelgebied A

Ten behoeve van de paardenhouderij is de rijbak essentieel. Om de rijbak goed te kunnen benutten zijn enkele verlichtingsmasten geplaatst met een hoogte van maximaal 8 meter.

De lichtmasten worden alleen gebruikt als er daadwerkelijk van de rijbak gebruikt wordt gemaakt. De lichtbundels zijn door afscherming op de rijbak gericht. De rijbak ligt in de luwte van de ligboxenstal. Deze stal zorgt aan de west / zuidwestzijde voor afscherming.

De uitstraling van het licht is vanwege het voorgaande beperkt.

  • Deelgebieden B en C

Voor deze deelgebieden geldt dat het onderhavig TAM-omgevingsplan slechts een wijziging van de bestemming / functie betreft waarbij geen nieuwe bouwmogelijkheden ontstaan. De tijdelijke situatie ten behoeve van de aanleg van de RijnlandRoute is beëindigd en de gronden krijgen grotendeels de bestemming 'Agrarisch met waarden'.


Het werkterrein met bouwketen werd vanuit veiligheidsredenen verlicht. Met de ontmanteling van het werkterrein is ook de verlichting verdwenen. Binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden' in het TAM-omgevingsplan is gewaarborgd dat op deze gronden geen lichtmasten en dergelijke gerealiseerd mogen worden.

7.1.7.3 Conclusie

Het aspect lichthinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van de functies aan de locatie.

7.1.7.4 Gevolgen omgevingsplan

Op grond van de huidige planregels bedraagt de maximale hoogte voor bouwwerken geen gebouwen zijnde 2,5 meter. In de regels van het omgevingsplan wordt de bouwhoogte van lichtmasten verruimd naar ten hoogste 8 meter.

7.1.8 Activiteiten en milieuzonering
7.1.8.1 Beleidskader

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige functies in evenwicht tot elkaar locaties krijgen toegedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren:

  • 1. Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is.
  • 2. Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet.


Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving.

Daarbij moet worden voldaan aan de instructieregels uit het Bkl ten aanzien van geluid, geur en trilling door activiteiten, met als gevolg dat milieunormering in het omgevingsplan plaatsvindt om tot een evenwichtige toedeling van milieugevoelige en milieubelastende functies te komen. Deze milieunormen voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat die activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen voor een milieugevoelige functie in dat gebied.

Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus belastend kunnen zijn. Alleen het wonen is hiervan uitgezonderd. Dat betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die voor deze activiteit nodig is. Wel is wonen een milieugevoelige functie, net als o.a. onderwijs en gezondheidszorg. Bij een ontwikkeling die ziet op een milieugevoelige functie is het dus noodzakelijk te bepalen of er sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving.

VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering'

Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode).

De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering (waaronder een onderzoek naar de feitelijke milieubelastende activiteiten) kan hiervan worden afgeweken.

Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.).

7.1.8.2 Onderzoeksresultaten
  • Deelgebied A

Camperstandplaatsen

De camperplaats zelf betreft geen milieugevoelige functie die beschermd dient te worden tegen milieuhinder vanuit omliggende bedrijven of instellingen. De functie zelf kan wel milieuhinder veroorzaken voor milieugevoelige functies (woningen) in de directe omgeving. De invloed van de camperplaatsen op milieugevoelige functies dient dan ook getoetst te worden. Hiervoor is gebruik gemaakt van de (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, 2009.

De omgeving van het perceel aan de Vlietweg kenmerkt zich door woningen, een drukke vaarroute, en een grondgebonden agrarisch bedrijf. Daarnaast is de ligging van het perceel aan de Vlietweg. Er kan gemotiveerd worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een gemengd gebied.

Wat is gemengd gebied

Een gemengd gebied is een gebied met een sterke tot matige functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.

Op basis van de VNG-lijst valt de camperplaats onder de categorie ‘Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’. Deze categorie kent normafstanden voor het aspect geur 30 meter en voor het aspect geluid 50 meter. Deze normafstanden gelden echter voor de omgevingstype ‘rustige woonwijk’ en/of ‘rustig buitengebied’. Bij het plangebied aan de Vlietweg kan worden gemotiveerd dat sprake is van gemengd gebied, waardoor de richtafstanden mogen worden teruggebracht tot respectievelijk 10 en 30 meter.

Het plan van de initiatiefnemer is om een camperplaats te realiseren met slechts 6 standplaatsen, waardoor dit plan veel kleinschaliger is en hierdoor niet te vergelijken is met een kampeerterrein of vakantiecentrum met keuken zoals bedoeld in de VNG-Reeks. De richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Door de kleinschaligheid (in vergelijking met een vakantiecentrum) van het plan zijn de richtafstanden van 10 en 30 meter in een gemengd buitengebied ruim.

De afstand van de woning tot de dichtstbijzijnde camperplaats bedraagt circa 26 meter. In totaal 5 van de 6 camperplaatsen liggen buiten de richtafstand van 30 meter.

De grootste richtafstand geldt voor het aspect geluid. In paragraaf 7.1.1. is toegelicht dat de camperstandplaats over het algemeen door (welvarende) ouderen worden bezocht die de rust en de natuur opzoeken. Aangenomen kan worden dat de camperaars er alleen overnachten en daarna weer vertrekken. En dus niet zoals op een kampeerterrein buiten allerlei (sport en spel) activiteiten zullen ontplooien. Gezien het gering aantal camperplaatsen, die bovendien voor een groot deel buiten de richtafstand van 30 meter uit de woning van derden liggen, de doelgroep en de aanrijroute mag worden aangenomen dat deze activiteit qua geluid inpasbaar is. In paragraaf 7.1.1. is tevens beschreven dat de Omgevingsdienst geluidonderzoek heeft gedaan. Uit de resultaten van de berekeningen volgt dat er ter hoogte van woningen van derden kan worden voldaan aan de grenswaarden uit het tijdelijk omgevingsplan en dat er sprake is van ETFAL.

Een groot deel van de nevenactiviteiten (zorg, dagrecreatie en terras) vallen in milieucategorie 1, waarvoor in een gemengd gebied een richtafstand geldt van 0 meter. Ook deze activiteiten zijn ruimtelijk inpasbaar.

  • Deelgebieden B en C

De deelgebieden kennen in de huidige situatie de enkelbestemming 'Wonen - Leiden' met deels de functieaanduiding 'erf' en 'tunnel' en de enkelbestemming 'Bedrijf' met functieaanduiding 'caravanstalling' en 'specifieke vorm van verkeer - tijdelijk werkterrein'. In dit TAM-omgevingsplan krijgen de gronden grotendeels de bestemming 'Agrarisch met waarden' (zonder bouwvlak). Voor deze gronden kan gesteld worden dat dit TAM-omgevingsplan niet resulteert in een (extra) beperking van ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven en tevens geen effect heeft op het woon- en leefklimaat ter plaatse van bestaande woningen.

Het kadastraal perceel 2426 wordt bestemd voor woondoeleinden. Dit perceel hoort bij de woning aan de Vlietweg 84. Op dit perceel is een schuur aanwezig waarin caravans worden gestald. Dit is echter geen gevoelige functie voor omliggende bedrijven.

7.1.8.3 Conclusie

Het aspect activiteiten en milieuzonering staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van de functies aan de locatie.

7.1.8.4 Gevolgen omgevingsplan

Het aspect activiteiten en milieuzonering heeft geen gevolgen voor het voorliggende TAM-omgevingsplan.

7.1.9 Milieueffectrapportage
7.1.9.1 Beleidskader

De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Of een plan of project MER- of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen Artikel 16.36 Omgevingswet en artikel 11.1 (planMER beoordeling) van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project. Passen de voorgenomen activiteiten in het plan binnen de omschrijvingen genoemd in kolom 1, dan is de regelgeving over m.e.r. (beoordeling) van toepassing. Wanneer wordt vastgesteld dat de voorgenomen ontwikkeling een plan is dat wel moet worden aangemerkt als een activiteit in bijlage V van het Omgevingsplan en dat het te wijzigen plan hiervoor een kader gaat vormen, dan geldt als basis dat er bij de voorbereiding van een wijziging van dit omgevingsplan een planMER moet worden opgesteld. Het opstellen van een planMER is eveneens nodig als voor het te wijzigen plan ook een passende beoordeling van de gevolgen voor een Natura 2000-gebied moet worden gemaakt (artikel 16.36 Omgevingswet).

Sinds het in werking treden van de Omgevingswet gelden hiervoor twee uitzonderingen. Betreft het een klein plan (oppervlakte van het plan moet ten opzichte van de oppervlakte van de gemeente klein zijn, er bestaat inmiddels een Nederlandse uitspraak waarin het percentage 1% wordt genoemd) of de voorgenomen wijzigingen moeten klein (ondergeschikt) zijn. In deze gevallen is het opnemen van een m.e.r. beoordeling aan de hand van de criteria in bijlage II van voornoemde SMB richtlijn in de toelichting met de conclusie voldoende. Als hieruit blijkt dat er een planMER nodig is, dient uiteraard dit proces te worden opgestart.

7.1.9.2 Onderzoeksresultaten
  • Deelgebied A

De activiteiten die met dit TAM-omgevingsplan mogelijk worden gemaakt zijn, zeker in relatie tot de bedoeling van de regelgeving over de (plan)MER(beoordelings)plicht, kleinschalig van aard. Bovendien worden de activiteiten niet (in)direct genoemd in kolom 1 in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Dit betekent dat de regelgeving over de (plan)MER(beoordelings)plicht voor deze voorgenomen wijziging van het omgevingsplan niet van toepassing is.

Er is sprake van het behoud van de huidige agrarische activiteiten, aangevuld met het verruimen van de activiteiten voor zorgcliënten, het aanleggen van een vlindertuin / moestuin met fruitbomen, een perceel voor het verbouwen van gewassen en dag-recreatieve activiteiten zoals bijvoorbeeld kinderfeestjes; high thee, workshops, coaching met paarden, paardrijlessen en groepsaccommodatie voor bijeenkomsten en evenementen.

Deze activiteiten zullen (voor een groot deel) plaats gaan vinden in de bestaande aanwezige gebouwen op het erf. Gegeven de aanwezigheid van gemiddeld 90 melkkoeien, 75 vrouwelijk jongvee en maximaal 30 paarden, zijn deze activiteiten aan te merken, vanuit de regelgeving voor mer(beoordelings)plicht, als ondergeschikte nevenactiviteiten die, als activiteit (kolom 1 bijlage V van het Omgevingsbesluit) te kleinschalig zijn om een (plan)mer(beoordeling) te rechtvaardigen.

Mede gelet op wat elders in deze motivering is opgemerkt over de afzonderlijke omgevings- en milieuaspecten, heeft het plan bovendien geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in de zin van het Besluit milieueffectrapportage en de Europese richtlijn.

  • Deelgebieden B en C

Voor deze deelgebieden is alleen sprake van een planologische omzetting naar het feitelijke gebruik van de percelen. Hetzelfde gebruik als voor de wijzigingen van het bestemmingsplan ten behoeve van de aanleg van de Corbulotunnel. Ook toen was het al agrarisch (weide) gebied en wonen. Dit betekent dat er met betrekking tot de regelgeving voor mer(beoordeling)plicht niets wijzigt. Het is niet alleen geen wijziging van een stedelijke ontwikkeling, ook voor andere activiteiten in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit is er geen sprake van een wijziging. De regelgeving voor mer(beoordelings)plicht is niet van toepassing.

7.1.9.3 Conclusie

Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de regelgeving voor (plan)mer(beoordelings)plicht voor dit plan niet van toepassing is. Enerzijds is er enkel sprake van een planologische omzetting en anderzijds zijn de (met name dag-recreatieve) verbredingsactiviteiten te kleinschalig van aard om te beschouwen als een of meerdere activiteiten zoals bedoeld in kolom 1 van bijlage V van het omgevingsbesluit.

7.1.9.4 Gevolgen omgevingsplan

Het aspect milieueffectrapportage heeft geen gevolgen voor het voorliggende TAM-omgevingsplan.

7.2 Gezondheid

7.2.1 Beleidskader

Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten.

Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. In het omgevingsplan werken deze randvoorwaarden door.

7.2.2 Onderzoeksresultaten
  • Deelgebied A

Het plangebied ligt in het buitengebied waar de verblijfskwaliteit goed is. Dit is uit de voorgaande paragrafen gebleken.

De nevenactiviteiten die met het voorliggende plan mogelijk worden gemaakt dragen bij aan de gezondheid door het bieden van (paarden) sportmogelijkheden. Ook de andere sport- en spelmogelijkheden dragen hier een steentje aan bij.

  • Deelgebieden B en C

Als gevolg van de ontmanteling van het werkterrein is de verharding ten behoeve van parkeren en het plaatsen van bouwketen beëindigd. De (tijdelijke) parkeerbehoefte in het deelgebied is teruggebracht naar nul en de verkeersgeneratie naar het deelgebied is afgenomen.

De afname van het verkeer naar het werkterrein heeft een positief effect op het aspect gezondheid vanwege een vermindering van emissies door verkeer.

7.2.3 Conclusie

Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van de functies aan de locatie.

7.2.4 Gevolgen omgevingsplan

Het aspect gezondheid heeft geen gevolgen voor het voorliggende TAM-omgevingsplan.

7.3 Water

7.3.1 Beleidskader

Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot:

  • het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen;
  • het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en
  • het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.

Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.

7.3.1.1 Europese kaderrichtlijn water

De Kaderrichtlijn Water (KRW, 2020) biedt het instrumentarium om oppervlaktewater en grondwater in zowel kwalitatief als kwantitatief opzicht te beschermen en te verbeteren. Ook het bevorderen van een duurzaam watergebruik, op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen en de afzwakking van de gevolgen van overstromingen en perioden van droogte vormen belangrijke doelstellingen.

Om deze doelen te realiseren, reikt de richtlijn diverse instrumenten aan, zoals maatregelenprogramma's, stroomgebiedbeheersplannen, monitoringverplichtingen en economische analyses van het watergebruik inclusief de kostenterugwinning van waterdiensten.

Het overgrote deel van de het water in Leiden is bestempeld als KRW waterlichaam.

7.3.1.2 Nationaal Waterplan 2016 - 2021

Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Hierin staat o.a. dat het rijk, provincies, gemeenten en waterschappen gezamenlijk de ambitie hebben gesteld dat Nederland in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig en waterrobuust is.

De looptijd van het Nationaal Waterplan 2016-2021 is van 22 december 2015 tot 22 december 2021. Het Nationaal Waterplan (en alle andere plannen op grond van de Waterwet) worden elke zes jaar herzien.

7.3.1.3 Waterbeheerplan 6 'Water wijst de weg'

Voor de planperiode 2022 - 2028 is het Waterbeheerplan 6 (WBP6) van het Hoogheemraadschap van Rijnland van kracht. Met het programma WBP6 maakt Rijnland duidelijk hoe het, in samenwerking met de omgeving, invulling geeft aan zijn wettelijke taken en zijn eigen ambities voor de periode 2022 - 2028. Het programma in het WBP6 ziet toe op:

  • 1. Waterveiligheid. Rijnland beschermt het leefgebied, inwoners en bedrijven tegen overstromingen.
  • 2. Voldoende water. Samen met de omgeving zorgt Rijnland voor voldoende zoetwater. Niet te veel, niet te weinig, maar precies genoeg - inwoners, bedrijven en natuur.
  • 3. Schoon en gezond water. Rijnland zorgt voor schoon en gezond water voor inwoners, bedrijven en natuur.
  • 4. Waterketen. Rijnland zuivert afvalwater van huishoudens en bedrijven. Hiermee draagt Rijnland bij aan een goede volksgezondheid, een goede waterkwaliteit en een gezonde leefomgeving.
  • 5. Rijnland duurzaam en circulair. Rijnland zet samen met de omgeving in op duurzaam werken en op het sluitend maken van de kringloop van water, energie en grondstoffen.
  • 6. Rijnland klimaatadaptief. Water meer sturend in de ruimtelijke ordening. Het klimaat verandert. Rijnland kan klimaatadaptief gemaakt worden, door de inrichting van de omgeving aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. Zodat ook over 50 tot 100 jaar nog goed en veilig kan worden gewoond, gewerkt en gerecreëerd in het leefgebied.

7.3.1.4 Waterschapsverordening

Sinds 1 januari 2024 heeft Rijnland een waterschapsverordening. Deze verordening vervangt de keur. De waterschapsverordening van Rijnland is een juridisch document dat de regels en voorschriften bevat die van toepassing zijn binnen het werkgebied van het hoogheemraadschap van Rijnland. Deze verordening is opgesteld om het waterbeheer en de waterveiligheid in het gebied te reguleren en te handhaven. In de waterschapsverordening staan de regels voor bewoners en bedrijven die activiteiten doen bij onder andere oppervlaktewater, dijken en gemalen.

Door middel van de waterschapsverordening streeft Rijnland naar een duurzaam en effectief beheer van het water, waarbij rekening wordt gehouden met zowel de belangen van de samenleving als de bescherming van het milieu en de natuurlijke hulpbronnen.

De doelen van de waterschapsverordening zijn:

  • 1. Overstromingen, wateroverlast en waterschaarste voorkomen en als het nodig is beperken.
  • 2. De chemische kwaliteit van het water en de ecologische kwaliteit van het water beschermen en verbeteren.
  • 3. De goede werking van de afvalwaterzuiveringen en transportleidingen beschermen en verbeteren.
  • 4. De maatschappelijke functies voor watersystemen waarmaken.
  • 5. Meewerken aan een duurzaam en goed beheer en gebruik van het grondwater.
  • 6. Het beschermen van de goede werking van vaarwegen die Rijnland beheert.

7.3.1.5 Klimaatadaptatie

Door klimaatadaptief bouwen kunnen problemen, zoals wateroverlast bij extreme buien, worden voorkomen. Enkele adapterende maatregelen tegen de negatieve effecten van klimaatverandering zijn bijvoorbeeld: regenwaterinfiltratie, een groen dak, minder terrasverharding, waterdoorlatende verharding, meer beplanting en het plaatsen van een regenton.

Hoogheemraadschap hanteert voor regenwater hanteren: vasthouden - bergen/hergebruiken - afvoeren.


Het huidige, Nederlandse watersysteem is gericht op water zo snel mogelijk afvoeren. Dit gebeurd door regenwater af te voeren naar het oppervlaktewater waar het via het poldergemaal en het boezemgemaal een weg vindt richting de Noordzee. Het is zonde om het regenwater af te voeren. Zoetwater is schaars en kunnen we goed gebruiken in ons gebied. Bijvoorbeeld door het grondwater aan te vullen of het water op privaat terrein te hergebruiken. Door circulair om te gaan met regenwater kan het watersysteem worden ontlast.

Klimaatonderlegger

De provincie Zuid-Holland en de Zuid-Hollandse waterschappen hebben samen een klimaatonderlegger ontwikkeld. Dit is een set kaarten die op basis van de meest recente kennis inzicht geeft in de uitdagingen die water, bodem en klimaat meegeven voor bebouwing, landbouw en natuur.

De klimaatonderlegger is bedoeld om op het schaalniveau van de provincie voor gebruiksfuncties de (on)geschiktheid of aandachtspunten vanuit het water- en bodemsysteem aan te geven. Geeft de klimaatonderlegger aan dat er op een locatie extra uitdagingen vanuit water, bodem of klimaat zijn voor een bepaalde ontwikkeling, dan schakelt de initiatiefnemer de ondersteuning in van provincie en waterschap om te bepalen of en onder welke randvoorwaarden de ontwikkeling klimaatadaptief mogelijk is.

Met de klimaatonderlegger als leidraad streven we naar een klimaatbestendige en toekomstbestendige omgeving, waarin we samenwerken met alle belanghebbenden om onze natuurlijke hulpbronnen te beschermen, onze infrastructuur te versterken en onze gemeenschap te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering.

7.3.1.6 Nota Waterkeringen

Door de bevolkingsgroei, klimaatontwikkeling, zeespiegelstijging en bodemdaling neemt de druk op de schaarse ruimte binnen Rijnland toe. Tegelijkertijd worden waterkeringen ook steeds meer gebruikt voor andere functies als recreatie, natuur, infrastructuur en wonen.

Om aan al deze facetten het hoofd te kunnen bieden, heeft het Hoogheemraadschap van Rijnland onder meer de Nota Waterkeringen opgesteld, gericht op de primaire en regionale keringen. De Nota bestaat uit twee delen. In deel I staat de visie en doelstellingen op het waterkeringsbeheer. In deel II staan de beleidsregels. Deel II van de Nota Waterkeringen is sinds 1 juli 2015 vervangen door uitvoeringsregels.

7.3.1.7 Verordening Hemelwater en Grondwater

De Hemelwaterverordening (2023) bevat verbodsbepalingen op het lozen van hemelwater en grondwater.

Door klimaatverandering neemt de kans op korte hevige regenbuien en langdurige neerslag toe. Neerslag (hemelwater) stroomt vanaf het dakoppervlak van gebouwen en bestrating naar de openbare riolering. De openbare riolering moet het afstromende hemelwater vervolgens verwerken. De capaciteit van het riool is bij zo'n forse regenbui niet altijd toereikend. Als de riolering het aanbod van hemelwater niet meer aan kan, kan dit tot ernstige wateroverlast leiden en tot schade aan gebouwen of infrastructuur. De gemeente wil dit soort situaties zo veel mogelijk voorkomen.

De eigenaar van een perceel is primair verantwoordelijk voor het grondwater in of op zijn terrein. Het is niet toegestaan om bij nieuwbouw en vernieuwbouw vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. Met de verordening Hemelwater en grondwater geldt de verplichting, in aanvulling op de eisen vastgelegd in de Waterschapsverordening van het Hoogheemraadschap van Rijnland, om te voorzien in een minimale waterbergingscapaciteit van hemelwater van 60 liter per m² verhard oppervlak bij (ver)nieuwbouw. Op deze manier wordt de belasting op de openbare riolering geleidelijk aan teruggebracht. Hiermee wordt uiteindelijk ook een bijdrage geleverd aan het verbeteren van de waterkwaliteit doordat het aantal overstorten op termijn afneemt en de overstortvolumes daardoor lager worden.

7.3.1.8 Nota Peilbeheer

Het hoogheemraadschap van Rijnland heeft op 18 november 2020 de Nota peilbeheer vastgesteld. Deze nota biedt de beleidskaders voor het peilbeheer en de peilbesluiten waar het waterschap verantwoordelijk voor is.

Het Hoogheemraadschap Rijnland is verantwoordelijk voor het handhaven van de peilen in de watergangen. Het doel van de nota is het afwegingskader bij peilbeheer duidelijk te maken voor ingelanden van Rijnland, zodat zij weten wat ze van het waterschap kunnen verwachten. Dit afwegingskader wordt ook intern gebruikt bij het hoogheemraadschap voor het opstellen van een peilbesluit.

7.3.1.9 Watertoets

Om problemen met wateroverlast te voorkomen, om een goede waterkwaliteit te waarborgen én om de beleving van water voor burgers te vergroten, is de watertoets in het leven geroepen. De watertoets is een sinds 2003 verplichte procedure die er voor zorgt dat water en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk moment bij de planvorming worden betrokken. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten.

7.3.2 Onderzoeksresultaten
  • Deelgebied A

Op 10 oktober 2024 heeft watertoets voor dit plan plaatsgevonden via de Digitale Watertoets van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Uit de gegevens die u heeft ingevoerd volgt dat het plan uitsluitend een functieverandering van bestaande bebouwing betreft. Er vindt geen aanpassing van bebouwing of ruimte plaats. Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft geen bezwaar tegen dit plan. Het plan hoeft in het kader van de watertoets niet meer voorgelegd te worden aan Hoogheemraadschap. Het wateradvies is toegevoegd als bijlage 6.

Met het TAM-omgevingsplan wordt een deel van de bestemming 'Agrarisch', waarbinnen het grondgebonden veehouderijbedrijf gebouwen en voorzieningen mag oprichten, verplaatst. Zie ook Afbeelding 4.2 van de motivering.

Een deel van de bestemming 'Agrarisch' ligt binnen de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. Zie ook afbeelding 7.3, waarin deze dubbelbestemming opgelicht is weergegeven. Dit is de beschermingszone van de Vliet. Met de voorgestelde verplaatsing is beter gewaarborgd dat deze beschermingszone gevrijwaard blijft van bebouwing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.TAM00004-0302_0014.png"

Afbeelding 7.3: dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’

De watergangen in / nabij dit deelgebied blijven onaangeroerd. Het plan heeft geen gevolgen voor het karakteristieke polderlandschap met de bijbehorende slagenverkaveling en watergangen.

Onderdeel van de verbredingsactiviteiten is het bieden van standplaatsen aan campers. Het afvalwater afkomstig van bijvoorbeeld een chemisch toilet en ander afvalwater uit de campers (grijs afvalwater afkomstig van bijvoorbeeld douche of afwas) zal worden geloosd op het vuilwaterriool.

  • Deelgebieden B en C

Het planvoornemen in deze deelgebieden betreft een bestemmingswijziging waarbij geen nieuwe bouwmogelijkheden ontstaan. De tijdelijke situatie ten behoeve van de aanleg van de RijnlandRoute is beëindigd en de gronden krijgen een bestemming 'Agrarisch met waarden' met o.a. de dubbelbestemming 'Waarde - Landschap'. Met dit TAM-omgevingsplan wordt derhalve geen extra verharding in het plangebied aangebracht. Verder leidt de ontwikkeling niet tot een wijziging of uitbreiding van de activiteiten ter plaatse waardoor de waterhuishoudkundige situatie onveranderd blijft.

Doordat de tijdelijke situatie in een van de deelgebieden, bestaande uit een verharding ten behoeve van parkeren en het plaatsen van bouwketen is beëindigd, is de (tijdelijke) verharding in het plangebied verwijderd en zijn de bedrijfsactiviteiten in verband met het tijdelijk werkterrein gestaakt.

Ter plaatse van de deelgebieden liggen zowel een deel van de kernzone, het profiel van vrije ruimte, de beschermingszone als de buitenbeschermingszone van een regionale waterkering. Zie de uitsnede van de legger Regionale kering van het Hoogheemraadschap van Rijnland (afbeelding 7.4).

Ter bescherming van de waterkering geldt in een deel van het plangebied de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Op de legger Oppervlaktewater (zie afbeelding 7.5) is zichtbaar dat het plangebied deels ligt ter plaatse van overig oppervlaktewater en bijbehorende kernzone en beschermingszone. Gezien dit TAM-omgevingsplan niet leidt tot fysieke veranderingen in het plangebied, er geen bouwvlak wordt opgenomen en er geen andere ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt met een eventueel nadelig effect op de regionale waterkering of het oppervlaktewater, leidt het aspect water niet tot een belemmering voor de uitvoering van dit TAM-omgevingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.TAM00004-0302_0015.png"

Afbeelding 7.4: Uitsnede kaart 13 Legger Regionale kering (bron: Hoogheemraadschap van Rijnland)

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.TAM00004-0302_0016.png"

Afbeelding 7.5 :Uitsnede kaart 14 Legger Oppervlaktewater (bron: Hoogheemraadschap van Rijnland)

7.3.3 Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van de functies aan de locatie.

7.3.4 Gevolgen omgevingsplan

Het aspect water heeft geen gevolgen voor het voorliggende TAM-omgevingsplan.

7.4 Natuurwaarden en ecologie

7.4.1 Beleidskader

7.4.1 Beleidskader

7.4.1.1 Omgevingswet

In artikel 5.1. van de Omgevingswet zijn diverse regels ter bescherming van de natuur opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van plant- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.

Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).


Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.44 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een omgevingsplan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten (artikel 10.24 Bkl). Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden (ADC toets):

  • Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard;
  • De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de
    algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft;
  • Als het plan significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied, geldt de voorwaarde dat het plan nodig is vanwege:
    • 1. argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, met de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; of
    • 2. andere dwingende redenen van groot openbaar belang, als de procedure van artikel 10.6d van het Omgevingsbesluit is toegepast.


In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten.


Soortenbescherming

Onder de Ow zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Dit vorm krijgen in wet- en regelgeving, maar in fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.


Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.


In artikel 5.1. van de Omgevingswet wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

7.4.1.2 Zuid-Hollandse Omgevingsverordening

Provinciaal beschermde gebieden

In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn gebieden aangewezen die extra beschermd worden: het Natuurnetwerk Nederland, graslanden bollenstreek, belangrijke weidevogel gebieden, groene buffers en karakteristieke landschapselementen. Voor Leiden is alleen het Natuurnetwerk Nederland relevant.

Ruimtelijke ontwikkelingen in de beschermde gebieden zijn toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Als door ontwikkelingen de natuurwaarden van deze gebieden worden aangetast zijn compensatie maatregelen nodig. Voor het Natuurnetwerk Nederland gebieden is het uitgangspunt 'nee, tenzij'.

7.4.2 Onderzoeksresultaten
  • Deelgebied A

Door Natuurbank Overijssel is een quickscan natuurwaarden onderzoek uitgevoerd. De onderzoeksresultaten zijn als Bijlage 7 aan deze motivering toegevoegd.

Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet (flora- en fauna-activiteit) niet op voorhand uitgesloten worden. In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 15 juli 2025 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermde (natuur)gebieden, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland.

Gebiedsbescherming

Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN, omdat de bescherming van het NNN geen externe werking kent in Zuid-Holland.

Het plangebied ligt op minimaal 4,9 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is De Wilck. Het meest dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is 'Meijendel & Berkheide.

Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen uitgesloten worden.

Als gevolg van het planvoornemen treedt een beperkte toename op van de stikstofemissie in de realisatie- en de gebruiksfase. Met behulp van de AERIUS calculator is in beeld gebracht of deze toenamen van de emissie effect kan hebben op de stikstofgevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden.

Stikstof

Met behulp van de AERIUS calculator is in beeld gebracht of de verbredingsactiviteiten, die door middel van het voorliggende TAM-omgevingsplan mogelijk worden gemaakt, een stikstofdepositie veroorzaken op Natura 2000 gebieden.

Het houden van melkvee en de paarden is een bestaande activiteit dat wordt gecontinueerd. De agrarische activiteiten, inclusief de transportbewegingen die hiermee gepaard gaan, kunnen daarom in de stikstofberekening buiten beschouwing blijven.

De stikstofemissie in de gebruiksfase wordt veroorzaakt door de verkeersgeneratie van de verbredingsactiviteiten.

Het gebruik van verbrandingsmotoren in de realisatiefase is zeer beperkt omdat er feitelijk alleen sprake is van interne verbouwing. Deze worden uitgevoerd met handgereedschap. Wel zal er sprake zijn van enkele verkeersbewegingen met busjes van de aannemer. Het aantal verkeersbewegingen in de aanlegfase is echter per definitie lager dan de extra verkeersbewegingen in de gebruiksfase.

Voor de aanleg van het pad naar de Hofvlietweg zullen stelconplaten worden aangevoerd met een vrachtauto. Het op de plek leggen van de stelconplaten doet initiatiefnemer met zijn eigen tractor.

Om op de juiste wijze de stikstofdepositie van de aanleg- en gebruiksfase te bepalen, is in kaart gebracht welke transportbewegingen noodzakelijk zijn. De toelichting van de stikstofberekening en het overzicht van het materieel en de transportbewegingen is toegevoegd als bijlage 8. Voor de stikstofberekening zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

Gebruiksfase

  • 3.640 verkeersbewegingen met licht verkeer;
  • 509 verkeersbewegingen met campers.

Realisatiefase

  • 40 verkeersbewegingen met licht verkeer;
  • 6 verkeersbewegingen met zwaar verkeer;
  • 24 draaiuren tractor.

De verkeersbewegingen in de gebruiksfase gaan deels over de Vlietweg en deels over het ontsluitingspad dat uitkomt op de Hofvlietweg. De campers bereiken de locatie vanaf de Hofvlietweg. Voor het overige lichte verkeer is uitgegaan van een verdeling van 50% over de Vlietweg en 50% in de richting van de Hofvlietweg. In de aanlegfase gaat het verkeer over de Vlietweg.

Voor de AERIUS-berekening zijn de verwachte verkeersbewegingen van en naar het perceel gemodelleerd op basis van gedimensioneerde rijlijnen. Het aantal extra verkeersbewegingen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is zeer beperkt ten opzichte van het bestaande verkeer op de omliggende infrastructuur. Ter plaatse van de Hofvlietweg en de Europaweg gaat het verkeer op in het bestaande, overheersende verkeersbeeld.

De AERIUS berekening van de aanleg- en de gebruiksfase zijn worst case samengevoegd in één berekening. Dit omdat de realisatie van het plan en het gebruik kunnen samenvallen in één jaar.

De AERIUSberekening is bijgevoegd als bijlage 9 aan deze ruimtelijke motivering. Uit de AERIUSberekenigng blijkt dat de stikstofdepositie lager is dan 0,00 mol per ha / jaar. Een negatief effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000-gebied kan worden uitgesloten. Het onderdeel gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor het plan.

Soortenbescherming

Als gevolg van het wijzigen van de bestemming van beide deelgebieden, worden geen (fysieke) werkzaamheden uitgevoerd. Het overtreden van een verbodsbepaling, zoals het verstoren of doden van dieren en het beschadigen/vernielen van voortplantings- en rustplaatsen, kan daarom op voorhand uitgesloten worden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de bestemming te wijzigen

  • Deelgebieden B en C

Gebiedsbescherming

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘De Wilck’. Dit Natura 2000-gebied ligt op een afstand van circa 5 km vanaf de deelgebieden en is niet stikstofgevoelig. Het meest dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is 'Meijendel & Berkheide". Dit Natura 2000-gebied ligt op een afstand van circa 6 km vanaf de deelgebieden.

Er vinden echter geen werkzaamheden plaats, aangezien in dit TAM-omgevingsplan geen bestemmingswijziging zijn opgenomen waarbij geen nieuwe bouwmogelijkheden ontstaan. Verder leidt de ontwikkeling niet tot sloop- of bouwwerkzaamheden. De werkterreinen voor de aanleg van de Corbulotunne zijn reeds geamoveerd. Een negatief effect op de omliggende Natura 2000-gebieden kan daarmee op voorhand worden uitgesloten. Verder is het plangebied niet gelegen in een gebied dat behoort tot het Natuurnetwerk Nederland. Wel ligt het NNN op korte afstand van het plangebied, maar gezien bovenstaande kunnen eventuele negatieve effecten worden uitgesloten.

Soortenbescherming

Het beoogde plan betreft een bestemmingswijziging waarbij geen nieuwe bouwmogelijkheden ontstaan en de feitelijke situatie niet zal wijzigen. De tijdelijke situatie ten behoeve van de aanleg van de RijnlandRoute is beëindigd en de gronden krijgen hoofdzakelijk de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Het kadastraal perceel 2436 wordt bestemd voor woondoeleinden. Er vinden im deze deelgebieden geen sloop- of bouwmogelijkheden plaats. Doordat geen fysieke veranderingen optreden in de deelgebieden leidt dit TAM-omgevingsplan niet tot mogelijke gevolgen in het kader van de soortenbescherming.

7.4.3 Conclusie

Vanuit het aspecten natuurwaarden en ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van de functies aan de locatie.

7.4.4 Gevolgen omgevingsplan

Het aspect natuurwaarden en ecologie hebben geen gevolgen voor het voorliggende TAM-omgevingsplan.

7.5 Nutsvoorzieningen

7.5.1 Ondergrond

Effecten op bestaande kabels en leidingen

Beleidskader

Handboek Leidingen

Recentelijk is een geactualiseerde versie van het Handboek Leidingen ter vaststelling aan het college aangeboden. De bedoeling is dat het gewijzigde Handboek in werking treedt gezamenlijk met de inwerkingtreding van de gewijzigde Vfl.

In het geactualiseerde Handboek is onder andere het volgende opgenomen over het onderscheid van zogenoemde Categorie 1 en 2 leidingen bij bepaling van tracés:

Categorie 1 leidingen zijn:

  • Leidingen die van doorslaggevend belang zijn voor het sociaal en economisch functioneren van de stad. Een disfunctionaliteit van deze leidingen zou grote maatschappelijke ontwrichting en economische schade tot gevolg hebben. Over het algemeen betreffen het leidingen die een omvangrijke kapitaalsinvestering van netbeheerders vragen. Denk hierbij aan drinkwater-transportleidingen (met een diameter groter of gelijk aan 300 mm), warmtetransportleidingen (van 304,8 mm oftewel 12 inch of groter) en hoogspanningskabels (vanaf 23 kV);
  • Leidingen die een extern veiligheidsrisico kennen. Het betreft leidingen die zowel qua aard van de vervoerde stoffen als qua druk waaronder de stoffen getransporteerd worden onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen vallen.


Categorie 2 leidingen zijn:

  • Alle overige kabels en/of leidingen die niet tot categorie 1 behoren.


Voor categorie 1 leidingen kan het noodzakelijk zijn dat de strook waarin de leiding ligt in het omgevingsplan wordt beschermd.

Onderzoeksresultaten

  • Deelgebied A

De camperstandplaatsen worden aangelegd zonder voorzieningen (stroom/water). Omdat het planvoornemen niet gepaard gaat met ingrepen in de grond, staat op voorhand vast dat het plan geen effecten heeft op bestaande kabels en leidingen.

Het plangebied ligt in de nabijheid van twee gasleidingen. In paragraaf 7.1.6 is hier nader op ingegaan.

  • Deelgebieden B en C

Voor deze deelgebieden geldt dat het onderhavig TAM-omgevingsplan slechts een wijziging van de bestemming / functie betreft waarbij geen nieuwe bouwmogelijkheden ontstaan. De tijdelijke situatie ten behoeve van de aanleg van de RijnlandRoute is beëindigd en de gronden krijgen hoofdzakelijk de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Het kadastraal perceel 2436 wordt bestemd voor woondoeleinden.

Het aspect ondergrond is voor deze deelgebieden niet relevant want n en nabij de deelgebieden zijn geen (planologisch relevante) kabels en leidingen aanwezig anders dan de leidingen waar onder Omgevingsveiligheid (in paragraaf 7.1.6) nader op wordt ingegaan.

Gevolgen omgevingsplan

Het aspect ondergrond heeft geen gevolgen voor het voorliggende TAM-omgevingsplan.

7.6 Overig

Het plangebied is niet aangegeven als verdacht gebied voor ontplofbare oorlogsresten.

Hoofdstuk 8 Juridische toelichting (TAM-IMRO omgevingsplan)

8.1 Wijziging omgevingsplan

8.1.1 Omgevingswet

De Omgevingswet streeft naar een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Artikel 1.2 van de Omgevingswet beschrijft dat de wet van toepassing is op de fysieke leefomgeving en activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Er is geen precieze definitie van de fysieke leefomgeving, maar volgens de Omgevingswet omvat het in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. Ook kunnen de gevolgen voor de fysieke leefomgeving en voor mensen deel uitmaken van een omgevingsplan, zoals emissies, hinder, risico's, gezondheid en duurzaamheid.

8.1.2 Omgevingsplan

Een omgevingsplan moet zorgen voor een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Dit betekent dat er regels worden gesteld aan activiteiten op (een deel van) het grondgebied, en dat functies worden gekoppeld aan locaties met toegestane activiteiten (en bijbehorende regels). Bij deze evenwichtige toedeling moet de gemeente rekening houden met alle betrokken belangen.


In het omgevingsplan worden de beslissingen van de gemeente, zoals vastgesteld in de omgevingsvisie, gedetailleerd uitgewerkt in regels voor de fysieke leefomgeving. Het omgevingsplan geldt voor het gehele grondgebied van de gemeente en wordt vastgesteld door de gemeenteraad.

8.1.3 Omgevingsplan van rechtswege

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan Leiden van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.

8.1.4 Toepassing TAM-IMRO

Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAM's) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAM's is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Dit TAM-IMRO omgevingsplan blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.


Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2024. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2024 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2025 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).

8.1.5 Wijziging omgevingsplan Leiden

Dit plan is een wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Leiden. Het geldende omgevingsplan van rechtswege biedt geen mogelijkheid dit project te realiseren. Om dit project mogelijk te maken wordt het omgevingsplan gewijzigd.


De wijzigingen in het omgevingsplan vervangen onder andere de huidige bestemmingsplannen in het projectgebied, die sinds de start van de Omgevingswet zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

8.1.6 Werkingsgebieden

De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Elza Hoeve, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand [NL.IMRO.0546.TAM00004--0201] zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In paragraaf 1.2 Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.

8.2 Artikelgewijze toelichting

8.2.1 Preambule

De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.

8.2.2 Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassing begripsbepalingen

In dit artikel is bepaald dat de begripsbepalingen, die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, van toepassing op hoofdstuk 22c Elza Hoeve e.o..

Artikel 2 Aanvullende begripsbepaling

Dit artikel bevat aanvullende begripsbepalingen die nodig zijn voor de juiste toepassing van het TAM-omgevingsplan.

Artikel 3 Toepassingsbereik

In dit artikel is bepaald dat de hoofdstukken in dit plan gelezen moeten worden als afdelingen van [hoofdstuk 22a] van het omgevingsplan gemeente Leiden.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.24 al meetbepalingen. In dit artikel zijn alleen meet- en rekenbepalingen opgenomen die specifiek gelden voor dit TAM/omgevingsplan.

8.2.3 Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

In hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het werkingsgebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan.

8.2.4 Hoofdstuk 3 Archeologische en landschapswaarden waarden

Artikel 9 en Artikel 10 Waarde - Archeologie

De gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie' zijn mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. Er mag uitsluitend gebouwd worden ten behoeve van deze bestemming, en ten behoeve van de overige geldende bestemming(en), beide mits de regels van omtrent de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden vooraf in acht zijn genomen.

Voor het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist, indien deze dieper dan een bepaalde maatvoeren en groter zijn dan een bepaalde oppervlakte, afhankelijk in welke beschermingscategorie 3 of 5 de werkzaamheden worden uitgevoerd.

Deze omgevingsvergunning kan alleen verleend worden indien de werken en werkzaamheden geen afbreuk doen aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden. Om dit aan te tonen moet de aanvrager een archeologisch rapport overleggen. Indien noodzakelijk kunnen aan de omgevingsvergunning voorwaarden worden verbonden.

Artikel 11 Waarde - Landschap

Ter bescherming het behoud, herstel en de instandhouding van de aanwezige landschappelijke waarden is de bestemming Waarde - Landschap toegevoegd.

8.2.5 Hoofdstuk 4 Algemene regels

Artikel 12 Anti-dubbeltelregel

In dit artikel is aangegeven dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede keer mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren.

Artikel 13 Algemene bouwregels

Dit artikel bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het omgevingsplan beoogd.

Artikel 14 Algemene aanduidingsregels

In dit artikel zijn de algemene aanduidingen opgenomen die van toepassing zijn op alle functies.

Artikel 15 Algemene afwijkingsregels

Dit artikel bevat bepalingen ten aanzien van beperkte afwijkingen ten opzichte van de in hoofdstuk 2 toegestane functies en bouwmogelijkheden. Voor deze afwijkingen geldt een omgevingsvergunningplicht.

Artikel 16 Algemene beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen

Het college kan een omgevingsvergunning verlenen waarbij wordt afgeweken van de in hoofdstuk 22c Elze Hoeve e.o. gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages, voor zover dit noodzakelijk is voor een doelmatige uitvoering van activiteiten en deze stedenbouwkundig aanvaardbaar zijn.

Artikel 17 Algemene beoordelingsregels voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, ten aanzien van parkeren

Dit artikel bevat regels over het auto- en fietsparkeren om te beverwerkstelligen dat behoeve van het parkeren van auto's en fietsen en ten behoeve van het laden en lossen hiervoor in voldoende mate ruimte is voorzien in.

Artikel 18 Overige regels

Waar in hoofdstuk 22c Elza Hoeve e.o. wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, wordt geduid op de regelingen zoals die luidden op het tijdstip van de ter-inzage-legging van het ontwerpbesluit van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Elza Hoeve e.o.

8.2.6 Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotregels

Artikel 18 Overgangsrecht

In dit artikel zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken, functioneel gebruik en overige activiteiten.

Artikel 19 Slotregel

In de slotregels worden de regels van dit TAM-omgevingsplan aangehaald.

Hoofdstuk 9 Uitvoerbaarheid

9.1 Economische uitvoerbaarheid

9.1.1 Financieel economische haalbaarheid

In deze motivering is onderbouwd dat met het besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt. Ook wordt gesteld dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden uitgevoerd.

Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies niet binnen een redelijke tijd kunnen worden uitgevoerd om financiële redenen.

9.1.2 Kostenverhaal

Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van één of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat om zogenaamde kostenverhaalsplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit.


De gemeente heeft vaststellingsovereenkomst met de initiatiefnemer gesloten. Hierin worden afspraken gemaakt over de uitvoering, kosten en nadeelcompensatie. De financiële uitvoerbaarheid is daarmee verzekerd. De ontwikkeling heeft voor de gemeente verder geen negatieve financiële gevolgen.

9.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

9.2.1 Vooraankondiging

Volgens artikel 16.29 van de Omgevingswet is op 19 december 2024 een vooraankondiging van het wijzigingen van het omgevingsplan gedaan.

9.2.2 Participatie

Voor de resultaten van het participatieproces wordt kortheidshalve verwezen naar paragraaf 2.3.1.2.

9.2.3 Vooroverleg

De vooroverlegreacties op het TAM-omgevingsplan moeten nog ontvangen worden.

9.2.4 Zienswijzen

Het ontwerpbesluit voor het wijzigen van het omgevingsplan zal gedurende een termijn van zes weken voor zienswijzen ter visie worden gelegd. In die termijn kan eenieder een zienswijze tegen het ontwerp indienen.

Ingediende zienswijzen zullen worden betrokken bij de uiteindelijke afweging van het omgevingsplan.

 

Hoofdstuk 10 Belangenafweging en conclusie

10.1 Toelichting evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit staat in artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet. Het zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een taak die dus primair bij de gemeente ligt. Deze beleidsvrije taak is een vervolg op het criterium van een goede ruimtelijke ordening uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), maar dan in de bredere strekking van de fysieke leefomgeving

10.2 Conclusie

Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. De vraag moet uiteindelijk beantwoord worden of er een balans is tussen “beschermen en benutten”. Wordt de schaarse ruimte binnen de fysieke leefomgeving op een zo goed mogelijke wijze verdeeld, ingericht en benut?

  • Deelgebied A

In de deelgebied is het grondgebonden veehouderijbedrijf Elza Hoeve gevestigd. Naast het houden van melkkoeien en paarden worden verbredingsactiviteiten georganiseerd. Deze activiteiten zijn voor een belangrijk deel onlosmakelijk verbonden met de agrarische activiteiten van het bedrijf en voor een toekomstbestendige bedrijfsvoering essentieel.

Er zijn verschillende punten waarop de huidige situatie niet in overeenstemming is met het vigerende Omgevingsplan (voorheen het bestemmingsplan Oostvlietpolder 2016 en het Inpassingsplan RijnlandRoute. Er kan daarom worden gesteld dat er geen sprake (meer) is van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie, aangezien de huidige bestemming de bestaande en de nieuwe verbredingsactiviteiten met bijbehorende voorzieningen niet toelaat.

Met onderhavige motivering zijn alle relevante belangen in het kader van de beoogde ontwikkeling beschouwd en kan de conclusie getrokken worden dat de regels van onderhavige wijziging van het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties

  • Deelgebieden B en C

De tijdelijke situatie ten behoeve van de aanleg van de RijnlandRoute is beëindigd en de gronden van deze deelgebieden krijgen grotendeels de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Voor het kadastraal perceel 2436 herleefd de bestemming 'Wonen'.

De gronden die de bestemming 'Agrarisch met waarden' krijgen, worden in gebruik genomen door de Elza Hoeve. De veehouder bezit reeds weidepercelen aangrenzend aan de verschillende deelgebieden, waardoor de ontsluiting van de deelgebieden via de aangrenzende gronden kan plaatsvinden.

Zowel de gemeente als de Elza Hoeve hebben belang bij het wijzigen van het omgevingsplan. De gemeente wil haar groene ambities voor de Oostvlietpolder veilig stellen en onbedoeld gebruik van gronden voorkomen. De Elza Hoeve wil de percelen weer kunnen gebruiken voor zijn agrarisch bedrijf.

Het kadastraal perceel 2436 is tijdelijk gebruikt als werkterreinen voor de aanleg van de Corbulotunnel. Nu de bouwwerkzaamheden zijn beëindigd, kan de woonbestemming weer herleven.

Het huidige gebruik van de gronden in deze deelgebieden zijn na de beëindiging van de bovengenoemde werkzaamheden niet meer in overeenstemming met de bestemming / functie. Het voorliggende TAM-omgevingsplan heft deze discrepantie op. De bestemming / functie wordt in overeenstemming gebracht met het werkelijk gebruik.

Met onderhavige motivering zijn alle relevante belangen in het kader van de beoogde ontwikkeling beschouwd en kan de conclusie getrokken worden dat de regels van onderhavige wijziging van het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.