| Plan: | Rijksstraatweg 301 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0530.BPRijksstr301-VG01 |
Het bedrijf Van Orselen heeft bij de gemeente Hellevoetsluis in 2008 een vrijstelling van het bestemmingsplan aangevraagd voor het verharden van een deel van het perceel ten behoeve van het parkeren van vrachtwagens. Deze vrijstelling is verleend. Tevens is een bouwvergunning verleend voor het plaatsen van twee geluidsschermen en het wijzigen van de achtergevel van een bedrijfsruimte op het perceel. Na het verlenen van de vrijstelling heeft de bewoner van Rijksstraatweg 305 bezwaar gemaakt tegen de vrijstelling en de bouwvergunning. Beide bezwaren zijn door de gemeente ongegrond verklaard. Tegen deze besluiten is de bewoner in beroep gegaan bij de rechtbank Rotterdam. De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard en de besluiten van de gemeente vernietigd. Tegen de uitspraak van de rechtbank is het bedrijf Van Orselen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) in hoger beroep gegaan. De RvS heeft de uitspraak van de rechtbank vernietigd. De uitspraak van de RvS houdt in dat, in dit geval het niet uit te sluiten is dat door het stellen van maatwerkvoorschriften of het treffen van andere maatregelen aan de normen kan worden voldaan. Dit betekent dat het college opnieuw op het bezwaar van de bewoner van Rijksstraatweg 305 moet beslissen.
Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de DCMR, in opdracht van de gemeente, een concept beschikking opgesteld met maatwerkvoorschriften voor het transportbedrijf, op basis van akoestisch onderzoek van de huidige situatie. Ook is er een inrichtingsvoorstel opgesteld. Dit inrichtingsvoorstel in combinatie met de maatwerkvoorschriften uit de concept beschikking vormt de basis voor het nu voorliggende bestemmingsplan.
Het vastgestelde bestemmingsplan en de definitieve beschikking kunnen vervolgens worden gebruikt voor het nemen van een nieuw besluit op het bezwaar tegen de in 2008 verleende vrijstelling.
Het plangebied is gelegen aan de Rijksstraat 301 te Nieuwenhoorn. In figuur 1.1. is de ligging van het plangebied weergegeven. Het bestemmingsplan heeft betrekking op oostzijde van de bedrijfslocatie aan de Rijksstraatweg 301 en betreft de gronden waar de geluidsreducerende maatregelen worden genomen en de gronden waar ter compensatie uitbreiding van het verhard oppervlak plaatsvindt.
Figuur 1.1 Ligging plangebied
Voor het plangebied gelden de volgende regelingen:
Hoofdstuk 2 bevat de planbeschrijving. In dit hoofdstuk is de ontwikkeling beschreven.een ruimtelijke en functionele analyse van het plangebied gegeven en wordt ingegaan op de ontwikkeling in het plangebied. In hoofdstuk 3 volgt een beschrijving van het beleidskader dat relevant is voor het plangebied. Vervolgens komen in hoofdstuk 4 de omgevingsaspecten (zoals milieu, ecologie, water en archeologie) aan de orde. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan en hoofdstuk 6 op het aspect handhaving. In hoofdstuk 7 is de juridische planbeschrijving opgenomen waarin de regels op het plan worden toegelicht.
Vanwege de bezwaren op de in 2008 verleende vrijstelling is een deel van het transportbedrijf Van Orselen aan de Rijkstraatweg 301 niet het bestemmingsplan Nieuwenhoorn opgenomen. Het betreft het perceel met de kadastrale aanduiding 234. Terreindeel C in figuur 2.1 is wel opgenomen in het bestemmingsplan Nieuwenhoorn. Ondertussen is naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State op basis van een nieuw geluidsonderzoek een herinrichtingsvoorstel voor het perceel opgesteld. Dit inrichtingsvoorstel in combinatie met de maatwerkvoorschriften uit de concept milieuvergunning vormt de basis voor het nu voorliggende bestemmingsplan.
Figuur 2.1 Terreinindeling
Om de geluidsoverlast als gevolg van het vrachtwagenparkeerterrein (terreindeel B) voor de woningen aan de Rijksstraatweg te beperken, wordt direct achter de woningen (terreindeel A) een groenstrook voorzien (ten behoeve van een visuele afscheiding) en wordt ter compensatie van de bedrijfsgronden die hier verdwijnen aan de noordoostzijde van het perceel de verharding verder uitgebreid. De activiteiten vinden daarmee op een grotere afstand van de woningen plaats. Daarbij wordt het terrein direct aan de oostzijde van het bedrijfsgebouw 's avonds en 's nachts (tussen 19:00 en 07:00 uur) afgesloten.
Voor het realiseren van de groenstrook is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels. Een groenplan ten behoeve van de invulling van de groenstrook wordt via een overeenkomst tussen het bedrijf en de eigenaar van Rijksstraatweg 305 geregeld. De afsluiting in de uren gelegen tussen 19:00 en 07:00 uur wordt geregeld via een dubbelbestemming 'specifieke vorm van bedrijf - fysieke scheiding'.
Figuur 2.2 Beoogde ontwikkeling
Het bestemmingsplan heeft betrekking op een zeer kleinschalige ontwikkeling. Ten behoeve van de geluidsreductie wordt het terrein heringericht en vindt aan de noordoostzijde een beperkte uitbreiding plaats ter compensatie van de te realiseren groenstrook direct achter de woningen aan de Rijksstraatweg. Deze ontwikkeling wordt afgewogen ten opzichte van het relevante vigerende beleid.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Op 13 maart 2012 is de SVIR vastgesteld. Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daarin streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid.
In de SVIR wordt het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd:
De SVIR verstevigt het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet'. De verantwoordelijkheid om te sturen in de ruimtelijke ordening wordt door de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte nog meer bij de provincie en gemeenten gelegd. Dit houdt in dat de betekenis van de nationale structuurvisie voor het bestemmingsplangebied zodoende zeer beperkt blijft. Het relevante beleidskader wordt gevormd door provincie en vooral door de gemeente. De SVIR staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
Visie Ruimte en Mobiliteit (2014)
De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. De Visie ruimte en mobiliteit (VRM), vastgesteld op 9 juli 2014, geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer.
Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:
Bij de VRM horen: de Visie ruimte en mobiliteit, de Verordening ruimte, het Programma ruimte en het Programma mobiliteit.
4 rode draden
In de VRM zijn 4 thema's te onderscheiden:
1. beter benutten en opwaarderen van wat er is,
2. vergroten van de agglomeratiekracht,
3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit,
4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.
1. Beter benutten en opwaarderen
De provincie vangt de groei van de bevolking, de mobiliteit en de economische activiteit vooral op in de bestaande netwerken en bebouwde gebieden. Beter benutten en opwaarderen leidt tot een intensiever, compact ruimtegebruik.
2. Versterken stedelijk gebied (agglomeratiekracht)
Meer concentratie en specialisatie van locaties die onderling goed verbonden zijn, leidt tot de versterking van de kennis- en bedrijvencentra op het Europese en wereldtoneel. De provincie wijst in de VRM de concentratielocaties met goede ontsluiting aan. Daarnaast werkt de provincie aan een goede aantakking van de Zuid-Hollandse economie op het nationale, Europese en wereldwijde netwerken van goederen- en personenvervoer.
Detailhandel is een belangrijke drager voor levendige centra. De VRM concentreert winkels zoveel mogelijk in bestaande winkelgebieden om leegstand in de binnenstad te voorkomen.
3. Versterken ruimtelijke kwaliteit
Het provinciale landschap valt onder te verdelen in drie typen, gekenmerkt door veenweiden, rivieren en kust. Het verstedelijkingspatroon, de natuurwaarden en het agrarisch gebruik sluiten daarop aan. De provincie stelt de versterking van de kwaliteiten van gebieden centraal in het provinciaal beleid. Per nieuwe ontwikkeling zal voortaan eerst worden bekeken of het nodig is om het buiten bestaand stads – en dorpsgebied te realiseren.
De voorwaarde hierbij is dat de maatschappelijke behoefte is aangetoond en de nieuwe ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Bij ruimtelijke kwaliteit gaat het om een integrale benadering waarbij de samenhang tussen bruikbaarheid, duurzaamheid én belevingswaarde in acht wordt genomen.
4. Bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving
In de VRM zet de provincie in op de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Door ruimtelijke reserveringen te maken voor de benodigde netwerken en via haar vergunningen- en concessiebeleid, draagt de provincie hieraan bij.
Verordening ruimte 2014
In samenhang met de structuurvisie is de Verordening ruimte opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het plangebied ligt buiten bestaand stedelijk gebied. Het volgende is relevant voor het bestemmingsplan.
Artikel 2.1.1 Ladder voor duurzame verstedelijking
Lid 1 Ladder voor duurzame verstedelijking
Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:
Toepassing artikel 2.1.1:
De ontwikkeling voorziet in de behoefte om de geluidsoverlast van de woningen aan de Rijksstraatweg te beperken en het bestaande bedrijf op de huidige locatie voort te zetten. Doordat het bedrijf buiten bestaand stedelijk gebied ligt, is compensatie van de bedrijfsgronden die omgezet worden in een groenstrook alleen mogelijk buiten bestaand stedelijk gebied. Het plangebied wordt via het terrein van het bedrijf aan de westzijde van het plangebied ontsloten op de Rijksstraatweg.
Structuurvisie Hellevoetsluis 2015+(2011)
De opvolger van het structuurplan, de structuurvisie Hellevoetsluis 2015+, is inmiddels vastgesteld. In deze structuurvisie zijn de visie en de ambities met betrekking tot het gemeentelijk beleid uiteen gezet. De onderdelen uit het Structuurplan 2010+ zijn hierin geactualiseerd. Met betrekking tot Nieuwenhoorn en omgeving is hierover het volgende aangegeven:
Nieuwenhoorn is een zelfstandige kern met een eigen identiteit. Het karakter wordt met name bepaald door de dijkstructuur van de Rijksstraatweg. Dit beeld dient geconserveerd te worden. Woningen worden met name gerealiseerd in de lintbebouwing ten zuiden van het dorp en op enkele kleine locaties aan de rand van het dorp.
De ontwikkeling in het plangebied vindt plaats achter de bestaande lintbebouwing en is niet van invloed op het beeld van de Rijksstraatweg.
Bestemmingsplan Nieuwenhoorn 2012
In het bestemmingsplan Nieuwenhoorn is de locatie van Van Orselen gedeeltelijk bestemd. Omdat ten tijde van het opstellen van dat bestemmingsplan nog onderzoek werd gedaan naar mogelijke oplossingsrichtingen voor de ontstane situatie is besloten om een gedeelte van de bedrijfsgronden buiten het bestemmingsplan te laten. Het voorliggende bestemmingsplan sluit, na vaststelling, aan op de regeling voor het bedrijf zoals opgenomen in het bestemmingsplan Nieuwenhoorn.
Het bestemmingsplan is kleinschalig van aard en leidt tot een verbetering van de leefbaarheid door vermindering van de geluidoverlast en draagt door het behoud van het bedrijf op de bestaande locatie bij aan de duurzaamheid.
Verkeer
Het transportbedrijf van Van Orselen wordt ontsloten via de Rijksstraatweg. De transportbewegingen van Van Orselen lopen via de Rijksstraatweg, Parallelweg en de Nieuweweg richting de N57. Via de N57 kan het verkeer richting Rotterdam of richting Goeree-Overflakkee en verder richting Zeeland. In de huidige situatie zijn er 63 verkeersbewegingen/etmaal (weekdaggemiddelde). Hierbij wordt uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 60%. De ontwikkeling heeft geen toename van verkeer tot gevolg omdat deze uitsluitend toeziet op een gewijzigde terreininrichting.
Wegverkeerslawaai
Omdat met de ontwikkeling geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mogelijk worden gemaakt kan onderzoek naar wegverkeerslawaai achterwege blijven. Ook is er geen sprake van een toename van verkeersbewegingen. Geluid ten gevolge van de inrichting is beschreven in de hierna volgende paragraaf 4.2
Beleid en Normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.
Onderzoek
Het aanwezige transportbedrijf valt onder SBI-code 494 “Goederenwegvervoerbedrijven (zonder schoonmaken tanks): b.o. > 1000 m²” uit de VNG-publicatie. De richtafstand met betrekking tot geluid bedraagt voor het transportbedrijf 100 m in het geval van gebiedstype “rustige woonwijk”. In geval van omgevingstype “gemengd gebied” kan de afstand van 100 m met één afstandsstap worden verlaagd tot 50 m. Voor het plangebied geldt het omgevingstype “gemengd gebied” als gevolg van de ligging van de inrichting in buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Een aantal woningen in de directe omgeving valt binnen de geldende richtafstand van 50 m.
Omdat niet aan de richtafstand wordt voldaan, is akoestisch onderzoek uitgevoerd (DPA Cauberg-Huygen, 20150442-04, d.d. 9 september 2015), bijlage 2.
Akoestisch onderzoek
Het doel van het onderzoek is om de geluiduitstraling van het internationale transportbedrijf van Firma J.C.S. van Orselen in kaart te brengen in het kader van een goede ruimtelijke ordening ten behoeve van de bestemmingsplanprocedure.
Ter plaatse zijn in 1996, in 2005 en in 2012 door Cauberg-Huygen en in 2005 door de DCMR Milieudienst Rijnmond geluidmetingen verricht. Op basis van de meetresultaten is een akoestisch rekenmodel opgesteld, waarmee de langtijdgemiddelde beoordelingniveaus en maximale geluidniveaus ter plaatse van de meest dichtbijzijnde woningen zijn bepaald. Tenslotte zijn de berekende geluidniveaus getoetst aan de te hanteren voorschriften uit zowel het Activiteitenbesluit als aan de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”.
Voor toetsing aan de VNG-publicatie wordt getoetst aan stap 3:
- Etmaalwaarde 55 dB(A) voor langtijdgemiddelde geluidniveaus;
- Etmaalwaarde 65 dB(A) voor verkeersaantrekkende werking.
Resultaten
In onderstaande tabellen worden de resultaten van het akoestisch onderzoek weergegeven. Op een aantal locaties worden de normen uit het Activiteitenbesluit overschreden. Ter plaatse van de woningen Rijksstraatweg 299 en 312 worden de grenswaarden conform het Activiteitenbesluit voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau overschreden. Ter plaatse van de woningen Rijksstraatweg 299, 303, 305 en 312 worden de grenswaarden uit het Acitiviteitenbesluit voor de maximale geluidniveaus overschreden. Ter plaatse van de woningen aan de Rijksstraatweg 305, 307 en 309 wordt de voorkeursgrenswaarde voor indirecte hinder overschreden.
Aan de toetswaarden conform stap 3 van de VNG-publicatie wordt in nagenoeg alle gevallen voldaan. Alleen ter plaatse van de woning Rijksstraatweg 299 wordt de toetsingswaarde conform stap 3 van de VNG-publicatie in de nachtperiode met 3 dB(A) overschreden.
Tabel 4.1 Berekende Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau
Tabel 4.2 Berekende maximale geluidsniveaus
Tabel 4.3 Berekende indirecte hinder
Motivatie nadere eis
Het transportbedrijf Van Orselen is al bijna 70 jaar op dezelfde locatie gevestigd. Gedurende vele jaren wordt er van de locatie met vrachtwagens, ook gedurende de nachtperiode vertrokken. Van Orselen verricht vervoer voor diverse opdrachtgevers, vaak moet op tijd vracht worden opgehaald of afgeleverd. Ook wordt er diefstalgevoelige lading vervoerd, vrachtwagens met deze lading moeten bewaakt worden gestald. Dit kan, in de buurt van Hellevoetsluis alleen op het eigen terrein van Van Orselen. De bewaking wordt door de heer Van Orselen zelf uitgevoerd. Hij woont immers naast de uitrit van het terrein. Het is derhalve onontkoombaar dat enkele vrachtwagens gedurende de nachtperiode moeten vertrekken. Het nachtelijk vertrek van vrachtwagens wordt wel ontmoedigd. Verder worden de in de nachtperiode vertrekkende vrachtwagens op het achterterrein (westzijde) vertrekklaar gezet. Hierdoor kan zonder verder manoeuvreren worden vertrokken. Daarnaast zijn de chauffeurs geïnstrueerd om met laag toerental en zeer rustig rijgedrag op het terrein te rijden.
Hieronder is per beoordelingsgrootheid een motivatie opgenomen, waarom in onderhavige situatie de berekende geluidbelastingen en de keuze voor stap 3 toetsing uit de VNG-publicatie acceptabel kunnen worden geacht.
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus
Ter plaatse van de woning Rijksstraatweg 299, welke direct aan de uitrit is gelegen, worden de geluidsnormen overschreden. Oorzaak van deze geluidniveaus is het aankomend en vertrekkend vrachtverkeer. Gezien de situering en het feit dat er betreffende deze woning geen klachten zijn, en in het bijna 70 jarige bestaan niet zijn geweest, kan de hinder als acceptabel worden beoordeeld.
Ook ter plaatse van de woning Rijksstraatweg 312 is de geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer hoger dan ten gevolg van het vrachtverkeer van Van Orselen. Door het wegverkeer op de Rijksstraatweg wordt deze woning 58–63 dB geluidbelast. Het verkeer op de Rijksstraatweg heeft een gelijke of hogere geluidbelasting op de woning als het vrachtverkeer van het bedrijf. Op slaapkamerniveau is de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer hoger dan ten gevolge van het vrachtverkeer van Van Orselen. De vrachtwagens van Van Orselen zullen hier niet tot meer hinder leiden.
Inrichtingsgebonden verkeer
Ten gevolge van het inrichtingsgebonden verkeer van Van Orselen ondervinden de woningen aan de Rijksstraatweg een geluidbelasting van 55 dB(A). Dezelfde woningen worden door het verkeer op de Rijksstraatweg met 58-63 dB(A) geluidbelast. De geluidbelasting van het inrichtingsgebonden verkeer is 3-8 dB(A) lager dan die van de weg zelf. Het inrichtingsgebonden verkeer zal niet of in geringe mate tot meer hinder leiden.
Maatregelen
De geluidbelastingen van de woningen Rijksstraatweg 299, 303 en 305 kunnen door het plaatsen van geluidsschermen langs beide zijden van de uitrit tot de niveaus gesteld in het Activiteitenbesluit worden teruggedrongen. De hoogte (ca. 3 en 5 m) en locatie van de geluidschermen is dusdanig dat deze planologisch en voor de beleving van omwonenden technisch moeilijk acceptabel zijn. Het plaatsen van schermen is door Van Orselen aangeboden aan de bewoners van Rijksstraatweg 299, 303 en 312 maar zij zien daarvan af omdat zij geen bezwaren hebben tegen de bedrijfsvoering op het perceel Rijksstraatweg 301.
Binnenniveau woningen
De langtijdgemiddelde geluidsniveaus op de gevel van de omliggende woningen, boven de voorkeurswaarde bedraagt voor twee woningen 42 en 49 dB(A) in de nachtperiode. De optredende maximale geluidniveaus boven de voorkeurswaarde bedraagt voor vier woningen 62–74 dB(A) in de nachtperiode. Gezien de leeftijd van de woning is het aannemelijk dat de binnenwaarde wordt overschreden. De bewoners zien echter af van gevelisolatie en accepteren daarmee de geluidbelasting door Van Orselen.
Conclusie
Uit de resultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat op een aantal locaties de normen uit het Activiteitenbesluit worden overschreden. Aan de toetswaarden conform stap 3 van de VNG-publicatie wordt in nagenoeg alle gevallen voldaan. Alleen ter plaatse van de woning Rijksstraatweg 299 wordt de toetsingswaarde conform stap 3 van de VNG-publicatie in de nachtperiode met 3 dB(A) overschreden.
Door het stellen van een nadere eis is de geluidsituatie gemotiveerd vergunbaar. Alhoewel de geluidsituatie tot hogere geluidniveaus leidt is de situatie in het geheel als acceptabel te kenmerken en in te passen in het bestemmingsplan.
Beleid en Normstelling
Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.
Onderzoek en conclusie
Uit het Bodemloket (www.bodemloket.nl) blijkt dat ter plaatse van het plangebied geen historische activiteiten bekend zijn die mogelijk hebben geleid tot bodemverontreiniging. De beoogde ontwikkeling bestaat daarnaast uit de realisatie van verharding voor de uitbreiding van het aanwezige bedrijf. Er worden geen gebouwen gerealiseerd waar langduring personen kunnen verblijven. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet gevoelig voor eventuele bodemverontreinigingen. Bodemonderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Het aspect bodem staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Afwegingskader
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:
Onderzoek en conclusie
Er zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Er wordt geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
Beleid en Normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.
Tabel 4.4 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
| stof | toetsing van | Grenswaarde |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| Uurgemiddelde concentratie | Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³ | |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg / m³ | |
| fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie | 25 µg/m³ |
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
NIBM
In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
Onderzoek
Door de ontwikkeling is er geen sprake van een toename van verkeer. De ontwikkeling ziet uitsluitend toe op een nieuwe terreininrichting.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2014 (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2015 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de Rijksstraatweg (als maatgevende doorgaande weg in de omgeving van het plangebied) ruimschoots onder de grenswaarden uit de wetgeving liggen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt.
Conclusie
Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.
Beleid en normstelling
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Onderzoek en conclusie
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen en vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het water, het spoor of door buisleidingen. Het aspect externe veiligheid staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.
Waterbeheer en watertoets
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer.
De initiatiefnemer heeft het waterschap geinformeerd over het plan door gebruik te maken van de Digitale Watertoets (10-06-2015). Toetsing aan de kaartlagen en beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de verkorte watertoetsprocedure is toegepast. Het plan heeft een geringe invloed op de belangen van het waterschap. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap geeft een positief wateradvies.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.
Europa:
Nationaal:
Provinciaal:
Waterschapsbeleid
In het Waterbeheerplan 2009-2015 staat hoe Hollandse Delta het waterbeheer in het werkgebied in de komende jaren wil uitvoeren. Daarbij gaat het om betaalbaar waterbeheer met evenwichtige aandacht voor veiligheid, waterkwaliteit, waterkwantiteit, duurzaamheid en om het watersysteem als onderdeel van de ruimtelijke inrichting van ons land. Het Waterbeheerplan beschrijft de uitgangspunten voor het beheer, de ontwikkelingen die de komende jaren verwacht worden en de belangrijkste keuzen die het waterschap moet maken. Daarnaast geeft het Waterbeheerplan een overzicht van maatregelen en kosten. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan.
Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Voor een toename aan verhard oppervlak moet 10% van deze toename worden gecompenseerd in de vorm van open water binnen het peilgebied waarin de verharding toeneemt.
Huidige situatie
Algemeen
Het plangebied is gelegen aan de Rijksstraatweg 301 en bestaat uit een transportbedrijf en agrarische grond.
De bodem in het plangebied bestaat uit lichte klei met homogeen profiel. Er is sprake van grondwatertrap VI. Dat wil zegen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand varieert tussen 0,4 en 0,8 m benedne maaiveld en dat de gemiddelde laagste grondwatertrap op meer dan 1,2 m benden maaiveld ligt.
Waterkwantiteit
Ten zuidwesten van het plangebied is een overige watergang gelegen. Ten noorden van het plangebied is een hoofdwatergang gelegen. Rondom de overige watergang is sprake van een beschermingszone van 2 m en rondom de hoofdwatergang van 5 m. Binnen deze zones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om onderhoud aan de watergangen mogelijk te houden.
Waterkwaliteit
De aanwezige watergangen behoren niet tot de Kaderrichtlijn Water (KRW)-lichamen.
Veiligheid en waterkeringen
Het plangebied lig niet in de kern-/beschermingszone van een waterkering.
Afvalwaterketen en riolering
Het plangebied is aangesloten op een gemengd rioolstelsel.
Toekomstige situatie
Algemeen
De beoogde ontwikkeling bestaat uit de omvorming van een deel van het bestaande bedrijventerrein tot groenstrook en uit de omvorming van een deel van de agrarische grond tot bedrijventerrein.
Waterkwantiteit
Toename in verharding dient gecompenseerd te worden. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m2 in stedelijk gebied en van meer dan 1.500 m2 in landelijk gebied dient er volgens het beleid van waterschap Hollandse Delta 10% van de toename aan functioneel open water gerealiseerd worden.
De agrarische grond die wordt omgevormd tot bedrijventerrein en daarmee verhard wordt is circa 720 m2 groot. Het deel van het bedrijventerrein dat daarnaast wordt omgevormd tot groenstrook is daarnaast tevens circa 720 m2 groot. Per saldo is er dus geen toename in verharding. Watercompensatie is dan ook niet vereist.
Afvalwaterketen en riolering
Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.
Veiligheid en waterkeringen
De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving.
Waterbeheer
Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
De beoogde ontwikkelingen vinden plaats buiten de beschermingszones van de aanwezige watergangen. Een watervergunning is dan ook niet vereist.
Conclusie
De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
Ecologie
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie ten aanzien van de Ecologische Hoofdstructuur de uitvoering van het plan niet in de weg staan.
Huidige situatie
Het plangebied bestaat uit een bestaande bedrijfslocatie en een stuk grasland.
Beoogde ontwikkelingen
Het bestemmingsplan voorziet in herinrichting van het terrein, met een uitbreiding van de verharding aan de noordoostzijde en de aanleg van een groenstrook tussen de bedrijfsbebouwing en de woningen langs de Rijksstraatweg.
Onderzoek
Gebiedsbescherming
Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De dichtstbijzijnde EHS bevindt zich op ruim 1 km afstand. Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 4 km afstand.
Uit de kaart van het Natuurbeheerplan blijkt dat in het plangebied geen beschermde landschapselementen aanwezig zijn.
|
|
Figuur 4.1 Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: geo-loket provincie Zuid-Holland)
Gezien de afstand tot de beschermde natuurgebieden en het feit dat alleen de verharding wordt uitgebreid en er geen uitbreiding van bedrijfsactiviteiten plaatsvindt, worden negatieve effecten uitgesloten.
De Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.
Soortenbescherming
De huidige ecologische waarden zijn vastgesteld aan de hand van foto's van het plangebied, algemene ecologische kennis en verspreidingsatlassen/gegevens (onder andere Ravon, www.verspreidingsatlas.nl en www.waarneming.nl).
Vogels
In de groenstroken buiten het plangebied komen tuin- en struweelvogels voor. Hier zijn soorten als koolmees, roodborst, winterkoning en merel aanwezig. De bomen bieden mogelijk ook nestgelegenheid aan de buizerd, kraai en grote bonte specht.
Zoogdieren
Het plangebied biedt geschikt leefgebied aan algemeen voorkomende, licht beschermde soorten als mol, egel, gewone bosspitsmuis, dwergspitsmuis, huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, rosse woelmuis, hermelijn, wezel, haas en konijn. Het plangebied heeft geen functie voor vleermuizen. De naastgelegen groenstroken en randen kunnen wel onderdeel zijn van het foerageergebied van vleermuizen. Vanwege de reeds bestaande verstoring en de nabijheid van een groter, minder verstoord groengebied, betreft het hier geen primair foerageergebied.
Amfibieën
In het plangebied kunnen incidenteel licht beschermde amfibieën als bruine kikker, bastaardkikker, kleine watersalamander en gewone pad aanwezig zijn. Gezien de aanwezige biotopen komen hier geen zwaarder beschermde soorten voor.
Overige soorten
Er zijn, gezien de aanwezige biotopen, geen beschermde vaatplanten, vissen, reptielen en/of bijzondere insecten of overige soorten te verwachten op de planlocatie. Deze soorten stellen hoge eisen aan hun leefgebied; het plangebied voldoet hier niet aan.
In tabel 4.5 staat aangegeven welke beschermde soorten er binnen het plangebied (naar verwachting) aanwezig zijn en onder welk beschermingsregime deze vallen.
Tabel 4.5 Naar verwachting aanwezige beschermde soorten binnen het plangebied en het beschermingsregime (niet limitatief)
| Nader onderzoek nodig | ||||
| Vrijstellingsregeling Ffw | tabel 1 | mol, egel, gewone bosspitsmuis, dwergspitsmuis, huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, rosse woelmuis, hermelijn, wezel, haas en konijn bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en de bastaardkikker |
nee | |
| Ontheffingsregeling Ffw | tabel 2 | nee | ||
| tabel 3 | bijlage 1 AMvB | - | nee | |
| bijlage IV HR | alle vleermuizen | nee | ||
| vogels | cat. 1 t/m 4 | buizerd | nee | |
Het bestemmingsplan voorziet in een herinrichting van de bedrijfslocatie met uitbreiding van verharding en de aanleg van een groenstrook. De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden.
Gezien de bovenstaande conclusies staat de Flora- en faunawet, met inachtneming van de voorgestelde maatregelen, de uitvoering van het plan niet in de weg.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Beleidskader
De gemeente Hellevoetsluis heeft een archeologisch beleid en beleidsinstrumenten ontwikkeld (vastgesteld in 2007), waarmee een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen is gewaarborgd. Ook worden bestemmingsplannen voorzien van een archeologieparagraaf. Meer specifiek is het doel van het voorgenomen archeologisch beleid (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden.
Het bovenstaande sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese Verdrag van Malta is ontwikkeld en dat aansluit bij de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz 2007). Belangrijk gemeentelijk toetsinstrument is de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Hellevoetsluis.
Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen.
Archeologische waarden en verwachtingen in het plangebied
Op grote diepte (circa 20 m - NAP) kunnen vondsten en bewoningssporen uit het Vroeg-Mesolithicum aanwezig zijn. Op het in de ondergrond, onder het veen, aanwezige Hellevoeterzand kunnen bewoningssporen uit het Laat-Neolithicum aanwezig zijn.
In het gehele plangebied moet, gezien de dichtheid van vindplaatsen in de omgeving, rekening gehouden worden met bewoningssporen uit de periode van de Midden-IJzertijd tot en met de Romeinse tijd, die zich bevinden op of in de (soms kleiïge) bovenkant van het veen.
Door het gehele plangebied heen kunnen tevens bewoningssporen uit de periode circa 1000-1300 worden aangetroffen, op de bovenkant van het veen. Bewoningssporen uit de periode nà 1368 kunnen, naast de al genoemde bewoningsconcentraties langs de Oostdijk en in het dorp Nieuwenhoorn, in het hele gebied aanwezig zijn op het soms dunnere of dikkere overstromingsdek uit de 14e eeuw.
In het bestemmingsplangebied zijn zowel grote landschappelijke fenomenen (slootstructuren, akkercomplexen) te verwachten, als kleinere structuren die in een booronderzoek traceerbaar zijn, zoals huisplaatsen uit de prehistorie of de Romeinse tijd. Dergelijke structuren hebben een gemiddelde oppervlakte van 100-200 vierkante meter. Archeologische indicatoren van dit type en/of uit deze periode, aangetroffen in een klein plangebied (kleiner dan 200 vierkante meter), leveren doorgaans een beperkte wetenschappelijke waarde op en de archeologische informatie is gefragmenteerd. De kosten en administratieve handelingen die een dergelijk onderzoek met zich meebrengt staan niet in verhouding tot de relatief kleine (en dus minder kostbare) bodemingreep, die vaak door een particulier wordt uitgevoerd en betaald. Het verlies aan archeologische informatie als in dergelijke gevallen geen onderzoek wordt uitgevoerd is relatief gering. Uiteindelijk is de diepte van de bodemverstoring (in combinatie met de specifieke bodemopbouw) belangrijker dan de oppervlakte; die bepaalt of archeologische waarden bedreigd worden of niet.
Het registreren van een enkel spoor of een enkele vondst die bij dergelijke bodemingrepen wordt aangetroffen kan wel zinvol zijn. Daarom wijst de gemeente, wanneer (nader) archeologisch onderzoek niet verplicht is, altijd op de meldingsplicht in geval van 'toevalsvondsten', zoals verwoord in artikel 53 van de Monumentenwet 1988.
Figuur 4.2 Archeologische regimes
Archeologische bescherming
In het bestemmingsplangebied geldt Waarde - Archeologie 3. Hiervoor geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 40 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 200 vierkante meter beslaan.
Door de beoogde uitbreiding van het bedrijf zal de grond worden verstoord. De verstroring reikt echter niet dieper dan 40 cm beneden maaiveld. Voor de beoogde ontwikkeling is dan ook geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.
In het kader van de bescherming van het cultuurhistorische en archeologische erfgoed heeft de provincie Zuid-Holland in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur 2007 (CHS) een overzicht gegeven van de cultuurhistorische kenmerken en waarden in Zuid-Holland.
De lintbebouwing van de Rijksstraatweg is een landschappelijke en cultuurhistorische lijn van redelijk hoge waarde. De structuur van de lintbebouwing is intact. Een deel van het plangebied is in deze zone gelegen, zoals figuur 4.3 laat zien. In het plangebied zijn geen monumenten of andere landschappelijke of cultuurhistorische waarden aanwezig.
Figuur 4.3 Uitsnede cultuurhistorische atlas provincie Zuid-Holland
De realisatie van de groenstrook vindt plaats binnen de waardevolle zone van het lint. Dit leidt echter niet tot aantasting van de karakteristieke kenmerken van het lint. De uitbreiding van de verharding vindt buiten deze zone plaats.
Beleid en Normstelling
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
Onderzoek en conclusie
In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een bedrijfsoppervlak van 200.000 m2 of meer (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling beslaat een oppervlak van circa 720 m2 met een functiewijziging van agrarisch naar bedrijvigheid. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde.
Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de vorige paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
Het voorliggende plan betreft geen aangewezen bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Het vaststellen van een exlpoitatieplan is om die reden dan ook niet noodzakelijk. De kosten van de ontwikkeling komen voor rekening van de initiatiefnemer.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 1 april 2016 tot en met 13 mei 2016 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens de periode konden belanghebbenden een zienswijze indienen. Er zijn twee zienswijzen op het plan ingediend. De zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in een nota zienswijzen, bijlage 3. Naar aanleiding van de zienswijzen is het bestemmingsplan op enkele onderdelen aangepast.
De gemeente heeft als taak erop toe te zien dat de regels van een bestemmingsplan worden nageleefd. In verband hiermee is één van de uitgangspunten bij de ontwikkeling van een bestemmingsplan dat de in het plan opgenomen regels handhaafbaar moeten zijn. Dit geldt dus ook bij onderhavige ontwikkeling. Handhaving van het ruimtelijk beleid verdient meer aandacht, omdat het een voorwaarde is voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied. Belangrijk voor de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is dat de juridische regeling inzichtelijk en realistisch is. Dit houdt in: helder van opzet en niet onnodig beperkend of inflexibel. Daarbij moet wel voorkomen worden dat de regels zo vaag worden dat ze niet meer te controleren zijn. De regels moeten dan ook niet meer beogen te regelen dan strikt noodzakelijk is. Bij de totstandkoming van het bestemmingsplan is aandacht besteed aan de handhaafbaarheid van de in het plan opgenomen regels; de regels zijn helder van opzet en niet onnodig beperkend of inflexibel. Het bestemmingsplan is het enige juridisch bindende plan voor burgers en bedrijven. Het bestemmingsplan is een openbaar plan en een ieder heeft dan ook de mogelijkheid kennis te nemen van de toelichting, de verbeelding en de regels van het bestemmingsplan. Indien er onduidelijkheden zijn ten aanzien van het bestemmingsplan, kan men zich hierover laten informeren.
Het juridische deel van een bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels. De regels bevatten regels voor gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking; maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.
In de Wro wordt een aantal mogelijkheden geboden voor de juridisch-planologische opzet van een bestemmingsplan, waarmee de gewenste ruimtelijke ontwikkeling voor een gebied kan worden vastgelegd. De aard van het plangebied geeft in hoofdzaak aanleiding tot een gedetailleerde bestemmingsplansystematiek, waar de bestaande ruimtelijke structuur het uitgangspunt vormt. Voor het nieuwe bestemmingsplan wordt gestreefd naar het beschermen van de aanwezige ruimtelijke en functionele kwaliteiten aan de ene kant en naar voldoende flexibiliteit aan de andere kant. Voorkomen moet worden dat voor iedere functiewijziging of bouwplan, die niet op ruimtelijke bezwaren stuiten, een afwijking dan wel een wijziging van het bestemmingsplan nodig is. Zoals eerder aangegeven heeft het plangebied een consoliderend karakter, behoudens de reeds in uitvoering zijnde ontwikkelingen. Voor het gehele plangebied is de huidige situatie in hoge mate richtinggevend voor de wijze waarop de bestemmingen zijn gelegd. Dit betekent onder meer dat de actuele stedenbouwkundige structuur, dat wil zeggen het patroon van water, straten en de daaraan gelegen bebouwing en onbebouwde ruimten, als uitgangspunt dient.
De systematiek van de vigerende bestemmingsplannen dient als uitgangspunt maar is vertaald naar eisen vanuit de richtlijn Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Dit heeft met name in de opbouw van de regels en de presentatie van de verbeelding (plankaart) gevolgen. Het uitgangspunt is dat bestaande rechten in principe worden gehandhaafd. De bepalingen uit het vigerende bestemmingsplan worden vertaald in nieuwe bestemmingsplan.
De regels bestaan uit vier hoofdstukken. In hoofdstuk 1 zijn de inleidende regels opgenomen (artikel 1 en 2), hoofdstuk 2 omvat de bestemmingsregels (artikel 3 t/m 6). Verder zijn in hoofdstuk 3 de algemene regels opgenomen (artikel 7 t/m 10) en tot slot staan in hoofdstuk 4 de slot- en overgangsregels (artikel 11 en 12).
Opzet en volgorde planregels
De regels van bestemmingsplan Rijksstraatweg 301 zijn op de volgende wijze opgebouwd:
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1 Begrippen
De in de regels gebruikte begrippen worden hierin omschreven ter voorkoming van misverstanden of verschil in interpretatie.
Artikel 2 Wijze van meten
Dit betreft een omschrijving van de wijze waarop het meten dient plaats te vinden.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsbepalingen
Artikel 3 t/m 6 De bestemmingen
De in dit plan opgenomen bestemmingen zijn:
Artikel 3 Bedrijf
De bestemming Bedrijf is opgenomen voor het grootste deel van het plangebied. Algemeen zijn binnen deze bestemming bedrijfsactiviteiten toegestaan die niet vergunningplichtig of meldingsplichtig zijn. Omdat Van Orselen een meldingsplichtig bedrijf (type B) is in het kader van de Wet milieubeheer, is dit specifiek aangeduid. Op de gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Het in gebruik nemen van de gronden voor de bedrijfsvoering is gekoppeld aan een voorwaardelijk verplichting voor het realiseren van een afsluitbaar hekwerk. De locatie van dit hekwerk is aangeduid, evenals de locatie voor het parkeren van personenauto's is aangeduid.
Artikel 4 Groen
De bestemming Groen is opgenomen aan de randen van het plangebied. De regeling bevat een voorwaardelijk verplichting waarbij het ingebruiknemen van de aangrenzende gronden voor het transportbedrijf pas is toegestaan als de gronden voor groen zijn ingericht en deze inrichting ook gehandhaafd blijft. Omdat het hier deels gaat om een reeds bestaande situatie is het de bedoelding dat de gronden binnen 1 jaar na vaststelling als groenzone zijn ingericht. Voor de feitelijke inrichting zal een overeenkomst worden gesloten tussen het transportbedrijf en de eigenaar van het perceel Rijksstraatweg 305.
Artikel 5 Waarde - Archeologie 3
Over het gehele plangebied ligt een dubbelbestemming Waarde - Archeologie. Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van mogelijke in de ondergrond aanwezige archeologische waarden.
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Artikel 7 Antidubbeltelregel
Deze regel dient om te voorkomen dat indien in het bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Artikel 8 Algemene bouwregels
In dit artikel is geregeld dat bestaande maten behouden mogen blijven bij herbouw op dezelfde plek. Ook is een regeling opgenomen met betrekking tot de Keur in relatie tot bouwen binnen Water.
Artikel 9 Algemene afwijkingsregels
In dit artikel zijn alle afwijkingsregels opgenomen die voor het gehele plangebied van toepassing zijn.
Artikel 10 Overige regels
Indien verwezen wordt naar andere (wettelijke) regelingen dan is in dit artikel bepaald dat deze dienen te worden gelezen als op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerp plan.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Artikel 11 Overgangsrecht
In dit artikel staan de overgangsregels voor bestaande bouwwerken en bestaande gebruiksactiviteiten die afwijken van het bestemmingsplan;
Artikel 12 Slotregel
Dit artikel geeft de titel van de regels van het bestemmingsplan aan.