| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Railinzetplaats |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0503.OP0003-2001 |
De spoorwegcapaciteit tussen Rijswijk en Delft Zuid wordt uitgebreid van twee naar vier sporen om ruimte te bieden voor de toename van het reizigersverkeer tussen Den Haag Centraal en Rotterdam Centraal. Op 7 december 2016 is hiervoor het Tracébesluit Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS) viersporigheid Rijswijk – Delft Zuid vastgesteld en gewijzigd d.d. 14 maart 2022. In het kader van het project is het noodzakelijk om meerdere spoorwegwerken te realiseren en in stand te houden.
Hieronder valt ook de realisatie en instandhouding van een railinzetplaats belendend aan het Hoogspanningspad ter hoogte van Tanthofdreef 2 te Delft. Het betreffende spoorwegwerk bevond zich in eerder stadium op circa 25 meter ten zuiden van het huidige spoorwegwerk en is vanuit het oogpunt van optimalisatie verplaatst naar de locatie, zoals beschreven in dit plan.
Een railinzetplaats is een plek op de vrije baan, het emplacement of raccordement waar voertuigen in het spoor kunnen worden gezet, bijvoorbeeld aannemersmateriaal of hulpverlening bij calamiteiten.
Bij het ontwerp van de railinzetplaats belendend aan het Hoogspanningspad ter hoogte van Tanthofdreef 2 te Delft is ervoor gekozen om de realisatie grotendeels binnen en voor een klein deel buiten de contour van het tracébesluit te positioneren.
Voor het deel van de railinzetplaats dat binnen de contour van het tracébesluit valt, geldt in algemene zin dat ter plaatse spoorwegwerken zijn toegestaan. Onder spoorwegwerken wordt op grond van de begripsbepaling uit het tracébesluit mede begrepen een railinzetplaats. Railinzetplaatsen worden op de tekening bij het tracébesluit bijzonder geduid.
Binnen de contour van het tracébesluit belendend aan het Hoogspanningspad ter hoogte van Tanthofdreef 2 is géén railinzetplaats ingetekend, terwijl dit voor andere locaties van railinzetplaatsen wel is gebeurd. Dit schept onduidelijkheid over de reikwijdte van het tracébesluit aangaande de realisatie en instandhouding van een railinzetplaats op de onderhavige locatie.
Afbeelding: gerealiseerde railinzetplaats belendend aan het hoogspanningspad ter hoogte van Tanthofdreef 2 (bron: Google streetview)
Teneinde de beschreven situatie te kunnen vergunnen is een wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Delft noodzakelijk. Hierbij wordt ervoor gekozen om de gehele railinzetplaats op te nemen in het wijzigingsbesluit van het Omgevingsplan van de gemeente Delft.
Onderhavig wijzigingsbesluit voorziet in een planologisch juridische aanpassing van het Omgevingsplan van de gemeente Delft waarmee de railinzetplaats kan worden vergund.
Binnen het gebied dat onderdeel uitmaakt van het besluit tot wijziging van het Omgevingsplan van de gemeente Delft geldt vooralsnog het tijdelijk deel van het Omgevingsplan bestaande uit diverse bestemmingsplannen.
Afbeelding: globale projectie gebied wijzigingsbesluit op actuele luchtfoto (bron: gemeente Delft)
Het wijzigingsgebied valt grotendeels samen met het bestemmingsplan 'Zuidwest 3 Tanthof' (vastgesteld d.d. 25 april 2013)
Afbeelding: uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'zuidwest 3 Tanthof' ter plaatse van het
wijzigingsgebied voor de Railinzetplaats (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Het wijzigingsgebied valt daarnaast voor een klein deel samen met het bestemmingsplan 'Schieoevers Zuid' (vastgesteld d.d. 28 augustus 2012).
Afbeelding: uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Schieoevers Zuid' ter plaatse van het wijzigingsgebied voor de Railinzetplaats (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Naast het tijdelijk deel van het Omgevingsplan is er binnen een deel van het wijzigingsgebied sprake van gelding van het Tracébesluit Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS) viersporigheid Rijswijk – Delft Zuid (vastgesteld d.d. 7 december 2016 en gewijzigd 14 maart 2022). Het betreft het gedeelte van het wijzigingsgebied dat samenvalt met het baanvak van de rails.
Afbeelding: uitsnede kaartblad 3 tracébesluit Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS) viersporigheid Rijswijk – Delft Zuid ter plaatse van de locatie van de Railinzetplaats.
Het gebied waarop het wijzigingsbesluit van toepassing is, is geduid in onderstaande verbeelding. Het betreft de verbeelding inclusief de van toepassing zijnde functietoedeling. Het wijzigingsgebied heeft betrekking op de railinzetplaats en aanpalende gronden belendend aan het Hoogspanningspad ter hoogte van Tanthofdreef 2 te Delft. Er is voor gekozen om een iets ruimer wijzigingsgebied aan te houden dan enkel de railinzetplaats zelf in verband met een logische begrenzing ten opzichte van bestaande plangebieden en toekomstige wijzigingsbesluiten van het Omgevingsplan van de gemeente Delft.
Afbeelding: grenzen van het gebied waarop het wijzigingsbesluit betrekking heeft inclusief van toepassing zijnde functietoedeling.
Hoofdstuk 2 van dit plan, de planbeschrijving, beschrijft de ontwikkeling van het gebied waarop het wijzigingsbesluit toeziet. In Hoofdstuk 3 is het beleid beschreven. Hoofdstuk 4, 'Omgevingsaspecten en instructieregels', beschrijft het voor het bestemmingsplan uitgevoerde onderzoek en relevante omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk wordt ook ingegaan op de voor dit plan relevante instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de provinciale omgevingsverordening. In hoofdstuk 5 wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling. In hoofdstuk 6 wordt tot slot de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan beschreven.
In de bestaande situatie is sprake van een gerealiseerde railinzetplaats op een spoorweglocatie en aanpalende gronden aan het Hoogspanningspad ter hoogte van Tanthofdreef 2 te Delft.
Afbeelding: gerealiseerde railinzetplaats belendend aan het hoogspanningspad ter hoogte van Tanthofdreef 2 (bron: google streetview)
In de toekomstige situatie wordt de gerealiseerde railinzetplaats gehandhaafd, zoals in bovenstaande afbeelding, is verbeeld.
De NOVI schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050. De visie geeft richting en helpt om keuzes te maken; te kiezen voor slimme combinaties van functies; uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. De belangrijkste keuzes zijn:
De NOVI heeft een dusdanig abstractieniveau dat er geen directe uitgangspunten of uitvoeringsprogramma's op dit plan van toepassing zijn.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen die bij het omgevingsplan in acht moeten worden genomen. De instructieregels die voor dit plan relevant zijn worden besproken in Hoofdstuk 4.
Het omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland bestaat uit de omgevingsvisie, de omgevingsverordening en het omgevingsprogramma en beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert.
De omgevingsvisie biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. Het omgevingsprogramma bevat de maatregelen waarmee de provincie invulling geeft aan de ambities en beleidskeuzes uit de visie. De regelgeving die hierbij hoort is opgenomen in de omgevingsverordening. In de verordening zijn onder meer instructieregels opgenomen waar omgevingsplannen aan moeten voldoen.
Dit plan is in overeenstemming met het omgevingsbeleid van de provincie. De instructieregels uit de omgevingsverordening die voor dit plan relevant zijn worden besproken in Hoofdstuk 4.
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande het watersysteem, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld.
Europa:
Nationaal:
Provinciaal:
Regionaal:
Beleid waterbeheerder:
In het Waterbeheerprogramma van Delfland 2022-2027 (WBP6) heeft Delfland met een brede blik naar de watertaken (waterveiligheid, waterbeheer en waterzuivering) van Delfland gekeken vanuit het perspectief van de leefomgeving. Delfland zet in op integraal waterbeheer in het sterk verstedelijkt deel van Nederland. Samen met de gemeenten en andere partners werkt Delfland aan klimaatadaptatie. Een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem is vertaald naar zelfvoorzienendheid door het sluiten van kringlopen van water, energie en grondstoffen. Om doelen te bereiken werkt Delfland samen met gebiedspartners. Delfland werkt ook aan het waterbewustzijn om de kosten van het waterbeheer waar mogelijk te verlagen en het draagvlak te vergroten voor het zelf nemen van maatregelen.
Standstill-beginsel (thema Voorkomen wateroverlast):
Conform het standstill-beginsel mag de kans op wateroverlast niet toenemen als gevolg van het plan. De initiatiefnemer moet ervoor zorgen, dat de negatieve gevolgen van het plan worden gecompenseerd. Compensatie moet worden gerealiseerd door middel van bergen óf in het onderdeel van de trits vasthouden-bergen-afvoeren, waarin de verslechtering optreedt. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, of de vasthoudcapaciteit van een gebied op andere manieren wordt verkleind, zorgen voor een snellere afstroming van hemel-water naar het oppervlaktewater, doordat water niet langer in de bodem kan infiltreren maar oppervlakkig of via (hemelwater)riolering wordt afgevoerd. Dit kan leiden tot wateroverlast, en past dus niet binnen het standstill-beginsel, tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd.
In het kader van de Omgevingswet worden alle regels van het waterschap die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen in één Waterschapsverordening. Op 20 november 2024 heeft Delfland hiervoor de Waterschapsverordening Delfland vastgesteld. De Waterschapsverordening vervangt de Keur en de Algemene Regels van Delfland. In de Waterschapsverordening staan de regels om de sloten, vaarten, plassen en dijken in het gebied van Delfland te beschermen.
De beleidsnota 'Beperken en voorkomen wateroverlast' bevat het Delflandse beleid op hoofdlijnen voor het op orde brengen en houden van het watersysteem ten aanzien van wateroverlast. Het gaat daarbij zowel om het oplossen van bestaande knelpunten als om het voorkomen van nieuwe knelpunten.
De Handreiking weging van het waterbelang voor gemeenten geeft inzicht in hoe het Hoogheemraadschap van Delfland (HHD) het waterbelang in gemeentelijke instrumenten, zoals de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de afwijkingen daarvan procesmatig en inhoudelijk invult. De weging van het waterbelang is erop gericht om wateraspecten optimaal mee te nemen in initiatieven en plannen die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving.
De weging van het waterbelang in de Omgevingswet is de opvolger van de watertoets. De watertoets kwam voort uit het advies van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW, 2003; NBW-actueel, 2008) en berust op twee uitgangspunten:
Deze twee uitgangspunten vormen nog steeds de kern van de weging van het waterbelang.
In het kader van de weging van het waterbelang vindt regulier overleg plaats tussen de gemeente Delft, en het Hoogheemraadschap van Delfland en indien nodig met de ontwikkelende partijen. Dit komt aan de orde in paragraaf 4.10.
In onderstaande worden gemeentelijke beleidsstukken aangehaald voorzover van toepassing op onderhavige ontwikkeling.
Op 15 juli 2021 heeft de raad de Omgevingsvisie Delft 2040 vastgesteld. In deze visie staat wat voor stad Delft in de toekomst wil zijn. De gemeente geeft in deze visie de gewenste ontwikkeling weer van de leefomgeving binnen de gemeente. Dit is de omgeving waarin de Delftenaar woont, werkt en zijn/haar vrije tijd doorbrengt. De Omgevingsvisie is de eerste stap van de invoering van de Omgevingswet in Delft. De Omgevingsvisie Delft 2040 vervangt de Stadsvisie en de Ruimtelijke Structuurvisie Delft 2030.
Voor wat betreft mobiliteitsaspecten is in de visie de navolgende koers meegegeven: Delft zet in op een mobiliteitstransitie. Het mobiliteitssysteem gaat veranderen, zodat Delft de komende decennia bereikbaar, leefbaar en verkeersveilig blijft. De ruimte voor de infrastructuur in de stad wordt beter benut door voorrang te geven aan ruimte-efficiënte,schone, slimme en veilige mobiliteit.
Dit plan sluit aan bij de uitgangspunten van de Omgevingsvisie. De railinzetplaats dient de nagestreefde veilige mobiliteit.
De gemeenteraad heeft op 28 januari 2021 definitief ingestemd met het Mobiliteitsprogramma Delft 2040. De stad wil de komende jaren groeien in aantal inwoners en arbeidsplaatsen wat leidt tot meer mobiliteit en extra drukte op de beschikbare ruimte. Om een gezonde doorgroei van de stad mogelijk te maken met een goede bereikbaarheid, is een nieuwe balans nodig tussen de toenemende mobiliteitsvraag en de schaarse openbare ruimte in de stad.
Het mobiliteitsprogramma toont de visie voor de komende 20 jaar, tot 2040, om de stad bereikbaar en leefbaar te houden. Om dit mogelijk te maken wordt ingezet op een mobiliteitstransitie waarbij de infrastructuur in de stad beter benut wordt door voorrang te geven aan ruimte efficiënte, schone, slimme en veilige mobiliteit. Het openbaar vervoer en de fiets moeten in snelheid, gemak en veiligheid een meer aantrekkelijk alternatief worden voor de auto. Ook de deelauto kan als alternatief voor de particuliere auto bijdragen aan efficiënter autogebruik.
Dit plan sluit aan bij de uitgangspunten van het Mobiliteitsprogramma Delft 2040. De railinzetplaats dient de nagestreefde veilige mobiliteit.
Binnen de paragraaf ruimtelijke inpassing wordt, voorzover relevant voor dit plan, voorzien in een verantwoording van het planvoornemen in het licht van algemene instructieregels uit het Besluit kwaliteit Leefomgeving en algemene instructieregels uit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening voor omgevingsplannen.
De bespreking van overige instructieregels uit het Bkl en de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening komt aan bod in paragrafen waarin specifieke omgevingsaspecten worden behandeld.
In artikel 5.1a Bkl is opgenomen dat een omgevingsplan voldoet aan artikel 14, aanhef en onder 5, van de Dienstenrichtlijn (motiveringsplicht).
In het kader van dit plan moet beoordeeld worden of het niet in strijd is met de Dienstenrichtlijn. De in het plan opgenomen eisen moeten, voorzover deze eisen zien op een dienstenactiviteit:
- noodzakelijk zijn;
- niet-discriminatoir zijn, en;
- evenredig zijn.
Beoordeling:
Voor onderhavig plan geldt dat de railinzetplaats onderdeel uitmaakt van grootschalige spoorwegwerken (infrastructuur). Er is met dit planvoornemen géén sprake van een dienstenactiviteit zoals bedoeld in de Dienstenrichtlijn. De toets aan noodzakelijkheid, discriminatieverbod en evenredigheid behoeft derhalve niet plaats te vinden.
Conclusie:
Dit wijzigingsbesluit van het omgevingsplan voldoet aan het bepaalde in artikel 5.1a Bkl.
Een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, is ladderplichtig (5.129g Bkl).
Beoordeling:
Géén sprake van een stedelijke ontwikkeling:
Uit een overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de ladder voor duurzame verstedelijking (ECLI:NL:RVS:2017:1724) blijkt dat de aanleg van infrastructuur in zijn algemeenheid niet als een stedelijke ontwikkeling wordt gezien. Zie in dit verband bijvoorbeeld de aanleg van een weg (uitspraak van 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:448 (Den Haag)), de aanleg van een busbaan (uitspraak van 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2929 (Velsen)). De aanleg van een spoorwegwerk in de vorm van een railinzetplaats kan in het licht van deze uitspraken niet als een stedelijke ontwikkeling worden gezien. De laddertoets is voor dit planvoornemen derhalve niet aan de orde.
De aspecten 'nieuw' en 'voldoende substantieel':
Aan de toetsing van de aspecten 'nieuw' en 'voldoende substantieel' wordt in beginsel op grond van vorenstaande niet toegekomen. Voorzover alsnog de redeneerlijn zou worden gevolgd dat met de aanleg van een spoorwegwerk in de vorm van een railinzetplaats sprake zou zijn van een stedelijke ontwikkeling, dan komt alsnog de vraag op of deze ontwikkeling 'nieuw' is en of deze 'voldoende substantieel' is.
In dit verband is het van belang om op te merken dat met het planvoornemen de verplaatsing van een planologisch toegestane railinzetplaats mogelijk wordt gemaakt. De planologische rechten voor de realisatie van een spoorwegwerk op de oude locatie blijven gehandhaafd (betreft een onderdeel van het spoorbaanvak waarop de functietoedeling 'verkeer - spoorweg' van toepassing blijft). In de vergelijking tussen het geldende en met dit plan beoogde planologische regeling (waarin voor een klein gedeelte de functietoedeling 'groen' wordt vervangen voor 'verkeer' en 'verkeer - spoorweg') is er derhalve sprake van een zeer lichte toename van mogelijk ruimtebeslag voor verkeer (toerit naar spoorwegwerk) en spoorwegwerken. In die zin kan de ontwikkeling als 'nieuw' worden gezien.
Dit betekent echter nog niet dat de ontwikkeling voldoende substantieel is om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Uit de overzichtsuitspraak over de ladder voor duurzame verstedelijking (ECLI:NL:RVS:2017:1724) blijkt dat bij de realisatie van stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m2, deze ontwikkeling niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt. In onderhavig planvoornemen is sprake van een ruimtebeslag dat ruim minder is dan 500 m2. De laddertoets is voor dit planvoornemen derhalve niet aan de orde.
Conclusie:
Met het planvoornemen is sprake van een ontwikkeling die niet als stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. Daarnaast is de ontwikkeling niet voldoende substantieel. De laddertoets is voor dit planvoornemen derhalve niet aan de orde.
Relevante algemene instructieregels uit hoofdstuk 7 (instructieregels omgevingsplan) van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening voor dit wijzigingsbesluit van het omgevingsplan worden in onderstaande paragrafen behandeld en in het licht van het wijzigingsbesluit beoordeeld.
Op grond van het bepaalde in artikel 7.41a wordt in een omgevingsplan rekening gehouden met de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van:
alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling.
Voor zover risico’s aan de orde zijn, wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico’s.
Beoordeling:
In onderhavige situatie is feitelijk sprake van een verplaatsing van railinzetplaats van beperkte omvang die gebruik maakt van het bestaande spoorbaanvak en voorzien is van een toerit. De verhardingen van de oude railinzetplaats inclusief toerit zijn inmiddels verwijderd. Het oppervlakte aan verhardingen is als gevolg hiervan nauwelijks gewijzigd. Op grond van het kaartbeeld en het bepaalde in artikel 5.8 van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening geldt ter plaatse een omgevingswaarde voor een gemiddelde kans op overstroming. Specifiek voor spoorwegen is de overstromingskans bepaald op 1/100 per jaar. Deze waarde is zowel van toepassing op de oude als de nieuwe locatie van de railinzetplaats. Voor dit spoorwegwerk is er derhalve géén sprake van toegenomen risico's van klimaatverandering. De bestaande risico's voor de spoorwegwerken vanuit het oogpunt van klimaat worden aanvaard. Het wijzigingsbesluit is in overeenstemming het bepaalde in artikel 7.41a van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening.
Op grond van paragraaf 7.3.7 (artikel 7.43 e.v.) van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening kan een omgevingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling als voldaan wordt aan de voorwaarden voor inpassen, aanpassen of transformeren. In de verordening wordt hieronder het volgende verstaan:
In dit geval is sprake van inpassen. Een railinzetplaats is als spoorwegwerk gerealiseerd op circa 25 meter afstand van de oude locatie. De voorziening maakt onderdeel uit van de bestaande spoorwegwerken, brengt geen aanpassingen aan op structuurniveau en past binnen de bestaande gebiedsidentiteit van het spoorweglandschap.
De ruimtelijke ontwikkeling is op basis van de verordening toegestaan indien rekening wordt gehouden met de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.
In de provinciale omgevingsvisie zijn aan de hand van 4 lagen richtpunten bepaald. Het betreft de lagen:
Voor de locatie van het wijzigingsbesluit zijn enkel voor de lagen 'ondergrond' en 'stedelijke occupatie' richtpunten bepaald in de provinciale omgevingsvisie.
Uit Omgevingsvisie Zuid-Holland kwaliteitskaart 1: ondergrond
Uit omgevingsvisie kwaliteitskaart 3: Stedelijke occupatie
Voor dit plan gaat het om de volgende richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit:
Kwaliteitskaart 1 (ondergrond):
De locatie van het wijzigingsbesluit is gelegen binnen de zonering 'Rivierdelta complex - jonge zeeklei' op kwaliteitskaart 1 (ondergrond). Voor ruimtelijke ontwikkelingen gelden op basis van deze zonering de volgende richtpunten:
Beoordeling:
Een railinzetplaats is als spoorwegwerk gerealiseerd op circa 25 meter afstand van de oude locatie. De voorziening maakt onderdeel uit van de bestaande spoorwegwerken, brengt geen aanpassingen aan op structuurniveau en past binnen de bestaande gebiedsidentiteit. De ruimtelijke kwaliteit blijft in het licht van bovenstaande richtpunten per saldo ten minste gelijk.
Kwaliteitskaart 3 (stedelijke occupatie):
De locatie van het wijzigingsbesluit is gelegen binnen de zoneringen 'Steden' en 'Spoorlijn' op kwaliteitskaart 3 (stedelijke occupatie). Voor ruimtelijke ontwikkelingen gelden op basis van deze zonering de volgende richtpunten:
Steden:
Beoordeling:
Een railinzetplaats is als spoorwegwerk gerealiseerd op circa 25 meter afstand van de oude locatie. De voorziening maakt onderdeel uit van de bestaande spoorwegwerken, brengt geen aanpassingen aan op structuurniveau en past binnen de bestaande gebiedsidentiteit. De ruimtelijke kwaliteit blijft in het licht van bovenstaande richtpunten per saldo tenminste gelijk.
Spoorlijn:
Beoordeling:
Een railinzetplaats is als spoorwegwerk gerealiseerd op circa 25 meter afstand van de oude locatie. Een railinzetplaats belemmert geenszins het zicht van de reiziger vanuit het OV-netwerk op de omgeving. De voorziening maakt onderdeel uit van de bestaande spoorwegwerken, brengt geen aanpassingen aan op structuurniveau en past binnen de bestaande gebiedsidentiteit. De ruimtelijke kwaliteit blijft in het licht van bovenstaande richtpunten per saldo tenminste gelijk.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Op grond van artikel 7.45 van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening wordt in een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, in de motivering ingegaan op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Beoordeling:
Een railinzetplaats kan op grond van vaste rechtspraak niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling worden gezien. De ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet van toepassing op het voorliggende wijzigingsbesluit.
Bereikbaarheid
Een omgevingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid.
Beoordeling:
De railinzetplaats dient de veilige mobiliteit op het spoor en daarmee de bereikbaarheid.
Kansen voor biodiversiteit
Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden voor het bevorderen van de biologische diversiteit.
Beoordeling:
Een railinzetplaats kan op grond van vaste rechtspraak niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling worden gezien. Op dit aspect hoeft derhalve geen verdere beoordeling plaats te vinden.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte en -normering, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.
Beoordeling:
Een railinzetplaats betreft een plek op de vrije baan, het emplacement of raccordement waar voertuigen in het spoor kunnen worden gezet, bijvoorbeeld aannemersmateriaal of hulpverlening bij calamiteiten. Ten behoeve van de railinzetplaats is er géén sprake van een aan de railinzetplaats dienend gebouw. Op grond hiervan geldt er specifiek voor de railinzet géén auto- of fietsparkeernorm. Aan de railinzetplaats kan voorts geen zelfstandige verkeersgeneratie worden toegekend. De railinzetplaats geldt namelijk als verbindingsstuk tussen de openbare ruimte en het spoorbaanvak. De ontsluiting van de railinzetplaats is uitgevoerd overeenkomstig daarvoor geldende eisen vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid en is vanwege de kruising met een fietspad voorzien van bebording (verkeer op het fietspad heeft voorrang op kruisend verkeer van en naar de railinzetplaats).
Conclusie:
De railinzetplaats dient het veilige verkeer op het spoor. De ontsluiting van de railinzetplaats is uitgevoerd overeenkomstig daarvoor geldende eisen vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid en is vanwege de kruising met een fietspad voorzien van bebording (verkeer op het fietspad heeft voorrang op kruisend verkeer van en naar de railinzetplaats). Er is geen sprake van relevante effecten op de omgeving vanwege het aspect verkeer en parkeren.
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het voorkomen, beperken en bestrijden van risico’s van branden, rampen en crises, de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening (art. 5.2 Bkl). Daarnaast moet worden voldaan aan de in paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.7 van het Bkl gestelde specifieke regels over het waarborgen van de veiligheid.
Bij een aandachtsgebied met verhoogd groepsrisico (= boven de orientatiewaarde) gelden er aanvullende verplichtingen op grond van art. 7.18 van de provinciale verordening. Dit komt in Delft niet voor (DSM blijft onder de orientatiewaarde (volgens de QRA die DCMR bij de revisievergunning heeft gehanteerd)
Beoordeling:
Een railinzetplaats betreft een plek op de vrije baan, het emplacement of raccordement waar voertuigen in het spoor kunnen worden gezet, bijvoorbeeld aannemersmateriaal of hulpverlening bij calamiteiten. Door deze voorziening in het voorliggende wijzigingsbesluit van het omgevingsplan mogelijk te maken, wordt met het omgevingsplan rekening gehouden met het voorkomen, beperken en bestrijden van genoemde veiligheidsrisico's.
Conclusie:
Artikel 5.59 Bkl schrijft voor dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Daarnaast dient er in een omgevingsplan rekening te worden gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. Een omgevingsplan voorziet erin dat het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is (art. 5.78s Bkl). Deze verplichting is niet van toepassing op (onder meer) geluidgevoelige gebouwen op industrieterreinen waarvoor geluidproductieplafonds zijn vastgesteld, niet-geluidgevoelige gevels en tijdelijke geluidgevoelige gebouwen.
Verder dient rekening te worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen en dient het omgevingsplan erin te voorzien dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (art. 5.83 Bkl).
In de directe nabijheid van de railinzetplaats zijn geen geluidgevoelige en/of trillingevoelige gebouwen gelegen. De verplaatsing van de railinzetplaats met 25 meter naar de huidige locatie vormt hiermee geen probleem vanuit het oogpunt van genoeme normstellingen. Aan de railinzetplaats kan voorts geen zelfstandige verkeersgeneratie worden toegekend. De railinzetplaats geldt namelijk als verbindingsstuk tussen de openbare ruimte en het spoorbaanvak. Dit betekent dat een verdere beschouwing van de indirecte effecten van geluidhinder achterwege kunnen blijven.
Het wijzigngsbesluit van het omgevingsplan ten behoeve van de railinzetplaats voldoet aan de instructieregels uit het Bkl voor geluid en trillingen.
Uit artikel 5.89i Bkl volgt dat het omgevingsplan waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bevat.
Omgevingsverordening: in het omgevingsplan moeten eisen en onderzoeksverplichtingen op worden genomen als een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie wordt toegelaten en eisen voor sanering en lozen.
Een grondwatergevoelig gebouw is:
Een grondwatergevoelige locatie is:
Beoordeling:
De railinzetplaats betreft geen bodemgevoelig gebouw. Eveneens is in dit wijzigingsbesluit van het omgevingsplan geen sprake van een grondwatergevoelige locatie.
Conclusie:
Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor de functietoedelingen in dit wijzigingsbesluit, waaronder het toestaan van een railinzetplaats.
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Een omgevingsplan voorziet erin dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is (5.92 Bkl).
Beoordeling:
De railinzetplaats betreft een spoorwegwerk waarbij het spoorwegwerk zelf géén geur emmiteerd. Ook bij de andere (groen, verkeer) functietoedelingen in het wijzigingsbesluit is er geen sprake van relevante emmissies van geur. De functietoedelingen zijn hiermee in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5.92 Bkl.
Conclusie:
Vanuit het aspect geur zijn er geen belemmeringen voor de functietoedelingen in dit wijzigingsbesluit, waaronder het toestaan van een railinzetplaats.
Rijksbeleid
Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met de archeologische waarden. Onder de omgevingswet geldt op grond van het bepaalde in artikel 5.130 van het Bkl dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.
Provinciale omgevingsverordening
In de provinciale omgevingsverordening zijn gebieden met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde aangewezen. Voor die locaties moet het plan regels die de bekende archeologische waarden beschermen bevatten met in ieder geval een verbod op activiteiten waarbij een oppervlakte van meer dan 100 m2 en dieper dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd, tenzij door archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast of het activiteiten betreft die naar hun aard de archeologische waarden niet aantasten. Bij wijze van uitzondering kan het bevoegd gezag het behoud van de archeologische waarden 'ex situ', toelaten als behoud 'in situ' niet mogelijk blijkt en andere zwaarwegende belangen prevaleren.
Archeologiebeleid Delft
Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeentes in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. De gemeente beschikt al sinds 1991 over een eigen gemeentelijke archeologische dienst. Hier is uitgebreide lokale kennis aanwezig, waardoor een correcte omgang met de archeologische waarden binnen de gemeente wordt gewaarborgd.
Archeologie Delft hanteert sinds 2012 een archeologische beleidskaart voor de gehele gemeente. Deze kaart is gebaseerd op gedetailleerde kennis van de lokale landschapsontwikkeling, cultuurhistorie en het bodemarchief. Op de beleidskaart worden de verschillende archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeente gekoppeld aan vrijstellingsgrenzen. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek.
Door middel van het hanteren van een gedifferentieerd vrijstellingenbeleid wordt binnen de gehele gemeente gezocht naar een goede balans tussen de verwachte aanwezigheid van archeologische resten en de voorwaarden die worden verbonden aan bodemverstorende activiteiten.
In de bestaande situatie is sprake van een gerealiseerde railinzetplaats op een spoorweglocatie en aanpalende gronden aan het Hoogspanningspad ter hoogte van Tanthofdreef 2 te Delft (ter hoogte van km 71.550 van de spoorlijn Den Haag – Rotterdam). Er is geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden ter plaatse. Vanuit het oogpunt van het cultureel erfgoed zijn ter plaatse van het wijzigingsbeluit enkel archeologische aspecten relevant.
De bestaande situatie blijft voor wat betreft de gewenste ontwikkeling onveranderd. In de nieuwe situatie is sprake van een gerealiseerde railinzetplaats op een spoorweglocatie en aanpalende gronden aan het Hoogspanningspad ter hoogte van Tanthofdreef 2 te Delft (ter hoogte van km 71.550 van de spoorlijn Den Haag – Rotterdam).
In het kader van het op 7 december 2016 vastgestelde tracébesluit PHS Viersporigheid Rijswijk –
Delft Zuid is in het najaar van 2013 door RAAP inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (zie
hiervoor het in Bijlage 1 bij deze motivering gevoegde rapport van RAAP d.d. 13 november 2014), onder andere in het gebied tussen km 70,5 en 72,1 (deelgebied Zuid). De locatie van de railinzetplaats en de in/uitrit valt binnen dit onderzoeksgebied, zie onderstaande weergave van deelgebied Zuid in figuur 9 van het genoemde onderzoek van RAAP.
In dit inventariserend veldonderzoek werd ten aanzien van deelgebied Zuid geconcludeerd dat
wegens het ontbreken van een potentieel archeologisch niveau en archeologische indicatoren
géén vervolgonderzoek noodzakelijk was. Die conclusies kunnen nog als actueel worden beschouwd vanuit het oogpunt van de feitelijke toestand ter plaatse.
De gemeente Delft heeft desalniettemin ter meerdere zekerheid ten aanzien van het behoud en de bescherming van archeologische waarden ervoor gekozen om de locatie mede een functietoedeling mee te geven voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Inhoudelijk houdt deze functietoedeling rekening met het bepaalde in artikel 5.130 lid 4 van het Bkl, waarin het navolgende is bepaald:
Als in een omgevingsplan regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek, bepaalt het omgevingsplan dat die regels niet van toepassing zijn op activiteiten met een oppervlakte van minder dan 100 m2.
Daarnaast houdt deze functietoedeling voor de onderzoeksplicht ten aanzien van de diepte van bodemingrepen rekening met de lijn die hiervoor is opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Hieruit volgt dat de onderzoeksplicht pas aan de orde is bij bodemingrepen dieper dan 70 cm.
Voor de realisatie van de railinzetplaats hebben géén bodemingrepen plaatgevonden dieper dan 70 cm.
Vanuit het aspect cultureel erfgoed zijn er geen belemmeringen voor de functietoedelingen in dit wijzigingsbesluit, waaronder het toestaan van een railinzetplaats.
Een omgevingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid (omgevingsverordening).
Voor stationsomgevingen en sociale huurwoningen gelden de in de verordening opgenomen maximale parkeernormen tenzij de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld. In dat geval kan een andere parkeernorm worden gehanteerd.
Voor onderhavig wijzigingsbesluit geldt dat de gemeentelijke parkeernormen van toepassing zijn. De parkeernormen zijn verankerd in artikel 14.4 van de regels. Dit betekent dat de in de provinciale omgevingsverordening opgenomen parkeernormen niet van toepassing zijn op onderhavig wijzigingsbeluit.
Voor dit wijzigingsbesluit geldt dat kabels en leidingen die planologische bescherming behoeven als zodanig in dit wijzigingsbesluit een beschermingskader hebben meegekregen.
Dit is voor onderhavig wijzigingsbesluit voorzien met de functietoedeling 'Leiding - Hoogspanningsverbinding III activiteiten'. Een en ander in lijn met het planologisch beschermingskader zoals nu opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, te weten bestemmingsplan 'Zuidwest 3 Tanthof' en het bestemmingsplan 'Schieoevers Zuid'.
Ter illustratie is in onderstaande afbeelding de ligging van het hoogspanningsleidingtracé en de ligging van de op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan geldende dubbelbestemming geduid.
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken (art. 5.37 Bkl).
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een primaire waterkering, wordt bij het toelaten van activiteiten gewaarborgd dat er geen belemmeringen ontstaan voor de instandhouding, het onderhoud of de versterking van de primaire waterkering. Dit geldt ook voor bij omgevingsverordening of waterschapsverordening aangewezen gebied grenzend aan een primaire waterkering waar ter bescherming van de primaire waterkering regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor die primaire waterkering (5.38 Bkl)
In het omgevingsplan dient voorts rekening te worden gehouden met het voorkomen van belemmeringen voor regionale waterkeringen. Aan regionale waterkeringen moet de functie “regionale waterkering” worden toegekend en aan beperkingengebieden de functie “beperkingengebied met betrekking tot een waterkering”. Verder dient een in de waterschapsverordening opgenomen profiel van vrije ruimte ten behoeve van waterkeringen die in beheer bij het waterschap zijn in acht te worden genomen.
Beoordeling algemeen:
In verband met de realisatie van de viersporigheid zijn bij Delft Zuid aanpassingen gedaan aan het watersysteem die bij de voorbereiding van het tracébesluit PHS Viersporigheid Rijswijk – Delft Zuid zijn afgestemd met het Hoogheemraadschap. Deze aanpassingen vloeien voort uit een deelonderzoek Water dat onderdeel is van de stukken van het tracébesluit. Het betreffende deelonderzoek is als bijlage 2 gevoegd bij deze motivering.
Uit het onderzoek in combinatie met de huidige feitelijke terrein toestand, blijkt dat er plaatse van het wijzigingsbesluitgebied watergangen zijn gedempt. Dit aspect alsmede de toename van verhardingen in het tracébesluitgebied heeft geleid tot watercompenserende maatregelen. Die watercompsenerende maatregelen bestaan uit het graven van nieuw ofwel vergroten van bestaand oppervlaktewater in een kwantiteit die is vermeld in het deelonderzoek water dat als bijlage 2 is gevoegd bij deze motivering.
De watercompenserende werkzaamheden zijn reeds uitgevoerd en hebben betrekking op een vergroting van bestaand oppervlaktewater langs de spoorbaan vanuit Delft Campus in de richting Rotterdam. Een en ander zoals geduid met een rode omkadering in onderstaande afbeelding.
Voor wat betreft het wijzigingsbesluit, waaronder mede begrepen het planologisch kader ten behoeve van de gerealiseerde verplaatsing van de railinzetplaats, is sprake van een waterneutrale ontwikkeling, waarvoor als uitvloeisel van het tracébesluit ten tijde van realisatie (vanwege gelijkblijvend oppervlak aan verhardingen) géén watercompensatie aan de orde was. In deze contexr wordt, bij wijze van maatwerk, nu niet alsnog een watercompenserende opgave vanuit klimaatadaptatie voor de formalisatie van de railinzetplaats bepaald.
Beoordeling waterkwantiteit
In onderstaande is op luchtfoto de legger van het Hoogheemraadschap Delfland geprojecteerd. Hieruit valt op te maken dat de legger nog niet is geactualiseerd ter plaatse van het wijzigingsbesluitgebied. Immers de watergang die is verbeeld in onderstaande afbeelding, is feitelijk niet meer aanwezig. Watercompenserende maatregelen, zoals vermeld bij 'beoordeling algemeen', zijn reeds uitgevoerd.
Beoordeling waterveiligheid
Ter plaatse van het wijzigingsbesluitgebied is momenteel geen sprake van oppervlaktewater. Het aspect waterveiligheid is niet van toepassing.
Beoordeling grondwater
Ten behoeve van de railinzetplaats is er geen sprake van een grondwateronttrekking. De railinzetplaats heeft geen gevolgen voor het grondwater ofwel de grondwaterstand.
Beoordeling waterkwaliteit
Ter plaatse van het wijzigingsbesluitgebied is momenteel geen sprake van oppervlaktewater. Het aspect waterkwaliteit is niet van toepassing.
Onderhoud en Bagger
Ter plaatse van het wijzigingsbesluitgebied is momenteel geen sprake van oppervlaktewater. Het aspect onderhoud en bagger is niet van toepassing.
Waterketen
Ter plaatse van het wijzigingsbesluitgebied is momenteel geen sprake van oppervlaktewater. Behoudens de opmerkingen over eerdere aanpassingen in de waterketen bij 'beoordeling algemeen', is het aspect waterketen niet van toepassing.
Klimaatadaptatie
Voor wat betreft het wijzigingsbesluit, waaronder mede begrepen het planologisch kader ten behoeve van de gerealiseerde verplaatsing van de railinzetplaats, is sprake van een waterneutrale ontwikkeling, waarvoor als uitvloeisel van het tracébesluit ten tijde van realisatie (vanwege gelijkblijvend oppervlak aan verhardingen) géén watercompensatie aan de orde was. In deze contexr wordt, bij wijze van maatwerk, nu niet alsnog een watercompenserende opgave vanuit klimaatadaptatie voor de formalisatie van de railinzetplaats bepaald.
Tot slot
De oude railinzetplaats met verhardingen is verwijderd na realisatie van de nieuwe railinzetplaats.De oude en de nieuwe locatie van de railinzetplaats bevinden zich hierbij in hetzelfde peilbesluitgebied op ongeveer 25 meter afstand van elkaar. Voorts is er geen sprake van planologisch relevante waterkeringen.
Conclusie:
Vanuit het wateraspect zijn er geen belemmeringen voor de functietoedelingen in dit wijzigingsbesluit, waaronder het toestaan van een railinzetplaats.
Wettelijk kader
Soortenbescherming
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid.
Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora-en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of:
Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling.
Gebiedsbescherming
De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies.
Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als 'Natura 2000-activiteit'. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden.
Beoordeling
Soortenbescherming
De oude en nieuwe railinzetplaats liggen binnen het bestaande spoorprofiel en werkgebied van het project PHS Rijswijk – Rotterdam. De uitrit van de nieuwe railinzetplaats is gerealiseerd in een bestaande groenstrook die is gelegen tussen een weg en het spoor, waarbij een fietspad wordt gekruisd. Ten behoeve van de ontwikkeling zijn 2 bomen verplaatst van de locatie van de nieuwe uitrit naar de locatie van de oude uitrit, die is hersteld als groenstrook. Het betreft de boom met id nummers: 21.570 en 21.571 (volgens het open data portaal van de gemeente Delft), zie onderstaande afbeelding. De werkzaamheden hebben reeds plaatsgevonden buiten het broedseizoen. Voorafgaand aan de werkzaamheden is de boom gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten. Er is géén sprake van strijd met de Wet natuurbescherming.
Afbeelding: bomen in beheer door gemeente Delft, Open data portaal gemeente Delft. De oude locatie van de inmiddels verplaatste bomen is rood omcirkeld in bovenstaande afbeelding.
Afbeelding: bomen in beheer door gemeente Delft, Open data portaal gemeente Delft. De bovenstaande afbeelding geeft de situatie weer na realisatie inclusief verplaatsing van de bomen.
Gebiedsbescherming
Onderstaande afbeelding geeft de ligging van de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het projectgebied weer. Het betreft de volgende Natura 2000-gebieden:
Afbeelding: Nabijgelegen Natura 2000-gebieden (rode ster locatie wijzigingsbesluit tbv railinzetplaats)
Uit bovenstaande afbeelding blijkt dat de werkzaamheden plaatsvinden buiten de begrenzing van
Natura 2000-gebieden. De uitgevoerde aanlegwerkzaamheden ten behoeve van verplaatsing van de railinzetplaats zijn dusdanig kleinschalig van omvang dat er, mede gelet op de ruime afstand tot aan de N2000 gebieden, geen negatieve effecten door stikstof te verwachten zijn.
Voorts levert de verplaatsing van de railinzetplaats met 25 meter vanuit het oogpunt van de gebruikssituatie geen relevante wijziging teweeg. Ook vanuit die invalshoek zijn, mede gelet op de ruime afstand tot aan de N2000 gebieden, geen negatieve effecten door stikstof te verwachten.
De werkzaamheden hebben tenslotte plaatsgevonden binnen stedelijk gebied en deels binnen het bestaande spoorterrein. Dit ligt buiten de NNN-begrenzing.
Conclusie:
Vanuit het flora- en fauna aspect zijn er géén belemmeringen voor de functietoedelingen in dit wijzigingsbesluit, waaronder het toestaan van een railinzetplaats.
De oude en nieuwe railinzetplaats liggen binnen het bestaande spoorprofiel en werkgebied van het project PHS Rijswijk – Rotterdam. De uitrit van de nieuwe railinzetplaats is gerealiseerd in een bestaande groenstrook die is gelegen tussen een weg en het spoor, waarbij een fietspad wordt gekruisd. Ten behoeve van de ontwikkeling zijn 2 bomen verplaatst van de locatie van de nieuwe uitrit naar de locatie van de oude uitrit, die is hersteld als groenstrook. Het betreft de bomen met id nummers: 21.570 en 21.571 (volgens het open data portaal van de gemeente Delft), zie onderstaande afbeelding. De werkzaamheden hebben reeds plaatsgevonden buiten het broedseizoen. Voorafgaand aan de werkzaamheden zijn de bomen gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten.
Afbeelding: bomen in beheer door gemeente Delft, Open data portaal gemeente Delft. De oude locatie van de inmiddels verplaatste bomen is rood omcirkeld in bovenstaande afbeelding.
Afbeelding: bomen in beheer door gemeente Delft, Open data portaal gemeente Delft. De bovenstaande afbeelding geeft de situatie weer na realisatie inclusief verplaatsing van de bomen.
In de gemeentelijke 'Visie Groen & Biodiversiteit' maakt het gebied waarop het wijzigingsbesluit ziet, géén onderdeel uit van bestaande groen-blauwe hoofdstructuur.
Relevant voor onderhavig wijzigingsbesluit is dat vanuit de 'Visie Groen & Biodiversiteit' wordt ingezet op kruidenrijke bermen. Langs fietspaden en (spoor-)wegen wordt gecontinueerd op de inzet op kruidenrijke bermen en natuurvriendelijk beheer, tenzij dit leidt tot onveilige verkeerssituaties. Daarbij wil de gemeente aansluiten op het bijenlandschap in wording.
Beoordeling:
Met de verplaatsing van de railinzetplaats naar een positie op 25 meter afstand van de oude locatie in combinatie met de verplaatsing van een boom en herinrichting van de oude locatie als groene plaats, zijn er netto géén gevolgen voor de oppervlakte aan bestaand openbaar groen. De inzet op kruidenrijke bermen en natuurvriendelijk beheer vindt plaats vanuit de gemeente Delft en staat los van het voorliggende wijzigingsbesluit.
Conclusie:
Vanuit het aspect groen zijn er géén belemmeringen voor de functietoedelingen in dit wijzigingsbesluit, waaronder het toestaan van een railinzetplaats.
Delft behoort tot de agglomeratie Den Haag/Leiden (art. 2.38b Omgevingsregeling). De agglomeratie is in artikel 5.51 lid 2 Bkl aangewezen als aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof. Als het omgevingsplan een van de hieronder genoemde activiteiten mogelijk maakt en die activiteiten leiden tot een verhoging van de concentratie van stikstofdioxide en fijnstof in het aandachtsgebied dienen de in het Bkl opgenomen omgevingswaarden in acht te worden genomen:
Deze verplichting geldt niet in de in artikel 5.52 tot en met 5.54 Bkl genoemde uitzonderingsgevallen.
Beoordeling:
De verplaatste railinzetplaats is (evenals in de oude situatie) in het bestaande spoorbaanvak geplaatst. Feitelijk is er hiermee geen sprake van een wijziging van een spoorweg. De uitrit kruist een fietspad en past deze niet aan. De uitrit sluit verder aan op de bestaande wegenstructuur. Feitelijk is er hiermee géén sprake van een wijziging van een (spoor-)weg. Daarnaast betreft het een activiteit die niet leidt tot een verhoging van de concentratie van sikstofdioxide en fijnstof. Het betreft immers een verplaatsing van een bestaande voorziening met 25 meter.
Conclusie:
Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er géén belemmeringen voor de functietoedelingen in dit wijzigingsbesluit, waaronder het toestaan van een railinzetplaats.
De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.
Voor plannen en programma's die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.
De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
Beoordeling
In bijlage V van het Omgevingsbesluit is de categorie J2 'Spoorwegen en faciliteiten voor de overlading tussen vervoerswijzen en van overladingsstations' benoemd. Bij een wijzigingsbesluit van het omgevingsplan waarbij sprake is van de activiteit 'aanleg van spoorwegen voor spoorverkeer over lange afstand' geldt een plan-merplicht op grond van kolom 2. Bij een wijzigingsbesluit van het omgevingsplan waarbij sprake is van de activiteit 'Aanleg, wijziging of uitbreiding' van spoorwegen voor spoorverkeer over lange afstand, geldt een mer-beoordelingsplicht.
In onderhavig wijzigingsbesluit van het omgevingsplan wordt géén wijziging van het bestaande spoorbaanvak voorzien. Het spoorbaanvak wordt gehandhaafd overeenkomstig het Tracébesluit Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS) viersporigheid Rijswijk – Delft Zuid van 7 december 2016 en gewijzigd d.d. 14 maart 2022. Voor het tracébesluit is reeds een m.e.r-procedure doorlopen. De nieuwe railinzetplaats bestaat uit een verharding in het spoor (betonnen industrieplaten), vergelijkbaar met de verharding bij de oude railinzetplaats die reeds is verwijderd. Van een wijziging van spoorwegen voor spoorverkeer over lange afstand kan derhalve géén sprake zijn. Op grond van het vorenstaande is een mer-beoordelingsplicht niet aan de orde. Voorts kan in de verplaatsing van de oude railinzetplaats naar de nieuwe locatie op 25 meter afstand verderop géén sprake zijn van aanzienlijke milieueffecten.
Conclusie:
Vanuit het aspect mer-beoordeling zijn er géén belemmeringen voor de functietoedelingen in dit wijzigingsbesluit, waaronder het toestaan van een railinzetplaats.
Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het gemeentebrede (tijdelijk deel van het) omgevingsplan van de gemeente Delft. Een TAM-omgevingsplan is een wijziging van het omgevingsplan conform de Omgevingswet, maar wordt opgesteld met digitale (IMRO) techniek van bestemmingsplannen. TAM-omgevingsplannen vormen een tijdelijke alternatieve maatregel totdat de omgevingsplansoftware en het digitale loket verder ontwikkeld zijn.
Tot het zogenaamde tijdelijke deel van het omgevingsplan, ter plaatse van dit wijzigingsbesluit, behoren de bestemmingsplannen 'Zuidwest 3 Tanthof' (vastgesteld d.d. 25 april 2013) en 'Schieoevers Zuid' (vastgesteld d.d. 28 augustus 2012). De realisatie van een railinzetplaats is in strijd met de beide plannen. Derhalve is een aanpassing van het omgevingsplan nodig.
Het onderhavige TAM-omgevingsplan lijkt los te staan van de rest van het gemeentebrede omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan, wordt het als een separaat hoofdstuk toegevoegd aan het gemeentebrede omgevingsplan.
Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een preambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22b van het omgevingsplan.
De regels van dit TAM-omgevingsplan zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
Begripsbepalingen en aanvullende begripsbepalingen
In dit artikel zijn de begrippen gedefinieerd, die in de regels van dit TAM-omgevingsplan worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het omgevingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.
In de begrippen is 'bevoegd gezag' opgenomen. Als hoofdregel geldt dat het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag is, tenzij een ander orgaan is aangewezen zoals gedeputeerde staten van de provincie indien het een project van provinciaal belang betreft, of een minister voor projecten van nationaal belang.
Toepassingsbereik, meet- en rekenbepalingen en normadressaat
Daarnaast is voorzien in een bepaling voor wat betreft het toepassingsbereik van het wijzigingsbesluit van het Omgevingsplan. Hierin is bepaald waarop het wijzigingsbesluit ziet en welke besluiten niet van toepassing zijn binnen de locatie van het wijzigingsbesluit.
De meet- en rekenbepalingen geven aan hoe de hoogte- en andere maten, die bij het bouwen in acht moeten worden genomen, gemeten moeten worden.
De normadressaat bepaling geeft weer tot wie de in dit wijzingsbesluit opgenomen normstellingen zich richt.
In het hoofdstuk 'Omschrijving van gebruiksactiviteiten (paragraaf 22B.2)' is voorzien in functietoedelingen ( enigzins vergelijkbaar met bestemmingsomschrijvingen in bestemmingsplannen die onder de Wro zijn opgesteld). In onderstaande is hiervan een korte omschrijving opgenomen.
Groenactiviteiten
De voor 'Groen - Groenactiviteiten' aangewezen locaties mogen worden gebruikt voor het realiseren, instandhouden en gebruiken van groen, groenvoorzieningen, ecologische voorzieningen en ecologische structuren. Daarnaast kunnen deze aangewezen locaties worden gebruikt voor extensieve recreatieve voorzieningen, speelvoorzieningen, water, langzaam verkeersroutes, kunstwerken, bijbehorende voorzieningen, terreinafscheidingen, voorzieningen voor het stallen van fietsen, geluidwerende voorzieningen.
Verkeeractiviteiten
De voor 'Verkeer - Verkeeractiviteiten' aangewezen locaties mogen worden gebruikt voor het realiseren, instandhouden en gebruiken van: hoofdrijbanen; een bus- en trambaan; verblijfs- en verkeersvoorzieningen. Daarnaast kunnen deze aangewezen locaties worden gebruikt voor groenvoorzieningen, water, kunstwerken, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, voorzieningen voor het stallen van fietsen, bijbehorende voorzieningen.
Verkeer - Spoorwegactivteiten
De voor 'Verkeer - Spoorwegactiviteiten' aangewezen locaties mogen worden gebruikt voor het realiseren, instandhouden en gebruiken van: (hoofd- en lokaal) spoorwegen en de daarbij behorende spoorwegwerken. Onder spoorwegwerken worden op grond van de begripsbepaling spoorwegwerken mede railinzetplaatsen verstaan. In dit wijzigingsbesluit is het gelet hierop niet noodzakelijk de aanwezige railinzetplaats binnen deze functietoedeling nader te duiden op de verbeelding. Daarnaast kunnen deze aangewezen locaties worden gebruikt voor overkappingen, bermen, groenvoorzieningen, kunstwerken, geluidwerende voorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
Leiding - Hoogspanningsverbinding III activiteiten
De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding III activiteiten' aangewezen locaties mogen, behalve voor de andere daar op grond van aangewezen toegestane gebruiksactiviteiten, mede worden gebruikt voor het realiseren, instandhouden en gebruiken van een ondergrondse hoogspanningsleiding van ten hoogste 150kV en bijbehorende voorzieningen.
Waarde - Archeologie activiteiten
De voor 'Waarde - Archeologie activiteiten' aangewezen locaties mogen, behalve voor de andere daar op grond van aangewezen toegestane gebruiksactiviteiten, mede worden gebruikt voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden.
Antidubbeltelregel
Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Dit zou bijvoorbeeld aan de orde kunnen zijn ingeval (onderdelen van) bebouwingsstroken van verschillende eigenaars zijn.
Algemene bouwregels
In dit artikel zijn bouwregels opgenomen die gelden voor alle gebouwen binnen het plangebied. Deze regels gelden naast de overige regels in het plangebied.
Algemene gebruiksregels
In dit artikel is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen. In lid 2 is aangegeven welk gebruik in ieder geval verboden is en in lid 3 welk gebruik hieronder niet wordt verstaan.
Algemene aanduidingsregels
Hierin heeft specifiek de aanduiding 'geluidzone - industrie' met bijbehorende regeling een plek gekregen. Het betreft een overname van een regeling uit het tijdelijk deel van het Omgevingsplan dat in dit TAM-omgevingsplan opnieuw zonder wijzigingen wordt overgenomen.
Voorrangsregeling
In dit artikel is een prioritering aangegeven van de (dubbel)bestemmingen indien er op gronden sprake is van meerdere (dubbel)bestemmmingen en de daarbij gepaard gaande belangen.
Overgangsrecht
Dit artikel bevat de overgangsregels met betrekking tot het bouwen en het gebruik van gronden. In afwijking van de bouwregels blijven enige bouwmogelijkheden bestaan voor die gebouwen die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan afwijken van het plan en die zijn of worden gebouwd bij of krachtens de Woningwet of Wabo. Bestaande afwijkingen mogen in principe niet worden vergroot.
Het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat het in werking treedt, mag worden voortgezet. Het overgangsrecht is echter niet van toepassing op gebruik dat al in strijd was met het voorgaande plan. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan, indien de afwijking hierdoor in mindere mate strijdigheid met dit bestemmingsplan oplevert.
In het kader van het vooroverleg is het conceptplan toegezonden aan de volgende overlegpartners:
De onder nummers 1,2,4,5,8 en 11 genoemde instanties hebben gereageerd en aangegeven geen opmerkingen over het wijzigingsbesluit te hebben. De onder 3 en 6 genoemde instanties hebben een inhoudelijke reactie ingediend. Deze reactie worden hieronder besproken. Van de overige overlegpartners is geen reactie ontvangen.
Reacte overlegpartner 3: Hoogheemraadschap van Delfland
Antwoord:
Conclusie:
Deze reactie heeft geleid tot bovenaangehaalde aanpassingen in de motivering en bijlagen van het plan.
Reactie overlegpartner 6: Tennet
Binnen het wijzigingsgebied is ondergrondse infrastructuur gelegen van Tennet in de vorm van een 150 v hoogspanningsleiding. Inhoudelijk wordt de navolgende reactie gegeven:
Antwoord:
Conclusie:
Deze reactie heeft geleid tot bovenaangehaalde aanpassingen van het plan.
Op grond van de Omgevingswet is het verplicht om bij een voorgenomen wijzigingsbesluit van het Omgevingsplan te participeren over het voorgenomen wijzigingsbesluit. Hieraan is voor dit wijzigingsbesluit invulling gegeven door een participatiemoment in de bekendmaking van het voorgenomen wijzigingsbesluit te benoemen. Tijdens een inloopbijeenkomst op 12 november 2025 was het voor een ieder mogelijk om informatie op te halen over het voorgenomen wijzigingsbesluit en was het mogelijk om een reactie achter te laten.
Tijdens de participatiebijeenkomst is een vertegenwoordiger van de provincie ontvangen die uitleg is verschaft over de planvorming. De vertegenwoordiger van de provincie heeft nogmaals (mondeling) bevestigd dat de planvorming in lijn met het provinciaal beleid is.
Overheden zijn verplicht om kosten te verhalen als het plan voorziet in bouwactiviteiten die zijn aangewezen in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als dat niet mogelijk is, is de publiekrechtelijke weg verplicht. In dat geval verhaalt de gemeente de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa). Aangewezen bouwactiviteiten zijn bijvoorbeeld het bouwen van woningen, bedrijfspanden, kantoren en winkels. Zolang de kostenverhaalbijdrage niet is betaald is het verboden om de bouwwerkzaamheden uit te voeren.
De bouwmogelijkheden die het plan biedt vallen niet onder een aangewezen categorie voor verplicht kostenverhaal, zoals bedoeld in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit.Voor het plan bestaat daarom géén verplichting tot kostenverhaal. Voor het aspect nadeelcompensatie wordt wel voorzien in anterieure overeenkomst. Het opnemen van een regeling in het plan is echter niet noodzakelijk omdat de kosten 'anderszins verzekerd' zijn.