direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Railinzetplaats
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0503.OP0003-2001

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels (paragraaf 22B.1)

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een railinzetplaats op de locatie aan het hoogspanningspad ter hoogte van Tanthofdreef 2 te Delft en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22b]) van het omgevingsplan van de gemeente Delft. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl (https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/) uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22b] van het omgevingsplan van de gemeente Delft. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22b.]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘[22b.]’ gelezen worden.

Artikel 1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk 22B gelden de volgende aanvullende begripsbepalingen:

2.1 omgevingsplan:

Het omgevingsplan van de gemeente Delft;

2.2 tam-omgevingsplan:

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Railinzetplaats;

2.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee locaties zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze locaties;

2.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

2.5 aansluiting

daar waar twee spoorlijnen samenkomen;

2.6 archeologisch onderzoek

onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt;

2.7 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

2.8 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

2.9 bevoegd gezag

bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;

2.10 bijbehorende voorzieningen

voorzieningen die ten dienste staan van en ondergeschikt zijn aan de hoofdbestemming zoals parkeren, groenvoorzieningen (eilandjes), water, ontsluitingswegen, bruggen, duikers, kades, taluds en beschoeiingen;

2.11 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

2.12 bouwwerk

elke constructie van enige omvang die hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, zoals gebouwen, kunstwerken en voorzieningen voor elektrotechnische systemen (bijvoorbeeld schakelkasten).

2.13 bovenkant spoorstaaf (BS)

de hoogte van de bovenkant van de laagste spoorstaaf;

2.14 burgemeester en wethouders

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft;

2.15 bvo (brutovloeroppervlak)

het totale gebouwde vloeroppervlak;

2.16 doorgangsbreedte

ruimte die in de breedte beschikbaar is bij het passeren van een kunstwerk;

2.17 doorgangshoogte

ruimte die in de hoogte beschikbaar is bij het passeren van een kunstwerk;

2.18 dagelijkse boodschappen

consumentenartikelen zoals levensmiddelen, drogisterij-artikelen, alcoholische dranken, tabak en schoonmaakartikelen.

2.19 darkstore

ruimte die in hoofdzaak in gebruik is als opslag- en distributiepunt voor dagelijkse boodschappen die overwegend online besteld en betaald worden en via flitsbezorging bij consumenten bezorgd worden.

2.20 duiker

ondergrondse verbinding die deel uitmaakt van de waterhuishouding of het ecologische systeem;

2.21 elektrotechnische systemen (ETS)

het geheel aan technische voorzieningen dat zorg draagt voor de energievoorziening van de spoorlijn, de beheersing en beveiliging van het treinverkeer en de benodigde telecommunicatie.

2.22 extensieve recreatie

recreatie, waarbij relatief weinig mensen aanwezig zijn per oppervlakte-eenheid of per tijdseenheid. Recreatie met weinig dynamiek en die weinig druk uitoefent op de omgeving. Er zijn weinig of geen gebouwen nodig.

2.23 extensieve recreatieve voorzieningen

voorzieningen ten behoeve van extensieve recreatie.

2.24 flitsbezorging

bezorgdienst die gericht is op snelle bezorging vanuit een darkstore van hoofdzakelijk online aangeboden en bestelde dagelijkse boodschappen bij consumenten.

2.25 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

2.26 kunstwerken

constructie in weg, water of spoorlijn zoals viaducten, onderdoorgangen, overkluizingen, bruggen (fly-overs) en tunnels ten behoeve van de kruising met infrastructuur (vliesconstructies daaronder niet begrepen). Geluidwerende constructie langs de spoorlijn.

2.27 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, openbare toiletten, en apparatuur voor telecommunicatie;

2.28 peil

bovenkant spoorstaaf (BS);

2.29 railinzetplaats

een plek op de vrije baan, het emplacement of raccordement waar voertuigen in het spoor kunnen
worden gezet, bijvoorbeeld aannemersmateriaal of hulpverlening bij calamiteiten.

2.30 spoorwegwerken

bouwwerken en voorzieningen ten behoeve van de spoorlijn, het station en reizigers, waaronder overkappingen, aardebanen, spoorstaven, dwarsliggers, ballastbed, bovenleidingen met draagconstructies, kunstwerken, geluidsschermen, afwateringssloten, paden ten behoeve van onderhoud en bereikbaarheid voor hulpdiensten alsmede elektrotechnische systemen voor onder andere de energievoorziening, beveiliging en telecommunicatie en open terreinen zoals wegen, voet- en fietspaden, watergangen en waterkeringen, bermen en groenvoorzieningen en overige verhardingen, alsmede de spoorlijn kruisende wegen, railinzetplaatsen en waterlopen.

2.31 slootbodem

bodem watergang, zoals opgenomen in de legger van het Hoogheemraadschap Delfland;

2.32 tracebesluit

het Tracébesluit Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS) viersporigheid Rijswijk – Delft Zuid zoals vastgesteld op 7 december 2016 en gewijzigd op 14 maart 2022.

2.33 verkanting

een helling die in dwarsrichting wordt ingebouwd om een goede afwatering te waarborgen en om bochten veiliger en comfortabeler berijdbaar te maken. Dit kan onder andere in een dakprofiel, waardoor naar de zijbermen afgewaterd wordt.

2.34 zorgfuncties

gezondheidszorg, zorg en welzijn, revalidatie, paramedische voorzieningen en daarmee vergelijkbare functies

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid;
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie railinzetplaats gelegen aan het hoogspanningspad ter hoogte van Tanthofdreef 2, waarvan de geometrische planobjecten zijn vervat in het gml-bestand NL.IMRO.0503.OP0003-2001, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl (https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/) .

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt:

4.1 afstanden:

afstanden worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn;

4.2 de bouwhoogte van een bouwwerk:
  • a. vanaf het peil tot aan het hoogste punt van de constructie van een gebouw of een bouwwerk, tenzij in artikel Bouwactiviteit - algemene regels anders is bepaald;
  • b. bij het bepalen van de hoogte blijven voorzieningen zoals geluidschermen, draagconstructies voor de bovenleiding, de bovenleiding, luchtkokers, antennes, hekwerken, leuningen, vlechtwerk en daarmee vergelijkbare constructies buiten beschouwing.
4.3 de hoogte van een windturbine:

vanaf het 2.28 tot aan de (wieken)as van de windturbine;

4.4 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

Artikel 5 Normadressaat

Aan de regels in Hoofdstuk 22B wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Hoofdstuk 2 Omschrijving van gebruiksactiviteiten (paragraaf 22B.2)

Artikel 6 Groen - Groenactiviteiten

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locatie 'Groen - Groenactiviteiten', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0503.OP0003-2001 (hierna: verbeelding) zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl (https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/).

6.2 Omschrijving van gebruiksactiviteiten

6.2.1 Algemene omschrijving van gebruiksactiviteiten

De voor 'Groen - Groenactiviteiten' aangewezen locaties mogen worden gebruikt voor het realiseren, instandhouden en gebruiken van:

  • a. groen, groenvoorzieningen, ecologische voorzieningen en ecologische structuren;
  • b. extensieve recreatieve voorzieningen;
  • c. speelvoorzieningen;
  • d. water;
  • e. langzaam verkeersroutes;
  • f. kunstwerken;
  • g. bijbehorende voorzieningen
  • h. terreinafscheidingen;
  • i. voorzieningen voor het stallen van fietsen;
  • j. geluidwerende voorzieningen.

6.2.2 Gebruiksactiviteit - verboden

Het is verboden om de locatie 'Groen - Groenactiviteiten' te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in de in 6.2.1 genoemde gebruiksactiviteiten.

6.2.3 Gebruiksactiviteit - nadere regels

In het onderstaande zijn regels voor toegestaan gebruik opgenomen ter nadere detaillering van het bepaalde in 6.2.1:

a Extensief recreatief medegebruik

Het gehele gebied gelegen binnen deze functietoedeling mag worden gebruikt ten behoeve van extensief recreatief medegebruik. Ter ondersteuning van het recreatief medegebruik worden beperkte recreatieve voorzieningen toegestaan in het gehele gebied zoals paden, banken, picknicktafels, bewegwijzering e.d.

6.3 Bouwregels - beoordelingsregels

6.3.1 Bouwwerken

Voor het bouwen van bouwwerken gelden de regels van artikel 14 en de volgende bepalingen:

  • a. leidingen zijn uitsluitend onder maaiveld toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de functie water de leidingen minimaal 1,3 m onder de slootbodem moeten worden aangelegd;
  • b. de maximale oppervlakte van een speelvoorziening is 300m2;
  • c. een terreinafscheiding is toegestaan indien de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2 meter. Het bepaalde in artikel 14.2 onder b is hierbij niet van toepassing.

6.3.2 Gebouwen

gebouwen zijn niet toegestaan met uitzondering van:

  • a. nutsvoorzieningen waarvan de bouwhoogte maximaal 4 m mag bedragen;
  • b. fietsenstallingen indien:
    • 1. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1,5 m;
    • 2. de oppervlakte ten hoogste 5 m2 bedraagt;
    • 3. de voorzieningen voor het stallen van fietsen solitair staan danwel maximaal 1 maal zijn geschakeld;
    • 4. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de Algemene omschrijving van gebruiksactiviteiten gegeven gebruiksmogelijkheden.

6.4 Gebruiksactiviteit - omgevingsplanactiviteit

6.4.1 Omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag verleent een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit om binnen de locatie 'Groen - Groenactiviteiten' de gebruiksactiviteit parkeren mogelijk te maken, indien wordt voldaan aan het bepaalde in 6.4.2.

6.4.2 Voorwaarden afwijken

Voor het verlenen van een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit als bedoeld in 6.4.1, gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de ruimtelijke kwaliteit wordt niet nadelig beïnvloed. In de beoordeling van de ruimtelijke kwaliteit wordt aandacht besteed aan de relatie tot de openbare ruimte en belendende percelen, groen, ecologie, water en verkeer.

Artikel 7 Verkeer - Verkeeractiviteiten

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locatie 'Verkeer - Verkeeractiviteiten', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0503.OP0003-2001 (hierna: verbeelding) zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl (https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/). .

7.2 Omschrijving van gebruiksactiviteiten

7.2.1 Algemene omschrijving van gebruiksactiviteiten

De voor 'Verkeer - Verkeeractiviteiten' aangewezen locaties mogen worden gebruikt voor het realiseren, instandhouden en gebruiken van:

  • a. hoofdrijbanen;
  • b. een bus- en trambaan;
  • c. verblijfs- en verkeersvoorzieningen;
  • d. groenvoorzieningen;
  • e. water;
  • f. kunstwerken;
  • g. speelvoorzieningen;
  • h. nutsvoorzieningen;
  • i. geluidwerende voorzieningen;
  • j. voorzieningen voor het stallen van fietsen;
  • k. bijbehorende voorzieningen.

7.2.2 Gebruiksactiviteit - verboden

Het is verboden om de locatie 'Verkeer - Verkeeractiviteiten' te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 7.2.1 genoemde gebruiksactiviteiten.

7.3 Bouwregels - beoordelingsregels

Voor het bouwen gelden de regels van artikel 14 en de volgende bepalingen:

  • a. voorzieningen voor het stallen van fietsen zijn toegestaan indien:
  • 1. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1,5 m, de breedte niet meer bedraagt dan 2,2 m en de diepte niet meer bedraagt dan 2,4 m;
  • 2. de voorzieningen voor het stallen van fietsen solitair staan dan wel maximaal eenmaal zijn geschakeld;
  • 3. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de Algemene omschrijving van gebruiksactiviteiten gegeven gebruiksmogelijkheden.

Artikel 8 Verkeer - Spoorwegactiviteiten

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locatie 'Verkeer - Spoorwegactiviteiten', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0503.OP0003-2001 (hierna: verbeelding) zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl (https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/).

8.2 Omschrijving van gebruiksactiviteiten

8.2.1 Algemene omschrijving van gebruiksactiviteiten

De voor 'Verkeer - Spoorwegactiviteiten' aangewezen locaties mogen worden gebruikt voor het realiseren, instandhouden en gebruiken van:

  • a. (hoofd- en lokaal) spoorwegen en de daarbij behorende spoorwegwerken;
  • b. overkappingen;
  • c. bermen;
  • d. groenvoorzieningen;
  • e. kunstwerken;
  • f. geluidwerende voorzieningen;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

8.2.2 Gebruiksactiviteit - verboden

Het is verboden om de locatie 'Verkeer - Spoorwegactiviteiten' te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 7.2.1 genoemde gebruiksactiviteiten.

8.3 Bouwregels - beoordelingsregels
  • a. spoorwegwerken mogen een maximale bouwhoogte van 8 meter hebben, gemeten vanaf de voet van het bouwwerk.
  • b. voor bouwwerken voor elektrotechnische systemen (ETS) gelden de volgende afmetingen:
    • 1. het maximale oppervlak bedraagt 120 m2 per bouwwerk;
    • 2. de maximale hoogte bedraagt 3 meter vanaf de voet van het bouwwerk.

Artikel 9 Leiding - Hoogspanningsverbinding III activiteiten

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locatie 'Leiding - Hoogspanningsverbinding III activiteiten', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0503.OP0003-2001 (hierna: verbeelding) zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl(https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/).

9.2 Omschrijving van gebruiksactiviteiten

9.2.1 Algemene omschrijving van gebruiksactiviteiten

De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding III activiteiten' aangewezen locaties mogen, behalve voor de andere daar op grond van aangewezen toegestane gebruiksactiviteiten, mede worden gebruikt voor het realiseren, instandhouden en gebruiken van:

  • a. ondergrondse hoogspanningsleiding van ten hoogste 150kV;
  • b. bijbehorende voorzieningen.

9.2.2 Gebruiksactiviteit - Verboden

Het is verboden om de locatie 'Leiding - Hoogspanningsverbinding III activiteiten' te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in artikel 9.2.1 genoemde gebruiksactiviteiten. Hieronder wordt mede begrepen het langdurig opslaan van goederen, (brandbare) stoffen en/of materialen.

9.3 Bouwregels - beoordelingsregels

Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

  • a. In afwijking van het bepaalde in de regels voor de andere daar aangewezen toegestane gebruiksactiviteiten, geldt dat op deze locatie uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de gebruiksactiviteit 'Leiding - Hoogspanningsverbinding III activiteiten' mogen worden gebouwd, met dien verstande dat de maximaal toegestane bouwhoogte voor een hoogspanningsmast 45 m bedraagt.
  • b. De hartlijn van de hoogspanningsleiding wordt gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding-hoogspanningsverbinding'.

9.4 Bouwregels - Omgevingsplanactiviteit

Het bevoegd gezag verleent, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het veilig en doelmatig functioneren van de hoogspanningsleiding en mits vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen van de leidingbeheerder, een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit waarmee, anders dan in lid 9.3 onder a en onder b bepaald, wordt toegestaan dat voor de andere aangewezen toegestane gebruiksactiviteiten toegelaten gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

9.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

9.5.1 Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen, paden, banen en andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodem verlagen, egaliseren, afgraven of ophogen;
  • c. het aanbrengen en/of kappen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
  • d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en aanleggen van drainage;
  • f. het aanleggen van andere kabels en leidingen anders dan in lid 9.2 aangegeven, en daarmee verband houdende constructies;
  • g. het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen.

9.5.2 Uitzondering verbod

Het verbod als bedoeld in lid 9.5.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:

  • a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer, en/of reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan, en/of
  • b. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

9.5.3 Maatwerkvoorschrift

Een vergunning als bedoeld in lid 9.5.1 wordt slechts verleend, indien:

  • a. door de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het veilig en doelmatig functioneren van de hoogspanningsleiding;
  • b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen van de leidingbeheerder.

Artikel 10 Waarde - Archeologie activiteiten

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locatie 'Waarde - Archeologie activiteiten', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0503.OP0003-2001 (hierna: verbeelding) zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl  (https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/) .

10.2 Omschrijving van de gebruiksactiviteiten

10.2.1 Algemene omschrijving van de gebruiksactiviteiten

De voor 'Waarde - Archeologie activiteiten' aangewezen locaties mogen, behalve voor de andere daar op grond van aangewezen toegestane gebruiksactiviteiten, mede worden gebruikt voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden.

10.2.2 Gebruiksactiviteit - verboden

Het is verboden om de locatie 'Waarde - Archeologie activiteiten' te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in artikel 10.2.1 genoemde gebruiksactiviteiten.

10.3 Bouwregels - beoordelingsregels

Aanvullend op het bepaalde in de bouwregels van de andere daar voorkomende aangewezen toegestane gebruiksactiviteiten gelden de volgende bouwregels:

  • a. Voor bouwwerken moet alvorens een omgevingsvergunning voor bouwen wordt verleend, door de aanvrager een archeologisch onderzoek worden overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord.
  • b. Indien uit het in lid 10.3 onder a genoemde archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning:
  • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • 3. de verplichting de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
  • c. De verplichting als bedoeld in lid 10.3 onder a geldt niet voor projecten met een oppervlakte die kleiner is dan 100 m2.
10.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.4.1 Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. grondwerken dieper dan 70 cm, waartoe wordt gerekend het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, wegruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  • b. het verlagen en verhogen van het waterpeil;
  • c. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard, waarbij stobben worden verwijderd;
  • d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. het aanleggen en verwijderen van verhardingen ten behoeve van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen.
10.4.2 Uitzondering verbod

Het verbod als bedoeld in lid 10.4.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:

  • a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer, en/of
  • b. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het tam-omgevingsplan:, en/of
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, en/of
  • d. archeologisch onderzoek betreffen of daarop zijn gericht, en/of
  • e. betrekking hebben op een project met een oppervlakte die kleiner is dan 100 m².
10.4.3 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Een vergunning als bedoeld in lid 10.4.1 wordt slechts verleend, indien:

  • a. door de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden en
  • b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen van de gemeente archeoloog.
10.4.4 Archeologisch onderzoek

Alvorens een vergunning als bedoeld in lid 10.4.1 wordt verleend, moet door de aanvrager een archeologisch onderzoek worden overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord.

10.4.5 Maatwerkvoorschrift

Indien uit het onderzoek als bedoeld in lid 10.4.4 blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 10.4.1 kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 10.4.1:

  • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • 3. de verplichting de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Hoofdstuk 3 Algemene regels (paragraaf 22B.3)

Artikel 11 Algemeen gebruiksverbod

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegewezen toegestane gebruiksactiviteiten.

Artikel 12 Algemene aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Artikel 13 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 14 Bouwactiviteit - algemene regels

14.1 Verboden bouwactiviteiten
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, uit te breiden of te veranderen.
  • b. Het verbod onder a is niet van toepassing indien:
    • 1. het gaat over een bouwwerk dat staat beschreven in artikel 2.29 Besluit bouwwerken leefomgeving;
    • 2. de regels zoals beschreven in artikel 2.30 lid 2 Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing zijn;
    • 3. de betreffende aanduiding zoals beschreven in artikel 2.30 lid 3 Besluit bouwwerken leefomgeving op een locatie van toepassing is en wordt voldaan aan de regels zoals beschreven in lid 3 van dat besluit;
    • 4. het gestelde in paragraaf 22.2.7.2 en paragraaf 22.2.7.3 van dit plan op de bouwactiviteit van toepassing is;
  • c. Artikel 22.23 van dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op dit tam-omgevingsplan:.
14.2 Bouwen algemene regels

Voor het bouwen gelden de aanduidingen op de verbeelding en het bepaalde in Hoofdstuk 2 van deze regels met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. gebouwen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak', tenzij in de bestemming is bepaald dat gebouwen ook buiten de aanduiding 'bouwvlak' zijn toegestaan;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal bedragen:
  Bouwhoogte  
Van erf- en terreinafscheidingen niet grenzend aan openbaar toegankelijk gebied   2 m  
Van erf- en terreinafscheidingen elders   1 m  
Van voorzieningen voor de betreding van een dakterras   1,5 m  
Van lichtmasten   9 m  
Van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   3 m  
14.3 Afwijkende maatvoering

Bestaande gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die legaal zijn opgericht, maar in afwijking van dit tam-omgevingsplan:, zijn toegestaan. Herbouw van deze bestaande gebouwen is niet toegestaan.

14.4 Parkeren
14.4.1 Algemene parkeerregels
  • a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang en de gebruiksfunctie van het gebouw in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren van auto's op het eigen terrein en deze parkeerruimte in stand wordt gehouden;
  • b. een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang en de gebruiksfunctie van het gebouw in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren van fietsen op het eigen terrein en deze parkeerruimte in stand wordt gehouden.

14.4.2 Uitzondering

Het bepaalde in lid 14.4.1 sub b geldt niet voor een gebouw voor een woonfunctie, niet-zijnde een woonfunctie voor studenten of een woonfunctie voor zorg.

14.4.3 Omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit

Het bevoegd gezag verleend een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor situaties waarin niet wordt voldaan aan de algemene parkeerregels zoals bedoeld in 14.4.1:

  • a. indien het voldoen aan het bepaalde in lid 14.4.1 door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; en/of
  • b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt voorzien en deze in stand wordt gehouden.

wanneer tevens wordt voldaan aan de voorwaarden in 14.4.4.

14.4.4 Voorwaarden omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit parkeren

Het verlenen van een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in lid 14.4.3 is slechts mogelijk, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. de parkeersituatie in de openbare ruimte;
  • b. de woon- en leefsituatie.

14.4.5 Beleidsregels Parkeernormen Delft 2023

Het bevoegd gezag past het bepaalde in de leden 14.4.1, 14.4.3 en 14.4.4 toe met inachtneming van de Beleidsregels Parkeernormen Delft 2023. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt bij de toetsing uitgegaan van de nieuwe of gewijzigde beleidsregels, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning.

Artikel 15 Gebruiksactiviteit - algemene regels

15.1 Algemeen

Als gebruik in strijd met dit hoofdstuk wordt in ieder geval begrepen het (laten) gebruiken van onbebouwde gronden:

  • a. als stand- of ligplaats van kampeermiddelen, demonteerbare of verplaatsbare inrichtingen voor detailhandel in etenswaren en/of dranken, en andere onderkomens, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de functietoedeling gerichte beheer van de gronden;
  • b. als opslag-, stort-, lig- of bergplaats van machines, voer- en vaartuigen en andere al dan niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de functietoedeling gerichte beheer van de gronden;
  • c. voor het beproeven van voertuigen, voor het racen of crossen met motorvoertuigen of bromfietsen en voor het beoefenen van de modelvliegtuigsport;
  • d. voor militaire oefeningen met rups- en andere voertuigen.

Artikel 16 Algemene aanduidingsregels

16.1 Geluidzone - industrie

Op de gronden gelegen binnen de aanduiding 'geluidzone - industrie' mogen, ongeacht het bepaalde in de afzonderlijke toegewezen toegestane gebruiksactiviteiten, geen geluidgevoelige gebouwen worden opgericht en/of geen geluidsgevoelige terreinen worden aangelegd, tenzij een hogere waarde is vastgesteld en gebouwd wordt met inachtneming van die hogere waarde.

16.2 Vrijwaringszone - spoor

Het is verboden nieuwe bebouwing te situeren ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - spoor'. Op aanvraag kan het bevoegd gezag hiervan met een omgevingsvergunning afwijken. Hiertoe dient de spoorwegbeheerder te worden gehoord.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels (paragraaf 22B.4)

Artikel 17 Overgangsrecht

17.1 Bouwwerken

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit hoofdstuk, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan;
  • c. het bepaalde onder a en b is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

17.2 Gebruik
17.2.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

17.2.2 Verandering gebruik

Het is verboden het met dit hoofdstuk strijdige gebruik, bedoeld in artikel 17.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit hoofdstuk beschreven strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

17.2.3 Voorwaarde

Indien het gebruik, bedoeld in artikel 17.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

17.2.4 Uitzondering

Artikel 17.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.