1.1 Aanleiding en ambitie
De initiatiefnemer is voornemens om op de locatie aan de Tuinstraat 2-4 te Venhuizen de twee aanwezige woningen en bijbehorende bouwwerken te slopen en de twee percelen samen te voegen ten behoeve van één nieuwe woning. Gelijkwaardig aan de huidige situatie wordt de nieuwe woning aan de zuidelijke zijde van het (samengevoegde) perceel gepositioneerd, georiënteerd op de parkeerplaats en parallel aan de Tuinstraat.
Voor dit initiatief is een principeverzoek ingediend. Op 22 januari 2025 heeft de gemeente Drechterland laten weten in principe akkoord te gaan en onder voorwaarden bereid te zijn om medewerking te verlenen aan het voorgestelde plan. Op 27 maart 2025 heeft ook MOOI Noord-Holland een positief welstandsadvies gegeven. Vanuit deze instanties zijn enkele belangrijke onderdelen voor verdere uitwerking van de beoogde ontwikkeling gegeven, waaronder bouwen in een dorpse stijl en volgens de stijlkenmerken van (de kern) Venhuizen.
De beoogde ontwikkeling past niet binnen de regels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan (omgevingsplan van rechtswege) van de gemeente Drechterland, waar het bestemmingsplan Drechterland Zuid' onderdeel van is. De voorgenomen ontwikkeling is in strijd met de bouwregels van het bestemmingsplan, omdat de beoogde woning (deels) buiten het bouwvlak is beoogd. Om de ontwikkeling mogelijk te maken en de bestaande bouwvlakken weg te nemen dient een herziening van het (tijdelijke) omgevingsplan van de gemeente Drechterland plaats te vinden. Hiervoor kan de tijdelijke administratieve maatregel (TAM-IMRO) worden toegepast. Voorliggend stuk voorziet in de benodigde motivering.
1.2 Aanduiding plangebied
Het plangebied maakt deel uit van de kern van Venhuizen en bevindt zich aan de Tuinstraat 2-4. Het plangebied maakt onderdeel uit van de percelen met perceelnummers 827 en 2727, in de kadastrale gemeente Venhuizen, sectie G en kent een gezamenlijke oppervlakte van 1.905 m². De woningen zijn georiënteerd op de ruime parkeerplaats ten zuiden van de planlocatie en liggen parallel aan de Tuinstraat. Op ca. 1,3 km ten noorden van de planlocatie is de N506 (De Hout) gelegen, op ca. 2 km ten zuiden van de planlocatie het Markermeer en op ca. 6,5 km ten noordoosten de Markerwaarddijk.
De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.
Globale ligging plangebied, wit omcirkeld (bron: Google Earth)
Begrenzing plangebied, plangebied rood omlijnd (bron: Google Earth)
1.3 Toetsing aan het omgevingsplan
Alle voorheen geldende bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Drechterland. Voor de gronden van de beoogde vrijstaande woningen gold eerder het bestemmingsplan ‘Drechterland Zuid', vastgesteld op 24 juni 2013. Dit bestemmingsplan is herzien door de ‘Eerste herziening bestemmingsplan Drechterland Zuid’, vastgesteld op 26 oktober 2015.
Uitsnede bestemmingsplan ‘Drechterland Zuid', plangebied rood omkaderd (bron: omgevingswet.overheid.nl)
In het bestemmingsplan beschikken de gronden ter plaatse voor een groter (noordelijk) gedeelte over de enkelbestemming ‘Wonen - 1’ en voor een kleiner (zuidelijk) gedeelte over de enkelbestemming ‘Tuin - 1'. De voor wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor woonhuizen en bijgebouwen, waarbij de goot- en bouwhoogten van woonhuizen zijn toegestaan van respectievelijk maximaal 3,5 m en 10 m, en voor bijgebouwen binnen het bouwvlak maximaal 3,5 m en 7 m. Hierbij dienen hoofdgebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak te worden gebouwd. Voor bijgebouwen buiten het bouwvlak geldt een goot- en bouwhoogte van 3,5 m en 4 m. In de huidige situatie zijn er twee bouwvlakken toegewezen aan het plangebied. Daarnaast is per hoofdgebouw maximaal 100 m2 aan bijgebouwen toegestaan. Verder zijn de gronden met de tuinbestemming bestemd voor tuinen bij woonhuizen, aangebouwde bijgebouwen en daaraan ondergeschikt woonstraten, parkeervoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Verder is het grotere noordelijke gedeelte van de gronden van het plangebied voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ en een kleiner zuidelijk gedeelte van ‘Waarde - Archeologie 2’. Hiermee zijn de gronden mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden (zie hiervoor
paragraaf 4.6).
Het initiatief is strijdig met de bouwregels van het tijdelijke omgevingsplan. Hoewel de gronden zijn voorzien van een woonbestemming met twee bouwvlakken, is ter plaatse een nieuwe woning beoogd die (gedeeltelijk) buiten deze bouwvlakken komt te liggen. Tevens is de toegestane goothoogte van 3,5 m niet toereikend voor de beoogde goothoogte van 5 m. Daarmee is het planvoornemen strijdig met de bouwregels van het bestemmingsplan ‘Drechterland Zuid'. Er dient daarom een TAM-IMRO omgevingsplan te worden opgesteld waarmee de voorgenomen wijziging kan worden geregeld.
1.4 Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de bestaande situatie en de toekomstige situatie beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving, waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. De juridische planbeschrijving volgt in hoofdstuk 5. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid en de resultaten van overleg en inspraak.
2.1 Huidige situatie
Op de locatie aan de Tuinstraat 2-4 in Venhuizen zijn in de huidige situatie twee percelen aanwezig met op ieder perceel een vrijstaande woning en een bijgebouw. De gezamenlijke oppervlakte van de twee percelen bedraagt 1.905 m2. De woningen zijn georiënteerd op de ruime parkeerplaats ten zuiden van de planlocatie en liggen parallel aan de daarvoor gelegen Tuinstraat. De westelijke woning is gebouwd in 1966, kent een footprint van 79 m² en heeft een naastgelegen bijgebouw van ca. 32 m². De oostelijke woning is gebouwd in 1989, kent een footprint van 188 m² en heeft een (achtergelegen) vrijstaand bijgebouw van ca. 120 m². Het plangebied is omgeven door woningen in het westen (aan de Twijver), een verzorgingshuis (Bosmanstichting) in het noorden en parkeerterreinen in het zuiden en oosten. Tevens is tussen de planlocatie en het oostelijk gelegen parkeerterrein een strook openbaar groen aanwezig.
Het plangebied maakt deel uit van de kern van Venhuizen, een dorp met 4.300 inwoners, waarbij de omgeving zich kenmerkt als gemengd gebied met centrumfuncties. Hier zijn naast woningen ook maatschappelijke functies (o.a. verpleeghuis, parochie, huisarts), horecagelegenheden en retailfuncties aanwezig.
Op de navolgende afbeeldingen zijn impressies van de huidige situatie weergegeven.

Situatietekening huidige situatie (bron: Vocus Architecten, d.d. 17-04-2025)
Impressie huidige situatie, vanaf zuidelijk parkeerterrein (bron: Google Street View)
Straatbeeld Tuinstraat, zuidelijk parkeerterrein zichtbaar aan rechterzijde (bron: Google Street View)
2.2 Toekomstige situatie
De initiatiefnemer is voornemens om de bestaande woningen en bijgebouwen op de planlocatie aan de Tuinstraat 2-4 te vervangen door één vrijstaande woning en twee bijgebouwen. De twee bestaande percelen en de twee bestaande bouwvlakken worden daarmee samengevoegd tot één perceel en één bouwvlak. De initiatiefnemer zal de nieuwe woning zelf gaan betrekken. De nieuwe woning krijgt een footprint van 229 m² en zal bestaan uit twee bouwlagen met een kap en goot- en nokhoogten van respectievelijk 5 m en 9,5 m. Tevens wordt onder in de woning een kelderverdieping opgenomen. Daarnaast komt er een bijgebouw/garage van 96 m² aan oostelijke perceelsgrens en aan de achterzijde van het perceel een tuinhuisje van 59 m².
De navolgende afbeelding tonen impressie van de toekomstige situatie.

Situatietekening toekomstige situatie (bron: Vocus Architecten, d.d. 17-04-2025).
Impressie toekomstige situatie, v.l.n.r. voorzijde links, voorzijde rechts, achterzijde en ‘vogelvlucht’ (bron: Vocus Architecten, d.d. 17-04-2025).
Stedenbouwkundige opzet en ontwerp
De nieuwe woning wordt, gelijk aan de bestaande woningen, in het zuidelijke gedeelte van het plangebied gesitueerd. De woning wordt vrijstaand opgetrokken, waarbij de voorgevel en nokrichting parallel aan de straat worden georiënteerd, zoals gebruikelijk is voor individuele bebouwing in de gemeente Drechterland. De omvang van de nieuwe woning doet (meer) recht aan de breedte van het parkeerterrein en de Tuinstraat en zorgt voor een goede overgang naar de hogere bebouwing van het achtergelegen verzorgingshuis. En hoewel de nieuwe woning in hoogte en omvang ondergeschikt zal zijn aan de nabijgelegen kerk, sluit de woning wel aan bij een reeks grotere gebouwen vlak bij de kerk.
De woning zal bestaan uit twee bouwlagen met een ruime brede kap, die een schilddak uitstraalt en boven op een plat vak bevat. Tevens wordt onder het maaiveld een kelderverdieping opgenomen. Aan de voorzijde wordt de woning voorzien van een vooruitgeschoven entree, die de oriëntatie van de woning op de straatzijde accentueert. Aan de achterzijde vindt een uitbouw (brede erker) plaats met één bouwlaag. De bakstenen gevels worden voorzien van verticale raampartijen. Verder komt in de kap aan de achterzijde een dakkapel.
Daarnaast wordt een bijgebouw/garage van 96 m² aan de linkerzijde van het perceel gesitueerd, teruggesprongen achter de woning, waarmee een duidelijke losstaande en ondergeschikte functie wordt gecreëerd. Het gebouw komt in lijn met de garage van het buurperceel te staan. Verder wordt het achtererf ingericht als tuin en komt er een tuinhuisje (59 m²) tegen de achterste perceelsgrens, die in het verlengde van de woning en daarmee uit het zicht komt te staan.
Verkeer en parkeren
In de huidige situatie beschikken beide percelen/woningen over een oprit, waarbij voor de westelijke oprit het recht van overpad geregeld is met de woning aan de Twijver 69 (perceelnr. 4062). In de toekomstige situatie blijft dit recht van overpad behouden en zal de ontsluiting van het plangebied voor auto’s via dit pad verlopen. Daarnaast wordt de huidige oostelijke oprit in de toekomstige situatie gebruikt ten behoeve van een voetgangerspad naar de nieuwe woning. In de garage wordt ruimte gereserveerd voor drie parkeerplekken. In
paragraaf 4.1 zal nader worden ingegaan op de toekomstige verkeer- en parkeersituatie.
Planologische situatie
De locatie aan de Tuinstraat 2-4 heeft in het voormalige bestemmingsplan ‘Drechterland Zuid' de bestemming ‘Wonen - 1' gecombineerd met ‘Tuin - 1'. Hierbij is sprake van twee percelen en zijn er twee losse bouwvlakken toegewezen, die niet toereikend zijn voor de beoogde woning. Om de herinrichting van het terrein te realiseren en de nieuwe woning mogelijk te maken, worden de twee percelen en de twee losse bouwvlakken samengevoegd. Hiermee ontstaat er een oppervlakte van het samengevoegde perceel van ca. 1.900 m2, wat ruimte biedt voor het bouwen van één vrijstaande woning. Daarbij bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van de huidige twee bouwvlakken ca. 240 m² en volgt het nieuwe bouwvlak de contouren van de nieuwe woning, waarmee er min of meer sprake blijft van een gelijke oppervlakte aan hoofdgebouwen (ca. 229 m²). Tevens wordt de bestemming ‘Wonen - 1' gewijzigd in ‘Wonen', waarmee de goothoogte van 5 m kan worden toegestaan. Bovendien wordt met het realiseren van de massa van de nieuwe woning een aanzien gecreëerd die recht doet aan de centrale locatie in het dorp en aan de perceeloppervlakte. Ook zal de nieuwe goothoogte in verhouding staan tot de omvang van de vrijstaande woning. Verder wordt aan het voorste gedeelte van het vernieuwde perceel ‘Tuin’ toegekend.
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten:
- ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
- duurzaam economisch groeipotentieel;
- sterke en gezonde steden en regio's;
- toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
Planspecifiek
Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk, zoals het bijdragen aan sterke en gezonde steden en regio's met voldoende ruimte om te wonen, werken en bewegen, door het verwijderen van verouderde woningen en het toevoegen van één nieuwe, duurzame woning op het perceel. Ook wordt met het plan bijgedragen aan een goede overgang met de omgeving, doordat de brede massa van de vrijstaande woning in verhouding staat met het brede parkeerterrein aan de voorzijde.
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in lijn is met de bepalingen uit de Nationale Omgevingsvisie.
3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
In Artikel 5.129g wordt bepaald dat bij een plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met:
- de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
- als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
Planspecifiek
Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor wat gezien wordt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wel zijn in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Met de beoogde ontwikkeling wordt 1 woning gerealiseerd. Per saldo neemt het aantal woningen daardoor met 1 af. Daarom wordt het plan niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling.
Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling niet nader getoetst hoeft te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Holland 2050
De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 en de Agenda Groen. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving.
De hoofdambitie is opgedeeld in de volgende aspecten met bijbehorende ambities:
Leefomgeving
- Klimaatverandering: een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland. Stad, land en infrastructuur worden klimaatbestendig en waterrobuust ingericht.
- Gezondheid en veiligheid: het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
- Biodiversiteit en natuur: de biodiversiteit in Noord-Holland vergroten, ook omdat daarmee andere ambities/doelen kunnen worden bereikt.
Gebruik van de leefomgeving
- Economische transitie: een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor. De provincie biedt ruimte aan ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten.
- Wonen en werken: woon- en werklocaties dienen beter met elkaar in overeenstemming te zijn. Woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends.
- Mobiliteit: inwoners en bedrijven van Noord-Holland kunnen zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt verplaatsen.
- Landschap: het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie.
Energietransitie
- De ambitie van de Provincie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op hernieuwbare energie.
Daarnaast wordt er met de Omgevingsvisie NH2050 geprobeerd om een richting uit te zetten om houvast te bieden naar de onzekere toekomst. Daarvoor wordt een aantal bewegingen naar de toekomst toe benoemd:
- Noord-Holland in beweging: Op weg naar een economisch duurzame toekomst
- Dynamisch schiereiland: Benutten van een unieke ligging
- Metropool in ontwikkeling: Vergroten agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend internationaal concurrerend metropolitaan systeem
- Sterke kernen, sterke regio's: Sterke kernen houden regio's vitaal
- Nieuwe energie: Economische kansen benutten van energietransitie
- Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: vergroten van biodiversiteit en ontwikkelen van een economisch duurzame agrifoodsector
Er wordt in de Omgevingsvisie NH2050 uitgegaan van het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’. Hierbij wordt gelet op de diversiteit aan regio's en wordt ruimte geboden aan maatwerk en ruimte om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving.
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij het derde ontwikkelingsprincipe van de omgevingsvisie: ‘sterke kernen, sterke regio’s’. Deze beweging gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die daarmee het voorzieningenniveau in de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden en de kernen hun herkenbare identiteit behouden. Met de realisatie van de nieuwe vrijstaande woning wordt bijgedragen aan de identiteit van de kern, door een vrijstaande woning op te richten die in verhouding staat tot de omgeving. Daarbij worden verouderde woningen verwijderd en wordt nieuwe woning duurzaam gebouwd, waarmee positief wordt bijgedragen aan de energietransitie. Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de ambities uit de Omgevingsvisie NH2050.
3.2.2 Omgevingsverordening NH2022
De laatste versie van de Omgevingsverordening NH2022 is op 1 juli 2024 in werking getreden. De regels en wetten die terugkomen in de Omgevingsverordening NH2022 komen grotendeels overeen met de Omgevingsverordening NH2020, maar zijn omgezet conform de nieuwe eisen die de Omgevingswet stelt. In de Omgevingsverordening NH2022 zijn regels samengevoegd op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water. Hierdoor is het makkelijker om te zien welke regels waar gelden.
In de Omgevingsverordening NH2022 zijn gebieden benoemd waar uitgebreid omschreven staat welke activiteiten mogelijk zijn en onder welke voorwaarden. Enkele voorbeelden van deze zogeheten ‘werkingsgebieden’ zijn het Landelijk Gebied, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Provinciale Wegen. Deze gebieden en de bijbehorende regels zijn opgenomen in een digitale kaart (Regels op de kaart). Zo is in een oogopslag duidelijk welke regels waar gelden in Noord-Holland.
De omgevingsverordening heeft de volgende doelstellingen:
- het bereiken van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit te bereiken;
- het behoud en herstel van de biologische diversiteit;
- het in standhouden en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
Planspecifiek
Navolgend wordt het plan getoetst aan de relevante bepalingen van de omgevingsverordening.
Artikel 6.13 Nieuwe stedelijke ontwikkelingen
Een omgevingsplan kan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zoals vastgelegd in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio daarover gemaakte afspraken. In
subparagraaf 3.1.2 is de voorgenomen ontwikkeling aan de Ladder voor duurzame verstedelijking getoetst. Hieruit volgt dat het plan in lijn is met de Ladder.
Risico's op klimaatverandering
In artikel 6.75 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat bij een omgevingsplan rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering. In de beschrijving wordt in ieder geval betrokken op het risico op:
- wateroverlast;
- overstroming;
- hitte;
- watertekort;
- verzilting;
- verslechtering van de ecologische en chemische waterkwaliteit.
- Wateroverlast
Uit de Klimaatatlas van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) blijkt dat er ter plaatse van het plangebied bij extreme neerslag nagenoeg geen wateroverlast kan ontstaan en dat panden niet kwetsbaar zijn. Met het planvoornemen vindt een herontwikkeling plaats waarbij de oppervlakte aan verharding niet toeneemt en waarbij regenwater zo lang mogelijk wordt vastgehouden in het plangebied (zie ook
paragraaf 4.10).
- Overstroming
Uit raadpleging van de overstromingskaart van de Klimaatatlas van HHNK blijkt dat er ter plaatse van het plangebied geen significante overstromingsdiepte verwacht bij overstromingen door nationale waterkeringen. Specifieke maatregelen met betrekking tot overstroming worden daarom niet noodzakelijk geacht. In de
paragraaf 4.10 (Water) wordt hier nader op ingegaan.
- Hitte
Ter plaatse van het plangebied is het op dit moment gemiddeld warmer dan in de omgeving. De verharding neemt met het planvoornemen niet toe. Daarnaast is er in en rondom het plangebied voldoende groen en schaduw aanwezig dat kan dienen als verkoeling.
- Watertekort
Op basis van de klimaatatlas blijkt dat er in de huidige situatie in het plangebied geen sprake is van droogte door watertekort. Met de beoogde ontwikkeling neemt de verharding in het plangebied toe. De verwachting is dat dat niet leidt tot droogte. Water wordt zolang mogelijk vastgehouden binnen het plangebied. Tevens zijn er meerdere watergangen rondom het plangebied aanwezig, waarvan er twee met de beoogde ontwikkeling worden verbreed.
- Verzilting
Gelet op de ligging van het plangebied is het niet te verwachten dat er sprake is van verzilting in het plangebied.
- Verslechtering van de ecologische en chemische waterkwaliteit
Binnen het plan worden geen werkzaamheden uitgevoerd die de waterkwaliteit zouden kunnen schaden. Er is geen risico op verslechtering van de waterkwaliteit.
Conclusie
Geacht wordt dat het voorliggende initiatief in lijn is met de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland.
3.3.1 Regionale Woonvisie West-Friesland 2017-2027
De Regionale woonvisie West-Friesland voor de periode 2017-2027 geeft invulling aan de ambitie van de regio West-Friesland om tot de top 10 woonregio's van Nederland te behoren. Samen met het Regionaal Actieprogramma (RAP) wordt uitvoering gegeven aan realistische doelen die in de regio opgepakt worden om de woningmarkt (meer) toekomstbestendig te maken en te behouden.
De regionale woonvisie voor West-Friesland brengt de actuele situatie van de woningmarkt in beeld en geeft het beleid voor de korte termijn (tot 2020) en de middellange termijn (tot 2030) op hoofdlijnen aan. De woonvisie benoemt welke richting de West-Friese gemeenten met de woningmarkt op willen en waar rekening mee gehouden moet worden.
Het doel van de woonvisie is om de West-Friese bevolking naar wens en tevredenheid te laten wonen en zoveel mogelijk een breed scala aan woonwensen en de woningbehoefte van de inwoners binnen de regio te realiseren. Samen met (andere) belanghebbenden op de woningmarkt zijn de speerpunten voor de woonvisie bepaald. Deze speerpunten zijn de ‘ankers’ waar de woonvisie en het RAP aan hangen. De West-Friese woonvisie zet in op de volgende vijf speerpunten:
- Bestaande voorraad: kwaliteit en aantrekkelijkheid op peil houden en uitbouwen.
- Vitale kernen: leefbaar West-Friesland tot in de kern.
- Nieuwbouw: vooral inzetten op onderscheidende en complementaire producten.
- Scheiden van wonen en zorg: langer zelfstandig wonen bevorderen.
- Flexibel kader: houvast voor de regio en ruimte voor marktinitiatieven.
Planspecifiek
Eén van de speerpunten uit de woonvisie is het bevorderen van vitale kernen. Onderhavig plan richt zich op het slopen van twee verouderde woningen en het nieuw bouwen van een moderne, duurzame woning. Dit draagt positief bij aan de ruimtelijke kwaliteit en vitaliteit van de dorpskern. Hiermee is sprake van een ontwikkeling die in lijn is met de Regionale Woonvisie en het Regionaal Actieprogramma.
3.3.2 Woonakkoord 2020-2025
Het Woonakkoord 2020-2025 is gesloten tussen de provincie Noord-Holland en de gemeenten Hoorn, Medemblik, Koggenland, Enkhuizen, Drechterland en Stede Broec, ook wel de bestuurlijke regio West-Friesland. In het eerste deel van het Woonakkoord zijn de opgaven voor wonen en bouwen geformuleerd. De opgaven zijn in samenhang met andere opgaven bekeken, zoals mobiliteit en klimaat. Op basis van een gedeeld beeld van de opgaven worden in deel 2 de samenwerkingsafspraken en acties benoemd, hier worden marktpartijen bij betrokken.
De regio West-Friesland heeft een gevarieerd aanbod aan stedelijke en landelijke woonmilieus. De regio beschikt over knooppunten van openbaar vervoer die liggen in de omgeving van historische binnensteden en de nodige voorzieningen. Hoorn vervult een belangrijke centrumfunctie voor de regio. Daarnaast beschikt de regio over unieke landschappen en een sterke economische structuur. Daardoor is de regio een aantrekkelijk woongebied.
Uitgangspunt bij het invullen van de woningbouwopgave is binnenstedelijk en rond OV-locaties bouwen. Voor een gevarieerd woonmilieu en het aanbieden van een complementair woningbouwprogramma maken buitenstedelijke plannen, conform de woonagenda van de provincie, ook onderdeel uit van dit woonakkoord. Ook in aanmerking genomen dat de provincie in haar woonagenda heeft opgenomen dat ze de woningbouw wil versnellen en aanjagen. Conform de Omgevingsvisie NH 2050 wordt de woningbouw vooral in of aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland. Ook de voorzieningen en leefbaarheid in kleine(re) kernen verdienen aandacht, evenals de bescherming en ontwikkeling van het landschap. De nieuwbouw moet toekomstbestendig worden gebouwd. Een specifieke opgave op het snijvlak van wonen en economie is de huisvesting van arbeidsmigranten.
De regio heeft tot doel om de inwoners van West-Friesland naar wens en tevredenheid te laten wonen en een breed scala aan woonwensen binnen de regio te realiseren. De regio zet hiertoe in op:
- versnelling van de woningbouwopgave met een betaalbaar, aantrekkelijk en duurzaam woningaanbod voor iedere doelgroep;
- het op peil houden en uitbouwen van de kwaliteit en aantrekkelijkheid van de bestaande voorraad;
- leefbaar en bereikbaar West-Friesland tot in de kern;
- onderscheidende en complementaire nieuwbouw producten;
- langer zelfstandig wonen bevorderen;
- werken met een flexibel kader dat de regio houvast biedt en ruimte laat voor marktinitiatieven.
Planspecifiek
Het uitgangspunt van het invullen van woningbouwlocaties is binnenstedelijk en rond OV-locaties. Het plangebied is binnenstedelijk gelegen. Daarnaast wordt met het akkoord een aardgasvrije gebouwde omgeving beoogd. Met het verwijderen van twee verouderde woningen en het daarvoor in de plaats nieuw bouwen van een duurzame woning, wordt bijgedragen aan het voldoen aan het Klimaatakkoord. Daarmee is onderhavig plan regionaal uitvoerbaar.
3.4.1 Structuurvisie landschap gemeente Drechterland
De Structuurvisie landschap gemeente Drechterland (vastgesteld op 23 mei 2011) biedt op hoofdlijnen de beleidskaders ten aanzien van het landschap in de gemeente Drechterland. De visie kan dienen als kapstok voor uitwerkingen en bestemmingsplannen en als basis voor de afweging van initiatieven uit de markt.
De mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen zijn in hoofdlijnen beschreven in de op 28 november 2008 vastgestelde toekomstvisie Drechterlandschap. De toekomstvisie dient als uitgangspunt voor de Structuurvisie landschap. De toekomstvisie is echter nog globaal en vormt onvoldoende basis voor de uitwerking in bestemmingsplannen en voor de welstandnota. De Structuurvisie landschap voorziet hier wel in. De structuurvisie geeft kaders voor ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente Drechterland, zoals te zien op de navolgende afbeelding.
Structuurvisie Landschap, plangebied globaal wit omcirkeld (bron: Gemeente Drechterland).
Planspecifiek
Het plangebied is gelegen in de dorpskern van Venhuizen en daarmee valt het niet in een gebied dat specifiek is aangemerkt met een ambitieniveau volgens de structuurvisie. Onderhavig plan doet daarmee geen afbreuk aan het landschap binnen de gemeente Drechterland.
3.4.2 Centrumplan Venhuizen
Het Centrumplan (vastgesteld in juni 2017) is een integrale visie op het centrumgebied van Venhuizen voor de komende vijftien jaar. Met deze visie wil de gemeente belangrijke voorzieningen die in het dorp reeds aanwezig zijn (zoals een school, dorpshuis en supermarkt) een duurzaam toekomstperspectief bieden rond een nieuw dorpsplein, waardoor er een kloppend dorpshart ontstaat. Een veilig, leefbaar en aantrekkelijk centrumhart om in te verblijven en te ontmoeten. Het centrumplan maakt de herstructurering en transformatie van het centrumgebied mogelijk, zoals te zien op de navolgende afbeelding, en draagt daarmee positief bij aan de vitaliteit van het dorp.
Centrumplan Venhuizen, plangebied rood omkaderd (bron: Gemeente Drechterland).
PlanspecifiekDe planlocatie van onderhavig plan is in het Centrumplan aangewezen als ‘bouwveld, ruimte voor ontwikkeling’. Binnen gebieden met deze aanduiding is het mogelijk om eventueel aanwezige verouderde gebouwen te verwijderen, met uitzondering van aanwezige karakteristieke bebouwing, en te zorgen voor herontwikkeling. De huidige woningen op de planlocatie zijn verouderd en het renoveren ervan zou aanzienlijke investeringen vereisen. Er wordt daarom gekozen voor het realiseren van een nieuwe duurzame woning. Deze ontwikkeling draagt daarmee bij aan een ruimtelijke kwaliteitsverbetering van het centrum. Daarmee geeft onderhavig plan uitvoering aan het Centrumplan.
3.4.3 Visie op haar Drechterland en haar kernen
In het visiedocument (vastgesteld op 31 mei 2021) wordt Drechterland anno 2021 beschreven. Op grond van deze uitgangspunten en de (toekomstige) trends en ontwikkelingen, kan de centrale visie op Drechterland richting 2030 als volgt worden omschreven: “Drechterland, een vitale, aantrekkelijke en duurzame gemeente om in te leven, te wonen en te werken”. Deze visie op Drechterland gaat uit van drie kernbegrippen; samen leven, wonen en werken. Vanuit deze kernbegrippen heeft Drechterland richting 2030 de volgende ambities:
- Behoud van de vitaliteit en kwaliteit van leven in de Drechterlandse kernen staat centraal;
- Drechterland kiest ervoor om zich vanuit de bestaande kernkwaliteiten, te ontwikkelen tot aantrekkelijke en complete gemeente om in te wonen;
- Een op participatie gericht sociaal beleid, een ondersteunend economisch structuurbeleid en een op kwaliteit en duurzaamheid geënt ruimtelijk beleid, is kenmerkend voor Drechterland;
- De bestuursstijl van Drechterland is faciliterend en activerend waar mogelijk, en initiërend en leidend waar nodig.
De ambities zijn vervolgens in thema’s uitgewerkt. Relevant voor dit plan zijn met name de thema’s Wonen en Huisvesting, en Duurzaamheid.
Wonen en Huisvesting
In 2030 heeft Drechterland een divers, compleet, toekomstgericht en kwalitatief woonaanbod. Het aanbod in Drechterland is bereikbaar en bestaat uit een diversiteit aan woonmilieus, nabij voorzieningen, met aandacht voor starters en senioren. De woonmilieus zijn onderscheidend, groen, duurzaam en kwalitatief hoogwaardig vormgegeven. In Drechterland wordt gebouwd op basis van behoefte en draagt woningbouw bij aan de vitaliteit van de kernen. Onze bijdrage aan de regionale woningbouwopgave wordt in de (groei)kernen Hoogkarspel en Venhuizen gerealiseerd. Inbreiding gaat voor uitbreiding aan de randen van de kernen en voor de overige kernen is 1% groei per kern richtinggevend voor nieuwbouw. Duurzaam bouwen en verbetering van het woonklimaat zijn uitgangspunten. Een aantrekkelijk woningaanbod voor jongeren, geschikte woningen voor senioren en een bijdrage aan de regionale woningbouwopgave staan centraal. Een onderscheidende bouw en behoud van groen moet daarnaast bijdrage aan de leefbaarheid van de kernen. De strategie bij het realiseren van een kwalitatief hoogwaardig, compleet en divers woonmilieu is als volgt:
- Woningbouwplannen die gereed zijn voor uitvoering, worden gerealiseerd;
- Woningbouwplannen die in voorbereiding zijn, worden geoptimaliseerd;
- Nieuwe woningbouwplannen worden vormgegeven op basis van de kwalitatieve uitgangspunten;
- De bestaande woningvoorraad wordt, ter bevordering van de leefbaarheid in de kernen, waar mogelijk, opgewaardeerd.
Duurzaamheid
In 2030 blijft het onderwerp duurzaamheid een prominente rol op de gemeenschappelijke agenda innemen. In Drechterland stimuleren we de verduurzaming van woningen, bedrijven en de agrarische sector en vervullen wij een voorbeeldrol richting onze inwoners en ondernemers. We zetten in op circulariteit en stimuleren de verduurzaming van mobiliteit. Biodiversiteit verbeteren we op een doordachte manier. Inwoners, maatschappelijke organisaties en ondernemers stimuleren en faciliteren we om een zo groot mogelijke gedragsverandering te creëren.
Planspecifiek
Onderhavig plan speelt in op beide thema’s. Met de nieuwe vrijstaande woning wordt bijgedragen aan een aantrekkelijke dorpskern van Venhuizen, met grotere bouwvolumes rondom de kerk. Daarnaast vindt met het verwijderen van de verouderde woningen en daarvoor in de plaats bouwen van een duurzame, gasloze woning een verbetering plaats op het gebied van duurzaamheid. Daarmee geeft het plan uitvoering aan de ambities van Visie op Drechterland.
3.4.4 Woonprogramma 2021-2025 Drechterland
In dit woonprogramma staat het woonbeleid beschreven voor de komende vijf jaar, 2021- 2025. Doelstelling van het woonbeleid is het behouden van vitale dorpen, waar mensen prettig kunnen leven, wonen en werken. Daarvoor zijn woningen een belangrijke voorwaarde. Dit woonprogramma start met een analyse van de gemeente om vervolgens de belangrijkste thema’s te beschrijven. Per dorp staat het woonbeleid voor de komende vijf jaar kort samengevat. Dit woonprogramma is opgebouwd aan de hand van zes thema’s die door de raad voorafgaand zijn vastgesteld. Per thema staan de belangrijkste doelstellingen benoemd.
De 6 thema’s zijn:
- Kwalitatieve woningbouwopgave (type woning): Drechterland heeft behoefte aan meer variatie in het type woningen.
- Wonen en zorg: Meer differentiatie in het woningaanbod voor senioren is belangrijk.
- Evenwichtige wijken en dorpen: Bij evenwichtige wijken staat de leefbaarheid centraal, is er ruimte voor sociale ontmoeting en onderlinge betrokkenheid.
- Voldoende aanbod aan sociale huurwoningen: Om het aantal sociale huurwoningen te ver-groten geldt voor nieuwbouwprojecten vanaf 25 woningen een minimum van 25% aan so-ciale huurwoningen. In projecten van minder dan 25 woningen is het soms lastiger en niet rendabel om dit percentage te realiseren, maar is het wel het streven.
- Kwantitatieve woningbouwopgave (aantal): In totaal streven we naar 700 extra woningen tot 2025 (ten opzichte van peiljaar 2019).
- Duurzaamheid: De ambitie van de West-Friese gemeenten is om in 2040 energieneutraal te zijn.
Specifiek voor Venhuizen en Hem zijn de volgende doelstellingen per thema geformuleerd:
- Kwalitatieve woningbouwopgave - Gedifferentieerd aanbod van woningen met extra nadruk op senioren vanwege de aanwezigheid van voorzieningen. Extra mogelijkheden onderzoeken voor jongerenhuisvesting.
- Wonen en zorg - Nabij centrum accent op seniorenwoningen.
- Evenwichtige wijken en dorpen - Aandacht voor differentiatie en leefbaarheid in bestaande wijken.
- Voldoende sociale huurwoningen - Minimaal 25% sociale huur bij nieuwbouwontwikkelingen van meer dan 25 woningen.
- Kwantitatieve woningbouwopgave - Groeikern, keuze maken uit verschillende mogelijkheden aan nieuwbouwlocaties. Tot 2025: circa 350 extra woningen.
- Duurzaamheid - Stimulering en bewustwording van duurzaamheid bij bestaande- en nieuwbouwwoningen (CO2 neutraal bouwen) in combinatie met mobiliteit (trein, elektrisch rijden, deelauto’s).
Planspecifiek
Het plan past op meerdere manieren in het Woonprogramma. Met de nieuwe woning wordt invulling gegeven aan evenwichtige wijken en dorpen, het centrum van Venhuizen kent immers een gemengd gebied met onder meer woningen, kleine bedrijvigheid en sociale voorzieningen. Voorts wordt aangesloten bij de duurzaamheidsdoelstelling, door verouderde woningen te vervangen door een nieuwe duurzame woning.
4.1.1 Verkeer
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering’ kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
Planspecifiek
Met de beoogde ontwikkeling worden twee woningen vervangen door één nieuwe (grotere) woning. Derhalve is er sprake van een afname in de verkeersgeneratie als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
In de huidige situatie beschikken beide percelen/woningen over een oprit, waarbij voor de westelijke oprit het recht van overpad geregeld is met de woning aan de Twijver 69 (perceelnr. 4062). In de toekomstige situatie blijft dit recht van overpad behouden en zal de ontsluiting van het plangebied voor auto’s via dit pad verlopen. De ontsluiting met de Tuinstraat zal plaatsvinden via het parkeerterrein, ten zuiden van de woning. Daarnaast wordt de huidige oostelijke oprit in de toekomstige situatie gebruikt ten behoeve van een voetgangerspad naar de nieuwe woning. Zie voor de tekeningen van de ontsluiting
paragraaf 2.2 (Toekomstige situatie).
Geconcludeerd wordt dat het aspect verkeer geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.1.2 Parkeren
Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 ‘Parkeerkencijfer - basis voor parkeernormering’ richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
Planspecifiek
Met onderhavige ontwikkeling wordt één nieuwe vrijstaande woning mogelijk gemaakt ter plaatse van twee bestaande verouderde woningen. Wat betreft parkeren moet worden voldaan aan de parkeernormen uit de CROW-publicatie 744. Hierbij wordt voor de nieuwe vrijstaande koopwoning voor de stedelijkheidsgraad uitgegaan van ‘weinig stedelijk’ en bevindt de woning zich in ‘rest bebouwde kom’. Voor het type woning wordt conform de CROW-publicatie aangesloten bij ‘koop, huis, vrijstaand’. Hierbij geldt voor het aantal parkeerplaatsen een norm van (gemiddeld) 2,0 per woning. In het nieuwe bijgebouw (parkeergarage) wordt ruimte ingericht voor 3 parkeerplaatsen. Tevens is er op het voorste gedeelte van het terrein, aan de voorzijde van de parkeergarage, voldoende plaats voor bezoekersparkeren. Hierdoor wordt voorzien van voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.
Er kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een passende parkeersituatie.
4.2 Duurzaamheid en gezondheid
De aspecten duurzaamheid en de gezondheid van mensen zijn steeds belangrijkere thema’s geworden. Om die reden zijn duurzaamheid en gezondheid in de Omgevingswet verankerd. In artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan, zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden.
De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden.
Planspecifiek
De beoogde woning wordt gasloos en volgens de BENG methode gebouwd. Indien de woning wordt voorzien van een buiten opgestelde installaties voor warmte- of koude opwekking, dient voor de locatiebepaling van de installaties rekening te worden gehouden met de geluidseisen van het Bbl.
Aan de hand van de overige aspecten van de fysieke leefomgeving wordt duidelijk dat het aspect gezondheid op voorhand geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.3 Geluid
De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (Artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
- woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
- onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
- gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
- gebouw voor kinderopvang met bedden;
- bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige gebouwen gebeurt aan de hand van vastgestelde geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.
Planspecifiek
Woningen zijn geluidsgevoelige objecten zoals bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij de realisatie van nieuwe geluidgevoelige gebouwen dient erop toe te worden gezien dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarden, zoals bedoeld in artikel 5.78t lid 1 Bkl.
Het plangebied is gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de Tuinstraat. Het plangebied is verder niet gelegen binnen een geluidaandachtsgebied voor railverkeer of een geluidgezoneerd industrieterrein of luchthaven. Derhalve is voor de beoogde ontwikkeling een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (Buro SRO, d.d. 27 juni 2025, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 1). Uit dit onderzoek blijkt dat de standaardwaarde niet wordt overschreden op de gevels van de woning. Aanvullende geluidwerende maatregelen zijn niet vereist.
Er kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan met zich meebrengt.
4.4 Activiteiten en milieuzonering
De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2024 de uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ gepubliceerd. De nieuwe handreiking ondersteunt de uitvoeringspraktijk bij keuzes over de toelaatbaarheid en inpassing van 'milieuhinderlijke activiteiten' onder de Omgevingswet. Het begrip ‘milieuhinderlijke activiteiten’ wordt gehanteerd om alle (bedrijfs)activiteiten met een hindercontour vanwege geur- en/of geluidproductie in één passende term te vangen. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Onder een milieugevoelige activiteit wordt een activiteit verstaan waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Een gemeente kan in haar omgevingsplan voorzien in een set regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen, in het bijzonder voor geluid en geur. Uitgangspunt blijft functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Daarbij geldt: hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteit beschikbaar is. De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. De zones zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten.
Zones, waarden en afstanden
Voor een milieuhinderlijke activiteit op een bedrijventerrein of ander werkterrein geldt voor geluid de basiswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde tot de grens van het woongebied of op 50 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht. De gemeente heeft de mogelijkheid in het omgevingsplan een zone ‘geluid verruimd’ toe te passen om op bedrijventerreinen, niet zijnde industrieterreinen, ook de zwaardere milieuhinderlijke activiteiten te voorzien van voldoende standaard geluidruimte (50 dB(A) tot maximaal 100 m van eigen terreingrens). Ook kan de zone ‘geluid beperkt’ toegepast worden. In dat geval mag er maximaal 45 dB(A) op de grens van het rustig woongebied geproduceerd worden.
Voor geur geldt de basiswaarde 0,5 ouE/m³ als 98-p en 2 ouE/m³ als 99,9-p traploos over eerste 50 meter tot grens woongebied of vanaf de eigen terreingrens. Ook voor geur kan de gemeente een zone ‘verruimd’ of ‘beperkt’ aan een bedrijventerrein of werkterrein toekennen.
Andere milieuthema’s dan geur en geluid
Een groot aantal milieuthema’s is al op een andere wijze afdoende gereguleerd, waardoor de VNG-handreiking niet op deze milieuthema’s is gericht. Het betreft:
- Luchtverontreiniging.
- Externe veiligheid en gevaar.
- Trillinghinder.
- Geur door agrarische activiteiten in het buitengebied.
- Lichthinder.
- Spuitzones.
- De hinder door verkeer aantrekkende werking.
PlanspecifiekMet onderhavig plan wordt één nieuwe woning mogelijk gemaakt. Woningen worden in het kader van activiteiten en milieuzonering gezien als een gevoelige functie. Hierdoor moet enerzijds worden bepaald of de beoogde ontwikkeling omliggende bedrijven niet belemmert in hun bedrijfsvoering en anderzijds of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij de beoogde woning. Ten behoeve van een goede inpasbaarheid van activiteiten wordt gebruikgemaakt van een transponeringstabel van de VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering uit 2024, waarbij ten opzichte van de oude VNG-tabel uit 2009 de kolommen gevaar en stof zijn verwijderd en bij de kolommen geluid en geur de richtafstanden zijn omgezet van richtafstanden naar mate van functiemenging. De tabel vormt samen met een indicatieve lijst voor activiteiten met een inschatting voor geluid en geur een hulpmiddel om een inschatting te maken of een bepaalde activiteit past binnen de beschikbare milieugebruiksruimte voor geluid en geur in het omgevingsplan.
Voor onderhavige ontwikkeling wordt, gelet op de ligging van de planlocatie in de kern van Venhuizen met onder meer woningen, maatschappelijke voorzieningen en (kleinschalige) bedrijfsactiviteiten, uitgegaan van gemengd gebied met wonen. Hierdoor geldt er voor de planlocatie een lager beschermingsniveau.
Direct ten noorden van de planlocatie bevindt zich een verzorgingstehuis (Sint Lucasstraat 9). De beoogde woning ligt op een ruime afstand van 25 m tot aan het verzorgingstehuis, terwijl het tuinhuis en ommuring van het perceel als buffer gelden. Bovendien zijn verzorgingshuizen in potentie geschikt voor functiemenging (kunnen zich direct naast woningen bevinden). Daarnaast bevindt zich op 40 m ten noordwesten van het plangebied een drogisterij (Twijver 60). Drogisterijen zijn geschikt voor functiemenging. Voorts bevindt zich op 40 m ten zuidwesten van het plangebied een café (Westeinde 1). Ook cafés zijn geschikt is voor functiemenging. Verder bevindt zich op 55 m ten westen van het plangebied een huisartsenpraktijk (Twijver 66A), die eveneens geschikt is voor functiemenging. En op 75 m ten westen bevindt zich een kerk (Westeinde 2). De beoogde woning ligt op voldoende afstand van deze kerk.
Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling omliggende (bedrijfs)activiteiten niet belemmert en dat ter plaatse van de woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Ook komt de nieuwe woning niet dichter op omliggende activiteiten te staan dan in de huidige situatie.
Geconcludeerd wordt dat het aspect activiteiten en milieuzonering geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.5 Luchtkwaliteit
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden.
Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
- Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.
- Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.
Planspecifiek
De planlocatie ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van één vrijstaande woningen. Door de aard en omvang is de beoogde ontwikkeling aan te merken als een project dat 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Doordat dit gezien wordt als een NIBM-project is toetsing van het aspect luchtkwaliteit op grond van artikel 5.54 van het Bkl niet noodzakelijk.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies is met behulp van de Atlas leefomgeving gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2023 fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 13,6 μg/m³, 6,6 μg/m³ en 8,5 μg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 μg/m³ voor fijnstof PM2,5.
Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.6 Cultuurhistorie en archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (3.7 Bal).
Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.
Planspecifiek
Archeologie
Conform het bestemmingsplan 'Drechterland Zuid' zijn de noordelijk gelegen gronden in het plangebied voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Voor deze gronden geldt dat een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd dient te worden bij bodemingrepen dieper dan 0,4 m beneden maaiveld en met een oppervlakte groter dan 500 m². Voorliggende ontwikkeling blijft onder deze drempelwaarden. De gezamenlijke oppervlakte van de beoogde woning en de bijgebouwen bedraagt immers 484 m². Bovendien zijn de gronden ter plaatse van de bestaande woningen reeds verstoord.
Tevens zijn de zuidelijk gelegen gronden voorzien van de dubbel dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’. Voor deze gronden liggen de grenswaarden op respectievelijk 0,4 m en 100 m². Er vinden op deze gronden geen (siginificante) bodemingrepen plaats. Een archeologisch onderzoek kan derhalve achterwege blijven.
Gelet op het voorgaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Cultuurhistorie
Er zijn geen rijksmonumenten en/of gemeentelijke monumenten in of nabij het plangebied aanwezig. Het meest dichtstbijzijnde Rijksmonument bevindt zich op ca. 65 m afstand in zuidoostelijke richting en betreft het voormalige raadhuis aan het Westeinde 3. Onderhavige planontwikkeling doet, mede vanwege de eenvoudige gevelopbouw, geen afbreuk aan dit monument. Nader onderzoek naar cultuurhistorie wordt derhalve niet nodig geacht.
Het aspect cultuurhistorie vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.7 Bodem
Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:
- Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;
- Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling ziet niet toe op een planologische functiewijziging naar een gevoeliger bodemgebruik. In het bestemmingsplan heeft het plangebied immers reeds de bestemming ‘Wonen’. In het kader van voorliggend TAM-omgevingsplan is dan ook geen bodemonderzoek vereist. Desalniettemin is op basis van artikel 5.89g en 5.89h van het Bkl, geen vrijstelling aan de orde is voor het uitvoeren van een bodemonderzoek. Er zal dan ook bij de melding Wet kwaliteitsborging een bodemonderzoek uitgevoerd te worden volgens de NEN 5740. Indien op de locatie vermoedens zijn dat asbest in de bodem aanwezig is dient het onderzoek tevens te voldoen aan de NEN 5707.
Om te beoordelen of een belemmering voor de beoogde ontwikkeling is te verwachten is de bodemhistorie in de omgeving beschouwd. Op naastliggende percelen is in 2002 (Twijver 69) en 2006 (Sint Lucasstraat) verkennend bodemonderzoek verricht. Daarbij zijn maximaal lichte verontreinigingen aangetroffen. Op basis van de Bodemkwaliteitskaart van de Regio West Friesland (2016) is de locatie ingedeeld in deelgebied B2/O2, “Wonen voor 1980”. De kwaliteit van de boven- en ondergrond op onverdachte locaties is hier gemiddeld gelijk aan klasse Wonen. In het historisch bodembestand is vermeld dat op Tuinstraat 2 een ondergrondse tank is verwijderd, met Kiwa certificaat. Uit bestudering van (historisch) kaartmateriaal op topotijdreis blijkt dat ten westen en zuiden van nr. 2 tot begin jaren 70 sloten aanwezig waren. Voormalige sloten kunnen gedempt zijn met bodemvreemd materiaal.
Hoewel bodemverontreinigingen niet uit te sluiten zijn vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend TAM-omgevingsplan. Wel zal op een later moment, in het kader van de kwaliteitsborging, een bodemonderzoek worden uitgevoerd.
4.8 Omgevingsveiligheid
Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan. Of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Waar onder het oude recht de regels over externe veiligheid verspreid waren, waaronder in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), zijn de belangrijkste regels over externe veiligheid onder de Omgevingswet opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Kwetsbare gebouwen en locaties
Om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen tegen externe veiligheidsrisico’s, gaat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in op drie categorieën waar afstanden voor kunnen gelden: ‘beperkt kwetsbare gebouwen en locaties’, ‘kwetsbare gebouwen en locaties’ en ‘zeer kwetsbare gebouwen’. Beperkt kwetsbaar zijn bijvoorbeeld verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen, bij kwetsbaar gaat het hierbij om meer dan 50 personen. Onder kwetsbare gebouwen vallen gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing), kantoren en sportgebouwen. De categorie zeer kwetsbaar is nieuw en hieronder vallen gebouwen die groepen mensen bevatten die niet of slecht zelfredzaam zijn. Deze vielen voorheen onder de categorie kwetsbaar en bevatten onder meer onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven.
Aandachtsgebieden
De Omgevingswet vult het groepsrisico anders in dan in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) het geval was. Bij risicovolle activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dat gemeenten aandachtsgebieden aanwijzen. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied.
De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Deze maatregelen dienen te geschieden met voorschriftengebieden. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Plaatsgebonden risico
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er geen inhoudelijke wijzigingen voor het plaatsgebonden risico. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR(plaatsgebonden risico)-10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, zoals verspreid liggende woningen en kleine sportlocaties, geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde. Hiermee moet in het omgevingsplan ‘rekening gehouden worden’. Dit houdt in dat aan de norm van ten hoogste één op de miljoen per jaar moet worden voldaan, tenzij er redenen zijn om af te wijken. Het Bkl geeft in de bijlagen ook aan wat de PR-contouren en aandachtsgebieden zijn.
Seveso-inrichtingen
De milieubelastende activiteit Seveso-inrichting wordt in paragraaf 3.3.1 van het Bal aangewezen. Deze activiteit kan schadelijk zijn voor het milieu. Er zijn vooral nadelige gevolgen voor de omgevingsveiligheid vanwege de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Bij een Seveso-inrichting gaat het om een bedrijf waar een gevaarlijke stof aanwezig is of mag zijn, of kan ontstaan bij verlies van controle over de processen. In bijlage VII van het Bkl staan de afstanden voor het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Onderdeel E6 gaat in op Seveso-inrichtingen. Daar staat dat beide afstanden moeten berekend worden.
Vervoer gevaarlijke stoffen
Er geldt verschillende nationale en internationale wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit zorgt ervoor dat de kans op een ongeval en het vrijkomen van deze stoffen zo klein mogelijk is. Er bestaat wet- en regelgeving voor vervoer van gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water, oftewel het Basisnet. Regels over vervoer van gevaarlijke stoffen blijven buiten de Omgevingswet bestaan onder de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Alle artikelen over de ruimtelijke ordening gaan over naar de Omgevingsregeling.
In bijlage VII onder C bij het Bkl zijn de afstanden voor de aandachtsgebieden voor het Basisnet:
- 30 meter voor een brandaandachtsgebied
- 200 meter voor een explosieaandachtsgebied
De Omgevingsregeling (artikel 2.23 Invoeringsregeling Omgevingswet) wijst wegen en spoorwegen aan die een aandachtsgebied hebben. Welke wegen en spoorwegen dit zijn, staat in de Regeling basisnet, tabellen I en II. Voor deze wegen en spoorwegen gelden dan de eerdergenoemde aandachtsgebieden.
Planspecifiek
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle activiteiten, buisleidingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen en/of hoogspanningslijnen aanwezig zijn is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd.
De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (bron: Atlas leefomgeving)
Uit de risicokaart blijkt dat op ca. 3,3 km afstand ten noorden van het plangebied de meest nabijgelegen buisleiding is gelegen, die met deze afstand geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
Transport gevaarlijke stoffen
De meest dichtstbijzijnde transportroute waarover gevaarlijke stoffen plaatsvindt ligt op ca. 11 km afstand in westelijke richting. Dit betreft de rijksweg A7, welke is opgenomen in het Basisnet Wegvervoer. Gelet op de ruime afstand ligt de planlocatie niet binnen de aandachtsgebieden van deze weg.
Activiteiten
Op ca. 200 m afstand in noordwestelijke richting is de meest nabijgelegen risicovolle activiteit gelegen, te weten het tankstation ‘OK Venhuizen’ (Twijver 24). Ter plaatse wordt LPG opgeslagen. De beoogde ontwikkeling ligt niet binnen de aandachtsgebieden (PR10-6, brand en explosie) van deze activiteit. Hierdoor vormt deze activiteit geen belemmering.
Conclusie
Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.9 Natuur
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet.
De uitgangspunten, begrippen en systematiek van de Wet natuurbescherming zijn de afgelopen jaren al zoveel mogelijk afgestemd op de vergunning- en ontheffingverlening onder de Omgevingswet. De regels uit de Wet natuurbescherming zijn beleidsneutraal overgeheveld naar de Omgevingswet. Dat betekent dat het normenkader en de instrumenten ongewijzigd blijven. Hetzelfde geldt voor het beschermingsniveau voor habitatsoorten, vogelsoorten en andere (beschermde) soorten. Anders gezegd: de bescherming blijft op peil. Bovendien blijft ook de algemene zorgplicht bestaan.
Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder geeft de Omgevingswet ook regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen.
Gebiedsbescherming
Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld. Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen.
In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:
- aanwezige dier- en plantensoorten;
- typen natuurlijke habitats;
- leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.
Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN.
Soortenbescherming
Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten in het wild, kan een omgevingsvergunning nodig zijn.
De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:
- strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
- andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Houtopstanden
Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.
Planspecifiek
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is voor het plangebied een Quickscan natuur uitgevoerd (Vonk Ecologie, d.d. 2 oktober 2025, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 2). De resultaten van dit onderzoek worden hieronder samengevat.
Soortenbescherming
Tijdens het locatiebezoek zijn geen beschermde plantensoorten of beschermde diersoorten met vaste rust- of verblijfplaatsen aangetroffen. Ook zijn er geen (mogelijke) verblijfplaatsen voor vleermuizen vastgesteld, noch broedgevallen van vogels die vallen onder de jaarrond beschermde soorten. Het SMP-onderzoek sluit bovendien de aanwezigheid van broedende huismussen uit. Voor vogels die mogelijk in de aanwezige begroeiing broeden, wordt geadviseerd om de werkzaamheden buiten het broedseizoen (maart t/m juli) uit te voeren of voorafgaand een inspectie uit te voeren.
Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd natuurgebied. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Eilandspolder’ ligt op ca. 22,3 km afstand ten zuidwesten van het plangebied. Op de woningbouwkaart van de ODNHN ligt de locatie dan ook in de groene zone (geen toename stikstofdepositie bij de bouw van maximaal 11 woningen). Ondanks de grote afstand en de ligging in de groene zone is een stikstofonderzoek uitgevoerd (Vonk Ecologie, d.d. 2 oktober 2025, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 2). Hieruit blijkt dat het plan geen significant effect heeft op stikstofgevoelige habitattypen van dit Natura 2000-gebied.
Houtopstanden
Er is geen sprake van effecten op houtopstanden onder bescherming van de Omgevingswet.
Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen effect heeft op de onderzochte soorten/soortgroepen en dat de beoogde plannen geen effect hebben op beschermde gebieden. Vervolgonderzoek is in dit kader dan ook niet nodig.
4.10 Water
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Beleid
De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen t.a.v. het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het ‘Nationaal waterprogramma’ dat door het Rijk is vastgesteld, het ‘Regionaal waterprogramma’ dat door de provincie wordt vastgesteld en het ‘Waterbeheerprogramma’ van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling. De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op.
Nationaal Waterprogramma
Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de waterschapsverordening de keur en de algemene regels van het hoogheemraadschap vervangen. In de waterschapsverordening staan alle regels die bepalen, welke activiteiten, waar mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De waterschapsverordening berust op artikel 2.5 van de Omgevingswet en vervangt de Keur HHNK 2016, de Algemene regels bij de Keur HHNK 2016 en de Wegenverordening HHNK 2016.
Weging van het waterbelang
Het begrip ‘weging van het waterbelang’ houdt in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. In bepaalde gevallen kan de provincie in de omgevingsverordening regels stellen over activiteiten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betekent dat er een balans moet zijn tussen de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen hebben.
Berging van water in de bodem
Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen dient het water tijdelijk in het plangebied te worden geborgen op basis van het toekomstig dakoppervlak. Hiertoe dient een berging van 70 mm te worden gerealiseerd met een totaal van 400 m3.
Watercompensatie
Er moet extra waterberging gerealiseerd worden in een plan als het verhard oppervlak 500 m² of groter is. Bij het realiseren van nieuw oppervlaktewater is het oppervlakt minimaal even groot is als 15% van de toename in het hard oppervlak. Is de toename van hard oppervlak in het plangebied meer dan 5.000 m², dan moet ervoor gezorgd worden dat in 24 uur minimaal 90 millimeter neerslag kan worden opgevangen binnen het plangebied. De 90 mm-regel zorgt ervoor dat wateroverlast in het plangebied zoveel mogelijk wordt voorkomen en dat de kans op overlast in het omliggende gebied niet toeneemt en in veel gevallen zelfs afneemt.
Planspecifiek
Navolgend worden de relevante wateraspecten beschouwd.
Watercompensatie
Conform de eisen van het Hoogheemraadschap Noord-Hollands Noorderkwartier dient een toename aan verharding gecompenseerd te worden wanneer de toename betrekking heeft op meer dan 230 m² grondoppervlakte. In de huidige situatie is de planlocatie deels verhard en onverhard. De verhardingsbalans bestaat uit het toevoegen van 824 m² aan verharding ten opzichte van een huidige verhardingsoppervlakte van 740 m².
Met het realiseren van het initiatief neemt het aandeel verharding in het gebied met een oppervlakte van 84 m2 en daarmee in beperkte mate toe. Conform de eisen van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier hoeft niet te worden voorzien in compensatie. De toename blijft immers onder de grens van 230 m².
Waterafvoer
Het hemelwater wordt niet aangesloten op het gemeentelijke riool, maar geïnfiltreerd in de bodem. Het groen in de tuin draagt bij aan het lokaal vasthouden van hemelwater. Het afvalwater van de woning zal worden aangesloten op het gemeentelijk rioolsysteem. Verder wordt er geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen.
Regionale waterkeringen
De gronden in het plangebied zijn in het bestemmingsplan ‘Drechterland Zuid' niet voorzien van een dubbelbestemming ten aanzien van water. Daarnaast bevindt het plangebied zich op grond van de actuele legger van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier niet binnen de beschermingszone van een waterkering. Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de actuele legger weergegeven.
Uitsnede leggerkaart regionale waterkeringen, plangebied zwart omkaderd (bron: HHNK)
Conclusie
Gezien het voorgaande kan er geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het voorliggend plan.
4.11 M.e.r.-beoordeling
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma’s uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.
Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een m.e.r.-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een m.e.r.-beoordelingsplicht.
Een m.e.r.-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.
- Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag
- Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.
De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn.
Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de m.e.r.-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de m.e.r.-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn:
- de kenmerken van het project
- de plaats van het project
- de kenmerken van de potentiële effecten
Planspecifiek
Onderhavig plan is mogelijk aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het inmiddels vervallen Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, dienen verschillende zaken afgewogen te worden. Navolgende punten zijn argumenten om het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken:
- Het woningaantal neemt af.
- De nieuwe woning wordt gasloos en BENG, in tegenstelling tot de bestaande woningen.
Wanneer deze argumenten afgewogen worden leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals beschreven in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Dit betekent dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.
5.1 Algemeen
Voor voorliggend plan is gebruik gemaakt van de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om op basis van de RO standaarden 2012 na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO.
Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een motivering. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de functies aangewezen op locaties. Aan deze locaties zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De motivering heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De motivering van dit TAM-omgevingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het TAM-omgevingsplan ten grondslag liggen. Ook is de motivatie van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het TAM-omgevingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het TAM-omgevingsplan.
5.2 Verbeelding
Op de verbeelding worden de functies en activiteiten weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels
Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen.
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de algemene bepalingen voor het hele plangebied. Hoofdstuk II bevat aan locatie toegedeelde functies en activiteiten. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsregels. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen.
In het tweede hoofdstuk, de functies en activiteiten, staan de verschillende functies op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
- Toepassingsbereik
- Functieomschrijving
- Beoordelingsregels bouwactiviteiten
- Specifieke bouwregels
- Specifieke gebruiksregels
5.4 Toelichting op functies en locaties
De regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan zijn afgestemd op de gemeentelijke standaarden en sluiten aan op recente bestemmingsplannen van de gemeente Drechterland. Daarnaast wordt uiteraard rekening gehouden met de rechten op basis van het nu geldende omgevingsplan. Voorliggend TAM-omgevingsplan bevat de volgende functies en activiteiten:
Tuin
Locaties aangewezen als tuin zijn bedoeld als voorerfgebied bij woningen. De bouwmogelijkheden binnen deze functie zijn beperkt. Om de situering van de voorgevel van de garage vast te leggen is de functie 'Tuin', in tegenstelling tot de in Drechterland Zuid gebruikelijke 3 m achter de voorgevel, tot aan de voorgevel van de garage toegekend.
Wonen
De locaties die zijn aangewezen als 'Wonen' beschikken over de functies woningen met hun aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. Bijbehorende achtertuinen, -erven en -terreinen behoren ook tot de functies. Binnen de bebouwingsbepalingen voor deze locaties is onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen enerzijds en bijbehorende bouwwerken anderzijds. Het hoofdgebouw is het belangrijkste bouwwerk op het perceel, niet alleen qua bestemming maar ook qua bouwmassa. Daarnaast worden bijbehorende bouwwerken gezien als bouwwerken die ruimtelijk ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw. De woonfunctie mag bij recht gecombineerd worden met een aan-huis-verbonden beroep, dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit.
Gelet op de oppervlakte van het perceel, de oppervlakte aan huidige bebouwing (351 m²) en de beoogde oppervlakte aan bebouwing, die de vergunningsvrije mogelijkheden van 150 m² aan bijbehorende bouwwerken overschrijdt, wordt het acceptabel geacht de mogelijkheden ten opzichte van de vergunningsvrije mogelijkheden iets te verruimen. De initiatiefnemer beoogt op dit moment 155 m² aan bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak te realiseren. Om naar toekomst wat ruimte voor onder andere overkappingen te behouden is ervoor gekozen de toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken en overkappingen in het achtererfgebied op 200 m² te stellen.
Verder is aan een strook in het zuidwestelijke deel van het perceel, voor de voorgevel van de beoogde woning, langs de erfgrens van Twijver 69, de functie 'Wonen' toegekend. Dit zodat hier een erfafscheiding met een hoogte van 2 m gerealiseerd kan worden. De functie 'Tuin' staat immers slechts een erfafscheiding van 1 m hoog toe en dat zou hier te laag zijn om het erf af te scheiden van het buurperceel.
Waarde - Archeologie 2
De locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 2' hebben, naast de andere voor die locatie aangewezen functies de functie voor het behouden van (mogelijke) archeologische waarden. Bij bodem ingrepen geldt het volgende: Voor alle bodemingrepen gekoppeld aan een diepte van meer dan 0,40 m én een oppervlakte meer dan 100 m² moet archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Voor bepaalde werkzaamheden is een omgevingsvergunning nodig.
Waarde - Archeologie 3
De locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 2' hebben, naast de andere voor die locatie aangewezen functies de functie voor het behouden van (mogelijke) archeologische waarden. Bij bodem ingrepen geldt het volgende: Voor alle bodemingrepen gekoppeld aan een diepte van meer dan 0,40 m én een oppervlakte meer dan 500 m² moet archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Voor bepaalde werkzaamheden is een omgevingsvergunning nodig.
6.1 Economische uitvoerbaarheid
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.
Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.
Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.
Planspecifiek
De gemeente heeft met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afgesloten. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de nadeelcompensatie, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. Voor dit plan worden geen openbare voorzieningen getroffen. Het plan wordt op particulier terrein uitgevoerd en kan afgedaan worden met de leges uit de verordening Drechterland 2025.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad moet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangeven in welke gevallen participatie verplicht wordt gesteld. Daarbij moet aandacht besteed worden aan de rol en/of het doel van de participatie.
Bij een wijziging van het omgevingsplan is de uitgebreide voorbereidingsprocedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het omgevingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het omgevingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking, als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het omgevingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2.1 Participatie
De initiatiefnemer heeft het initiatief mondeling aan zijn buren toegelicht. Hieruit zijn geen bezwaren naar voren gekomen.
6.2.2 Overleg ketenpartners
Het plan is voorgelegd aan PWN, de provincie Noord-Holland, Gasunie, HHNK, Liander en de Veiligheidsregio NHN. PWN en de provincie hebben hierop niet gereageerd. Gasunie, HHNK, Liander en de Veiligheidsregio NHN gaven aan geen bezwaren tegen het plan te hebben.
6.2.3 Zienswijzen
Het TAM-omgevingsplan heeft met ingang van 19 december 2025 gedurende zes weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen ontvangen.