Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Venhuizen, Tuinstraat 2-4
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0498.TAMTuinstraat2-VG01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de ontwikkeling op de locatie 'Tuinstraat 2-4 Venhuizen' vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22c) van het omgevingsplan gemeente Drechterland. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl beschikbaar gestelde 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c  Venhuizen, Tuinstraat 2-4' weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22c van het omgevingsplan gemeente Drechterland. In de artikelkop van de in het 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Venhuizen, Tuinstraat 2-4' weergegeven artikelen moet na het woord 'artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22c.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen behorende bij het 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Venhuizen, Tuinstraat 2-4' moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22c.’ gelezen worden.
1 Algemene bepalingen
 
Artikel 1 Toepassingsbereik
1.1 Verhouding met ruimtelijke regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie als bedoeld in artikel 1.3.
 
1.2 Verhouding met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rijkswege (bruidsschat)
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in hoofdstuk 22c.   
  1. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de regels in hoofdstuk 22c.
  2. Onder de regels in hoofdstuk 22c, als bedoeld onder a, worden de regels van het omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Venhuizen, Tuinstraat 2-4 met identificatienummer NL.IMRO.0498.TAMTuinstraat2-VG01  van de Gemeente Drechterland verstaan.
1.3 Geometrische afbakening reikwijdte TAM-omgevingsplan
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Venhuizen, Tuinstraat 2-4 , waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0498.TAMTuinstraat2-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
 
Artikel 2 Begripsbepalingen
Voor dit omgevingsplan gelden ook de begripsbepalingen uit bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I van het Omgevingsbesluit en bijlage I van de Omgevingsregeling. Aanvullend daarop gelden voor de toepassing van dit deel de volgende begripsbepalingen:
 
2.1 aan-huis-verbonden beroep:
het door een (mede)bewoner van de woning uitoefenen van een vrij en zelfstandig beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, (para)medisch, therapeutisch, educatief, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, waarbij de woning in hoofdzaak haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is;
 
2.2 aan huis verbonden bedrijf:
het door een (mede)bewoner van de woning het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten, zoals opgenomen in bijlage 1, geheel of overwegend door middel van handwerk, geen detailhandel en geen prostitutie zijnde, waarvan de omvang van de activiteiten zodanig is, dat het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;
 
2.3 archeologische waarde:
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit oude tijden;
 
2.4 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of overkappingen en/of bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde;
 
2.5 bebouwingspercentage:
het deel van een terrein of terreingedeelte dat maximaal mag worden bebouwd, uitgedrukt in procenten;
 
2.6 bed and breakfast:
het bieden van de, ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte, mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf zonder kookfaciliteiten en ontbijt aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben;
 
2.7 bestaand:
het legale gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig is of in uitvoering is dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning;
 
2.8 bevoegd gezag:
bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;
 
2.9 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak;
 
2.10 bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;
 
2.11 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
 
2.12 bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel;
 
2.13 bouwvlak:
een geometrisch informatieobject met een gebied dat aanduidt waarbinnen bebouwing of bebouwing van een bepaalde soort is toegestaan;
 
2.14 dak:
iedere bovenbeëindiging van een bouwwerk;
 
2.15 druiplijn:
de lijn die van onderen het dak begrenst;
 
2.16 erf-terreinafscheiding:
bouwwerk op of in de directe nabijheid van een erfgrens bedoeld om een erf, tuin of terrein af te scheiden;
 
2.17 erker:
een uitbouw aan een woning, die zich bevindt aan de voor- of zijgevel of beide, van een woning en welke ondergeschikt is aan de hoofdbouwmassa;
 
2.18 huishouden:
het in een woning met elkaar samenwonen van een aantal personen in een zekere continue samenstelling en waarbij tevens tussen deze verschillende personen een zekere onderlinge verbondenheid bestaat (gezin of samenlevingsverband);
 
2.19 kleinschalige duurzame energiewinning:
energie die gewonnen wordt uit kleinschalige perceelsgebonden bronnen, niet zijnde windturbines, waarbij weinig tot geen schadelijke milieueffecten optreden bij winning en omzetting en die in onuitputtelijke hoeveelheden beschikbaar is, zoals zon, wind, water, biomassa, aard- en omgevingswarmte;
 
2.20 overkapping:
elk bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand;
 
2.21 verblijfsrecreatie:
recreatief verblijf, waarbij overnacht wordt in kampeermiddelen, recreatiewoningen en/of recreatieverblijven;
 
2.22 voorgevel:
de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw, of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die door de ligging, de situatie ter plaatse en/of de indeling van het gebouw als voorgevel moet worden aangemerkt;
 
2.23 woning:
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één huishouden dan wel een naar de aard daarmee gelijk te stellen groep personen;
 
2.24 woonhuis:
een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden;
 
2.25 woonzorgvoorziening:
een voorziening voor de huisvesting van personen die bij hun normale, dagelijkse functioneren huishoudelijke, sociale, sociaal-medische en/of medische begeleiding en/of verzorging behoeven.
 
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit deel in m, m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 3.1 tot en met 3.8.
 
3.1 afstand:
de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot (bouw)perceelsgrenzen wordt daar gemeten waar deze afstand het kleinst is.
 
3.2 bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
3.3 breedte, lengte en diepte van een bouwwerk:
afstand tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of het de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren.
 
3.4 goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
3.5 inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
3.6 oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
3.7 oppervlakte van een overkapping:
tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping.
 
3.8 peil:
voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst:
  • de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; 
in andere gevallen:
  • de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld.
Artikel 4 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
 
2 Functies en activiteiten
 
Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.
 
Artikel 6 Tuin
6.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Tuin'.
 
6.2 Functieomschrijving
Een als 'Tuin' aangewezen locatie heeft de volgende functies: 
  1. tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen woonhuizen;
  2. aangebouwde bijbehorend bouwwerken uitsluitend in de vorm van erkers of serres;
  3. delen van gebouwen in de vorm van luifels of balkons; 
met daaraan ondergeschikt:  
  1. parkeervoorzieningen;
  2. kleinschalige duurzame energiewinning;
  3. wegen en paden;
  4. water;  
met de daarbij behorende:  
  1. bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde.
6.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
6.3.1 Luifels en balkons
Voor het bouwen van luifels en balkons geldt de volgende regel: 
  1. de diepte van een luifel en/of een balkon mag niet meer bedragen dan 1,5 m, gemeten vanuit de gevel van het bijbehorende woonhuis.
6.3.2 Bouwwerken geen gebouwen en geen overkappingen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels: 
  1. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,0 m;
  2. de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5,0 m.
Artikel 7 Wonen
7.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Wonen'.
 
7.2 Functieomschrijving
Een als 'Wonen' aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor aan-huis-verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten genoemd in bijlage 1;
  2. bijbehorende bouwwerken;
  3. delen van gebouwen in de vorm van luifels of balkons; 
met daaraan ondergeschikt: 
  1. kleinschalige duurzame energiewinning;
  2. wegen en paden;
  3. parkeervoorzieningen;
  4. water;
met de daarbij behorende: 
  1. tuinen, erven en terreinen;
  2. bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde.
7.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
 
7.3.1 Woonhuizen, bijbehorende bouwwerken en overkappingen binnen een bouwvlak
Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen binnen een bouwvlak gelden de volgende regels:
  1. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd;
  2. een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  3. per bouwvlak mag ten hoogste één hoofdgebouw (woning) worden gebouwd;
  4. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend achter de naar de weg(en) gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw dan wel het verlengde daarvan worden gebouwd;
  5. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de oppervlakte van het hoofdgebouw;
  6. de diepte van een luifel en/of een balkon voor de voorgevel mag niet meer bedragen dan 1,5 m, gemeten vanuit de voorgevel van het bijbehorende woonhuis;
  7. de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)';
  8. de maximum goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste resp. 3 en 6 m. 
7.3.2 Bijbehorende bouwwerken en overkappingen buiten een bouwvlak
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen buiten een bouwvlak gelden de volgende regels: 
  1. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend achter de naar de weg(en) gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw dan wel het verlengde daarvan worden gebouwd;
  2. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen mag per hoofdgebouw niet meer bedragen dan 200 m²;
  3. de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk mag niet meer bedragen dan 3,0 m;
  4. de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk mag niet meer bedragen dan 6,0 m;
  5. de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer bedragen dan 3,5 m.
7.3.3 Bijbehorende bouwwerken voor de voorgevel
Voor het bouwen van aangebouwde bijgebouwen in de vorm van erkers en/of serres voor de voorgevel gelden de volgende regels:
  1. de diepte van een erker en/of een serre mag niet meer bedragen dan 1,50 m vanuit de voorgevel van het bijbehorende woonhuis;
  2. de breedte van de erker en/of serre mag niet meer bedragen dan 70% van de voorgevel van het woonhuis bedragen waaraan de erker of serre wordt aangebouwd;
  3. de goothoogte van een erker of een serre mag niet meer bedragen dan 3,0 m;
  4. de bouwhoogte van een erker of een serre mag niet meer bedragen dan 6,0 m.
Voor het bouwen van luifels en balkons geldt de volgende regel:
  1. de diepte van een luifel en/of een balkon mag niet meer bedragen dan 1,5 m, gemeten vanuit de voorgevel van het bijbehorende woonhuis.
7.3.4 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. er mogen geen paardrijdbakken en tennisbanen worden gebouwd;
  2. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2,0 m;
  3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5,0 m.
7.4 Specifieke functieregels
Tot een gebruik, strijdig met deze locaties, wordt in ieder geval gerekend: 
  1. het gebruik van gebouwen en overkappingen voor bedrijfsdoeleinden anders dan de in lid 7.2 sub a genoemde bedrijvigheid;
  2. het gebruik van gebouwen in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit zodanig dat de vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van het beroep of het bedrijf meer bedraagt dan 40 m²;
  3. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen bij een hoofdgebouw (woning) voor bewoning;
  4. het gebruik van woonhuizen voor meer dan één woning;
  5. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor verblijfsrecreatieve doeleinden;
  6. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor detailhandel, met uitzondering van productiegebonden detailhandel dan wel kleinschalige verkoop van eigen producten vanuit een verplaatsbaar/verrijdbaar stalletje van niet meer dan 6,0 m², waarbij een reclamebord van 0,50 m bij 1,00 m is toegestaan;
  7. het gebruik van gronden voor de bouw en/of de aanleg van een paardrijdbak, tennisbaan of een zwembad met de daarbij behorende bouwwerken.
7.5 Specifieke beoordelingsregels gebruik
7.5.1 Inwoning zorgbehoevenden/zorgverleners
Met een omgevingsvergunning kan het gebruik van een woonhuis voor de huisvesting van meer dan één huishouden worden toegestaan, mits:
  1. de bewoning uitsluitend plaatsvindt vanuit een oogpunt van zorg;
  2. de hulpbehoevendheid wordt aangetoond middels een doktersverklaring of een zorgindicatie; deze indicatie of verklaring is niet nodig in geval van een familierelatie in de rechte lijn;
  3. er sprake blijft van één hoofdentree, één huisnummer en één meterkast, zodat de beide woonruimtes op de begane grond intern met elkaar verbonden zijn;
  4. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en bedrijven;
  5. na beëindiging van de zorg moet het woonhuis opnieuw ten behoeve van één huishouden in gebruik worden genomen.
7.5.2 Bed and breakfast
Met een omgevingsvergunning kan het gebruik van gronden en bouwwerken in combinatie met het wonen voor logiesverstrekking ten behoeve van recreatieve bewoning in de vorm van bed and breakfast worden toegestaan, mits:
  1. de bed and breakfast wordt gerund door de eigenaar/eigenaren c.q. hoofdbewoner(s) van de bijbehorende woning;
  2. er maximaal zeven gastenkamers voor maximaal twee personen per kamer worden gerealiseerd;
  3. er maximaal 40% van de gebruiksoppervlakte van de woning (zonder bijgebouwen) in gebruik wordt genomen, met een maximum van 110 m²; onder de oppervlakte van een bed and breakfast vallen de volgende ruimten:
    1. slaapkamer(s);
    2. bad-, douche- en toiletruimte(n) die niet gedeeld worden met de bewoner(s), en;
    3. de gemeenschappelijke ruimte (een voor de recreant ingerichte ruimte voor ontspanning en vermaak; in deze ruimte kan ook het ontbijt worden geserveerd);
  4. er geen zelfstandige kookgelegenheid (wel zijn een waterkoker, koffie-/theefaciliteiten en minibar toegestaan) aanwezig is;
  5. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, een goede woonsituatie, het straatbeeld en de verkeersveiligheid (ligging en situering van parkeerplaatsen en van een eventueel terras);
  6. er een goede parkeergelegenheid aanwezig is of wordt aangelegd op het perceel van de bed and breakfast; het aantal parkeerplaatsen dient minimaal overeen te komen met het aantal kamers; hiervan kan worden afgeweken indien in de directe omgeving aantoonbaar voldoende openbare parkeervoorzieningen aanwezig zijn;
  7. de exploitant een nachtverblijfregister bijhoudt en toeristenbelasting afdraagt aan de gemeente; de gemeente controleert het nachtverblijfregister;
  8. Op het perceel mag maximaal één reclameaanduiding in de vorm van een bord met opschrift voor bed and breakfast worden aangebracht dat maximaal 1 meter breed en 50 cm hoog is.
Artikel 8 Waarde - Archeologie 2
8.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 2'. 
 
8.2 Functieomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen locatie heeft, naast de andere voor die locatie aangewezen functie(s), mede als functie het behoud van archeologische waarden.
 
8.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
Aanvullend op de bouwregels in de andere voor de betreffende gronden aangewezen functies gelden de volgende bouwregels:
 
8.3.1 Verbod
Het is verboden om zonder archeologisch onderzoek een omgevingsvergunning voor het bouwen te verlenen waarbij de bodem dieper dan 0,40 m -Mv wordt geroerd.
 
8.3.2 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden verleend, mits:
  1. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  2. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of;
  3. één of meer dan de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:
    1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen;
    3. een verplichting de bouw van een bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
8.3.3 Uitzondering
Het is toegestaan om zonder archeologisch onderzoek een omgevingsvergunning voor het bouwen te verlenen waarbij de bodem dieper dan 0,40 m -Mv wordt geroerd, mits het betreft:
  1. bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken waarbij de bestaande oppervlakte met ten hoogste 100 m² wordt uitgebreid;
  2. bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 100 m² ten behoeve van andere daar voorkomende bestemming(en).
8.4 Beoordelingsregels werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.4.1 Verbod
Het uitvoeren van de volgende werken, geen gebouw zijnde, en werkzaamheden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning is verboden:
  1. aanbrengen van gesloten oppervlakteverhardingen; 
  2. bodemverlagen of afgraven, ophogen, egaliseren over een totaal aaneengesloten oppervlakte groter dan 100 m², waarbij in acht genomen de oppervlakte welke reeds eerder door voorgenoemde werken is bewerkt;
  3. het aanleggen, verharden en/of verbreden van wegen, paden en/of parkeerterreinen;
  4. het woelen, mengen, diepploegen of ontginnen van gronden of een naar de aard daarmee gelijk te stellen grondbewerking dieper dan 0,4 m;
  5. het aanleggen verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  6. het aanbrengen van systematische drainage in agrarische percelen dieper dan 0,4 m;
  7. het graven van sleuven breder dan 0,5 m en dieper dan 1,00 m ten behoeve van het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie, telecommunicatieleidingen en drainage en daarmee verband houdende constructies, installaties en/of apparatuur;
  8. het permanent verlagen van het waterpeil.
8.4.2 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.4.1 kan slechts worden verleend, indien: 
  1. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  2. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig wordt geschaad, of;
  3. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:
    1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen;
    3. een verplichting de bouw van een bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 
Indien aan de omgevingsvergunning voorwaarden worden verbonden, wordt Archeologie West-Friesland om advies gevraagd.
 
8.4.3 Uitzondering
De in lid 8.4.1 genoemde omgevingsvergunning is niet nodig voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden die:
  1. een oppervlakte van minder dan 100 m² betreffen en waarvan de bodemroering minder diep is dan 0,40 m;
  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
  3. in het kader van het normale beheer en onderhoud (inclusief sleufloos draineren);
  4. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning;
  5. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning, zoals in lid 8.4.1 bedoeld, is verleend;
  6. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
Artikel 9 Waarde - Archeologie 3
9.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 3'. 
 
9.2 Functieomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen locatie heeft, naast de andere voor die locatie aangewezen functie(s), mede als functie het behoud van archeologische waarden.
 
9.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
Aanvullend op de bouwregels in de andere voor de betreffende gronden aangewezen functies gelden de volgende bouwregels:
 
9.3.1 Verbod
Het is verboden om zonder archeologisch onderzoek een omgevingsvergunning voor het bouwen te verlenen waarbij de bodem dieper dan 0,40 m -Mv wordt geroerd.
 
9.3.2 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden verleend, mits:
  1. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  2. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of;
  3. één of meer dan de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:
    1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen;
    3. een verplichting de bouw van een bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
9.3.3 Uitzondering
Het is toegestaan om zonder archeologisch onderzoek een omgevingsvergunning voor het bouwen te verlenen waarbij de bodem dieper dan 0,40 m -Mv wordt geroerd, mits het betreft:
  1. bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken waarbij de bestaande oppervlakte met ten hoogste 500 m² wordt uitgebreid;
  2. bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 500 m² ten behoeve van andere daar voorkomende bestemming(en).
9.4 Beoordelingsregels werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.4.1 Verbod
Het uitvoeren van de volgende werken, geen gebouw zijnde, en werkzaamheden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning is verboden:
  1. aanbrengen van gesloten oppervlakteverhardingen; 
  2. bodemverlagen of afgraven, ophogen, egaliseren over een totaal aaneengesloten oppervlakte groter dan 500 m², waarbij in acht genomen de oppervlakte welke reeds eerder door voorgenoemde werken is bewerkt;
  3. het aanleggen, verharden en/of verbreden van wegen, paden en/of parkeerterreinen;
  4. het woelen, mengen, diepploegen of ontginnen van gronden of een naar de aard daarmee gelijk te stellen grondbewerking dieper dan 0,4 m;
  5. het aanleggen verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  6. het aanbrengen van systematische drainage in agrarische percelen dieper dan 0,4 m;
  7. het graven van sleuven breder dan 0,5 m en dieper dan 1,00 m ten behoeve van het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie, telecommunicatieleidingen en drainage en daarmee verband houdende constructies, installaties en/of apparatuur;
  8. het permanent verlagen van het waterpeil.
9.4.2 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 9.4.1 kan slechts worden verleend, indien: 
  1. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  2. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig wordt geschaad, of;
  3. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:
    1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen;
    3. een verplichting de bouw van een bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 
Indien aan de omgevingsvergunning voorwaarden worden verbonden, wordt Archeologie West-Friesland om advies gevraagd.
 
9.4.3 Uitzondering
De in lid 9.4.1 genoemde omgevingsvergunning is niet nodig voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden die:
  1. een oppervlakte van minder dan 500 m² betreffen en waarvan de bodemroering minder diep is dan 0,40 m;
  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
  3. in het kader van het normale beheer en onderhoud (inclusief sleufloos draineren);
  4. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning;
  5. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning, zoals in lid 9.4.1 bedoeld, is verleend;
  6. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
3 Algemene regels
Artikel 10 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
 
Artikel 11 Algemene regels voor bouwactiviteiten
  
11.1 Parkeereis
  1. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden.
  2. Bij een omgevingsvergunning wordt aan de hand van op dat moment van toepassing zijnde beleidsregels bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid.
  3. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie.
11.2 Afwijkingen
Het bevoegd gezag is bevoegd middels een omgevingsvergunning af te wijken van de desbetreffende bepalingen van de planregels ten aanzien van de volgende onderwerpen: 
  1. het verschuiven van bouwgrenzen en nadere aanduidingen, voor zover dit, ten gevolge van geringe afwijkingen of onnauwkeurigheden op de verbeelding, noodzakelijk is voor een goede uitvoering van het plan, met dien verstande dat de genoemde afwijkingen ten hoogste 3 meter mogen bedragen;
  2. het afwijken van maten met ten hoogste 10%, indien dit noodzakelijk is voor een goede uitvoering van het plan, met uitzondering van:
    1. percentages;
    2. de maatvoering van bijbehorende bouwwerken;
    3. de op de verbeelding aangegeven goot- en bouwhoogte;
  3. de bouw van kleine, niet voor bewoning bestemde bouwwerken ten dienste van nutsvoorzieningen waarvan de oppervlakte van enig gebouw niet meer dan 25 m² en de bouwhoogte niet mag bedragen dan 3,5 m.