direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan 22f Hilko Zaandam
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0479.TAM0006OP-0301

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van maximaal 111 woningen en 490 m² bedrijfsruimte voor kantoren, horeca en maatschappelijke activiteiten op het voormalige bedrijfsterrein van zeepfabriek HILKO en verffabriek Koning op de locatie TAM-Omgevingsplan 22f Hilko Zaandam en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22f]) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Zaanstad. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 11.1 tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP/TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22f] van het omgevingsplan van de gemeente [naam van de gemeente]. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22f.]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22f]' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk (TAM-omgevingsplan), tenzij in artikel 2 daarvan is afgeweken.

Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk (TAM-omgevingsplan) gelden de volgende begripsbepalingen:

2.1 plan

het TAM-Omgevingsplan 22f Hilko Zaandam met identificatienummer NL.IMRO.0479.TAM0006OP-0301 van de gemeente Zaanstad;

2.2 omgevingsplan

het omgevingsplan van de gemeente Zaanstad waarvan dit TAM-omgevingsplan onderdeel uitmaakt;

2.3 achtergevel

de van de weg afgekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één van de weg afgekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt;

2.4 achtergevellijn

denkbeeldige lijn die strak loopt langs de achtergevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen;

2.5 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

2.6 bed & breakfast

verhuur van een deel van een zelfstandige woonruimte voor kort verblijf bij de aanwezigheid van (de vertegenwoordiger van) de hoofdbewoner van de betreffende woonruimte, al dan niet met ontbijt;

2.7 bestaande bebouwing

bebouwing / bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan rechtmatig aanwezig zijn of waarvoor een omgevingsvergunning is verleend danwel een aanvraag om omgevingsvergunning is ingediend die kan worden verleend;

2.8 bestaand gebruik

Het gebruik van de gronden en bouwwerken zoals aanwezig op moment van het ter inzage leggen van het ontwerp van dit TAM-plan of kan worden gebruikt krachtens een omgevingsvergunning voor het gebruik.

Hieronder valt niet het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan;

2.9 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder. Deze zijn aan te merken als bijzondere bouwlaag;

2.10 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, samenvallend met een kadastraal perceel of met aan dezelfde eigena(a)r(en) toebehorende kadastrale percelen, waarop krachtens het plan zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

2.11 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel;

2.12 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

2.13 brutovloeroppervlakte (toeristische verhuur)

het vloeroppervlak van de ruimte, dan wel van meerdere ruimten van een vastgoedobject gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de (buitenste) opgaande scheidingsconstructie, die de desbetreffende ruimte(n) omhullen (NEN 2580);

2.14 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

2.15 dakkapel

een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de goot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst;

2.16 dakopbouw

een vergroting van een gebouw welke een onzelfstandige uitbreiding vormt van de onder het dak gelegen functie, en daarvan deel uitmaakt;

2.17 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waaronder grootschalige detailhandel, volumineuze detailhandel, tuincentrum en supermarkt;

2.18 gebruiksoppervlakte (kamergewijze verhuur)

het bruikbare vloeroppervlakte van een bouwwerk, geschikt voor het beoogde gebruik. Dit is in feite het totale vloeroppervlak tussen de omsluitende wanden van de gebruiksfunctie minus de vaste obstakels van enige omvang (NEN 2580);

2.19 geluidluwe gevel

een gevel waarop het berekende geluid niet hoger is dan de standaardwaarde;

2.20 gestapelde woning

een woning waarboven en/of waaronder een andere woning is gebouwd of andere woningen zijn gebouwd, dan wel waaronder voorzieningen als winkels en dienstverlening zijn gebouwd;

2.21 groenvoorziening

ruimten in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, bermen, plantsoenen, oever-, groenvoorzieningen en open speelplekken met of zonder speeltoestellen, met de daarbij behorende sloten, vijvers en daarmee gelijk te stellen wateren en ondergrondse infrastructurele voorzieningen;

2.22 hoofdbewoner

degene die officieel als bewoner van een woning of ander gebouw geregistreerd is en daarmee onder andere verantwoordelijk is voor het betalen van bepaalde lasten;

2.23 horeca-activiteit

activiteiten vergelijkbaar met of zoals opgenomen in Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten - Horeca;

2.24 huisgebonden bedrijf

het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang en door ten minste de hoofdbewoner in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend. Hiermee wordt geen detailhandel of horeca bedoeld;

2.25 huisgebonden beroep

de uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang en door ten minste de hoofdbewoner in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend, waaronder niet wordt begrepen de uitoefening van detailhandel;

2.26 huishouden

een persoon of groep personen, die een duurzame, gemeenschappelijke huishouding voer(t)(en) en wil(len) voeren. Hierbij moet sprake zijn van onderlinge, met een gezinsverband vergelijkbare, verbondenheid en continuïteit in de samenstelling;

2.27 huisvesting ten behoeve van mantzelzorg

huisvesting in of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning;

2.28 kamergewijze verhuur

het duurzaam verblijven in een deel van een pand, zonder de bedoeling met de andere bewoners duurzaam in gezinsverband samen te wonen of duurzaam een gezamenlijk huishouden te voeren;

2.29 kantooractiviteit

de uitoefening van administratieve werkzaamheden en werkzaamheden die verband houden met het doen functioneren van (semi-)overheidsinstellingen, het bankwezen, en naar de aard daarmee gelijk te stellen instellingen;

2.30 kap

een afdekking van een gebouw, met ten minste twee schuine zijden waarbij de hellingshoekminimaal 20 en ten hoogste 60 graden bedraagt en waarvan de bovenzijde maximaal 33% is afgevlakt;

2.31 kunstobject

een bouwwerk, geen gebouw zijnde als uitingen van één der beeldende kunsten.

2.32 maatschappelijke activiteit

overheids-, welzijns-, ouderen, medische, onderwijs-, culturele en religieuze voorzieningen, jeugd-/kinder-/naschoolse opvang, voorzieningen inzake openbare orde en veiligheid en vergelijkbare maatschappelijke voorzieningen, alsmede ondergeschikte detailhandel en ondergeschikte horeca ten dienste van deze voorzieningen, en overige openbare (speel)voorzieningen;

2.33 mantelzorg

Intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond;

2.34 meetverschil

een door de feitelijke terreininrichting aanwezig verschil tussen het beloop van lijnen in het veld en een aangegeven bestemmings- of bouwgrens;

2.35 nok

het hoogste punt van een gebouw, ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen en antennes niet meegerekend;

2.36 omzetten

het omzetten van een (gedeelte van een) woning/zelfstandige woonruimte of een (gedeelte van een) gebouw waarin wonen is toegestaan, naar één of meerdere onzelfstandige woonruimte(n);

2.37 ondergeschikte bouwdelen

een buiten de gevel of dakvlakken uitstekend deel (maximaal 1 meter) van een bouwwerk.De volgende ondergeschikte bouwdelen worden buiten beschouwing gelaten:

  • a. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, gevel- en kroonlijsten en vergelijkbare ondergeschikte bouwdelen;
  • b. ventilatiekanalen, schoorstenen, zonnepanelen, luchtkokers, lichtkappen en vergelijkbare ondergeschikte bouwdelen;
  • c. luifels en overstekende daken en vergelijkbare ondergeschikte bouwdelen;
2.38 onzelfstandige woonruimte

woonruimte, die geen eigen toegang heeft of welke niet door een huishouden zelfstandig kan worden bewoond, zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte;

2.39 (openbare) nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding

voorzieningen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten nutsvoorziening, zoals onder meer transformatorbouwwerken, gasreduceerstations, pompstations, schakelbouwwerken, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, sluizen, telefooncellen, apparatuur voor telecommunicatie en overige voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;

2.40 openbare ruimte

rijwegen, voet- en fietspaden, pleinen, groenvoorzieningen en water, met inbegrip van bij deze voorzieningen behorende nutsvoorzieningen, bermen, taluds, waterlopen en waterbouwkundige kunstwerken, ondergrondse afvalsystemen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen;

2.41 parkeervoorziening

elke al dan niet overdekte stallinggelegenheid ten behoeve van (gemotoriseerd) verkeer.

2.42 peil
  • a. Voor een gebouw op een perceel waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang met dien verstande dat indien een terrein is gelegen aan meerdere wegen de laagste weg bepalend is;
  • b. Voor gebouwen die in een dijk zijn gebouwd: de hoogte van de kruin van de dijk ter hoogte van de hoofdtoegang;
  • c. Voor een bouwwerk op en perceel waarvan de toegang niet direct aan een weg grenst: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;
  • d. Indien in of op het water wordt gebouwd: het N.A.P. of het plaatselijk aan te houden waterpeil;
2.43 parkeren

het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddelijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen;

2.44 particuliere vakantieverhuur

verhuur van woonruimte bij afwezigheid van degene die de woning rechtsgeldig aanbiedt;

2.45 toeristische verhuur

een aan de woonfunctie ondergeschikte toeristisch-recreatieve voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot logies en ontbijt aan steeds wisselend publiek, dat voor een korte periode, namelijk één tot enkele nachten, ter plaatse in een daarvoor geschikte woning (hoofdgebouw of aangebouwd bijbehorend bouwwerk) verblijft. Daaronder ook begrepen bed & breakfast en particuliere vakantieverhuur;

2.46 verkeersvoorzieningen

rotondes, voet- en fietspaden, bermen, bruggen, viaducten, geluidschermen, bushaltes, parkeervoorzieningen , verkeerslichten, lantaarnpalen en fietsenstallingen;

2.47 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt;

2.48 voorgevel(rooi)lijn

denkbeeldige of op de verbeelding aangegeven lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrens;

2.49 waterkering

natuurlijke of kunstmatige begrenzing of afscheiding die het water in zijn loop tegenhoudt en het achterliggende gebied beschermt tegen overstroming;

2.50 waterstaatkundige werken

werken, waaronder begrepen kunstwerken, verbandhoudend met de waterstaat, zoals dammen, dijken, duikers, sluizen, beschoeiingen, remmingswerken, uitgezonderd steigers;

2.51 wezenlijke voorziening

wezenlijke voorzieningen zoals keukens en sanitaire voorzieningen;

2.52 wonen

gehuisvest zijn en duurzaam verblijven in een woning;

2.53 woning

een complex van ruimten bedoeld voor de huisvesting van één huishouden, niet zijnde kamerverhuur;

2.54 woningsplitsing

het bouwkundig en/of functioneel splitsen van één woning in twee of meer zelfstandige woningen en/of het toevoegen van een extra woning in een bijbehorend bouwwerk;

2.55 zelfstandige huurwoning

zelfstandige woonruimte, die verhuurd wordt;

2.56 zelfstandige woonruimte

woonruimte die door een huishouden wordt bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte, waarbij sprake moet zijn van een eigen toegang tot de woonruimte.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • a. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk (TAM-omgevingsplan).
  • c. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie 'TAM-Omgevingsplan 22f Hilko Zaandam', waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0479.TAM0006OP-0201 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl/.

Artikel 4 Wijze van meten

In aanvulling op artikel 22.24 van dit omgevingsplan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

4.1 Afstanden

De kortste afstand tussen bouwwerken onderling alsmede van bouwwerken tot de perceelsgrens gemeten vanaf elk deel van het bouwwerk.

4.2 Bebouwingspercentage

Een in de regels of op de verbeelding aangegeven percentage dat de grootte van een bouwperceel aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd; hierbij worden ondergrondse bouwwerken die zichtbaar zijn boven peil meegerekend, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen.

4.3 Breedte en lengte of diepte van een bouwwerk

Tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidsmuren.

4.4 Bouwdiepte

Vanaf het peil tot aan het laagste punt van het bouwwerk, met uitzondering van fundering of ondergeschikte onderdelen van het bouwwerk.

4.5 Bouwhoogte van een antenne-installatie

Tussen de voet van de antennedrager en het hoogste punt van de antenne-installatie; als de antennedrager aan de gevel van een gebouw wordt bevestigd, wordt gemeten tussen het punt waarop de antenne met antennedrager het dakvlak kruist en het hoogste punt van de antennedrager.

4.6 Bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

4.7 Dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

4.8 Goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

4.9 Inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

4.10 Oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk (TAM-omgevingsplan).

Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies en gebruiksactiviteiten.

Hoofdstuk 2 Regels voor functies en activiteiten

Artikel 7 Gemengd

7.1 Functieomschrijving

Op de voor 'Gemengd' aangewezen locaties zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. kantooractiviteiten;
  • b. maatschappelijke activiteiten;
  • c. horeca-activiteiten;

met de daarbij behorende:

  • d. het behoud van een monument, ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden';
  • e. het behoud van de specifieke kernwaarden van de bebouwing, zoals opgenomen in Bijlage 2 Cultuurhistorische waardestelling ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek';
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. (openbare) nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;
  • h. parkeervoorzieningen;
  • i. water, en
  • j. overige voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten.
7.2 Beoordelingsregels over bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan of het artikel dat daarvoor in dit omgevingsplan in de plaats zal treden en met in achtneming van het bepaalde in artikel 16 lid 16.2, gelden voor een aanvraag voor een binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken tevens de volgende beoordelingsregels:

7.2.1 Gebouwen
  • a. de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven maximale bouwhoogte toegestaan;
  • c. de gebouwen dienen te worden voorzien van een kap, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'plat dak', in welk geval een gebouw moet zijn voorzien van een plat dak;
  • d. dakkapellen in het voordakvlak of in een naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak zijn toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. de hoogte niet meer dan 1,75 meter bedraagt;
    • 2. de zijkant meer dan 0,50 meter van de woningscheidende muur of van de zijkant van het dakvlak is gelegen;
    • 3. de bovenkant meer dan 0,50 meter van de nok is gelegen;
    • 4. de voet tussen 0,50 meter en 1 meter boven de goot is gelegen;
    • 5. de breedte niet meer bedraagt dan 50% van de voorgevel met een maximum breedte van 4,50 meter;
    • 6. de breedte niet meer bedraagt dan 70% van de zij- en achtergevel;
    • 7. niet meer dan 2 dakkapellen per dakvlak van de woning zijn toegestaan;
    • 8. bij het plaatsen van 2 dakkapellen deze op één lijn en met een minimale tussenruimte van 0,60 meter geplaatst moeten worden.

7.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 meter;
  • b. de maximale bouwhoogte van lichtmasten bedraagt 5 meter;
  • c. de maximale bouwhoogte van andere bouwwerken bedraagt 3 meter.
7.3 Specifieke beoordelingsregels bouwwerken
7.3.1 Gebouwen

Met een omgevingsvergunning zijn in afwijking van lid 7.2.1 sub c gebouwen geheel of gedeeltelijk met een plat dak of een andere kapvorm toegestaan.

7.3.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning genoemd onder 7.3.1 wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregel:

  • er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
7.4 Specifieke functieregels
7.4.1 Algemene regels horeca-activiteit

Een horeca-activiteit is toegestaan met inachtneming van de volgende algemene regel:

  • de gebruiksactiviteit dient te voldoen aan ten hoogste categorie 1A en 1B genoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten - Horeca, zoals opgenomen in bijlage 1, alsmede voor horecabedrijven die niet in de lijst onder de desbetreffende categorie zijn opgenomen, maar die naar aard en invloed met dergelijke horecabedrijven kunnen worden gelijkgesteld.
7.5 Beoordelingsregels voor het slopen van een bouwwerk
7.5.1 Vergunningplicht

Ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' is het verboden een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning.

7.5.2 Uitzonderingen

Het bepaalde in lid 7.5.1 is niet van toepassing op sloopwerkzaamheden:

  • a. van ondergeschikte betekenis, indien door burgemeester en wethouders schriftelijk is medegedeeld, dat daarvoor geen sloopvergunning is vereist;
  • b. voortvloeiende uit het normale onderhoud;
  • c. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;

7.5.3 Beoordelingsregels
  • a. Een omgevingsvergunning voor het deels slopen kan slechts worden verleend, indien:
    • 1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de specifieke kernwaarden van het bouwwerk, zoals opgenomen in Bijlage 2 Cultuurhistorische waardestelling;
    • 2. het delen van een bouwwerk betreft, die op zichzelf geen specifieke kernwaarden als bedoeld in Bijlage 2 Cultuurhistorische waardestelling omvat en door sloop daarvan geen onevenredige aantasting van deze kernwaarden plaatsvindt;
    • 3. het om delen van een bouwwerk gaat die wel specifieke kernwaarden als bedoeld in Bijlage 2 Cultuurhistorische waardestelling bevat, maar worden vervangen door gelijkwaardige bouwdelen, waardoor de kernwaarden van het bouwwerk daardoor niet worden aangetast.
  • b. Een omgevingsvergunning voor het in zijn geheel slopen kan slechts worden verleend, indien:
    • 1. het bouwwerk teniet is gegaan door een calamiteit en herbouw in de oorspronkelijke staat redelijkerwijs niet verlangd kan worden; of
    • 2. de specifieke kernwaarden als bedoeld in Bijlage 2 Cultuurhistorische waardestelling niet langer aanwezig zijn en niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het bouwwerk kan worden hersteld; of
    • 3. de specifieke kernwaarden als bedoeld in Bijlage 2 Cultuurhistorische waardestelling in zijn geheel redelijkerwijs niet te handhaven zijn in relatie tot de functie die het bouwwerk moet of uitsluitend nog kan vervullen; of
    • 4. handhaving of herstel van het bouwwerk vanwege de bouwtechnische staat redelijkerwijs niet mogelijk is.

7.5.4 Advies

Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om de omgevingsvergunning voor het slopen te verlenen op basis van het gestelde in lid 7.5.3, wordt voorafgaand aan vergunningverlening een ter zake deskundige van de gemeente om advies gevraagd.

Artikel 8 Groen

8.1 Functieomschrijving

Op de voor 'Groen' aangewezen locaties zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. voet- en fietspaden;
  • c. water;
  • d. (openbare) nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;
  • e. geluidwerende voorzieningen;
  • f. het behoud van een monument, ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden';
  • g. overige voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten, met inbegrip van kunstobjecten.
8.2 Beoordelingsregels over bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan of het artikel dat daarvoor in dit omgevingsplan in de plaats zal treden en met in achtneming van het bepaalde in artikel 16 lid 16.2, gelden voor een aanvraag voor een binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken tevens de volgende beoordelingsregels:

8.2.1 Gebouwen

Ter plaatse van de in lid 8.1 genoemde locaties mogen geen gebouwen worden gebouwd.

8.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de maximale bouwhoogte van terreinafscheidingen bedraagt 2 meter;
  • b. de maximale bouwhoogte van geluidschermen bedraagt 2,40 meter;
  • c. de maximale bouwhoogte van speeltoestellen bedraagt 5 meter;
  • d. de maximale bouwhoogte van kunstobjecten bedraagt 5 meter;
  • e. de maximale bouwhoogte van lichtmasten bedraagt 5 meter;
  • f. de maximale bouwhoogte van andere bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt 3 meter.

Artikel 9 Verkeer - Verblijfsgebied

9.1 Functieomschrijving

Op de voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen locaties zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wegen met een buurtontsluitingsfunctie;
  • b. voet- en fietspaden;
  • c. groenvoorzieningen;
  • d. (openbare) nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;
  • e. verkeersvoorzieningen;
  • f. geluidwerende voorzieningen;
  • g. parkeervoorzieningen;
  • h. water;
  • i. overige voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten.
9.2 Beoordelingsregels over bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan of het artikel dat daarvoor in dit omgevingsplan in de plaats zal treden en met in achtneming van het bepaalde in artikel 16 lid 16.2, gelden voor een aanvraag voor een binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken tevens de volgende beoordelingsregels:

9.2.1 Gebouwen

Ter plaatse van de in lid 9.1 genoemde locaties mogen geen gebouwen worden gebouwd.

9.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de maximale bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de verkeersregeling en -afwikkeling, de verkeers- of wegaanduiding of de verlichting bedraagt 10 meter;
  • b. de maximale bouwhoogte van geluidschermen bedraagt 2,40 meter;
  • c. de maximale bouwhoogte van speeltoestellen bedraagt 5 meter;
  • d. de maximale bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 3 meter.

Artikel 10 Water

10.1 Functieomschrijving

Op de voor 'Water' aangewezen locaties zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. water(berging), waterstaatkundige werken en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • b. scheepvaartverkeerstekens en andere nautische verkeersvoorzieningen;
  • c. aanleggelegenheid;
  • d. overige voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten.
10.2 Beoordelingsregels over bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan of het artikel dat daarvoor in dit omgevingsplan in de plaats zal treden en met in achtneming van het bepaalde in artikel 16 lid 16.2, gelden voor een aanvraag voor een binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken tevens de volgende beoordelingsregels:

10.2.1 Gebouwen

Ter plaatse van de in lid 10.1 genoemde locaties mogen geen gebouwen worden gebouwd.

10.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt 5 meter;
  • b. de maximale bouwhoogte van scheepvaartverkeerstekens en andere nautische verkeersvoorzieningen bedraagt 12 meter.

Artikel 11 Wonen

11.1 Functieomschrijving

Op de voor 'Wonen' aangewezen locaties zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. het wonen in woningen al dan niet in combinatie met:
    • 1. een huisgebonden beroep of bedrijf;
    • 2. bed & breakfast;
    • 3. toeristische verhuur;

met de daarbij behorende:

  • b. groenvoorzieningen;
  • c. (openbare) nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;
  • d. parkeervoorzieningen;
  • e. geluidwerende voorzieningen;
  • f. water, en
  • g. overige voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten.
11.2 Beoordelingsregels over bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan of het artikel dat daarvoor in dit omgevingsplan in de plaats zal treden en met in achtneming van het bepaalde in artikel 16 lid 16.2, gelden voor een aanvraag voor een binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken tevens de volgende beoordelingsregels:

11.2.1 Hoofdgebouwen
  • a. de hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. er mogen uitsluitend hoofdgebouwen ten behoeve van grondgebonden woningen worden gebouwd, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld', in welk geval uitsluitend hoofdgebouwen ten behoeve van gestapelde woningen mogen worden gebouwd;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven maximale bouwhoogte toegestaan;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven maximale goothoogte toegestaan;
  • e. de hoofdgebouwen dienen te worden voorzien van een kap, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'plat dak', in welk geval een hoofdgebouw moet zijn voorzien van een plat dak;
  • f. dakkapellen in het voordakvlak of in een naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak zijn toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. de hoogte niet meer dan 1,75 meter bedraagt;
    • 2. de zijkant meer dan 0,50 meter van de woningscheidende muur of van de zijkant van het dakvlak is gelegen;
    • 3. de bovenkant meer dan 0,50 meter van de nok is gelegen;
    • 4. de voet tussen 0,50 meter en 1 meter boven de goot is gelegen;
    • 5. de breedte niet meer bedraagt dan 50% van de voorgevel met een maximum breedte van 4,50 meter;
    • 6. de breedte niet meer bedraagt dan 70% van de zij- en achtergevel;
    • 7. niet meer dan 2 dakkapellen per dakvlak van de woning zijn toegestaan;
    • 8. bij het plaatsen van 2 dakkapellen deze op één lijn en met een minimale tussenruimte van 0,60 meter geplaatst moeten worden.

11.2.2 Bijbehorende bouwwerken

In afwijking van artikel 22.27 en 22.36 van dit omgevingsplan of de artikelen in dit hoofdstuk (TAM-omgevingsplan) die daarvoor in de plaats zullen treden, geldt dat de volgende bijhorende bouwwerken en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, vergunningvrij zijn:

  • a. binnen de bouwvlakken en op de bij het hoofdgebouw behorende erven die liggen binnen de locatie 'Wonen' mogen, met uitzondering van gronden voorzien van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - erfbebouwing', bijbehorende bouwwerken worden gebouwd;
  • b. het maximale bebouwingspercentage bedraagt 50% van het achter de achtergevel van het hoofdgebouw gelegen deel van de in lid a bedoelde gronden tot een maximum van 75 m². Indien het oppervlak van het erf achter de achtergevel van het hoofdgebouw groter is dan 300 m², mag maximaal 100 m² worden bebouwd;
  • c. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal de hoogte van de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw + 0,30 meter;
  • d. de dakhelling van bijbehorende bouwwerken is gelijk aan of kleiner dan die van het hoofdgebouw;
  • e. bij een hoofdgebouw met kap ligt de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk minstens 1,50 meter onder de nok van de woning;
  • f. naast de woning gelegen bijbehorende bouwwerken zijn alleen toegestaan aan één zijde van de woning;
  • g. de maximale breedte van naast de woning gelegen bijbehorende bouwwerken is 60% van de breedte van de woning met een maximum van 5 meter;
  • h. dakkapellen in het voordakvlak of in een naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak zijn toegestaan, met dien verstande dat,
    • 1. de hoogte niet meer dan 1,75 meter bedraagt;
    • 2. de zijkant meer dan 0,50 meter van de erfgrens of van de zijkant van het dakvlak is gelegen;
    • 3. de bovenkant meer dan 0,50 meter van de nok is gelegen;
    • 4. de voet tussen 0,50 meter en 1 meter boven de goot is gelegen;
    • 5. de breedte niet meer bedraagt dan 50% van de voorgevel met een maximum breedte van 4,50 meter;
    • 6. de breedte niet meer bedraagt dan 70% van de zij- en achtergevel;
    • 7. niet meer dan 2 dakkapellen per dakvlak van de woning zijn toegestaan;
    • 8. bij het plaatsen van 2 dakkapellen deze op één lijn en met een minimale tussenruimte van 0,60 meter geplaatst moeten worden.
11.2.3 Geluidluwe gevel

In aanvulling op het bepaalde in de leden 11.2.1 en 11.2.2 geldt dat:

  • a. elke woning ten minste één geluidluwe gevel heeft;
  • b. indien de realisatie van ten minste één geluidluwe gevel per woning zoals bedoeld onder a niet mogelijk is, dan moet de woning ten minste één gevel hebben waarbij de geluidsgevoelige ruimten die aan die gevel grenzen elk voorzien zijn van een geluidluw te openen deel;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder a en b geldt voor een woning die kleiner is dan 50 m2 bvo én over maar één buitengevel beschikt, niet voldaan hoeft te worden aan het bepaalde onder a en b, indien de woning beschikt over ten minste één geluidluw te openen deel.

11.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 meter, met dien verstande dat erf- en terreinafscheidingen gelegen vóór (het verlengde) van voorgevel maximaal 1 meter bedraagt;
  • b. de maximale bouwhoogte van geluidschermen bedraagt ten hoogste 2,40 meter;
  • c. de maximale bouwhoogte van lichtmasten bedraagt 5 meter;
  • d. de maximale bouwhoogte van andere bouwwerken mag niet meer dan 3 meter bedragen.
11.3 Specifieke beoordelingsregels bouwwerken
11.3.1 Hoofdgebouwen

Met een omgevingsvergunning zijn in afwijking van lid 11.2.1 sub b hoofdgebouwen geheel of gedeeltelijk met een plat dak of een andere kapvorm toegestaan.

11.3.2 Bijbehorende bouwwerken

Met een omgevingsvergunning zijn in afwijking van lid 11.2.2 sub b bijbehorende bouwwerken toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - erfbebouwing'.

11.3.3 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning genoemd onder 11.3.1 en 11.3.2 wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregel:

  • er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.gplegenda
11.4 Specifieke functieregels
11.4.1 Algemene regels maximum aantal woningen

Het aantal woningen mag niet meer dan 111 bedragen.

11.4.2 Algemene regels over beroep- of bedrijfsactiviteit aan huis
  • a. Het is toegestaan om een beroeps- of bedrijfsactiviteiten aan huis uit te oefenen in de vorm van de volgende activiteiten:
    • 1. het verlenen van diensten; en
    • 2. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijfsactiviteit.
  • b. De beroeps- of bedrijfsactiviteiten aan huis mag alleen worden uitgeoefend onder de volgende voorwaarden:
    • 1. De activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner van de woning. 
    • 2. Niet meer dan 30% van de totale oppervlakte van de woning en de bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor de activiteit.
    • 3. Niet meer dan 65m2 van de totale oppervlakte van de woning en de bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor de activiteit. 
    • 4. De activiteit veroorzaakt geen waarneembare trilling, geur of geluid buiten de woning en de bijbehorende bouwwerken. 

11.4.3 Verbod beroep- of bedrijfsactiviteit aan huis

Bij de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis zijn de volgende activiteiten niet toegestaan:

  • a. seksinrichting;
  • b. detailhandel met uitzondering van een beperkte verkoop ondergeschikt aan en behorend bij de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit;
  • c. horeca; en 
  • d. het buiten opslaan van goederen.

11.4.4 Algemene regels over bed and breakfast
  • a. In een woning is één bed and breakfast toegestaan. 
  • b. De bed and breakfast mag alleen worden uitgeoefend in het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken die aan het hoofdgebouw zijn gebouwd. 
  • c. De bed and breakfast wordt uitgeoefend door de bewoner van de woning.
  • d. De bewoner van de woning is in ieder geval 's nachts bij de bed and breakfast aanwezig.
  • e. Niet meer dan 35% van het brutovloeroppervlakte van de woning en de bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor de bed and breakfast, met een maximum van 65 m2.
  • f. Niet meer dan 2 kamers worden beschikbaar gesteld als slaapvertrekken voor de bed & breakfast. 
  • g. Niet meer dan 4 bezoekers maken tegelijkertijd gebruik van de bed & breakfast.

11.4.5 Verbod bed and breakfast

Het is verboden om aan de straatzijde van de woning een bed and breakfast uit te oefenen op de begane grond.

11.4.6 Algemene regels over particuliere vakantieverhuur

Particuliere vakantieverhuur van een woning is toegestaan als niet meer dan 4 personen tegelijkertijd gebruik maken van (gedeelten van) de woning en/of aangebouwde bijbehorende bouwwerken.

Artikel 12 Geluidzone - industrieterrein

12.1 Functieomschrijving

Op de voor 'Geluidzone - industrieterrein' aangewezen locaties zijn, behalve voor de andere daar toegestane gebruiksactiviteiten, mede bedoeld voor:

  • a. het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting op nieuwe geluidgevoelige gebouwen als gevolg van industrielawaai; en
  • b. de bescherming en instandhouding van de geluidsruimte in verband met de nabijheid van bedrijfsactiviteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken als bedoeld in bijlage VII van het Besluit activiteiten leefomgeving in samenhang met artikel 5.39 van dat besluit.
12.2 Beoordelingsregels over bouwwerken

In afwijking van het bepaalde bij de andere daar toegestane gebruiksactiviteiten geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrieterrein' - met uitzondering van herbouw ten behoeve van een bestaand geluidgevoelige gebouw - het niet is toegestaan geluidgebvoelige gebouwen te bouwen dan wel het gebruik van gebouwen ten behoeve van niet-geluidgevoelige functies om te zetten in het gebruik van gebouwen ten behoeve van geluidgevoelige functies.

12.3 Specifieke beoordelingsregels bouwwerken

Met een omgevingsvergunning zijn in afwijking van lid 12.2 teineinde het bouwen van nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen overeenkomstig de andere andere daar toegestane gebruiksactiviteiten toe te staan, mits de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein op de gevels van deze woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde.

Artikel 13 Waarde - Archeologie 1

13.1 Functieomschrijving

Op de voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen locaties zijn, behalve voor de andere daar toegestane gebruiksactiviteiten, mede bedoeld voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

13.2 Beoordelingsregels over bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan of het artikel dat daarvoor in dit omgevingsplan in de plaats zal treden en met in achtneming van het bepaalde in artikel 16 lid 16.2, gelden voor een aanvraag voor een binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken tevens de volgende beoordelingsregels:

13.2.1 Vaststelling archeologische waarden

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt door de aanvrager een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) overgelegd waarin:

  • a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en
  • b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.

13.2.2 Voorwaarden

Indien uit het archeologisch rapport zoals bedoeld onder lid 13.2.1 blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door de vergunde werkzaamheden kunnen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de vergunning:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden en/of (te laten) onderzoeken door een deskundige die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

13.2.3 Uitgezonderde bouwwerkzaamheden

Het in lid 13.2.1 bepaalde is niet van toepassing in geval van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor:

  • a. de bouw van bouwwerken, waarbij geen grondwerk wordt verricht op een diepte van meer dan 0,50 meter onder het maaiveld;
  • b. de bouw van een bouwwerk waarvan de maximale of totale oppervlakte kleiner is dan 50 m²;
  • c. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd.
13.3 Beoordelingsregels over het uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid
13.3.1 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren, ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op de gronden van toepassing zijnde functies en activiteiten:

  • a. het tot stand brengen of in exploitatie nemen van boor- en pompputten;
  • b. het ontginnen, het bodemverlagen, het afgraven, het egaliseren en het vergraven dieper dan 0,50 meter;
  • c. de bodem ophogen hoger dan 0,50 meter;
  • d. het aanleggen en verbreden van sloten, vijvers en andere watergangen;
  • e. het verlagen of verhogen van het grondwaterpeil;
  • f. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- en andere leidingen en daarmee verband houdende constructies;
  • g. het bebossen van gronden of aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplanting;
  • h. het rooien van bos of boomgaarden dieper dan 0,50 meter;
  • i. het aanleggen, verbreden en (half)verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • j. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem dieper dan 0,50 meter.

13.3.2 Uitzondering

Het bepaalde in 13.3.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en beheer betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt;
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning;
  • d. een oppervlakte hebben die minder dan 50 m² bedraagt.

13.3.3 Onderzoeksplicht

Een omgevingsvergunning kan pas worden verleend nadat door de aanvrager een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) is overgelegd waarin:

  • a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en
  • b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.

13.3.4 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 13.3.1 kan worden verleend, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de werken of werkzaamheden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

13.3.5 Voorwaarden

Aan de omgevingsvergunning kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Artikel 14 Waterstaat - Waterkering

14.1 Functieomschrijving

Op de voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen locaties zijn, behalve voor de andere daar toegestane gebruiksactiviteiten, mede bedoeld voor:

  • a. de instandhouding en de bescherming van de waterkering, en
  • b. overige voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten.
14.2 Beordelingsregels voor bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan of het artikel dat daarvoor in dit omgevingsplan in de plaats zal treden en met in achtneming van het bepaalde inartikel 16 lid 16.2, gelden voor een aanvraag voor een binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken tevens de volgende beoordelingsregels:

14.2.1 Bouwwerken

Ter plaatse van de in lid 14.1 genoemde locaties mogen ten dienste van de waterkering en de andere gebruiksactiviteiten bouwwerken worden gebouwd en gronden worden ontgraven of opgehoogd, mits de waterkerende functie van de gronden niet wordt geschaad.

14.2.2 Voorwaarden

Om te beoordelen of de waterkerende functie van de gronden niet wordt geschaad, dient advies te worden ingewonnen bij de beheerder van de waterkering.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 15 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 16 Aanvullende beoordelingsregels bouwactiviteit

16.1 Bodemgevoelig gebouw bouwen
16.1.1 Meldingplicht bodemgevoelig gebouw

Voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie geldt een meldingplicht.

16.1.2 Indieningsvereisten melding
  • a. Indien sprake is van een bodemgevoelig gebouw zoals bedoeld in artikel 5.89g van het Bkl, op een bodemgevoelige locatie zoals bedoeld in artikel 5.89h van het Bkl, dan moet dit ten minste vier weken voor het begin van de bouw worden gemeld bij het bevoegd gezag.
  • b. De melding als bedoeld onder a wordt ondertekend en bevat ten minste;
    • 1. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
    • 2. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;
    • 3. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht;
    • 4. de dagtekening; en
    • 5. bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid van het Bkl: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen;
    • 6. 1 en 5 zijn niet van toepassing op locaties die zijn aangewezen in het omgevingsplan waar een overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid van het Bkl redelijkerwijs is uit te sluiten.
16.2 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteit
16.2.1 Bouwactiviteit

Met een omgevingsvergunning zijn in afwijking van de regels in de voorgaande artikelen toegestaan:

  • a. gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en elektriciteitsvoorzieningen met een maximum bouwhoogte van 5 meter, en een maximale brutovloeroppervlak van 30 m²;
  • b. afwijkingen van de in de planregels voorgeschreven maten, afmetingen, percentages met maximaal 10%;
  • c. afwijkingen van de op de verbeelding aangegeven bestemmingsgrenzen en aanduidingen;
  • d. bouwwerken ten behoeve van vlucht- en/of noodtrappen.

16.2.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning bedoeld in lid 16.2.1 wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. de afwijking in het belang is van een ruimtelijk, technisch of duurzaam beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein of om te voldoen aan het Besluit bouwwerken leefomgeving; en
  • b. slechts in geringe mate wordt afgeweken van de bestemmingsgrenzen en aanduidingen, met een maximum van 2 meter.
16.3 Parkeren

Bij de uitoefening van de bevoegdheid voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw geldt dat:

  • a. voldoende parkeervoorzieningen voor auto's en fietsen worden gerealiseerd op de betreffende locatie of in de directe omgeving daarvan in of buiten het plangebied;
  • b. voldoende betekent dat wordt voldaan aan de normen in de beleidsregels die zijn neergelegd in de “Uitvoeringsnota Parkeren Zaanstad 2016” en;
  • c. indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging.
16.4 Regels over het uiterlijk van bouwwerken
  • a. Een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt alleen verleend indien het uiterlijk van het bouwwerk op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan niet in strijd is met de omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken, zoals opgenomen op de pagina's 8 tot en met 19 van het Beeldkwaliteitsplan Hilko Kogerveldwijk, Zaandam, Zaanstad, juni 2025, vastgesteld d.d. ... en zoals opgenomen in Bijlage 3.
  • b. Bij de beoordeling van een aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in lid a. wordt de Adviescommissie Welstand en Monumenten Zaanstad (AWMZ) om advies gevraagd.
  • c. Bij de advisering over de aanvraag als bedoeld in lid b. en bij de interpretatie van de beoordelingsregels als bedoeld in lid a. betrekt de AWMZ de regels over het uiterlijk van bouwwerken zoals opgenomen op de pagina's 8 tot en met 19 van het Beeldkwaliteitsplan Hilko Kogerveldwijk, Zaandam, Zaanstad, juni 2025, vastgesteld d.d. ... en zoals opgenomen in Bijlage 3.
  • d. De omgevingsvergunning wordt ook verleend indien Burgemeester en Wethouders in afwijking van het advies van de AWMZ van oordeel zijn dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.

Artikel 17 Algemene gebruiksregels

17.1 Woningsplitsing en kamergewijze verhuur

17.1.1 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit woningsplitsing

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een woning in twee of meer woningen te splitsen.

17.1.2 Uitzondering op de vergunningplicht omgevingsplanactiviteit woningsplitsing

Het verbod, bedoeld in lid 17.1.1, geldt niet voor woningsplitsing als dat betrekking heeft op een van de gevallen die in artikel 3.1.3 lid 4 van de Huisvestingsverordening 2025 of diens rechtsopvolger is vrijgesteld van de vergunningplicht voor woningsplitsing.

17.1.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 17.1.1 wordt alleen verleend als:

  • a. de aanvraag niet valt binnen één van de weigeringsgronden die gelden in artikel 3.3.1b van de Huisvestingsverordening 2025 of diens rechtsopvolger; en
  • b. er wordt voldaan aan de parkeernormen die voortvloeien uit de 'Uitvoeringsnota Parkeren Zaanstad 2016' of diens rechtsopvolger.

17.1.4 Vergunningvoorschriften met betrekking tot woningsplitsing

Aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit woningsplitsing kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden als bedoeld in artikel 3.3.2 van de Huisvestingsverordening 2025 of diens rechtsopvolger.

Artikel 18 Overige regels

18.1 Gezamenlijk geluid

Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - gezamenlijk geluid' geldt dat het gezamelijk geluid op de gevels van een geluidgevoelig gebouw ten hoogste de geluidsnorm bedraagt zoals is opgenomen in de tabellen en figuren van Bijlage 4.

18.2 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het plan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM-omgevingsplan.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 19 Overgangsrecht

19.1 Overgangsrecht bouwwerken
19.1.1 Bestaande bouwwerken

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het hoofdstuk (TAM-omgevingsplan) aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

19.1.2 Afwijking

Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid 19.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 19.1.1 met maximaal 10%.

19.1.3 Uitzondering

Lid 19.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

19.2 Overgangsrecht gebruik
19.2.1 Bestaand gebruik

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk (TAM-omgevingsplan) en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

19.2.2 Strijdig gebruik

Het is verboden het met dit hoofdstuk (TAM-omgevingsplan) strijdige gebruik, bedoeld in lid 19.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

19.2.3 Verboden gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in lid 19.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

19.2.4 Uitzonderingen

Lid 19.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.