direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Boelenhoefseweg 3
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0307.TAM016-0301

Regels

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het vastleggen van de regeling voor de herontwikkeling van het perceel aan de Boelenhoefseweg. Voor deze locaties is het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Boelenhoefseweg als een nieuw hoofdstuk 22s opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Amersfoort. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22s van het omgevingsplan van de gemeente Amersfoort.

In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22s.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22s.' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22s. Aanvullend op deze begripsbepalingen gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk de volgende begripsbepalingen:

1.1 bebouwing

Eén of meer bouwwerken.

1.2 bouwwerk

Constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart.

1.3 kunstwerk

Civiel-technisch werk voor de infrastructuur van wegen, water, spoorbanen waterkeringen en of leidingen en niet bedoeld voor permanent menselijk verblijf, zoals een brug, duiker of viaduct.

1.4 nutsvoorziening

Voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes/kasten, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

1.5 Omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente Amersfoort.

1.6 TAM-omgevingsplan

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s 'Boelenhoefseweg 3' met identificatienummer NL.IMRO.0307.TAM016-0301 van de gemeente Amersfoort.

1.7 werkingsgebied

Het werkingsgebied begrenst (met coördinaten/geometrie) de juridische werking van de tekst: het duidt aan dat de tekst alleen binnen dit werkingsgebied een juridische werking heeft.

Artikel 2 Meet- en rekenvoorschriften

Het bepaalde in artikel 22.24 van het omgevingsplan Amersfoort is van toepassing op de regels in hoofdstuk 22s. Daarnaast gelden de volgende meetbepalingen bij toepassing van de regels.

2.1 afstand tot de perceelgrens:

de kortste afstand van enig punt van een bouwwerk tot een bepaalde grens van het erf;

2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.3 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.4 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.5 de hoogte van een windturbine:

vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine;

2.6 de inhoud van een bouwwerk:

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.7 de lengte, breedte en de diepte van een bouwwerk:

tussen de lijnen, getrokken door de buitenzijde van de gevelvlakken en/of het hart van de scheidsmuren;

2.8 oppervlakte van bijbehorende bouwwerken:

bij de berekening van de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken worden niet meegerekend (gedeelten van) bijbehorende bouwwerken gelegen binnen het bouwvlak, met dien verstande dat erkers, etc. voor de voorgevel niet meetellen bij de berekening van de oppervlakte;

2.9 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Hoofdstuk 2 Integratie omgevingsplan

Artikel 3 Toepassingsbereik

3.1 Geometrische afbakening

De regels in dit plan zijn van toepassing op de locaties waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0307.TAM016-0301, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

3.2 Integratie omgevingsplan gemeente Amersfoort

De regels in dit plan zijn integraal onderdeel van de geconsolideerde versie van het 'Omgevingsplan gemeente Amersfoort' zoals dat is gepubliceerd op de landelijke voorziening https://omgevingswet.overheid.nl/home.

3.3 Buitenwerkingstelling eerdere besluiten

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locaties in dit plan.

3.4 Integratie tijdelijk deel omgevingsplan
3.4.1 Integratie bruidsschat
  • a. De regels in hoofdstuk 22 (zonder lettertoevoeging) van het Omgevingsplan gemeente Amersfoort zijn van overeenkomstige toepassing op de locaties in dit plan.
  • b. Als de regels uit hoofdstuk 22 (zonder lettertoevoeging) van het Omgevingsplan gemeente Amersfoort op enig moment een andere plek in de structuur van het Omgevingsplan gemeente Amersfoort krijgen, blijven die regels van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de daarop doorgevoerde wijzigingen.

Hoofdstuk 3 Thematische regels

Artikel 4 Oogmerk

De regels in Hoofdstuk 3 Thematische regels zijn gesteld met het oog op:

  • a. het beschermen en in stand houden van een goed woon- en leefklimaat;
  • b. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden;
  • c. het behoud van cultureel erfgoed;
  • d. het beschermen van archeologische waarden;
  • e. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken;
  • f. het waarborgen van de veiligheid;
  • g. het beschermen van het milieu;
  • h. het beschermen van de natuur.

Artikel 5 Normadressaat

Aan de regels van Hoofdstuk 3 Thematische regels wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 6 Archeologische waarden

6.1 Toepassingsbereik
  • 1. Dit artikel gaat over het verrichten van grondwerkzaamheden en het ophogen van de bodem in een gebieden met een archeologische verwachtingswaarde.
  • 2. Onder de in onderdeel 1 bedoelde grondwerkzaamheden wordt verstaan:
  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen, waaronder afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage;
  • b. het aanleggen, vergraven, verruimen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • c. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond;
  • e. het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • f. het aanleggen van bos of boomgaard met diepwortelende beplanting;
  • g. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
6.2 Vergunningplicht
  • 1. Het is verboden om in het werkingsgebied 'Waarde - Archeologie 2' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten, als:
    • a. de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm; en
    • b. de oppervlakte van de graafwerkzaamheden meer is dan 100 m2.
  • 2. Het is verboden om in het werkingsgebied 'Waarde - Archeologie 2' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de bodem op te hogen met meer dan 30 cm.
  • 3. het eerste onderdeel geldt niet:
  • a. voor grondwerkzaamheden die worden verricht voor vervanging, vernieuwing of verandering van de bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande fundering;
  • b. als er op voorhand door het Centrum voor Archeologie van de gemeente Amersfoort is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.
6.3 Aanvraagvereisten
  • 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in 6.2 wordt een archeologisch onderzoeksrapport aangeleverd waaruit blijkt dat de archeologische waarden van de gronden in voldoende mate zijn vastgesteld.
  • 2. Als het in onderdeel 1 bedoelde archeologisch onderzoek een proefsleuvenonderzoek of een opgraving is, wordt voorafgaand aan dat onderzoek een archeologisch programma van eisen aangeleverd, waarin nadere regels worden gesteld over het betreffende onderzoek.
  • 3. Voordat het in onderdeel 2 bedoelde archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd, legt de initiatiefnemer een archeologisch plan van aanpak ter goedkeuring voor aan het college van burgemeester en wethouders.
6.4 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in 6.2 wordt verleend als:

  • a. er geen archeologische waarden worden geschaad; of
  • b. schade door de met de oprichting van het bouwwerk samenhangende activiteiten kan worden voorkomen, door het verbinden van voorschriften aan de vergunning, als bedoeld in 6.5.
6.5 Vergunningvoorschriften

Op grond van de beoordelingsregels als bedoeld in 6.4, onder b kunnen de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning als bedoeld in 6.2 worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van aanvullend onderzoek.

Artikel 7 Bodem

7.1 Ontplofbare oorlogsresten

Voor het verrichten van bodemingrepen, dient in verband met veiligheid kennis te worden genomen van de explosievenkaart en bijbehorend beleid van de gemeente Amersfoort (zie www.overheid.nl).

Artikel 8 Geluid

8.1 Toepassingsbereik

Dit artikel gaat over het toevoegen van nieuwe geluidgevoelige gebouwen bij bouwactiviteiten waarvoor op grond van artikel 12.3 van dit omgevingsplan een vergunning nodig is.

8.2 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning geluidgevoelige gebouwen toe te voegen.

8.3 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in 12.3 wordt verleend als:

  • a. voldaan wordt aan de regels in hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten van dit TAM-omgevingsplan; en
  • b. de geluidsbelasting op de gevels van deze geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende grenswaarde; of
  • c. in het geval van overschrijding van de grenswaarde wordt voldaan aan de geluidsmitigerende maatregelen zoals opgenomen in bijlage 6 Akoestisch onderzoek (of een daaraan gelijk te stellen oplossing). De getroffen dienen in stand te worden gehouden.
8.4 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in 12.3 wordt een akoestisch onderzoeksrapport aangeleverd.

8.5 Geluid bij een beroep of bedrijf aan huis

In het werkingsgebied Wonen zijn bij elke woning beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten toegestaan, met dien verstande dat de activiteit geen waarneembare geluid, geur of trillingen buiten de woning en de bijbehorende bouwwerken mag veroorzaken op 20 meter van de gevel of in aanpandige resp. geluid-, geur-, of trillings gevoelige gebouwen.

Artikel 9 Groen

9.1 Toepassingsbereik

Dit artikel gaat over groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, behoud, herstel en ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke waarden van de groenvoorzieningen en inrichting voor recreatief medegebruik.

9.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunningen als bedoeld in 12.3 en artikel 15.2 wordt verleend als wordt voldaan aan de beoordelingsregels in het door het bevoegd gezag goedgekeurde inrichtingsplan voor de herontwikkeling van het landgoed aan de Boelenhoefseweg 3, zoals opgenomen in bijlage Inrichtingsplan landgoed Boelenhoef bij deze regels. Specifiek voor de erfinrichting moet worden getoetst aan de overzichtstekening in bijlage 2

9.3 Instandhoudingsplicht

Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de gronden waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft, is alleen toegestaan zolang de in 9.2 bedoelde groenmaatregelen in stand worden gehouden.

Artikel 10 Parkeren

10.1 Toepassingsbereik

Dit artikel gaat over het parkeren bij bouwactiviteiten waarvoor op grond van 12.3 van dit omgevingsplan een vergunning nodig is, waarbij sprake is van:

  • a. nieuwbouw; of
  • b. uitbreiding van de bruto vloeroppervlakte; of
  • c. functiewijzigingen van gronden en/of bouwwerken.
10.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in 12.3 wordt verleend als wordt voorzien in (de aanleg van) voldoende parkeergelegenheid, zoals vastgelegd in de gemeentelijke Nota Parkeernormen 2009, Beleidsregel Toepassing Parkeernormen 2024 en rechtsopvolgende beleidsregels inzake het parkeren zoals die gelden tijdens het indienen van de omgevingsvergunning (zie www.overheid.nl).

10.3 Instandhoudingsplicht

Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de gronden waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft, is alleen toegestaan zolang de in 10.2 bedoelde parkeergelegenheid in stand wordt gehouden.

Hoofdstuk 4 Activiteitgerichte regels

Artikel 11 Algemeen

11.1 Oogmerk

De regels in Hoofdstuk 4 Activiteitgerichte regels zijn gesteld met het oog op:

  • a. het beschermen en in stand houden van een goed woon- en leefklimaat;
  • b. het in stand houden en beschermen van de groene waarden, natuur en ecologische waarden;
  • c. het beschermen van de gezondheid;
  • d. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden;
  • e. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress;
  • f. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken;
  • g. het waarborgen van de veiligheid;
  • h. het beschermen van het milieu;
11.2 Normadressaat

Aan de regels van Hoofdstuk 4 Activiteitgerichte regels wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 12 Bouwen

12.1 Toepassingsbereik

Deze regels zijn van toepassing op het bouwen en in stand houden van gebouwen en geldt als aanvulling op het bepaalde in artikel 5.5 van het omgevingsplan Amersfoort.

12.2 Anti-dubbeltelbepaling

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

12.3 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning zoals benoemd in artikel 5.5 van het omgevingsplan Amersfoort een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, tenzij anders aangegeven.

12.4 Bouwen ten dienste van gebruik

Het is verboden om een bouwwerk te bouwen voor een gebruiksactiviteit die niet is toegestaan volgens Hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten.

Artikel 13 Hoofdgebouw

13.1 Beoordelingsregels algemeen

De omgevingsvergunning als bedoeld in 12.3 wordt voor een hoofdgebouw verleend als wordt voldaan aan de beoordelingsregels in 13.2 tot en met 13.6

13.2 Bouwvlak
  • 1. Het hoofdgebouw wordt gerealiseerd in het werkingsgebied bouwvlak;
  • 2. Per bouwvlak zijn maximaal 7 woningen en 1 beheerschuur toegestaan;
  • 3. De woningen dienen te worden gesitueerd conform de overzichtstekening zoals opgenomen in bijlage 2.
13.3 Bouwhoogte

De maximum bouwhoogte is voor bestaande bebouwing gelijk aan de bestaande bouwhoogte of voor nieuwbouw maximaal 10 meter.

13.4 Goothoogte

De maximum goothoogte is voor bestaande bebouwing gelijk aan de bestaande goothoogte of voor nieuwbouw maximaal 3,5 meter.

13.5 Inhoud
  • a. De maximum inhoud is voor bestaande bebouwing gelijk aan de bestaande inhoud;
  • b. van maximaal 4 van de nieuw te bouwen woningen is de inhoud maximaal 990 m³;
  • c. van 2 van de nieuw te bouwen woningen is de inhoud maximaal 600m³.
13.6 Woningtypologie

In het werkingsgebied ‘vrijstaande woningen’ wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in 12.3 alleen verleend voor vrijstaande woningen.

Artikel 14 Bijbehorende bouwwerken

14.1 Beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 12.3  wordt verleend voor bijbehorende bouwwerken:

  • a. bijbehorende bouwwerken dienen te worden gebouwd bij een woning;
  • b. bijbehorende bouwwerken zijn niet toegestaan bij de 4 woningen met een inhoud van maximaal 990 m³;
  • c. bijbehorende bouwwerken dienen op minimaal 1 m achter de voorgevelrooilijn te worden gesitueerd;
  • d. de goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de hoogte van de vloer van de eerste verdieping, vermeerderd met 0,3 m;
  • e. de bouwhoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen mag niet meer bedragen dan de halve hoogte van de kap van het hoofdgebouw met een maximum van 5 m, dan wel, bij hoofdgebouwen bestaande uit 1 bouwlaag met 1 kap, niet meer bedragen dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw;
  • f. de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • g. de bouwhoogte van vrijstaande bouwwerken en overkappingen mag niet meer bedragen dan 5 m;
  • h. bijbehorende bouwwerken mogen plat worden afgedekt en/of met een kap met een dakhelling van 45 graden; indien de dakhelling van de kap van het hoofdgebouw groter is dan 45 graden mogen bijbehorende bouwwerken worden afgedekt met een dakhelling overeenkomstig de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • i. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag per woning maximaal 75 m² bedragen.

Artikel 15 Werken geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden

15.1 Algemeen

Dit artikel gaat over het aanleggen van werken, geen bouwwerken zijnde en over het uitvoeren van werkzaamheden.

15.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden algemeen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren in de buitenruimte:

  • a. het aanleggen en verharden of wijzigen van het profiel van wegen en paden, wanneer het niet gaat om normaal beheer en onderhoud;
  • b. het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, wanneer het niet gaat om normaal beheer en onderhoud;
15.3 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden algemeen

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in 15.2 wordt verleend als door de werken en/of werkzaamheden de natuurlijke of landschappelijke waarden niet in onevenredige mate worden aangetast.

Hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten

Artikel 16 Algemeen

16.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk gaat over gebruiksactiviteiten.

16.2 Oogmerk

De regels in Hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten zijn gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

16.3 Normadressaat

Aan de regels van Hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

16.4 Verbod op strijdig gebruik

Het is verboden om in het plangebied andere gebruiksactiviteiten te verrichten dan genoemd in de regels van een werkingsgebied van een gebruiksactiviteit zoals bedoeld in 17 Landgoed en Artikel 18 Wonen.

Artikel 17 Landgoed

In het werkingsgebie 'Landgoed' mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor:

  • a. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke- en de natuurwaarden, overeenkomstig het inrichtingsplan zoals openomen in bijlage 1;
  • b. ter plaatse van het werkingsgebied ‘erf’ voor de inrichting als erf bij wonen;
  • c. een samenhangend beheer van het landgoed;
  • d. extensief dagrecreatief medegebruik;
  • e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • f. ter plaatse van het werkingsgebied 'beheerschuur' voor een beheerschuur.

Artikel 18 Wonen

18.1 Wonen

In het werkingsgebied 'Wonen' mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor wonen in een woning.

18.2 Beroeps- of bedrijfsactiviteiten aan huis

In het werkingsgebied 'Wonen' mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten bij elke woning als:

  • a. het beroep of bedrijf door de bewoner van de woning wordt uitgeoefend, waarbij de bewoner maximaal twee medewerkers mag hebben;
  • b. er geen sprake is van publieksgerichte beroeps-, of bedrijfsactiviteiten aan huis;
  • c. maximaal 35% van de bebouwde oppervlakte van de woning en de bijbehorende bouwwerken wordt benut voor het beroep of bedrijf, met een maximum van 75 m²;
  • d. het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer;
  • e. geen nadelige invloed heeft op de parkeerbehoefte in de openbare ruimte;
  • f. er geen beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten in de openbare ruimte rond de woning plaatsvinden, met uitzondering van in- en uitladen; en
  • g. geen buitenopslag plaatsvindt.

18.3 Vergunningplicht voor publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteiten aan huis
  • 1. In afwijking van het bepaalde in 16.4 en 18.2 onder b kan in het werkingsgebied wonen een omgevingsvergunning worden verleend voor publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteiten aan huis.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld onder 1 wordt verleend als:
  • a. voor wat betreft het parkeren wordt voldaan aan artikel 10.
  • b. voor het overige wordt voldaan aan de onder 18.2 genoemde voorwaarden.

Hoofdstuk 6 Overgangsrecht

Artikel 19 Overgangsrecht

19.1 Overgangsrecht gebruik
  • 1. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in onderdeel 1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in onderdeel 1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Onderdeel 1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat omgevingsplan.
19.2 Overgangsrecht gebouwen
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd of na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van onderdeel 1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in onderdeel 1 met maximaal 10%.
  • 3. Onderdeel 1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat omgevingsplan.