| Plan: | Valckstraat 30 te Zutphen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0301.bp0305Valckstr30-vs01 |
Stichting Vrije School Noord en Oost Nederland (VSNON) heeft het plan om de basisschool De Zwaan, Valckstraat 30 in Zutphen, uit te breiden. De uitbreiding bestaat uit een aula aan de noordzijde van de bestaande school en vier extra leslokalen in het souterrain. Het geldende bestemmingsplan maakt de uitbreiding van het aantal leslokalen wel mogelijk maar de toevoeging van het gewenste bouwvlak aan de noordzijde niet. Een nieuw planologisch-juridisch kader dient daarom te worden opgesteld. Het voorliggende bestemmingsplan "Valckstraat 30 te Zutphen" voorziet in dit planologisch-juridisch kader.
Het perceel Valckstraat 30 (hierna: plangebied) is gelegen in het noordelijk deel van de stad Zutphen, in de buurt Helleraetplein en in de wijk Noordveen. Het plangebied wordt aan de westzijde begrensd door sportvoorzieningen (modelbouwvereniging), aan de zuid- en oostzijde door een groenstrook en aan de noordzijde door de Valckstraat. Navolgende afbeelding geeft de ligging van het plangebied globaal weer. Voor de begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding, behorende bij voorliggend bestemmingsplan.
Afbeelding 1.1: Ligging plangebied (bron: Google Earth)
Het plangebied is gelegen in het geldende bestemmingsplan "Deventerweg-Voorsteralleekwartier" (NL.IMRO.0301.Deventerweg), vastgesteld door de gemeenteraad van Zutphen op 2 november 2009. Hierin heeft het plangebied de bestemming "Maatschappelijk". Binnen deze bestemming mogen onder andere educatieve voorzieningen worden gerealiseerd. Onder educatieve voorzieningen kan worden verstaan voorzieningen gericht op doeleinden van onderwijs. In de planregels is aangegeven dat gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak zijn toegestaan.
Navolgende afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding weer. Het plangebied is globaal weergegeven middels een rood kader.
Afbeelding 1.2: Uitsnede vigerende verbeelding (bestemmingsplan "Deventerweg-Voorsteralleekwartier ")
De voorgenomen uitbreiding aan de noordzijde van de bestaande school past niet binnen het bouwvlak zoals opgenomen op de verbeelding van het geldende bestemmingsplan. Ook past de bouwhoogte van de te realiseren loopbrug ten behoeve van de entree van het schoolgebouw niet binnen de geldende regels. De beoogde uitbreiding en loopbrug zijn dan ook strijdig met het geldende bestemmingsplan, waardoor een bestemmingsplanherziening nodig is.
Deze toelichting bestaat uit zeven hoofdstukken. Voorliggend hoofdstuk 1 bevat een aantal algemene planaspecten. Hierna volgt hoofdstuk 2. Daarin vindt de planbeschrijving plaats. Hoofdstuk 3 en 4 gaan in op de haalbaarheid van de ontwikkeling. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de plansystematiek en in hoofdstuk 6 op de economische uitvoerbaarheid. Tot slot komt in hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aan de orde.
Stichting VSNON draagt zorg voor het oprichten en in stand houden van vrijeschoolonderwijs. De scholen zijn toegankelijk voor kinderen van 0 tot 18 jaar uit alle culturele, levensbeschouwelijke en sociale achtergronden.
De school in het plangebied betreft een van de drie scholen voor het Vrije School Basisonderwijs in Zutphen. VSNON is voornemens het aantal locaties voor het basisonderwijs terug te brengen naar twee locaties. Om de leerlingen op te kunnen vangen op twee locaties dient de locatie aan de Valckstraat grondig verbouwd en uitgebreid te worden. Het schoolgebouw omvat in de huidige situatie 6 lokalen en een souterrain met wat additionele ruimten.
Navolgende afbeelding geeft een beeld van het plangebied weer.
Afbeelding 2.1: Foto's van het plangebied (bron: I_KB Architecten)
De uitbreiding van het schoolgebouw voorziet in de realisatie van extra lokalen (4 stuks) in het souterrain. Daarnaast wordt een aula gerealiseerd aan de voorzijde van het gebouw.
Door de verbouwing is het mogelijk het gedateerde gebouw weer een nieuwe en eigentijdse uitstraling te geven, die bovendien meer past bij het antroposofische gedachtengoed van de Vrije School. Gekozen is om de nieuwe toevoegingen in een plaatmateriaal uit te voeren met een hout-uitstraling om zo ook meer aansluiting te vinden bij de natuurlijke omgeving. Door het gebouw niet alleen aan de onderzijde uit te breiden, maar ook aan de voorzijde de aula toe te voegen ontstaat een verankering met het glooiende terrein en gaan omgeving en gebouw vloeiend in elkaar over. Aan de voorzijde van het pand wordt een loopburg gerealiseerd ten behoeve van de entree van het gebouw.
Naast de ruimtelijke aanpassingen is ook getracht de verbouwing en uitbreiding zo duurzaam mogelijk uit te voeren.
Navolgende afbeelding geeft een indicatie van de gevelbeelden van het schoolgebouw na de uitbreiding weer.
voorgevel
rechter zijgevel
linker zijgevel
achtergevel
plattegrond
Afbeelding 2.2: Gevelaanzichten en plattegrond schoolgebouw (bron: I_KB Architecten)
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Deze structuurvisie vervangt de Nota Ruimte. De structuurvisie geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de ‘kapstok’ voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de structuurvisie schetst het rijk ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028.
De leidende gedachte in de SVIR is ruimte maken voor groei en beweging. De SVIR is de eerste rijksnota die de onderwerpen infrastructuur en ruimte integraal behandelt. In de SVIR richt het Rijk zich vooral op decentralisatie. De verantwoordelijkheid wordt verplaatst van rijksniveau naar provinciaal en gemeentelijk niveau.
Door urbanisatie, individualisering, vergrijzing en ontgroening nemen de ruimtelijke verschillen toe. Vanaf 2035 groeit de bevolking niet meer. De samenstelling van de bevolking, en daarmee de samenstelling van huishoudens, verandert. Ambities tot 2040 zijn onder andere het aansluiten van woon- en werklocaties op de (kwalitatieve) vraag en het zoveel mogelijk benutten van locaties voor transformatie en herstructurering. Ook wil het rijk ervoor zorgen dat in 2040 een veilige en gezonde leefomgeving met een goede milieukwaliteit wordt geboden. Dit moet voor zowel het landelijk als het stedelijk gebied gelden. In de SVIR is verder vastgelegd dat provincies en (samenwerkende) gemeenten verantwoordelijk zijn voor programmering van verstedelijking. (Samenwerkende) gemeenten zorgen voor (boven)lokale afstemming van woningbouwprogrammering die past binnen de provinciale kaders. Ook zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de uitvoering van de woningbouwprogramma’s.
Het rijk legt met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de nationale ruimtelijke belangen juridisch vast. Enerzijds betreft het de belangen die reeds in de (ontwerp-) AMvB Ruimte uit 2009 waren opgenomen en anderzijds is het Barro aangevuld met onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden.
Onderwerpen waarvoor het rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. Ter bescherming van deze belangen zijn reserveringsgebieden, begrenzingen en vrijwaringszones opgenomen. In het besluit is aangegeven op welke wijze bestemmingsplannen voor deze gebieden moeten zijn ingericht. Indien geldende bestemmingsplannen niet voldoen aan het Barro dan moeten deze binnen drie jaar na inwerkingtreding van het besluit zijn aangepast.
Sinds 1 oktober 2012 is het wettelijk verplicht om de ladder voor duurzame verstedelijking (kortweg: 'duurzaamheidsladder') toe te passen als onderbouwing van een nieuw bestemmingsplan, welke een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. De 'duurzaamheidsladder' heeft als doel om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren en over programmering op regionaal niveau te voorkomen. De ladder bestaat uit drie treden:
Navolgende afbeelding geeft de treden schematisch weer.
Afbeelding 3.1: Ladder voor duurzame verstedelijking (bron: Ministerie van Infrastructuur en Milieu)
Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling dient een toets van het bestemmingsplan aan de criteria uit de duurzaamheidsladder te worden uitgevoerd. Daaraan voorafgaand dient een beoordeling plaats te vinden of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voor zover dit niet het geval is, kan een toetsing aan de duurzaamheidsladder achterwege blijven.
Een stedelijke ontwikkeling is in de wet gedefinieerd als “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”. Zoals aangegeven geldt de eis van de duurzaamheidsladder alleen bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Uit uitspraken van de Raad van State blijkt dat dit van toepassing is bij bestemmingsplannen (inclusief wijzigingsplannen) én bij omgevingsvergunningen voor afwijkend gebruik die een planologische verandering inhouden ten opzichte van het voorgaande planologisch regime. Hoewel voorliggend bestemmingsplan niet voorziet in een gewijzigde bestemming, is wel sprake van gewijzigde gebruiks- (en bouw-) mogelijkheden. Derhalve wordt getoetst aan de duurzaamheidsladder.
Trede 1
In het kader van de aankomende krimp enerzijds en de regionale toename van de belangstelling voor het vrije school onderwijs anderzijds is door en in opdracht van de VSNON onderzoek gedaan naar passende huisvesting. Op dit moment heeft de VSNON drie basisschool locaties in Zutphen. Na regionaal onderzoek is gebleken dat er voor nu en in de toekomst behoefte is aan in totaal 2,5 stroom basisonderwijs. Na analyse van de bestaande schoolgebouwen is ervoor gekozen om van drie naar twee locaties te gaan. De locatie aan de Henri Dunantweg is met een kleine (interne) verbouwing weer toekomstbestendig te maken voor een enkele stroom. Op deze locatie is ook geen ruimte en mogelijkheid de school uit te breiden. Het gebouw aan de Valckstraat biedt deze ruimte wel, gezien de structuur van het gebouw en de ruimte om het gebouw. Het bestaande pand wordt door de renovatie en uitbreiding geschikt gemaakt voor anderhalve stroom. Op deze wijze kan men ook op de lange termijn op goede wijze de basisschool-leerlingen uit de hele regio huisvesten. Het gebouw aan de Weerdslag komt door deze transitie vrij en wordt toegevoegd aan de huisvesting van het Voortgezet Onderwijs van de VSNON. Het voortgezet onderwijs maakt een sterke groei door en heeft behoefte aan extra huisvesting. Door toevoeging van het basisschoolgebouw aan de Weerdslag ontstaat een “uni-locatie” voor het voortgezet onderwijs op termijn. De komende jaren zal aanvullende (tijdelijke) huisvesting nodig zijn om alle leerlingen op te vangen.
De uitbreiding van de school voorziet in een regionale behoefte en leidt niet tot een zodanige leegstand van schoolgebouwen in de regio dat dit vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening zal leiden tot een onaanvaardbare situatie in de betrokken regio.
Trede 2 en trede 3
Aangezien het plangebied een inbreidingslocatie betreft, en dus is gelegen in bestaand bebouwd gebied binnen de gemeente Zutphen, is toetsing aan trede 2 (locatieafweging) en trede 3 (gewenste multimodale bereikbaarheid van een uitleglocatie) van de duurzaamheidsladder niet noodzakelijk als onderbouwing van voorliggend bestemmingsplan.
Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Het waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij streven we naar een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland.
Het rijksbeleid is vooral kader stellend voor het beleid van andere overheidsinstanties. Onderhavige ontwikkeling speelt zich af op lokaal niveau, waardoor het rijksbeleid geen directe betekenis heeft voor dit nieuwe bestemmingsplan. Onderhavig plan is daarom in lijn met het rijksbeleid.
Het provinciaal beleid voor de provincie Gelderland is opgenomen in de Omgevingsvisie Gelderland, vastgesteld door Provinciale Staten van Gelderland op 9 juli 2014. Deze omgevingsvisie vervangt een aantal provinciale beleidsstukken, zoals het Streekplan Gelderland 2005, het Waterplan Gelderland 2010-2015 en het Provinciaal Verkeer- en Vervoerplan.
De provincie kiest er in haar Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:
Deze twee hoofddoelen benadrukken de rol en kerntaken van de provincie als middenbestuur. Zij beïnvloeden elkaar. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dat is een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Het betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland.
Bij de omgevingsvisie zijn een aantal kaarten opgesteld. Voor het plangebied is de kaart ‘Regionaal’ relevant. Het plangebied is gelegen in de zone 'Stedendriehoek'
Een goed vestigingsklimaat is een belangrijke troef van de regio Stedendriehoek. De regio is goed bereikbaar en ligt in het unieke landschap van de Veluwe, Salland, Achterhoek en de IJsselvallei. De voordelen van stad, dorp en platteland worden er gecombineerd. Maat en schaal van het gebied zijn overzichtelijk en de sociale betrokkenheid is groot.
Centrale opgave is een nog verdere versterking van het vestigingsklimaat in de regio. Daaraan liggen vier deelopgaven ten grondslag:
Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik
Bij ruimtelijke initiatieven is de uitdaging de match te maken tussen de kwaliteiten van het betreffende initiatief en de kwaliteiten van de plek of het gebied waar het initiatief speelt. Het accent van stedelijke ontwikkelingen verschuift van nieuwbouw naar het vitaliseren van bestaande gebieden en gebouwen. De Gelderse Ladder voor duurzaam ruimtegebruik wordt gebruikt als afwegingskader voor de vestigingsplek van stedelijke ontwikkelingen. Als juridische basis gebruikt de provincie de ladder voor duurzame verstedelijking die het Rijk heeft vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In elk bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling dienen gemeenten volgens de Rijksladder aan de hand van drie stappen de locatiekeuze te motiveren.
Deze Rijksladder is van provinciaal belang. Aangezien de juridische borging van de ladder al geregeld is in het Bro, heeft de provincie de ladder niet nogmaals opgenomen in de provinciale omgevingsverordening.
Het beleid, zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie, is verankerd in de Omgevingsverordening. Deze verordening is op 24 september 2014 vastgesteld. De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie er aan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
Voor voorliggend bestemmingsplan zijn in de Omgevingsverordening geen specifieke regels opgenomen.
De beoogde uitbreiding doet, mede gelet op de aard en omvang, geen afbreuk aan het gestelde in de verordening. Onderhavig plan is in lijn met het provinciaal beleid.
De regionale structuurvisie Stedendriehoek 2030 is in mei 2007 vastgesteld door de gemeenteraden van Apeldoorn, Brummen, Deventer, Lochem, Voorst en Zutphen. In deze visie staan de gemeenschappelijke ambities van de gemeenten in het bundelingsgebied Stedendriehoek voor de lange termijn tot 2030. De visie heeft betrekking op (grote delen van) het grondgebied van de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Deventer, Lochem, Voorst en Zutphen. De gemeenten streven naar een hoogwaardige ruimtelijke ontwikkeling van de Stedendriehoek als geheel. Behoud en versterking van de samenhang en variatie in woon-, werk- en recreatiegebieden, met het gelijktijdig ontwikkelen van nieuwe kwaliteiten in water, natuur, landschap en landbouw, staat centraal.
Om deze centrale doelstelling concreet te maken, zijn de volgende vijf strategische keuzen geformuleerd:
De structuurvisie omvat een duurzaam ruimtelijk structuurbeeld voor de lange termijn 2030. Dit beeld laat zien hoe de betrokken partners van de Stedendriehoek willen omgaan met de ruimtelijke ontwikkeling van het bundelingsgebied Stedendriehoek, waarbij de volgende aspecten centraal staan:
Voornoemde aspecten moeten ertoe bijdragen dat het stedelijk ruimtegebruik in en om de bestaande steden en dorpen wordt gebundeld en geconcentreerd.
Binnen de structuurvisie valt het plangebied onder het bestaand stedelijk gebied / bebouwing; de occupatie laag. De principes van deze laag zijn:
In de structuurvisie staan geen specifieke uitspraken die relevant zijn voor voorliggend bestemmingsplan.
De waterbeheerder ter plaatse van het plangebied is het Waterschap Rijn en IJssel. Het waterschap heeft in het Waterbeheerplan 2016-2021 zijn nieuwe beleid vermeld. Dit plan is
opgesteld in samenwerking met vier andere waterschappen die deel uitmaken van deelstroomgebied Rijn-Oost.
De opdracht van de waterschappen in Rijn-Oost is te zorgen voor waterveiligheid, voldoende water, schoon water, verwerken van afvalwater en voor een goed vaarwegbeheer. Aandachtspunten daarbij zijn onder meer
De voorgenomen uitbreiding past binnen het beeld en de ambities gesteld voor het bestaand stedelijk gebied. In paragraaf 4.4 is aangegeven dat de beoogde uitbreiding geen negatief effect heeft op het watersysteem. Voorliggend bestemmingsplan is in lijn met het regionaal beleid.
De ontwikkelingsvisie Zutphen 2020 behelst de vertaling van de gemeentelijke ambities in een
ruimtelijk functioneel toekomstperspectief tot 2020. De ontwikkelingsvisie is in april 2001 vastgesteld.
Hierin wordt gesteld dat Zutphen zijn bestaande identiteit wil behouden en versterken, maar zich tegelijkertijd verder wil ontwikkelen als een moderne stad, waarin historie en dynamiek hand in
hand gaan. De gemeente wil zich profileren als een duurzame gemeente, met een sterke sociale en economische structuur en burgers die tevreden zijn over het woon- en leefklimaat. Daaruit vloeit voort dat huisvestiging van basisonderwijs een maatschappelijke taak is waarin de gemeente een grote rol speelt. Het beleid is dan ook gericht op het bieden van onderwijsvoorzieningen zowel op wijk- als op stadsniveau.
Op 17 december 2012 heeft de gemeente Zutphen de Groenatlas ‘Samenwerken aan een duurzame groenstructuur’ vastgesteld. In deze groenatlas verwoordt de gemeente haar visie op de groenstructuur vanuit natuur, milieu en ruimte met daarin een heldere beschrijving van eindbeelden, beheerkaders en ontwikkelingsstrategieën. De groenatlas omvat een uitwerking voor het groen in kernen van Zutphen en Warnsveld, de wijken Noordveen, Centrum, De Hoven, Mars, Waterkwartier, Zuidwijken, Warnsveld en Leesten. Daarnaast bevat het een uitwerking voor het groen langs randen en de overgangszone van de kernen naar het buitengebied en de belangrijkste hoofdstructuren van wegen-, water- en landschapsstructuren in het buitengebied.
Het plangebied valt onder het gebied ‘landschappelijke groengordel’. Deze gordel is gelegen rond de kernen van de gemeente en vormt een "natuurlijk stadspark" dat van groot belang is voor de leefbaarheid van de stad, het dorp en aangrenzende wijken. Het doel van de landschappelijke groengordel is het versterken van de samenhang in ruimtelijk- en landschappelijk beeld door middel van zichtlijnen tussen de gebieden, het versterken van een natuurlijk karakter van het uiterwaardenlandschap en het terugbrengen van herkenbare landschapsstructuren.
De gemeente streeft naar een groene oase met dichte groene randen op de overgang naar bebouwing als duidelijke grens met het stedelijk gebied. De gemeente wil deze dichte randen behouden en ontwikkelen.
De gemeentelijke visie is gericht op het versterken van de identiteit en eenheid van de landschappelijke groengordel met natuur, begrenzing, extensieve recreatie, milieu en educatie.
Het gemeentelijke waterbeleid is vastgelegd in het ‘Afvalwaterketenplan - Lochem - WRIJ - Zutphen', dat is opgesteld door de gemeenten Lochem en Zutphen en het waterschap Rijn en IJssel. De gemeenteraad van Zutphen heeft het plan op 30 november 2015 vastgesteld.
Het Afvalwaterteam Zutphen heeft in het Afvalwaterplan (2014) de belangrijkste doelen/opgaven voor de aanleg en instandhouding van de afvalwaterketen beschreven:
Naast deze doelen vanuit de vorige periode, zijn er drie andere belangrijke opgaven:
De invulling van risicogestuurd beheer en de klimaat-, duurzaamheids- en besparingsopgave vormen belangrijke uitgangspunten voor het beleid. Maatregelen zijn gericht op het instandhouden of verbeteren van de huidige kwaliteit en anticipatie op klimaatverandering, waarbij nadrukkelijk gekeken wordt naar risico’s als gevolg van het uitstellen of beperken van maatregelen. Doelmatigheid van maatregelen en een integrale beschouwing van de hele waterketen in relatie tot het watersysteem staan daarbij centraal. De uitvoering van het beleid is altijd lokaal maatwerk. Bijvoorbeeld bij de afweging of hemelwater moet worden afgekoppeld (om het in het gebied te houden en om het transportsysteem en de zuivering te ontlasten) of dat afvoeren naar de zuivering toch doelmatig is.
Het bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid tot uitbreiding van het basisonderwijs in de gemeente en doet geen afbreuk aan de huidige waterkwaliteit. Ter plaatse van het plangebied is immers bebouwing toegestaan. De beoogde uitbreiding wordt passend geacht binnen het gestelde beleid.
In het kader van een bestemmingsplanprocedure moet zijn aangetoond dat sprake van een "goede ruimtelijke ordening", waaruit blijkt of er wel of geen belemmeringen voor het aspect bodem zijn te verwachten. Dit betekent dat in beginsel volstaan kan worden met een quick scan.
Door Aveco de Bondt is op 30 juni 2015 een quick scan bodem uitgevoerd (zie bijlage 1) . Hieruit is gebleken dat ter plaatse van het plangebied geen bodemverontreiniging of mogelijke bron van bodemverontreiniging aanwezig is. Een bodemonderzoek is in het verleden niet uitgevoerd. Het plangebied is conform de bodemkwaliteitskaart gelegen in het schone gebied naast een oude volkswijk met bodemkwaliteit wonen.
Geconcludeerd wordt dat het plangebied niet verdacht is voor het voorkomen van bodemverontreiniging. Daarom bestaat er vanuit de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen bezwaar tegen de beoogde ontwikkeling.
Om de beoogde ontwikkeling te kunnen realiseren, is een omgevingsvergunning voor de activiteit bouw benodigd. In dit kader dient een aanvullend (verkennend) bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
Indien door middel van een plan nieuwe, milieuhindergevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven. Anderzijds mogen milieuhindergevoelige functies in de directe omgeving van het plangebied niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkelingen die met een plan mogelijk worden gemaakt.
Een maatschappelijke functie is zowel milieubelastend voor milieugevoelige functies in de omgeving (woningen) als milieugevoelig voor de bedrijven in de omgeving.
Het plangebied is bestemd voor een maatschappelijke functie, te weten uitsluitend een aula. Voor een dergelijke functie geldt op grond van de VNG Brochure "Bedrijven en milieuzonering" een richtafstand van 30 meter tot milieugevoelige functies. De afstand tussen het plangebied en de woningen in de directe omgeving, bedraagt meer dan 30 meter. Derhalve wordt voldaan aan de richtafstand.
Ten noordoosten van het plangebied, op een afstand van circa 70 meter, is op het perceel Schimmelpennicklaan 181 uitsluitend een pompstation toegestaan. Het ter plaatse gevestigde pomstation is van het waterschap Rijn en IJssel. Het station pompt het transport rioolwater naar het zuiveringsschap op het bedrijventerrein. Het pompstation is aan te merken als een rioolgemaal en betreft derhalve een categorie 2-bedrijf. Op grond van de VNG Brochure "Bedrijven en milieuzonering" geldt voor een dergelijk bedrijf een richtafstand van 30 meter. Hieraan wordt voldaan.
De oostzijde van het plangebied grenst de bestemming "Sport". Deels kent deze bestemming de nadere aanduiding "modelbouwvereniging". Voor een sportveld geldt een richtafstand van 30 meter tot milieugevoelige functies. Aangezien de afstand tussen het sportveld en het plangebied meer dan 30 meter bedraagt, wordt voldaan aan de richtafstand.
Ter plaatse van de aanduiding 'modelbouwvereniging' is Modelbotenvereniging Atlantis gevestigd. Deze vereniging heeft ter plaaste een clubhuis en vaarvijver en vaart met speedboten, zeilboten, elektrospeedboten en elektroboten. De ter plaatse gevestigde vereniging is vergelijkbaar met een buurt- en clubhuis (categorie 2-bedrijf).Op grond van de VNG Brochure "Bedrijven en milieuzonering" geldt voor een dergelijk bedrijf een richtafstand van 30 meter. Hieraan wordt voldaan.
Vanuit bedrijven en milieuzonering bestaan er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Ruimtelijke ontwikkelingen moeten getoetst worden aan de Vogel- en/of Habitatrichtlijn, Natuurbeschermingswet 1998 en Flora- en faunawet. Bij de toets van een ruimtelijke ontwikkeling wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming.
Op 8 juli 2015 heeft Aveco de Bondt (zie bijlage 2) een quick scan flora en fauna uitgevoerd.
Soortenbescherming
Soortenbescherming is in alle gebieden van toepassing; alle inheemse flora en fauna zijn in Nederland beschermd op basis van de Flora- en faunawet. De Flora- en faunawet is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Deze wetgeving maakt onderscheid tussen algemeen beschermde soorten (tabel 1 van de Flora- en faunawet) en strikt beschermde soorten (tabel 2 en 3 van de Flora- en faunawet). De mogelijke negatieve effecten van de ingreep op betreffende soorten worden hieronder beschreven.
Algemeen beschermde soorten: Het merendeel van de soorten die in het plangebied kunnen voorkomen zijn beschermd volgens het lichte beschermingsregime van de Flora- en faunawet (tabel 1 van de Flora- en faunawet). Het gaat hier om soorten zoals de bruine kikker, gewone pad, egel, (spits)muizen, konijn en mol. Voor deze soorten geldt dat als het plan leidt tot aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen en leefgebieden er geen ontheffing noodzakelijk is. Aantasting van verblijfplaatsen en leefgebieden van deze soorten is mogelijk op basis van een vrijstelling, zonder dat er sprake is van procedurele consequenties. Wel is het noodzakelijk dat men rekening houdt met de zorgplicht; dit betekent onder andere zo veel mogelijk werken buiten het kwetsbare seizoen en gefaseerd werken zodat dieren de kans krijgen te vluchten.
Strikt beschermde soorten: Mogelijk komen soorten voor die strikter beschermd (tabel 2 en 3 van de Flora- en faunawet) zijn. Voor deze soorten geldt dat als de activiteit leidt tot aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen er in de meeste gevallen een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet noodzakelijk is.
Bij de literatuurstudie en tijdens het veldbezoek zijn verschillende flora en fauna aangetroffen, te weten: vogels, vaatplanten, grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vissen, reptielen, dagvlinders en libellen, overige ongewervelde soorten, vleermuizen en bomen. Voor deze soorten - behoudens voor de vleermuizen - geldt dat naar verwachting geen sprake is van mogelijke negatieve effecten van de ingreep op de betreffende soorten.
Voor vleermuizen geldt dat het niet is uit te sluiten dat vleermuizen voorkomen in het plangebied, Daarom is een vervolgonderzoek naar vleermuizen uitgevoerd conform het Vleermuizenprotocol 2013. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3. Uit dit onderzoek blijkt dat de bebouwing in het plangebied geen verblijfplaatsen bevat van vleermuizen. Vanwege het ontbreken van paar- of zomerverblijven, de sterke verlichting van een deel van het plangebied en het ontbreken van overige verblijfplaats indicerende gedragingen of sporen kan worden uitgesloten dat de noordoostelijke zijdes van het bestaande pand als kraamverblijfplaats worden gebruikt. Van winterverblijven in het plangebied is eveneens geen sprake.
Direct zuidelijk van het plangebied is een belangrijk foerageergebied aanwezig van de gewone dwergvleermuis. Er dient te worden voorkomen dat nachtelijke verstoring van deze zone door licht of geluid optreedt.
De Valckstraat doet dienst als vliegroute voor de laatvlieger. Deze vliegroute is van redelijk belang voor de lokale populatie door het gebruik hiervan in de kraamperiode. Het is van belang dat deze vliegroute niet sterker zal worden verlicht dan in huidige situatie met standaard straatverlichting het geval is.
Om verstoring van overige foeragerende veermuizen te voorkomen is het aan te bevelen werkzaamheden bij daglicht uit te voeren of bij nachtelijke werkzaamheden verlichting van het plangebied tot een minimum beperkt te houden.
Gebiedsbescherming
Bij gebiedsbescherming wordt onderscheid gemaakt tussen de Natuurbeschermingswet 1998 en de Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Natuurbeschermingswet 1998 beschermt Natura 2000-gebieden en Beschermde natuurmonumenten. De NNN is niet opgenomen in een natuurwetgeving, maar dient meegenomen te worden bij de planologische afweging.
Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied beschermd in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet). Het meest nabijgelegen beschermde gebied betreft het Natura 2000 gebied de Rijntakken. Dit gebied ligt op ongeveer 1.900 meter ten westen van het plangebied. De ingreep leidt niet tot aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied of overige gebieden die beschermd zijn in het kader van de Nb-wet. Dit op basis van de afstand tot het Natura 2000 gebied, de tussenliggende al verstorende wegen en de beperkte ingreep van het rooien van bomen en de uitbreiding van het schoolgebouw.
De NNN ligt in de vorm van een watergang, op ongeveer 50 meter afstand ten zuiden van het plangebied; de gronden direct rond deze watergang zijn aangewezen als NNN. Het rooien van bomen buiten de begrenzing van de NNN leidt niet tot aantasting van de kernkwaliteiten van de NNN.
Uit de quick scan flora en fauna is gebleken dat
Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect flora en fauna geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de gewenste ontwikkelingen in het plangebied.
Ruimtelijke plannen dienen een waterparagraaf te bevatten. Initiatiefnemers van ruimtelijke plannen moeten in een vroegtijdig stadium van het planvormingsproces de waterbeheerder(s) betrekken. De initiatiefnemer vraagt de waterbeheerder(s) om een wateradvies in de vorm van een watertoets. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van het overleg opgenomen.
Op 10 juli 2015 heeft Aveco de Bondt een waterparagraaf opgesteld (zie bijlage 4). Uit deze paragraaf blijkt het navolgende.
Het waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel ontwikkeld om zodoende de effecten op de lokale watersituatie ten gevolge van ruimtelijke ontwikkelingen te bepalen. Uit toetsing van de ontwikkeling aan deze tabel blijkt dat de ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op genoemde thema’s en relatief klein van omvang is. Hemelwater kan infiltreren op het perceel en er vindt geen verslechtering van het bestaande watersysteem plaats.
Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect water geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de gewenste ontwikkelingen in het plangebied.
De Wet geluidhinder verlangt inzicht in de akoestische effecten bij de realisatie van nieuwe geluidgevoelige objecten, bijvoorbeeld een onderwijsfunctie, of de aanleg van een nieuwe weg, een spoorlijn of een gezoneerd industrieterrein.
De beoogde ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van een bestaande onderwijsfunctie met een aula. Hoewel een onderwijsfunctie geluidgevoelig is, is een aula - als bedoeld in voorliggend bestemmingsplan - dat niet. Aangezien het toekomstige gebruik van de aula namelijk uitsluitend 'aula:' betreft, is geen sprake van een geluidgevoelige functie. Een akoestisch onderzoek is daardoor niet noodzakelijk.
Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect geluid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de gewenste ontwikkelingen in het plangebied.
Voor het aspect luchtkwaliteit moet worden nagegaan of de voorgenomen ontwikkeling past binnen de normen van titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer, beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De beoogde ontwikkeling die door voorliggend bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, heeft niet tot gevolg dat het aantal verkeersbewegingen toeneemt. Toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.
Omdat de school als gevoelige functie in de zin van de Wet luchtkwaliteit wordt gezien is het vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk inzicht te geven in de
achtergrondconcentraties van de luchtverontreinigende stoffen. Dit betreffen met de name de
stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Door bureau Blauw is een onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 5). De GGD Noord- en Oost-Gelderland onderschrijft dit onderzoek (zie bijlage 6).
In het rapport van Blauw staat als doelstelling genoemd te onderzoeken wat de invloed is van het verkeer op de luchtkwaliteit bij het schoolgebouw in het plangebied. Hierbij wordt nagegaan of wettelijke grenswaarden voor de stikstofdioxide (NO2) en fijnstof concentratie (PM10) bij de school overschreden worden. Gezien de toegestane concentraties zal de luchtkwaliteit op voorhand aan de wettelijke normen voldoen en is een onderzoek niet noodzakelijk.
Uit de resultaten van de metingen door bureau Blauw is af te leiden dat de gemeten NO2 waarde op 21.9 µgr/m3 net boven de achtergrondconcentratie ligt. De achtergrondconcentratie in het gebied lag in 2013 rond de 19 µgr/m3 (bron RIVM). Hiermee ligt de NO2 concentratie rond het plangebied onder de wettelijke waarde van 40 µgr/m3 en dicht tegen de achtergrondconcentratie aan.
Voor fijnstof geldt dat er geen drempelwaarde is. In feite is alle fijnstof schadelijk voor de gezondheid. De norm ligt in Nederland op 40 µgr/m3. In 2013 lag de fijnstof concentratie in Zutphen tussen de 19.8 en 21.5 µgr/m3 (bron RIVM). De berekende concentratie bij de school bedraagt 22.1 µgr/m3 met een achtergrond in 2013 van ca. 20.6 µgr/m3 .
Het Besluit gevoelige bestemmingen richt zich op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Het betreft dan bijv. kinderen, ouderen en zieken. Het Besluit stelt dat luchtkwaliteitsonderzoek nodig is binnen 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Daar waar binnen de zone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan.
Het Besluit is feitelijk niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling omdat de concentratie ver onder de norm blijft. Ook ligt de locatie buiten de 50m contour. Dat geldt zowel voor de uitbreiding als ook voor het schoolplein (ca. 60m of meer). Daarbij komt de uitbreiding niet dichter bij de weg te liggen dan de rest van de school en neemt voorts het aantal blootgestelden niet toe.
Op 10 april 2012 heeft het college besloten dat bij de vestiging van gevoelige bestemmingen binnen 50m van wegen met een intensiteit van meer dan 10.000 motorvoertuigen per etmaal extra aandacht moet worden besteed aan de consequenties voor de luchtkwaliteit. De prognose is dat de intensiteit op de N348 in het jaar 2020 op maximaal 19.415 motorvoertuigen zit. Het plangebied ligt niet binnen 50 meter afstand van de as van de weg. Uit metingen en berekeningen blijkt dat er ruimschoots onder de wettelijk norm wordt gebleven. Daarbij komt dat in de toekomst de luchtkwaliteit verder verbetert door een mindere uitstoot en het schoner worden van voertuigen.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.
Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een
minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt.
Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.
Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg)
Vanaf 1 juni 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking. Voor de uitwerking en toepassing van de risiconormen is zoveel mogelijk aangesloten bij Bevi en Revi. Informatie uit risicoatlassen en de toepassing van vuistregels uit de circulaire wijzen uit dat in de Achterhoek over het algemeen sprake is van een laag risiconiveau langs transportroutes. Toch kan soms een nadere beoordeling van met name het groepsrisico nodig zijn.
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.
Vuurwerk
Het Vuurwerkbesluit is van rechtswege van toepassing op inrichtingen voor het opslaan of bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik. Vanuit het Vuurwerkbesluit gelden externe veiligheidsafstanden.
Circulaire ontplofbare stoffen voor civiel gebruik
Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de opslag van zwart buskruit en ontplofbare stoffen die worden gebruikt voor het slopen van gebouwen en fundaties, het uitvoeren van seismisch onderzoek en dergelijke. Rond iedere opslagplaats voor ontplofbare stoffen geldt een veiligheidsafstand.
Besluit ruimte
Het beleid voor de externe veiligheid rond munitiecomplexen is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Besluit ruimte). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen drie veiligheidszones rondom die complexen, waarbinnen voor activiteiten of objecten bepaalde beperkingen gelden.
Activiteitenbesluit
Het Activiteitenbesluit schrijft voor bepaalde typen opslagen en installaties externe veiligheidsafstanden voor. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om gasdrukmeet- en –regelinstallaties, propaantanks (met een inhoud van maximaal 13 m3) en vuurwerk (tot 10.000 kilogram consumentenvuurwerk).
Beleidsvisie externe veiligheid
Uitgangspunt van de gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de bedrijventerreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen kunnen door middel van een afwijkingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt op de Mars. Als voorwaarde geldt wel dat de PR 10-6 contour (plaatsgebonden risico) zich niet buiten de inrichtingsgrens van het nieuwe bedrijf mag bevinden en dat het invloedsgebied voor het groepsrisico zich niet over woonbestemmingen reikt. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron buiten bedrijventerrein de Mars niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.
Op 24 februari 2016 heeft Aveco de Bondt een onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd (zie bijlage 7). Uit dit onderzoek blijkt het volgende.
Algemeen
De voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van het plangebied heeft betrekking op de uitbreiding van het aantal leslokalen en de realisatie van een aula. De uitbreiding van het aantal leslokalen is op grond van het vigerende bestemmingsplan reeds toegestaan. De toename van het aantal personen in de school vanwege de toename van het aantal leslokalen is hiermee al meegenomen in de verantwoording van het groepsrisico.
Qua activiteiten in de avonduren en in het weekend verandert er door de realisatie van de aula tevens niets. De activiteiten die in de toekomstige situatie in de school zullen plaatsvinden, zijn gelijk aan die in de huidige situatie.
De realisatie van de aula is op grond van het vigerende bestemmingsplan niet toegestaan. Ten aanzien van het aantal aanwezige personen binnen de school en specifiek de aula kan het volgende gesteld worden:
Overdag
Avond/weekend
Geconcludeerd kan worden dat met de realisatie van de aula geen sprake is van toename van het aantal gelijktijdig aanwezige personen in de school.
Toetsing wettelijk kader
In de omgeving van het plangebied, zo blijkt uit bijlage 7,:
De voorgenomen ontwikkeling is passend binnen de gemeentelijke Beleidsvisie Externe veiligheid. De ontwikkeling heeft geen betrekking op een risicovolle inrichting en heeft tevens niet tot gevolg dat er sprake is van een overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen oplevert voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied.
In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: “de veroorzaker betaalt”. Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief “in situ” (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven.
Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De archeologische verwachtingswaarden voor Zutphen zijn weergegeven op de gemeentelijke archeologische waardenkaart 2014. Uit deze kaart blijkt dat het plangebied is gelegen in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Dit betekent dat bodemingrepen groter dan 500m² en dieper dan 0,5 m onder maaiveld onderzoeksplichtig zijn. Navolgende afbeelding geeft een uitsnede van de archeologische waardenkaart weer.
Afbeelding 4.1: Archeologische verwachting (bron: gemeentelijke archeologische waardekaart)
De voorgenomen uitbreiding is kleiner dan 500m². Om die reden is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Om het archeologiebeleid goed te vertalen in dit bestemmingsplan is hiervoor een dubbelbestemming opgenomen.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen oplevert voor de beoogde ontwikkeling. Wel wordt op grond van het archeologische beleid een dubbelbestemming opgenomen.
Nota Belvedère
In de “Nota Belvedère; Beleidsnota over de relatie cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting” (1999) is door het rijk een visie gegeven op de wijze waarop met de cultuurhistorische kwaliteiten van gebieden en objecten in de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling in Nederland kan worden
omgegaan. Het behoud en de benutting van het cultureel erfgoed is van grote betekenis omdat het kwaliteit toevoegt aan de culturele dimensie van de ruimtelijke inrichting. De voornaamste opgave is dan ook het vinden van een verantwoord evenwicht tussen de diverse ruimtelijke opgaven en de bestaande cultuurhistorische kwaliteiten.
Cultuurhistorische Waardenkaart Gelderland
De provincie Gelderland heeft een cultuurhistorische waardenkaart waarin de belangrijke archeologische en cultuurhistorische objecten en structuren van de provincie zijn weergegeven. De provincie beoogt hiermee de identiteit van de Gelderse regio’s te behouden door cultuurhistorische elementen herkenbaar te maken en in stand te houden. Daarnaast zet ze in op een constante ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische waarden door uitvoering te geven aan programma’s en projecten.
Het plangebied is niet gelegen binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht. De bestaande school is geen beschermd monument. Ook is de school niet gekenmerkt als karakteristiek.
De school is in 1965 gerealiseerd in opdracht van het Rooms-Katholiek kerkbestuur van de H. Joannes de Doper naar ontwerp van architectenbureau Jac. Haket en G. Heijnen uit Deventer.
Het gebouw is neergezet op een tot dan toe braak liggend terrein dat is gelegen binnen het stedenbouwkundig plan uit 1919 van stedenbouwkundige De Clercq uit Den Haag. Ten tijde van de bouw van de school is dit stedenbouwkundig plan ter plaatse niet meer gevolgd en is voor een pragmatische invulling gekozen. De school kreeg een overwegend noord-zuid gerichte oriëntatie met klaslokalen aan de zuidzijde met zicht op de Berkel en de centrale hal aan de noordzijde kijkt uit op het schoolplein. Voor een goede lichtinval bevinden de leslokalen zich op de eerste en tweede verdieping, op de souterrain-achtige begane grond zijn ondersteunende functies ondergebracht. De genoemde oriëntatie blijft na realisatie van de uitbreiding min of meer intact, de visuele relatie van de hal met het schoolplein wordt evenwel gewijzigd.
Het aspect cultuurhistorie levert geen belemmering op voor de beoogde uitbreiding in het plangebied.
De ontsluiting van het plangebied wijzigt niet. Het plangebied is en blijft ontsloten op de Valckstraat. De beoogde uitbreiding heeft tot doel om een gemeenschappelijke ruimte (aula) te creëren voor de gebruikers van de school. Het aantal gebruikers neemt als gevolg van de bestemmingsplanherziening niet toe. Dit betekent dat er ook geen extra verkeersaantrekkende werking dan wel parkeerbehoefte ontstaat. De bestaande infrastructuur en parkeervoorzieningen zijn voldoende om de huidige en toekomstige verkeersbewegingen respectievelijk parkeerbehoefte op te vangen.
Het aspect verkeer en parkeren levert geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling in het plangbied.
In het beleidsplan Zutphen Energieneutraal is opgenomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen een onderzoek naar gebruik van duurzame energie, energiebesparing, restwarmte en duurzaam bouwen verplicht is. Bij nieuwbouw van utiliteit moet gestreefd worden naar een 10% scherpere EPC en dat 100% van het dak belegd is met zonnepanelen. De gemeente hecht bij de afweging ook waarde aan andere duurzame doelen die vaak bij energiebesparing en duurzame energie gerealiseerd worden, zoals een beter binnenklimaat, meer werkgelegenheid en het verminderen van armoede.
Duurzaamheid is voor VSNON een belangrijk thema. Daarom is getracht om duurzaamheid binnen de gestelde randvoorwaarden en budgetten optimaal in te passen in de plannen. De basis van duurzaamheid is gelegen in het feit dat het bestaande pand gehandhaafd blijft. Met enkele “kleine” aanpassingen is het pand geschikt om uitgebreid en verbouwd te worden tot een eigentijds schoolgebouw met toekomstwaarde, passend binnen de onderwijsvisie van de VSNON.
In de nieuw toe te voegen souterrain-laag zal lage-temperatuur-verwarming (vloerverwarming) worden toegepast. Tevens zal het hele gebouw (inclusief de bestaande lagen) worden uitgerust met LED-verlichting, wat zeker voor een schoolgebouw een energiebesparing op zal leveren. Niet alleen wil de school graag energie besparen, het zelf opwekken van energie is een belangrijke wens. Om hieraan tegemoet te komen is het totale dakvlak zodanig constructief berekend dat deze vol gelegd kan worden met zonnepanelen.
De nieuwbouw zal uitgevoerd worden met hoogwaardige isolatie en kwalitatief hoogwaardige, onderhoudsarme materialen met een lange levensduur. Dit is een duurzaam uitgangspunt en doet ook recht aan de gewenste kwaliteit van het gebouw en de meerjaren-onderhoudsplanning en de daarbij behorende kosten.
In het kader van “cradle-to-cradle” worden de materialen die vrijkomen bij de sloop van delen van het bestaande gebouw (met name houten balken en metselstenen) hergebruikt op het terrein om speelelementen voor de kinderen mee te creëren.
Het aspect duurzaamheid levert geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied.
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels verbonden.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
Het bestemmingsplan “Valckstraat 30 te Zutphen” biedt het nieuwe juridisch planologische kader waarbinnen de beoogde uitbreiding van het schoolgebouw met een aula kan worden gerealiseerd.
De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van de regels van het bestemmingsplan "Deventerweg-Voorsteralleekwartier", zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Zutphen op 17 november 2010, voor zover van toepassing of relevant voor het plangebied. Daarnaast is aansluiting gezocht bij recent door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplannen.
De regels bestaan uit vier hoofdstukken:
Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende bestemmingen.
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard dat voorkomt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
In deze paragraaf zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Tevens zijn, waar mogelijk, flexibiliteitsbepalingen opgenomen.
Artikel 3 Maatschappelijk
Deze bestemming is toegekend aan het gehele plangebied. Binnen deze bestemming is ter plaatse van de daarvoor geldende aanduiding uitsluitend een aula ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen: toegestaan. Onder maatschappelijke voorzieningen wordt onder andere verstaan onderwijsvoorzieningen. Tevens is ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen toegestaan. Hierbij kan worden gedacht aan een schoolkantine. Een zelfstandige functie als winkel of horecagelegenheid is niet toegestaan.
Een aula: is een gemeenschappelijke drink- en eetgelegenheid die zich kan bevinden bij onder meer scholen. Een aula is ondergeschikt aan en staat uitsluitend ten dienste van de hoofdfunctie.
De gebouwen zijn toegelaten binnen het op de verbeelding aangeduide bouwvlak. De maximum bouwhoogte is op de verbeelding aangegeven.
De maximale bouwhoogte van andere bouwwerken bedraagt 5 meter. Deze hoogte is noodzakelijk in verband met de realisatie van een loopbrug ten behoeve van de entree van het schoolgebouw.
Artikel 4 Waarde - Middelhoog Verwachte Archeologische Waarde
De gronden met de dubbelbestemming Waarde - Middelhoog Verwachte Archeologische Waarde zijn naast de bestemming Maatschappelijk mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische resten in de bodem. In principe geldt dat alleen gebouwd mag worden (met een omgevingsvergunning om af te wijken van de bouwregels) als aangetoond is dat de te verwachten archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad. Dit moet worden aangetoond door archeologisch onderzoek. Deze onderzoeksplicht geldt voor bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 500m² alsmede voor werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 500m² en dieper dan 0,5 meter onder het maaiveld.
Hoofdstuk 3 Algemene regels
In dit hoofdstuk is een aantal algemene bepalingen opgenomen, te weten de Antidubbeltelregel, Algemene gebruiksregels en Algemene afwijkingsregels. Met de algemene afwijkingsregels wordt onder voorwaarden enige flexibiliteit aan de regels gegeven.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.
Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een topografische ondergrond gebruikt. Met behulp van lijnen, coderingen en arceringen is aan gronden een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels verbonden.
De planmethodiek is afgestemd op het bestemmingsplan “Deventerweg-Voorsteralleekwartier” en recent door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplannen. Daarbij is er voor gekozen om het plangebied gedetailleerd te bestemmen om zodoende uitsluitend de beoogde ontwikkeling (uitbreiding van het schoolgebouw met een aula) toe te staan.
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld met inachtneming van de bepalingen die zijn opgenomen in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012 (Rsro2012), zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) en het coderingssysteem Informatiemodel Ruimtelijke Ordening 2012 (IMRO2012).
Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan.
Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken,
bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met de grondeigenaar.
Omdat de uitbreiding van het gebouw minder bedraagt dan 1.000m² is er geen sprake van een bouwplan (zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro). Derhalve bestaat bij dit bestemmingsplan geen verplichting tot kostenverhaal zoals bedoeld in artikel 6.12 van de Wro.
De gemeente heeft een budget toegekend aan VSNON van 2,6 miljoen in verband met een breed pakket van huisvestingsmaatregelen ten behoeve van de bouwplannen van VSNON op de locaties Valckstraat 30, Weerdslag 14b en H. Dunantweg 4. Dit budget is reeds gereserveerd in de gemeentelijke begroting. De kosten van de begeleiding van de bestemmingsplanprocedure worden via de legesverordening op de initiatiefnemer verhaald. Ten behoeve van het verhalen van eventuele planschade en de kosten voor het inschakelen van een onafhankelijk adviseur wordt een overeenkomst gesloten.
De initiatiefnemer staat volledig in voor de financiële risico’s bij de realisatie van dit bestemmingsplan.
Gezien het voorgaande wordt dit bestemmingsplan economisch uitvoerbaar geacht
Met de inwerkingtreding van de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure is de verplichte inspraak, alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen, komen te vervallen. Ook de Wet ruimtelijke ordening verplicht gemeenten niet meer tot het bieden van de mogelijkheid tot inspraak. Het Besluit ruimtelijke ordening doet dat evenmin.
De gemeente Zutphen heeft een inspraakverordening. Het bevoegde orgaan, in dit geval burgemeester en wethouders, bepaalt of er gebruik wordt gemaakt van inspraak. Tevens bepaalt zij voor welke termijn er inspraak mogelijk is. In dit geval is er vanwege de kleinschaligheid van het plan en omdat er voor een ieder nog de gelegenheid bestaat zienswijzen naar voren te brengen, geen gebruik gemaakt van inspraak.
Conform artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van en bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is het bestemmingsplan voor advies toegezonden aan betrokken instanties en heeft overleg plaatsgevonden.
Het ontwerpbestemmingsplan “Valckstraat 30” heeft vanaf 28 april 2016 tot en met 8 juni 2016 voor een ieder ter inzage gelegen voor het indienen van schriftelijke of mondelinge zienswijzen bij de gemeenteraad. De ter inzage legging is bekend gemaakt door publicatie in de Zutphense Koerier, het digitale gemeenteblad, de Staatscourant, op www.ruimtelijkeplannen.nl en op de website van de gemeente. Gedurende de termijn van terinzagelegging zijn geen zienswijzen ontvangen.