direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0297.ZBMTAMOP20250004-VS01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het mogelijk maken van een gebiedsontwikkeling op de locatie Ham IV te Aalst en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22d) van het omgevingsplan van de gemeente Zaltbommel. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22d van het omgevingsplan van de gemeente Zaltbommel. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22d.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22d.’ gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22a van dit omgevingsplan. Daarnaast gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:

1.1 Plan

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst met identificatienummer NL.IMRO.0297.ZBMTAMOP20250004-VS01 van de gemeente Zaltbommel.

1.2 Aan huis verbonden (bedrijfs)activiteiten

Het verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke -geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen- bedrijvigheid, waarvan de aard, omvang en uitstraling zodanig zijn, dat de activiteit in de woning en/of de daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie ter plaatse, kan worden uitgeoefend.

1.3 Aan huis verbonden beroep

Het in een woning met bijbehorende gebouwen beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerp-technisch of hiermee gelijk te stellen gebied, zulks met behoud van de woonfunctie van de betreffende woning.

1.4 Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.5 Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.6 Archeologische waarde

terreinen welke van algemeen belang zijn wegens daar alle vóór tenminste vijftig jaar vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde.

1.7 Bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.8 Begane grond

De onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder.

1.9 Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.10 Bouwgrens

De grens van een bouwvlak.

1.11 Bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd en waarvan de lagen een nagenoeg gelijk omvang hebben, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, souterrain, dakopbouw en/of zolder.

1.12 Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.13 Bouwperceelgrens

De grens van een bouwperceel.

1.14 Bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.15 Dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw.

1.16 Dakterras

buitenruimte gelegen boven de goothoogte of boeiboordhoogte van een (deel van een) gebouw

1.17 Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.18 Hoofdgebouw

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken en waarin de hoofdfunctie ingevolge de bestemming is of wordt ondergebracht

1.19 Huishouden

een persoon of groep personen die een duurzaam gemeenschappelijke huishouding voeren, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling;

1.20 Wonen

het huisvesten van een huishouden in een woning/wooneenheid;

1.21 Woning

een (gedeelte van een) gebouw dat uitsluitend mag worden gebruikt voor de huisvesting van één huishouden;

Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 De dakhelling

de helling van het (deel van) het dak en het horizontale vlak;

2.2 De goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.3 De inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.4 De bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van onderschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.5 De oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.6 De ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk

vanaf het peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend;

2.7 Peil
  • a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang aan een weggrenst: de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit TAM-IMRO-deel van het omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie HAM IV te Aalst, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0297.ZBMTAMOP20250004-VS01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Hoofdstuk 2 Functies

Artikel 4 Groen

4.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten en het verrichten van werken en werkzaamheden op de locaties die zijn aangewezen als 'Groen'.

4.2 Functieomschrijving

Op de voor 'Groen' aangewezen locatie zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. groenvoorzieningen en beplantingen;
  • b. paden;
  • c. sport- en spelvoorzieningen;
  • d. beeldende kunstwerken;
  • e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • f. nutsvoorzieningen;
  • g. één en ander met de bijbehorende voorzieningen.
4.3 Gebruiksactiviteiten
4.3.1 Strijdig gebruik

Als strijdig gebruik, anders dan in 4.2 genoemd, wordt in elk geval gerekend het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor:

  • a. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de functie gerichte gebruik van de grond;
  • b. het aanbrengen van verhardingen;
  • c. het bedrijfsmatig gebruiken van de gronden.
4.4 Bouwactiviteiten

De regels in dit artikellid gelden als beoordelingsregels voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, zoals bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan, voor zover geen uitzondering op de vergunningplicht geldt op grond van artikel 22.27 of artikel 22.36 van het omgevingsplan.

4.4.1 Algemeen
  • a. bouwen op deze gronden is uitsluitend toegestaan ten behoeve van de in 4.2 genoemde functies.
  • b. op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
  • c. het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde is toegestaan.
4.4.2 Beoordelingsregels
a Bouwwerken geen gebouw zijnde

Bouwwerken geen gebouwen zijnde, voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte van lichtmasten en kunstwerken bedraagt maximaal 6 m.
  • b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 m.
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m.

Artikel 5 Verkeer

5.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten en het verrichten van werken en werkzaamheden op de locaties die zijn aangewezen als 'Verkeer'.

5.2 Functieomschrijving

Op de voor 'Verkeer' aangewezen locatie heeft zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wegen, voet- en fietspaden;
  • b. parkeervoorzieningen;
  • c. groenvoorzieningen;
  • d. sport- en spelvoorzieningen;
  • e. verblijfsvoorzieningen;
  • f. nutsvoorzieningen;
  • g. beeldende kunstwerken;
  • h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • i. één en ander met de bijbehorende voorzieningen.
5.3 Bouwactiviteiten

De regels in dit artikellid gelden als beoordelingsregels voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, zoals bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan, voor zover geen uitzondering op de vergunningplicht geldt op grond van artikel 22.27 of artikel 22.36 van het omgevingsplan.

5.3.1 Algemeen
  • a. bouwen op deze gronden is uitsluitend toegestaan ten behoeve van de in 5.2 genoemde functies.
  • b. op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
  • c. het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde is toegestaan.
5.3.2 Beoordelingsregels voor overige bouwwerken

Bouwwerken geen gebouwen zijnde, voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte van lichtmasten en kunstwerken bedraagt maximaal 6 m.
  • b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 m.
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m.

Artikel 6 Water

6.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten en het verrichten van werken en werkzaamheden op de locaties die zijn aangewezen als 'Water'.

6.2 Functieomschrijving

Een als 'Water' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. water;
  • b. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • c. taluds en natuurvriendelijke oevers;
  • d. voorzieningen zoals kunstwerken en andere waterstaatswerken, ten behoeve van de waterafvoer en waterberging;
  • e. één en ander met de bijbehorende voorzieningen zoals bruggen, dammen en/of duikers.
6.3 Bouwactiviteiten

De regels in dit artikellid gelden als beoordelingsregels voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, zoals bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan, voor zover geen uitzondering op de vergunningplicht geldt op grond van artikel 22.27 of artikel 22.36 van het omgevingsplan.

6.3.1 Algemeen
  • a. Bouwen op deze gronden is uitsluitend toegestaan ten behoeve van de in 6.2 genoemde functies.
  • b. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
  • c. Het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde is toegestaan.
6.3.2 Beoordelingsregels bouwwerken geen gebouw zijnde

Bouwwerken geen gebouwen zijnde, voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m.

Artikel 7 Woongebieden

7.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten en het verrichten van werken en werkzaamheden op de locaties die zijn aangewezen als 'Woongebieden'.

7.2 Functieomschrijving

Op de voor 'Woongebieden' aangewezen locaties zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wonen;
  • b. de uitoefening van een aan huis verbonden beroep, mits de woonfunctie in overwegende mate blijft gehandhaafd;
  • c. verkeers- en verblijfsgebied in de vorm van wegen, voet- en fietspaden en pleinen;
  • d. tuinen en erven;
  • e. parkeervoorzieningen;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. geluidwerende voorzieningen;
  • h. waterpartijen en watergangen, inclusief waterhuishoudkundige voorzieningen en bijbehorende bouwwerken zoals bruggen;
  • i. sport- en speelvoorzieningen;
  • j. nutsvoorzieningen.
7.3 Bouwactiviteiten

De regels in dit artikellid gelden als beoordelingsregels voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, zoals bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan, voor zover geen uitzondering op de vergunningplicht geldt op grond van artikel 22.27 of artikel 22.36 van het omgevingsplan.

7.3.1 Algemeen
  • a. Bouwen op deze gronden is uitsluitend toegestaan ten behoeve van de in 7.2 genoemde functies.
  • b. Het maximaal aantal woningen mag niet meer bedragen dan 60 woningen.
  • c. Er dient te worden voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in het Beeldkwaliteitsplan zoals opgenomen in Bijlage 1 van deze regels;
  • d. Bij de verlening van een omgevingsvergunning dient ter plaatse van de woningen zoals opgenomen in figuur 7 van het akoestisch onderzoek zoals opgenomen in Bijlage 5 van de motivering, een akoestisch onderzoek moeten worden uitgevoerd waarbij is aangetoond dat het binnenniveau van de woning(en) maximaal 33 dB bedraagt.
7.3.2 Beoordelingsregels hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. hoofdgebouwen dienen met de voorgevel geörienteerd te zijn op de figuur 'gevellijn';
  • b. de goothoogte van woningen mag niet meer bedragen dan is aangegeven op de verbeelding met de aanduiding 'maximum goothoogte';
  • c. de bouwhoogte van woningen mag niet meer bedragen dan is aangegeven op de verbeelding met de aanduiding 'maximum bouwhoogte';
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan.
7.3.3 Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. de afstand van bijbehorende bouwwerken tot de voorgevelrooilijn bedraagt niet minder dan 1 m, met dien verstande dat deze bepaling niet geldt ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - 1';
  • b. de afstand van bijbehorende bouwwerken tot de voorgevelrooilijn mag minder dan 1 m bedragen mits:
    • 1. het om niet meer dan één uitbouw per hoofdgebouw gaat; en,
    • 2. het een portaal of een erker/onderschikt bouwonderdeel betreft; en,
    • 3. de oppervlakte van het bijbehorende bouwwerk niet meer bedraagt dan 6 m²; en,
    • 4. de bouwhoogte van het bijbehorende bouwwerk niet meer bedraagt dan 3 m; en,
    • 5. de bouwdiepte van het bijbehorende bouwwerk niet meer bedraagt dan 1,5 m;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt niet meer dan 100 m² per woning, met een maximum van 50% van het bouwperceel achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw, met dien verstande dat deze bepaling niet geldt ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - 1';
  • d. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt:
    • 1. bij vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 3 m;
    • 2. bij aaneengebouwde bijbehorende bouwwerken niet meer dan 3 m bedraagt, dan wel niet meer dan 0,25 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw;
  • e. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt niet meer dan 6 m.
7.3.4 Beoordelingsregels bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 m, met dien verstande dat: de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw c.q. het verlengde daarvan, niet meer dan 1 m bedraagt;
  • b. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt niet meer dan 8 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 4 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, vóór de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw c.q. het verlengde daarvan bedraagt niet meer dan 2 m.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Waterbergende voorzieningen

9.1 Beoordelingsregel waterberging
  • 1. Het realiseren van bebouwing en verharding binnen de locaties 'Groen', 'Verkeer', 'Water' en 'Woongebieden' is uitsluitend toegestaan indien uiterlijk bij ingebruikname van de betreffende bebouwing en/of verharding wordt voorzien in voldoende waterbergende voorzieningen.
  • 2. Onder voldoende waterbergende voorzieningen wordt verstaan:
    • a. Ten minste 224 m³ aan waterberging binnen de locaties aangeduid als 'Water';
    • b. Ten minste 492 m³ aan waterberging binnen de locaties aangeduid als 'Woongebieden'.

Hierbij zijn tevens de beleidsregels van toepassing zoals opgenomen in de weging van het waterbelang in Bijlage 9 van de ruimtelijke motivering, danwel de rechtsopvolger van deze beleidsregel.

  • 3. De waterbergende voorzieningen dienen zodanig te worden ontworpen en ingericht dat:
    • a. Zij daadwerkelijk functioneren als waterberging bij piekbelasting;
    • b. Zij duurzaam in stand worden gehouden;
    • c. De capaciteit aantoonbaar wordt gerealiseerd voorafgaand aan of gelijktijdig met de bouw.
  • 4. De vereiste waterbergingscapaciteit dient te worden aangetoond middels een waterhuishoudkundig plan dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan het bevoegd gezag, in afstemming met het waterschap.

Artikel 10 Parkeren en laden/lossen

10.1 Beoordelingsregel parkeren

Een omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 22.26, het planologisch uitbreiden of het planologisch wijzigen van de functie van gebouwen en gronden wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig de door burgemeester en wethouders vastgestelde beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals die gelden op het tijdstip van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning.

10.2 Afwijken beoordelingsregel parkeren
  • a. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 22.26, het planologisch uitbreiden of het planologisch wijzigen van de functie van gebouwen en gronden verlenen, in afwijking van het bepaalde in 10.1:
    • 1. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit;
    • 2. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- en stallingruimte wordt voorzien.
  • b. Afwijken van de regels, als bedoeld onder a is slechts mogelijk, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. de parkeersituatie in de openbare ruimte;
    • 2. de woon- en leefsituatie.

Artikel 11 Gebruik

11.1 Verboden gebruiksactiviteiten
11.1.1 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten
  • 1. Gebruiksactiviteiten die in strijd zijn met de aan locatie toegedeelde functie(s) in hoofdstuk 2 zijn verboden, een en ander behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden en bouwwerken.
  • 2. Het verbod in het eerste lid omvat in ieder geval het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor niet-bestaande activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 (type projecten) en aan de bijbehorende omschrijvingen in kolom 2 (mer-plicht) van bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
  • 3. Gebruiksactiviteiten die op grond dit hoofdstuk niet zijn toegestaan - rechtstreeks danwel na melding of middels een omgevingsvergunning - zijn verboden.
11.2 Milieuzone - spuitvrije zone
  • 1. Ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - spuitvrije zone' zijn de regels van de bestemmingsplannen zoals opgenomen in onderstaand tabel van overeenkomstige toepassing, zulks met dien verstande dat:
    • a. de verbeelding enkel met de aanduiding 'Milieuzone - spuitvrije zone' is aangevuld;
    • b. de regels zijn aangevuld met onderstaand lid.
      Naam bestemmingsplan   Identificatienummer   Datum vaststelling  
      Buitengebied Zaltbommel   NL.IMRO.0297.BGBBP20130009-VS02   17-09-2014  
      Parapluplan Parkeren   NL.IMRO.0297.BGBBP20180002-VS01   14-06-2018  
      Parapluherziening verkamering woningen   NL.IMRO.0297.BGBBP20200005-VS01   05-11-2020  
      Paraplubestemmingsplan kleinschalige opwekking windenergie   NL.IMRO.0297.BGBBP20210014-VS01   16-12-2021  
      Parapluherziening verkamering woningen integrale herziening   NL.IMRO.0297.BGBBP20220020-VS01   28 september 2023  
  • 2. Ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - spuitvrije zone' is het verboden om chemische gewasbestrijdingsmiddelen te gebruiken.
11.3 overige zone - woningen en tuinen uitgesloten

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - woningen en tuinen uitgesloten' zijn woningen en tuinen zoals bedoeld in Artikel 7 niet toegestaan.

Hoofdstuk 4 Overgangsrecht en slotbepalingen

Artikel 12 Overgangsrecht

12.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst' aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst', mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst', maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
12.2 Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie
  • 1. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van de functie als bedoeld in hoofdstuk 2 dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst' en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst' strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst' strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d HAM IV, te Aalst' voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan van rechtstwege voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.