| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Bruchem, Molenstraat 6 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0297.BRUTAMOP20250002-VS01 |
Het planvoornemen ziet op het volledig onder de woonfunctie brengen van het woonperceel, door de functie Wonen aan de noordzijde uit te breiden tot de kadastrale perceelsgrens. Momenteel is de bestaande woning met bijgebouwen namelijk deels gelegen binnen de functie Agrarisch. De woning is niet als agrarisch in gebruik, waarmee dit TAM-omgevingsplan is opgesteld om de functie Wonen hiervoor toe te passen. Het planvoornemen wordt mogelijk gemaakt middels het opstellen van een TAM-omgevingsplan.
Onder de Omgevingswet verloopt dit via een procedure ‘wijziging omgevingsplan’. Omdat het nieuwe gemeentelijke Omgevingsplan pas in 2032 helemaal klaar zal zijn heeft het kabinet de mogelijkheid geboden om gebruik te maken van een Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM-IMRO). Dit biedt gemeenten de mogelijkheid om initiatieven op korte termijn door te laten gaan vooruitlopend op de vaststelling van het definitieve Omgevingsplan.
Deze TAM-IMRO methode sluit qua techniek en vormgeving grotendeels aan bij de oude systematiek voor het (gedeeltelijk) herzien van een bestemmingsplan onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en mag toegepast worden tot en met 31 december 2025 (= uiterste datum waarop een ontwerp-TAM-omgevingsplan ter inzage mag worden gelegd) voor initiatieven die niet passen de regels van het 'Omgevingsplan gemeente Zaltbommel' (van rechtswege). Juridisch gezien moet het plan echter voldoen aan de Omgevingswet en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierdoor is een TAM-plan anders ingericht en vertaald dan een voorheen geldend bestemmingsplan.
Het plangebied is gelegen aan de Molenstraat 6 in Bruchem. Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente Zaltbommel, sectie S, nr. 1240 en heeft een oppervlakte van circa 2.600 m² en wordt globaal gezien begrensd door:
Navolgende afbeeldingen tonen globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.
Globale ligging plangebied (rode contour)
Globale begrenzing plangebied (oranje kader)
Voor de gronden in het plangebied geldt het tijdelijk deel van het 'Omgevingsplan gemeente Zaltbommel', in werking getreden op 1 januari 2024. Dit tijdelijke omgevingsplan omvat het voormalige bestemmingsplan 'Buitengebied Zaltbommel', zoals de gemeenteraad dat heeft vastgesteld op 17 september 2014. Daarnaast omvat dit tijdelijke omgevingsplan meerdere parapluherzieningen waarvan ook het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren', zoals de gemeenteraad dat heeft vastgesteld op 14 juni 2018, en het bestemmingsplan 'Parapluherziening verkamering woningen', zoals de gemeenteraad dat heeft vastgesteld op 5 november 2020, relevant zijn.
Ter plaatse van het plangebied geldt deels de functie 'Wonen' en deels de functie 'Agrarisch'. Daarnaast geldt voor het grootste deel de dubbelfunctie 'Waarde - Archeologie 3' en een klein deel aan de noordzijde ook de dubbelfunctie 'Waarde - Archeologie 1'.
Uitsnede tijdelijk omgevingsplan met globale begrenzing uitbreiding functie Wonen (rode omkadering)
Omdat de bestaande situatie niet overeenkomt met de planologische toegestane situatie en de woning niet past binnen de agrarische functie, zal het tijdelijke omgevingsplan gewijzigd moeten worden om deze woonfunctie mogelijk te maken.
Vandaar dat in de onderhavige motivering wordt onderbouwd dat, ondanks dat de huidige woonfunctie niet passend is binnen de regeling van het tijdelijke omgevingsplan, sprake is van een ruimtelijk en stedenbouwkundig aanvaardbare situatie waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
Inleiding en gebiedsvisie
In hoofdstuk 1 zijn de aanleiding en het kader voor het TAM-omgevingsplan beschreven en is het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en zijn de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied, waarbij zowel de ruimtelijke aspecten als functionele aspecten aan de orde komen.
Juridische toelichting
In hoofdstuk 3 wordt de juridische regeling toegelicht.
Verantwoording
In de hoofdstukken 4 en 5 worden onder meer het (beleids)kader en de gevolgen voor de fysieke leefomgeving uiteengezet.
Uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 6 en 7, gaan in op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan. Daarbij wordt onder meer ingegaan op de resultaten van het vooroverleg en het participatietraject.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL)
In hoofdstuk 8 wordt ingegaan op het feit of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het plangebied is gelegen aan de rand van het dorp Bruchem, aan de westzijde van de Molenstraat. De Molenstraat vormt de verbindingsweg naar Kerkwijk. Het plangebied ligt formeel in het plan Buitengebied Zaltbommel, maar er liggen verschillende woonfuncties als een bebouwingslint aan de Molenstraat. Naast de agrarische functies liggen er ook twee natuurfuncties rondom het plan, zowel aan de oostzijde tegenover het plangebied, als verder westelijk gelegen, aan de Kleinestraat. Aan de Molenstraat liggen verder verschillende functies zoals (dag)recreatieve, maatschappelijke, en bedrijfsfuncties. Het gebied kenmerkt zich daarmee met zijn mix van functies aan de dorpsrand van Bruchem.
De woning is plaatselijk bekend als 'de Hoogen Hof'. In de bestaande situatie is een woonfunctie opgenomen voor de woning van de Molenstraat 6. De woning valt echter buiten de contouren die planologisch zijn opgenomen in het in 2014 vastgestelde bestemmingsplan 'Buitengebied Zaltbommel'. In de bestaande situatie valt de woning dus deels binnen de agrarische functie, waar een woning (en het bijgebouw behorende bij die woonfunctie) niet is toegestaan.
De woning aan de Molenstraat 6 valt voor een deel buiten de woonfunctie, in de agrarische functie die ernaast ligt. Met de gemeente Zaltbommel is afgesproken een correctie op de functies te bewerkstelligen. Hiermee wordt ook het bijgebouw aan de noordzijde bij de woonfunctie betrokken. Met dit TAM-omgevingsplan wordt de woonfunctie uitgebreid zodat de woning ingepast is in de planologische situatie.
In de toekomstige situatie wordt de woonfunctie uitgebreid aan de noordzijde, zodat de woning en bijbehorende bouwwerken binnen de woonfunctie vallen. In het plan buitengebied is geregeld dat binnen de woonfunctie (wanneer er geen bouwvlak is opgenomen) bebouwing in de vorm van bijbehorende bouwwerken is toegestaan. Hiermee is het uitbreiden van de functie voldoende, en hoeft er geen specifiek bouwvlak opgenomen te worden om de situatie te legaliseren. De voor wonen aangewezen gronden zijn verder aangeduid voor: aan huis verbonden beroepen, waterhuishoudkundige voorzieningen, geluidwerende voorzieningen, en bijbehorende voorzieningen (tuinen, erven, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, paden, e.d.).
Het TAM-omgevingsplan reguleert het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het plan biedt het gemeentebestuur een basis voor handhaving, indien op een bepaalde locatie activiteiten plaatsvinden die strijdig zijn met het omgevingsplan en zodoende uit ruimtelijk oogpunt onwenselijk worden geacht.
Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het Omgevingsplan gemeente Zaltbommel. De woonfunctie op deze locatie past niet in het van het tijdelijk omgevingsplan onderdeel uitmakende bestemmingsplan 'Buitengebied Zaltbommel', waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden.
Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het Omgevingsplan gemeente Zaltbommel wordt het als hoofdstuk 22b toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Zaltbommel gelezen te worden.
In dit hoofdstuk volgt een toelichting op de juridische regeling. Het juridisch bindende gedeelte van dit omgevingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De verbeelding en de regels dienen in samenhang met elkaar te worden begrepen.
In deze paragraaf wordt uiteengezet welke gedachten aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen en hoe deze uiteindelijk zijn vormgegeven. De regels zijn onderverdeeld in 5 hoofdstukken.
Hoofdstuk 1: Inleidende bepalingen
Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het Omgevingsplan gemeente Zaltbommel. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling in het plangebied. Daarom worden in de regels alleen bepalingen opgenomen die specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling in het plangebied.
Hoofdstuk 2: Specifieke regels over functies
Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op www.ruimtelijkeplannen.nl.
Voor onderhavig TAM-omgevingsplan voor het plangebied is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het bestemmingsplan 'Buitengebied Zaltbommel'. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet.
Hoofdstuk 3 en 4: Algemene regels over functies en activiteiten en bescherming van
waarden
Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor het gehele grondgebied van de ontwikkellocatie.
Hoofdstuk 5: Overgangsregels
In dit hoofdstuk is onder meer aangegeven dat de bestaande bouwwerken dan wel vergunde rechten tot het oprichten van een bouwwerk worden gerespecteerd, ook al wijken deze af van het onderhavige TAM-omgevingsplan. Deze bouwwerken mogen gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd. Het is dus niet toegestaan om een bouwwerk af te breken en geheel te vernieuwen. Evenmin is het toegestaan om het bouwwerk geleidelijk aan helemaal te vernieuwen. In geval het bouwwerk door een calamiteit verloren is gegaan, mag wel tot gehele nieuwbouw worden overgegaan, mits de omgevingsvergunning voor het bouwen binnen een termijn van twee jaren na de calamiteit is aangevraagd. Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels en bepalen dat bestaande afwijkingen mogen worden vergroot voor een uitbreiding van de bebouwing met maximaal 10%. Illegale bouwwerken zijn expliciet uitgesloten van het overgangsrecht.
Voor gebruik van gronden en opstallen is eveneens bepaald dat het gebruik dat strijdig is met het onderhavige plan, mag worden gecontinueerd. Verandering van het gebruik is niet toegestaan, tenzij de afwijking naar haar aard en omvang wordt verkleind. Indien gebruik voor een periode van langer dan 1 jaar wordt onderbroken, mag dit gebruik niet meer worden hervat. Een uitzondering wordt gemaakt voor het gebruik dat reeds strijdig was met het voor het onderhavige omgevingsplan ter plekke van kracht zijnde plan. Het overgangsrecht is op deze situaties niet van toepassing.
Verbeelding
De verbeelding die is opgesteld voor het voorbeeld TAM-omgevingsplan dient te worden opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding wel 'bestemmingen' zijn te zien, en dat specifieke functies als zijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt. Voor meer info, zie: https://docs.geostandaarden.nl/ro/HRTAMomplan/.
Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat aan hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een hoofdstuk 22b wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22b van het Omgevingsplan gemeente Zaltbommel. Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke omgevingsplan (zie artikel 1.2 en 1.3).
Op de verbeelding is de grens van het plangebied aangegeven. Binnen die grens zijn de verschillende functies met verschillende kleuren weergegeven.
Artikel 6 Wonen
Het doel van dit TAM-omgevingsplan is het uitbreiden van de woonfunctie in het buitengebied. De functie wonen is daarvoor opgenomen. Omdat er bij splitsing van de woonfunctie in theorie 2 woningen mogelijk gemaakt zouden worden, is het bestaande gedeelte ook in dit plan meegenomen. Hiermee ontstaat er 1 woonfunctie met bijbehorend bouwvlak, waarbinnen maximaal één woning is toegestaan. Er wordt (conform systematiek van het buitengebied) geen specifiek bouwvlak opgenomen voor dit plan. Regels zijn daarmee gekoppeld aan het al bestaande 'locatievlak' (de woonfunctie).
Het stelsel omgevingsrecht bestaat uit de Omgevingswet, 4 algemene maatregelen van bestuur (AMvB's) en een Omgevingsregeling. De Omgevingsregeling is de ministeriële regeling bij de Omgevingswet. Het gaat vooral om technische en administratieve regels. In de vier AMvB's staan de regels voor het praktisch uitvoeren van de wet:
Instructieregels
Voor een aantal onderwerpen gelden instructieregels vanuit het Rijk of de provincie. Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe het een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Er zijn drie varianten van een instructieregel: 'in acht nemen', 'rekening houden met' en 'betrekken bij'.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. De kern van deze nieuwe aanpak is het integraal werken aan verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken.
Het streven naar integraliteit, dat onderdeel is van de NOVI, valt samen in vier verschillende prioriteiten, te weten:
Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzen. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven:
De NOVI werkt door in het provinciaal en gemeentelijk beleid.
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de prioriteiten uit de NOVI. De NOVI vormt geen belemmering voor dit ruimtelijke plan.
In de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale beleid over onderwerpen als ruimte, water, mobiliteit, economie, natuur en landbouw. Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal. Met behulp van 7 ambities – op het terrein van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, economisch vestigingsklimaat en op het woon- en leefklimaat – geeft de Omgevingsvisie hier richting aan.
In relatie tot de beoogde ontwikkeling in het plangebied is het volgende beleid uit deze Omgevingsvisie relevant:
"Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied ons vertrekpunt. Wij geven de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen. Wij gaan voor concentraties van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, breiden we uit aan de randen van onze steden of dorpen."
Planspecifiek
De beoogde ruimtelijke ontwikkeling bestaat uit het (in zijn geheel) benutten van een bestaande woning binnen een bebouwingslint bij het dorp Bruchem en sluit daarmee aan bij de voorkeur van de provincie voor concentratie van bebouwing. Er worden geen nieuwe woningen opgericht.
De Omgevingsvisie doet verder geen specifieke uitspraken die van belang zijn voor de beoogde ontwikkeling. De Omgevingsvisie vormt geen belemmering voor het uitbreiden van de woonfunctie op deze plek.
De Omgevingsverordening is één van de instrumenten om de ambities uit Omgevingsvisie te realiseren. In de verordening zijn alleen regels opgenomen als dit nodig is om de provinciale ambities waar te maken of wettelijke plichten na te komen. Net als de Omgevingsvisie richt de Omgevingsverordening zich op de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving. Daarom zijn bijna alle regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem in deze verordening opgenomen.
Planspecifiek
In paragraaf 5.7.1, artikel 5.64 staat dat een TAM-omgevingsplan (of BOPA) nieuwe woningen alleen toe mag laten als die ontwikkeling past binnen de regionale woondeal 2022 - 2030. Omdat dit plan geen nieuwe woningen aan de woningvoorraad toevoegt, maar in feite een verplaatsing is door uitbreiding van de woonfunctie, past deze ontwikkeling binnen de regionale woondeal, en daarmee de omgevingsverordening Gelderland.
Op basis van de omgevingsverordening Gelderland is het plangebied gelegen binnen de gebiedsaanwijzing Gelderse streek Bommelerwaard. Hier zijn kernkwaliteiten ten behoeve van het landschap voor de Gelderse streken opgesteld. Deze streek kenmerkt zich door het landelijk rivierengebied, met een sterk verweven uitstraling van agrarisch cultuurlandschap, glastuinbouw en kleinschalige verstedelijking. De ontwikkeling is passend binnen de kernkwaliteiten en tast de ontwikkeling van de landschappelijke opbouw niet aan. De locatie ligt in een bestaand lint en maakt geen nieuwe woningen mogelijk. De openheid van het gebied wordt bovendien behouden. Het betreft dan ook een wijziging van het omgevingsplan voor het inpassen van een al bestaande feitelijke situatie.
Voor het overige zijn er geen specifieke artikelen die relevant zijn voor het plangebied. De voorliggende ontwikkeling past binnen de kaders van de Omgevingsverordening.
Op 20 oktober 2022 heeft de gemeenteraad van Zaltbommel de Omgevingsvisie Bommelerwaard vastgesteld. De omgevingsvisie Bommelerwaard richt zich op 13 kernopgaven die vallen onder de volgende thema’s:
Planspecifiek
Op de BommelerVisiekaart is te zien dat het plangebied precies op de driehoek ligt van Stad / Dorp, droge land; wonen, werken, landbouw, recreatie en groen in balans, en open kom; primaat is grondgebonden landbouw. Feitelijk ligt de locatie binnen het gebied 'droge land'. Woonfuncties zijn hier mogelijk en aanwezig en dienen in een gezonde balans ook aanwezig te blijven.
Uitsnede BommelerVisiekaart met globale aanduiding plangebied (rode omcirkeling)
Voor het plangebied zijn kernopgaven 4 en 9 van belang:
De locatie is gelegen in het buitengebied. De uitbreiding van de woonfunctie heeft als doel een bestaande situatie te legaliseren. De locatie ligt in een gemengd gebied waar meerdere woningen aan een bebouwingslint liggen. Het uitbreiden van de woonfunctie heeft daarmee geen risico's om de balans tussen wonen, natuur, en landbouw te verstoren. Deze ontwikkeling past bij de Molenstraat die ligt bij de kern Bruchem. Het herpositioneren van de woonfunctie past dus binnen het in balans brengen van landbouw en wonen, gezien deze functies op deze locatie naast elkaar liggen en ingepast worden.
Daarnaast draagt het aanpassen van de woonfunctie bij aan de kwaliteit ter plaatse. De woning wordt hiermee ingepast in de omgeving, en bebouwing wordt planologisch aangepast aan de bestaande situatie. Er worden geen nieuwe woningen opgericht, dus er is geen sprake van een groei van woningaanbod.
Gelet hierop is de voorliggende ontwikkeling passend binnen de kaders van de gemeentelijke omgevingsvisie.
De gemeenteraad heeft op 8 juli 2021 de woonvisie Bommelerwaard 2021 - 2025 vastgesteld. De centrale thema's in de woonvisie zijn:
De woningbouwopgave voor de komende 10 jaar bestaat voor Zaltbommel uit circa 1.450 woningen. Vanwege de onbalans tussen vraag en aanbod gaat de gemeente de nieuwbouw voor de komende 5 jaar versnellen.
Tegelijkertijd zorgen we voor de juiste woningen voor de juiste prijs op de juiste plek. We willen meewerken aan goede initiatieven voor de ontwikkeling van compacte woningen en dagen initiatiefnemers uit om in bestaande gebouwen door functiewijzigingen of woningsplitsing woontechnisch en energetisch kwalitatief goede woningen te realiseren. Hierbij is er aandacht voor de specifieke huisvestingsvragen van doelgroepen zoals arbeidsmigranten, statushouders en woonwagenbewoners.
Planspecifiek
De ontwikkeling draagt bij aan een duurzame woningvoorraad. Daarnaast is de locatie gelegen in de Molenstraat waar de sterke mix van functies kenmerkend is. De Molenstraat bevat meerdere woonfuncties die een lint vormen tussen de dorpen Bruchem en Kerkwijk. De woonfunctie ligt tevens tegen de kern Bruchem aan, waarbij het past binnen de uitstraling en omgeving van dit gebied. Zo zijn er tegenover het plangebied nog 10 woningen mogelijk gemaakt in het plan 'Bruchem, Molenstraat naast 1'. Het uitbreiden van de woonfunctie aan de Molenstraat 6 is dan ook passend in het beleid van de woonvisie en draagt bij aan een duurzame woningvoorraad in de gemeente Zaltbommel.
In 2023 is het Landschapsplan voor Zaltbommel herijkt op basis van het provinciaal landschapsbeleid Streekgidsen Gelderse Streken, waaronder de Streekgids Bommelerwaard. Het geactualiseerde landschapsplan is een verdere detaillering van deze Streekgids. Het gebruik van het landschapsplan ziet de gemeente drieledig: als inspiratie voor initiatieven, als toetsingsinstrument bij (kleinere) ruimtelijke ontwikkelingen en als kaderstellend of richtinggevend beleidsdocument voor grotere ruimtelijke ontwikkelingen. Met het landschapsplan nodigt de gemeente initiatiefnemers uit om plannen meer landschapsinclusief te ontwikkelen. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van de systematiek kernkwaliteiten & ontwikkeldoelen per deelgebied.
Planspecifiek
Het initiatief is gelegen in de deelgebied 'De stroomrug van Bruchem-Kerkwijk-Delwijnen en de kom van de Vliert'. Hiervoor gelden de volgende relevante kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen:
Knipsel Bruchem met aanduiding plangebied (bron: landschapsplan Gemeente Zaltbommel)
De ontwikkeling is gelegen nabij het karakteristieke oeverwaldorp Bruchem en vormt een toonaangevende locatie langs de Molenstraat. De locatie is gelegen in het buitengebied aan een zeer karakteristiek bebouwingslint. Deze wordt door onderhavige ontwikkeling versterkt, door een betere invulling en afstemming tussen woonfunctie en agrarische functie. Aan de zuidkant van de locatie bevindt zich naast de woning een resterende hoogstamboomgaard. Deze wordt door deze ontwikkeling niet beperkt. De ontwikkeling vindt namelijk aan de noordzijde van het perceel plaats. De ontwikkeling draagt daarom bij aan de ontwikkeldoelen van het landschapsplan.
In het plangebied zijn geen gemeentelijke belangen in het geding.
De beoogde ontwikkeling is passend binnen het beleid van de verschillende overheden.
Om inzicht te bieden in de mate van verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling, die met dit ruimtelijke plan wordt gefaciliteerd, moet de voertuigaantrekkende werking worden bepaald. Op basis van het collegebesluit van 12 november 2025 is er een actualisatie van de Parkeernota Zaltbommel 2018 vastgesteld. Dit betreft de actualisatie parkeernormen 2025. Om woningbouw te versnellen heeft het College besloten om de nieuwe parkeernormen 2025 nu al toe te passen op nieuwe- en op lopende projecten.
Om inzicht te bieden in de extra voertuigbewegingen als gevolg van de ontwikkeling, die met dit ruimtelijke plan mogelijk wordt gemaakt, moet de voertuigaantrekkende werking worden bepaald. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van CROW-publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’. Voor het berekenen van de voertuiggeneratie wordt uitgegaan van een gemiddelde weekdag.
Om de voertuigaantrekkende werking van de nieuwe woningen te bepalen is gekeken naar de ligging van het plangebied. De gemeente Zaltbommel is qua stedelijkheidsgraad aan te merken als een 'weinig stedelijk' gebied en het plangebied maakt onderdeel uit van de 'buitengebied', waardoor de voertuiggeneratie (uitgaande van het gemiddelde van de aangegeven bandbreedtes) uitkomt op:
In de toekomstige situatie neemt het aantal woningen in het plangebied niet toe. Ten behoeve van de uitbreiding van de woonfunctie is er daarom dus ook geen toename van het aantal voertuigbewegingen. De capaciteit van de Molenstraat is ruim voldoende om het aantal voertuigbewegingen op te vangen.
Conclusie
Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In de actualisatie is voor de functie wonen een tabel opgenomen voor het aantal benodigde parkeerplaatsen voor woningen. In onderhavige situatie betreft het een vrijstaande woning die valt binnen het gebied 'Dorpen' (inclusief buitengebied). Voor een vrijstaand huis is hiervoor een norm opgenomen van (inclusief bezoekers):
Op het eigen terrein en binnen het plangebied is ruimschoots ruimte aanwezig om minimaal 2 parkeerplaatsen te situeren.
Conclusie
Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Uit artikel 1.2 lid 2 Ow volgt expliciet dat bodem onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van de bodem (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow). Daarnaast gelden er instructieregels vanuit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) die gemeenten in het omgevingsplan moeten verwerken. Het Bkl bepaalt voor bodem dat in het omgevingsplan:
Bodemgevoelige gebouwen
Een bodemgevoelig gebouw wordt in het Bkl omschreven als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een gebouw wordt verstaan een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m2 valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.
Bodemgevoelige locaties
Een bodemgevoelige locatie is op basis van het Bkl in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.
Omgevingsplan
Een omgevingsplan bevat dus waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, die per gebied of per gebruiksfunctie kunnen verschillen. Het uitgangspunt voor deze waardes zijn de interventiewaardes bodemkwaliteit, uit bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Deze waardes zijn wetenschappelijk onderbouwd en behoeven geen verdere motivering. Het omgevingsplan kan ook een hogere waarde bevatten dan de interventiewaardes, mits gemotiveerd en de waarden niet hoger zijn dan het humane Maximaal Toelaatbare Risiconiveau (MTR humaan, bijlage Vb Bkl). Ook mag niet leiden tot overschrijding van de toelaatbare concentraties in lucht (TCL) en geurdrempels (bijlage XIIIb Bkl).
Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. Om te kunnen beoordelen of de toelaatbare kwaliteit van de bodem uit het omgevingsplan is overschreden, is voorafgaand onderzoek naar de gesteldheid van de bodem nodig. Ingeval van een overschrijding van de waarden, is in het omgevingsplan opgenomen welke sanerende of beschermende maatregelen nodig zijn.
Er is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd in het plangebied. De rapportage van het onderzoek is als bijlage 1 bij de motivering gevoegd. Op basis van de historische gegevens wordt een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 niet noodzakelijk geacht voor de uitbreiding van de woonfunctie naar het terreindeel, wat momenteel een agrarische functie heeft. De onderzoekslocatie is reeds afdoende onderzocht, waarbij tevens de voormalige teeltlaag (boomgaard jaren 50) is meegenomen. Ter plaatse zijn maximaal licht verhoogde gehalten en/of concentraties aangetroffen in zowel grond als grondwater. Hierdoor is in voldoende mate vastgesteld dat géén sprake is van een verdachte locatie voor wat betreft de algemene bodemkwaliteit.
Druppelzone voormalige schuur
Ter plaatse van een voormalige schuur met smeerput en asbesthoudende dakbedekking, op circa 15 meter ten westen van de onderzoekslocatie, is géén bodemverontreiniging aangetroffen met minerale olie en/of vluchtige aromaten in zowel grond als grondwater. In totaal zijn er 5 asbestgaten uitgevoerd. Tevens zijn zowel zintuiglijk als analytisch geen asbestverdachte en/of -houdende materialen aangetroffen.
Na sloop van de voormalige schuur is de locatie heringericht, met aanleg van de tuin, groenstrook met bomen en struiken. De oorspronkelijke bodem is niet meer aanwezig en het uitvoeren van een aanvullend onderzoek (voormalige druppelzone op asbest (middels SEM) en PCB heeft dan ook geen toegevoegde waarde. Bovendien heeft dit gedeelte van het kadastraal perceel reeds de functie wonen. Een verkennend onderzoek naar asbest conform de NEN 5707 en/of de NEN 5897 wordt niet noodzakelijk geacht, aangezien hier op basis van het historisch onderzoek en de informatie van de opdrachtgever geen aanleiding toe bestaat.
Conclusie
Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Bij milieuzonering gaat het specifiek om de milieuthema's die afstandsgerelateerd zijn. Afstandsgerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur.
Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van bedrijfsmatige activiteiten worden gerealiseerd, moet worden gemotiveerd in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige bedrijfsmatige activiteiten. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige bedrijfsmatige activiteiten. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat bedrijfsmatige activiteiten zich vestigen/wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies.
In 2024 is de VNG-uitgave 'Activiteiten en milieuzonering' uitgebracht. Er wordt in deze handreiking geen gebruik gemaakt van milieucategorieën, maar van gebruiksruimte. Onder gebruiksruimte wordt verstaan de ruimte die een bedrijf mag benutten. Totdat de nieuwe VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' is geïmplementeerd in het beleid van de gemeente, wordt nog uitgegaan van de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Voor het vaststellen van de minimum richtafstanden tussen bedrijven en milieugevoelige functies worden de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt.
Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd als sprake is van omgevingstype gemengd gebied.
Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'
Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Als de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Wanneer niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig.
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gelegen met een hindercontour die een overlap kent met het plangebied. De bedrijfsfuncties die in de omgeving zijn gelegen hebben een maximale categorie van 3.1. Uitgaande van het omgevingstype gemengd gebied, gezien de bedrijvigheid en verschillende woonfuncties aan de Molenstraat is er geen sprake van een rustig buitengebied. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan namelijk als gemengd gebied worden beschouwd. Volgens deze kolom geldt een afstandsrichtlijn van 30m. Aan deze afstandseis wordt voor alle omliggende bedrijfsfuncties voldaan.
Aan de oostzijde is in het gebied van de beheersverordening Bruchem en Nieuwaal aan de Dorpsstraat 9 een constructiebedrijf met winkel toegestaan. Deze bevindt zich in de dorpskern op meer dan 300 meter afstand. In het buitengebied is de dichtstbijzijnde bedrijfslocatie (groente en fruithandel) aan de Molenstraat 21 gelegen. Deze bevindt zich ook op meer dan 400 meter van het plangebied.
Conclusie
Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels in afdeling 3.5 (o.a. normen) voor:
Geluidgevoelige gebouwen
Het Bkl bevat in artikel 3.21 een definitie van geluidgevoelige gebouwen. Hier vallen gebouwen onder met een woonfunctie, een onderwijsfunctie, een gezondheidszorgfunctie (met bedgebied) en kinderopvang (met bedgebied). Het Bkl bevat niet de mogelijkheid voor een gemeente om de definitie van geluidgevoelige gebouwen uit te breiden. Bij nieuwe ontwikkelingen moeten gemeenten in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wel rekening houden met geluid op niet door het Bkl aangewezen gebouwen en locaties.
Geluidaandachtsgebieden
In het Bkl is bepaald dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een (spoor)weg of industrieterrein op een voor geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen binnen een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een geluidgevoelig gebouw voor de geluidbronsoorten met een geluidproductieplafond (gpp) als omgevingswaarde gelden, staan in navolgende tabel:
| Geluidbronsoort |
Standaardwaarde (dB) (tabel 3.34 Bkl) |
Grenswaarde (dB) (tabel 3.35 Bkl) |
|
|
Provinciale wegen Rijkswegen |
50 Lden | 65 Lden | |
|
Gemeentewegen Waterschapswegen |
53 Lden | 70 Lden | |
| Hoofdspoorwegen | 55 Lden | 70 Lden | |
| Industrieterreinen | 50 Lden | 60 Lden | |
| 40 Lnight | 50 Lnight | ||
De geluidaandachtgebieden zijn - indien gepubliceerd - opgenomen op de kaart van de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Dit geluidsregister is op dit moment nog vrijwel leeg. Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 3.34 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 3.35 tot en met 3.40 Bkl). In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor het toelaten van een geluidgevoelig gebouw af te wijken van de standaardwaarden (vergelijkbaar met het hogere grenswaardenbesluit zoals we dat voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet kenden). Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats en gelden een aantal eisen. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als voldaan wordt aan een van de voorwaarden onder artikel 5.78z lid 1 onder a of b, 5.78z lid 2, 5.78ab lid 2, 5.78ac en 5.78ad Bkl.
Op grond van artikel 5.78i Omgevingswet hebben alle verharde wegen met een jaargemiddelde verkeersintensiteit van 1.000 motorvoertuigen of meer - los van de snelheid - ook een geluidaandachtsgebied, met uitzondering van woonerven.
Zolang er geen basisgeluidsemissies met bijbehorende aandachtsgebieden vast zijn gelegd geldt op grond van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling een geluidaandachtgebied waarbij bij een gemeentelijke weg of waterschapsweg de breedte van het geluidaandachtsgebied wordt bepaald door vaste afstanden tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip:
| Aantal rijstroken | Maximum snelheid weg (km/u) | Breedte zone (m) |
| 1 of 2 | 30 of minder | 100 |
| 1 of 2 | meer dan 30 | 200 |
| 3 of meer | 350 |
Geluid door activiteiten
Onder 'geluid door activiteiten' vallen nagenoeg alle activiteiten (zoals activiteiten van bedrijven). Het Bkl wijst in artikel 5.55 de activiteiten aan die er niet onder vallen. Zo bepaalt het Bkl dat de activiteit wonen geen geluidveroorzakende activiteit is. Het Bkl bevat zelf geen definitie van het begrip wonen, maar de toelichting bij het Bkl geeft aan dat een beroep of bedrijf aan huis en een 'uit de hand gelopen hobby' geen verband houden met de activiteit wonen. Dit is vergelijkbaar met de wetgeving voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet waar de milieuregels ook van toepassing zijn op activiteiten die worden verricht in een omvang alsof zij bedrijfsmatig zijn.
Het Bkl bepaalt in artikel 5.59 dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een geluidveroorzakende activiteit (zoals activiteiten bij bedrijven) op een geluidgevoelig gebouw aanvaardbaar is. Er wordt voldaan aan dit aanvaardbaarheidsvereiste als het omgevingsplan de standaardwaarden van het Bkl overneemt.
Het Bkl bevat standaardwaarden voor toelaatbaar geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze standaardwaarden zijn overgenomen in navolgende tabel:
| Standaardwaarde toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw | 07.00 - 19.00 uur | 19.00 - 23.00 uur | 23.00 - 7.00 uur | ||
| Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten | 50 dB(A) | 45 dB(A) | 40 dB(A) | ||
| Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen | - | 70 dB(A) | 70 dB(A) | ||
| Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden | - | 65 dB(A) | 65 dB(A) | ||
Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 5.64 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein.
Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.65 en 5.66 Bkl). Indien de gemeente een soepelere norm wil opnemen in het omgevingsplan, moet door middel van onderzoek vaststaan dat de binnenwaarde (het geluid binnen de geluidgevoelige gebouwen) niet hoger is dan de normen die het Bkl daarvoor stelt. Indien de gemeente een strengere norm wil opnemen, moet aangetoond worden dat de bestaande geluidveroorzakende activiteiten niet worden beperkt ten opzichte van het huidige recht. In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor één of meerdere geluidgevoelige ruimte(n) binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen af te wijken van de standaardwaarden. Deze mogen de grenswaarden niet overschrijden. De grenswaarden worden niet bepaald op de gevel, maar in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. De grenswaarden zijn overgenomen in navolgende tabel:
| Grenswaarde toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen | 07.00 - 19.00 uur | 19.00 - 23.00 uur | 23.00 - 7.00 uur | ||
| Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten | 35 dB(A) | 30 dB(A) | 25 dB(A) | ||
| Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen | - | 55 dB(A) | 55 dB(A) | ||
| Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden | - | 45 dB(A) | 45 dB(A) | ||
Wegverkeerslawaai
Ten behoeve van wegverkeer ligt de locatie aan de Molenstraat waar, binnen de bebouwde kom van Bruchem een maximumsnelheid van 50km/u geldt. Daarnaast wordt de drempelwaarde van 1000 voertuigen per etmaal op gemeentelijke wegen voor de Molenstraat niet overschreden. Gezien het feit dat er geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen volgens het Bkl worden gerealiseerd wordt nader onderzoek voor het aspect geluid niet noodzakelijk geacht. De woning op het perceel is bestaand en wordt niet verplaatst. Het gebied is daarnaast niet gelegen in een geluidaandachtsgebied.
Railverkeerslawaai
In de nabijheid van het plangebied is geen railverkeer aanwezig. Belemmering of hinder van railverkeerslawaai is derhalve niet aan de orde.
Industrielawaai (geluid door activiteiten)
In de nabijheid van het plangebied zijn geen geluidproducerende objecten aanwezig. Het voormalige tegenover gelegen agrarische bedrijf is recent een woningbouwlocatie geworden waar in het bestemmingsplan 'Bruchem, Molenstraat naast 1' ruimte is geboden voor de bouw van 10 woningen. Hier vinden dus geen activiteiten plaats die tot geluidoverlast zullen leiden.
Conclusie
Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Uit artikel 1.2 lid 2 Ow volgt expliciet dat lucht onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van lucht (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow).
De rijksoverheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden.
In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied.
Er wordt getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties.
De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 Bkl. Deze gaan over:
Het plangebied is niet gelegen in of nabij één van de aandachtsgebieden uit artikel 5.51, lid 2 Bkl. Bovendien geldt dat de ontwikkeling van een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend initiatief maakt de uitbreiding van een woonfunctie mogelijk en voegt dus geen woningen toe aan het woningaanbod. Er zal dus geen verslechtering van de luchtkwaliteit optreden.
Bestaande luchtkwaliteit
Op basis van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK), zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het monitoringsjaar 2023 (monitoringsronde 2024) bepaald. Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden (40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5) ter plaatse van het dichtstbijzijnde toetspunt 51468751_15558149 op de meest nabij gelegen gemonitorde weg ten westen van het plangebied, de Molenveldweg, niet worden overschreden.
De waardes bedragen 13,8 µg/m3 voor NO2, 15,4 µg/m3 voor PM10 en 8,6 µg/m3 voor PM2,5. Het plan voegt daar ook geen in betekenende mate verslechtering aan toe. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.
Conclusie
Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het Bkl bevat een instructieregel dat zorg gedragen moet worden dat geur veroorzaakt door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.
Geurgevoelige gebouwen
De volgende gebouwen worden als 'geurgevoelige gebouwen' aangemerkt:
Geurveroorzakende activiteiten
Voor 'geurveroorzakende activiteiten' wordt onderscheid gemaakt in:
Er is geen sprake van agrarische bedrijven in de directe omgeving van het plangebied, met een geurcontour die (deels) over het plangebied ligt. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf bevindt zich aan de Vreedstraat op de hoek met de Molenstraat. Hier is echter geen veehouderij toegestaan. Het ligt tevens op meer dan 300 meter en bovendien zijn tussen de omliggende agrarische bedrijven en het plangebied andere gevoelige (woon)functies gelegen, die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van de betreffende agrarische bedrijven.
Conclusie
Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gevoelige objecten zijn opgesplitst in:
De categorieën kwetsbare gebouwen en locaties zijn aangewezen in bijlage VI Bkl.
Plaatsgebonden risico
Bij het toelaten van milieubelastende activiteiten en bij het toedelen van locaties moet voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties het plaatsgebonden risico (PR-10-6-contour) in acht worden genomen. Bij beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet er rekening worden gehouden met het plaatsgebonden risico. Dit betekent dat binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicobron geen zeer kwetsbare gebouwen of kwetsbare gebouwen en locaties mogen worden toegestaan en dat beperkt kwetsbare gebouwen of locaties pas na een beoordeling (dus vergunning) mogen worden toegestaan. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico: aandachtsgebieden
Het Bkl introduceert zogenaamde 'aandachtsgebieden' rond risicobronnen. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Deze aandachtsgebieden zijn er voor brand (BAG), explosie (EAG) en gifwolk (GAG) en zijn zichtbaar in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Uitgangspunt is dat personen in gebouwen buiten een aandachtsgebied (brand, explosie of gifwolk) voldoende zijn beschermd. Binnen de aandachtsgebieden, of voor personen die verblijven op een locatie in de buitenlucht, zal bij nieuwe initiatieven moeten worden gekeken of en welke aanvullende beschermende maatregelen nodig en te treffen zijn. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor aandachtsgebieden in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl).
Een (deel van een) aandachtsgebied kan in het omgevingsplan worden aangewezen als voorschriftengebied. Binnen een dergelijk gebied gelden op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) aanvullende bouwvoorschriften (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl voor het verbeteren van de veiligheid) voor de nieuwbouw of vervangende nieuwbouw (en dus niet voor bestaande bouw) van zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare gebouwen. Er geldt een plicht (artikel 5.14 Bkl) tot het aanwijzen van een voorschriftengebied als in een aandachtsgebied een zeer kwetsbaar gebouw wordt toegelaten.
Aandachtsgebieden
Het plangebied is niet gelegen binnen brand-, explosie-, of gifwolkaandachtsgebieden die zijn opgenomen in de vastgestelde risicobronnen. Daarnaast zijn er geen activiteiten in de omgeving van het plangebied aanwezig die een risico vormen voor de beoogde ontwikkeling. Op navolgende kaart is zichtbaar dat op het gebied van omgevingsveiligheid geen belemmeringen aanwezig zijn:
Kwetsbare objecten
Er worden geen nieuwe kwetsbare of zeer kwetsbare objecten toegevoegd. Aangezien het alleen gaat om het uitbreiden van de woonfunctie is er geen sprake van het oprichten van (nieuwe) risicobronnen.
Conclusie
Het aspect 'omgevingsveiligheid' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing:
Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water: Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen:
Bij de inrichting, het bouwen en het beheer moeten zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen moeten worden vermeden om watervervuiling te voorkomen.
Uitgangspunten Waterschap Rivierenland
De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als:
Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit:
Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen.
Volgens de 'beleidsregels bij de waterschapsverordening Waterschap Rivierenland' geldt vanaf nieuw verhard oppervlak een vrijstelling van de compensatieplicht voor toename tot 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m2 voor het buitengebied. Als peildatum voor het eenmalig gebruik is 1 januari 2010 aangehouden. Dit betekent dat alleen aanspraak gemaakt kan worden op de vrijstelling als hier in het verleden (na 1 januari 2010) nog geen gebruik van is gemaakt.
Er is een digitale watertoets uitgevoerd via www.hetwateradvies.nl (zie bijlage 2). Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat geen invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap. Dit plan gaat namelijk uitsluitend over functiewijziging van bestaande bebouwing zonder fysieke aanpassing van bebouwing en ruimte. In deze fase van de planvorming kan volgens het waterschap worden volstaan met het wateradvies. Na het doorlopen van het wateradvies is er nog overleg geweest met het plan over de omliggende watergangen (zie oppervlaktewater).
Oppervlaktewater
Er is geen oppervlaktewater aanwezig in het plangebied. Aan de wegzijde van het plangebied is een A-watergang aanwezig. Aan de overige noord- en westzijde van het plan bevinden zich B-watergangen om het plangebied heen. De wijziging van de functie heeft echter geen invloed op de waterbergingscapaciteiten van deze waterlopen. De beschermingszone ten behoeve van onderhoud van de A-watergang is opgenomen op de verbeelding en in de regels van dit plan.
Hemelwater
Hemelwater wordt via het bestaande aanwezige watersysteem opgevangen en afgevoerd.
Conclusie
Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen. Daarbij kan bij de meest voorkomende activiteiten een tweedeling worden gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De Omgevingswet introduceert daarbij nieuwe terminologie: zo wordt een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied voortaan aangeduid als een 'Natura 2000-activiteit', en een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten als een 'flora- en fauna-activiteit'. Een verdere vernieuwing onder de Omgevingswet is de vormgeving van de zorgplicht voor natuur. De provincie blijft in beginsel het bevoegd gezag voor taken op het gebied van de natuur (artikel 2.18, lid 1, onder g Ow).
Zorgplicht
De zorgplicht is in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht (afdeling 1.3 Ow) en de specifieke zorgplicht, waarbij de specifieke zorgplicht kan worden opgedeeld in de Specifieke zorgplicht natura2000 (art.11.6 Bal), Specifieke zorgplicht soorten (artikel 11.27 Bal) en de Specifieke zorgplicht houtopstanden (artikel 11.116 Bal). Uit de toelichting bij het Bal volgt dat deze specifieke zorgplichten voortborduren op de algemene zorgplicht in de Omgevingswet, maar concreter zijn. Omdat zij concreter zijn, kunnen zij volgens de toelichting niet uitsluitend bestuursrechtelijk, maar ook strafrechtelijk worden gehandhaafd. De zorgplicht geldt daarbij ook voor vergunningsplichtige activiteiten.
Soortenbescherming
Op grond van artikel 5.1 lid 2 Ow is het verboden een flora-en-fauna-activiteit te verrichten, voor zover het gaat om een geval dat is aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Uit bijlage 1 Omgevingswet volgt dat een flora-en-fauna-activiteit een activiteit is met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (artikel 11.37 Bal), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 11.46 Bal) en Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd.
De regels over wanneer het bevoegd gezag een omgevingsvergunning of een vrijstelling mag verlenen voor flora- en fauna-activiteiten, staan in afdeling 8.6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Gebiedsbescherming
Artikel 11.6, lid 1 van het Bal bepaalt dat degene die een activiteit verricht die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van de natuurbescherming, verplicht is om:
Stikstofdepositie
Artikel 2.15a Ow geven de (resultaatsverplichtende) omgevingswaarden voor stikstofdepositie gehandhaafd. Een activiteit die voor stikstofdepositie zorgt, wordt aangemerkt als een vergunningsplichtige Natura 2000-activiteit als significante effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten. De beoordelingsregels kunnen er in dat geval toe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als geregistreerde stikstofdepositieruimte aan de Natura 2000-activiteit wordt toegedeeld (artikel 5.29, lid 3 Ow).
Soortenbescherming
Ten behoeve van het aspect ecologie wordt ten behoeve van de functiewijziging geen nader onderzoek voor soorten nodig geacht. De locatie van het plangebied is al geruime tijd in gebruik als woonfunctie. De wijziging vormt dan ook een planologische correctie op een al vergunde situatie. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt dan ook niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming en houtopstanden. Tijdens de uitvoering van eventuele werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van soorten om de algemene zorgplicht ten behoeve van natuur en ecologie te beschermen. Met de correctie en wijziging is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur.
Gebiedsbescherming
De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 3,2 km ligt het Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone liggen ook op circa 1,5 km van het plangebied.
Afstand van plangebied tot natura-2000 gebied (bron: atlasleefomgeving.nl)
Stikstofdepositie
Doordat de ontwikkeling uitsluitend bestaat uit het verruimen van de functie, en niet het oprichten van nieuwe wooneenheden is er geen sprake van een aanlegfase. Ten behoeve van de gebruiksfase is er door de geruime afstand geen significant negatief effect van stikstof op de meest nabijgelegen Natura-2000 gebieden te verwachten. Doordat er gronden met agrarisch gebruik worden wegbestemd is het aannemelijk dat er eerder sprake zal zijn van een stikstofafname. De toename zal dus op 0,0 mol/ha/j uitkomen. Er is dan voor het plan dan ook geen vergunning in het kader van flora en fauna-activiteit nodig en natuur vormt geen belemmering voor de uitvoering en exploitatie van het plan.
Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden dus geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Het project is daarmee in het kader van stikstofdepositie niet aan te merken als een Natura 2000-activiteit.
Conclusie
Het aspect 'natuur' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Uit artikel 1.2 lid 2 van de Ow volgt dat cultureel erfgoed en werelderfgoed onderdeel uitmaken van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van erfgoederen (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow).
De essentie van het beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische en cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het doel van deze wetgeving is om archeologische resten in de bodem zoveel mogelijk te behouden en cultureel erfgoed en landschap zoveel mogelijk te beschermen.
Daarnaast zijn er ten aanzien van de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd: archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Voor onderhavige procedure is artikel 5.130 uit het Bkl van toepassing door de lusbepaling in artikel 8.0b van het Bkl.
Archeologie
De gemeente Zaltbommel beschikt over een cultuurhistorische inventarisatie en archeologiebeleid. In de kaartbijlage I Archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart gemeente Zaltbommel is de locatie Molenstraat aangemerkt als 'Oeverzone' en opgenomen in de historische structuur: 'laat-middeleeuwse bewoningskernen'. Hieronder is een uitsnede te zien van deze archeologische inventarisatiekaart met in oranje aanduiding het plangebied:
Uitsnede Archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart gemeente Zaltbommel
Deze archeologische kenmerken uit de beleidskaart zijn opgenomen en vertaald in de archeologische waarden in het omgevingsplan. In het bestemmingsplan 'Buitengebied Zaltbommel' zijn dubbelbestemmingen voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden opgenomen. Deze beschermende waarden zijn onderstaand verbeeld:
Archeologische beschermingswaarden en aanduiding plangebied (bron: regels op de kaart)
Voor zowel Waarde - Archeologie 1 als Waarde - Archeologie 3 zijn ten behoeve van het bouwen van bouwwerken beschermende regels opgenomen. Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan:
geldt dat er een rapport overlegd moet worden waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord.
In onderhavige ontwikkeling wordt geen bebouwing opgericht. Er is derhalve geen sprake van het verstoren van archeologische waarden door het oprichten van bouwwerken. Voor vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering geldt bovendien geen onderzoeksplicht naar archeologische waarden. Voor het omgevingsaspect Archeologie worden er met de functiewijziging dus geen waarden aangetast.
Cultuurhistorie
In kaartbijlage II van de Cultuurhistorische inventarisatiekaart buitengebied gemeente Zaltbommel zijn de cultuurhistorische kenmerken verbeeld. Het plangebied is gelegen in het deelgebied Bruchem, aangegeven met lichtblauwe markering. Hierin is goed te zien dat de locatie tegen de dorpskern van Bruchem aan is gelegen. De Molenstraat vormt een dorpspolder die is aangemerkt als "kade dorpspolder". Aan de zuidwestrand van het plangebied bevindt zich een groene lijn die 'boerenland met gave patronen' aangeeft. Verder zijn er geen cultuurhistorische kenmerken ter plekke van het plangebied aanwezig.
Uitsnede Cultuurhistorische inventarisatiekaart buitengebied gemeente Zaltbommel
Conclusie
De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen moeten worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:
In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, waarmee bij de beoogde ontwikkeling rekening gehouden moet worden.
Het aspect 'kabels en leidingen' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g Bkl) bepaalt dat voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist.
Het doel van deze regel is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering van stedelijke ontwikkelingen en het voorkomen van overprogrammering hiervan. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling 'buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied' mogelijk wordt gemaakt, moet worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.
Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als 'de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel-voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.' Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 bruto vloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling.
Met de voorgenomen plannen wordt geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt, omdat er sprake is van een functiewijziging binnen een bestaande woonfunctie in het buitengebied waarbij geen oprichting van nieuwe gebouwen is beoogd. De ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling en zal hiervoor geen belemmering vormen.
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet moet dit aspect breed worden gemotiveerd.
Bij deze motivering moeten de maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 Omgevingswet (zoals duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu) breed worden gemotiveerd en toegelicht en aangegeven hoe de voor de beoogde ontwikkeling relevante aspecten zich verhouden tot de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij moet worden beargumenteerd dat de kwaliteit van de leefomgeving door de activiteit verbetert dan wel niet (onevenredig) verslechtert.
Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem en zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd.
In het Bbl zijn enkele regels opgenomen die betrekking hebben op de rookgassen van verbrandingstoestellen (zie art. 4.138 Bbl). Het toepassingsbereik hiervan is beperkt tot de aanleg van verbrandingstoestellen en ook de oogmerken zijn beperkt. Over de aanleg van kachels en open haarden kan de gemeente in een omgevingsplan regels stellen over het gebruik van kachels en open haarden. Het oogmerk is dan het beschermen van de gezondheid van omwonenden (en van het milieu).
Een gezonde leefomgeving kan in een aanzienlijke mate bijdragen aan een goede volksgezondheid. De Omgevingswet vergroot de mogelijkheden om een gezonde leefomgeving integraal door te vertalen naar de gemeentelijke uitvoeringspraktijk. Beschikbaarheid en inrichting van aantrekkelijk ingerichte plekken dragen bij aan het verminderen van de kans op eenzaamheid en stress gerelateerde klachten en dragen bij aan de fysieke fitheid (stimuleren van voldoende beweging, minder ziekteverzuim), sociale cohesie (ontmoeting) en kwaliteit van leven (bereikbaarheid, leefbaarheid, zelfredzaamheid).
Gemeenten hebben veel invloed op de fysieke leefomgeving op het gebied van water, groen, maar ook de situering van voorzieningen voor sport- en speelbeleid. Zo kunnen gemeenten groen bevorderen en ruimte bieden voor voorzieningen in het groen gericht op sport en bewegen. Denk aan goede wandel-, hardloop-, fiets-, OV-, en skeelerroutes, maar ook het stimuleren van traplopen, buitenspelen, en een goede inrichting van voetpaden (met vlakke ondergrond) groener inrichten van (stenige) schoolpleinen, gezonde voeding, het zorgen voor schaduw en verkoeling door groenaanleg, en de aanleg van geveltuinen, postzegelparken, of moestuinen. Het bevorderen van recreatie in de openbare ruimte is hierin een belangrijk speerpunt.
Belangrijk is daarbij het verkeer 'gezond' te maken door gemotoriseerd vervoer te beperken of af te schermen, bijvoorbeeld met langzaam-verkeersroutes. Gezonde mobiliteit zorgt voor een betere milieukwaliteit, zoals een lagere geluidsbelasting, minder luchtverontreiniging (CO2-uitstoot) en hinder (lawaai, geur) en een betere verkeersveiligheid. Bedrijven die overlast geven, of veiligheids- en gezondheidsrisico's met zich meebrengen moeten juist beperkt of geconcentreerd worden. Ook een prettig en gezond binnenklimaat in gebouwen en woningen is voor iedereen belangrijk.
In een buurt waar wonen, werken en een gevarieerd aanbod van voorzieningen (op het gebied van zorg, winkelen, ontspanning, ontwikkeling) goed gemengd zijn, wordt meer bewogen omdat het aantrekkelijker is om lopend of met de fiets een locatie te bereiken. Goede functiemenging draagt bovendien bij aan levendigheid en het ontmoeten van buurtgenoten en versterkt daarmee de saamhorigheid en sociale cohesie in een wijk. Ook dienstverlenende en detailhandelsbedrijven kunnen de werkgelegenheid en levendigheid van een buurt vergroten.
Tenslotte sluiten levensloopbestendige woningen aan op belangrijke maatschappelijke en demografische ontwikkelingen. Zo kan het met aangepaste regelgeving bijvoorbeeld gemakkelijker worden gemaakt om woningen aan te passen of een mantelzorgwoning toe te staan. Via regels voor de omgeving kunnen zaken als toegankelijkheid en voorzieningen worden geregeld.
De beoogde ontwikkeling betreft een uitbreiding van de woonfunctie, die zelf geen schade veroorzaakt op het gebied van gezondheid. Voor de woning is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Het aspect 'gezondheid' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan (inclusief BOPA) en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.
Voor plannen en programma's die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.
De plan-m.e.r.-beoordeling is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets vindt plaats aan de hand van de criteria van bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
Onderhavige motivering voor dit ruimtelijke plan is kaderstellend voor een project uit bijlage V Omgevingsbesluit, te weten J11: een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen. Dit betreft ook de uitbreiding van een woonfunctie. In de derde kolom staat dat voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een dergelijk stedelijk ontwikkelingsproject een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt op basis van artikel 16.43, lid 1, aanhef en onder b van de Ow. Het onderhavige plan betreft een kleine wijziging van het omgevingsplan gemeente Zaltbommel en gaat over een klein gebied op gemeentelijk niveau.
Op grond van het gestelde in 1.3 van deze motivering kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling, gelet op de aard, omvang en ligging, geen aanzienlijke milieueffecten kent. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De uitgevoerde onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit initiatief te kunnen nemen.
Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.
Het aspect 'milieueffectrapportage' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Omdat het een bestaande woning betreft waarvoor al meer dan 10 jaar geleden een bouwvergunning is verleend, is geadviseerd om op basis van deze reden de participatie/inspraak achterwege te laten. Het zou feitelijk geen meerwaarde hebben om dit te organiseren.
Vooroverleg met de provincie heeft plaatsgevonden op 15 juli 2025, waar op de provincie heeft aangegeven dat er geen opmerkingen zijn en er geen provinciale belangen in het geding zijn.
In overleg met het Waterschap is de beschermingszone van de A-watergang aan de voorzijde van het TAM-omgevingsplan op de verbeelding en in de regels opgenomen. Het plan is hierop aangepast. Hiermee zijn de belangen van het waterschap voldoende geborgd in het plan.
In dit hoofdstuk wordt verslag gedaan van de economische haalbaarheid van de nieuwe ontwikkelingen.
Alle kosten die gemaakt moeten worden met het opstellen van een ruimtelijk plan zijn voor rekening van de gemeente. Met de eigenaar van het perceel is een overeenkomst gesloten met betrekking tot de terugbetaling van eventueel te betalen bedragen aan tegemoetkoming in planschade c.q. nadeelcompensatie. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente afdoende geregeld.
Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit staat in artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet. Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Uit hoofdstuk 4, hoofdstuk 6 Participatie en de in hoofdstuk 5 verwerkte resultaten uit de omgevingsaspecten blijkt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het plangebied.