direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Westervoort-Noord, oostelijk deel
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0293.OPWTVNRD01-VS01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het initiatief

De gemeente is voornemens om ter plekke van de agrarische gronden aan de noordzijde van Westervoort een woonwijk te realiseren. Dit plan maakt deel uit van een grotere gebiedsontwikkeling, waarbij een woonwijk wordt gerealiseerd ter plaatse van de sportvelden en de gronden in het plangebied.

Omdat deze ontwikkeling niet past in het omgevingsplan van de gemeente Westervoort, maar dit initiatief wel wenselijk is, wordt middels voorliggende wijziging van het omgevingsplan medewerking verleend aan de voorgenomen activiteit. In dit document wordt toegelicht waarom er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) conform de Omgevingswet.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de noordzijde van Westervoort en betreft de agrarische grond ten oosten van de sportvelden en twee agrarische percelen aan de Rivierweg. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0293.OPWTVNRD01-VS01_0002.png"

Globale ligging plangebied in omgeving (bron: OpenStreetMap)

1.3 Leeswijzer

Deze motivering gaat in op dat deel van het besluit waar het gaat over een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hoofdstuk 2 geeft de beschrijving van de huidige situatie, gevolgd door een beschrijving van de voorgenomen ontwikkeling. In hoofdstuk 3 gaat in het relevante beleid van Rijk, provincie, regio en gemeente. In hoofdstuk 4 en 5 wordt getoetst aan aspecten m.b.t. de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 6 volgt de integrale weging van alle aspecten. Daarna wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de juridische planbeschrijving.

Alléén relevante onderwerpen

Deze motivering gaat in lijn met de Memorie van Toelichting van de Omgevingswet, paragraaf 2.2 en 4.16.4, in op de regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor het project, het effect van het project op de omgeving. Onderwerpen die niet relevant zijn worden dientengevolge niet behandeld. Deze zijn daarmee niet vergeten noch onbelangrijk, maar slechts niet relevant voor het besluit.

Besluit breder dan alleen voorliggende motivering

Elk besluit dat op basis van de Omgevingswet genomen wordt is breder dan alleen de motivering dat voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). Enkele aspecten komen altijd voor en daar wordt in hoofdstuk 8 'Overige aspecten' op in gegaan.

Hoofdstuk 2 Voorgenomen ontwikkeling

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Het plangebied is gelegen direct ten noorden van de Westervoort. Het grenst aan natuurgebied Driegaarden. Het gebied sluit aan op de bestaande kleiputten in dit natuurgebied. Op ongeveer 800 meter afstand richting het westen stroomt de IJssel en iets oostelijker ligt de eerste bebouwing, een bedrijventerrein, van Duiven.

Het plangebied bestaat uit agrarische gronden (in gebruik als akkerland). Dit gebied heeft een andere structuur dan de naastgelegen gebieden. De oude kavelstructuren zijn rechthoekig en nemen willekeurigere (veelal driehoekige) vormen aan. Het plangebied ligt aan de Hamersestraat. Deze weg verbindt Westervoort met de plaatsen Duiven en Arnhem. Op de navolgende luchtfoto is de huidige situatie weergegeven en daarna een foto vanaf de Keulsebaan over het akkerland richting Driegaarden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0293.OPWTVNRD01-VS01_0003.png"

Luchtfoto van het plangebied waarbij het plangebied rood is omlijnd (bron: Pdok)

afbeelding "i_NL.IMRO.0293.OPWTVNRD01-VS01_0004.png"

Streetview van het plangebied (bron: Google Maps)

2.2 Toekomstige situatie

2.2 Toekomstige situatie

Het stedenbouwkundig plan voor de woningbouwontwikkeling Westervoort Noord bestaat uit twee delen: Oost en West. Dit plan heeft betrekking op het oostelijke deel. Hieronder wordt dit deel kort beschreven. In bijlage 1 is het volledige stedenbouwkundig ontwerp opgenomen, waarin de toekomstige situatie van het totale plangebied is verbeeld en toegelicht. Voor meer informatie over het westelijk plandeel als ook voor meer gedetailleerde informatie over het totale plangebied wordt verwezen naar de bijlage.

afbeelding "i_NL.IMRO.0293.OPWTVNRD01-VS01_0005.png"

Concept stedenbouwkundig plan, deelgebieden West en Oost (bron: Buro SRO)

Verkeersroutes

Binnen Westervoort Noord zijn 2 grote lanen gelegen welke hoofdzakelijk als fiets-/wandelpad in gebruik zullen zijn. De oostelijke laan gaat in de richting van de bult van Driegaarden en vormt de scheiding tussen het oostelijk en westelijk plandeel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0293.OPWTVNRD01-VS01_0006.png"

Uitsnede deelgebied Oost (bron: Buro SRO)

De belangrijkste ontsluitingsroute voor autoverkeer ligt aan de rotonde op de Hamersestraat. Vanaf hier loopt een brede hoofdstraat door het gehele plangebied. De hoofdstraat heeft een breedteprofiel van 15m en bestaat uit een straat met fietsstroken aan beide kanten, een brede groenstrook met grote bomen langs de gehele route en voetpaden aan beide buitenzijden van het profiel. Het gehele oostelijk deel van het plangebied, als ook een deel van het westelijk plandeel kan via deze rotonde bereikt worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0293.OPWTVNRD01-VS01_0007.png"

Doorsnede / profiel van de hoofdverkeersontsluiting

Groenzones

De buitenranden van het plangebied, worden conform de ideeën uit de gebiedsvisie, zo veel mogelijk als groene randen uitgevoerd. Hierbij ontstaat altijd een spanningsveld tussen de hoeveelheid groen, de grote vraag naar woningen en de financiële haalbaarheid van het plan. De groene rand varieert in breedte van enkele meters tot enkele tientallen meters breed. Op de plekken waar deze rand smaller is, is vaak al sprake van een groene wand door de ligging tegen de kleiputplassen aan. Vanuit deze groene randen zijn op diverse plekken groene inprikkers voorzien die een verbinding vormen tussen het buitengebied van Westervoort (IJsseldijk, Bult van Driegaarden) en de bestaande kern van Westervoort. Zowel in de groene randen als bij de inprikkers zijn laagtes en wandelpaden voorzien. De laagtes (wadi's) zorgen ervoor dat in het geval van flinke hoosbuien hier het water tijdelijk geborgen kan worden. De wandelpaden zorgen ervoor dat bestaande maar ook de toekomstige inwoners van Westervoort een ommetje kunnen lopen langs de groene randen van Westervoort-Noord.

Woonvelden

Tussen de groene inprikkers en de hoofdinfrastructuur liggen de woonvelden. De woonvelden die direct aan de bestaande kern van Westervoort grenzen bestaan over het algemeen uit langere en grotere woonblokken dan de woonvelden die dichter aan de groene rand gelegen zijn. Dit principe met grotere bouwblokken en meer woningen aan de zijde van de kern Westervoort en minder intensief (kleinere bouwvolumes) aan de zijde van de groene rand komt voort uit de gebiedsvisie. Daarmee vormen de woonvelden in dichtheid een geleidelijke overgang van de kern Westervoort naar het buitengebied.

De woonvelden van Westervoort-Noord bieden plaats aan diverse woningtypes. Een groot deel van de woningen (appartementen meegerekend) is geschikt als levensloopbestendige woning. Daardoor kan Westervoort-Noord een significante bijdrage leveren aan de gewenste doorstroming op de Westervoortse woningmarkt.

In de vormgeving van de woonvelden en de straten is er een onderscheid tussen het westelijke deel en het oostelijk deel. Het westelijke deel krijgt een rechtlijnig patroon dat is gebaseerd op de verkavelingsstructuur (strokenverkaveling). Het oostelijk deel is minder rechtlijnig en hier is meer ruimte voor afwijkende patronen wat beter past bij de structuren van de kleiputplassen.

Stedenbouwkundige accenten

Op enkele plekken in Westervoort-Noord, bij belangrijke entrees van de wijk zijn beeldbepalende bebouwingsaccenten voorzien. Deze plekken vragen extra aandacht in beeldkwaliteit om deze entrees aan te duiden. Een voorbeeld hiervan is het appartementengebouw nabij de rotonde aan de Hamersestraat.

Op belangrijke overgangen naar het landschap zijn in plaats van bebouwingsaccenten, accenten in of aan het groen voorzien. Dit zijn woonvolumes die aansluiten op het groen van de groene rand. Bijvoorbeeld in de driehoekige punt tussen beide kleipuntplassen. Hier wordt voorzien in een landelijk opgezet erf met groene buitenruimte en waterbergingsmogelijkheden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0293.OPWTVNRD01-VS01_0008.png"

Erfbebouwing met groene buitenruimte

Onderdeel van het plangebied zijn ook de gronden tussen Hamersestraat 33 en 35 (locatie 'Vleeming') . Op dit perceel wordt de agrarische bestemming omgezet in een woonfunctie. Vooralsnog is dat zonder bouwmogelijkheden maar ook hier zullen t.z.t. woningen komen.

Beeldkwaliteitsplan

Voor het plan is tevens een beeldkwaliteitsplan opgesteld, welke is opgenomen in bijlage 1 bij de regels. In de regels is geborgd dat aan dit beeldkwaliteitsplan wordt getoetst.

Woonprogramma voorliggende wijziging van het omgevingsplan

Het programma voor voorliggende woningbouwopgave is afgestemd op de woningbehoefte: een mix van zowel vrijstaande, tweekappers woningen, rijwoningen en gestapelde woningen met een variatie in zowel huur als koop en daarbij ook een verschil in de prijzen. Om in te spelen op de marktbehoefte is er enige vrijheid opgenomen in dit plan. De bandbreedte in de verschijningsvorm is als volgt:

Oostelijke plandeel, maximaal 220 woningen

  • minstens 15% en maximaal 30% van de woningen betreft gestapelde woningen;
  • minstens 50% en maximaal 65% van de woningen betreft rijwoningen (minimaal 3 aaneengebouwd);
  • minstens 15% en maximaal 30% van de woningen betreft twee-onder-een-kap woningen, geschakelde woningen en/of vrijstaande woningen.

Waarbij de prijsverdeling de volgende is:

  • Minimaal 25% sociale huurwoningen
  • Minimaal 35% betaalbare koopwoningen
  • Maximaal 40% vrije sectorwoningen

Dit leidt tot 60% betaalbare woningen en 40% vrije sectorwoningen.

In de regels zijn de bandbreedtes voor verschillende woningtypen en prijsklassen bepaald. Er is geen andere bebouwing dan woonbebouwing voorzien.

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst.

3.1 Rijksbeleid en rijksregels

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Per februari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.

Gebiedsgericht

De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden.

Het gaat hierbij over de instructieregels met het oog op:

  • 1. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  • 2. Het behoud van werelderfgoed en cultureel erfgoed;
  • 3. Natuurbescherming.

Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden

  • 4. Veiligheid primaire waterkeringen;
  • 5. Veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk;
  • 6. Kwaliteit van de buitenlucht;
  • 7. Waterkwaliteit;
  • 8. Kwaliteit van de zwemlocatie.

Artikel 5.129g van het Bkl bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.

3.1.3 Nationale woon- en bouwagenda

De Nationale woon- en bouwagenda schetst de opgave met betrekking tot volkshuisvesting en noemt daarbij verschillende doelstellingen:

  • Beschikbaarheid: 900.000 woningen tot en met 2030, waarvan twee derde betaalbaar
  • Betaalbaarheid: betere aansluiting van woonlasten bij het inkomen
  • Kwaliteit: voldoende woningen voor aandachtsgroepen en ouderen, perspectief voor kwetsbare gebieden en duurzame huisvesting voor iedereen bereikbaar

Vanuit de Nationale woon- en bouwagenda komen zes programma's voort, die elk een eigen doel nastreven. Dit zijn de volgende programma's:

  • Programma Woningbouw
  • Programma Betaalbaar wonen
  • Programma Een thuis voor iedereen
  • Programma Wonen en zorg voor ouderen
  • Programma Versnelling verduurzaming gebouwde omgeving
  • Nationaal programma Leefbaarheid en veiligheid
3.1.4 Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid

Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit de NOVI of het Bkl. Woningbouw op deze locatie sluit aan bij de doelstellingen van het Rijksbeleid. Voor de Laddertoets wordt verwezen naar paragraaf 5.1 waar onderbouwd wordt of er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik.

De toetsing aan de eventueel van toepassing zijnde omgevingswaarden vindt plaats in hoofdstuk 4.

3.2 Provinciaal beleid en provinciale regels

3.2.1 Provinciale omgevingsvisie

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld welke de afgelopen jaren op onderdelen is geactualiseerd. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen.

De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat:

  • Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;
  • Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;
  • Een voortvarend en innovatief circulair beleid;
  • Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit;
  • Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;
  • Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;
  • Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.

Naast deze zeven ambities blijft het beleid uit de Omgevingsvisie uit 2014 gelden. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van instructieregels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen uit het Bkl.

Klimaatadaptatie

De provinciale omgevingsverordening die op 1 februari 2022 van kracht is geworden bevat de instructieregel klimaatadaptie (2.65b). Voor zover een plan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de onderbouwing een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. In paragraaf 5.5 is invulling gegeven aan de wijze waarop in dit plan is omgegaan met het voorkomen en/of beperken van de risico's van klimaatverandering.

3.2.3 Toetsing van het initiatief aan het provinciale beleid

Het plangebied ligt in een intrekgebied. In de omgevingsverordening zijn regels opgenomen die de kwaliteit van het drinkwater beschermen. Nieuwe ontwikkelingen binnen 'intrekgebieden' mogen geen functies bevatten die de winning van fossiele energie mogelijk maken. Voorliggend initiatief maakt de winning van fossiele energie niet mogelijk.

Daarnaast ligt het plangebied in de Gelderse streek Liemers. Hier dient rekening gehouden te worden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. Een van de kernkwaliteiten is een reeks van sterk uitgegroeide kernen Westervoort-Duiven-Zevenaar-Didam. Het ontwikkeldoel hiervoor is: landschapsversterking doorvoeren in de ontwikkelings-as Westervoort-Duiven-Zevenaar-Didam, vanwege de stedelijke druk. De doortrekking van de A15 zal invloed hebben op de dynamiek in dit gebied door de betere bereikbaarheid. Dit vraagt zorgvuldige ruimtelijke ordening, gekoppeld aan landschappelijke investeringen.

In de huidige situatie is er sprake van agrarische percelen die ingeklemd liggen tussen stedelijke functies en een klein natuurgebied. De nieuwe woonwijk krijgt groene randen, waarmee voor een geleidelijke overgang naar het natuurgebied wordt gezorgd. Daarmee wordt aan de het ontwikkeldoel voldaan. Overige kernkwaliteiten zijn in het plangebied niet aanwezig.

In de omgevingsverordening is ook een regel opgenomen waarin staat dat nieuwe woningen alleen toegestaan zijn als de ontwikkeling past binnen de regionale woonafspraken. In paragraaf 3.3.1 wordt het plan getoetst aan de regionale woonafspraken. Hieruit blijkt dat het plan hierbinnen past.

Verder worden er in de provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening geen specifieke eisen aan voorliggende locatie gesteld.

De activiteit past binnen het beleid en regels van de provincie Gelderland.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Woondeal 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

Het beleid van de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen is gericht op het fysieke domein. De organisatie onderscheidt vijf verschillende opgaven, waaronder ook de opgave 'Groene groeiregio'. De regio kent een grote (verstedelijkings-)opgave en een tekort aan woningen. Het doel van deze opgave is het terugbrengen van dit woningentekort. Ook staat het bieden van voldoende (betaalbare) woningen op de agenda. Balans tussen stedelijke ontwikkeling en leefbaarheid dient behouden te blijven. De GMR hanteert twee speerpunten voor deze opgave:

  • 1. Wonen in balans: versnellen van de woningbouw;
  • 2. Leefomgeving: verbinden van de ruimtelijke opgaven.

Op 8 maart 2023 is de Woondeal regio Arnhem-Nijmegen geactualiseerd. Met de geactualiseerde Woondeal onderkennen partijen de grote woonopgave in de regio. De woondeal is een pakket met afspraken tussen gemeenten, provincie, rijk, corporaties en marktpartijen, waarmee samengewerkt wordt aan meer woningen en meer betaalbare woningen. Doel van deze woondeal is om tot een gezamenlijke inzet van instrumentarium en middelen te komen om opgaven op de woningmarkt op te pakken. De woondeal bevat een zestal kernafspraken, waar onder woningbouwopgave en versnelling en betaalbaarheid. De Woondeal 2.0 borduurt daarmee voort op de eerste Woondeal uit 2020.

In de woondeal wordt conform de provinciaal bestuurlijke afspraken ingezet op de bouw van minimaal 33.000 woningen tot en met 2030. En richting 2040 zo'n 55.000 woningen. Dit betekent een ophoging van de woningproductie van 3.300 naar zo'n 3.700 woningen per jaar; onder andere door inzet op flexwoningen en ruimte voor alternatieve woonvormen. Daarnaast wordt ingezet op het beter benutten van de bestaande voorraad als (onderbelichte) kans voor het verminderen van de woningnood en het optimaal benutten van de

gebouwde omgeving bij de groei van het aantal kleinere huishoudens, als kans voor het vergroten van leefkwaliteit in bestaande wijken, én voor het realiseren van de ambities van de verstedelijkingsstrategie 'meer landschap meer stad'. Op regionaal niveau wordt toegewerkt naar twee derde deel betaalbare huur- en koopwoningen. Om dit te bewerkstelligen werkt elke gemeente toe naar een nieuwbouwprogramma met minimaal 67% betaalbare woningen en minimaal 30% in de sociale huur.

Met het addendum Woondeal 2.1 worden afspraken geactualiseerd voor de periode 2031-2034, waarin de bouw van 17.800 woningen wordt nagestreefd, waarvan minstens 67% betaalbaar en 30% sociale huur

3.3.2 Toetsing van het initiatief aan het regionale beleid

In de twee wijzigingen van het omgevingsplan voor heel de woonwijk Westervoort Noord gezamenlijk zijn 610 woningen opgenomen. Het woningbouwprogramma bestaat voor 25% uit sociale huurwoningen, 33% betaalbare huur- en koopwoningen een 42% vrije sector koopwoningen. Het programma voor Westervoort Noord bestaat derhalve voor 58% uit betaalbare woningen. In de Woondeal 2.1 is vastgelegd dat Westervoort vanwege de grote hoeveelheid betaalbare woningen in de bestaande voorraad mag afwijken van de afgesproken 30% sociaal. Het totale woningbouwprogramma van de gemeente Westervoort bestaat uit 25% sociale huur en 2/3 betaalbaar, conform de afspraken in de Woondeal 2.1.

Het plan past hiermee binnen de regionale woondeal en is dan ook passend binnen het regionale beleid.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Westervoort

Op 27 september 2021 heeft de gemeenteraad van Westervoort de Omgevingsvisie Westervoort vastgesteld. Hierin streeft de gemeente Westervoort naar het behouden en versterken van een gezonde, veilige, vitale, duurzame, leefbare en aantrekkelijke leefomgeving. Voor nu en voor de toekomst. Om dit te bereiken heeft de gemeente de Omgevingsvisie Westervoort opgesteld als stip op de horizon voor de fysieke leefomgeving van Westervoort in 2040.

De visie is opgesteld in samenspraak met meerdere partijen waaronder gebruikers van de leefomgeving zoals inwoners, maatschappelijke instellingen, bedrijven en verenigingen. De omgevingsvisie sluit aan bij nationaal, regionaal en lokaal beleid. De inhoudelijke basis voor deze omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen:

  • 1. Historie: De gemeente Westervoort heeft een rijke geschiedenis waar we op voortbouwen.
  • 2. Richtinggevende waarden: belangrijk zijn onder andere vitale, sterk onderling verbonden sociale gemeenschap, de aantrekkelijke leefomgeving en de uitstekende voorzieningen van de gemeente Westervoort.
  • 3. Ruimtelijke kwaliteiten: de kenmerken van het landschap, het erfgoed en de manier van wonen in de gemeente Westervoort dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente.
  • 4. Ontwikkelingen & toekomstperspectief: Leidraad voor de toekomst is dat we ruimte willen bieden aan de ontwikkelingen, recht doen aan ruimtelijke kwaliteiten, maatwerk leveren op basis van de leefomgevingskwaliteiten en zorg dragen voor natuur en milieu. Dit doen we samen met alle gebruikers van de leefomgeving.

Planspecifiek

In de Omgevingsvisie is de ambitie om het gebied Westervoort Noord tot woningbouw te ontwikkelen beschreven. In de visiekaart (zie navolgende uitsnede) is het plangebied ook aangewezen als Uitbreidingslocatie wonen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0293.OPWTVNRD01-VS01_0009.png"

Uitsnede Omgevingsvisie Westervoort

Het plan draagt daarnaast bij aan de ambitie om een meer evenwichtige opbouw van de woningvoorraad te bereiken door het realiseren van meer middeldure en dure woningen. Ook worden er woningen die aansluiten bij de woonvraag van de groeiende groep één- en tweepersoonshuishoudens gebouwd, waaronder appartementen in verschillende prijsklassen. Ook zal er sprake zijn van duurzame nieuwbouw en een groene aankleding van de wijk, wat de gemeente in haar omgevingsvisie ook ambieert.

Voorliggend plan past binnen de ambities van de Omgevingsvisie Westervoort.

3.4.2 Woonvisie Westervoort 2021-2030

De kracht van Westervoort: betaalbaar wonen in een echte woongemeente. Westervoort wil haar kwaliteiten als woongemeente koesteren en versterken. Met als resultaat: goed wonen in een aangename woongemeente voor jong en oud, nu en in de toekomst. Om dit te bereiken wil de gemeente samen met haar woonpartners aan de volgende thema's werken:

  • Beschikbaarheid & betaalbaarheid van het wonen;
  • Duurzame kwaliteit van de bestaande woningvoorraad: aantrekkelijke, geschikte en energetisch;
  • Kwaliteit van woningen in wijken;
  • Nieuwe woningen;
  • Wonen voor aandachtsgroepen.

De gemeente streeft ernaar dat er in 2030 voldoende geschikte woningen voor jongeren zijn die in hun eigen dorp willen blijven wonen en een aantrekkelijk aanbod voor doorstromers die een stap willen maken in hun wooncarrière. De vergrijzing is op een goede manier gefaciliteerd, waardoor mensen die te maken krijgen met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen in eigen woning en woonomgeving.

Planspecifiek

De ontwikkeling van de woonwijk in voorliggend plan draagt bij aan een versterking van en het koesteren van de kwaliteit van Westervoort als woongemeente. Er wordt een mix aan woningtypen gerealiseerd waarmee er voor veel verschillende doelgroepen extra aanbod wordt gecreëerd: voor zowel jongeren, doorstromers en ouderen worden geschikte woningen mogelijk gemaakt.

Het plan sluit daarmee aan bij de ambities van de Woonvisie Westervoort 2021 - 2030.

3.4.3 Omgevingsplan

Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden

Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan (archeologieverordening (artikel 38, Monumentenwet 1988), geurverordening (artikel 6, Wet geurhinder en veehouderij), verordening afvoer regen- en grondwater (artikel 10.32a, Wet milieubeheer), hogere waarde besluiten (artikel 110a, Wet geluidhinder), vastgestelde veiligheidscontouren (artikel 14, Besluit externe veiligheid inrichtingen) en de bruidsschat. Hierna wordt per aspect de ontwikkeling getoetst op strijdigheden. Om te bepalen of het initiatief past binnen het omgevingsplan, wordt getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan dat één op één is overgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden

Om te bepalen of het initiatief past binnen het omgevingsplan, wordt getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan dat één op één is overgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan is het geldende bestemmingsplan: 'Correctieve herziening, Westervoort Noord 2015' Op grond van dit tijdelijk deel van het omgevingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch'. Daarnaast geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0293.OPWTVNRD01-VS01_0010.png"

Uitsnede tijdelijk deel omgevingsplan (bron: omgevingsloket)

Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan

Het initiatief is in strijd met regels voor gebruik en bouwen (activiteit gebruik en bouwen).

3.4.4 Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk beleid

De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente. De ontwikkeling is echter in strijd met de regels van het omgevingsplan. Daarom wordt het omgevingsplan gewijzigd waarvoor onderhavige onderbouwing is opgesteld.

Hoofdstuk 4 Veilige en gezonde fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de aspecten die samen bepalend zijn voor de vraag of met de voorgenomen ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving ontstaat en behouden blijft voor nu en in de toekomst.

4.1 Weging van het waterbelang

Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap.

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem.

De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld:

  • Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en (4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow);
  • Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow);
  • Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor de ontwikkeling moeten worden getroffen. Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder.

Planspecifiek

Binnen het plangebied zijn geen (beschermingszones van) beschermde waterkeringen/watergangen aanwezig.

Ten behoeve van voorliggend initiatief is een verkennend onderzoek (quickscan) naar de waterhuishouding uitgevoerd als ook een grondwatermodellering, zie bijlage 2 en 3. In het verkennende onderzoek wordt ingegaan op de waterhuishoudkundige aspecten in en om het plangebied en wordt het planvoornemen getoetst. Naar aanleiding daarvan is in de grondwatermodellering geadviseerd om een planhoogte (de hoogte van de bovenkant van de weg) van +10,4 meter NAP aan te houden. Dit betekent een ophoging van, afhankelijk van de precieze plek, 1 tot 7 decimeter waardoor wateroverlast in het plangebied voorkomen wordt.

In bijlage 4 is een de waterbergingsbehoefte berekend en aangegeven hoe hieraan kan worden voldaan. Hieruit volgt dat er voldoende ruimte in het plan is voor de benodigde waterberging. Bij feitelijke realisatie, de bouw- en civiele werkzaamheden in het veld, is pas bekend hoeveel verhard oppervlakte er exact gerealiseerd wordt als ook hoe e.e.a. civiel uitgevoerd wordt. In het nog op te stellen waterhuishoudkundig plan wordt dat, mede in overleg met het Waterschap, opgepakt. Het waterschap is hiervan op de hoogte en kan zich in deze aanpak vinden. Het nog op te stellen waterhuishoudkundig plan zal voldoen aan de regels en randvoorwaarden zoals vastgelegd in de Waterschapsverordening van het Waterschap Rijn en IJssel en de meest actuele versie van de uitgangspuntennotitie 'water in ruimtelijke plannen', het watertakenplan de Liemers 2022 – 2026 en de leggergegevens watersysteem en waterkring van het waterschap Rijn en IJssel.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.2 Activiteiten en milieuzonering

Bedrijven (die milieubelastende activiteiten uitvoeren/ ondernemen) kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe gevoelige functie nabij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden.

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven Milieuzonering” van de VNG uit 2009 is een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden tussen gevoelige functies en milieubelastende activiteiten gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden.

Planspecifiek

Het bedrijventerrein Het Ambacht ligt nabij het plangebied. Binnen dit bedrijventerrein zijn aan bedrijven milieucategorieën toegekend aan de hand van de VNG-richtlijn 2009. Er is een afstand van ca. 50 meter tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde bedrijf met milieucategorie 2 en een afstand van ca. 75 meter tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde bedrijf met milieucategorie 3.1. Het plan voldoet hiermee aan de richtafstanden voor deze milieucategorieën zoals voorgeschreven in de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering, VNG 2009'. Er is dus geen sprake van milieubelastende activiteiten die effect hebben op het plangebied.

School

In de noordwestelijke, aangrenzende, planontwikkeling is een school met BSO voorzien. In de bijhorende buitenruimte zal ook een speelplaats komen waar kinderen zullen spelen en dientengevolge ook geluid zullen produceren. Een dergelijke functie trekt ook verkeer en ook dat maakt geluid. Bewoners van woningen in de omgeving als ook de woningen boven de school zullen dit geluid horen. Dat maakt dat dit deel van het plan ook geen rustig woongebied is maar een gemengd gebied. Bewoners boven de school als ook in de omgeving zullen dit ervaren. In het akoestisch onderzoek dat als Bijlage 11 is opgenomen is de geluidbelasting van de school op omliggende woningen berekend.

Bij het planologisch toelaten activiteiten wordt het geluid van alle activiteiten getoetst aan de standaard- en grenswaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor stemgeluid geldt een uitzondering: de standaard- en grenswaarden zijn niet van toepassing maar in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) moet wel worden beoordeeld of het stemgeluid aanvaardbaar is. Uit het onderzoek volgt dat de geluidbelasting in de dagperiode niet voldoet aan de standaardwaarde. Het hoogst berekende geluid is 53 dB(A), waarbij stemgeluid de maatgevende bron is. In de avond- en nachtperiode voldoet het geluid wel aan de standaardwaarde. Bij beoordeling met stemgeluid voldoen de waarden niet aan het Besluit kwaliteit leefomgeving. Maatregelen aan de bron of in de overdracht zijn in deze situatie niet haalbaar. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen, moet worden voldaan aan de grenswaarde van het binnenniveau. Voor de omliggende woningen volstaat een standaard geluidwering van de gevel uit Besluit bouwwerken leefomgeving van tenminste 20 dB. Daarmee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Zodra de school planologisch is toegelaten moet het geluid van alle activiteiten bij de omliggende woningen voldoen aan de waarden uit het omgevingsplan. Aan de geluidwaarden uit het omgevingsplan wordt in alle perioden voldaan voor het LAr,LT en LAmax. Dit betekent dat de school niet belemmerd wordt in haar bedrijfsvoering door de woningen in de omgeving.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.3 Bodem

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

  • de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen;
  • te zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • de resterende historische verontreinigingen en aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren.

Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

Planspecifiek

Wonen is een bodemgevoelige functie. Daarom is bodemonderzoek uitgevoerd. Voor het oostelijk deel van het plangebied is een verkennend en aanvullend onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als bijlage 5. De belangrijkste conclusie van dit onderzoek is dat er geen sprake is van onaanvaardbare bodemverontreiniging behoudens op perceel 5711 (inmiddels vernummert naar A 8126). Daar is sprake van bodemverontreiniging met OCB's. Die afkorting staat voor organochloorbestrijdingsmiddelen en zijn de restproducten die vaak gevonden worden in (voormalige) landbouwgronden. Bij het bouwrijp maken van de locatie dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van circa 6.500 m³ niet toepasbare grond. Dit zal gebeuren via het aanbrengen van een leeflaag waarmee deze verontreiniging verticaal afgeperkt wordt. Zie hiertoe ook een onderzoek uit 2024 dat als bijlage 6 is te vinden bij dit plan en bijlage 7 met daarin een notitie over de saneringsaanpak. Binnen de exploitatie van deze wijk wordt hier rekening mee gehouden. Borging dát dit ook zo geschiedt verloopt via bodemonderzoeken bij de aanvragen omgevingsvergunning voor het bouwen en bodemregels.

Voor het westelijk deel van het plangebied is in 2006 een verkennend onderzoek uitgevoerd (8). Hierin is geconcludeerd dat er een aantal streefwaarden overschreden worden maar de tussenwaarden vanuit optiek van de Wet Bodembescherming werden niet overschreden. Gezien het gebruik van deze gronden sindsdien is voor grote delen van dit onderzochte gebied te verwachten dat de bevindingen gelijkluidend zullen zijn. Uit een vooronderzoek, uitgevoerd voor het hele plangebied in het najaar '23 (bijlage 9), valt ook op te maken dat voor het westelijke deel van het plangebied nog steeds aangenomen kan worden dat de bodem geschikt is voor woningbouw. Binnen de exploitatie van het gehele plan is er ruimte om met eventuele strengere normen dan welke er in 2006 golden om te gaan gelijk zoals dat hiervoor voor het oostelijke deel is geconcludeerd. Nieuw bodemonderzoek wijst uit dat er geen noemenswaardige verontreiniging gevonden zijn.

Voor de locatie aan de Hamersestraat is ook een bodemonderzoek verricht, dat is te vinden in bijlage 10. Gelet op de bevindingen uit dit onderzoek is er niets op tegen te komen tot de beoogde herontwikkeling tot woningbouw op enkele kleine aandachtspunten (asbestvezels in de grond ter hoogte van de afwateringszone van de schuur met een maximale omvang van 3 m3).

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.4 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de 'omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit' opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een resultaatverplichting;
  • het initiatief leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het initiatief draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen.

Niet in betekenende mate (NIBM)

Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een initiatief binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een initiatief de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een initiatief in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 (aanwijzing agglomeraties richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:

  • bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
  • bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt;
  • bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

Op plekken waar mensen relatief kort verblijven, als het gaat om arbeidsplaatsen (bedrijventerreinen en bedrijfswoningen) en op locaties waar mensen niet kunnen komen is toetsing aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit niet nodig.

Planspecifiek

Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief

Het dichtstbijzijnde toetspunt voor luchtkwaliteit bij het plangebied is de CIMLK-receptor wegverkeer 09212509_15467994. Deze ligt op de kruising van de Brugweg/Dorpsstraat/Zuidelijke parallelweg, op ongeveer 480 meter afstand. In de tabel hieronder zijn de totale concentraties van stikstofdioxide, fijnstof en de fijnere fractie van fijnstof weergeven. Hieruit blijkt dat de totale concentraties ruim onder de gestelde grenswaarden liggen. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

  NO2 
(stikstofdioxide)  
PM10
(fijnstof)  
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof)  
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2020 (µg/m3)   10,88 µg/m3   15,27 µg/m3   8,68 µg/m3  
Grenswaarde concentratie (µg/m3)   40 µg/m3   40 µg/m3   25 µg/m3  

De concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Bijdrage van het initiatief

Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde van 3% (artikel 5.54 Bkl). Standaardgevallen NIMB zijn bijvoorbeeld woonwijken (met of zonder nevengebruikfuncties zoals scholen) van maximaal 3.000 woningen met twee ontsluitingswegen. Voorliggend initiatief blijft ver onder de 3.000 woningen. Daarmee, en op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het initiatief, is te concluderen dat dit initiatief 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof kan daarom achterwege blijven. Tevens ligt het plangebied niet binnen de genoemde aandachtsgebieden (artikel 5.51 luchtkwaliteit in aandachtsgebieden) voor stikstofdioxide en/of fijnstof.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.5 Geur

In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.

De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:

  • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);
  • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS);

Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft.

Geurgevoelig gebouw   Standaardwaarde   Grenswaarde  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   2,0 ouE/m3   8,0 ouE/m3  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   3,0 ouE/m3   14,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   8,0 ouE/m3   20,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   14,0 ouE/m   35,0 ouE/m3  

Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw

In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze.

Voor dieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden gelden afstandseisen. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden.

Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (gevel-gevel afstand).

Planspecifiek

Voorliggend initiatief voorziet in het realiseren van woningen, welke aangemerkt worden als geurgevoelige gebouwen. In de omgeving van het plangebied zijn geen intensieve veehouderijen aanwezig. Daarom kan op voorhand worden gesteld dat er geen veehouderijen worden belemmerd in hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden door voorliggend initiatief en dat er in de nieuwe woningen op het gebied van geur sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.6 Geluid

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels van het Bkl over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel.

Geluidbronsoort   Standaardwaarde, in dB.   Grenswaarde, in dB.  
Rijks- en provinciale wegen. In Lden   50   60  
Gemeente- en waterschapswegen. In Lden   53   70  
Hoofd- en lokale spoorwegen. In Lden   55   65  
Industrieterrein   Lden   50   55  
  Lnight   40   45  

Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en.3.35 Bkl

Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluidsniveau door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Minder geluid dan de standaardwaarde of het geluid op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan, is aanvaardbaar (artikel 5.78m, lid 1 en lid 2 Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van artikel 5.78, lid 3 Bkl bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden:

  • op een aangewezen geluidgevoelig gebouw:
    • 1. op de gevel, als het gaat om een aanwezig geluidgevoelig gebouw
    • 2. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw
  • op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen
  • in geval van een binnenwaarde, in een geluidgevoelige ruimte.

Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze:

  • 1. geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78n, lid 1, onder a Bkl);
  • 2. de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78n, lid 1b Bkl);
  • 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78n, lid 2 Bkl);
  • 4. besluit tot geluidwerende maatregelen als het geluid in een geluidgevoelige ruimte hoger is dan de grenswaarde in geluidgevoelig ruimte (binnenwaarde) (artikel 3.52 Bkl). De karakteristieke geluidwering van deze ruimte is minstens 3 dB groter dan het verschil tussen het gezamenlijk geluid en de grenswaarde. Deze grenswaarde in geluidgevoelig ruimte is meestal 36 dB. In een beperkt aantal bestaande situaties is de grenswaarde 41 dB (artikel 3.52, lid 1, onder a sub 1 Bkl);
  • 5. het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78p Bkl);
  • 6. het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78q Bkl).

De geluidsregels van het Bkl zijn alleen van toepassing bij het realiseren van geluidgevoelige functies binnen een geluidsaandachtsgebied. Dit omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeerdrukte, rijsnelheid, afstand van de locatie tot de weg en eventuele afschermende bebouwing.

Geluidsaandachtsgebied   Breedte (m)  
Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid 30 km/u of minder   100  
Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid meer dan 30 km/u   200  
Weg bestaande uit 3 of meer rijstroken   350  
Lokale spoorweg bestaande uit 1 of 2 sporen   200  
Lokale spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen   350  

Tabel: Breedte van het geluidaandachtsgebied vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf, artikel 17.5 omgevingsregeling

Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied.

Planspecifiek

De nieuwe woningen zijn geluidsgevoelige objecten. Daarom is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, dat is opgenomen in bijlage 11. Hierin zijn de effecten van geluid door wegverkeer, railverkeer en het gezoneerde industrieterrein IJsseldijk evenals de nieuwe basisschool met kinderopvang van het naastgelegen plan meegenomen. Op de geluidseffecten van de nieuwe school is ingegaan in paragraaf 4.2.

Wegverkeerslawaai

Uit het rapport blijkt op de woningen die grenzen aan de Hamersestraat de gevelbelasting van 61 dB bedraagt. Hiermee is sprake van een overschrijding van de standaardwaarde. Het akoestisch rapport bevat een afweging van maatregelen waaruit blijkt dat schermen op deze locatie leiden tot bezwaren van verkeerskundige en stedenbouwkundige aard. Voor de gebouwen die in het onderzoek zijn genummerd als 118, 119 147 en 149 is het nodig ervoor te zorgen dat er sprake zal zijn van een geluidluwe gevel conform het gemeentelijk beleid. De gemeente heeft inmiddels besloten om de maximale snelheid te verlagen naar 30 km/u. Op de woningen langs de Hamersestraat bedraagt de geluidsbelasting dan 55 dB. Daarmee wordt voor deze woningen voldaan aan het gemeentelijk beleid.

Daarnaast zijn er in het overige gebied verschillende woningen met een geluidsbelasting boven de standaardwaarde. In de meeste gevallen is sprake van een gevelbelasting van 55 dB, op enkele woningen van 56 dB. Deze woningen liggen langs een nieuwe weg die wordt uitgevoerd in klinkers. Het is gebruikelijk om hier klinkers te gebruiken omdat asfalt in de regel leidt tot hogere snelheden en daarmee tot een onveiligere situatie. Klinkers passen beter in het straatbeeld van een woonwijk. Andere maatregelen leiden tot bezwaren van stedenbouwkundige of verkeerskundige bezwaren. Aangezien ook bij die woningen aan de grenswaarde uit het gemeentelijk beleid wordt voldaan, is sprake van een aanvaardbare situatie.

Het appartementencomplex (in het akoestisch onderzoek aangeduid met nummer 150) heeft een gevelbelasting van 55 dB. Dit complex heeft slechts beperkt geluidluwe gevels, waardoor in de ontwerpfase rekening moet worden gehouden met geluidwerende maatregelen om geluidluwe gevels te realiseren. Gelet op de geluidsniveaus zijn hier technische maatregelen mogelijk. Aangezien op dit moment nog geen inzicht is in de indeling van de gebouwen, wordt een regel opgenomen waarin wordt vastgelegd dat een geluidluwe gevel gerealiseerd moet worden.

Spoorweg- en industrielawaai

Wat betreft spoorweglawaai en industrielawaai wordt aan de standaardwaarden voldaan.

Gezamenlijk en gecumuleerd geluid

Het gecumuleerde geluid wordt op basis van de methode Miedema afgewogen. Voor nagenoeg alle woningen wordt de akoestische kwaliteit als matig tot goed beoordeeld. Enkel voor de woningen grenzend aan de Hamersestraat (nr. 118, 119, 147 en 149 in het akoestisch onderzoek) wordt de akoestische kwaliteit als tamelijk slecht beoordeeld. Het gezamenlijk geluid wordt in de planregels vastgelegd. Dat in elk geval de binnenwaarde gehaald wordt is geborgd via het Bbl.

Indirecte akoestische effecten

In het onderzoek zijn ook de effecten van het plan op de gevelbelasting op bestaande omliggende woningen onderzocht. Uitgangspunt van dit onderzoek is de gehele woonwijk Westervoort Noord. Op basis hiervan is geconcludeerd dat het plan niet leidt tot een wezenlijk ander geluid bij de bestaande woningen.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.7 Omgevingsveiligheid

Met dit plan worden nieuwe kwetsbare gebouwen toegevoegd en dient gekeken te worden of dit past in het kader van evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de omgeving van het plangebied zijn risicobronnen gelegen. Ten behoeve van het plan is een advies opgesteld door de Omgevingsdienst voor het hele woningbouwplan Westervoort Noord, welke in bijlage 12 is opgenomen. Deze adviezen worden opgevolgd.

Geconcludeerd wordt dat het plaatsgebonden risico van de relevante risicobronnen geen belemmering vormt voor het voorgenomen initiatief. Een klein deel van het plangebied ligt binnen een gifwolkaandachtsgebied. In dit kader is het groepsrisico verantwoord. Daarnaast zijn de mogelijkheden voor bestrijdbaarheid, zelfredzaamheid en geneeskundige hulpverlening voldoende onderzocht. De veiligheidsregio heeft hierover geadviseerd, zie bijlage 13. De gemeente Westervoort acht de externe veiligheidsrisico’s verbonden aan het initiatief voldoende laag en aanvaardbaar. Het restrisico wordt geaccepteerd.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.8 Trilling

Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Trilling wordt gezien als een milieubelastende activiteit. In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Vastgelegd wordt welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Bkl.

Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

  • a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen trillingen. Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 22.87a van de Bruidsschat.

Planspecifiek

De woningen in voorliggend plan liggen op ruim 300 meter afstand van de spoorlijn. Trillingen van de spoorlijn spelen daarom geen rol. In de nabije omgeving bevinden zich ook geen andere activiteiten die trillingen kunnen veroorzaken. Onderzoek is dan ook niet nodig.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.9 M.e.r.-beoordeling

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrijeus m.e.r-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. Beoordeling of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit.

  • 1. De eerste stap is te kijken of het project past binnen de omschrijving van een project in kolom 1.
  • 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen.
  • 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3.
    • a. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 2? Dan geldt voor het project een 'project-mer-plicht'.
    • b. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-mer-beoordelingsplicht'.

Als er voor het project een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit, dan wordt die omgevingsvergunning aangemerkt als het besluit in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 11.8 onder 3 van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er dus ook voor omgevingsvergunningaanvragen die niet in kolom 4 staan wel de mer-(beoordelings)plicht.

Planspecifiek

Het onderhavige initiatief behelst de ontwikkeling van een woonwijk. Dit valt onder een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie J11 Bijlage V Omgevingsbesluit). Het opstellen van een mer-beoordelingsnotitie is daarom nodig. Deze is opgenomen in bijlage 14. Hierin is geconcludeerd dat er geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Het plan is niet mer-plichtig.

Hoofdstuk 5 Goede omgevingskwaliteit

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.

5.1 Zorgvuldig ruimtegebruik

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Raad van State heeft ook aangegeven dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m² of een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m².

De Ladderonderbouwing beschrijft de behoefte aan de ontwikkeling. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen.

Planspecifiek

Voorliggend initiatief betreft het realiseren van een woonwijk. Hoofdstuk 3 is ingegaan op verschillende beleidsdocumenten. Uit deze documenten blijkt dat voorliggend initiatief zowel kwalitatief als kwantitatief voorziet in de woningbehoefte zoals gesteld in de Woondeal regio Arnhem-Nijmegen.

De planlocatie is niet binnenstedelijk. Toch kan er met dit plan sprake zijn van zorgvuldig ruimtegebruik, daar er elders in de gemeente geen geschikte locaties zijn waarbinnen het beoogde woningbouwprogramma gerealiseerd kan worden. Deze conclusie is ook terug te vinden in de Omgevingsvisie Westervoort, waar het plangebied al aangewezen is voor wonen & natuurontwikkeling. Daarmee is de locatie passend voor de ontwikkeling.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.2 Archeologie, cultuurhistorie en landschap

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.

Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming).

Besluit kwaliteit leefomgeving

In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

Planspecifiek

Cultuurhistorie en landschap

Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zoals (rijks)monumenten of andere waardevolle objecten zoals landschapselementen die behoudenswaardig zijn aanwezig. In de directe omgeving ligt één rijksmonument, namelijk Huis Hamerden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0293.OPWTVNRD01-VS01_0011.png"

Ligging t.o.v. plangebied (bron: pdok)

Gezien de afstand tussen het plangebied en het monument, en de voorziene bomenrij tussen het plangebied en het monument, zal dit monument niet onevenredig worden aangetast.

Archeologie

Er is onderzoek gedaan naar de verwachte archeologische waarde in het plangebied. Uit een inventariserend veldonderzoek, zie bijlage 15, is gebleken dat er binnen het plangebied drie archeologisch relevante niveaus aanwezig zijn. Bij voorkeur worden archeologische vindplaatsen beschermd in plaats van opgegraven. Hierdoor wordt schade aan het bodemarchief beperkt of voorkomen en wordt het toegankelijk gehouden voor toekomstig archeologisch onderzoek. In voorliggend plan wordt het maaiveld opgehoogd om problemen met water te voorkomen. Dat maakt de weg vrij voor een andere benadering m.b.t. archeologie: archeologisch vriendelijk bouwen. Dit betekent dat de gebieden met een hoge archeologische waarde feitelijk onaangetast blijven. Hoe dit aangepakt wordt is te lezen in een notitie Archeologieduurzaam bouwen (bijlage 16). Deze werkwijze is, mede na overleg met de regioarcheoloog, akkoord bevonden.

In het tijdelijke deel van het omgevingsplan is een beschermingsregeling opgenomen, deze blijft van toepassing. Op het moment dat de omgevingsvergunning aangevraagd worden zal daaraan getoetst worden.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.3 Ecologie

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijven ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Het beoordelen van de effecten van een planontwikkeling op beschermde gebieden is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de nog te bepalen datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

Planspecifiek

Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een onderzoek gedaan naar deze aspecten, waarvan het rapport is opgenomen in bijlage 17 . De belangrijkste conclusies zijn in het vervolg van voorliggende paragraaf opgenomen.

Soortenbescherming

Uit het onderzoek blijkt dat aanvullend onderzoek nodig is voor enkele soorten die in het gebied leven. Daarnaast wordt er een ecologisch werkprotocol opgesteld en wordt rekening gehouden met de zorgplicht aangaande algemene zoogdieren, amfibieën en vissen.

Gebiedsbescherming/Natura 2000

Zogenoemde Natura 2000-gebieden zijn wettelijk beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken (minder stikstofgevoelig) ligt in dit geval op minder dan 1 kilometer en het Natura 2000-gebied De Veluwe (stikstofgevoelig) op circa 3 kilometer. In het kader van een goede ruimtelijke ordening / ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locaties) wordt bij een wijziging van het omgevingsplan nagegaan of voldoende aannemelijk is dat geen sprake is van significante effecten op Natura 2000-gebieden.

Voor andere aspecten dan stikstof (zoals ruimtebeslag, verstoring door geluid, verdroging of andere effecten) geldt dat op basis van de voortoets in bijlage 18 negatieve effecten in ieder geval op voorhand zijn uit te sluiten.

Voor het aspect stikstof geldt het volgende. Omdat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling sprake is van een tijdelijke stikstofemissies (vanwege bouwwerkzaamheden) en permanente stikstofemissies vanwege het verkeer, kan de beoogde ontwikkeling mogelijk extra stikstofdepositie veroorzaken op voor stikstofgevoelige natuur in beschermde gebieden. Daarom is een stikstofonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 19) voor de totale woningbouwontwikkeling van Westervoort Noord en de nieuwe locatie van de sportvelden. Daaruit blijkt het volgende. In de bestaande situatie is ook sprake van stikstofemissies, met name vanwege de aanwending van mest (dierlijke mest en kunstmest) op agrarische gronden. Deze emissies vervallen met de beoogde

ontwikkeling. De stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden (de Rijntakken, de Veluwe en de verder weg gelegen gebieden) is in de bestaande situatie groter dan in de nieuwe situatie. De beoogde ontwikkeling leidt per saldo (met interne saldering) tot een afname van de stikstofdepositie. Dit geldt zowel voor het totaal van de ontwikkeling Westervoort Noord (deelgebieden A, B, C, D en E), als voor de deelgebieden ABCE en voor het deelgebied D afzonderlijk. Zie de tabel hierna.

afbeelding "i_NL.IMRO.0293.OPWTVNRD01-VS01_0012.png"

Voor het voorliggend plan zijn er dus geen belemmeringen vanuit stikstof. Daarmee is er geen sprake van negatieve effecten op Natura 2000-gebied.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.4 Verkeer en parkeren

De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan. Een ruimtelijke ontwikkeling zorgt vaak voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn.

De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden.

Planspecifiek

De verkeersaantrekkende werking neemt door voorliggend plan toe. Daarom is een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd: zie bijlage 20. Onderzocht is wat die verkeersaantrekkende werking is en hoe die zich verdeelt over het omliggende wegennet. Een andere vraag is of dit wegennet dit aankan en tot slot is er gekeken welke maatregelen dan nodig zijn om het verkeer straks voldoende af te kunnen wikkelen. Het plangebied wordt ontsloten via de rotonde Hamersestraat - Liemersallee. De rotonde en straat hebben, zo nodig na enkele verkeerskundige maatregelen, voldoende capaciteit voor deze extra verkeersbewegingen.

Om de parkeerbehoefte te bepalen is een onderzoek uitgevoerd, dat is opgenomen in bijlage 2 (een bijlage bij de regels. Dit omdat in dit onderzoek ook een norm is opgenomen welke voor dit plan geldt). In dit onderzoek is geconcludeerd dat er rekening houdend met dubbelgebruik voor de functies in het plangebied sprake is van een parkeerbehoefte in de openbare ruimte van 248 parkeerplaatsen. In het plangebied is voldoende ruimte om dit aantal parkeerplaatsen te realiseren, in het stedenbouwkundig plan is dit aantal ruimschoots gehaald. Hiermee wordt voorzien in de parkeerbehoefte binnen het plangebied.

 

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.5 Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten.

De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Planspecifiek

Er is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering.

Wateroverlast

Uit de klimaateffectatlas blijkt bij het onderdeel wateroverlast dat er momenteel ter plaatse van het plangebied op enkele locaties wateroverlast verwacht wordt bij een hevige bui. Het plangebied wordt ten behoeve van de ontwikkeling opgehoogd, juist om zaken als wateroverlast te verminderen. Daarnaast worden er wadi's aangelegd waar overtollig water naartoe kan stromen.

Hittestress

Hittestress kan ontstaan doordat gebouwen, huizen, wegen, en stenen veel warmte vasthouden en deze weerkaatsen. De nabijheid van water en groen vermindert dit effect. De klimaateffectatlas laat zien dat de bebouwde delen van Westervoort die dichter bij de IJssel liggen minder last hebben van hittestress dan de gebieden verder daarvan af. Het plangebied ligt nabij de IJssel. Dit, samen met hoeveelheid groen die voorzien is, maakt dat in het plangebied waarschijnlijk niet veel sprake zal zijn van extreme hittestress.

Droogte

De klimaateffectatlas laat wat betreft droogte zien dat in het plangebied geen tekorten van grondwater verwacht worden in het geval van een extreem droog jaar. Door het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren, dit kan met behulp van de wadi's, blijft het hemelwater ook in het gebied zelf.


Overstroming

De klimaateffectatlas laat zien dat het plangebied op relatief korte afstand van de IJssel ligt. Mochten de dijken bezwijken bestaat er een middelgrote kans (1/30 tot 1/300 per jaar) dat het plangebied overstroomt. Dat is op basis van de huidige situatie. Het plangebied zal verhoogd worden met enkele decimeters, afhankelijk van de exacte locatie. Dit maakt dat de schade in het plangebied in het geval van een overstroming minder zal zijn dan zonder deze ophoging.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

Hoofdstuk 6 Conclusie

Artikel 1.3 van de Omgevingswet, “maatschappelijke doelen van de wet”, bepaalt het volgende:

“Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • 4. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en
  • 5. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.”

De Memorie van toelichting licht dit verder toe:

Met behulp van de wet moet de samenleving in staat zijn om de fysieke leefomgeving op de gewenste kwaliteit te brengen, te houden én tegelijkertijd voldoende ruimte te laten voor activiteiten van burgers en bedrijven. Centraal staat de samenhangende zorg voor de fysieke leefomgeving welke integrale oplossingen moet bevorderen. Integraal betekent niet dat er geen sectorale beleidsdoelen meer zullen zijn. Zo zullen er doelen en randvoorwaarden blijven op het gebied van veiligheid, gezondheid, kwaliteit van ecosystemen, beschikbaarheid van hulpbronnen en behoud van cultureel erfgoed. Het is voor een goede integratie van belang dat sectorale doelen en randvoorwaarden helder en eenduidig zijn, omdat deze het uitgangspunt vormen voor de integrale zorg voor de fysieke leefomgeving. Mocht het zo zijn dat er in een bepaald geval een norm wordt overschreden dan is er de bestuurlijke afwegingsruimte. Die ruimte kan nodig zijn om (gemotiveerd) af te wijken van een norm in verband met bijvoorbeeld (bijzondere) lokale situaties, complexe gebieden of gebiedsoverstijgende belangen.

Om een omgevingsplan te kunnen wijzigen dient het te voldoen aan de wettelijk eis dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om deze vraag te beantwoorden is een afweging nodig tussen alle aspecten met betrekking tot het plan. Van belang daarbij is dat voldaan wordt aan de eisen voor gezondheid en veiligheid. Dit is van belang omdat hiervoor niet één algemene norm is maar dit tot stand komt als optelsom – en – weging van het totaal. Het kan gewenst zijn af te wijken van een, of meerdere, sectorale aspecten om uitvoering van een maatschappelijk gewenste activiteit of maatwerk in het individuele geval mogelijk te maken. Op deze manier kan afgewogen worden waarom een ontwikkeling bijdraagt aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Aan de hand van een voorbeeld is dit makkelijk duidelijk te maken: dat een woning meer geluid ontvangt van wegverkeer dan gewenst maakt nog niet dat het onaanvaardbaar is. Dat geldt voor veel woningen waar mensen gezond en veilig wonen. Dat geldt ook voor geur, omgevingsveiligheid, trilling, luchtkwaliteit of bodemkwaliteit. Maar als álle zes deze aspecten wat hoger zijn, of drie flink hoger of twee heel hoog – maar binnen de maximale norm – dan kan de conclusie anders zijn.

In voorgaande hoofdstukken is ingegaan op die regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor de beoordeling of bij dit plan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Overige regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten zijn niet relevant voor de beoordeling van dit plan en daarom niet beschreven. Dit is in lijn met de Memorie van toelichting paragraaf 2.2 en 4.16.4.

Planspecifiek

Het woon- en leefklimaat in dit plan is in het algemeen goed te noemen. Er is een milieuaspect dat benoemenswaardig is daar deze een hogere belasting kent dan als basiswaarde gewenst is. Dat is geluid. Het geluid van (auto)wegen is bij een deel van de woningen hoger dan de standaardwaarde (maar duidelijk onder de grenswaarde). Voor de woningen aan de Hamersestraat is de akoestische kwaliteit als tamelijk slecht beoordeeld. Bij de overige woningen is de akoestische kwaliteit als matig tot goed beoordeeld. De maximale snelheid op de Hamersestraat vanaf de kruising met Westsingel tot aan de noordelijkere rotonde wordt verlaagt van 50 km/uur naar 30 km/uur, om geluidsoverlast op de nieuwe woningen te verminderen. Hiermee wordt er invulling gegeven aan de bronmaatregelen uit het akoestisch onderzoek. Zie hiertoe ook paragraaf 4.6. Met gevelmaatregelen wordt geborgd dat in alle woningen de binnenwaarde voldoende zal zijn. Daarnaast wordt bij de woningen nabij de Hamersestraat verplicht dat de woning een geluidluwe gevel heeft. Er wordt gestreefd naar een optimaal woon- en leefklimaat in iedere woning. Daarom zijn regels opgenomen waarmee het realiseren van voldoende gevelwering en geluidluwe gevels worden geborgd. Omdat er mogelijkheden zijn om met maatregelen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te behalen in iedere woning, is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er verder ook geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de eisen voor gezondheid en veiligheid: ook als optelsom -en de weging daarbij- geldt dat gezien hetgeen in hoofdstuk 4 en 5 is te lezen (“veilige en gezonde fysieke leefomgeving“ en “een goede omgevingskwaliteit”) dit plan voldoet aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 7 Juridische planbeschrijving

7.1 Inleiding

Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. De TAM is primair bedoeld om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen blijven faciliteren. Kort gezegd houdt TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).

7.2 Juridische systematiek

Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, wordt juridisch wel voldaan aan de regels van de Omgevingswet. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding bij het plan. Dit plan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken:

  • Preambule;
  • Hoofdstuk 1: Inleidende regels;
  • Hoofdstuk 2: Functieregels;
  • Hoofdstuk 3: Algemene regels;
  • Hoofdstuk 3: Overgangsregels.

7.3 Toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan

Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een [hoofdstuk 22<letter>] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van [hoofdstuk 22a<letter>] van het omgevingsplan Westervoort. Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

Voorrangsregel (artikel 1a)

In de regels staat ook de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan beschreven.

Er is een voorrangsregel opgenomen waarin staat dat het bouw- en gebruiksrecht van dit plan op deze locatie voorgaat op het bouw- en gebruiksrecht zoals dat in de geldende bestemmingsplannen staat. In dit geval vervalt de bestemming Agrarisch en wordt deze vervangen door bestemmingen Groen, Natuur, Verkeer, Water en Woongebied met bijbehorende gebruik- en bouwregels.

Overige regels en daarbij behorende aanduidingen en dubbelbestemmingen blijven gelden op basis van de geldende bestemmingsplannen. Zo blijven bijvoorbeeld de regels over archeologie uit het Parapluplan archeologie en afwijkingsregels Westervoort gelden.

7.4 Beschrijving per functie

Onderhavig initiatief kent de volgende functies:

  • Groen, ten behoeve van de hoofdgroenstructuur. Binnen 2 meter van de functie Woongebied zijn, na het verkrijgen van een omgevingsvergunning daarvoor, ook de functies toegestaan die in Woongebied zijn toegestaan.
  • Natuur, ter plaatse van de oostelijke agrarische percelen die natuurlijk worden ingericht.
  • Verkeer, voor de hoofdontsluitingsweg.
  • Water, voor bestaande watergangen.
  • Woongebied. Hierbinnen zijn woningen, wegen, groen en bijbehorende voorzieningen toegestaan. Voor het aantal woningen is per functievlak een minimum en een maximum opgenomen. Het maximum aantal woningen voor het hele plan staat in de regels en is lager dan een optelsom van alle maxima per functievlak. Ter plaatse van het bestaande agrarisch bedrijf wordt de functie van een woongebied toegekend, maar worden nog geen bouwmogelijkheden toegekend.

Hoofdstuk 8 Overige aspecten

Behalve de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient ook ingegaan te worden op de aspecten participatie en kostenverhaal. In dit hoofdstuk worden deze aspecten behandeld om te kunnen beoordelen of het plan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.

8.1 Participatie

Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad kan aangeven in welke gevallen participatie verplicht is en hoe dat vorm gegeven kan worden

Planspecifiek

Voor dit plan heeft een uitgebreid participatietraject plaatsgevonden. In bijlage 21 is daarvan het verslag te vinden.

8.2 Kostenverhaal

Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Voor het verlenen van de dienst om stukken te beoordelen en samen met de initiatiefnemer uit te werken worden op basis van de legesverordening leges geheven. Maar het verhaal van te maken overheidskosten heeft ook betrekking op werken, werkzaamheden en maatregelen zoals bijvoorbeeld kosten voor het aanleggen van openbare voorzieningen zoals wegen, parkeren, civiele voorzieningen etc.. Dit kostenverhaal kan publiekrechtelijk vormgegeven worden via het Omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Overheid en initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: de 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie.

Planspecifiek

De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst.

Tevens zal een overeenkomst betreffende nadeelcompensatie worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

8.3 Vooroverleg

In het kader van bestuurlijk vooroverleg is overleg gevoerd met de relevante belanghebbende instanties. De provincie is bekend met het plan. Het waterschap heeft aangegeven graag een waterhuishoudkundig plan te zien en geen belemmeringen voor het plan te zien. Het waterhuishoudkundig plan wordt in een latere fase opgesteld.