| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Ledderweg 48-50 Zuuk, Epe |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0232.BG116TAMLedder4850-VBP1 |
De initiatiefnemer is voornemens om op de locatie Ledderweg 48-50 de bestaande bedrijfswoning met bijbehorende opstallen te transformeren ten behoeve van wonen. De bestaande woning met smederij als bijgebouw blijft daarbij gehandhaafd. De overige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt waarvoor in de plaats drie nieuwe woningen worden gerealiseerd.
Omdat deze ontwikkeling niet past in het omgevingsplan van de gemeente Epe, maar dit initiatief wel wenselijk is, wordt middels voorliggende wijziging van het omgevingsplan (middels de TAM-IMRO techniek) medewerking verleend aan de voorgenomen activiteit. In dit document wordt toegelicht waarom er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) conform de Omgevingswet.
Het plangebied is gelegen op de hoek van de Ledderweg en de Wippenbeldweg en maakt onderdeel uit van het buurtschap Zuuk nabij Epe. Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente Epe, sectie M, nummer 3834, 4552, 4553, 4061 en 3832. Navolgende afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Globale ligging plangebied in omgeving (bron: OpenStreetMap)
Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden
Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan (archeologieverordening (artikel 38, Monumentenwet 1988), geurverordening (artikel 6, Wet geurhinder en veehouderij), verordening afvoer regen- en grondwater (artikel 10.32a, Wet milieubeheer), hogere waarde besluiten (artikel 110a, Wet geluidhinder), vastgestelde veiligheidscontouren (artikel 14, Besluit externe veiligheid inrichtingen) en de bruidsschat.
De gemeente Epe beschikt nog niet over een omgevingsplan dat is opgesteld op grond van de Omgevingswet. Daarom is voorliggend initiatief getoetst aan het geldende, tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit omvat onder meer het bestemmingsplan 'Buitengebied Epe', vastgesteld door de gemeente Epe op 23 maart 2017. Het plangebied heeft hierin de functies 'Detailhandel' en 'Agrarisch' en dubbelfunctie 'Waarde – Archeologie 6'. In het plangebied geldt de gebiedsaanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied' en gelden de maatvoeringen 'maximum bebouwd oppervlak (m2): 460' en 'maximum aantal bedrijfswoningen: 2'. In het agrarische deel van het plangebied geldt naast de gebiedsaanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied' ook de gebiedsaanduiding 'overige zone - natte heideontginningen'. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van het vigerende planologische regime waarbij het plangebied rood omkaderd.
uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Epe' (omgevingswet.overheid.nl)
In artikel 45.7 uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het omzetten van de functie Detailhandel en Agrarisch naar de functie Wonen voor de locatie Ledderweg 48 Zuuk. Echter, onder de Omgevingswet is het niet meer mogelijk om deze wijzigingsbevoegdheid te gebruiken. Wel is het zo dat deze wijzigingsbevoegdheid het principe van transformatie van de locatie reeds voorzag.
Voorts is ter plaatse het volgende (paraplu)plan van toepassing, als onderdeel van het omgevingsplan:
De inhoud van deze plannen komt terug in de betreffende paragrafen.
Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan
Ter plaatse van het plangebied gelden de functies 'Detailhandel' en 'Agrarisch'. Binnen deze functies is de transformatie van de bedrijfswoning naar een reguliere woning en de ontwikkeling van drie extra reguliere woning niet toegestaan.
Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 is het plan inhoudelijk getoetst in het kader van een veilige en gezonde leefomgeving, waarna in hoofdstuk 5 de omgevingskwaliteit aan bod komt. In hoofdstuk 6 volgt de integrale weging van alle aspecten in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarna wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de juridische planbeschrijving. Hoofdstuk 8 behandelt de overige aspecten waaronder participatie en kostenverhaal.
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
Het plangebied is gelegen op de hoek van de Ledderweg en de Wippenbeldweg aan de Ledderweg 48-50 in Zuuk. Binnen het plangebied is een detailhandelbedrijf en een bedrijfswoning aanwezig. Op het zuidelijke deel van het plangebied zijn bomen, struiken en weilanden aanwezig. Het plangebied wordt ontsloten via de Ledderweg en ligt nabij de afrit van de A50 in de kern Zuuk van Epe. Op de navolgende luchtfoto is de begrenzing van het plangebied weergeven.
Luchtfoto van het plangebied waarbij het plangebied rood is omkaderd (bron: Pdok)
De initiatiefnemer is voornemens om in het plangebied het bouw- en gebruiksrecht voor vier reguliere woningen te realiseren. Eén van de woningen betreft de huidige bedrijfswoning waarbij ook de smederij behouden blijft en dienst doet als bijgebouw. De andere betreffen nieuwe reguliere woningen. In het beoogde plan krijgen de percelen binnen het plangebied de functie 'Wonen'. De woningen worden ingepast in het bestaande bebouwingslint van Zuuk en passen qua stedenbouw (gevellijn en bouwhoogte) en architectuur bij de omliggende woningen en de omgeving. De nieuwe woningen worden op ruime kavels gesitueerd met voldoende ruimte voor groen en parkeren. Met het beoogde plan is er sprake van behoud van openheid en er is voldoende doorzicht naar het achterliggende landschap ten zuidwesten van de beoogde woningen. Daarnaast wordt het plangebied groen ingericht met gebiedseigen beplanting, passend bij het landschap en de natte heideontginningen. Bestaand groen blijft hierin behouden en wordt versterkt door nieuw groen in te voegen. Ten aanzien van de beoogde beeldkwaliteit wordt aansluiting gezocht bij de omgeving. De verschijningsvorm verwijst naar landelijke burgerwoningen met dominante dakvlakken en een relatief lage goot. De materiaalkeuze van de woningen is gebaseerd op een landelijk en agrarisch beeld waardoor de woningen zich voegen in de omgeving. Het schetsontwerp is opgenomen in bijlage 1 en het bijbehorende beeldkwaliteitskader is opgenomen in bijlage 2. Onderstaande afbeelding geeft een impressie van de toekomstige situatie.
Impressie van de toekomstige situatie van het plangebied en referentiebeelden voor de te realiseren woningen (bron: Buro SRO)
In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst.
Per januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.
Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.
De NOVI is vastgesteld op grond van de voorheen geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking was op dat moment. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt deze omgevingsvisie ook als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.
Gebiedsgericht
De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen.
Planspecifiek
Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de NOVI. Vanuit nationaal beleid zijn er geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden.
Het gaat hierbij over de instructieregels met het oog op:
Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden
Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is.
Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.
Planspecifiek
Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit het Bkl. Vanuit nationaal beleid zijn er geen specifieke regels voor dit plan.
Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit de NOVI of het Bkl. Het initiatief heeft daarmee op voorhand geen effect op één of meerdere aspecten met een nationaal ruimtelijk belang. De toetsing aan de eventueel van toepassing zijnde omgevingswaarden vindt plaats in hoofdstuk 4 en of 5.
Voor de laddertoets wordt verwezen naar paragraaf 5.1 waar ingegaan wordt of er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik.
Het plan past binnen het rijksbeleid.
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld welke de afgelopen jaren op onderdelen is geactualiseerd. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen.
De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat:
Naast deze zeven ambities blijft het beleid uit de Omgevingsvisie uit 2014 gelden. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden.
Planspecifiek
De drie nieuwe woningen worden stedenbouwkundig ingepast in de omgeving. Hiermee draagt het initiatief bij aan een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat weet te anticiperen op ontwikkelingen, zoals omschreven in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland.
De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van instructieregels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen uit het Bkl.
Klimaatadaptatie
De provinciale omgevingsverordening die op 1 februari 2022 van kracht is geworden bevat de instructieregel klimaatadaptie (2.65b). Voor zover een plan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de onderbouwing een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. In paragraaf 5.5 is invulling gegeven aan de wijze waarop in dit plan is omgegaan met het voorkomen en/of beperken van de risico's van klimaatverandering.
Gebiedsgericht
Uitgangspunt is dat alle ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan de versterking van de kernkwaliteiten van de Gelderse streken. Onderhavig plangebied is gelegen binnen de Gelderse streek 'IJsselvallei'. Kernkwaliteiten van dit gebied betreffen onder meer de IJssel, de sterke landschappelijke contrasten, het rivierenlandschap, het kleinschalige mozaïekenlandschap en grote open gebieden.
Voorliggend plan betreft het omzetten van een bedrijfswoning naar een reguliere woning en de realisatie van drie nieuwe woningen in de bestaand bebouwde omgeving van het buurtschap Zuuk. Het initiatief wordt (stedenbouwkundig en landschappelijk) goed ingepast in de omgeving, waarmee het voldoet aan het borgen van kwaliteit van de leefomgeving, een versterking van de kernkwaliteiten van het gebied en tevens bijdraagt aan een duurzaam en divers woon- en leefklimaat. Daarnaast houdt het initiatief rekening met toekomstige klimaatontwikkeling omdat er voldoende groene ruimte wordt gecreëerd en de woningen op een klimaatbestendige en duurzame manier worden gebouwd
Conclusie
Voldaan wordt aan het beleid en de regels uit de Provinciale Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Gelderland. Het initiatief is passend binnen het provinciaal beleid.
In de 'Regionale woondeal 2022-2030' van de Regio Stedendriehoek en de provincie Gelderland, zijn voor de komende 8 jaar afspraken vastgelegd hoe om te gaan met sturing op de woningbouwprogrammering. Er is een gezamenlijke opgave om het huidige woningtekort aan te pakken. Daarvoor is het noodzakelijk de komende jaren versneld meer woningen te bouwen. Met het programma Woningbouw zet de minister voor VRO nationaal in op de bouw van in totaal 900.000 woningen tot en met 2030. De gemeenten van de regio zetten zich, samen met provincie en ministerie, tot en met 2030 in voor de realisatie van in totaal 12.400 woningen in het betaalbare segment, dat is 72% van de regionale woningbouwopgave. Het streven is dat ten minste tweederde van alle nieuwbouwwoningen betaalbaar zijn. Deze evenwichtige verdeling is gericht op het streven naar op termijn 30% sociale huurwoningen in de totale woningvoorraad, zowel in regionaal verband als per gemeente, waarbij oog is voor specifieke situaties in gemeenten of in de regio. Om te zorgen dat er voldoende woningen zijn voor starters en mensen met een middeninkomen zijn tot en met 2030 nationaal 350.000 betaalbare koop- en middenhuurwoningen nodig. In het beleidsprogramma 'Betaalbaar wonen' is daarom opgenomen dat circa 40% van de nieuwbouw dient plaats te vinden in deze segmenten.
Binnen de woondeal Stedendriehoek heeft de gemeente Epe de ruimte gekregen om 1.843 nieuwe woningen te realiseren. Hierbinnen is voldoende ruimte voor het omzetten van de bestaande bedrijfswoning en het realiseren van drie nieuwe vrijstaande woningen in de plan. Vanuit kwalitatief oogpunt speelt het plan, door het mogelijk maken van vier woningen, in op een actuele lokale vraag naar meer geschikte vrijstaande woningen. Dit wordt nader onderbouwd in paragraaf 3.4. Het plan past daarmee binnen de regionale woondeal Stedendriehoek.
Het initiatief is passend binnen het regionale beleid.
In de Omgevingsvisie 'Natuurlijk goed leven' komt onder andere het volgende aan de orde. De gemeente Epe kent veel groen, veel natuur en binnen de gemeente zijn mooie dorpen met hun eigen karakter aanwezig. De gemeente wil daar zorgvuldig mee omgaan. Tegelijkertijd zijn er veel uitdagingen en er moet veel gebeuren: de vraag naar voldoende woningen in een gezonde en sociale leefomgeving, de behoefte aan ruimte voor recreatie, economische groei en diverse duurzaamheidsambities. Dit alles samengenomen vraagt om een integrale aanpak met behoud van de kwaliteiten en waarden. De gemeente wil via de omgevingsvisie samen met inwoners komen tot gedragen, evenwichtige en integrale oplossingen voor ruimtelijke en maatschappelijke opgaven.
Door in de omgevingsvisie doelgericht afwegingen en keuzes te maken wordt de visie een richtinggevend instrument. Met de omgevingsvisie wordt iedereen, die actief is in de leefomgeving, geïnspireerd om ideeën waar te maken die passen in onze gedeelde visie.
Om initiatieven samen voor elkaar te krijgen, is het belangrijk dat de uitnodiging zo open mogelijk is met zo min mogelijk beperkingen. Tegelijkertijd blijft sturing een belangrijk middel. Het is van belang dat ontwikkelingen elkaar versterken en niet beperken. Bovendien is het belangrijk om het eigene van de gemeente te behouden: de identiteit en de kernwaarden waar Epe trots op is.
Waardevolle leefomgeving
De basis voor de omgevingsvisie is de kwaliteit van de leefomgeving. Iets wat in honderden jaren is ontstaan, gegroeid en opgebouwd. Binnen de gemeente Epe is er brede waardering voor de omgeving. Dit is duidelijk uit het participatieproces rondom de omgevingsvisie naar voren gekomen. Het gaat om een breed spectrum aan kwaliteiten: landschappelijk, monumentaal, natuurlijk. De kern zit in drie waarden:
Opgaven
Onze gemeente is nooit af. Er zijn altijd behoeftes vanuit de samenleving, actuele trends en nieuwe ontwikkelingen en er zijn op dit moment urgente opgaven. Vanuit 'De samenlevingslaag' worden de vier opgaven voor de gemeente beschreven. Deze opgaven zijn de uitkomst van enerzijds de analyse van grotere maatschappelijk knelpunten zoals klimaat en biodiversiteit en anderzijds van het participatieproces met inwoners, bestuurders, raadsleden, ambtenaren, ketenpartners en stakeholders. Voor de gemeente Epe gaat het om de volgende opgaven:
De vier opgaven zijn niet los van elkaar te zien en hangen op meerdere vlakken samen. Er zijn raakvlakken, maar ook knelpunten. Vooral bij nieuwe ontwikkelingen (energie-installaties, woningbouw, recreatieontwikkeling) wordt aan integrale oplossingen moeten gewerkt.
Planspecifiek
Met voorliggend initiatief wordt het planologisch toevoegen van drie woningen aan het woningaanbod in de gemeente Epe mogelijk gemaakt. Het initiatief voorziet hiermee in een bijdrage aan het invullen van de kwantitatieve woonbehoefte die in de gemeente bestaat. Met het slopen van de bedrijfsbebouwing levert het plan tevens een bijdrage aan het verbeteren van de kwaliteit van de (woon)omgeving. Het initiatief is daarmee passend binnen de Omgevingsvisie van de gemeente Epe.
De gemeenteraad heeft op 11 juli 2024 de "Woonagenda gemeente Epe 2024 – 2028 GOED WONEN" vastgesteld. De Woonagenda 2024 – 2028 is het volkshuisvestelijk programma en beschrijft concreet waarop de inzet van de gemeente de komende vier jaar gericht is. Aan het woonbeleid liggen zeven speerpunten ten grondslag, te weten:
1.Inspelen op de grote woningbehoefte
De komende jaren wordt een extra inspanning op woningbouw geleverd. Juist om invulling te geven aan de grote woningbouwopgave in de regio.
2.Juiste balans tussen wonen en andere ruimtelijke opgaven
Naast wonen zijn er nog tal van andere ruimteclaims. In de eerste plaats is er ook ruimte nodig voor natuur, maar ook mobiliteit, bedrijvigheid, recreatie. Al deze functies zijn van grote waarde voor de (woon)aantrekkelijkheid van de gemeente Epe. Woningbouw zal daarom in balans moeten blijven met de andere ruimtelijke opgaven.
3.Sterke nadruk op bouw betaalbare woningen
De komende jaren is de grote opgave om het aanbod aan betaalbare woningen te vergroten.
4.Meer variatie aan woningtypen en woonvormen
Een groot deel van onze woningbouwopgave zal bestaan uit betaalbare huur- en koopwoningen. De uitdaging daarbij is wel om te komen tot gevarieerde woonwijken met een mix aan woningtypen, huur- en koopwoningen en verschillende prijsklassen. Hiermee willen we een gevarieerde bevolkingsopbouw op wijk- en buurtniveau creëren.
5.Aardgasloze woningbouw
Op termijn moeten alle woningen gasloos worden verwarmd. Zowel de bestaande als de nieuw te ontwikkelen woningen.
6.Beter benutten bestaand vastgoed
Bij uitbreiding van het woningaanbod wordt ook nadrukkelijk gekeken naar de mogelijkheden voor het creëren van woningen binnen bestaand vastgoed (woningen of andere gebouwen).
7.Onderscheidende kwaliteiten van de dorpen
Ambities om meer en vooral ook betaalbare woningen te bouwen, gelden voor de hele gemeente Epe. Tegelijkertijd is het woonkarakter en de functie van Epe en Vaassen (met een groot woningaanbod, veel voorzieningen) anders dan van Emst en Oene (dorps/landelijk karakter, beperkt aantal voorzieningen). In de kwalitatieve uitgangspunten wordt daar rekening mee gehouden.
Planspecifiek
Het initiatief leidt tot het toevoegen van drie woningen aan de woningvoorraad in de gemeente Epe middels transformatie van een bestaande locatie in een bestaand bebouwingslint. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan het inspelen op de woningbehoefte binnen de gemeente en wordt een juiste balans gezocht tussen wonen en andere ruimtelijke opgaven. Met het initiatief wordt ingespeeld op een concrete woonbehoefte. De bestaande detailhandel als bedrijfslocatie wordt getransformeerd naar een woonmilieu en past daarmee binnen de uitgangspunten voor nieuwbouw. De nieuwbouw wordt gerealiseerd conform de normen uit de huidige wet- en regelgeving en voldoet daarmee aan de actuele eisen op het gebied van duurzaamheid. Daarnaast wordt met het initiatief bijgedragen aan de landschappelijke versterking ter plekke.
Gelet op het voorgaande wordt gesteld dat het initiatief passend is binnen de Woonagenda.
De gemeente Epe, Heerde en Voorst hebben in januari 2010 het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) van Veluwe tot IJssel vastgesteld. Dit plan bevat een regionale visie op het behoud van een mooi en aantrekkelijk landschap. Doel van het LOP is de autonome ontwikkeling van het landschap te sturen op behoud en de ontwikkeling van landschappelijke samenhang en het ontwikkelen van karakteristieke kenmerken. Bij ontwikkelingen dient het LOP als toetsingskader.
Planspecifiek
Op de landschapsvormkaart en de kaart waardevolle open gebieden zijn de kernkwaliteiten van het landschap inzichtelijk gemaakt en gewaardeerd. Het plangebied valt binnen 'Natte heideontginningen'. Als beleidsambitie voor de natte ontginningsgronden streeft het LOP naar het sterk vergroenen van het landschap met behulp van wegbeplantingen, erfbeplanting, kavelbeplanting en bosjes. In het ontwerp voor dit plan is hiermee rekening gehouden. Tevens wordt het toevoegen van het groen voorwaardelijk verplicht gesteld. Daarmee is het initiatief passend binnen het LOP.
De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze aangetoond wordt dat met de voorgenomen ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving ontstaat en behouden blijft voor nu en in de toekomst.
Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap.
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen, betrokken.
De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor de ontwikkeling moeten worden getroffen. Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder.
Beleid waterschap Vallei en Veluwe
In het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 heeft waterschap Vallei en Veluwe tactische doelen geformuleerd. Per jaarplan geeft het waterschap concreet invulling aan de daadwerkelijke realisatie van deze doelen. Daarnaast heeft het waterschap de Keur met de Algemene – en Beleidsregels van Waterschap Vallei en
Veluwe vastgesteld. Alle handelingen in of nabij een waterstaatswerk worden hieraan getoetst. In de Het Algemene beleidsregels (3e wijziging, 2017) bij de Keur 2013 wordt ten doel gesteld dat een uitbreiding van het verhard oppervlak in principe, vanuit waterhuishoudkundig oogpunt, waterbalans neutraal moet plaatsvinden.
Voor ruimtelijke ontwikkelingen gelden op basis van beleid bovengenoemd beleid de volgende uitgangspunten:
Er is sprake van een vrijstelling van het compenseren van de toename van verhard oppervlak als de toename minder is dan 1.500 m² in stedelijk gebied. In landelijk gebied geldt deze vrijstelling ook, tenzij de afvoer niet plaatsvindt in een oppervlaktelichaam met de aanduiding 'water met natuurfunctie zijnde Hen-Sed water' op de natuurkaart behorende bij de Algemene Regels van de Keur. Dan is er sprake van een vrijstelling bij een toename van het verhard oppervlak van minder dan 4.000 m².
Planspecifiek
Watertoets
Voor onderhavig initiatief is de digitale watertoets ingevuld (zie Bijlage 1). Hieruit blijkt dat het plangebied gelegen is naast een A of B watergang. Hiervoor dient afstemming middels de normale procedure plaats te vinden met het Waterschap Vallei en Veluwe.
Hemelwater/afvalwater
Uitgangspunt van het initiatief is dat hemelwater op eigen terrein wordt geborgd en geïnfiltreerd. Als gevolg van de ontwikkeling vindt een geringe toename < 1500 m2 van de hoeveelheid verharding in het plangebied plaats. De verharding wordt in kleinere delen meer verspreid over het plangebied vormgegeven. Hiermee verbetert het waterbergend vermogen van het plangebied. Het verrichten van compenserende maatregelen is niet noodzakelijk. Bij het initiatief is rekening gehouden met een groot deel van het plangebied dat niet is verhard. Daardoor is er voldoende mogelijkheid voor waterberging op de percelen mocht dit noodzakelijk zijn.
Hemelwater wordt gescheiden van afvalwater en opgevangen op de eigen percelen om in de bodem te infiltreren. Het afvalwater wordt aangesloten op de bestaande riolering. Hiervoor is voldoende capaciteit.
Conclusie
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
Bedrijven (die activiteiten uitvoeren/ ondernemen) kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe woning bij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden.
Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven Milieuzonering” van de VNG is, zeker ook gezien jurisprudentie, een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden.
Op weg naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG een nieuwe publicatie uitgegeven: Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2023. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. In de nieuwe systematiek wordt de toelating van activiteiten niet meer gekoppeld aan een bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met milieucategorieën. Dit maakt het ook niet mogelijk de ontwikkeling van nieuwe gevoeligere objecten te toetsen aan bestaande bedrijven. Om die reden wordt voor de beoordeling van de omliggende activiteiten/ functies nog aangesloten bij de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.
Planspecifiek
Met voorliggend initiatief wordt een milieubelastende activiteit, de detailhandelfunctie, verwijderd. Dit heeft een gunstig effect op het woon- en leefklimaat in en van de omgeving. Er is in de toekomst immers geen sprake meer van de mogelijkheid om detailhandel te ontplooien/ exploiteren. Het omzetten van de functie op de locatie betreft het toevoegen van nieuwe milieugevoelige objecten (één getransformeerde bedrijfswoning en drie nieuwe woningen). Het plangebied ligt in een buurtschap waar voornamelijk vrijstaande woningen zijn gesitueerd. Door de aanwezigheid van omliggende woonfuncties is er, na het wegbestemmen van de detailhandelfunctie, ter plaatse van het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Ten zuidwesten van het plangebied is het bedrijf VMI Holland BV gevestigd. Dit betreft een leverancier van industriële apparatuur (assemblage van productielijnen inclusief spuitinrichting). De richtafstand voor deze fabriek is 100 meter volgens de richtlijnen van de VNG in een gemengd gebied. Het plangebied ligt op ruim 200 meter van deze fabriek af. Hierdoor wordt voldaan aan de richtafstanden volgens de Brochure van de VNG. Uit akoestisch onderzoek van het bedrijf zelf blijkt dat het plangebied ruim buiten het onderzoeksgebied van het bedrijf valt en dat er geen sprake is van een (over)belaste situatie ter plekke.
Verder zijn er in de omgeving van het plangebied geen bedrijven/instellingen gelegen die, gelet op de aard van de activiteiten en afstand tot het plangebied, voor belemmeringen zorgen. De twee agrarische bedrijven aan de Spiekerweg 5 en 9 zijn gelegen op ca 300 m afstand waarbij een vaste afstand geldt van 50 m. Andersom geldt ook dat omliggende bedrijven op dusdanig grote afstand liggen dat deze bedrijven niet worden gehinderd door de komst van woningen.
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;
Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
Planspecifiek
Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als bijlage 4. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek volgt dat de toelaatbare kwaliteit van de bodem (meer dan 25 m³ boven Interventiewaarde bodemkwaliteit) niet wordt overschreden. Het uitvoeren van sanerende of andere beschermende maatregelen overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet noodzakelijk. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt wordt de locatie geschikt geacht voor de geplande bouw van woningen.
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de 'omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit' opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook vervallen.
Niet in betekenende mate (NIBM)
Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een initiatief binnen de NIBM-grens blijft:
Aandachtsgebieden
Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 (aanwijzing agglomeraties richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:
Planspecifiek
Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief
Het dichtstbijzijnde toetspunt voor luchtkwaliteit bij het plangebied is de receptor wegverkeer 51468751_15577390. In de tabel hieronder zijn de totale concentraties van stikstofdioxide, fijnstof en de fijnere fractie van fijnstof weergeven.
| NO2 (stikstofdioxide) |
PM10
(fijnstof) |
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) | |
| Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2020 (µg/m3) | 14,5 µg/m3 | 16,1 µg/m3 | 8,7 µg/m3 |
| Grenswaarde concentratie (µg/m3) | 40 µg/m3 | 40 µg/m3 | 25 µg/m3 |
Bijdrage van het initiatief
Uit de tabel blijkt dat de totale concentraties ruim onder de gestelde grenswaarden liggen. Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Het initiatief past binnen de regeling NIBM omdat het plan binnen de kwantitatieve grens van maximaal 1500 woningen valt. Daarnaast is op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het plan is te concluderen dat dit plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof kan daarom achterwege blijven. Tevens ligt het plangebied niet binnen de genoemde aandachtsgebieden (artikel 5.51 luchtkwaliteit in aandachtsgebieden) voor stikstofdioxide en/of fijnstof.
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.
De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:
Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft.
| Geurgevoelig gebouw | Standaardwaarde | Grenswaarde |
| Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied | 2,0 ouE/m3 | 8,0 ouE/m3 |
| Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied | 3,0 ouE/m3 | 14,0 ouE/m3 |
| Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied | 8,0 ouE/m3 | 20,0 ouE/m3 |
| Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied | 14,0 ouE/m3 | 35,0 ouE/m3 |
Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw
In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden valt terug te voeren op een verschil in de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze.
Planspecifiek
Het initiatief voorziet in het omzetten van een bestaande bedrijfswoning in een burgerwoning en het toevoegen van drie nieuwe vrijstaande woningen. De woningen kunnen worden aangemerkt als geurgevoelige gebouwen. De gemeente Epe ligt in een concentratiegebied op grond van het Bkl met verwijzing naar de Meststoffenwet.
Ten noorden van het plangebied is één intensieve veehouderij aanwezig, gelegen te Zuukerenkweg 9. Deze intensieve veehouderij ligt op circa 260 meter ten noorden van het plangebied af. Uit een indicatieve berekening van de geurbelasting met V-stacks vergunningen 2020 blijkt dat de geurbelasting 1,8 ouE/m3 is ter plaatse van het plangebied. Dat is onder de standaardwaarde van 3 ouE/m3 die geldt binnen de bebouwingscontour en buiten een concentratiegebied. Daarnaast geldt dat tussen het plangebied en de intensieve veehouderij meerdere woningen zijn gevestigd. Hierdoor vormt de intensieve veehouderij geen belemmering voor voorliggende ontwikkeling en kan er vanuit worden gegaan dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plekke.
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig functie die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden).
Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel.
| Geluidbronsoort | Standaardwaarde, in dB. | Grenswaarde, in dB. | |
| Rijks- en provinciale wegen. In Lden | 50 | 60 | |
| Gemeente- en waterschapswegen. In Lden | 53 | 70 | |
| Hoofd- en lokale spoorwegen. In Lden | 55 | 65 | |
| Industrieterrein | Lden | 50 | 55 |
| Lnight | 40 | 45 | |
Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en .3.35 Bkl
Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluid door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Minder geluid dan de standaardwaarde of het geluid op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan, is aanvaardbaar (artikel 5.78m, lid 1 en lid 2 Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van artikel 5.78, lid 3 Bkl bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden:
Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze:
In lijn met het Bkl dient bij het realiseren van geluidgevoelige functies gekeken te worden naar het aandachtsgebied. Dit omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeerdrukte, rijsnelheid, afstand van de locatie tot de weg en eventuele afschermende bebouwing. Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied.
Planspecifiek
Voor het plan is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai opgesteld zoals opgenomen in bijlage 5.
In dit onderzoek is het geluid vanwege het wegverkeerslawaai op de gewenste woningen aan de Ledderweg 48-50 in Epe berekend. Uit het onderzoek volgt dat de standaardwaarden van de provinciale wegen en rijksweg wordt overschreden, maar de grenswaarden niet. Maatregelen worden niet doelmatig geacht. Bouwtechnisch bestaan er voldoende mogelijkheden om het geluid terug te brengen naar de binnenwaarde. Verder wordt de milieukwaliteit geclassificeerd als 'matig tot 'zeer goed'. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de beoogde woningen wordt als acceptabel aangemerkt. Hiermee kan gesteld worden dat het cumulatieve geluid een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat.
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning voor het bouwen.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron.
Planspecifiek
Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het plangebied is hier globaal aangegeven met de rode cirkel.
Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)
Op de risicokaart is te zien dat een klein deel van het plangebied binnen het gifwolkaandachtsgebied van de snelweg A50 ligt. Een dergelijke activiteit is aangewezen als risicobron in Bijlage VII van het Bkl, onderdeel D lid 2. Gemeenten wijzen binnen een brand- en explosieaandachtsgebied een brand- en explosievoorschriftengebied aan. Dat doen zij in het omgevingsplan. Binnen dit voorschriftengebied gelden extra bouweisen voor nieuwbouw. De extra bouweisen gaan over de scenario's brand en explosie die van buitenaf komen. Dit geldt niet voor gifwolkaandachtsgebieden. In de periode tussen inwerkingtreding van de Omgevingswet en de aanpassing van het Bkl en Or per 1 januari 2025, moet het bevoegd gezag bij ruimtelijke ontwikkelingen uitgaan van de gifwolkaandachtsgebieden volgens de op dat moment geldende berekeningswijze (concentratiebenadering, te berekenen met Safeti-NL 8.3). Het bevoegd gezag kan binnen het gifwolkaandachtsgebied de inzichten van de nieuwe berekeningswijze betrekken. Dit kan binnen de afwegingsruimte voor het groepsrisico, zoals die voortvloeit uit artikel 5.15 van het Bkl.
Binnen het deel van het plangebied dat binnen het gifwolkaandachtsgebied ligt worden twee woningen gerealiseerd. De derde te realiseren woning ligt er net buiten. In het kader van het groepsrisico treedt daarmee geen verandering op. Dit neemt niet weg dat er sprake moet zijn van een voldoende veilige situatie. De omgevingsdienst heeft informatie aangeleverd over dit onderwerp. Daaruit blijkt dat bij nieuwbouw van woningen als voldoende rekening gehouden wordt met effecten van een eventuele gifwolk waardoor nieuwbouw woningen als veilig genoeg kunnen worden beschouwd.
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
Bij het telen van bollen-, boom- en fruit en andere gewassen in de open lucht kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van belang zijn. Dit vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten in relatie tot de gezondheid van mensen in de directe omgeving. Er gelden, behoudens het niet mogen belasten van oppervlaktewater, in Nederland geen wettelijke bepalingen over een minimaal aan te houden afstanden tussen de teeltgronden en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen en bedrijven. In de praktijk wordt daarom een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een genoemde teelten en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide indicatieve vuistregel die geldt bij teelten waar veelvuldig sprake is van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en deze op hoogte worden gebruikt.
Planspecifiek
Om de situatie met betrekking tot spuitzonering te beoordelen voor deze specifieke locatie, is gekeken naar de wijze van bewerken van de omliggende percelen. De aangrenzende gronden die een agrarische functie krijgen, zijn onderdeel van de planvorming en daarmee eigendom van de bewoners. Deze strook grond heeft een breedte van 35 m. In de regels is bepaald dat deze gronden bedoeld zijn voor hobbymatig agrarisch gebruik en daar mogen geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. De daarachter gelegen agrarische gronden worden gebruikt als weiland waar paarden en schapen staan. Er wordt op deze gronden niet geteeld. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat dit gebruik in de toekomst gaat wijzigen. Er is nu geen sprake van het gebruik van onkruidbestrijding wat betekent dat er geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast . Omdat op omliggende gronden eveneens gevoelige functies aanwezig zijn, is er geen sprake van een verslechtering van de gebruiksmogelijkheden van de agrarische percelen.
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.
Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. Beoordeling of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit.
Als er voor het project een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit, dan wordt die omgevingsvergunning aangemerkt als het besluit in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 11.8 onder 3 van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er dus ook voor omgevingsvergunningaanvragen die niet in kolom 4 staan wel de m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Planspecifiek
Het onderhavige initiatief behelst de transformatie van de bestaande bedrijfswoning met bijbehorende opstallen ten behoeve van wonen. De bestaande woning met smederij als bijgebouw blijft daarbij gehandhaafd. De overige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt waarvoor in de plaats drie nieuwe woningen worden gerealiseerd.
Dit valt niet onder een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie J11 Bijlage V Omgevingsbesluit).
Staande jurisprudentie geeft namelijk aan dat woningbouw tot en met 11 woningen niet als stedelijk ontwikkelingsproject aangemerkt kan worden. Het opstellen van een mer-beoordelingsnotitie is daarom niet nodig. Er is ook geen sprake van een mer-plicht.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.
Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen.
Planspecifiek
Voorliggend initiatief voorziet in de planologische transformatie van één bedrijfswoning naar een reguliere woning en de realisatie van drie nieuwe vrijstaande woningen binnen het buurtschap Zuuk. Uit jurisprudentie blijkt dat pas van een stedelijke ontwikkeling sprake is als woningbouwprojecten voorzien in 12 nieuwe woningen of meer. Voorliggend initiatief blijft hier qua aantal onder, waardoor er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en een verdere toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is.
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.
Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt straks op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). Deze aspecten vallen nu nog onder het Overgangsrecht in de Erfgoedwet.
Besluit kwaliteit leefomgeving
In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
Planspecifiek
Cultuurhistorie en landschap
Binnen het plangebied is een voormalige smederij aanwezig. Deze karakteristieke bebouwing blijft behouden bij de bestaande woning zodat de gebruiksgeschiedenis van de locatie afleesbaar is. Verder zijn er in de directe omgeving geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zoals (rijks)monumenten of andere waardevolle objecten aanwezig. Ook ligt het plangebied niet in een cultuurhistorisch waardevol gebied met bijbehorende beschermingsregels. Het initiatief heeft geen negatief effect ten aanzien van cultuurhistorie en landschap.
Archeologie
In het omgevingsplan heeft het plangebied de dubbelfunctie 'Waarde - Archeologie 6'. Archeologisch onderzoek is nodig als nieuwe ontwikkelingen bouwwerken mogelijk maken groter dan 2.500 m² en grondwerkzaamheden dieper dan 50 cm onder maaiveld. Voorliggende ontwikkeling blijft onder de grenswaardes waardoor archeologisch onderzoek niet nodig is.
Binnenkort stelt de gemeenteraad nieuw Erfgoedbeleid vast waardoor andere waarden gaan gelden en andere maatvoeringen ten aanzien van de onderzoeksverplichting. Onderstaand is een uitsnede opgenomen van de vast te stellen Erfgoedbeleidskaart. Daarop is het plangebied globaal aangeven. Op grond van het toekomstig vast te stellen beleid is te zien dat binnen het plangebied er een hoge archeologische verwachting geldt op de gronden waar de nieuwe woningen zijn beoogd. En op de gronden waar de bestaande bebouwing is gelegen geldt een middelhoge archeologische verwachting.
Bij Categorie 4 'hoge archeologische verwachting' geldt een onderzoeksverplichting bij grondwerkzaamheden van 250 m2 grootte met een diepte van 35 cm.
Bij Categorie 5 'middelhoge archeologische verwachting' geldt een onderzoeksverplichting bij grondwerkzaamheden van 1000 m2 grootte met een diepte van 35 cm.
Om deze archeologische verwachtingswaarden en daarmee eventueel aanwezige archeologische resten in de ondergrond veilig te stellen, is in voorliggende wijziging omgevingsplan een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Op deze manier wordt voor toekomstige grond- en bouwwerkzaamheden archeologie beschermd. Afhankelijk van de daadwerkelijke grond- en bouwwerkzaamheden is er dan wel of geen archeologisch onderzoek nodig.
Het initiatief is, voor zover het cultuurhistorisch en archeologische waarden betreft, haalbaar.
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Het beoordelen van de effecten van een planontwikkeling op beschermde gebieden is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl en het Bal diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Gebiedsbescherming
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
Soortenbescherming
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Planspecifiek
Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is onderzoek uitgevoerd. De belangrijkste conclusies zijn in het vervolg van voorliggende paragraaf opgenomen.
Soortenbescherming
Ten behoeve van het plan is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie bijlage 6. In het onderzoek is aangegeven dat aanvullend onderzoek nodig is om te worden vastgesteld of de planlocatie een relevante functie heeft voor bunzing, wezel en steenmarter (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen kan bevoegd gezag onder voorwaarden een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, huismus: er zijn belangen vanuit volksgezondheid en/of openbare veiligheid - aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd).
Ten aanzien van marterachtigen is nader onderzoek verricht. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 7. Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied beoordeeld is als potentieel geschikt leefgebied. De steenmarter maakt gebruik van het plangebied. Dat betekent dat er vanwege de planontwikkeling mogelijk verblijfplaatsen verloren gaan of tijdens de geplande ingreep er mogelijk essentieel leefgebied verloren gaat. Op grond daarvan is een vergunning voor de flora en fauna-activiteit nodig. Deze is aangevraagd.
Wegens de voorgaande onderzoeken is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Hiermee mag geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Daarnaast geldt altijd de zorgplicht.
Gebiedsbescherming
De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park of Gelders Natuurnetwerk. Het perceel ligt op circa 480 m afstand tot het Natura 2000-gebied Veluwe. Gezien de afstand tot dit gebied zijn externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie op voorhand niet uit te sluiten. Hiertoe is een voortoets stikstof uitgevoerd, zie bijlage 8. Als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied waarvoor de berekeningen zijn uitgevoerd is er in zowel de gebruiksfase als de aanlegfase geen sprake van een bijdrage van stikstofdepositie op (bijna) overbelaste hexagonen van de Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/j. Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve gevolgen op beschermde Natura 2000-gebieden. Uit de Quickscan blijkt dat andere effecten in het kader van gebiedsbescherming kunnen worden uitgesloten.
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan.
Een toename aan functies zorgt voor extra verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn.
De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden.
Planspecifiek
Verkeersaantrekkende werking
Met het initiatief wordt de detailhandelsfunctie verwijderd. Deze detailhandelsfunctie had ook een bepaalde verkeersaantrekkende werking. In de toekomstige situatie is er alleen een verkeersaantrekkende werking op de locatie aanwezig vanwege vier woningen. De verkeersaantrekkende werking neemt door het voorliggende initiatief dan ook af. Het plangebied blijft ontsloten door de Ledderweg en de Wippenbeldweg. Deze wegen hebben voldoende capaciteit voor het opvangen van de verkeersbewegingen.
Parkeerbehoefte
Als gevolg van het initiatief neemt ook de vraag naar parkeervoorzieningen in het plangebied toe. In de Nota Parkeernormen 2018 van de gemeente Epe zijn parkeernormen opgenomen die gehanteerd worden in de gemeente Epe. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen. In de toekomstige situatie is op eigen terrein voldoende ruimte om in deze parkeerbehoefte te voorzien.
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten.
De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
Planspecifiek
Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering.
Wateroverlast
Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat er in het plangebied een toename van het aantal zeer natte dagen verwacht wordt. Gemiddeld neemt de jaarlijkse neerslag toe. Echter geldt de toename voor de gehele omgeving. Voorliggend plangebied wordt in de toekomstige situatie minder verhard dan nu het geval is waardoor water in de bodem kan infiltreren.
Hittestress
Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat binnen het plangebied meer tropische dagen en langere hitte verwacht kan worden. De geplande nieuwbouw is goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee voldoen de nieuwe woningen aan de toegenomen koelbehoefte die kan ontstaan als een gevolg van hittestress. Daarnaast wordt het plangebied rondom de woningen zo groen mogelijk ingericht wat helpt in verkoeling.
Droogte
De bijbehorende kaartbeelden laten wat betreft droogte zien dat er in het plangebied een hoger neerslagtekort verwacht kan worden. Dit heeft gevolgen voor de grondwaterstanden en droogtegevoeligheid van het gebied. Door het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf. De kans op natuurbranden blijft bij langdurige droogte in de toekomst gelijk aan de huidige situatie.
Overstroming
De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat het plangebied op ruime afstand tot het Veluwemeer ligt. Mochten ergens de dijken bezwijken dan is er slechts een zeer kleine kans (1/3.000 tot 1/30.000 per jaar) dat het plangebied overstroomt.
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
De Omgevingswet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat daartoe instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en de veiligheid tot doel hebben. Daarnaast kent het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Om het omgevingsplan te wijzigen moet worden aangetoond dat er met de wijziging sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In deze paragraaf wordt een conclusie getrokken ten aanzien van de integrale weging van de aspecten die bij een veilige en gezonde fysieke leefomgeving (uit hoofdstuk 4) en een goede omgevingskwaliteit (uit hoofdstuk 5) van toepassing. Immers, één omgevingswaarde of –norm voor gezondheid en/of veiligheid bestaat er niet. Dit is een optelsom en weging van de verschillende deelaspecten.
Uit voorgaande hoofstukken blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Ten aanzien van de aspecten geur, trilling, luchtkwaliteit, omgevingsveiligheid en bodem worden geen normen overschreden of bijna overschreden. Enkel ten aanzien van het aspect geluid wordt de standaardwaarde overschreden. Door het toepassen van bouwtechnische maatregelen bestaan er voldoende mogelijkheden om aan de binnenwaarde te kunnen voldoen.
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat met de ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving kan worden gewaarborgd en dat daarmee sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. De TAM is primair bedoeld om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen blijven faciliteren. Kort gezegd houdt TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).
Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, wordt juridisch wel voldaan aan de regels van de Omgevingswet. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding bij het plan. Dit plan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.
Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken:
Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan [een hoofdstuk 22a] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van [hoofdstuk 22a] van het omgevingsplan Epe. Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan.
Deze regels gelden in combinatie met het omgevingsplan van de gemeente, zoals beschikbaar is via de landelijke voorziening, waaronder artikel 22.29 waarin de beoordelingsregels voor een aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken staan.
Onderhavig initiatief kent de volgende functies:
Daarnaast is in het plan een gebied als 'overige zone - voorwaardelijke verplichting' aangewezen. Dit ten behoeve van de landschappelijke inpassing van de locatie.
Behalve de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient ook ingegaan te worden op de aspecten participatie en kostenverhaal. In dit hoofdstuk worden deze aspecten behandeld om te kunnen beoordelen of het plan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.
Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad kan aangeven in welke gevallen participatie verplicht is en hoe dat vorm gegeven kan worden
Planspecifiek
Voor het initiatief heeft de initiatiefnemer de direct belanghebbenden in de omgeving op de hoogte gebracht. Dit is onder andere gedaan tijdens een inloopbijeenkomst op 18 januari 2024. Hier is het ontwerp gepresenteerd en konden bezoekers vragen stellen. Bezoekers hebben hun gegevens achtergelaten zodat ze regelmatig door de initiatiefnemers op de hoogte kunnen worden gehouden. Naar aanleiding van de reacties uit de directe omgeving is het schetsontwerp aangepast. De kavels zijn wat breder geworden, zodat er vanuit de Wippenbeldweg meer zicht is naar het achter de woningen gelegen landschap. De meest zuidelijke nieuwe woning is iets verplaatst richting het noorden, zodat er vanuit de woning Ledderweg 66 vrij uitzicht blijft bestaan. Ook het handhaven van de bestaande woning met smederij als bijgebouw leidt tot een minder grote impact van het planvoornemen in de omgeving. Het nieuwe ontwerp is weer gedeeld met de buurtbewoners.
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Voor het verlenen van de dienst om stukken te beoordelen en samen met de initiatiefnemer uit te werken worden op basis van de legesverordening leges geheven. Maar het verhaal van te maken overheidskosten heeft ook betrekking op werken, werkzaamheden en maatregelen zoals bijvoorbeeld kosten voor het aanleggen van openbare voorzieningen zoals wegen, parkeren, civiele voorzieningen etc.. Overheid en initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: de 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie.
Planspecifiek
De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de procedure met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de anterieure overeenkomst. Tevens zal een overeenkomst betreffende nadeelcompensatie worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
Het ontwerp voor de wijziging van het omgevingsplanLedderweg 48-50 Epe heeft met ingang van 30 oktober 2025 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is er 1 zienswijze naar voren gekomen. Hiervan is verslag gelegd in de Nota van Zienswijze (zie bijlage 9).