direct naar inhoud van Ruimtelijke motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weg over 't Hontsveld 21 Empe
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0213.TAMBG7006-va01

Ruimtelijke motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het initiatief

De initiatiefnemers hebben het perceel Weg over 't Hontsveld 21 in Empe aangekocht. Dit is een voormalig agrarisch bedrijf met een minicamping. Ze hebben de wens om de voormalige agrarische bedrijfswoning te splitsen in 2 reguliere woningen en de bestaande minicamping voort te zetten en met een vijftal kampeerplaatsen uit te breiden.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brummen heeft op 11 april 2025 een principebesluit genomen dat zij bereid zijn om hieraan medewerking te verlenen.

Omdat deze ontwikkeling niet past in het omgevingsplan van de gemeente Brummen, wordt middels voorliggende wijziging van het omgevingsplan (middels TAM-IMRO) medewerking verleend aan de voorgenomen activiteit. In dit document wordt toegelicht waarom er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) conform de Omgevingswet.

Deze motivering gaat in lijn met de Memorie van toelichting paragraaf 2.2 en 4.16.4 in op de regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor het plan, het effect van het plan op de omgeving.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan de Weg over 't Hontsveld 21 in het buitengebied van Empe. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMBG7006-va01_0002.png"

Globale ligging plangebied in omgeving (bron: OpenStreetMap)

1.3 Het omgevingsplan

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 2008', vastgesteld door de raad op 17-12-2009, nu deel uitmakend van het tijdelijk deel van het omgevingsplan Brummen.

Het plangebied heeft de bestemming 'Agrarisch met landschapswaarden' met een bouwvlak waarbinnen gebouwen en andere bouwwerken voor een reëel agrarisch bedrijf zijn toegestaan, alsmede het bestaande aantal dienstwoningen. Voor het exploiteren van een minicamping is ontheffing verleend. Onderstaande afbeelding heeft een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan weer:

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMBG7006-va01_0003.png"

Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied 2008'

Naast het bestemmingsplan 'Buitengebied' zijn nog een aantal andere bestemmingsplannen van kracht:

  • Beschermingszone bestrijdingsmiddelen (vastgesteld d.d. 25-10-2012)
  • Paraplubestemmingsplan Parkeren (vastgesteld d.d. 18-10-2018)
  • Paraplubestemmingsplan Archeologie (vastgesteld d.d. 15-10-2020)
  • Paraplubestemmingsplan bos-, natuur- en waterbestemmingen (vastgesteld d.d. 13-10-2022)
  • Paraplubestemmingsplan landschapselementen buitengebied (vastgesteld d.d. 23-20-2023)

Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan

Op de locatie worden geen agrarische bedrijfsactiviteiten meer uitgevoerd. Er is in de huidige situatie één bedrijfswoning aanwezig. De wens bestaat om deze te splitsen in twee reguliere woningen en de minicamping te behouden. De van oorsprong aanwezige relatie tussen camping en agrarisch bedrijf komt te vervallen.

1.4 Leeswijzer

Deze motivering gaat in op dat deel van het besluit waar het gaat over een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hoofdstuk 2 geeft de beschrijving van de huidige situatie, gevolgd door een beschrijving van de voorgenomen ontwikkeling. Hoofdstuk 3 gaat in op het relevante beleid van Rijk, provincie en gemeente. Hoofdstuk 4, 5 en 6 gaan achtereenvolgens in op de aspecten van omgevingsveiligheid, het waterbelang en de bescherming van gezondheid en milieu. Hoofdstuk 7 gaat over de bescherming van de natuur en bos en in Hoofdstuk 8 wordt ingegaan op de aspecten archeologie en cultuurhistorie. Hoofdstuk 9 gaat in op de vormvrije m.e.r.-beoordeling. In Hoofdstuk 10 volgt de integrale weging van alle aspecten. Daarna wordt in Hoofdstuk 11 ingegaan op de juridische planbeschrijving. Tot slot bevat Hoofdstuk 12 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Huidige en gewenste situatie

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Het plangebied ligt in het buitengebied van Empe. Het adres is Weg over 't Hontsveld 21, maar de locatie wordt ontsloten via de Weijenbergweg. Het plangebied bevindt zich in een agrarisch landschap met agrarische bedrijven, woningen en verspreid gelegen bosjes en andere landschapselementen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMBG7006-va01_0004.png"

Luchtfoto van het plangebied waarbij het plangebied rood is omkaderd (bron: Pdok)

Op het perceel staat links van de inrit een woonboerderij met aangebouwde stalruimte. Rechts van de inrit staat een bijgebouw dat deels in gebruik is als B&B (oppervlakte ca. 30 m², geschikt voor 2 personen) en deels wordt gebruikt als berging. Verder staan er op het erf twee bijgebouwen. Eén betreft een karakteristieke houten kapschuur met ruimte om machines en materieel te stallen ten behoeve van het beheer. Ook wordt het gebruikt als recreatie- en slechtweervoorziening voor de camping. Het andere gebouw bevat de sanitaire voorzieningen voor de camping en wordt voorts gebruikt voor opslag.

Het parkeren van de campinggasten vindt plaats in een afgescheiden deel van het weiland langs de Weijenbergweg. Nadat de gasten hun kampeermiddel op de camping hebben geplaatst kunnen zij hier hun auto parkeren. Het beleid is om zo min mogelijk met auto's over het erf en de camping te rijden. Ongeveer een derde van de gasten komt met een camper en maakt derhalve geen gebruik van de parkeerplaats.

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMBG7006-va01_0005.png"

Voor- en achterzijde van de woonboerderij

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMBG7006-va01_0006.png"

Karakteristieke houten kapschuur

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMBG7006-va01_0007.png"

Blik op het kampeerveld met links de B&B. Rechts het parkeerterrein aan de zijde van de Weijenbergweg

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMBG7006-va01_0008.png"

Foto's van het campingsanitair en de inrichting van de B&B

2.2 Het voornemen

2.2.1 Erfinrichting

De initiatiefnemers, bestaande uit twee echtparen, hebben het gehele terrein aangekocht met de wens om hier te gaan wonen en de camping voort te zetten. Ze willen daartoe de woonboerderij splitsen in twee wooneenheden. De tweede woning wordt gerealiseerd op de voormalige deel en krijgt een privétuin aan de achterzijde.

De gebouwen blijven in stand en behouden hun huidige functie. Er wordt geen nieuwe bebouwing toegevoegd. Ook de B&B blijft gehandhaafd. De camping telt momenteel 19 standplaatsen en wordt aan de achterzijde van de schuur met 5 (tent-)plekken uitgebreid. Dit wordt landschappelijk ingepast met de aanplant van enkele inheemse bomen en een haag. De tentplekken zijn niet bereikbaar met de auto, de bedoeling is dat de gasten hun bagage kunnen vervoeren met een kar. De initiatiefnemers willen zich richten op een breder publiek en zullen hun promotie specifiek ook gaan richten op wandelaars en fietsers.

De 19 bestaande kampeerplekken zijn geschikt voor alle soorten kampeermiddelen (tenten, caravans, vouwwagens, campers).

2.2.2 Landschappelijke inpassing

Op onderstaande tekening is de erfinrichting weergegeven. Dit is grotendeels de reeds bestaande situatie, alleen de vijf kampeerplaatsen aan de zuidoostkant worden nieuw aangelegd. Een grotere versie van deze tekening is opgenomen in bijlage 1 bij de regels.

 afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMBG7006-va01_0009.png"

Erfinrichting Weg over 't Hontsveld 21. De rode stippellijn geeft de gewenste woningsplitsing aan

Voor de inpassing van de vijf nieuwe kampeerplaatsen is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt. Deze is opgenomen op pagina 2 van bijlage 1. Langs het kampeerterrein wordt een lage haag aangeplant, bestaande uit inheemse soorten als veldesdoorn, liguster en/of hazelaar. Als boomsoort wordt ruwe berk voorgesteld. De landschappelijke inpassing geldt als een voorwaardelijke verplichting bij de inrichting van de nieuwe kampeerplekken.

Daarnaast wordt de landschappelijke inpassing van het parkeerterrein versterkt door de bestaande meidoornhaag door te trekken. Aan de zijde langs de Weg over 't Hontsveld wordt beplantingstrook toegevoegd, eveneens met veldesdoorn, liguster en hazelaar, waardoor er vanaf de openbare weg minder zicht is op de geparkeerde auto's. Ook deze is voorwaardelijk verplicht.

2.2.3 Verkeer en parkeren

Verkeersgeneratie

De verkeersaantrekkende werking neemt door voorliggend plan toe. Het toevoegen van een woning (type twee-onder-een-kap) leidt volgens de kengetallen van het CROW (Parkeerkencijfers 2024) tot gemiddeld 8 extra verkeersbewegingen per dag. Voor een camping wordt een gemiddelde verkeersgeneratie van 0,4 per standplaats aangehouden. Voor de uitbreiding komt dit neer op 5 x 0,4 = 2 verkeersbewegingen per dag.

Deze toename van verkeer is derhalve beperkt en kan door omliggende wegen probleemloos worden verwerkt.

Parkeren

Volgens de regels van het Paraplubestemmingsplan Parkeren, onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, dient op eigen terrein te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen.

De bewoners parkeren op het erf (zie de erfinrichtingstekening in het landschappelijk inpassingsplan in bijlage 1) en bij de B&B is ook een parkeerplaats aanwezig.

Voor een camping wordt een norm gehanteerd van 1,2 pp per standplaats. Dit komt in dit geval neer op (24x1,2=) 29 parkeerplaatsen.

Het beleid op de camping is dat er in principe niet op de standplaats wordt geparkeerd. Voor de campinggasten is er parkeergelegenheid in een strook langs de Weijenbergweg. Op de tekening in bijlage 1 zijn deze 29 pp aangegeven. De ervaring is dat er doorgaans 3 of 4 plekken worden bezet door campers, deze mensen parkeren dus niet op het parkeerterrein. Daarnaast zijn de tentplekken vooral bedoeld voor wandelaars en fietsers. Het aantal geparkeerde auto's in de praktijk dus minder. Geconcludeerd wordt dat er voldoende parkeerruimte op eigen terrein aanwezig is.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Per februari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.

Gebiedsgericht

De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden.

Het gaat hierbij over de instructieregels met het oog op:

  • 1. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  • 2. Het behoud van werelderfgoed en cultureel erfgoed;
  • 3. Natuurbescherming.

Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden

  • 4. Veiligheid primaire waterkeringen;
  • 5. Veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk;
  • 6. Kwaliteit van de buitenlucht;
  • 7. Waterkwaliteit;
  • 8. Kwaliteit van de zwemlocatie.

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist.

3.1.3 Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid

Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit de NOVI of het Bkl. Het initiatief heeft daarmee op voorhand geen effect op één of meerdere aspecten met een nationaal ruimtelijk belang.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Voorliggend plan maakt het mogelijk om de voormalige agrarische bedrijfswoning te splitsen in twee reguliere woningen en de bestaande minicamping uit te breiden met vijf standplaatsen. Deze ontwikkeling is dermate kleinschalig dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is niet nodig.

De toetsing aan de eventueel van toepassing zijnde omgevingswaarden vindt plaats in de volgende hoofdstukken.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciale omgevingsvisie

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer.

De provincie streeft naar een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door hierin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities, hieronder kort samengevat:

  • Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;
  • Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;
  • Een voortvarend en innovatief circulair beleid;
  • Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit;
  • Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;
  • Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;
  • Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.

Naast deze zeven ambities blijft het beleid uit de Omgevingsvisie uit 2014 gelden. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze wordt regelmatig op onderdelen geactualiseerd. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen.

De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van instructieregels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen uit het Bkl.

Klimaatadaptatie

De provinciale omgevingsverordening die op 1 februari 2022 van kracht is geworden bevat de instructieregel klimaatadaptie (artikel 5.85). Voor zover een plan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de onderbouwing een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. In paragraaf 6.8 is invulling gegeven aan de wijze waarop in dit plan is omgegaan met het voorkomen en/of beperken van de risico's van klimaatverandering.

3.2.3 Toetsing van het initiatief aan het provinciale beleid

Voorliggend plan betreft de omzetting van de bestemming van een agrarisch bedrijf naar een woonfunctie, waarbij de voormalige bedrijfswoning wordt gesplitst in twee woningen en het behoud van de naastgelegen camping in het buitengebied van Empe. Het plan is dermate kleinschalig dat het geen direct raakvlak heeft met het provinciaal beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Toekomstvisie 2030 'Innoveren met oude waarden'

De gemeenteraad van Brummen heeft op 19 september 2013 de Toekomstvisie 'Innoveren met oude waarden' vastgesteld als kader voor nieuwe ontwikkelingen. De Toekomstvisie zet voor de gemeente Brummen de stip op de horizon van 2030. De visie geeft richting aan de strategie, het beleid en de plannen die de gemeente de komende jaren samen wil maken. Natuur, landschap, water, papier en landgoederen zijn belangrijke kernwaarden in de gemeente die verleden en heden met elkaar verbinden. Maar inwoners vinden Brummen vooral een gemeente waar je goed kunt wonen en leven. De keuzes en speerpunten voor 2030 zijn ingedeeld in drie thema's:

  • Ruimte voor papier en landgoederen;
  • Samen gezond wonen, werken en leven;
  • Op groene voet met groene vingers.

Voor recreatie zet de gemeente in op een professionele recreatieve sector. Ook zet zij zich in voor flexibel, duurzaam en toekomstgericht bouwen, zodat de functie van een gebouw makkelijk kan veranderen of een woning eenvoudig aangepast kan worden aan de behoeften van een volgende levensfase. Ze kiest voor inbreiding op locaties die al bebouwd zijn in plaats van uitbreiding.

3.3.2 Woonagenda 2019- 2023

De Woonagenda 2019-2023 is een actualisatie van de Woonvisie 2016-2025. Belangrijke reden om de woonvisie te actualiseren is in te kunnen spelen op de dynamische woningmarkt. Volgens de Woonagenda Cleantechregio 2018 is er naar de huidige inzichten in de gemeente Brummen in de periode 2017-2027 behoefte aan 700 nieuw te realiseren woningen.

Het wensbeeld voor de toekomst is gelijk aan die van de Woonvisie uit 2016: een vertrouwd dorps woonklimaat in een economisch vitale gemeente met een duurzaam en sociaal karakter. Waar het goed wonen is voor jong en oud, dankzij een gedifferentieerd aanbod van kwalitatief hoogwaardige woningen. Dit wensbeeld wordt uitgewerkt in een viertal pijlers:

  • 1. Betaalbaarheid en beschikbaarheid. De gemeente wil nieuwbouw realiseren die complementair is aan de bestaande voorraad en de huidige woonmilieus versterkt. Daarmee wil de gemeente aansluiten bij de verwachte huishoudensgroei.
  • 2. Wonen, zorg en vergrijzing. De gemeente wil ervoor zorgen dat ouderen oud kunnen worden in hun eigen wijk of kern en wil dat er voldoende woonmogelijkheden zijn voor mensen met een zorgbehoefte. Er wordt daarom ingezet op meer levensloopbestendige woningen en mantelzorgwoningen en aanpassingen voor langer zelfstandig thuis wonen.
  • 3. Duurzaamheid. De gemeente ambieert een groene en duurzame leefomgeving met duurzame woningen met een gezond leefklimaat.
  • 4. Leefbaarheid. Er wordt ingezet op goede leefbaarheid met een voorzieningenniveau in de kleine kernen dat op peil is.

Woningbehoefteonderzoek
Voor de actualisatie van de woonvisie hebben de gemeente Brummen en woningcorporatie Veluwonen een kwalitatief woningbehoefteonderzoek laten uitvoeren. Dit onderzoek brengt het functioneren van de woningmarkt in beeld, geeft een overzicht van eventuele knelpunten in de woningmarkt en zal als onderlegger gaan dienen voor toekomstige woningbouwinitiatieven om zo op kwaliteit te kunnen sturen.

Afwegingskader woningbouw

Voor de gemeente is het van belang om in de woningbouwprogrammering naast kwantitatief vooral ook kwalitatief te sturen. Daarom is het afwegingskader woningbouw opgesteld, op basis waarvan de gemeente haar medewerking verleent aan de plannen die het best bijdragen aan de ambities. Aanvragen worden aan de hand van de volgende stappen getoetst:

  • aantonen van de behoefte;
  • voor welke doelgroep wordt er gebouwd;
  • ligt de locatie in prioritair gebied, vraagt de locatie om een herontwikkeling, is er een ruimtelijke meerwaarde;
  • is er op de locatie een maatschappelijke meerwaarde.
3.3.3 Versnelling Woningbouw: Routekaart

In 2023 heeft de gemeente Brummen het document 'Versnelling Woningbouw: Routekaart' en het 'Toetsingskader Woningbouw' vastgesteld. Het document 'Versnelling Woningbouw: Routekaart' beschrijft hoe de gemeente Brummen haar woningbouw gaat aansturen en versnellen. In het document staat beschreven dat, rekening houdend met planvertraging en uitval van plannen, een versnelling in de planvorming vooral voor de langere termijn wenselijk is. Naast versnelling is het belangrijk dat aangestuurd wordt op de juiste woning voor de juiste doelgroep op de juiste plek. Dit gebeurt met de volgende acties:

  • Versnellen en stroomlijnen;
  • Inzetten sturingsinstrumenten;
  • Toepassen nieuw Toetsingskader Woningbouw;
  • Zoeken naar nieuwe locaties;
  • Actief monitoren en bijsturen.
3.3.4 Beleidsregel buitenplanse afwijkingsmogelijkheden gemeente Brummen

In de 'Beleidsregel buitenplanse afwijkingsmogelijkheden' (geldend vanaf 17-06-2025) is een mogelijkheid voor het splitsen van grote woningen in het buitengebied opgenomen. De behoefte om grote woningen/woonboerderijen in het buitengebied te splitsen komt voort uit de 'Routekaart Woningbouw' van de gemeente Brummen. Woningsplitsing levert een bijdrage aan de woningbehoefte, doordat er met twee gezinnen (generaties) op één erf kan worden gewoond. Ook worden de grotere, veelal dure, woningen in het buitengebied beter koop- en verkoopbaar. Dit voorkomt leegstand.

Door het intern splitsen van een pand wordt er in principe geen afbreuk gedaan aan het bestaande straat- en bebouwingsbeeld. Voor de splitsing gelden een aantal voorwaarden waaronder dat de woning een inhoud moet hebben van minimaal 800 m3 zonder dat daarvoor een uitbreiding van de woning moet worden gedaan. De woning en een daarmee in verbinding staand gebouw moeten in architectonisch opzicht ook als één dezelfde bouwmassa te typeren zijn. Na splitsing dient iedere afzonderlijke woning een bebouwingsoppervlakte te hebben van tenminste 75 m².

3.3.5 Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk beleid

De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente. Het beleid biedt de mogelijkheid voor splitsing van grote woonboerderijen, om zo de woningen aantrekkelijk te houden voor huishoudens op zoek naar landschappelijk wonen. De behoefte aan extra woningen is aantoonbaar wegens het huidige woningtekort. Door splitsing van de bestaande boerderij ontstaat er één extra woning op een bestaand erf, met behoud van de bestaande minicamping. De splitsing van de woonboerderij is in lijn met de voorwaarden voor woningsplitsing. De ontwikkeling is echter in strijd met de regels van het omgevingsplan. Daarom wordt het omgevingsplan gewijzigd waarvoor onderhavige onderbouwing is opgesteld.

Hoofdstuk 4 Omgevingsveiligheid

4.1 Algemeen

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor de scenario's brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron.

4.2 Situatie plangebied

Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het plangebied is hier globaal aangegeven met de rode cirkel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMBG7006-va01_0010.png"

Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)

Op de risicokaart is te zien dat de planlocatie zich niet in een risicocontour of aandachtsgebied bevindt. Een verdere verantwoording van het groepsrisico is daarmee niet nodig.

4.3 Conclusie

Vanuit omgevingsveiligheid zijn er geen bijzonderheden voor de ontwikkeling.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 10.

Hoofdstuk 5 Beschermen van waterbelangen

5.1 Algemeen

Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap.

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem.

De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld:

  • Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en (4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow);
  • Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow);
  • Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor de ontwikkeling moeten worden getroffen. Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder.

5.2 Situatie plangebied

Binnen het plangebied zijn geen (beschermingszones van) waterkeringen aanwezig. Rondom het weiland aan de oostzijde van het plangebied ligt een c-watergang, dit zijn sloten die in beheer zijn bij de aanliggende grondeigenaar.

Voorliggend plan leidt niet tot ruimtelijke ingrepen met betrekking tot bebouwing of verharding.

Voor het plan is een digitaal wateradvies opgevraagd. Het resultaat hiervan is opgenomen in bijlage 1. Hiermee is bepaald dat het plan geen invloed heeft op de waterhuishouding en/of de afvalwaterketen. Verder overleg met het waterschap is niet nodig. Het Waterschap Vallei en Veluwe geeft een positief wateradvies

5.3 Conclusie

Het plan heeft geen invloed op de waterhuishouding of bestaande watergangen.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 10.

Hoofdstuk 6 Beschermen van gezondheid en milieu

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de aspecten die samen bepalend zijn voor de vraag of met de voorgenomen ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving ontstaat en behouden blijft voor nu en in de toekomst.

6.1 Geluid

6.1.1 Algemeen

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels van het Bkl over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig functie die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden).

Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel.

Geluidbronsoort   Standaardwaarde, in dB.   Grenswaarde, in dB.  
Rijks- en provinciale wegen. In Lden   50   60  
Gemeente- en waterschapswegen. In Lden   53   70  
Hoofd- en lokale spoorwegen. In Lden   55   65  
Industrieterrein   Lden   50   55  
  Lnight   40   45  

Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en.3.35 Bkl

De geluidsregels van het Bkl zijn alleen van toepassing bij het realiseren van geluidgevoelige functies binnen een geluidsaandachtsgebied. De omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeersdrukte, rijsnelheid, afstand van het project tot de weg en eventuele afschermende bebouwing. Het geluidaandachtsgebied van een gemeenteweg, lokale spoorweg en waterschapsweg is tot een nader te bepalen tijdstip begrenst door vaste afstanden (art. 17.5 omgevingsregeling), zie navolgende tabel.

Geluidsaandachtsgebied   Breedte (m)  
Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid 30 km/u of minder   100  
Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid meer dan 30 km/u   200  
Weg bestaande uit 3 of meer rijstroken   350  
Lokale spoorweg bestaande uit 1 of 2 sporen   200  
Lokale spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen   350  

Tabel: Breedte van het geluidaandachtsgebied vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf, artikel 17.5 omgevingsregeling

Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied.

6.1.2 Situatie plangebied

Voorliggend plan maakt een nieuwe woning mogelijk. Dit is een geluidgevoelig gebouw. Daarom is getoetst aan de regels uit het Bkl. De planlocatie is niet gelegen in een aandachtsgebied. Omliggende wegen zijn rustige landbouwwegen met een verkeersintensiteit minder dan 1.000 mvt/etmaal. Ze hebben daarmee geen aandachtsgebied. Verder akoestisch onderzoek is niet nodig.

6.1.3 Conclusie

Er is geen sprake van wegverkeerslawaai. Vanuit het aspect geluid is er sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 10.

6.2 Activiteiten en milieuzonering

6.2.1 Algemeen

Bedrijven (die milieubelastende activiteiten uitvoeren/ ondernemen) kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe gevoelige functie nabij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden.

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven Milieuzonering” van de VNG is, zeker ook gezien jurisprudentie, een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden tussen gevoelige functies en milieubelastende activiteiten gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden.

Op weg naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG een nieuwe publicatie uitgegeven: Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2023. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. In de nieuwe systematiek wordt de toelating van activiteiten niet meer gekoppeld aan een bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met milieucategorieën. Dit maakt het ook niet mogelijk de ontwikkeling van nieuwe gevoeligere objecten te toetsen aan bestaande bedrijven. Om die reden wordt voor de beoordeling van de omliggende activiteiten/ functies nog aangesloten bij de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.

6.2.2 Situatie plangebied

Met de splitsing van de boerderij in twee wooneenheden wordt er formeel één woning toegevoegd, en daarmee een gevoelige functie. In de omgeving van het plangebied liggen geen bedrijven of andere functies die mogelijke hinder kunnen opleveren.

Een camping kan wel worden beschouwd als een milieubelastende activiteit. Volgens de Staat van bedrijfsactiviteiten heeft een camping een milieucategorie 3 met een richtafstand van 50 meter, gebaseerd op geluid. Er is daarin geen onderscheid gemaakt in de grootte of het type camping, deze richtafstand wordt (ook) gehanteerd voor grote campings met >100 standplaatsen en met centrale voorzieningen als een zwembad, sportveld en horeca. Het moge duidelijk zijn dat een minicamping met 24 plaatsen minder geluid oplevert dan een grote camping met veel voorzieningen. Gasten zullen deze camping vooral bezoeken voor de omgeving en de rust. Op onderhavige camping liggen 3 bestaande standplaatsen en 1 tentplek binnen 50 meter van de woning. Een kleinere afstand wordt in dit geval acceptabel geacht.

In de omgeving van het plangebied liggen geen gevoelige functies binnen de richtafstand van 50 meter. Wel moet gekeken worden naar de relatie tussen de minicamping en de twee (eigen) woningen op dit adres. Een minicamping is een nevenfunctie (oorspronkelijk bij een agrarisch bedrijf). Het is te klein van omvang om een volwaardig inkomen uit te verdienen, daarom kunnen de twee woningen niet als 'dienstwoning' worden beschouwd, maar is de minicamping een functie bij de woning.

De bewoners van de woningen zijn echter ook de beheerders van de camping. Zij stellen zelf de huisregels op en zijn ook verantwoordelijk voor de handhaving ervan. Het ligt dan ook niet in de veronderstelling dat zij zelf hinder zullen ondervinden van de camping, aangezien het hun eigen activiteit betreft. Bovendien bedraagt de afstand tussen de gevel van de woning en de dichtstbijzijnde kampeerplek meer dan 20 meter, wat groot genoeg is om geen hinder te ondervinden. De meeste kampeerplekken liggen op grotere afstand.

Punt van aandacht is de verkeersontsluiting van de camping. De gasten moeten daarvoor met hun auto met kampeermiddel over het erf. Dit doen zij echter alleen bij aankomst en vertrek, op andere momenten parkeren zij hun auto op het parkeerterrein aan langs de Weijenbergweg ten noorden van de camping.

Voor de huidige eigenaren/beheerders is deze situatie alleszins acceptabel. Bijkomend voordeel is dat zij goed zicht hebben wie de camping op- en afrijdt (sociale controle). Al deze aspecten in acht nemend, kan gesteld worden dat er ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van millieuzonering.

Niet aan de orde, maar mocht zich in de toekomst de situatie voordoen waarin (één van) de woningen niet wordt bewoond door iemand die betrokken is bij de camping, kan de mogelijkheid onderzocht worden om de camping een eigen, rechtstreekse ontsluiting op de Weijenbergweg te geven.

6.2.3 Conclusie

In de omgeving liggen geen bedrijven of functies die hinder kunnen opleveren. De minicamping levert geen hinder op voor de woningen Vanuit het aspect milieuzonering is er sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 10.

6.3 Bodem

6.3.1 Algemeen

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

  • de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen;
  • te zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • de resterende historische verontreinigingen en aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren.

Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

6.3.2 Situatie plangebied

Er is een bodemonderzoek uitgevoerd vanwege de wijziging van de functie Agrarisch naar Wonen. In verband hiermee is inzicht in de kwaliteit van de bodem gewenst. De rapportage van het onderzoek is opgenomen in Bijlage 2. Op het terrein is vroeger een dieselolietank aanwezig geweest. De resultaten van het bodemonderzoek laten zien dat ter plaatse van de voormalige tank een zeer licht verhoogd gehalte aan minerale olie is aangetroffen. Dit is echter zodanig licht verhoogd dat de in het Omgevingsplan toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden. Het uitvoeren van nader onderzoek of sanerende maatregelen is niet nodig. Op het overige terrein zijn geen verontreinigingen aangetoond, ook in het grondwater wordt voor geen van de onderzochte stoffen de signaleringsparameter grondwater overschreden. Het terreindeel van de camping is niet verdacht voor bodemverontreiniging. De conclusie van het verkennend bodemonderzoek is dat de locatie geschikt wordt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik.

6.3.3 Conclusie

De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 10.

6.4 Luchtkwaliteit

6.4.1 Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de 'omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit' opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een resultaatverplichting;
  • het initiatief leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het initiatief draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Niet in betekenende mate (NIBM)

Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 (aanwijzing agglomeraties richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) Omgevingsregeling. De gemeente Brummen ligt niet in een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit.

6.4.2 Situatie plangebied

Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de gegevens van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (cimlk.nl). Door de concentraties ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden kan worden onderzocht of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Er liggen echter geen receptoren in de nabije omgeving van het plangebied. Het dichtstbijzijnde gelegen toetspunt is de receptor wegverkeer 51468751_15568507 op circa 3 kilometer van het plangebied langs de N345 in de kern Empe. In de tabel hieronder zijn de totale concentraties van stikstofdioxide, fijnstof en de fijnere fractie van fijnstof weergeven.

  NO2 
(stikstofdioxide)  
PM10
(fijnstof)  
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof)  
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2023 (µg/m3)   11,1 µg/m3   14,2 µg/m3   7,7µg/m3  
Grenswaarde concentratie (µg/m3)   40 µg/m3   40 µg/m3   25 µg/m3  

De concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden.

Het CIMLK geeft ook voor een aantal grote veehouderijen de concentratie aan fijnstof PM10 weer. Voor veehouderijen op 1,8 en 2,6 km van het plangebied is dit respectievelijk 24,1 en 16,9 µg/m3. Dit levert geen belemmeringen op voor onderhavig plan, aangezien deze èn op grote afstand èn onder de grenswaarden liggen.

Bijdrage van het initiatief

Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief (toevoegen van één woning en een uitbreiding met vijf kampeerplaatsen) van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het initiatief is te concluderen dat dit initiatief 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof kan daarom achterwege blijven.

De te splitsen woning ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit zoals genoemd in artikel 5.51, lid 2 of 3 van het Bkl en grenst ook niet aan een gemeente die wel een aandachtsgebied is. Er is ook geen sprake van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of de aanleg van een tunnel of auto(snel)weg. Er is geen onderzoek luchtkwaliteit nodig.

6.4.3 Conclusie

De luchtkwaliteit voldoet ruim aan de geldende normen. Het plan leidt niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 10.

6.5 Geur

6.5.1 Algemeen

In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.

De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:

  • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);
  • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS);

Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft.

Geurgevoelig gebouw   Standaardwaarde   Grenswaarde  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   2,0 ouE/m3   8,0 ouE/m3  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   3,0 ouE/m3   14,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   8,0 ouE/m3   20,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   14,0 ouE/m   35,0 ouE/m3  

Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw

In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden valt terug te voeren op een verschil in de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze.

Voor dieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden gelden afstandseisen. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden.

Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (gevel-gevel afstand).

6.5.2 Situatie plangebied

Voorliggend initiatief voorziet in het toevoegen van een nieuwe woning. Dit is een geurgevoelig gebouw. De gemeente kán andere gebouwen en functies, zoals een camping, ook aanwijzen als geurgevoelig, maar dit is in Brummen niet het geval.

De agrarische bedrijven in de omgeving van het plangebied betreft bedrijven met vaste afstandsdieren. Het meest nabij gelegen bedrijf ligt op ruim 130 meter. In de ruime omgeving zijn geen intensieve veehouderijen gevestigd. Daarmee wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van geurhinder. Tevens kan worden gesteld dat er door voorliggend plan geen veehouderijen worden belemmerd in hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden.

6.5.3 Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 10.

6.6 Trilling

6.6.1 Algemeen

Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Trilling wordt gezien als een milieubelastende activiteit. In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Vastgelegd wordt welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Bkl.

Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

  • a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen trillingen. Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 22.87a van de Bruidsschat.

6.6.2 Situatie plangebied

In de ruime omgeving van het plangebied zijn geen activiteiten aanwezig die trillingen kunnen veroorzaken zoals grote wegen, spoorlijnen en/of industriële machines.

6.6.3 Conclusie

Er is in het plangebied geen sprake van trillingshinder.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 10.

6.7 Gezondheid

6.7.1 Algemeen

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect te worden gemotiveerd.

Het Bkl bevat een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld.

Spuitzonering

Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen kunnen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen woningen en bijbehorende tuinen. In artikel 2a van de Wet Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden is een zorgplicht opgenomen die beschrijft dat iedereen de plicht heeft om zorgvuldig om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

In de praktijk is een vuistregel ontstaan die uitgaat van een afstand van 50 m tussen de betreffende agrarische gronden en woningen. Deze vuistregel is ontstaan vanuit de fruitteelt. Als die afstand wordt aangehouden wordt enerzijds het agrarische bedrijf niet belemmerd en anderzijds het woon- en leefklimaat bij de woningen beschermd. In de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State is deze afstand geaccepteerd (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2009:BJ8308).

De afstand van 50 meter is een indicatieve afstand. Onder omstandigheden kan hiervan gemotiveerd worden afgeweken en dus een kortere afstand worden aangehouden. Ook dit is in de vaste jurisprudentie geaccepteerd. De afstand die wordt aangehouden in een specifiek geval moet worden onderbouwd met een locatiespecifiek onderzoek.

6.7.2 Situatie plangebied

De situatie ten aanzien van de aspecten geluid, geur, bodem, luchtkwaliteit en trillingen zijn reeds in voorgaande paragrafen behandeld. Ten aanzien van al deze aspecten is geconcludeerd dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Spuitzonering

Voorliggend plan maakt het mogelijk om de voormalige agrarische bedrijfswoning te splitsen in twee reguliere woningen en de bestaande minicamping uit te breiden met vijf standplaatsen. Bekeken moet worden of er op de percelen rondom de nieuwe functies gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt. Het aangrenzende weiland (met kadastraal nummer BMN01-K-548) waar de vijf nieuwe kampeerplekken worden gerealiseerd is eigendom van de initiatiefnemers. Hier worden geen chemische gewasbeschermingsmiddelen gebruikt.

De percelen in de omgeving zijn in gebruik als grasland of bouwland. Grasland wordt slechts in zeldzame gevallen bespoten. Maisland wordt bespoten als het gewas nog klein is. In beide gevallen betekent dat alleen laag bij de grond gespoten wordt, waardoor er maar beperkt sprake is van eventuele drift en (veel) minder dan de genoemde richtafstand van 50 meter die is gebaseerd op fruitteelt en boomteelt. Dit zijn hoger opgaande teelten waar door drift de gewasbeschermingsmiddelen verder kunnen verwaaien.

Op basis van het bestemmingsplan 'Beschermingszone bestrijdingsmiddelen' (vastgesteld door de raad op 25 oktober 2012) is het gebruik van gronden voor fruit-. druiven-, bollenteelt en/of boomteelt waarbij bestrijdingsmiddelen worden ingezet in een zone van 50 meter rondom de kernen en woningen niet toegestaan. Het is derhalve niet redelijk om rekening te houden met een omschakeling naar een andere teelt dan bouw- of grasland op genoemd perceel. Het gebruik als bouwland en grasland kan derhalve worden gezien als een representatieve invulling van het agrarische gebruik.

6.7.3 Conclusie

Op grond van voorgaande overwegingen wordt geconcludeerd dat ten aanzien van spuitzonering sprake is van voldoende afstand voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ook ten aanzien van de aspecten geluid, geur, bodem, luchtkwaliteit en trillingen is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.8 Duurzaamheid en klimaatadaptatie

6.8.1 Algemeen

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten.

De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

6.8.2 Situatie plangebied

Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering. Vervolgens is beschreven hoe in onderhavige ontwikkeling rekening is gehouden met duurzaamheid en klimaatverandering.

Wateroverlast

Uit kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat er langs de Weijenbergweg plasvorming kan ontstaan na een korte of lange extreme bui. De kampeergronden ondervinden daar weinig hinder van. De gronden blijven onverhard, waardoor het water kan infiltreren in de bodem. Op het erf is er geen sprake van plasvorming.

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMBG7006-va01_0011.png"

Kaart uit de klimaateffectatlas

Hittestress

Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat er in ons land meer tropische dagen en langere hitte verwacht kunnen worden. Met de verbouw van de voormalige boerderij zal het pand goed worden geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee voldoet de woning aan de toegenomen koelbehoefte die kan ontstaan als een gevolg van hittestress. De ligging in het buitengebied en het aanwezige groen maakt dat hittestress minder snel voorkomt.

Droogte

De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat in heel Nederland een hoger neerslagtekort verwacht kan worden. Dit heeft gevolgen voor de grondwaterstanden en droogtegevoeligheid van het gebied. Door het hemelwater binnen het projectgebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf. De kans op natuurbranden bij langdurige droogte neemt toe op de Veluwe, ter hoogte van het plangebied is dat een middelhoge kans. De kans op een natuurbranden is bij langdurige droogte blijft in de toekomst gelijk aan de huidige situatie.


Overstroming

Op de Veluwe is er geen kans op overstromingen.

6.8.3 Conclusie

In het plangebied zijn er voldoende mogelijkheden om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 10.

Hoofdstuk 7 Bescherming van de natuur

7.1 Algemeen

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijven ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Het beoordelen van de effecten van een planontwikkeling op beschermde gebieden is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de nog te bepalen datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

7.2 Situatie plangebied

Gebiedsbescherming

De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied, het Gelders Natuurnetwerk of de Groene Ontwikkelingszone. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Landgoederen Brummen' ligt op ca. 800 meter. Gezien de afstand en de aard van de ontwikkeling kunnen externe effecten als gevolg van bijvoorbeeld trillingen, geluid of optische verstoring op voorhand worden uitgesloten. Het toevoegen van een woning en de uitbreiding met vijf kampeerplaatsen leidt tot een beperkte toename van het aantal verkeerbewegingen.

Gezien de afstand tot dit gebied zijn externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie op voorhand niet uit te sluiten. Daarom is een Voortoets stikstofdepositie uitgevoerd, zie bijlage 3. De conclusie is dat als gevolg van voorliggend plan er zowel in de gebruiksfase als in de aanlegfase geen sprake is van een toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebieden. Het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is niet nodig.

Soortenbescherming

Voorliggend plan betreft de splitsing van de voormalige bedrijfswoning in twee wooneenheden en de uitbreiding van de camping met 5 tentplekken. Er is een Quickscan Natuur uitgevoerd, waarvan het rapport is opgenomen in bijlage 4.

Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn landschapselementen en structuren aanwezig die in potentie geschikt leefgebied vormen voor kleine marterachtigen. Bij de locatie van de vijf nieuwe kampeerplaatsen zijn enkele takkenhopen aanwezig die mogelijk kunnen functioneren als verblijfplaats. Dit geldt ook voor de aanwezige houtwal. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen of verblijfplaatsen aangetroffen. De takkenhopen en houtwal worden niet verwijderd of aangetast door de voorgenomen ingreep. Aanvullend onderzoek en/of een vergunningsaanvraag voor het wegnemen van een verblijfplaats is niet nodig. De kwaliteit en kwantiteit van het leefgebied voor kleine marterachtigen op de planlocatie blijft behouden door het realiseren van extra groen (dat wordt aangeplant in het kader van landschappelijke inpassing, zie paragraaf 2.2.2) en marterhopen/takkenrillen.

Binnen de planlocatie is bekend dat er een nestkast aanwezig is in de schuur die wordt bewoond door een steenuil. Hier vindt echter geen verandering van activiteit plaats en de steenuilen zijn hier gewend aan enige mate van verstoring doordat de camping reeds aanwezig is. Bij uitbreiding van het aantal kampeerplekken kan een beperkt deel van het foerageergebied van de steenuil worden aangetast. Dit deel is echter zeer klein ten opzichte van het ruim aanwezige foerageergebied binnen het territorium. Omdat er bij de ontwikkeling aanvullend groen wordt aangeplant, kunnen negatieve effecten op het foerageergebied van de steenuil worden uitgesloten.

Bij de te verbouwen woonboerderij is geconcludeerd dat deze niet geschikt is als verblijf- of nestplaats voor beschermde soorten.

Houtopstanden

Er worden geen beplantingen verwijderd of bomen gekapt.

7.3 Conclusie

De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden, mits enkele maatregelen worden getroffen waardoor de kwantiteit en kwaliteit van het leefgebied voor kleine marterachtigen en steenuil niet achteruit gaat. Dit gebeurt door het realiseren van groen en extra marterhopen/takkenrillen.

Tijdens de uitvoering van werkzaamheden dient daarnaast rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen tevens maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen (algemene en specifieke zorgplicht).

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 10.

Hoofdstuk 8 Archeologie en cultuurhistorie

8.1 Algemeen

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.

Besluit kwaliteit leefomgeving

In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het gemeentelijk beleid over archeologie is opgenomen in de 'Beleidsnota archeologie gemeente Brummen'. Deze archeologische waarden en verwachtingen zijn vertaald in een archeologische dubbelbestemmingen in het 'Paraplubestemmingsplan Archeologie'.

8.2 Situatie plangebied

8.2.1 Archeologie

Volgens het Paraplubestemmingsplan Archeologie komen binnen het plangebied zowel de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie hoog', 'Waarde - Archeologie middelmatig' en 'Waarde - Archeologie laag' voor. Elke dubbelbestemming heeft een eigen beschermingsniveau.

Met voorliggend plan vinden geen ruimtelijke ingrepen of bodemingrepen plaats die zouden kunnen leiden tot aantasting van archeologische waarden. Het Paraplubestemmingsplan Archeologie blijft onverkort van toepassing op het gebied.

8.2.2 Cultuurhistorie

Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen objecten aanwezig die aangewezen zijn als (rijks)monument of als cultuurhistorisch waardevol. De aanwezige boerderij is wel karakteristiek, met de voorgenomen woningsplitsing krijgt het pand een passende en duurzame invulling.

8.3 Conclusie

Vanuit archeologie en cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor het plan.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 10.

Hoofdstuk 9 M.e.r.-beoordeling

9.1 Algemeen

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. Beoordeling of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit.

  • 1. De eerste stap is te kijken of het project past binnen de omschrijving van een project in kolom 1.
  • 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen.
  • 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3.
    • a. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 2? Dan geldt voor het project een 'project-mer-plicht'.
    • b. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-mer-beoordelingsplicht'.

9.2 Situatie plangebied

Het onderhavige initiatief betreft de wijziging van een voormalig agrarisch bedrijf naar een woonfunctie met behoud van de bestaande B&B, in combinatie met een woningsplitsing. Daarnaast wordt de bestaande minicamping uitgebreid van 19 naar 24 standplaatsen. De ontwikkeling is kleinschalig en valt niet onder een van de projecten die genoemd staan in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Het opstellen van een m.e.r.-beoordeling is niet nodig.

9.3 Conclusie

Als gevolg van het plan zijn geen belangrijke negatieve milieueffecten te verwachten. Het opstellen van een m.e.r.-beoordeling is niet nodig.

Hoofdstuk 10 Conclusie

Artikel 1.3 van de Omgevingswet, “maatschappelijke doelen van de wet”, bepaalt het volgende:

“Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • 1. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en
  • 2. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.”

In een omgevingsplan moet worden aangetoond dat er met het plan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In voorgaande hoofdstukken is ingegaan op die regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor de beoordeling of bij dit plan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Overige regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten zijn niet relevant voor de beoordeling van dit plan en daarom niet beschreven. Dit is in lijn met de Memorie van toelichting paragraaf 2.2 en 4.16.4.

Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de eisen voor gezondheid en veiligheid. Er worden geen normen overschreden of bijna overschreden. Dat laatste is van belang omdat bij gezondheid en veiligheid juist de cumulatieve beoordeling van deze sectorale aspecten van belang is. Ook uit oogpunt van aspecten als water, verkeer, cultuurhistorie en archeologie kan worden gesteld dat er met dit plan sprake is van een goede omgevingskwaliteit. De aanplant van extra groenstructuren draagt er aan bij dat de kwaliteit en kwantiteit van het leefgebied voor marterachtigen en steenuil niet achteruit gaat.

Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat met de ontwikkeling een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit kan worden gewaarborgd en dat daarmee sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 11 Juridische planbeschrijving

11.1 Algemeen

Sinds 1 januari 2024 heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege (hierna: omgevingsplan). In de fase direct na inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bestaande uit:

  • Voormalige bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen en exploitatieplannen;
  • Lokale verordeningen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan;
  • Bruidsschat;
  • Bijzondere ruimtelijke besluiten (zie artikel 4.6 Invoeringswet)

Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan. De voorgenomen ontwikkeling op de locatie Weg over 't Hontsveld 21 in Empe is in strijd met het tijdelijke deel van het Omgevingsplan (i.c. het bestemmingsplan 'Buitengebied 2008'). Het omgevingsplan moet daarom gewijzigd worden.

Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan.

Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22n van het omgevingsplan.

Regels

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken.

  • Hoofdstuk 1 - Inleidende regels

Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan de Weg over 't Hontsveld 21 in Empe (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen.

  • Hoofdstuk 2: Functies en gebiedsaanwijzingen

Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Voor het TAM-omgevingsplan is zoveel mogelijk aangesloten bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten (voorheen de bestemmingen) uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan ('Buitengebied 2008'). Ook de gebiedsaanwijzingen (voorheen gebiedsaanduidingen) zijn in dit hoofdstuk opgenomen. De bestemmingsregels zijn wel zodanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet.

  • Hoofdstuk 3: Algemene regels voor activiteiten

In dit hoofdstuk zijn algemene bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld de aanwijzing voor verboden gebruik en de aanvraagvereisten.

  • Hoofdstuk 4: Overgangsregels

De overgangsbepalingen voorzien er in dat de bestaande situatie mag blijven bestaan zolang de nieuwe ontwikkeling nog niet is gerealiseerd.

Verbeelding

De verbeelding is een digitale kaart, waarop functies, gebiedsaanwijzingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.

Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.

11.2 Wijze van regelen

Met voorliggend TAM-omgevingsplan is aangesloten bij de plansystematiek van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2008', maar wel geformuleerd in de terminologie van de Omgevingswet. Wat voorheen 'bestemmingen' waren zijn nu 'functies'. Voorliggend plan bevat de volgende functies:

  • Wonen: deze functie omvat de woningen, erf en tuin. Ook de B&B ligt binnen de functie Wonen, aangezien een B&B een activiteit is die bij een woning hoort. Op de verbeelding is aangegeven dat er binnen het bouwvlak 2 wooneenheden zijn toegestaan.
  • Recreatie: dit omvat het kampeerterrein. Er is een bouwvlak opgenomen waarbinnen de twee bestaande gebouwen liggen. Deze staan ten dienste van de camping. Met een maatvoeringssymbool zijn de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte en het maximaal bebouwd oppervlak aangegeven. In de regels is opgenomen dat de camping maximaal 24 standplaatsen mag hebben. Middels een voorwaardelijke verplichting is geborgd dat de aanleg van vijf nieuwe kampeerplekken alleen is toegestaan als daartoe ook de landschappelijke inpassingsmaatregelen worden getroffen zoals deze in Bijlage 1 bij de regels zijn opgenomen.
  • Agrarisch: deze functie ligt op het oostelijk deel van het plangebied. Voor een deel betreft dit gronden die in het vorige bestemmingsplan binnen het agrarisch bouwvlak lagen en om die reden in dit plan zijn meegenomen (bouwvlak vervalt). Voor de overzichtelijkheid is in dit plangebied het gehele agrarische perceel opgenomen. Binnen de functie Agrarisch is een aanduiding voor het parkeerterrein opgenomen, met een relatieteken is aangegeven dat deze ten dienste staat van de camping. De toegestane aanlegactiviteiten zijn gebaseerd op de landschappelijke elementen die binnen het 'ontginningengebied' mogelijk zijn (conform het 'Paraplubestemmingsplan landschapselementen buitengebied'.

Hoofdstuk 12 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

Behalve de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient ook ingegaan te worden op de aspecten participatie en kostenverhaal. In dit hoofdstuk worden deze aspecten behandeld om te kunnen beoordelen of het plan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.

12.1 Participatie

De iniitatiefnemers (de vier toekomstige bewoners) hebben zich in september 2025 in een brief voorgesteld aan de omwonenden in de buurt en hun plan toegelicht om de woonboerderij te splitsen in twee wooneenheden en de camping voort te zetten, met de uitbreiding van enkele kampeerplekken. Deze brief is met de erfinrichtingstekening verspreid bij 8 naaste buren aan de Weg over 't Hontsveld en de Hommelstraat.

Naar aanleiding van de brief is met een aantal omwonenden gesproken. Een omwonende was bezorgd over het zicht op de nieuwe tentplekken en het mogelijke tekort aan parkeerplekken dat met de uitbreiding zou kunnen ontstaan. Initiatiefnemers hebben deze zorg kunnen wegnemen door de uitleg dat er ook beplanting wordt aangelegd en dat er voldoende parkeerruimte aanwezig is.

Van overige buren is geen reactie ontvangen dan wel hebben zij aangegeven geen problemen met het plan te hebben.

12.2 Inzage ontwerp

Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft van 16 december 2025 tot en met 26 januari 2026 voor een termijn van 6 weken ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is geen enkele zienswijze op het ontwerp TAM-omgevingsplan ontvangen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er geen bedenkingen zijn tegen het plan.

12.3 Kostenverhaal

Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt een anterieure privaatrechtelijke overeenkomst over kostenverhaal gesloten. Het privaatrechtelijk kostenverhaal is geregeld in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Daarnaast wordt er in een overeenkomst nadeelcompensatie vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de eventuele nadeelcompensatie.

Voor voorliggend plan geldt dat de gemeente geen investeringen hoeft te doen.