direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weg over 't Hontsveld 21 Empe
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0213.TAMBG7006-va01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan beoogt de planologische regeling van twee woningen met B&B en een minicamping op de locatie 'Weg over 't Hontsveld 21 in Empe'. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Brummen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22n van het omgevingsplan van de gemeente Brummen.

In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22n' gelezen worden.

De bijlagen bij de in deze voorziening weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als onderdeel van Bijlage 22n bij het omgevingsplan van de gemeente Brummen.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan
  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid, met uitzondering van de regels uit de volgende plannen:
    • a. het 'Paraplubestemmingsplan Parkeren' zoals vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 18-10-2018 met kenmerk NL.IMRO.0213.BPBREEPPARK10000-VA01;
    • b. het 'Paraplubestemmingsplan Archeologie' zoals vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 15-10-2020 met kenmerk NL.IMRO.0213.BPBREEPARCH20000-va01;
    • c. het bestemmingsplan 'Beschermingszone bestrijdingsmiddelen', zoals vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 25-10-2012 met kenmerk NL.IMRO.0213.BPBG700010-va01;
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Weg over 't Hontsveld 21 in Empe waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0213.TAMBG7006-va01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl en https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/zoeken/locatie.

Artikel 2 Begripsbepalingen

  • 1. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
  • 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend op het bepaalde in het eerste lid de volgende begripsbepalingen:
2.1 plan:

het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weg over 't Hontsveld 21 Empe met identificatienummer NL.IMRO.0213.TAMBG7006-va01 van de gemeente Brummen.

2.2 omgevingsplan:

het omgevingsplan van de gemeente Brummen;

2.3 aan huis gebonden bedrijf:

bedrijfsmatige activiteit voorkomend in milieucategorie 1 of 2, dan wel een naar aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, zoals een kapsalon, schoonheidssalon of bed and breakfast; evenwel met uitzondering van een seksinrichting;

2.4 aan huis gebonden beroep:

een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling of uitwerking heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is, zoals arts, notaris of advocaat; evenwel met uitzondering van prostitutie;

2.5 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

2.6 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

2.7 agrarische doeleinden:

doeleinden die gericht zijn op het bedrijfsmatig en/of hobbymatig voortbrengen van producten door middel van het houden van dieren en/of het telen van gewassen;

2.8 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

2.9 bed and breakfast:

een bedrijfsmatige activiteit gericht op het aanbieden van een recreatief nachtverblijf in de vorm van logies met ontbijt binnen de bestaande (dienst)woning en/of al dan niet daaraan verbonden bijbehorend bouwwerk. Het recreatief nachtverblijf is een van de (dienst)woning afhankelijk nachtverblijf zonder eigen kookvoorziening;

2.10 bestaand:
  • bij bebouwing: bebouwing zoals aanwezig op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;
  • bij gebruik: gebruik zoals aanwezig op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan;
2.11 bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

2.12 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

2.13 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

2.14 bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke hoogte of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen binnenwerks is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van zolder en kelder;

2.15 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar horende bebouwing is toegelaten;

2.16 bouwperceelsgrens:

een grens van een bouwperceel;

2.17 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

2.18 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

2.19 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending, anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

2.20 erfbeplanting:

beplanting ter plaatse van een erf, waaronder in ieder geval een houtsingel, hoogstamfruitboomgaard, hagen en solitaire bomen worden verstaan;

2.21 functie:

doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan, is toegestaan;

2.22 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk (2 of meer) met wanden omsloten ruimte vormt;

2.23 geurgevoelig object van categorie A:

een woning, school, ziekenhuis of een vergelijkbaar geurgevoelig object, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent, of op een daarmee vergelijkbare wijze, wordt gebruikt, niet zijnde een bedrijf, kantoor of vergelijkbaar object;

2.24 geriefhoutbosje:

een bosje dat voornamelijk uit één boomsoort bestaat, zoals eik, es, wilg of els, en groter is dan 500 m2;

2.25 hobbymatig agrarisch grondgebruik:

het uit liefhebberij/vrijetijdsbesteding telen van gewassen en/of houden van dieren en het onderhouden van gronden waarbij de omvang van de activiteit niet meer bedraagt dan 12 SO;

2.26 hobbymatige basis houden van dieren:

het houden van dieren die niet voor productie of economisch gewin worden gehouden, maar voor educatieve of recreatieve doeleinden of uit liefhebberij;

2.27 hoofdgebouw:

een gebouw dat op een bouwperceel door zijn architectonische verschijningsvorm en functie als het belangrijkste gebouw valt aan te merken;

2.28 houtsingel:

een brede landschappelijke afscheiding, vaak tussen weilanden, die bestaat uit bomen en struiken. Een houtsingel is een lijnvormig landschapselement van 4 tot maximaal 20 meter breed. Houtsingels lijken veel op houtwallen. Bij een houtwal is er sprake van een opgeworpen wal, waar de beplanting op staat en bestaat uit de beplantingssoorten:

  • Boomvormers: Quercus robur (Zomereik), Betula pendula (Ruwe berk) en Sorbus aucuparia (Wilde lijsterbes) en;
  • Struikvormers: Crataegus monogyna (Eenstijlige meidoorn), Acer campestre (Veldesdoorn), Viburnum opulus (Gelderse roos), Rosa canina (Hondsroos), Corylus avellana (Gewone hazelaar), Rhamnus frangula (Vuilboom), Ilex aquifolium (Gewone hulst), Vogelkers (Prunus Padus);
  • Incidenteel: Prunus avium (Zoetekers), Malus sylvestris (Wilde appel), Tilia x europea (Hollandse linde).
2.29 huishouden:

bewoning door één persoon of vaste groep van personen die voor onbepaalde tijd een economisch- consumptieve eenheid vormt, waarbij sprake is van bloedverwantschap, huwelijksbinding of een daaraan in intensiteit en continuïteit gelijk te stellen mate van onderlinge verbondenheid;

2.30 knip- en scheerheg:

een lijnvormig landschapselement langs kavelgrenzen (niet op of langs het woonerf), met aaneengesloten begroeiing van inheemse struiken (zoals eenstijlige meidoorn, veldesdoorn en sleedoorn), dat regelmatig wordt geknipt of geschoren;

2.31 laanstructuur:

een ruimtelijk patroon van bomen die aan weerszijden van een weg of pad zijn geplant met een min of meer aaneengesloten rijbeplanting;

2.32 minicamping:

een terrein met daarbij behorende voorzieningen, zonder jaarstandplaatsen, ter beschikking gesteld voor het houden van maximaal 24 mobiele kampeermiddelen;

2.33 mobiele kampeermiddelen:

een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan (geen stacaravan zijnde), die uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar gebruikt wordt uitsluitend voor recreatieve doeleinden;

2.34 overkapping:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, omsloten door maximaal één wand en voorzien van een gesloten dak;

2.35 peil:
  • a. voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang.
  • b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld.
  • c. voor een bouwwerk ten behoeve van spoorwegdoeleinden: de bovenkant van de spoorstaaf.
2.36 perceelsgrens:

een grenslijn tussen bouwpercelen onderling;

2.37 singel:

een bomenrij, bestaande uit elzen (zwarte els) en/of wilgen (schietwilg), vaak op een slootkant;

2.38 stacaravan:

een caravan of soortgelijk onderkomen op wielen, dat mede, gelet op de afmetingen, niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen over grote afstanden als een aanhangsel van een auto te worden voortbewogen;

2.39 standplaats:

een gedeelte van een kampeerterrein aangewezen voor één kampeermiddel inclusief daarbij behorende ondergeschikte kampeermiddelen zoals een bijzettent;

2.40 struweelhaag:

een lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige, struiken, die vrij uit mogen groeien, zoals eenstijlige meidoorn, sleedoorn en hondsroos;

2.41 verbeelding:

de verbeelding van TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weg over 't Hontsveld 21 Empe bestaande uit de geometrische bepaalde planobjecten vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0213.TAMBG7006-va01 van de gemeente Brummen;

2.42 verblijfsrecreatie:

het verblijf voor recreatieve doeleinden buiten het hoofdverblijf waarbij ten minste een nacht wordt doorgebracht met uitzondering van overnachtingen bij familie en kennissen. Hieronder worden onder andere verstaan een camping.

2.43 vloeroppervlakte:

de oppervlakte, gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen;

2.44 vogelbosje:

een bosje dat voornamelijk uit (besdragende) struiken (zoals meidoorn, Gelderse roos en lijsterbes) bestaat en is niet groter is dan 500 m2;

2.45 voorgevellijn:

de lijn waarin de voorgevel van een hoofdgebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan;

2.46 voorgevelrooilijn:

de naar de openbare weg gekeerde grens van het bouwvlak, of indien het een bouwvlak betreft met meer dan één naar de weg gekeerde grenzen, die grens die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt;

2.47 wet/wettelijke regeling:

indien en voor zover in deze voorschriften wordt verwezen naar wettelijke regelingen c.q. verordeningen e.d., dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan, tenzij anders bepaald;

2.48 woning/wooneenheid:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één huishouden.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van dit hoofdstuk wordt als volgt gemeten:

3.1 afstand tot de zijdelingse perceelsgrens:

de kortste afstand van het gebouw of bouwwerk geen gebouw zijnde tot de zijdelingse perceelsgrens.

3.2 bebouwd oppervlak van een bouwperceel:

de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken samen.

3.3 bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.4 breedte, diepte c.q. lengte van gebouwen:

tussen de buitenwerkse (hoofd)gevelvlakken en/of harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren.

3.5 dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

3.6 goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Bij toepassing van het meten van de goothoogte van een bouwwerk worden wolfseinden, dakkapellen en andere plaatselijke verhogingen van de goot buiten beschouwing gelaten, behoudens dakkapellen en andere gootverhogingen waarvan de gezamenlijke breedte meer bedraagt dan 30% van de breedte van het betreffende dakvlak. De goothoogte wordt dan gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot van de dakkapel of hoogst gelegen goot;

3.7 inhoud van een gebouw:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.8 oppervlakte van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde:
  • voor gebouwen: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren en/of het overkapte gedeelte, neerwaarts geprojecteerd tot op peil;
  • voor bouwwerken zonder wanden (open overkappingen en daarmee vergelijkbare bouwwerken geen gebouwen zijnde): het overdekte en/of bebouwde grondoppervlak (gemeten loodrecht onder het dakoppervlak en/of bouwwerk).
3.9 uitzonderingen bij wijze van meten

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits bouwonderdelen niet meer dan 1,5 meter buiten gevels en daken uitsteken.

Hoofdstuk 2 Functies en gebiedsaanwijzingen

Artikel 4 Agrarisch - Agrarisch met landschapswaarden

4.1 Functieomschrijving

Gronden binnen de functie 'Agrarisch - Agrarisch met landschapswaarden' mogen worden benut voor:

  • a. agrarische doeleinden, en het behoud, beheer en/of herstel van de landschappelijke, aardwetenschappelijke en ecologische waarden

met daaraan ondergeschikt;

  • b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • c. een parkeerterrein, uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding 'parkeerterrein' zoals op de verbeelding weergegeven.
4.2 Beoordelingsregels
4.2.1 Toepassingsbereik

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden de in artikel 4.2 opgenomen beoordelingsregels.

4.2.2 Bouwwerken, geen hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk zijnde

Voor bouwwerken, geen hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk zijnde geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,25 meter.

4.3 Toegestane gebruiksactiviteiten
4.3.1 Toegestaan gebruik

Het is toegestaan om de gronden binnen deze functie te gebruiken voor:

  • a. agrarische doeleinden;
  • b. het behoud, beheer en/of herstel van de landschappelijke, aardwetenschappelijke en ecologische waarden;

met daaraan ondergeschikt;

  • c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • d. parkeren ter plaatse van de functieaanduiding 'parkeerterrein', welke op de verbeelding door middel van de figuur 'relatie' is gekoppeld aan de functie 'Recreatie' en bedoeld is als parkeerterrein ten dienste van de recreatieve functie.

4.3.2 Toegestane aanlegactiviteiten

Binnen deze functie is het toegestaan om de volgende landschapselementen aan te leggen:

  • a. laanstructuren langs wegen;
  • b. houtsingels;
  • c. singels;
  • d. vogelbosjes;
  • e. geriefhoutbosjes;
  • f. struweelhagen;
  • g. knip- en scheerheggen;
  • h. erfbeplanting.
4.4 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
4.4.1 Vellen van bomen, hakhout en andere houtopstanden

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bomen, hakhout en andere houtopstanden te vellen en/of rooien dan wel andere handelingen uit te voeren die de dood of beschadiging van de beplanting ten gevolge kunnen hebben op de gronden binnen deze functie.

4.4.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.4.1 kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft, noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun functie;
  • b. geen significante aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van de gronden.

4.4.3 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag omgevingsvergunning toont de aanvrager de noodzaak van het uitvoeren van de werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden aan op basis van een onderzoek door een ter zake deskundige partij waarbij tevens de mogelijke significante (nadelige) gevolgen voor de cultuurhistorische, landschappelijke, ecologische waarden en de waterhuishoudkundige kwaliteiten in beeld zijn gebracht.

Artikel 5 Recreatie

5.1 Functieomschrijving

Gronden binnen de functie 'Recreatie' mogen worden benut voor:

  • a. verblijfsrecreatie in de vorm van een minicamping met maximaal 24 standplaatsen:

met daaraan ondergeschikt:

  • b. het behoud, beheer en/of herstel van de landschappelijke, aardwetenschappelijke en ecologische waarden;
  • c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
5.2 Beoordelingsregels
5.2.1 Toepassingsbereik

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden de in artikel 5.2 opgenomen beoordelingsregels.

5.2.2 Hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouw van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken is uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan;
  • b. de maximaal toegestane gezamenlijke oppervlakte van de hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken is met een maatvoeringssymbool op de verbeelding aangegeven;
  • c. de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken bedraagt niet meer dan op de verbeelding met een maatvoeringssymbool is aangegeven;
  • d. ingeval de bestaande goothoogte, bouwhoogte en het gezamenlijk oppervlak van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken hoger of groter zijn dan de in de vorige leden genoemde maten, gelden deze als maximum.

5.2.3 Bouwwerken, geen hoofdgebouw of bijbehorende bouwwerk zijnde

Voor bouwwerken, geen gebouw zijnde geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,25 meter.

5.3 Toegestane gebruiksactiviteiten
5.3.1 Toegestaan gebruik van de gronden

Het is toegestaan om de gronden binnen deze functie te gebruiken voor:

  • a. recreatief gebruik in de vorm van een minicamping met maximaal 24 standplaatsen;
  • b. het behoud, beheer en/of herstel van de landschappelijke, aardwetenschappelijke en ecologische waarden;
  • c. de uitvoering van maatregelen conform het Landschappelijk inpassingsplan evenals het plegen van noodzakelijk onderhoud voor de duurzame instandhouding ervan zoals bepaald in artikel 5.4;

met daaraan ondergeschikt;

  • d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • e. een jeu de boulesbaan.

5.3.2 Toegestaan gebruik van de gebouwen

Het is toegestaan om de gebouwen binnen deze functie te gebruiken voor:

  • a. gemeenschappelijke voorzieningen voor de minicamping, zoals sanitair, elektra, drinkwater, recreatie-/speelruimte, fietsenstalling, algemene opslag;
  • b. stalling en opslag ten behoeve van het beheer van het terrein.

5.3.3 Toegestane aanlegactiviteiten

Binnen deze functie is het toegestaan om de volgende landschapselementen aan te leggen:

  • a. laanstructuren langs wegen;
  • b. houtsingels;
  • c. singels;
  • d. vogelbosjes;
  • e. geriefhoutbosjes;
  • f. struweelhagen;
  • g. knip- en scheerheggen
  • h. erfbeplanting.
5.4 Gebruiksactiviteit - voorwaardelijke verplichting
5.4.1 Landschappelijke inpassing
  • a. Het gebruik van de kampeerplaatsen 20 t/m 24 gelegen binnen de op de verbeelding aangegeven gebiedsaanwijzing 'overige zone - voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing' is enkel toegestaan onder de voorwaarde dat de maatregelen die als voorwaardelijk verplicht zijn opgenomen op blad 2 van het Landschappelijk inpassingsplan in Bijlage 1 zijn uitgevoerd en voor onbepaalde tijd in stand worden gehouden.
  • b. Bij omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag afwijken van het bepaalde onder 5.4.1 a voor een ander en/of gelijkwaardig inpassingsplan, als daartoe een gemotiveerd verzoek wordt ingediend, waarmee eveneens een zorgvuldige inpassing van de kampeerplaatsen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan worden bereikt.

Artikel 6 Wonen

6.1 Functieomschrijving

Gronden binnen de functie 'Wonen' mogen worden benut voor:

  • a. wonen in woningen, waarbij het maximale aantal woningen met een maatvoeringssymbool op de verbeelding is weergegeven,

met daaraan ondergeschikt:

  • b. erven voor onder andere tuinen en parkeervoorzieningen;
  • c. het uitoefenen van een aan-huis-gebonden beroep en bedrijf;
  • d. het op hobbymatige basis houden van dieren;
  • e. een toegangsweg voor een op het aangrenzende terreindeel toegestane minicamping.
6.2 Beoordelingsregels
6.2.1 Toepassingsbereik

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden de in artikel 6.2 opgenomen beoordelingsregels.

6.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouw van een hoofdgebouw is uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan;
  • b. het maximum aantal woningen is op de verbeelding met een maatvoeringssymbool aangegeven;
  • c. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd;
  • d. de oppervlakte per woning bedraagt minimaal 75 m²;
  • e. de goot- en bouwhoogte van een hoofdgebouw bedraagt niet meer dan respectievelijk 3 en 9 meter;
  • f. ingeval de bestaande goothoogte, bouwhoogte en oppervlak van een woning hoger of groter zijn dan de in de vorige leden genoemde maten, gelden deze als maximum.

6.2.3 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken mag voor beide woningen gezamenlijk maximaal 170 m2 bedragen;
  • b. indien de bouwmogelijkheden in het bouwvlak niet volledig zijn benut, mag het niet benutte deel van het bouwvlak voor het hoofdgebouw worden gebruikt voor de realisatie van bijbehorende bouwwerken zonder dat dit ten koste gaat van de onder a genoemde oppervlaktenorm van 170 m2;
  • c. de maximale goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedragen respectievelijk 3 en 6 meter;
  • d. voor overkappingen geldt dat de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3,5 meter.

6.2.4 Bouwwerken, geen hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk zijnde gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. bouwwerken geen hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak gebouwd worden;
  • b. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3 meter, met uitzondering van erfafscheidingen, waarvan de hoogte maximaal 2 meter mag bedragen, met dien verstande dat de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen voor zover gelegen voor (het verlengde van) de voorgevelrooilijn maximaal 1 meter mag bedragen.
6.3 Toegestane gebruiksactiviteiten
6.3.1 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten

Het is toegestaan om gronden binnen deze functie te gebruiken voor het wonen, met daaraan ondergeschikt:

  • a. erven voor onder andere tuinen en parkeervoorzieningen;
  • b. het uitoefenen van een aan huis gebonden beroep en bedrijf (waaronder een bed & breakfast), mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • 1. maximaal 50 m² van de oppervlakte van de bebouwing mag gebruikt worden voor een aan huis gebonden beroep of bedrijf;
    • 2. deze activiteiten geen aanzienlijk verkeersaantrekkende werking hebben.
  • c. het op hobbymatige basis houden van dieren;

Hoofdstuk 3 Algemene regels voor activiteiten

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Grond die in aanmerking genomen moet worden bij een verleende omgevingsvergunning mag, behoudens intrekking van die omgevingsvergunning, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning in aanmerking worden genomen.

Artikel 8 Planologische gebruiksactiviteiten

8.1 Aanwijzing verboden gebruik
  • a. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.
  • b. Het is verboden bouwwerken, voor het bouwen waarvan op grond van de in dit omgevingsplan besloten regels, bij een omgevingsvergunning is afgeweken, te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met het doel, waarvoor bij die omgevingsvergunning is afgeweken.

Artikel 9 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 10 Overgangsrecht

10.1 Overgangsrecht bouwwerken
10.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning of omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

10.1.2 Afwijken

Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het bepaalde in 10.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 10.1.1 met maximaal 10 %.

10.1.3 Uitzondering

Artikel 10.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd zijn met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

10.2 Overgangsrecht gebruik
10.2.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

10.2.2 Verbod

Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 10.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

10.2.3 Onderbroken gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in 10.2.1 na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

10.2.4 Uitzondering

Artikel 10.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.