direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Weg over 't Hontsveld 24 Empe
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0213.TAMBG7001-va01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Voorliggend TAM- omgevingsplan betreft de wijziging van de functie van de gronden ter plaatse van het agrarisch bedrijf aan de Weg over 't Hontsveld 24 in Empe, gemeente Brummen (hierna plangebied). Binnen het plangebied is een boerderijwoning aanwezig en enkele stallen die ten dienste hebben gestaan van de veehouderij. Met voorliggend TAM-omgevingsplan wordt met gebruik van de Rood voor Rood regeling een herontwikkeling van het agrarische erf naar een woonerf met twee reguliere woningen mogelijk gemaakt. De bestaande boerderijwoning blijft staan, de rest van de voormalig agrarische bebouwing wordt verwijderd. Op basis van het Rood voor Rood beleid van de gemeente Brummen wordt door de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing te slopen een bouwrecht voor een nieuwe vrijstaande woning verkregen.

Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in het gewenste juridisch-planologische kader en toont aan dat het voornemen in overeenstemming is met 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

1.2 Ligging van het plangebied

Het plangebied bestaat uit de volgende kadastrale percelen: gemeente Brummen, sectie K, nummers 913, 918 en 919. Afbeelding 1.1 laat de ligging van het plangebied zien. Het plangebied is links aangegeven met een rode ster en rechts met een rood kader. De exacte begrenzing van het plangebied staat op de verbeelding die hoort bij deze wijziging van het omgevingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMBG7001-va01_0001.png"  
Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied (Bron: openstreetmap.org)  

1.3 Huidig planologisch regime

1.3.1 Geldend omgevingsplan

Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. Ter plaatse bestaat het omgevingsplan van rechtswege uit de volgende documenten:

  • "Buitengebied 2008" (vastgesteld: 17 december 2009);
  • "Beschermingszone bestrijdingsmiddelen" (vastgesteld: 25 oktober 2012);
  • "Paraplubestemmingsplan Parkeren" (vastgesteld: 18 oktober 2018);
  • "Paraplubestemmingsplan Archeologie" (vastgesteld: 15 oktober 2020);
  • "Paraplubestemmingsplan bos-, natuur- en waterbestemmingen" (vastgesteld: 13 oktober 2022);
  • "Paraplubestemmingsplan landschapselementen buitengebied" (vastgesteld: 23 maart 2023);
  • "Omgevingsplan gemeente Brummen" (in werking vanaf 1 januari 2024).

Hierna wordt ingegaan op de regels van de geldende bestemmingsplannen. Omdat deze bestemmingsplannen zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan wordt nog gesproken over 'bestemmingen' in plaats van 'functies'.

Voor de verbeelding van het geldend planologisch regime is met name bestemmingsplan "Buitengebied 2008" en "Paraplubestemmingsplan Archeologie" relevant. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van deze bestemmingsplannen opgenomen. Het plangebied is met de rode omlijning indicatief aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMBG7001-va01_0002.png"  
Afbeelding 1.2: Geldend planologisch regime (Bron: Omgevingsloket)  

Hieronder worden de ter plaatse geldende functies en bestemmingen verder beschreven.

'Agrarisch met landschapswaarden'

De voor 'Agrarisch met landschapswaarden' aangewezen grond is met name bestemd voor agrarische doeleinden, agrarische bouwpercelen met bijbehorende erven alsmede het behoud, beheer en/of herstel van de landschappelijke, aardwetenschappelijke en ecologische waarden. Hieraan ondergeschikt zijn ook het uitoefenen van een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf en het op hobbymatige basis houden van dieren toegestaan.

Gebouwen mogen alleen binnen het bouwvlak worden gebouwd. Het bestaand aantal dienstwoningen geldt als maximum. Maximaal 50 m² van de oppervlakte van bebouwing mag worden gebruikt voor een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf mits deze activiteiten geen aanzienlijke verkeersaantrekkende werking hebben.

Ter plaatse van de aanduiding 'Beslotenheid/Houtopstanden' is vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en handelingen die de dood of beschadigingen tengevolge kunnen hebben verboden zonder aanlegvergunning.

'Bos'

De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn primair bestemd voor het behoud, herstel, ontwikkeling en bescherming van de aan natte omstandigheden gebonden landschapplijke en natuurlijke waarden, en daaraan ondergeschikt de houtproductie.

'Waarde - Archeologie laag'

De voor 'Waarde - Archeologie laag' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van archeologische waarden.Het is verboden om op of in de gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van bevoegd gezag bouwactiviteiten en/of heiwerkzaamheden uitvoeren met bodemingrepen op een grotere diepte dan 40 cm. Dit verbod geldt ook voor het bouwen van gebouwen met een oppervlakte van meer den 2.500 m2.

'Overige zone - landgoederenzone'

Bij het "Paraplubestemmingsplan landschapselementen buitengebied" is op het plangebied de aanduiding 'overige zone - landgoederenzone' van toepassing. Ter aanvulling op de regels die bij de agrarische bestemming gelden zijn diverse landschapselementen toegestaan. Voor de aanleg van deze landschapselementen is in afwijking van de regels uit bestemmingsplan "Buitengebied 2008" geen (omgevings)vergunning nodig.

1.3.2 Opheffen strijdigheid

In het plangebied is de bebouwing van een veehouderij aanwezig. De agrarische werkzaamheden van het bedrijf zijn beëindigd. Van een agrarisch bedrijf is geen sprake meer. Het woongebruik van de woning is daarmee niet langer in overeenstemming met de gebruiksregels van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2008', en daarmee het omgevingsplan. De initiatiefnemer heeft de gemeente middels een principeverzoek verzocht mee te werken aan een Rood voor Rood ontwikkeling. De gemeente heeft medewerking toegezegd aan een Rood voor Rood ontwikkeling waarin het agrarisch bedrijfsperceel wordt gesaneerd waarvoor ter compensatie een bouwrecht voor de bouw van een extra woning met bijgebouw aangeboden wordt. Om de nieuwe bouw en gebruiksmogelijkheden toe te voegen is een wijziging van het omgevingsplan benodigd. Dit gebeurd middels voorliggend TAM-omgevingsplan.

Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAM-omgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. Juridisch maakt het TAM-omgevingsplan deel uit van het omgevingsplan van de gemeente. Technisch is het dat niet, waardoor aanvullende (voorrangs)regels noodzakelijk zijn.

1.4 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in Hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en gewenste situatie van het plangebied. In Hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de bescherming van de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid beschreven. Hoofdstuk 5, 6 en 7 gaan achtereenvolgens in op de aspecten van de omgevingsveiligheid, het waterbelang en de bescherming van de gezondheid en het milieu. In Hoofdstuk 8 komt de bescherming van de natuur aan bod, waarna in Hoofdstuk 9 wordt ingegaan op de aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie'. Hoofdstuk 10 gaat in op de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Ten slotte wordt in Hoofdstuk 11 en Hoofdstuk 12 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan behandeld. Hierin wordt tevens ingegaan op de participatie.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Zoals eerder benoemd ligt het plangebied aan de Weg over 't Hontsveld 24 in Empe. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Brummen. In de omgeving van het plangebied komen meerdere (voormalige) agrarische erven voor. Het omliggende landschap bestaat uit voornamelijk agrarische cultuurgronden, onderbroken door houtsingels. Daarnaast zijn in het landschap verschillende bospercelen aanwezig.

Het plangebied bestaat uit een agrarische bedrijfswoning en bebouwing behorende bij de voormalige veehouderij. Dit betreffen twee sleufsilo's, twee veestallen een kapschuur en een bovengrondse mestsilo. Naast de woning is een paardenbak aanwezig. Deze zal behouden blijven en wordt onderdeel van de nieuwe erf situatie.

Afbeelding 2.1 toont een luchtfoto van het voormalig agrarische bedrijf, afbeelding 2.2 geeft de verschillende gebouwen die gesloopt worden weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMBG7001-va01_0003.png"  
Afbeelding 2.1 Luchtfoto van de huidige situatie van het plangebied (bron: PDOK)  

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMBG7001-va01_0004.png"  
Afbeelding 2.2 Overzicht erf en te slopen gebouwen (bron: H.A. Ten Have, Tuin- en landschapsadviseur)  

2.2 Het voornemen

Onderhavig plan betreft het realiseren van een nieuwe planologisch-juridische situatie middels een wijziging van het omgevingsplan. Deze procedure is benodigd om ter plaatse van het plangebied een agrarische bedrijfswoning om te zetten naar een reguliere woning, een woning te bouwen, nieuwe bijgebouwen te bouwen en het geheel landschappelijk in te passen. In voorliggend TAM-omgevingsplan wordt aangesloten op de bouw- en gebruiksregels behorende bij de functies 'Wonen', 'Agrarisch met landschapswaarden' en 'Bos' uit het paraplubestemmingsplan Bos-, natuur- en waterbestemmingen. Ten behoeve van een goede situering van de bebouwing worden bouwvlakken opgenomen en wordt de locatie van de bijgebouwen aangeduid met een functieaanduiding. Het landschappelijk inpassingsplan voorziet ten slotte in een passende inpassing van het nieuwe perceel in het landschap. Zo wordt voorzien in een nieuw bosperceel en wordt de woonfunctie omheind met groene hagen en beplanting. langs de paardenbak wordt een struweelhaag aangelegd. Verder worden op het erf een erfboom, hoogstam fruitbomen, een struikensingel en een drietal erfbosjes toegevoegd. Het plangebied behoud de huidige ontsluiting, via de bestaande oprit.

Het uitvoeren van de maatregelen uit het landschappelijk inpassingsplan uit Bijlage 1 is in de regels van voorliggend TAM-omgevingsplan opgenomen als voorwaardelijke verplichting.

2.3 Infrastructuur en openbare ruimte

2.3.1 Algemeen

Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behouden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het plangebied. Van het aanleggen of veranderen van openbare ruimte is geen sprake bij dit voornemen. Dit aspect wordt daarom verder buiten beschouwing gelaten.

2.3.2 Verkeer en parkeren

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren' opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen.

De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd:

  • Verstedelijkingsgraad: weinig stedelijk;
  • Stedelijke zone: buitengebied;
  • Functie: koop, huis, vrijstaand.

Verkeersgeneratie

Voor de verkeersgeneratie van het plangebied wordt uitgegaan van één nieuwe woning, naast de bestaande woning. Voor een vrijstaande woning wordt in de CROW publicatie aangehouden van 8,2 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. In de toekomstige situatie van het plangebied is er sprake van twee woningen. De woningen zullen samen 16,4 verkeersbewegingen op de Weg over 't Hontsveld ontsluiten. Deze weg is van ruim voldoende capaciteit om de verkeersbewegingen verkeersveilig te ontsluiten. Daarnaast kan worden opgemerkt dat het planvoornemen voorziet in het verwijderen van bebouwing die gebruikt werd ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Het komen te vervallen van de agrarische activiteiten en het verwijderen van de agrarische gebruiksactiviteit uit het omgevingsplan vormt een afname naar ratio van de verkeersbewegingen die voorheen ontstonden door de agrarische bedrijfsactiviteiten in vergelijking met de toekomstige woonfunctie.

Parkeren

In voorliggend plan wordt uitgegaan van het oplossen van de parkeerbehoefte van de woningen op het eigen terrein. Op basis van de bovenstaande uitgangspunten wordt een parkeerbehoefte van 2,4 auto's per woning verwacht. Op het eigen erf van de woningen is voldoende ruimte om in deze parkeerbehoefte te faciliteren.

2.3.3 Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het plan voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 3 Landschappelijke en stedenbouwkundige waarden

3.1 Wettelijk kader

In artikel 1.3 van de Omgevingswet is het voorzien in 'een goede omgevingskwaliteit' opgenomen in de centrale doelstelling. Dit duidt op het belang van aspecten als erfgoed, architectuur, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van de natuur en het landschap. De landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit maken daarom integraal onderdeel uit van de taak van overheden om in een omgevingsplan te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit zijn in afdeling 5.1.5 instructieregels opgesteld over:

  • Kustbescherming;
  • Waddenzee en Waddengebied;
  • Cultureel erfgoed en werelderfgoed;
  • Landelijke fiets- en wandelroutes;
  • Ladder voor duurzame verstedelijking;

De waardering van de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. Deze kunnen daarom worden benut binnen het ontwerp van een ruimtelijke ontwikkeling. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de bescherming van de ter plaatse van het plangebied en directe omgeving relevante landschappelijke en stedenbouwkundige waarden.

3.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

3.2.1 Algemeen

De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. De Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de toetsing aan de ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen:

  • de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling;
  • bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen het bestaande stedelijk gebied in de behoefte te voorzien zijn verkend.

Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en een 'stedelijke ontwikkeling'.

Bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.

Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen.

Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).

3.2.2 Toetsing van het voornemen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking

Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Op basis van onderstaande uitspraken blijkt dat er voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is.

  • 11 woningen geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921);
  • 12 woningen wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953).

Voor bedrijven is 'in beginsel' sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij de toevoeging van een gebouw van minimaal 500 m2 bruto vloeroppervlak (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724).

De woning aan de Weg over 't Hontsveld 24 ondergaat een functiewijziging naar een reguliere woning, daarnaast wordt een tweede woning toegevoegd als onderdeel van de Rood voor Rood ontwikkeling. Hiermee is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Naar ratio neemt de verharding en de bebouwing binnen het plangebied af als gevolg van de ontwikkeling.

Gelet op vorenstaande is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het plan voldoet daarmee aan de instructieregels uit artikel 5.129g van het Bkl.

3.3 Landschappelijke en/of stedenbouwkundige waarden

De gemeente Brummen heeft een biomorfologische kaart opgesteld van de gemeente. Op deze kaart is de gemeente verdeeld in 22 deelgebieden. Voor elk gebied zijn de landschapskenmerken en de waargenomen plant- en diersoorten beschreven. Het plangebied ligt in deelgebied 15: Landgoederen zone. Hieronder staan de landschapskenmerken van dit deelgebied.

Hoewel typische landschapselementen beduidend minder aanwezig zijn dan in de huidige landgoederenzone, zijn er toch diverse belangrijke elementen te vinden in het gebied. Oude houtwallen, bomenlanen en hier en daar een boomgaard kleden het verder vrij open gebied aan. Poelen liggen verspreid door het gebied en enkele beken stromen tussen de landbouwpercelen door richting de IJssel. Bebouwing bestaat hoofdzakelijk uit boerderijen, waarbij de inrichting van de boerenerven varieert van volledig ingericht op een bedrijfsfunctie, met geen of weinig ruimte voor groen, tot groene parels tussen de open landbouwgronden.

Toetsing van het initiatief

Voorliggend initiatief voorziet in het slopen van de landschapsontsierende agrarische bebouwing en het behoud van de kenmerkende boerderij. De boerderij is een wederopbouw boerderij, gebouwd in de wederopbouwperiode na de Tweede Wereldoorlog. Cultuurhistorisch is het belangrijk dat de boerderij behouden blijft. Met voorliggende ontwikkeling wordt de boerderij een nieuwe toekomst gegeven.

Het erf ligt in het kleinschalig hoeven- en kampenlandschap. Tot 1900 was dit een bosgebied. Vanaf 1900 heeft zich de kleinschalige melkveehouderij ontwikkeld en is het huidige landschap met bospercelen, houtwallen en weilanden ontstaan. Langs kavelgrenzen in het plangebied staan nog eikenbomen van het oude landschap. In de omgeving van het plangebied zijn ook nog kleine bospercelen aanwezig. Het geheel is een fraai coulisselandschap met een zeer hoge belevingswaarde.

Aansluitend op het bestaande landschap is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt voor de nieuwe situatie. Een groot deel van de huidige bestaande bomen en beplanting blijft behouden. Het landschap is van oudsher een kleinschalig landschap met akkers en bospercelen. De noordelijke percelen zijn langdurig in gebruik voor de landbouw. Dit blijft behouden waardoor het erf 'vrijliggend' blijft en openheid naar het omringende landschap behouden blijft. Enkel worden voor de ecologische verbindingen van de bospercelen twee houtsingels en twee solitaire bomen toegevoegd. Eveneens wordt het bestaande bosperceel aan de noordzijde van het erf vergroot. Er wordt 1.340 m2 bos toegevoegd. Aan dit nieuwe bos wordt tevens de functie 'Bos' toegevoegd.

Inpassing van het erf

Bij de situering van de nieuwe woning en twee schuren is zorgvuldig rekening gehouden met het behouden van de bestaande bomenrij en een solitaire kastanje boom. Eveneens is zorgvuldig rekening gehouden met het behouden en versterken van de kenmerkende boerderij en de regels omtrent een compacte erfopbouw. Door het behoud van de bomenrij en de solitaire kastanje kan niet volledig worden voldaan aan een regulier bestemmingsvlak met de functie 'Wonen' met een maximale oppervlakte van 1.500 m2. Voor het voornemen is een landschapsplan opgesteld waarin is gekomen tot een compacte erfindeling met bijbehorende bijgebouwen. Hiervoor zijn tevens gronden meegenomen die in de toekomstige situatie gebruikt kunnen worden als tuinen of erf. Aangezien rekening gehouden diende te worden met de bestaande boerderij, bestaande waardevolle groenstructuren en toekomstige bijgebouwen is gekomen tot voorliggende erfinrichting. Deze erfinrichting is doorvertaald naar een planverbeelding waarin de passende functies zijn opgenomen. Om te komen tot een kwalitatief goed plan waarbij nadrukkelijk rekening is gehouden met de landschappelijke en cultuurhistorische aspecten is gekozen voor een woonfunctie van circa 3.000 m2. Opgemerkt wordt dat dit uitgaat van beide percelen gezamenlijk.

Inpassing paardenbak

De bestaande paardenbak wordt landschappelijk ingepast door een struweelhaag aan de zuid- en noordzijde van de bak toe te voegen. Op het erf wordt een erfboom, hoogstam fruitbomen, een struiksingel en een drietal erfbosjes toegevoegd.

Ontsluiting van het erf

Het erf heeft een toegangsweg die ontsluit op de Weg over 't Hontsveld. Deze weg blijft behouden en wordt eveneens de ontsluiting voor de nieuwe woning.

Nieuwe gebouwen

Het nieuwbouw gedeelte van voorliggend project bestaat uit het realiseren van een woning op het achtererf met twee schuren. Onderstaande plattegronden en doorsneden geven een beeld van de volumes van de bestaande en de nieuwe gebouwen. In het erf- en landschapsplan zijn de nieuwe gebouwen gesitueerd. Een uitsnede van het landschappelijk inpassingsplan wordt weergeven in afbeelding 3.2. Het volledige landschappelijk inpassingsplan is toegevoegd aan de Bijlagen bij de motivering als Bijlage 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMBG7001-va01_0005.png"  
Afbeelding 3.1 Aanzicht voorgevel en linker zijgevel (Bron: Bueau BAS)  

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMBG7001-va01_0006.png"  
Afbeelding 3.2 Uitsnede van het landschappelijk inpassingsplan (Bron: H.A.Ten Have Tuin- en landschapsadviseur)  

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties.

Toetsing

Voorliggend initiatief betreft een plan waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit TAM-omgevingsplan opgenomen herziening van het omgevingsplan.

4.1.2 Instructieregel Rijk (AMvB's)
4.1.2.1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels voor een omgevingsplan. Het grootste deel heeft betrekking op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afdeling 5.1 Bkl). Deze instructieregels zijn van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet. Aan deze regels mogen geen economische motieven ten grondslag liggen, die leiden tot strijd met de dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl).

Het Bkl bevat instructieregels voor de volgende hoofdonderwerpen:

  • Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2);
  • Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3);
  • Beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
  • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
  • Het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
  • Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën;
  • Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kan het college van burgemeester en wethouders de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.

Toetsing

In voorliggend plan wordt ingegaan op de bovengenoemde instructieregels in de volgende paragrafen:

  • waarborgen van veiligheid: Hoofdstuk 5;
  • beschermen van waterbelangen: Hoofdstuk 6;
  • wat betreft het aspect gezondheid en milieu worden de volgende onderdelen afgewogen: kwaliteit buitenlucht (7.3), trillingen (7.5), geluid (7.1), geur (7.4) en bodemkwaliteit (7.2);
  • beschermen van de landschappelijke en/of stedenbouwkundige waarden en het cultureel erfgoed (Hoofdstuk 9), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (3.2).

Geconcludeerd kan worden dat in de volgende paragrafen van deze motivering aangesloten wordt bij de uitgangspunten van het Bkl.

4.1.3 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling past binnen de kaders van het Rijksbeleid. Vanuit relevante beleidsdocumenten en regelgeving werken geen randvoorwaarden of uitgangspunten rechtstreeks door op het voorgenomen plan.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Omgevingsvisie
4.2.1.1 Algemeen

De omgevingsvisie gaat over ‘Gaaf Gelderland’. ‘Gaaf’ is een woord met twee betekenissen. ‘Gaaf’ betekent ‘mooi’ en gaat over wat historisch en landschappelijk gezien heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard! Maar ‘Gaaf’ verwijst ook naar dat wat ‘cool’ en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard! Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie. In de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' is benoemd wat voor de provincie van waarde is en wat moet worden beschermd. Daarnaast geeft de provincie richting aan wat ze willen en ook moeten veranderen en ontwikkelen.

In de visie staan de volgende begrippen centraal: gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Met gezond en veilig worden een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna gestimuleerd. Daarmee bereidt de provincie zich voor op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. Om deze doelen te bereiken moet met name aandacht worden besteed aan verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.

Met schoon en welvarend worden een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen gestimuleerd. Daarmee bereidt de provincie zich voor op het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. Om deze doelen te bereiken moet met name aandacht worden besteed aan het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.

4.2.1.2 Situatie plangebied

Met de realisatie van voorliggend initiatief wordt een duurzaam vervolg gegeven aan de gronden van een voormalig agrarisch bedrijf. Door de verouderde bedrijfsgebouwen te slopen en het erf te herstructureren met oog voor het landschap en de cultuurhistorische waarden wordt niet alleen verharding verwijderd uit het buitengebied maar wordt ook een kwaliteitsimpuls gegeven aan het perceel, en daarmee tevens het omliggende landschap. Het initiatief vindt hiermee aansluiting bij de provinciale omgevingsvisie op het gebied van het behoud van historische en landschappelijke waarden.

Door de inspanning die wordt geleverd ten behoeve van de landschappelijke inpassing kan de provincie medewerking verlenen aan voorliggend initiatief.

4.2.1.3 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie

Het voornemen vindt aansluiting bij de uitgangspunten zoals verwoord in de omgevingsvisie. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de provinciale omgevingsvisie.

4.2.2 Omgevingsverordening
4.2.2.1 Algemeen

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Gelderland.

De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied.

4.2.2.2 Situatie plangebied

Op het plangebied zijn de volgende gebiedsaanwijzingen van toepassing: 'Gelderse streek IJsselvallei', 'glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied', 'nationale landschappen' en 'werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland'. Gelet op het voornemen zijn met name de regels voor 'Nationaal landschap', 'Gelderse streek IJsselvallei' en 'Oude Bosgroeiplaats' relevant. Het gaat om artikel 5.33, 5.82 en 7.27.

Artikel 5.33 - Beschermen landschap algemeen: Nationale landschappen
Als een omgevingsplan een activiteit of ontwikkeling toelaat, bevat de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten, in het bijzonder de nationale landschappen.

Als een activiteit of ontwikkeling leidt tot een aantasting van de kernkwaliteiten, laat het omgevingsplan die alleen toe als uit de toelichting op het omgevingsplan blijkt dat:
a. per saldo sprake is van versterking van het landschap in lijn met de ontwikkeldoelen, bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap die in de betreffende Gelderse streek van toepassing zijn; en
b. de versterking en de uitvoering hiervan worden vastgelegd.  

Artikel 5.38 - Beschermen landschap Gelderse streken: IJsselvallei
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek IJsselvallei
wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde
kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en
ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek IJsselvallei.  

Artikel 7.27 - beoordelingsregel maatwerkvoorschrift herbeplanting op andere grond
Gedeputeerde Staten staan herbeplanting op andere grond niet toe als:
g. de gevelde of tenietgegane houtopstand op een locatie stond waar:
1. een oude bosgroeiplaats ligt; en
2. het landgebruik sinds 1832 zonder onderbrekingen uit bos heeft bestaan.  

Voor de beschrijving van de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap wordt verwezen naar de bijbehorende bijlage uit de Omgevingsverordening Gelderland.

4.2.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsverordening

Zoals eerder beschreven vindt er als gevolg van dit plan een substantiële bijdrage aan de omliggende landschappelijke waarden plaats. Zo wordt het bestaande oppervlakte aan bos uitgebreid met 1.340 m2. De bestaande bomenrij binnen het plangebied blijft behouden en wordt verder aangevuld. Daarnaast wordt een verdere bijdrage geleverd aan de natuurwaarden en het versterken van de biodiversiteit door het nieuw te vormen erf aanvullende beplanting toe te voegen die gebiedseigen is en past bij de structuur van het coulisselandschap.

Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de provinciale omgevingsverordening.

4.2.3 Conclusie toetsing aan het provinciale beleid

Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland.

4.3 Regionaal beleid

4.3.1 Regionale structuurvisie Stedendriehoek 2030
4.3.1.1 Algemeen

De gemeente Brummen heeft samen met gemeente Apeldoorn, Deventer, Lochem, Voorst en Zutphen de Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030 (RSS 2030) opgesteld. Het is op 26 november 2009 vastgesteld door de gemeenteraad van Brummen. Met de visie geeft de regio op lange termijn gezamenlijk sturing aan ruimtelijke ontwikkelingen in het bundelingsgebied, met als doel meerwaarde te creëren. Zorgvuldig ruimtegebruik, toename aan ruimtelijke kwaliteit en economische ontplooiing staan hierin centraal. De regio Stedendriehoek heeft vijf strategische keuzes benoemd. Dit zijn:

  • Duurzaam waterbeheer als basis voor ruimtelijke ontwikkeling;
  • Natuur, landschap en landbouw ontwikkelen in functiecombinaties;
  • Regionale bereikbaarheid verbeteren door hoogwaardig openbaar vervoer;
  • Stedelijke herstructurering gaat boven nieuwe stadsuitbreidingen;
  • Toevoegen van centrumstedelijke en landelijke woonmilieus.

Opgaven behorend tot deze strategische keuzes zijn onder meer: (landschappelijke) identiteit verder ontwikkelen en streven naar duurzaam waterbeheer. In de visie is tevens ingegaan op de toenemende ruimtevraag voor wonen en werken. De Stedendriehoek verwacht een toenemende behoefte naar woningen. Daarin richt zij zich voornamelijk op de regionale woningbehoefte en een diversiteit aan woonmilieus. Voor de periode 2014-2029 gaat de regio uit van 18.100- 21.400 nieuwbouwwoningen. Voor de uitbreiding van de wooncapaciteit binnen de regio wordt nadrukkelijk gekozen voor een bundeling van verstedelijking met daarbij de nadruk op binnenstedelijke (her)ontwikkeling. Nieuwe woningen sluiten aan op de regionale vraag en dragen bij aan het vergroten van keuzevrijheid.

4.3.1.2 Toetsing van het initiatief aan de regionale structuurvisie

Voorliggend initiatief voorziet in het vitaal gebruik van het buitengebied en in een bijdrage aan de waarde van het plangebied voor de plaatselijke natuurlijke waarden en biodiversiteit. Doordat verouderde agrarische bebouwing plaats maakt voor een woning en een bijgebouw voorziet de voorgenomen ontwikkeling niet in stadsuitbreiding, maar in het toevoegen van een enkele woning. Met de ontwikkeling wordt voorzien in een kleine bijdrage aan de regionale woningbehoefte.

4.3.2 Regionale woonagenda
4.3.2.1 Algemeen

In de Gelderse Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening is voor het provinciale woonbeleid opgenomen dat de regiogemeenten in Gelderland als onderdeel van de regionale woonagenda komen tot afspraken over de kwantitatieve opgave voor woningbouwprogrammering. In 2018 heeft de Cleantech regio (Apeldoorn, Brummen, Deventer, Epe, Heerde, Lochem, Voorst en Zutphen) in samenwerking met de provincies Gelderland en Overijssel de Woonagenda Cleantech Regio 2018-2023 opgesteld. In 2020 heeft met een addendum een evaluatie en herijking van deze woonagenda plaatsgevonden.

De Woonagenda Cleantech Regio richt zich op drie thema's:

  • Sterke steden, dynamische kernen en een vitaal platteland;
  • Huisvesting arbeidsmigranten;
  • Betaalbaar bouwen.

De thema's Wonen & Zorg en Verduurzaming uit de voormalige woonagenda hebben een plek gekregen in samenwerking van de Cleantech regio en de transformatieagenda.

4.3.2.2 Toetsing van het initiatief aan de regionale woonagenda

Voorliggend initiatief past binnen de ambities van de regionale woonagenda. Het voornemen levert een beperkte bijdrage aan de leefbaarheid en de kleine voorzieningen in het landelijk gebied, zonder te voorzien in een stedelijke ontwikkeling. Met de inspanningen uit het landschappelijk inpassingsplan heeft de ontwikkeling een goede balans tussen het bevorderen van de landschappelijke waarden en wonen. De nieuwe woning wordt gebouwd binnen de kaders van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en voorziet daarmee in de ambities ten aanzien van verduurzaming van de woningvoorraad.

4.3.3 Conclusie regionaal beleid

Voorliggend initiatief past binnen de uitgangspunten ambities en doelstellingen van het regionaal beleid van de Cleantech Regio (Stedendriehoek).

4.4 Gemeentelijk beleid

4.4.1 Toekomstvisie Brummen 2030
4.4.1.1 Algemeen

De toekomstvisie maakt heldere keuzes voor de toekomst van Brummen en geeft daarmee een duidelijke koers aan richting 2030. De visie geeft richting aan de strategie, het beleid en de plannen die de komende vijftien jaar worden gemaakt. Het is een inspiratiekader, dat laat zien wat en wie Brummen wil zijn in 2030. Het is geen opsomming van beleidskeuzes voor de komende vijftien jaar. De richting is duidelijk. Hoe de gemeente daar komt, wordt de komende jaren ingekleurd door de gemeentelijke politiek, de gemeentelijke organisatie en de inwoners en ondernemers van Brummen.

4.4.1.2 Buitengebied versterken door vernieuwing

De omgeving van Brummen bestaat uit een veelzijdig landschap dat voorzien van veel groen, natuur en landgoederen. Een voorbeeld zijn de Natura 2000-gebieden en ecologische verbindingszones. De gemeente hecht veel waarde aan deze kernkwaliteiten en wil deze dan ook behouden en versterken. Er wordt ruimte gegeven aan initiatieven die bijdragen aan de plattelandsstructuur, landschappelijke- en natuurwaarden.

4.4.1.3 Flexibel en toekomstgericht bouwen

Gemeente Brummen zet in op flexibel bouwen, een gevarieerder woningaanbod en meer levensloopbestendige woningen. Nieuwe woningen worden gebouwd met oog op het toekomstige gebruik, zodat mensen voor een langere duur in dezelfde omgeving kunnen blijven wonen. De gemeente staat open voor woonvormen waarbij meerdere generaties bij elkaar wonen, zoals grootouders en kinderen.

4.4.1.4 Klimaatneutraal Brummen

De 'voetafdruk' van de gemeente Brummen is de afgelopen eeuwen toegenomen door onder meer het gebruik van grondstoffen en de uitstoot van CO2. Brummen stuurt aan op het verkleinen van deze voetafdruk. Een van de methoden is door alle verbruikte energie duurzaam op te wekken binnen de gemeentegrenzen. De gemeente zet onder meer in op nieuwe technieken van energieopwekking en energie neutraal bouwen. De tweede manier is door meer ruimte in te richten voor opvang en berging van hemelwater. Tuinen krijgen een groener karakter en regenwater wordt hierop afgekoppeld, zodat water kan infiltreren in de grond en niet afgevoerd wordt naar het riool. Als laatst stuurt de gemeente aan op een vergroting van de biodiversiteit, die in Nederland de afgelopen tientallen jaren flink is afgenomen. De gemeente handhaaft en onderhoud bestaand groen en stimuleert aanleg van inheemse (planten)soorten, zoals hagen, bloemrijke bermen en houtwallen. Daarbij is een natuurlijkere inrichting ook gewenst.

4.4.1.5 Toetsing van het initiatief aan de Toekomstvisie Brummen 2030

Het plangebied betreft een voormalig agrarisch erf. Met voorliggend plan worden de landschapsontsierende schuren gesloopt. Ter compensatie wordt de bouwmogelijkheid voor het bouwen van een woning met bijgebouw toegevoegd aan het plangebied. Het geheel wordt landschappelijk ingepast volgens het erfinpassingsplan. Het ontwerp stuurt aan op het herstel van de voormalige landschapsstructuur die kenmerkend is voor het kampenlandschap en het coulisselandschap, zoals de kleinschaligheid en de traditionele erfopbouw. De natuurlijke inrichting met een diversiteit aan inheemse beplanting binnen het plangebied versterkt de biodiversiteit en daarmee de plaatselijke natuurwaarden. Het uitgangspunt is dat hemelwater wordt geïnfiltreerd op het eigen terrein. Het voornemen vindt hiermee aansluiting bij de uitgangspunten van de Toekomstvisie Brummen 2030.

4.4.2 Beleidsregel functieverandering in het buitengebied
4.4.2.1 Algemeen

De beleidsregel ‘Functieverandering in het buitengebied’ is een aanvulling op het Bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Brummen en biedt een toetsingskader voor functieverandering van vrijkomende (agrarische) gebouwen in het buitengebied naar wonen en woon-werkcombinaties.

Functieverandering naar wonen

De maatvoering voor functieverandering naar wonen is gebaseerd op de regionale nota ‘Waar de stallen verdwijnen'. De gemeente Brummen hanteert hierbij oppervlaktematen in plaats van inhoudsmaten. Op basis van een inventarisatie van de oppervlakte van bestaande burgerwoningen in het buitengebied is voor de gemeente Brummen een oppervlaktemaat van maximaal 150 m2 voor een woning reëel en hanteerbaar. Deze maatvoering wordt gehanteerd als maximum voor een nieuw te bouwen woning(en) in het kader van functieveranderingen en komt overeen met de maatvoering uit het bestemmingsplan 'Buitengebied 2008'. Het maximum oppervlakte aan bijgebouwen per woning bedraagt maximaal 75 m2.

De systematiek en maatvoering voor sloop is vastgesteld in de vorm van een staffel. Om in aanmerking te komen voor een woning moet minimaal 500 m2 aan bedrijfsgebouwen gesloopt worden.

Bij toepassing van functieverandering dient voldaan te worden aan de algemene voorwaarden voor functieverandering.

4.4.2.2 Toetsing van het initiatief aan het Beleidskader functieverandering van vrijkomende agrarische gebouwen

Het plan voldoet aan de algemene voorwaarden voor functieverandering zoals opgenomen in het beleidsregel 'Functieverandering in het buitengebied'. Op de locatie wordt minimaal 500 m2 aan bedrijfsgebouwen gesloopt, het totale oppervlakte aan sloopmeters zal 792 m2 bedragen. Het initiatief past in het functieveranderingsbeleid. In de regels van voorliggend TAM-omgevingsplan is het slopen van de agrarische bebouwing voorwaardelijk verplicht gesteld voordat aan de bouw van de nieuwe woning mag worden begonnen.

4.4.3 Nota Ruimtelijke kwaliteit Brummen
4.4.3.1 Algemeen

De Nota Ruimtelijke Kwaliteit bevat handvatten voor verbouwingen en beschrijft hoe om te gaan met verbouwingen aan huizen, bedrijven, landgoederen en monumenten. Ook worden suggesties gegeven over duurzaamheid en worden oplossingsrichtingen gegeven voor de herindeling van boerenerven. Het beleidsdocument is een vervolg op de Welstandsnota.

Het plangebied behoort in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit tot het welstandsgebied 'Landelijk gebied'. De kenmerken van het landelijk gebied van Brummen bestaan uit een afwisselend landschap. De Veluwse stuwwal in het westen van de gemeente (met daarop bossen) loopt over in een dekzandlandschap (met bossen, hagen, houtwallen, akkers, weilanden en waterlopen) naar het rivierenlandschap aan de IJssel. In het deklandschap zijn de rechte lange wegen met daaraan verspreidde boerderijen en bebouwingsclusters typerend. Op de oeverwallen nabij de IJssel volgt het landschap de kronkelige contouren van de rivier. Hier is meer bebouwing aanwezig.

De boerenerven in de gemeente zijn divers opgebouwd. Historische erven bestaan voornamelijk uit een fors hoofdgebouw met woning en schuur in één pand. In samenhang met bijgebouwen en beplanting vormt dit een erf ensemble met een traditionele voor- en achtererf opbouw. De gemeente streeft het karakter van de erven te behouden. Centraal staat de samenhang en continuïteit tussen de bebouwing en het omliggende gebied.

4.4.3.2 Toetsing van het initiatief aan de Nota Ruimtelijke kwaliteit Brummen

De boerderij binnen het plangebied betreft een boerderij uit de wederopbouwperiode en is om deze reden ook van cultuurhistorische waarde. De boerderij zal dan ook behouden blijven. De stallen zijn van mindere bouwkundige kwaliteit en kunnen niet behouden blijven. Het ontwerp van de nieuwe woning staat nog niet vast. Bij de bouwaanvraag zal het ontwerp van de nieuwe woning opnieuw getoetst worden aan de Nota Ruimtelijke kwaliteit.

Door de situering van de twee woningen en bijgebouwen wordt een nieuw erf gecreëerd dat gebaseerd is op de erfsituatie van andere klassieke erf situaties in het buitengebied. Een nadere toelichting kan worden gelezen in paragraaf 2.2. Het plan wordt uitgevoerd in overeenstemming met de Nota ruimtelijke kwaliteit.

4.4.4 Landschapsbeleidsplan Brummen 2008
4.4.4.1 Algemeen

De gemeente Brummen heeft in 2008 het Landschapsbeleidsplan Brummen 2008 vastgesteld. Het plan geeft sturing aan de ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied. Het toetst aan de wenselijkheid van de ontwikkeling, maar is geen juridisch bindend document. In het Landschapsbeleidsplan is uitgegaan van zes deelgebieden met ieders hun eigen kenmerken. Het plangebied is onderdeel van het deelgebied 'Landgoederen'. Initiatieven binnen dit deelgebied dragen bij aan de doelen. De doelen voor dit deelgebied zijn:

  • de bospercelen versterken in hoeveelheid of structuur;
  • de natuurwaarden van de bossen versterken;
  • de cultuurhistorische betekenis van de landgoederen benadrukken;
  • verdroging van natuur en beken tegen gaan;
  • gebiedseigen water helpen vasthouden;
  • ruimte bieden aan natte natuur;
  • combinatie van melkveehouderij en natuur mogelijk maken;
  • invulling geven aan de ecologische verbindingszones (nu NNN);
  • het patroon van laan-, erf en kavelbeplantingen versterken;
  • extensieve vormen van recreatie stimuleren;
  • hergebruik van vrijkomende bebouwing recreatief benutten;
  • de bereikbaarheid van het gebied voor langzaam verkeer vergroten.
4.4.4.2 Toetsing van het initiatief aan het Landschapsbeleidsplan Brummen 2008

De herontwikkeling van het plangebied maakt het mogelijk de landschapswaarden, die voor een groot deel bestonden uit bos en weilanden, te herstellen. Met het aanplanten van nieuw bos en de beplanting aan de randen van de weilanden wordt een bijdrage aan geleverd het herstellen van de houtwallen van het oude, kleinschalige, landschap. De uitvoering van de maatregelen opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan zijn opgenomen als voorwaardelijke verplichting in de regels behorende bij dit TAM-omgevingsplan.

4.4.5 Woonagenda, routekaart woningbouw
4.4.5.1 Algemeen

In de Routekaart Wonen staat hoe de gemeente Brummen in de komende jaren de woningbouw willen aansturen en versnellen. De Routekaart Wonen bevat ook het Toetsingskader Woningbouw.

Met de routekaart zet de gemeente vijf concrete acties in gang:

  • versnellen en stroomlijnen van processen
  • Inzetten van instrumenten om te sturen op woningbouw
  • Toetsingskader voor woningbouw
  • Zoeken naar nieuwe locaties
  • Monitoren en bijsturen
4.4.5.2 Kern specifieke richtlijnen buurtschappen en buitengebied

Uitgangspunten (vanuit de Omgevingsvisie):

  • In principe geen nieuwbouw toegestaan in het buitengebied, afgezien van het Oeverwal-lenlandschap en de Veluweflank.
  • In het Oeverwallenlandschap gaat het om maatwerk.
  • In de Veluweflank is ruimte voor stedelijke en recreatieve ontwikkelingen met bijzondere aandacht voor de landschappelijke inpassing.
  • Splitsen van bestaande woningen is mogelijk.

Waar we echt op sturen:

  • Doelgroep:
  • woningen aantrekkelijk voor huishoudens op zoek naar landschappelijk wonen (inclusief vestigers).
  • Kleinschalige woonvormen/erfdelen.
  • Innovatieve voorstellen voor functieverandering (woongemeenschap/doelgroep).
  • Onderbouwt via ladder duurzame verstedelijking (bij substantiële plannen).
  • Behoud c.q. versterking landelijke omgeving.
  • Realiseren voldoende parkeerplekken op eigen terrein.

Waar dagen we initiatiefnemers op uit (meerwaarde):

  • Innovatie: prioriteit voor kleinschalige woonzorgconcepten (bijvoorbeeld zorgboerderijen).
  • Splitsing van grotere boerderijen c.q. ééngezinswoningen.

4.4.5.3 Conclusie

Het initiatief sluit aan bij de uitgangspunten van de Routekaart Wonen van de gemeente Brummen. Door de sloop van landschapsontsierende bebouwing wordt de ruimtelijke kwaliteit verbeterd, wat aansluit bij de beleidsdoelstellingen voor het buitengebied. Daarnaast voldoet het initiatief aan de geldende sloopnorm, wat een belangrijke voorwaarde is voor herontwikkeling.De nieuw te realiseren schuurwoning past binnen de karakteristieken van het landelijke gebied en draagt bij aan het behoud en de versterking van de landschappelijke waarden. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing wordt de ruimtelijke kwaliteit verder verbeterd. Dit is in lijn met de doelstellingen van de Routekaart Wonen, waarin innovatieve en duurzame woonvormen worden gestimuleerd, mits deze bijdragen aan de landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteit.Bovendien wordt met dit initiatief voorzien in de vraag naar landschappelijk wonen, wat aansluit bij de behoefte aan diverse woonvormen in het buitengebied. Het initiatief draagt bij aan het realiseren van kleinschalige woonvormen en past binnen de ambities van de gemeente om ruimte te bieden aan huishoudens die zich willen vestigen in een landelijke omgeving.Door te voldoen aan de kernspecifieke richtlijnen en de beleidsuitgangspunten van de Routekaart Wonen, kan worden geconcludeerd dat het initiatief in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid voor wonen in het buitengebied.

4.4.6 Conclusie gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsambities zoals verwoord in het hiervoor behandelde gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 5 Omgevingsveiligheid

5.1 Algemeen

Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:

  • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl);
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
  • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied.

Dat kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.

5.2 Situatie in en bij het plangebied

Aan de hand van de EV-Signaleringskaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op deze kaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van bovengenoemde kaart met betrekking tot het plangebied (rode ster) en de directe omgeving weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMBG7001-va01_0007.png"  
Afbeelding 5.1 Uitsnede kaart EV-Signaleringskaart (Bron: ev-signaleringskaart.nl)  

Het plangebied ligt op circa 375 meter van een buisleiding. Hiermee valt het plangebied ruim buiten het brandaandachtsgebied en de personen-risicocontour. Een verantwoording van het personenrisico is niet nodig. De buisleiding heeft een diameter van 8,6 inch en een werkdruk van 80 bar. De 1%-letaliteitsgrens ligt daarmee op 30 meter vanaf het hart van de buisleiding. Het plangebied ligt op meer dan 300 meter afstand van de buisleiding, waardoor een verantwoording van het groepsrisico niet nodig is

5.3 Conclusie

Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 6 Beschermen van waterbelangen

Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.

6.1 Beleid waterschap

6.1.1 Blauwe Omgevingsvisie 2050

Met de Blauwe Omgevingsvisie (BOVI) 2050 zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Het nieuwe waterdenken via de integrale en duurzame benadering (brongericht, gebiedsgericht en co-actorgericht) heeft geleid tot drie generieke waterprincipes, die het waterschap als leidende principes toepast in de BOVI 2050. De ruimtelijke ontwikkeling wordt gedomineerd door de grote vraag naar extra ruimte voor woningbouw, opwekking van duurzame energie en klimaatadaptatie. Het waterschap stelt dat een duurzaam watersysteem een belangrijke drager is van de ruimtelijk-economische ontwikkeling. Het grondwatersysteem is van essentieel belang voor de watervoorziening in het gebied van Vallei en Veluwe. Daarom zet het waterschap zoveel mogelijk in op het schoon- en vasthouden van water en het terugbrengen van water in de bodem. Tot slot wil het waterschap graag met een open en samenwerkingsgerichte houding in gesprek met maatschappelijke partners (publiek en privaat), om gezamenlijk positief bij te dragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving.

Het plangebied ligt in het deelgebied 'IJsselvallei en oostflank van de Veluwe'. Meer specifiek gelet op de ligging van het plangebied op de kaart behorend bij het deelgebied is het thema 'Robuust beekdal' van belang. Het oppervlaktewatersysteem van de toekomst is gebaseerd op het vasthouden, bergen en accepteren van water, en tegelijkertijd op het schoonhouden, scheiden en zuiveren van water in ons gebied. Samen met het diepe grondwatersysteem verbinden de beken en watergangen gebieden met watertekort en wateroverschot in ruimte en tijd. Sponswerking van de bodem is hiervan een integraal onderdeel. Het water krijgt de ruimte, langs de grote rivieren, kanalen, beken en ook in de haarvaten. Het waterschap wil Infiltratiecapaciteit en sponswerking van de bodem vergroten, inzetten op water vasthouden en beken weer zichtbaar maken.

6.1.2 Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027

Waterschap Vallei en Veluwe heeft een Blauw Omgevingsprogramma (BOP) 2022-2027 opgesteld waarin staat beschreven wat de doelen zijn, vertaald in gebiedsgerichte gebiedsprogramma’s. Het waterschap streeft naar veiligheid tegen overstromingen en naar een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Daarnaast wil het waterschap in stedelijk gebied zoveel mogelijk water lokaal vasthouden en infiltreren door vergroening en verblauwing. In het BOP heeft het waterschap ook twee veranderopgaven vastgelegd: in 2050 circulair en energieneutraal zijn.

Het plangebied ligt in het deelgebied ‘IJsselvallei’. Gelet op de ligging van het plangebied op de bijbehorende gebiedskaart, ligt de nadruk op het vasthouden van water in een robuust beekdallandschap en een combinatie van circulaire, natuurinclusieve landbouw en beter vasthouden en schoonhouden van water (klimaatmantels).

6.2 Wateraspecten

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. In de ruimtelijke motivering van een ontwikkeling dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

6.3 Watertoetsproces en waterhuishouding plangebied

Waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over het onderhavige plan via de Digitale Watertoets (www.hetwateradvies.nl). De uitkomst hiervan is opgenomen in Bijlage 7. Hiermee is bepaald dat het voornemen behandeld wordt middels de 'normale procedure'. Middels het indienen van de watertoets is het waterschap eveneens om een reactie op het plan gevraagd. Het waterschap heeft hierop gereageerd door te stellen dat op basis van de landschappelijke inrichtingstekening geen belemmeringen in het waterbelang worden voorzien.

6.3.1 Behandeling wateraspecten

Het waterschap vraagt initiatieven om in ieder geval rekening te houden met de volgende maatregelen:

Watercompensatie: Voor het waterschap leidt een toename van verharding alleen tot een watercompensatieopgave (noodzaak tot waterberging) als er een toename is van 1500 m2 of meer. Een groot aantal gemeenten stelt ook eisen bij de realisatie van nieuw verhard oppervlak of bij herontwikkeling van bestaand verhard gebied.

Waterinclusieve bebouwde omgeving:  Stedelijke in- en uitbreiding, ten behoeve van de groeiende bevolking, moet worden gekoppeld aan klimaat- en duurzaamheidsopgaven. Dit biedt enorme kansen om de stad aantrekkelijker te maken. Idealiter wordt overal waar wordt gebouwd, rekening gehouden met het aspect water(waterinclusief bouwen) en wordt de buffercapaciteit van de bodem verbeterd: de stad als spons. Groenblauwe dooradering in de openbare ruimte en op de daken houdt de stad bovendien leefbaar bij toenemende hittestress en heftige regenval. Dit vraagt om zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik en de garantie op voldoende ruimte bij binnenstedelijke verdichting.

Vasthouden - bergen - afvoeren: Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap.

Grondwaterneutraal bouwen: Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.

Schoon houden - scheiden - schoon maken: Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen / randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het waterschap vraagt de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan hiermee verder helpen.

Toetsing van het initiatief aan de wateraspecten van de 'normale procedure'

In voorliggend plan is sprake van een afname van de hoeveelheid verharding door het verwijderen van de voormalig agrarische bebouwing. Van een compensatie opgave is daarom geen sprake. Daarnaast is binnen het plangebied voldoende ruimte voor het vasthouden bergen en afvoeren van water. Door de afgenomen verharding in het plangebied is het plangebied beter in staat om hemelwater op te vangen en het plaatselijk te infiltreren. Verwacht wordt dat minder water door de sloten afgevoerd hoeft te worden. Het landschappelijk inpassingsplan voorziet in een versterking van de bestaande (eiken) bomenrij langs de sloot in het plangebied. Het onderhoud aan de watergang zal hierbij niet gehinderd worden. Geconcludeerd wordt dat het initiatief aansluiting vindt bij de plaatselijke wateraspecten.

6.4 Conclusie

Vanuit het aspect water is er sprake van evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 7 Beschermen van de gezondheid en het milieu

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met het beschermen van de gezondheid en het milieu. Op basis van paragraaf 5.1.4 houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen:

  • geluid;
  • bodemkwaliteit;
  • de kwaliteit van de buitenlucht;
  • geur en;
  • trillingen.

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten 'gezondheid' en 'duurzaamheid en klimaatadaptatie' behandeld.

7.1 Geluid door activiteiten

7.1.1 Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, lid 3, onder b en c Ow) stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:

  • activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS);
  • geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS);
  • geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

Geluidsgevoelige gebouwen

De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.

Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.1.2 Situatie plangebied

Met het voornemen wordt één nieuwe woning mogelijk gemaakt naast de bestaande woning. Bij deze ontwikkeling is daarom sprake van het toevoegen van nieuwe geluidsgevoelige ruimten. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidsgevoelig gebouw in een geluidsaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling.

7.1.2.1 Wegverkeerslawaai

In het gemeentelijk omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden vanuit het Bkl voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden:

  • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m;
  • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en
  • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.

De nieuwe woning komt op ongeveer 170 meter afstand te liggen van de Weg over 't Hontsveld. De maximale snelheid op deze weg bedraagt 60 km/u. De nieuw te bouwen woning ligt hiermee binnen het geluidsaandachtsgebied van deze weg.

Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van de Weg over 't Hontsveld. Het plangebied is met rode ster weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMBG7001-va01_0008.png"  
Afbeelding 7.1: Ligging plangebied ten opzichte van de Weg over 't Hontsveld (Bron: Atlas van de leefomgeving)  

In het Bkl worden eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten gebouw. Uitgangspunt is dat aan de standaardwaarde voor geluid moet worden voldaan (artikel 5.78t lid 1 Bkl). Voor gemeentelijke wegen is de standaardwaarde 53 dB. Zoals in afbeelding 7.1 te zien is heeft de Weg over 't Hontsveld een beperkte geluidsuitstraling. Voor de woningen geldt dan ook dat het geluid op de buitengevel naar verwachting minder is dan 45 dB. De Atlas Leefomgeving verwacht een maximale geluidsbelasting van 33 dB. Gesteld wordt dat hiermee wordt voldaan aan de standaardwaarden voor geluid uit het Bkl. Een onderzoek naar wegverkeerslawaai is niet nodig.

7.1.2.2 Railverkeerslawaai en industrielawaai

Het plangebied ligt op ongeveer 2,2 kilometer afstand van de dichtstbijzijnde spoorlijn. Hiermee wordt ruim voldaan aan de afstandsnormen uit het Bkl. Onderzoek naar railverkeerslawaai is niet nodig.

Daarnaast ligt het plangebied niet in de nabijheid van een geluidgezoneerd industrieterrein. Onderzoek naar industrielawaai is niet nodig.

7.1.2.3 Solitaire bedrijvigheid

Om geluidhinder van solitaire bedrijvigheid te bepalen kan worden aangesloten bij de systematiek uit de VNG handreiking 'Milieuzonering nieuwe stijl' (mei 2019). Deze handreiking gaat uit van de beschikbare gebruiksruimte om activiteiten uit te voeren. De systematiek uit de VNG publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is opgenomen in veel bestemmingsplannen. Zolang die bestemmingsplannen van kracht zijn – ook na overgang in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege – wordt deze systematiek nog toegepast.

In voorliggend geval wordt voor het plan de systematiek van de uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' aangehouden. Hierna wordt de ontwikkeling op basis hiervan getoetst.

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype.

Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat noodzakelijk is.

Het plangebied ligt in het buitengebied en ligt niet nabij een drukke weg. Er wordt in dit geval dan ook uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden behorende bij zowel het omgevingstype rustige woonwijk als het gemengd gebied weergegeven.

Milieucategorie   Richtafstanden 'rustige woonwijk'   Richtafstanden 'gemengd gebied'  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

Situatie plangebied

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave Bedrijven' en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen.

Hierbij spelen twee vragen een rol:

  • 1. past de functie in de omgeving? (externe werking);
  • 2. laat de omgeving de functie toe? (interne werking).

Bij externe werking gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.

Een woning wordt niet gezien als een geluidsbelastende activiteit. Van een nieuwe externe werking zal daarom geen sprake zijn.

Bij interne werking gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten.

Wat betreft de interne werking zijn in de omgeving van het plangebied enkele agrarische bedrijfsfuncties aanwezig. Onderstaande tabel geeft de omliggende milieubelastende functies weer met de daarbij behorende richtafstanden voor geluid. Voor de werkelijke afstand is gemeten vanaf de milieubelastende inrichting tot het plangebied. Beide functies zijn op ruime afstand gelegen van de toekomstige woonfunctie.

Adres   Functie   Richtafstand   Werkelijke afstand  
Weg over 't Hontsveld 26   Agrarische bedrijfsbestemming   30 meter   200 meter  
Hommelstraat 1   Agrarische bedrijfsfunctie   30 meter   230 meter  

Uit bovenstaande tabel blijkt dat aan de richtafstanden wordt voldaan. Geconcludeerd wordt dat de omgeving de functie wonen toelaat.

7.1.3 Conclusie

Vanuit de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai, evenals geluidhinder van individuele bedrijven is sprake van een goed woon- en leefklimaat. De nieuwe woonfunctie zorgt niet voor aantasting van het woon- en leefklimaat van de woningen in het plangebied en omliggende milieugevoelige functies. Daarnaast leiden de woningen in het plangebied niet tot beperkingen voor de bedrijfsvoering van omliggende milieubelastende functies.

Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.2 Bodemkwaliteit

7.2.1 Algemeen

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door het in onderlinge samenhang:

  • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
  • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet:

  • Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn.
  • Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde.
  • Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn.
  • Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.

Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.

7.2.2 Situatie plangebied

Dumea BV heeft een verkennend bodemonderzoek en een asbest onderzoek uitgevoerd conform NEN 5740 en NEN 5707. Het volledige verkennende bodemonderzoek is aan deze motivering toegevoegd in Bijlage 2.

Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de resultaten hieruit wordt geconcludeerd dat de onderzoeksresultaten geen aanleiding geven voor het uitvoeren van een nader onderzoek. De bodemkwaliteit is voldoende om de gewenste woonfunctie van het plangebied te ondersteunen.

7.2.3 Conclusie

Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.3 Luchtkwaliteit

7.3.1 Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen.

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig.
7.3.2 Situatie plangebied

Om te beoordelen of het voornemen 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan luchtverontreiniging is gebruik gemaakt van de NIBM-tool. De NIBM-tool gaat uit van de toename in verkeersbewegingen als gevolg van een ontwikkeling. Voor de berekening van de verkeersgeneratie wordt verwezen naar paragraaf 2.3. Onderstaande afbeelding geeft de uitslag van de NIBM-tool weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMBG7001-va01_0009.png"  
Afbeelding 7.2: Berekening bijdrage luchtkwaliteit (Bron: NIBM-tool)  

Uit de berekening met de NIBM-tool volgt dat het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan luchtverontreiniging.

7.3.3 Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.4 Geur

7.4.1 Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen.

Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:

  • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat);
  • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat);
  • Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat);
  • Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.

De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels.

Veehouderijen

In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over:

  • Geurnormen in het omgevingsplan
  • Rekenen
  • Afstandseisen
  • Randvoorwaarden
7.4.2 Situatie plangebied

Voor diersoorten waarvoor geen emisiefactor is vastgesteld geldt vanuit de bruidsschat een vaste afstandsnorm van 50 meter. In paragraaf 7.1.2.3 is een tabel opgenomen met de meest nabijgelegen milieubelastende functies. Hiervan zijn twee agrarische bedrijven die rundvee houden. De afstand tussen deze bedrijven en het plangebied is ruim meer dan 50 meter.

Bij het agrarisch bedrijf aan de Weg over 't Hontsveld 26 mag rundvee worden gehouden. De afstand tussen het bedrijf en het plangebied is circa 200 meter. Hiermee wordt dus ruim voldaan aan de benodigde minimale afstand. Ter plaatse van het agrarische bedrijfsperceel aan de Hommelstraat 1 wordt 230 meter aangehouden.

7.4.3 Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.5 Trillingshinder

7.5.1 Algemeen

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen.

Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen.

Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.

7.5.2 Situatie plangebied

Het plangebied ligt op ongeveer 2,2 kilometer afstand van de dichtstbijzijnde spoorlijn. Van trillingshinder is dan ook geen sprake.

7.5.3 Conclusie

Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.6 Gezondheid

7.6.1 Algemeen

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:

  • het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?)
  • het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd.

Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de buitenplanse omgevingsvergunning is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt.

7.6.2 Situatie plangebied

Wat betreft de voorgenomen ontwikkeling wordt vermeld dat deze bijdraagt aan het welzijn en de gezondheid van de bewoners van het plangebied. Door de sloop van de schuren zal de hoeveelheid verharding in het plangebied afnemen, waardoor er meer ruimte ontstaat voor groen. Groenvoorzieningen en buitenruimtes stimuleren lichamelijke activiteit, sociale interactie en algemeen welzijn, wat ook bekend staat als positieve gezondheid. Met het slopen van de schuren wordt ook asbest verwijderd. Dit is een positieve ontwikkeling in het kader van bescherming van de gezondheid.

De agrarische bedrijfsactiviteiten op de locatie zijn gestaakt, waardoor de luchtkwaliteit ter plaatse verbeterd. Ook zullen bewoners en omwonenden in de toekomst geen hinder ondervinden van bedrijfsmatige activiteiten op deze plek. De woonfunctie heeft geen negatieve impact op de omgeving. Op basis hiervan wordt benadrukt dat de beoogde ontwikkeling een positief effect zal hebben op de gezondheid van zowel de bewoners als de omwonenden.

Paardenbak

In de directe nabijheid van de beoogde woning (circa 35 meter) bevindt zich een bestaande paardenbak. Volgens de door de omgevingsdienst gehanteerde richtafstanden geldt voor een paardenbak een afstand van 50 meter tot een gevoelige functie, zoals een woning. Deze richtafstand is gebaseerd op het voorkomen van mogelijke hinder in het kader van een goed woon- en leefklimaat. Hoewel in dit geval deze afstand niet wordt gehaald, is gemotiveerd sprake van een uitzonderingssituatie waarin, gelet op het feitelijke gebruik en de mitigerende maatregelen, niettemin sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de nieuwe woning.

Aard en gebruik paardenbak

De paardenbak is uitsluitend bestemd voor hobbymatig gebruik. De eigenaar beschikt over één paard, waarmee gemiddeld tweemaal per week gedurende circa 30 minuten in de bak wordt gereden. Er vinden geen commerciële activiteiten plaats, zoals manegelessen, wedstrijden of pensionstalling. Daarmee is sprake van een zeer beperkt en incidenteel gebruik. Uit jurisprudentie blijkt dat bij de beoordeling van een goed woon- en leefklimaat de feitelijke situatie en het daadwerkelijke gebruik zwaarder wegen dan enkel de theoretische richtafstanden (vgl. ABRvS 9 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU3524 en ABRvS 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3625). De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt in dergelijke zaken dat richtafstanden indicatief zijn en kunnen worden verlaten indien met een nadere motivering aannemelijk wordt gemaakt dat hinder in de praktijk niet of nauwelijks voorkomt.

Geurhinder

Om geurhinder te beperken wordt de paardenbak na elk gebruik direct ontdaan van mest. Deze maatregel voorkomt ophoping van meststoffen en draagt bij aan het voorkomen van geurverspreiding richting de woning. In de praktijk leidt het incidentele gebruik en de directe reiniging tot een verwaarloosbare geurbelasting. In lijn met de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1130) wordt het treffen van mitigerende maatregelen, zoals het tijdig verwijderen van mest, meegewogen in de beoordeling van hinder. Indien blijkt dat hinder in de praktijk feitelijk niet optreedt, is een afwijking van de richtafstand gerechtvaardigd.

Stofhinder

In droge perioden wordt gebruik gemaakt van een aanwezige sproei-installatie, waarmee stofvorming effectief wordt onderdrukt. Daarnaast wordt de paardenbak voor het overgrote deel ingepast door een struweelhaag die het eventuele verspreiden van stof tegengaat. In combinatie met het beperkte gebruiksregime is het risico op stofhinder uiterst gering. De Afdeling overwoog in haar uitspraak van 20 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:899) dat met het treffen van doelmatige maatregelen, zoals beregening, stofhinder tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt.

Lichthinder

De paardenbak wordt uitsluitend overdag gebruikt. Aanwezige verlichting is verwijderd en zal niet worden teruggeplaatst. Daarmee is lichthinder volledig uitgesloten. In lijn met jurisprudentie (o.a. ABRvS 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2367) kan het uitsluiten van verlichting bijdragen aan het voorkomen van aantasting van het woon- en leefklimaat bij omliggende woningen.

Landschappelijke inpassing

Ter afscherming en verzachting van het ruimtelijk beeld wordt de paardenbak landschappelijk ingepast met de aanplant van twee struweelhagen. Hiermee wordt tevens visuele hinder beperkt en wordt een bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit van het erf.

Conclusie

Nemen we het voorgaande in samenhang in ogenschouw, dan kan worden geconcludeerd dat ondanks het feit dat de richtafstand van 50 meter tussen een paardenbak en een gevoelige functie niet wordt gehaald, in dit geval sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de nieuwe woning. Het betreft een paardenbak die enkel hobbymatig wordt gebruikt, met een zeer beperkte frequentie en duur. Van structurele milieubelasting is geen sprake. Bovendien zijn maatregelen getroffen om eventuele hinder te voorkomen, waaronder het direct verwijderen van mest na gebruik, het inzetten van een sproei-installatie tegen stofvorming en het volledig uitsluiten van verlichting. Daarnaast wordt de bak landschappelijk ingepast, wat bijdraagt aan de visuele afscherming en de ruimtelijke kwaliteit van het erf. In lijn met geldende jurisprudentie kan bij een dergelijke feitelijke situatie gemotiveerd worden afgeweken van de standaardrichtafstand, mits voldoende aannemelijk is gemaakt dat hinder in de praktijk niet of nauwelijks optreedt. Daarvan is in dit geval sprake. De functies zijn hiermee op evenwichtige wijze toegekend aan de locatie en het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woning is voldoende gewaarborgd.

Gewasbeschermingsmiddelen

Ten slotte is om de (nieuwe) woonfuncties van het plangebied een zone opgenomen die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen vergunningplichtig maakt binnen 50 meter van de woonfuncties. Door deze zone kunnen gewasbeschermingsmiddelen enkel worden toegepast wanneer uit onderzoek blijkt dat het gebruik van deze middelen in overeenstemming is met een gezond woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonfuncties binnen het plangebied.

7.6.3 Conclusie

Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

7.7 Duurzaamheid en klimaatadaptatie

7.7.1 Algemeen

Het aspect duurzaamheid kent geen directe instructieregel uit het Bkl. De gemeente Brummen is op meerdere vlakken actief om duurzaamheid te bevorderen binnen de gemeente. Dit varieert van een regeling voor afkoppelen van regenwater, beleid over de aanleg van wind- en zonne-energie en de eerder beschreven biomorfologische kaart.

7.7.2 Situatie plangebied

Naast het gegeven dat het plangebied een verbetering vormt voor de biodiversiteit door de te leveren inspanningen die zijn opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan, worden de nieuwe gebouwen binnen het plangebied gebouwd volgens de laatste duurzaamheidsnormen. Tevens zal het regenwater dat op de verharding valt geïnfiltreerd worden binnen het plangebied.

7.7.3 Conclusie

Vanuit het aspect duurzaamheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

Hoofdstuk 8 Bescherming van de natuur

In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.

8.1 Gebiedsbescherming

8.1.1 Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
8.1.2 Gelders Natuurnetwerk (GNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In voorliggend geval het Gelders Natuurnetwerk (GNN). In het NNN/GNN geldt het ‘nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het NNN/GNN kent geen externe werking.

8.1.3 Situatie plangebied

Natura 2000-gebieden

Het plangebied ligt op circa 1,2 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied 'Landgoederen Brummen'. Dit betreft een stikstofgevoelig gebied. Tussen het erf en het Natura 2000-gebied ligt een weiland. Mogelijke directe effecten op het Natura 2000-gebied bestaan uit stikstofdepositie.

Door BJZ.nu is een AERIUS-berekening uitgevoerd om de verwachte depositie op dit Natura 2000-gebied te berekenen. Het volledige rapport is toegevoegd aan deze motivering in Bijlage 3.

AERIUS-berekening

Uit de berekening van de aanlegfase en de gebruiksfase van het voornemen volgt dat per saldo geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.

De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

GNN-gebieden

Het plangebied bevindt zich op 800 meter afstand van het dichtstbijzijnde GNN-gebied. Gezien het feit dat een GNN gebied geen externe werking kent heeft voorliggende ontwikkeling dan ook geen invloed op het GNN en kan worden geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN.

8.2 Soortenbescherming

8.2.1 Algemeen

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

8.2.2 Situatie plangebied

Om de invloed van voorliggend plan op de soortenbescherming te onderzoeken is door Bureau Bleijerveld een Quickscan ecologie uitgevoerd. Het volledige onderzoek is bij deze motivering toegevoegd als Bijlage 4.

De quickscan concludeert dat wat betreft zoogdieren geen aanvullende maatregelen benodigd zijn. Voor deze soorten geldt een vrijstelling voor alle verwachte soorten. Wat betreft de broedvogels zonder vaste nestplaatsen kunnen broedsels in de toekomst in de aanwezige gebouwen niet worden uitgesloten. Om verstoring van deze soorten te voorkomen wordt geadviseerd de sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren.

Binnen de bebouwing van het voormalig agrarisch bedrijf zijn enkele vaste nestplaatsen van de huismus aanwezig. Door de sloop van de bebouwing gaan deze nestplaatsen verloren. Dit is verboden volgens de Omgevingswet.

Het plan voorziet niet in het verwijderen of kappen van houtopstanden.

Aanvullend onderzoek huismussen

Naar aanleiding van de quickscan ecologie is een nader onderzoek naar huismussen uitgevoerd (Bijlage 5). Op basis van het onderzoek is geconcludeerd dat onder het dak van de woning (gebouw 1) één tot enkele nestplaatsen aanwezig zijn. Dit gebouw blijft behouden. In de te slopen bijgebouwen komen geen nestplaatsen voor. Dit betekent dat door het plan geen nestplaatsen van huismus verloren gaan. Ten aanzien van huismus is geen vergunning voor een flora- en fauna-activiteit vereist.

In de bijgebouwen wordt hoogstwaarschijnlijk wel gebroed door soorten zonder vaste nestplaats. Er waren indicaties voor nestplaatsen van vink en witte kwikstaart. Dergelijke broedsels zijn beschermd zolang zij in gebruik zijn. De sloop dient daarom buiten het broedseizoen plaats te vinden, dat wil zeggen in de periode 15 augustus – 15 maart.

8.3 Conclusie

Vanuit het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 9 Archeologie en cultuurhistorie

9.1 Wettelijk kader

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden.

Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland.

Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

9.2 Archeologie

Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden.

Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan Archeologie' van kracht. Dit bestemmingsplan geeft aan dat ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie laag' geldig is. In de bouwregels van dit bestemmingsplan is opgenomen dat het verboden is om op of in gronden met deze bestemming bouwactiviteiten en/of heiwerkzaamheden uit te voeren met een grotere diepte dan 40 cm, tenzij de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 2.500 m2.

Door Laagland Archeologie is een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd, om eventuele aanwezige archeologische waarden in kaart te brengen. Het volledige onderzoek is bij deze motivering gevoegd als Bijlage 6. Onderdeel van het onderzoek maakt uit een bureauonderzoek en een het plaatsen van een 9-tal boringen binnen het plangebied. In alle boringen is gebleken dat sprake is van een diep verstoord bodemprofiel. De oorspronkelijke deklaag is verdwenen. Ter hoogte van de historische bouwlanden is geen plaggendek aangetroffen. Conform het verwachtingsmodel wijzen de resultaten van het booronderzoek op zeer vochtige omstandigheden. De kans dat in het plangebied nog archeologische resten aanwezig zijn wordt daarmee laag geacht. Het onderzoek adviseert geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven.

9.3 Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed.

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over:

  • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • verplaatsing van beschermde monumenten;
  • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • aantasting van de omgeving van een beschermend monument;
  • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen;
  • conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Het voornemen heeft zoals gezegd geen invloed op de fysieke ruimte (geen bouwwerkzaamheden of andere ingrepen). Daarnaast zijn er geen Rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig in of nabij het plangebied. Uit de provinciale cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat het plangebied geen bijzondere cultuurhistorische waarden kent.

Van de agrarische bedrijfswoning is bekend dat dit een woning betreft uit de wederopbouwperiode na de Tweede Wereldoorlog. Omdat de boerderijwoning om deze reden enige cultuurhistorische waarde heeft en de woning in goede originele staat verkeerd, is besloten deze woning te behouden.

9.4 Conclusie

Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 10 M.e.r.-beoordeling

10.1 Algemeen

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:

  • In kolom 1 staan de projecten opgesomd;
  • In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is;
  • In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt;
  • Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.

Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als Voor plan/ programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.

10.2 Situatie plangebied

Zoals eerder beschreven zijn er voor het voornemen geen bouwwerkzaamheden of andere ingrepen in de fysieke ruimte nodig. Voorliggende wijziging op het omgevingsplan voorziet in de sloop van voormalig agrarische bebouwing en in de nieuwbouw van een vrijstaande woning met twee bijgebouwen en een landschappelijke inpassing van het geheel. Gelet op de aard en omvang van het voornemen wordt de conclusie getrokken dat hier geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld onder J11 in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. De milieugevolgen als gevolg van het voornemen zijn in voorgaande hoofdstukken beschreven. Er zijn geen negatieve gevolgen voor het milieu te verwachten als gevolg van vaststelling van voorliggende wijziging op het omgevingsplan.

10.3 Conclusie

Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 11 Economische uitvoerbaarheid

11.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.

11.2 Kostenverhaal

Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemers van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit.

Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.

11.3 Situatie plangebied

In dit geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemers en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemers komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.

Hoofdstuk 12 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

12.1 Participatie

Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief.

Initiatiefnemers voor voorliggende ontwikkeling hebben op 26 september 2024 gesprekken gevoerd met omwonenden van het plangebied. Het gaat om de adressen Breestraat 42 en 42A, Weg over 't Hontsveld 22 en 22A en Weg over 't Hontsveld 26 en 26A. Het doel van de gesprekken was om de buren te informeren over de geplande sloop van de oude schuren en de nieuwbouw die hiervoor in de plaats zou komen. Gekozen is voor persoonlijke gesprekken met de buren zodat zij vrij hun mening kunnen geven over het initiatief. Andere omwonenden (die als belanghebbende kunnen worden aangemerkt) zijn tevens geïnformeerd tijdens de jaarlijkse buurtborrel. Door alle buren is met een positief geluid gereageerd op het voornemen. Het verwijderen van de oude bebouwing en de kwalitatieve inspanningen die geleverd worden worden gewaardeerd. De buren hebben geen bezwaren of negatieve reacties laten horen. Uit het participatietraject zijn geen verdere aandachtspunten naar voren gekomen.

12.2 Vooroverleg instanties

Provincie Gelderland: voor de ter inzage ligging van voorliggende wijziging op het omgevingsplan is het plan aan de Provincie Gelderland toegestuurd. De provincie Gelderland heeft een positieve houding ten opzichte van de ontwikkeling.

Waterschap Vallei en Veluwe: uit de digitale watertoets volgt de 'normale procedure' als de te volgen procedure. Het waterschap heeft daarnaast gereageerd op het voornemen met een positieve houding ten opzichte van de ontwikkeling.

12.3 Zienswijzen

De wijziging van het omgevingsplan heeft voor een periode van zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. Binnen deze periode zijn geen zienswijzen ontvangen over het voornemen.

Hoofdstuk 13 Juridische verantwoording

13.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

13.2 Opzet van de regels

13.2.1 Algemeen

Zoals in paragraaf 1.3.2 is aangegeven betreft het hier een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen.

Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. Dit TAM-Omgevingsplan is dan ook digitaal vormgegeven conform de standaarden van IMRO2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • Inleidende regels;
  • Functieregels en gebiedsaanwijzingen;
  • Algemene regels aan activiteiten;
  • Overgangsrecht en slotbepalingen.
13.2.2 Preambule voor hoofdstukken artikelnummering

De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij 'artikel 1' begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet.

Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven.

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de locatie Weg over 't hontsveld 24 in Empe en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22c) van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit

elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22c van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22c.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22c.’ gelezen worden.

Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels.

13.2.3 Toepassingsbereik van het wijzigingsbesluit

Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de 'oude' standaarden. Om te voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereik opgenomen in artikel 1 van de inleidende regels. Het toepassingsbereik luidt als volgt:

Artikel 1 (Toepassingsbereik)

  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Weg over 't Hontsveld 24 Empe, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0213.TAMBG7001-on01 (ontwerp) en GML-bestand NL.IMRO.0213.TAMBG7001-va01 (vastgesteld) zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl en https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/zoeken/locatie.
13.2.4 Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

  • Anti-dubbeltelregel (Artikel 9): Deze regel is opgenomen om ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen;
  • Planologische gebruiksactiviteiten (Artikel 10): Uitgangspunt is de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Vanuit deze gedachte is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten;
  • Parkeeractiviteiten (Artikel 11): In dit artikel zijn parkeernormen opgenomen en regels over laden en lossen;
  • Algemene regels voor functies en activiteiten (Artikel 12): In dit artikel worden de specifieke gebruiksverboden behandeld die gelden voor het gehele plangebied. Een specifieke gebodsbepaling is opgenomen ten behoeve van de sloop van de agrarische bedrijfsgebouwen en het bewonen van de nieuwe woning zonder het in uitvoering brengen van de maatregelen uit het landschappelijk inpassingsplan binnen 18 maanden;
  • Aanvraagvereisten Overige activiteiten (Artikel 13): Wanneer het aanvragen van een omgevingsvergunning nodig is, op basis van de regels uit hoofdstuk 2, zijn de aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan van de gemeente Brummen van toepassing.
13.2.5 Overgangsregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.

NB: Het omgevingsplan bevat in hoofdstuk 23 de slotbepalingen, dus die worden niet in een TAM-omgevingsplan opgenomen.

13.3 Verantwoording van de regels

Het vertrekpunt voor voorliggend TAM-omgevingsplan zijn de relevante bestemmingen uit het bestemmingsplan “Buitengebied 2008” en de overige gebiedsaanwijzingen uit het plaatselijk planologisch regime. De regels uit de diverse paraplubestemmingsplannen (zie paragraaf 1.3.1) zijn inhoudelijk overgenomen. In sommige gevallen is gekozen om van deze regels af te wijken. Deze paragraaf licht deze keuzes toe.

Agrarisch - Agrarisch met landschapswaarden (Artikel 4)

Bovenstaande functie is overgenomen uit het plaatselijk planologisch regime. De gebiedsaanduiding 'Agrarisch gebied' is niet overgenomen. Deze aanduiding maakt het mogelijk sleufsilo's en mestplaten buiten het agrarisch bouwperceel te bouwen.

Bos (Artikel 5)

Ter plaatse van de nieuwe functie 'Bos' wordt uitgegaan van de aanplant en instandhouding van een nieuw bos. De regels zijn overgenomen uit het huidig planologisch regime (Paraplubestemmingsplan bos-, natuur- en waterbestemmingen).

Wonen (Artikel 6)

De regels uit Artikel 6 sluiten aan op de regels voor de bestemming 'Wonen' uit het huidig planologisch regime in het buitengebied van de gemeente Brummen.

Overige zone - voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing (Artikel 7) en Overige zone - Natuurwaarden (Artikel 8) zijn gebiedsaanwijzingen die zijn overgenomen uit huidig planologisch regime ter plaatse van het plangebied.