direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Weg over 't Hontsveld 24 Empe
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0213.TAMBG7001-va01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan beoogt de planologisch-juridische borging van het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een reguliere woning, de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing, de realisatie van een nieuwe woning en de realisatie van nieuwe bijgebouwen op het voormalig agrarische erf van Weg over 't Hontsveld 24 in Empe. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Brummen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22c van het omgevingsplan van de gemeente Brummen.

In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22c' gelezen worden.

De bijlagen bij de in deze voorziening weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als onderdeel van Bijlage 22c bij het omgevingsplan van de gemeente Brummen.

Hoofdstuk 1 (H. 22c paragraaf 1) Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Weg over 't Hontsveld 24 Empe, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0213.TAMBG70001-on01 (ontwerp) en NL.IMRO.0213.TAMBG7001-va01 (vastgesteld) zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl en https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/zoeken/locatie.

Artikel 2 Begripsbepalingen

  • 1. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
  • 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend op het bepaalde in het eerste lid de volgende begripsbepalingen:
2.1 plan

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Weg over 't Hontsveld 24 Empe met identificatienummer NL.IMRO.0213.TAMBG7001-va01 (ontwerp) en NL.IMRO.0213.TAMBG7001-va01 (vastgesteld) van de gemeente Brummen;

2.2 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waarvoor regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

2.3 aan-huis-gebonden bedrijf

het bedrijfsmatig verlenen van diensten zoals een bed & breakfastvoorziening of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en de daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;

2.4 aan-huis gebonden beroep

een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, niet zijnde een seksinrichting, een escortbedrijf of detailhandel, uitgeoefend in een gebouw en als functie ondergeschikt aan de woonfunctie van het hoofdgebouw;

2.5 aardwetenschappelijke waarden

de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het aanwezig zijn van bijzondere aardkundige verschijnselen, zoals steilranden en bodemtypen;

2.6 archeologisch onderzoek

het verrichten van werkzaamheden met als doel het verzamelen van kennis en wetenschap van bekende of verwachte overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden;

2.7 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende bekende of te verwachten waarde in verband met de in dat gebied aanwezige archeologische sporen en relicten;

2.8 agrarische doeleinden

doeleinden die gericht zijn op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door middel van het houden van dieren (grondgebonden en niet-grondgebonden bedrijven) en/of het telen van gewassen, met uitzondering van glastuinbouw, tenzij anders is bepaald in deze regels;

2.9 bestaand
  • bij bouwwerken: bestaande bouwwerken, die op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig waren of krachtens een verleende bouwvergunning en/of omgevingsvergunning worden of mogen worden gebouwd;
  • bij gebruik: bestaand gebruik dat bestond op het tijdstip ten tijde van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan;
2.10 bebouwde oppervlakte

de som van de oppervlakte van alle gebouwen op een bouwperceel;

2.11 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

2.12 bed & breakfastvoorziening

een bedrijfsmatige activiteit gericht op het aanbieden van een recreatief nachtverblijf in de vorm van logies met ontbijt binnen de bestaande woning en/of daaraan verbonden bijbehorend bouwwerk. Het recreatief nachtverblijf is een van de (dienst)woning afhankelijk nachtverblijf zonder eigen kookvoorziening;

2.13 bedrijf

een inrichting voor de bedrijfsmatige uitoefening van industrie, ambacht, handel, vervoer of nijverheid;

2.14 bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

2.15 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, het vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

2.16 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan zelfstandige, bij elkaar behorende gebouwen en/of andere bouwwerken zijn toegelaten;

2.17 bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel;

2.18 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan;

2.19 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

2.20 cultuurhistorische waarde

de aan een bouwwerk, landschapselement of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik, dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk, landschapselement of dat gebied heeft gemaakt;

2.21 diepploegen

het omzetten van de grond, gemeten vanaf peil met een diepte van minimaal 0,80 m, ten behoeve van het agrarisch gebruik;

2.22 ecologische waarden

de aan een gebied toegekende waarden die verband houden met de aanwezigheid en samenhang van dieren en planten en hun leefomgeving en/of tussen dieren en planten onderling. Hiertoe worden in ieder geval gerekend de kernkwaliteiten NNN en de instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000;

2.23 erfbeplanting

beplanting ter plaatse van een erf, waaronder in ieder geval een houtsingel, hoogstamfruitboomgaard, hagen en solitaire bomen worden verstaan;

2.24 gebouw

elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

2.25 geriefhoutbosje

een bosje dat voornamelijk uit één boomsoort bestaat, zoals eik, es, wilg of els, en groter is dan 500 m2;

2.26 hobbymatig agrarisch grondgebruik

het uit liefhebberij/vrijetijdsbesteding houden van dieren en het onderhouden van gronden waarbij de omvang van de activiteit niet meer bedraagt dan 12 SO;

2.27 hoofdgebouw

een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige functie van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is;

2.28 hoofdwoonverblijf

de woning, die fungeert als het centrum van de sociale en maatschappelijke activiteiten van betrokkene en welke een voor permanente bewoning geschikte verblijfplaats is, dat tenminste bestaat uit een keuken, woon-, was- en slaapgelegenheid;

2.29 houtsingel

een brede landschappelijke afscheiding, vaak tussen weilanden, die bestaat uit bomen en struiken. Een houtsingel is een lijnvormig landschapselement van 4 tot maximaal 20 meter breed. Houtsingels lijken veel op houtwallen. Bij een houtwal is er sprake van een opgeworpen wal, waar de beplanting op staat en bestaat uit de beplantingssoorten;

  • Boomvormers: Quercus robur (Zomereik), Betula pendula (Ruwe berk) en Sorbus aucuparia (Wilde lijsterbes) en;
  • Struikvormers: Crataegus monogyna (Eenstijlige meidoorn), Acer campestre (Veldesdoorn), Viburnum opulus (Gelderse roos), Rosa canina (Hondsroos), Corylus avellana (Gewone hazelaar), Rhamnus frangula (Vuilboom), Ilex aquifolium (Gewone hulst), Vogelkers (Prunus Padus);
  • Incidenteel: Prunus avium (Zoetekers), Malus sylvestris (Wilde appel), Tilia x europea (Hollandse linde);
2.30 huishouden

bewoning door één persoon of vaste groep van personen die voor onbepaalde tijd een economisch-consumptieve eenheid vormt, waarbij sprake is van bloedverwantschap, huwelijksbinding of een daaraan in intensiteit en continuïteit gelijk te stellen mate van onderlinge verbondenheid;

2.31 knip- en scheerheg

een lijnvormig landschapselement langs kavelgrenzen (niet op of langs het woonerf), met aaneengesloten begroeiing van inheemse struiken (zoals eenstijlige meidoorn, veldesdoorn en sleedoorn), dat regelmatig wordt geknipt of geschoren;

2.32 landschapswaarde

de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van levende en niet-levende natuur;

2.33 loofbos

een cluster van loofbomen, zoals zomereik, gewone beuk, ruwe berk en wilde lijsterbes, met daartussen beplanting, zoals gewone hulst of venijnboom;

2.34 natuur

alle levende organismen, hun habitats, de ecosystemen waarvan zij deel uitmaken en de daarmee verbonden uit zichzelf functionerende ecologische processen. Hiertoe worden in ieder geval gerekend de kernkwaliteiten NNN en de instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000;

2.35 natuurwaarde

de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door de aanwezigheid en de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur, zoals geologische, geomorfologische, bodemkundige en/of biologische elementen. Hiertoe worden in ieder geval gerekend de kernkwaliteiten NNN en de instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000;

2.36 overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, omsloten door maximaal één wand en voorzien van een gesloten dak;

2.37 peil

de gemiddelde hoogte van het aan het bouwwerk aansluitende afgewerkte maaiveld;

2.38 permanente bewoning

gebruik van (een deel van) een gebouw als hoofdwoonverblijf;

2.39 seksinrichting

een voor publiek toegankelijk, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoning van erotische-pornografische aard plaatsvindt. Hieronder wordt in elk geval verstaan een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, sekstheater, of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

2.40 vogelbosje

een bosje dat voornamelijk uit (besdragende) struiken (zoals meidoorn, Gelderse roos en lijsterbes) bestaat en is niet groter is dan 500 m2;

2.41 woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten.

3.1 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.2 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel met uitzondering van dakkapellen en wolfseinden;

3.3 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

3.4 de oppervlakte van een bouwwerk

de oppervlakte van gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde:

  • a. Voor gebouwen: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren en/of het overkapte gedeelte, neerwaarts geprojecteerd tot op het peil.
  • b. Voor bouwwerken zonder wanden of met één wand (open overkappingen en daarmee vergelijkbare bouwwerken geen gebouwen zijnde: De overdekte en/of bebouwde grondoppervlakte (gemeten loodrecht onder het dakoppervlak en/of bouwwerk).
3.5 ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, luifels, gevelversieringen, standleidingen voor hemelwater, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen, gevel- of kroonlijsten, overstekende daken, goten, erkers, serres, balkons, trappen, bordessen, funderingen buiten beschouwing gelaten, mits het bouwdeel niet meer dan 1,7 meter buiten gevels en daken uit steekt.

3.6 maatvoering parkeerruimte

De ruimte voor het parkeren van auto's is afgestemd op gangbare personenauto's waaraan wordt voldaan indien de afmetingen van:

  • a. bedoelde parkeerruimten ten minste 2,5 x 5 meter in geval van kops parkeren en 2 x 6 meter bij langsparkeren bedragen;
  • b. een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte, voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst – ten minste 3, 5 x 6 meter bedragen.
  • c. bij het bepalen van de parkeernorm wordt op één decimaal nauwkeurig gerekend waarna de uitkomst wordt afgerond op hele getallen en waarbij vanaf 0,5 en hoger naar boven wordt afgerond.
3.7 Berekeningsaantal

Bij het voldoen aan de parkeernorm dient bij de navolgende parkeervoorzieningen uitgegaan te worden van het berekende aantal parkeerplaatsen conform onderstaande tabel:

Parkeervoorziening   Theoretisch aantal   Berekeningsaantal   Opmerking  
Enkele oprit zonder garage   1   0,8   Oprit min. 5,0 meter diep  
Lange oprit zonder garage of carport   2   1    
Dubbele oprit zonder garage   2   1,7   Oprit min. 4,5 meter breed  
Garage zonder oprit (bij woning)   1   0,4    
Garagebox (niet bij woning)   1   0,5    
Garage met enkele oprit   2   1   Oprit min. 5,0 meter diep  
Garage met lange oprit   3   1,3    
Garage met dubbele oprit   3   1,8   Oprit min. 4,5 meter breed  

3.8 Afronden

Bij het bepalen van de parkeernorm wordt op één decimaal nauwkeurig gerekend waarna de uitkomst wordt afgerond op hele getallen en waarbij vanaf 0,5 en hoger naar boven wordt afgerond.

Hoofdstuk 2 (H. 22c paragraaf 2) Functies en gebiedsaanwijzingen

Artikel 4 Agrarisch - Agrarisch met landschapswaarden

4.1 Functieomschrijving

Gronden binnen de functie 'Agrarisch - Agrarisch met landschapswaarden' mogen worden benut voor:

  • a. agrarische doeleinden, en het behoud, beheer en/of herstel van de landschappelijke, aardwetenschappelijke en ecologische waarden;
  • b. hobbymatig agrarisch grondgebruik;

met daaraan ondergeschikt:

  • c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • d. toegangswegen voor de aangrenzende (woon- of bedrijfs-) functies.

4.2 Beoordelingsregels
4.2.1 Toepassingsbereik

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden de in artikel 4.2 opgenomen beoordelingsregels.

4.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,25 meter.

4.3 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
4.3.1 Oprichten van een paardenbak

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een paardenbak te bouwen.

4.3.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.3.1 kan worden verleend, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. het bouwen van een paardenbak aansluitend op gronden met de functie 'Wonen' als bedoeld in artikel 6.3.1 kan worden toegelaten als wordt aangetoond dat dit niet binnen de functie 'Wonen' kan worden gerealiseerd;
  • b. de maximale afmetingen van de paardenbak bedragen 20 bij 60 meter;
  • c. de afstand van de paardenbak tot woningen van derden of andere gebouwen van derden bedraagt ten minste 50 meter, danwel de bestaande afstand indien deze minder bedraagt;
  • d. de activiteit leidt niet tot extra (licht)hinder voor omwonenden en niet tot een onevenredige aantasting van de aanwezige natuur- en landschapswaarden.
  • e. er wordt volledig rekening gehouden met de bestaande rechten van in de directe omgeving gelegen bedrijven en woningen en de bedrijven worden niet onevenredig in hun ontwikkelingsmogelijkheden geschaad;
4.3.3 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag omgevingsvergunning wordt door de initiatiefnemer een door het college goed te keuren inrichtingsplan overlegd, waarin in ieder geval het kleur- en materiaalgebruik afgestemd moet zijn op de landelijke omgeving.

4.4 Toegestane gebruiksactiviteiten
4.4.1 Toegestaan gebruik

Het is toegestaan om de gronden binnen deze functie te gebruiken voor:

  • a. agrarische doeleinden;
  • b. het behoud, beheer en/of herstel van de landschappelijke, aardwetenschappelijke en ecologische waarden;
  • c. het hobbymatig agrarische grondgebruik;

met daaraan ondergeschikt:

  • d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • e. toegangswegen voor de aangrenzende (woon- of bedrijfs-) functies

4.5 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
4.5.1 Vellen van bomen, hakhout en andere houtopstanden

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bomen, hakhout en andere houtopstanden te vellen en/of rooien danwel andere handelingen uit te voeren die de dood of beschadiging van de beplanting tengevolge kunnen hebben op de gronden binnen deze functie.

4.5.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.5.1 kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft, noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun functie;
  • b. geen significante aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van de gronden.
4.5.3 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag omgevingsvergunning toont de aanvrager de noodzaak van het uitvoeren van de werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden aan op basis van een onderzoek door een terzake deskundige partij waarbij tevens de mogelijke significante (nadelige) gevolgen voor de cultuurhistorische, landschappelijke, ecologische waarden en de waterhuishoudkundige kwaliteiten in beeld zijn gebracht;

4.5.4 Uitzonderingen vergunningplicht

Het in artikel 4.5.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden:

  • a. werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden in het kader van het normale beheer, gebruik en onderhoud;
  • b. werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden in het kader van natuur- en bosbeheer;
  • c. werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden die op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan legaal in uitvoering zijn danwel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning mogen worden uitgevoerd;
  • d. werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden die voortkomen uit (archeologisch) onderzoek;
  • e. werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden die voortkomen uit de uitvoering van het landschappelijk inpassingsplan, zoals opgenomen in Bijlage 1 bij deze regels.

4.6 Omgevingsvergunning gebruik gewasbeschermingsmiddelen
4.6.1 Verboden gebruik

Bij het telen van gewassen in de open lucht ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - vergunningsplicht gewasbeschermingsmiddelen' is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zonder omgevingsvergunning verboden.

4.6.2 Specifieke aanvraagvereisten

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in 4.6.1 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een omschrijving van de te telen gewassen;
  • b. een tekening waarop de gronden worden aangegeven waarop de gewassen worden geteeld en waar gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast;
  • c. een locatiespecifiek onderzoek waarin wordt aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen;
  • d. indien dit uit het onderzoek als bedoeld in lid c noodzakelijk blijkt, een landschappelijk inpassingsplan waarin de benodigde landschappelijke maatregelen worden uitgewerkt die nodig zijn om te komen tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen.
4.6.3 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in 4.6.1 wordt slechts verleend als;

  • a. er sprake is van aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen;
  • b. er sprake is van een goede landschappelijke inpassing indien dit noodzakelijk is op grond van een locatiespecifiek onderzoek.
4.6.4 Voorschriften

Bij een omgevingsvergunning als bedoeld in 4.6.1 kunnen – met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat – vergunningvoorschriften worden gesteld ten aanzien van:

  • a. de gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen toegepast mogen worden;
  • b. de landschappelijke inpassing om te komen tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen.

Artikel 5 Bos

5.1 Gebiedsomschrijving

De gronden binnen de functie 'Bos' mogen worden benut voor:

  • a. het behoud, herstel, ontwikkeling en bescherming van de aan natte omstandigheden gebonden landschappelijke en natuurlijke waarden ter plaatse van de aanduiding Overige zone - Natuurwaarden', en daaraan ondergeschikt de houtproductie;
  • b. de waterlopen, beken, andere oppervlaktewateren en bijbehorende natuurvriendelijke oevers;
  • c. het vasthouden, bergen en afvoeren van grond-, oppervlakte- en hemelwater;
  • d. extensief recreatief medegebruik.

en de daarbij behorende wegen, paden, voorzieningen, bestaande parkeervoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en andere bouwwerken (geen gebouw zijnde).

5.2 Beoordelingsregels
5.2.1 Toepassingsbereik

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden de in artikel 5.2 opgenomen beoordelingsregels.

5.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Op gronden met deze functie zijn andere bouwwerken ten behoeve van deze bestemming toegestaan en voor andere bouwwerken geldt het volgende:

  • a. de hoogte van overige andere bouwwerken mag maximaal 2 meter bedragen;
  • b. de in lid 5.2.2 onder a genoemde bouwwerken en het bijbehorende gebruik ervan geen nadelige gevolgen hebben voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het Gelders Natuurnetwerk zoals bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingsverordening Gelderland (februari 2022) of de rechtsopvolger hiervan.
5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Ten aanzien van de werken en werkzaamheden die mogelijk nadelige gevolgen kunnen hebben voor de landschappelijke en ecologische waarden is het omgevingsvergunningenstelsel zoals weergegeven in artikel 4.5 van toepassing.

Artikel 6 Wonen

6.1 Functieomschrijving

Gronden binnen de functie 'Wonen' mogen worden benut voor wonen in het aantal woningen zoals toegestaan binnen het ter plaatse op de verbeelding weergegeven bouwvlak, met daaraan ondergeschikt:

  • a. erven voor onder andere tuinen en parkeervoorzieningen;
  • b. het uitoefenen van een aan-huis-gebonden beroep en bedrijf;
  • c. het op hobbymatige basis houden van dieren.

6.2 Beoordelingsregels
6.2.1 Toepassingsbereik

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan van de gemeente Brummen gelden de in artikel 6.2 opgenomen beoordelingsregels.

6.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. een woning dient binnen een op de verbeelding weergegeven bouwvlak te worden gebouwd. Daarbij is één woning per bouwvlak zoals eveneens op de verbeelding is weergegeven, toegestaan;
  • b. voor woningen geldt een maximum oppervlakte van 150 m2;
  • c. de goothoogte van een woning bedraagt maximaal 3 meter;
  • d. de bouwhoogte van een woning bedraagt maximaal 9 meter;
  • e. indien de bestaande goothoogte, bouwhoogte en/oppervlakte hoger is dan de in de vorige leden genoemde maten, gelden deze als maximum;
  • f. onder het peil gelegen kelders en verblijfsruimten mogen de bebouwingscontour van de woning met maximaal één meter overschrijden;
  • g. in afwijking van het bepaalde onder 6.2.2onder f. mag voor een kelder de overschrijding van de bebouwingscontour van de woning aan één zijde van de woning meer bedragen dan één meter als dat voor de realisatie van een autolift nodig is;
  • h. het verlenen van een omgevingsvergunning voor de bouw van een woning is slechts mogelijk indien alle bouwwerken zoals opgenomen in Bijlage 2 'Overzicht te slopen gebouwen' bij de regels daadwerkelijk zijn gesloopt en permanent verwijderd zijn.
6.2.3 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken de volgende beoordelingsregels:

  • a. bijbehorende bouwwerken dienen te worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bijbehorende bouwwerken';
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van de bij woningen behorende bijbehorende bouwwerken mag per woning maximaal 75 m2 bedragen;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder 6.2.3 onder a. en b. zijn overkappingen ook buiten de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bijbehorende bouwwerken' toegestaan, mits de gezamenlijke oppervlakte van de overkappingen buiten de bouwaanduiding per woning maximaal 30 m2 bedragen;
  • d. de maximale bouwhoogte van overkappingen bedraagt 3 meter;
  • e. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 3 meter;
  • f. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken, anders dan overkappingen, bedraagt maximaal 6 meter.
6.2.4 Bouwwerken, geen gebouw en/of bijbehorend bouwwerk zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde en/of bijbehorend bouwwerk zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de maximale bouwhoogte van zwembaden bedraagt 0,6 meter;
  • b. de maximale bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt 8 meter;
  • c. de oppervlakte van het zwembad mag maximaal 75 m2 bedragen;
  • d. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken binnen de functie 'Wonen' mag maximaal 2 meter bedragen.

6.3 Toegestane gebruiksactiviteiten
6.3.1 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten

Het is toegestaan om gronden binnen deze functie te gebruiken voor het wonen in het aantal woningen zoals toegestaan binnen het ter plaatse op de verbeelding weergegeven bouwvlak, met daaraan ondergeschikt:

  • a. erven voor onder andere tuinen en parkeervoorzieningen;
  • b. het uitoefenen van een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf, mits wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 6.3.2;
  • c. het op hobbymatige basis houden van dieren.
6.3.2 Algemene regels aan-huis-gerbonden beroep of bedrijf

Het is toegestaan om een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf uit te oefenen, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. maximaal 50 m2 van de oppervlakte van de bebouwing mag worden gebruikt voor een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf;
  • b. deze activiteiten geen aanzienlijke verkeersaantrekkende werking hebben;
  • c. parkeren ten behoeve van een aan-huis-verbonden-gebonden beroep of bedrijf op eigen terrein plaatsvindt.

6.4 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
6.4.1 Recreatief medegebruik

Anders dan hetgeen bepaald onder artikel 6.3.2 bij recht is toegestaan, is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bouwwerken te gebruiken ten behoeve van recreatief medegebruik (logies en ontbijt, lichte horecavoorzieningen).

6.4.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.4.1 kan worden verleend, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de maximale oppervlakte voor deze nevenfunctie bedraagt 100 m² met maximaal 5 kamers binnen de woning en/of vrijstaande bijgebouwen;
  • b. het parkeren behorende bij de activiteit vindt plaats binnen het bouwperceel;
  • c. de verkeersaantrekkende werking neemt niet of slechts in beperkte mate toe (in relatie tot de wegcategorie en de bijbehorende capaciteit) en het verkeer kan in de toekomst zonder probleem via de bestaande wegen en paden worden afgewikkeld;
  • d. er wordt volledig rekening gehouden met de bestaande rechten van in de directe omgeving gelegen bedrijven en woningen (en de bedrijven worden niet onevenredig in hun ontwikkelingsmogelijkheden geschaad).
6.5 Verboden gebruiksactiviteiten

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het plan wordt in ieder geval begrepen:

  • a. het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten, anders dan in het kader van een aan huis gebonden bedrijf.

6.6 Gebruiksactiviteit - voorwaardelijke verplichting
  • a. Gebruik overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.1 en 6.3 is enkel toegestaan onder de voorwaarde dat er binnen een termijn van 3 jaar na start van de bouw van een woning de maatregelen zoals opgenomen in het landschappelijke inpassingsplan uit Bijlage 1 bij de regels op gronden aangeduid als 'overige zone - voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing' zijn uitgevoerd en duurzaam voor onbepaalde tijd in stand worden gehouden."
  • b. Bij omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag afwijken van het bepaalde onder 1 voor een langere termijn en/of een ander gelijkwaardig inpassingsplan, als daartoe een gemotiveerd verzoek wordt ingediend waarmee eveneens een zorgvuldige landschappelijk inpassing van de te bouwen woning kan worden bereikt.

Artikel 7 Overige zone - voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

7.1 Gebiedsaanduiding

Ter plaatse van de gebiedsaanwijzing 'Overige zone - voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing' zijn in aanvulling op het reeds toegestane gebruik de aanleg van landschapselementen zoals opgenomen in het landschappelijke inpassingsplan uit Bijlage 1 bij de regels toegestaan:

In afwijking van de artikelen 4, 5, 6 en 8 geldt voor de aanleg van landschapselementen op basis van Artikel 7 geen (omgevings)vergunningplicht.

Artikel 8 Overige zone - Natuurwaarden

8.1 Gebiedsomschrijving

Ter plaatse van de gebiedsaanwijzing 'Overige zone - Natuurwaarden' zijn de gronden die de functie 'Bos' dragen primair bestemd voor de instandhouding van het bos. Houtproductie is ter plaatse van deze gebiedsaanduiding ondergeschikt aan de instandhouding van de natuurwaarden.

Hoofdstuk 3 (H. 22c paragraaf 3) Algemene regels voor activiteiten

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel

Grond die in aanmerking genomen moet worden bij een verleende bouwvergunning mag, behoudens intrekking van die bouwvergunning, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe bouwvergunning in aanmerking worden genomen.

Artikel 10 Planologische gebruiksactiviteiten

10.1 Aanwijzing verboden gebruik
  • a. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.
  • b. Het is verboden bouwwerken, voor het bouwen waarvan op grond van de in dit omgevingsplan besloten regels, bij een omgevingsvergunning is afgeweken, te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met het doel, waarvoor bij die omgevingsvergunning is afgeweken.

Artikel 11 Parkeeractiviteiten

11.1 Parkeernormen
  • 1. een omgevingsvergunning voor het bouwen en / of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik kan pas worden verleend als is verzekerd dat op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen. Hierbij gelden de normen als opgenomen in de tabel in artikel 12.5;
  • 2. de onder 1. bedoelde parkeerplaatsen voor motorvoertuigen dienen de maatvoering te hebben conform het bepaalde in artikel 2.4.
11.2 Laden en lossen

Indien de functie van een bouwwerk of een terrein aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen met bijbehorende voorzieningen, moet, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik, zijn verzekerd dat op eigen terrein wordt voorzien in voldoende ruimte voor het laden en lossen met bijbehorende voorzieningen.

11.3 Afwijken van de parkeernormen
11.3.1 Aanwijzing

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 11.1 en artikel 11.2.

11.3.2 Beoordelingsregels

Voor de in artikel 11.3.1 bedoelde omgevingsvergunning gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. het voldoen aan de in artikel 11.1 en/of 11.2 bedoelde bepalingen is, gezien het gebruik en/of het bouwplan van het betreffende plangebied, mede gezien de omgeving, niet noodzakelijk en/of op overwegende bezwaren stuit, en / of;
  • b. er wordt op andere wijze in de nodige parkeerruimte voorzien.
11.3.3 Aanvraagvereisten

De aanvraag omgevingsvergunning moet worden voorzien van een motivering waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd blijft.

11.4 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aanvullend aan het bepaalde in artikel 11.1 en 11.2 ten behoeve van het verhogen van de parkeernormen en / of het aanleggen van voorzieningen voor het laden en lossen indien dat nodig is gelet op het gebruik en / of het bouwplan waarbij het (functioneren van) de omgeving mede betrokken wordt. Het besluit tot het stellen van de maatwerkvoorschrift moet worden voorzien van een motivering waaruit in ieder blijkt dat de eis noodzakelijk is om de ruimtelijke kwaliteit te borgen.

Een maatwerkvoorschrift kan tevens gesteld worden bij die (bouw)plannen waarvan de functie niet genoemd wordt in de tabel in artikel 11.5.

11.5 Tabel

De norm voor voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen op het eigen terrein is voor de volgende functies:

FUNCTIE   per   Buitengebied  
Wonen  
Koop, vrijstaand   woning   2,4  
Koop, twee-onder-een-kap   woning   2,2  
Koop, tussen/hoek   woning   2  
Koop, etage, duur   woning   2,1  
Koop, etage, midden   woning   1,9  
Koop, etage, goedkoop   woning   1,6  
Huurhuis, vrije sector   woning   2  
Huurhuis, sociale huur   woning   1,6  
Huurhuis, etage, duur   woning   1,9  
Huur, etage, goedkoop   woning   1,4  
Kamerverhuur, zelfstandig (niet-studenten)   kamer   0,7  
Kamerverhuur, studenten, niet-zelfstandig   kamer   0,25  
Aanleunwoning en serviceflat   kamer   1,2  

Artikel 12 Algemene regels voor functies en activiteiten

12.1 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden om locaties of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

12.2 Specifieke gebruiksverboden

In aanvulling op 12.1 wordt in elk geval als strijdig gebruik aangemerkt:

  • a. het wonen in een woning, anders dan de bestaande woning, zonder het aanleggen en het in standhouden van de landschapsmaatregelen conform het in Bijlage 1 bij de regels opgenomen landschappelijke inpassingsplan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inrichting;
  • b. het gebruiken of laten gebruiken van (vrijstaande) bijbehorende bouwwerken en/of bijgebouwen ten behoeve van (permanente) bewoning;
  • c. het gebruiken of laten gebruiken van verblijfsrecreatieve voorzieningen voor permanente bewoning;
  • d. het gebruiken of laten gebruiken van (een deel van) de woning voor een bed & breakfastvoorziening, met uitzondering van bed & breakfastvoorzieningen die bij recht of met een omgevingsvergunning zijn toegestaan;
  • e. het gebruiken of laten gebruiken van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning als recreatieappartement, met uitzondering van recreatieappartementen die bij recht of met een omgevingsvergunning zijn toegestaan;
  • f. het gebruiken of laten gebruiken van locaties en/of bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  • g. het gebruiken of laten gebruiken van locaties als kleinschalig kampeerterrein, met uitzondering van de kleinschalige kampeerterreinen die met een omgevingsvergunning zijn vergund.

Artikel 13 Aanvraagvereisten Overige activiteiten

13.1 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan van de gemeente Brummen, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 4 (H. 22c paragraaf 4) Overgangsregels

Artikel 14 Overgangsrecht

14.1 Overgangsrecht bouwwerken
14.1.1 Algemeen
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Weg over 't Hontsveld 24 Empe' aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Weg over 't Hontsveld 24 Empe', mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
      • gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
      • na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
14.1.2 Afwijking

Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig afwijken in afwijking van artikel 14.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 14.1.1 met maximaal 10%.

14.1.3 Uitzondering

Artikel 14.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

14.2 Overgangsrecht gebruik
14.2.1 Algemeen

Het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van de functie (of andere gebiedsaanwijzing) als bedoeld in hoofdstuk 2 dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Weg over 't Hontsveld 24 Empe' en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

14.2.2 Verbod

Het is verboden het met dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Weg over 't Hontsveld 24 Empe' strijdige gebruik, bedoeld in artikel 14.2.1 te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Weg over 't Hontsveld 24 Empe' strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

14.2.3 Onderbroken gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in artikel 14.2.1 na het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Weg over 't Hontsveld 24 Empe' voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

14.2.4 Uitzondering

Artikel 14.2.1 is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan van rechtswege voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.