| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Diverse locaties LBV+ II |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0203.TAMOP0013-0002 |
Dit plan omvat 4 projectlocaties: Wencopperweg 102 en Kapweg 20 in Kootwijkerbroek en Dronkelaarseweg 6 en Dwarsgraafweg 3-01 in Barneveld.
Wencopperweg 102, Kootwijkerbroek
Voor de locatie Wencopperweg 102 in Kootwijkerbroek is een verzoek ingediend om planologische medewerking aan een herontwikkeling van het erf. Het betreft een functiewijziging van een voormalig agrarisch erf naar een niet-agrarische bedrijfsfunctie, inclusief de sloop van agrarische opstallen, de nieuwbouw van een bedrijfsgebouw en het hergebruik van de bestaande woning. Daarbij wordt voorgesteld de bestaande woning te splitsen in twee bedrijfswoningen met een gezamenlijke inhoud van maximaal 957 m³. Deze splitsing is opgenomen onder voorbehoud van een nadere planologische onderbouwing. De gewenste ontwikkeling is niet passend binnen het geldende Omgevingsplan van de gemeente Barneveld. Met deze reden is het voorliggende TAM-IMRO plan Hoofdstuk 22m Diverse locaties LBV+ II opgesteld.
Projectlocatie Wencopperweg 102 Kootwijkerbroek.
Kapweg 20, Kootwijkerbroek
Voor de locatie Kapweg 20 in Kootwijkerbroek is een verzoek ingediend om planologische medewerking aan een herontwikkeling van het erf. Het plan voorziet in de sloop van agrarische bebouwing en de herontwikkeling naar een kleinschalige niet-agrarische bedrijfsfunctie met landschappelijke inpassing en natuurinclusieve maatregelen. De gewenste ontwikkeling is niet passend binnen het geldende Omgevingsplan van de gemeente Barneveld. Met deze reden is het voorliggende TAM-IMRO plan Hoofdstuk 22m Diverse locaties LBV+ II opgesteld.
Projectlocatie Kapweg 20 Kootwijkerbroek.
Dronkelaarseweg 6, Barneveld
Voor de locatie Dronkelaarseweg 6 in Barneveld is een verzoek ingediend om planologische medewerking aan een herontwikkeling van het erf. De ontwikkeling bestaat uit een functiewijziging van een voormalig agrarisch erf naar een niet-agrarische bedrijfsfunctie met nieuwbouw van een bedrijfsgebouw. De gewenste ontwikkeling is niet passend binnen het geldende Omgevingsplan van de gemeente Barneveld. Met deze reden is het voorliggende TAM-IMRO plan Hoofdstuk 22m Diverse locaties LBV+ II opgesteld.
Projectlocatie Dronkelaarseweg 6 Barneveld.
Dwarsgraafweg 3-01, Barneveld
Voor de locatie Dwarsgraafweg 3-01 is een verzoek ingediend om planologische medewerking aan een herontwikkeling van het agrarisch erf in het kader van de LBV+-regeling. De agrarische bedrijfsactiviteiten worden beëindigd en de bestaande opstallen worden gesloopt. Het perceel wordt herontwikkeld met een niet-agrarische bedrijfsfunctie, waarvoor nieuwbouw van een bedrijfsgebouw is voorzien. De bestaande woning wordt behouden en niet gesplitst. De gewenste ontwikkeling past niet binnen het geldende Omgevingsplan van de gemeente Barneveld. Om deze reden is het voorliggende TAM-IMRO plan Hoofdstuk 22m Diverse locaties LBV+ II opgesteld.
Projectlocatie Dwarsgraafweg 3-01 Barneveld.
Het TAM-omgevingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting (inclusief bijlagen). Na de inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige en toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt de toekomstige situatie beschreven, waarbij al kort wordt aangehaakt op de verschillende ruimtelijke aspecten. In hoofdstuk 4 wordt het relevante beleid dat ten grondslag ligt aan het TAM-omgevingsplan geformuleerd. De fysieke en milieukundige omgevingsaspecten die van invloed kunnen zijn op de ruimtelijke ontwikkeling komen aan bod in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 richt zich op de juridische aspecten van dit TAM-omgevingsplan. In hoofdstuk 7 wordt de economische uitvoerbaarheid van het plan besproken en tot slot wordt in hoofdstuk 8 de focus gelegd op de participatie en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
Wencopperweg 102 in Kootwijkerbroek
Het plangebied ligt aan de Wencopperweg 102 in het buitengebied van Kootwijkerbroek. De omgeving van Wencopperweg 102 in de gemeente Barneveld is landelijk van karakter en wordt gekenmerkt door een open agrarisch landschap met voornamelijk weilanden en akkerbouwgronden. Het perceel ligt in het buitengebied.
Aan de noordzijde grenst het perceel aan agrarische gronden die vrij uitzicht bieden over het omliggende landschap. Aan de oostzijde loopt de Wencopperweg zelf, waaraan meerdere erven en agrarische percelen liggen. De zuidzijde wordt begrensd door een perceel met landschappelijke beplanting en enkele verspreide bomen. Aan de westzijde bevindt zich eveneens agrarisch gebied met open percelen en enkele erfbeplantingen.
De omgeving is overwegend rustig en kent weinig bebouwing, met uitzondering van enkele agrarische erven in de directe nabijheid. De locatie is goed bereikbaar via de Wencopperweg en ligt op relatief korte afstand van de A30, wat zorgt voor een goede ontsluiting naar regionale infrastructuur.
Het plangebied aan de Wencopperweg 102 wordt aan de noordzijde begrensd door agrarische gronden. Aan de oost-, de zuid- en de westzijde vormen eveneens agrarische percelen en landschappelijke elementen, zoals erfbeplanting en houtwallen, de grens van het plangebied. Onderstaande afbeelding geeft de begrenzing van het plangebied weer.
fbeelding 2.1: begrenzing plangebied Wencopperweg 102
Kapweg 20 in Kootwijkerbroek
Het plangebied bevindt zich aan de Kapweg 20 in het buitengebied van Kootwijkerbroek, binnen de gemeente Barneveld. De locatie ligt ten zuiden van de dorpskern en maakt deel uit van een agrarisch cultuurlandschap met een kleinschalige verkavelingsstructuur en verspreid liggende erven. Aan de noordzijde grenst het perceel aan een agrarisch erf, terwijl aan de oostzijde de Kapweg ligt, met daarachter agrarische percelen. Aan de zuid- en westzijde wordt het erf omsloten door graslanden, erfbeplanting en enkele bomenrijen.
De directe omgeving wordt gekenmerkt door een open, landelijk karakter met lage bebouwingsdichtheid en overwegend agrarisch gebruik. De Kapweg biedt directe ontsluiting van het perceel en verbindt de locatie met het omliggende wegennet. De A1 bevindt zich ten noorden en is via de Wencopperweg goed bereikbaar.
Afbeelding 2.2: begrenzing plangebied Kapweg 20 in Kootwijkerbroek
Dronkelaarseweg 6 in Barneveld
Het plangebied is gelegen aan de Dronkelaarseweg 6 in het buitengebied ten oosten van de kern Barneveld. De locatie ligt in een overwegend agrarisch gebied, gekenmerkt door een mix van open graslanden, akkerbouwgronden en verspreid liggende agrarische erven. Aan de noord- en westzijde wordt het perceel begrensd door agrarisch gebruik; aan de oostzijde ligt de Dronkelaarseweg met daarachter eveneens agrarische percelen. De zuidzijde grenst aan een agrarisch erf met erfbeplanting.
Het erf omvat een voormalig agrarisch bedrijf met een bedrijfswoning, diverse stallen en bijgebouwen, voornamelijk bestemd voor de kalverhouderij. Het totaal aan bebouwing bedraagt circa 4.444 m². De agrarische bedrijfsvoering is inmiddels beëindigd en het erf wordt herontwikkeld in het kader van de beëindigingsregeling LBV+. In het kader van de herontwikkeling worden de bestaande opstallen gesloopt en wordt op het perceel een nieuw bedrijfsgebouw gerealiseerd. De bestaande woning blijft behouden en wordt niet gesplitst.
Aan de noord- en oostzijde van het perceel liggen agrarische gronden met een vrij uitzicht over het omliggende landschap. Aan de zuidzijde bevindt zich een erfbeplanting met enkele houtwallen. Aan de westzijde is eveneens sprake van open percelen, afgewisseld met landschappelijke elementen.
De locatie is goed bereikbaar via de Dronkelaarseweg, die fungeert als ontsluitingsweg voor het omliggende agrarische gebied. De omgeving wordt gekenmerkt door verspreid liggende erven en een open, landelijk karakter. De landschappelijke structuur is grotendeels behouden gebleven en biedt goede aanknopingspunten voor een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de voorgenomen ontwikkeling.
Afbeelding 2.3: begrenzing plangebied Dronkelaarseweg 6 in Barneveld
Dwarsgraafweg 3-01 in Barneveld
Het plangebied is gelegen aan de Dwarsgraafweg 3-01, in het buitengebied ten noorden van Voorthuizen, binnen de gemeente Barneveld. De omgeving wordt gekenmerkt door een kleinschalig agrarisch cultuurlandschap met open percelen, afgewisseld met houtwallen, erfbeplanting en enkele bosjes. Deze landschappelijke elementen zorgen voor een groene, gevarieerde structuur die goed past binnen het karakteristieke buitengebied van de Gelderse Vallei.
Aan de noordzijde grenst het perceel aan agrarisch gebied met graslanden en akkers. De oostzijde wordt gevormd door de Dwarsgraafweg, waaraan verspreid liggende agrarische erven zijn gesitueerd. Aan de zuidzijde bevinden zich eveneens landbouwpercelen, met op enige afstand een erf met landschappelijke inpassing. De westzijde wordt begrensd door een perceel met erfbeplanting en enkele solitaire bomen.
De directe omgeving is landelijk van karakter en kent een lage bebouwingsdichtheid. De locatie is goed ontsloten via de Dwarsgraafweg, met aansluiting op de N801 en de N310. Via de N310 is de A1 goed bereikbaar, wat zorgt voor een vlotte verbinding met de regionale infrastructuur.
Afbeelding 2.4: begrenzing plangebied Dwarsgraafweg 3-01 in Barneveld
Wencopperweg 102, Kootwijkerbroek
Het plangebied ligt in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege (hierna: het omgevingsplan). Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan en de bruidsschat.Op dit moment geldt binnen dit tijdelijke omgevingsplan het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Op grond van het tijdelijk omgevingsplan heeft het plangebied de functie 'Agrarisch’ met de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ . Daarnaast geldt binnen dit tijdelijke omgevingsplan voor de locatie het bestemmingsplan "Parapluherziening Cultuurhistorie-Archeologie". De locatie heeft hierin de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2'. Hiermee is de eerder opgenomen dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie' uit het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" komen te vervallen.
Kapweg 20, Kootwijkerbroek
Het plangebied maakt onderdeel uit van het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege (hierna: het omgevingsplan). Dit tijdelijke plan bestaat uit de vigerende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan en de zogenoemde bruidsschat.
Voor deze locatie geldt op dit moment het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", waarin het plangebied is aangeduid als ‘Agrarisch’ met de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ . Dit is een voortzetting van de voormalige bestemming ‘Agrarisch’, al dan niet met specifieke aanduidingen of dubbelbestemmingen.Daarnaast is het plangebied opgenomen in de "Parapluherziening Cultuurhistorie-Archeologie".
In dat kader is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ van toepassing verklaard. Daarmee is de eerder in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" opgenomen dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ vervallen.
Dronkelaarseweg 6, Barneveld
Het plangebied ligt in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege (hierna: het omgevingsplan). Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan en de bruidsschat. Op dit moment geldt binnen dit tijdelijke omgevingsplan het bestemmingsplan “Buitengebied 2012”.
Op grond van dit bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch’ met de aanduiding ‘intensieve veehouderij’. Dit betekent dat ter plaatse agrarische bedrijfsactiviteiten met bijbehorende bebouwing zijn toegestaan. Daarnaast geldt op de locatie ook het bestemmingsplan “Parapluherziening Cultuurhistorie-Archeologie”, waarmee de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2' van toepassing is geworden. De eerder opgenomen dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie' uit het bestemmingsplan “Buitengebied 2012” is daarmee vervallen.
Dwarsgraafweg 3-01,Kootwijkerbroek
Ook dit plangebied valt binnen het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege. Dit tijdelijke omgevingsplan omvat onder meer de geldende bestemmingsplannen, bijbehorende verordeningen en de bruidsschat.
De locatie wordt planologisch gereguleerd via het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Hierbinnen heeft het perceel de bestemming ‘Agrarisch’ met de aanduiding ‘intensieve veehouderij’. Dit houdt in dat agrarische activiteiten en bijbehorende bedrijfsbebouwing zijn toegestaan. Eveneens is de "Parapluherziening Cultuurhistorie-Archeologie" van toepassing op het plangebied.
Binnen dit herziene plan is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ toegekend, waarmee de eerdere dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ uit het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" formeel is komen te vervallen.
2.2.2 Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan
Wencopperweg 102, Kootwijkerbroek
Het voorliggende initiatief is in strijd met het omgevingsplan. Het plan voorziet in het beëindigen van de agrarische bedrijfsvoering en het realiseren van een niet-agrarische bedrijfsfunctie met een bedrijfsgebouw van 877 m² waarbij de voormalige bedrijfswoning wordt gesplitst. Binnen de huidige agrarische bestemming is deze functieverandering niet toegestaan. Het plan past dus niet binnen de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden van het tijdelijke omgevingsplan.
Ook zijn in het omgevingsplan geen mogelijkheden opgenomen die uitvoering van het initiatief mogelijk maken via een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (OPA) of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Om de ontwikkeling planologisch-juridisch mogelijk te maken, is daarom een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk.
Kapweg 20, Kootwijkerbroek
Het voorliggende initiatief is in strijd met het omgevingsplan. Het plan voorziet in het beëindigen van de agrarische bedrijfsvoering en het realiseren van een niet-agrarische bedrijfsfunctie met een bedrijfsgebouw van 1.000 m². Binnen de huidige agrarische bestemming is deze functieverandering niet toegestaan. Het plan past dus niet binnen de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden van het tijdelijke omgevingsplan.
Ook zijn in het omgevingsplan geen mogelijkheden opgenomen die uitvoering van het initiatief mogelijk maken via een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (OPA) of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Om de ontwikkeling planologisch-juridisch mogelijk te maken, is daarom een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk.
Dronkelaarseweg 6, Barneveld
Het voorliggende initiatief is in strijd met het omgevingsplan. Het plan voorziet in het beëindigen van de agrarische bedrijfsvoering en het realiseren van een niet-agrarische bedrijfsfunctie met een bedrijfsgebouw van 750 m². Binnen de huidige agrarische bestemming is deze functieverandering niet toegestaan. Het plan past dus niet binnen de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden van het tijdelijke omgevingsplan.
Ook zijn in het omgevingsplan geen mogelijkheden opgenomen die uitvoering van het initiatief mogelijk maken via een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (OPA) of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Om de functieverandering planologisch-juridisch mogelijk te maken, is daarom een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk.
Dwarsgraafweg 3-01,Kootwijkerbroek
Het plan voorziet in het beëindigen van de agrarische functie op de locatie Dwarsgraafweg 3-01 en in de realisatie van een bedrijfsfunctie met een bedrijfsgebouw van circa 556 m². Tevens wordt de reeds bestaande inwoning formeel gesplitst. Binnen de geldende agrarische functie is deze functieverandering niet toegestaan. Het plan past dus niet binnen de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden van het tijdelijke omgevingsplan.
Ook zijn in het omgevingsplan geen mogelijkheden opgenomen die uitvoering van het initiatief mogelijk maken via een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (OPA) of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Om de ontwikkeling planologisch-juridisch mogelijk te maken, is daarom een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk.
Hieronder wordt per adres een planbeschrijving gegeven.
Wencopperweg 102, Kootwijkerbroek
Het plan voor de locatie Wencopperweg 102 in Kootwijkerbroek voorziet in de herontwikkeling van een voormalig agrarisch erf naar een woonlocatie. De bestaande agrarische functies worden beëindigd, waarna op het perceel één vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen wordt gerealiseerd. Tevens wordt de woning formeel gesplitst, zodat er een woongebouw ontstaat.
De ontwikkeling houdt rekening met een zorgvuldige landschappelijke inpassing door middel van het behoud van bestaande groenstructuren, het toevoegen van erfbeplanting conform het inpassingsplan.
Verkeerskundig wordt de woning ontsloten via de bestaande eigen oprit aan de Wencopperweg, waarbij voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein wordt gerealiseerd.
Met dit plan wordt een duurzame, toekomstbestendige en landschappelijk verantwoorde herontwikkeling van het erf gerealiseerd.
afbeelding 3.1 Beoogd plan Wencopperweg 102
De ontwikkeling past binnen het gemeentelijk beleid voor functieverandering in het buitengebied. Door sloop van verouderde agrarische bebouwing en realisatie van een passende woning wordt de ruimtelijke kwaliteit versterkt. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in lijn met artikel 2.1 van de Omgevingswet. Alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving zijn zorgvuldig onderzocht en afgewogen. De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de omgeving en draagt bij aan de kwaliteit en leefbaarheid van het gebied.
Kapweg 20, Kootwijkerbroek
Het voorliggende plan voor Kapweg 20 in Kootwijkerbroek omvat de herontwikkeling van een voormalig agrarisch erf naar een niet-agrarisch bedrijf. De bestaande agrarische functies worden beëindigd, waarna op het perceel één vrijstaande woning wordt gerealiseerd met bijbehorende bijgebouwen.
De ontwikkeling houdt rekening met een zorgvuldige landschappelijke inpassing door middel van het behoud van bestaande groenstructuren, het toevoegen van erfbeplanting conform het inpassingsplan, en de situering van de woning passend binnen het karakter van het buitengebied.
Verkeerskundig wordt de woning ontsloten via een eigen oprit aan de Kapweg, waarbij voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein wordt gerealiseerd.
Met dit plan wordt een duurzame, toekomstbestendige en landschappelijk verantwoorde herontwikkeling van het erf gerealiseerd, passend binnen de toekomstige bestemming 'wonen'.
Afbeelding 3.2 Beoogd plan Kapweg 20
Dronkelaarseweg 6, Barneveld
Het voorliggende plan voor Dronkelaarseweg 6 in Barneveld omvat de herontwikkeling van een voormalig agrarisch erf naar een niet-agrariche bedrijf. De bestaande agrarische functies worden beëindigd, waarna op het perceel een vrijstaande woning behouden blijft met bijbehorende bijgebouwen.
De ontwikkeling houdt rekening met een zorgvuldige landschappelijke inpassing door middel van het behoud van bestaande groenstructuren, het toevoegen van erfbeplanting conform het inpassingsplan, en de situering van de woning passend binnen het karakter van het buitengebied.
Verkeerskundig wordt de woning ontsloten via een eigen oprit aan de Dronkelaarseweg, waarbij voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein wordt gerealiseerd.
Met dit plan wordt een duurzame, toekomstbestendige en landschappelijk verantwoorde herontwikkeling van het erf gerealiseerd, passend binnen de toekomstige bestemming 'wonen'.
Afbeelding 3.3 Dronkelaarsweg 6
Motivering en evenwichtige toedeling van functies aan locaties
De ontwikkeling past binnen het gemeentelijk beleid voor functieverandering in het buitengebied. Door sloop van verouderde agrarische bebouwing en behoudt van de woning wordt de ruimtelijke kwaliteit versterkt. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in lijn met artikel 2.1 van de Omgevingswet. Alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving zijn zorgvuldig onderzocht en afgewogen. De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de omgeving en draagt bij aan de kwaliteit en leefbaarheid van het gebied.
Dwarsgraafweg 3-01, Kootwijkerbroek
Het voorliggende plan voor Dwarsgraafweg 3-01 in Barneveld omvat de herontwikkeling van een voormalig agrarisch erf naar niet-agrariche bedrijf . De bestaande agrarische functies worden beëindigd, waarna op het perceel één vrijstaande woning behouden blijft met bijbehorende bijgebouwen.De ontwikkeling houdt rekening met een zorgvuldige landschappelijke inpassing door middel van het behoud van bestaande groenstructuren, het toevoegen van erfbeplanting conform het inpassingsplan, en de situering van de woning passend binnen het karakter van het buitengebied.Verkeerskundig wordt de woning ontsloten via een eigen oprit aan de Dwarsgraafweg, waarbij voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein wordt gerealiseerd.
Afbeelding 3.4 Dwarsgraafweg 3-01
Conclusie
Om een evenwichtige toedeling van functies aan de locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7). Indien het initiatief in strijd is met de omgevingsvisie, provinciale verordening of rijksbeleid is er geen sprake van een evenwichtige toedeling van functie aan de locatie en is het niet mogelijk om medewerking te verlenen aan dit plan.
In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op het relevante beleidskader voor de activiteiten en worden de activiteiten hieraan getoetst. Het gaat om beleid en beleidsnota's die direct dan wel indirect doorwerken in het omgevingsplan of invloed hebben op de regels. Van deze nota's is hierna per bestuursniveau een beknopte samenvatting gegeven.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen aan de ene kant beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, maar waar gemotiveerd van afgeweken kan worden; en aan de andere kant instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). De regels uit het Bkl worden in hoofdstukken 4 en 5 van dit plan gemotiveerd getoetst aan de activiteit.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten:
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
Doorwerking in plangebied
Doorwerking in plangebied – aansluiting op NOVIHet voorliggende plan sluit aan bij de uitgangspunten van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), waarin de vier prioriteiten richtinggevend zijn voor een duurzame inrichting van Nederland. De ontwikkeling draagt op meerdere punten bij aan de ambities zoals geformuleerd in de NOVI.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
De ontwikkeling voorziet in de realisatie van een nieuwe woning die aardgasloos wordt gebouwd, met toepassing van duurzame installaties en materialen. Door tevens te voorzien in extra groen en waterdoorlatende verharding wordt bijgedragen aan klimaatadaptatie. Hiermee sluit het plan aan op het streven naar een toekomstbestendige en veerkrachtige leefomgeving.
Duurzaam economisch groeipotentieel
De beëindiging van het agrarisch gebruik past binnen het landelijk beleid gericht op het stimuleren van functieverandering op locaties zonder toekomstperspectief voor intensieve agrarische activiteiten, zoals veehouderij.Door vrijkomende agrarische locaties zorgvuldig te herontwikkelen, wordt ruimte geboden aan andere functies, zonder dat dit leidt tot verdere verrommeling van het buitengebied.
Sterke en gezonde steden en regio’s
De ontwikkeling draagt bij aan een gevarieerd en aantrekkelijk woonmilieu in het buitengebied, in balans met de omgevingskwaliteiten. De landschappelijke inpassing bevordert een goede leefomgeving voor huidige en toekomstige bewoners. Tevens wordt de omgevingskwaliteit versterkt door de sloop van verouderde, agrarische bebouwing.
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
Met het plan wordt invulling gegeven aan de gewenste transitie van het landelijk gebied.
De functieverandering draagt bij aan het streven om het buitengebied toekomstbestendig, duurzaam en zorgvuldig ingericht te houden. De ontwikkeling sluit aan bij het beleid dat inzet op het beëindigen van agrarische functies zonder ontwikkelperspectief, en biedt ruimte voor functies die beter passen bij de veranderende maatschappelijke en economische realiteit van het buitengebied.
Het plan draagt bij aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit door het behoud van karakteristieke openheid, het versterken van landschappelijke structuren zoals beplanting en erfafscheidingen, en het tegengaan van verdere verrommeling. Daarnaast ontstaat door herontwikkeling ruimte voor functies die inspelen op maatschappelijke opgaven, zoals woningbouw, natuurinclusiviteit, biodiversiteit, kleinschalige bedrijvigheid of recreatief medegebruik.
Door functieverandering gericht vorm te geven binnen duidelijke ruimtelijke kaders, blijft het buitengebied leefbaar, economisch relevant en ecologisch robuust. Deze ontwikkeling is daarmee een voorbeeld van zorgvuldig ruimtegebruik in het kader van de brede transitie van het landelijk gebied.
Conclusie
De ontwikkeling past binnen het duurzaam perspectief van de NOVI. Het initiatief levert een positieve bijdrage aan de fysieke leefomgeving en draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, met oog voor de lange termijnopgaven zoals benoemd in de nationale belangen.
Het nationaal waterprogramma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein:
De gevolgen van klimaatverandering vergroten de huidige opgaven voor waterveiligheid, wateroverlast, zoetwater- en drinkwatervoorziening, waterkwaliteit, naerfgoed en de scheepvaart. Nederland moet zich aanpassen en klimaatadaptatie is daarbij noodzakelijk. Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het water- en bodemsysteem meegenomen als leidend principe. Daarmee zetten we, nog meer dan voorheen, in op een fysieke leefomgeving die rekening houdt met de natuurlijke eigenschappen van het bodem- en watersysteem. En met de mogelijkheden en beperkingen die dit systeem met zich meebrengt.
Doorwerking in plangebied
De bevindingen en resultaten van de afweging van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf (§ 5.18).
In het Bkl zijn de instructieregels van het rijk opgenomen voor het omgevingsplan. Het Bkl bevat instructieregels die zien op:
Daarnaast bevat Afdeling 5.2 instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Deze instructieregels gaan over;
Afdeling 5.3 bevat regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan.
Doorwerking in plangebied
In Hoofdstuk 5 wordt ingegaan op voor deze locatie van toepassing zijnde instructieregels.
Algemeen
De provincie Gelderland heeft een Omgevingsvisie en -verordening. Deze plannen gaan over verkeer, water, natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysiek leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. De Omgevingswet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in gesprek met de omgeving. Wanneer het nodig is, actualiseert de provincie onderdelen van de Omgevingsvisie en -verordening.
Provinciale staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 vervangt na publicatie de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. Anders dan de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018, geeft de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 richting op de strategische hoofdlijnen van het beleid. Beide visies integreren een vijftal wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving; te weten ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer.
Gelderland werkt samen met partners aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit doen ze door zich bij het uitvoeren van onze taken te richten op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met hulp van zeven onderwerpen geven ze hier richting aan:
De omgevingsvisie "Gaaf Gelderland" specifieke verwijzingen maakt naar de volgende thema's:
Doorwerking in plangebied
Wencopperweg 102, Kootwijkerbroek
Het plan sluit aan bij deze uitgangspunten omdat de agrarische functie op het perceel wordt beëindigd,
landschapsontsierende bedrijfsbebouwing wordt gesloopt,en de bestaande woning wordt behouden en formeel gesplitst, met daarbij een passende landschappelijke inpassing.
Daarmee wordt ruimtelijke kwaliteit toegevoegd en draagt het plan bij aan een zorgvuldig ingerichte en toekomstbestendige leefomgeving
Kapweg 20, Kootwijkerbroek
De ontwikkeling aan de Kapweg 20 sluit inhoudelijk en ruimtelijk aan bij de uitgangspunten van de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Het beëindigen van de agrarische functie, gecombineerd met de sloop van landschapsontsierende bedrijfsbebouwing en de herinrichting van het erf met een vrijstaande woning en een kleinschalig bedrijfsgebouw, draagt bij aan een meer duurzame, toekomstbestendige inrichting van het buitengebied.
De landschappelijke kwaliteit wordt versterkt door toepassing van inheemse beplanting en klimaatadaptieve maatregelen, zoals een wadi voor waterberging. De ontwikkeling is daarmee in lijn met de provinciale ambities op het gebied van circulaire economie, klimaatadaptatie, biodiversiteit en het verbeteren van het woon- en leefklimaat in landelijk gebied.
Dronkelaarseweg 6, Barneveld
De ontwikkeling aan de Dronkelaarseweg 6 sluit aan bij de uitgangspunten van de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. De beëindiging van de agrarische functie, in combinatie met de sloop van verouderde agrarische bedrijfsbebouwing en de realisatie van een nieuw bedrijfsgebouw met een beperkte ruimtelijke impact, draagt bij aan het zorgvuldig hergebruiken van een vrijkomend agrarisch erf.
De ontwikkeling voorziet tevens in een passende landschappelijke inpassing, waaronder de aanplant van een houtsingel, bomenrijen en het behoud van bestaande groenstructuren. Daarnaast wordt ingezet op duurzaamheid door het gasloos bouwen en het toepassen van klimaatadaptieve maatregelen zoals een ecologische wadi. Hiermee wordt ruimtelijke kwaliteit toegevoegd en wordt bijgedragen aan een toekomstbestendige en robuuste inrichting van het landelijk gebied.
Dwarsgraafweg 3-01, Kootwijkerbroek
Ook de ontwikkeling aan de Dwarsgraafweg 3-01 is in overeenstemming met de doelstellingen van de Omgevingsvisie. Door beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering en sloop van verouderde opstallen ontstaat ruimte voor een nieuwe functie met beperkte ruimtelijke impact.
De herinrichting vindt plaats met respect voor de landschappelijke context en omvat maatregelen zoals de aanplant van een houtsingel, bomenrijen, het behouden van bestaande groenstructuren en de aanleg van een ecologische wadi. Daarmee wordt invulling gegeven aan meerdere provinciale speerpunten, waaronder klimaatadaptatie, biodiversiteit, energiezuinig bouwen en een versterkt woon- en leefklimaat.
Conclusie
De initiatieven aan de Wencopperweg 102, Kapweg 20, Dronkelaarseweg 6 en Dwarsgraafweg 3-01 passen binnen de strategische kaders van de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018. Ze geven invulling aan provinciale ambities op het gebied van duurzaamheid, zorgvuldig ruimtegebruik, landschappelijke versterking en leefkwaliteit. Daarmee leveren de projecten een structurele bijdrage aan een robuuste, toekomstgerichte inrichting van het Gelderse buitengebied.
Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren heeft de provincie verschillende instrumenten, waarvan de Omgevingsverordening er één is. Deze richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening Gelderland heeft de status van ruimtelijke verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening. De 'Ruimtelijke Verordening Gelderland' en de 'Ruimtelijke Verordening Gelderland, eerste herziening', zijn ingetrokken.
De Omgevingsverordening is met ingang van 1 januari 2024 in werking getreden. De provincie actualiseert regelmatig de Omgevingsverordening. De Provinciale Staten kunnen bij omgevingsverordening regels stellen over de uitoefening van taken of bevoegdheden aan de gemeente (instructieregels). De volgende instructieregels en instructies zijn in hoofdstuk 5 van de provinciale verordening opgenomen:
Wencopperweg 102, Kootwijkerbroek
Gebiedsaanwijzingen van toepassing
Landschap en kernkwaliteiten
De ontwikkeling versterkt de landschappelijke kwaliteit, zoals bedoeld in Afdeling 5.3 van de Omgevingsverordening. Door de sloop van verouderde agrarische bebouwing en de realisatie van een woning met passende erfbeplanting wordt recht gedaan aan het kenmerkende agrarische landschap van de Gelderse Vallei.
Klimaatadaptatie
Conform artikel 5.85 wordt voorzien in hittestressreductie, waterinfiltratie en gebruik van duurzame materialen.
Kapweg 20, Kootwijkerbroek
Gebiedsaanwijzingen van toepassing
Landschap en kernkwaliteiten
Het plan draagt bij aan het versterken van de landschappelijke kwaliteit zoals bedoeld in Afdeling 5.3 van de verordening. Door sloop van verouderde bebouwing en realisatie van een woning met passende beplanting wordt recht gedaan aan de kernkwaliteiten van de Gelderse Vallei, waaronder het mozaïek van agrarische percelen en beplantingsstructuren.
Klimaatadaptatie
In lijn met artikel 5.85 bevat het plan voorzieningen voor hittestressreductie, waterinfiltratie en tijdelijke waterberging (wadi). Ook worden duurzame materialen toegepast en wordt aardgasloos gebouwd. Hiermee wordt aantoonbaar rekening gehouden met de gevolgen van klimaatverandering.
Dronkelaarseweg 6, Barneveld
Gebiedsaanwijzingen van toepassing
De ontwikkeling aan de Dronkelaarseweg 6 sluit aan bij de uitgangspunten van de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. De beëindiging van de agrarische functie, in combinatie met de sloop van verouderde agrarische bedrijfsbebouwing en de realisatie van een nieuw bedrijfsgebouw met een beperkte ruimtelijke impact, draagt bij aan het zorgvuldig hergebruiken van een vrijkomend agrarisch erf.
De ontwikkeling voorziet tevens in een passende landschappelijke inpassing, waaronder de aanplant van een houtsingel, bomenrijen en het behoud van bestaande groenstructuren. Daarnaast wordt ingezet op duurzaamheid door het gasloos bouwen en het toepassen van klimaatadaptieve maatregelen zoals een ecologische wadi. Hiermee wordt ruimtelijke kwaliteit toegevoegd en wordt bijgedragen aan een toekomstbestendige en robuuste inrichting van het landelijk gebied.
Dwarsgraafweg 3-01, Kootwijkebroek
Gebiedsaanwijzingen van toepassing
Landschap en kernkwaliteiten
De herontwikkeling voorziet in de sloop van intensieve agrarische bebouwing en de realisatie van een duurzaam bedrijfsgebouw met landschappelijke inpassing. Maatregelen zoals de aanleg van houtsingels, bomenrijen en het behoud van groenstructuren dragen bij aan de kernkwaliteiten van de streek.
Klimaatadaptatie
Het plan voldoet aan de verplichtingen uit artikel 5.85 van de verordening. De ontwikkeling is aardgasloos en bevat voorzieningen voor waterberging en vergroening. Hiermee wordt effectief ingespeeld op thema's als waterveiligheid, droogtebestrijding en hittestress.
Doorwerking in het plangebied
Voor alle locaties geldt dat de plannen in overeenstemming zijn met de doelstellingen en regels van de Omgevingsverordening Gelderland 2024. De initiatieven dragen bij aan de versterking van landschappelijke kwaliteiten, verbeteren het woon- en leefklimaat, stimuleren biodiversiteit en anticiperen aantoonbaar op klimaatverandering. Daarmee wordt voldaan aan de gestelde provinciale instructieregels en beleidsdoelstellingen.
Een omgevingswaarde is één van de instrumenten om beleid door te laten werken vanuit het Rijk en provincie.
In dit geval heeft de provincie de volgende omgevingswaarde vastgesteld die relevant is voor Barneveld:
Voor de wateroverlast in het beheergebied van waterschap Vallei en Veluwe geldt binnen het stedelijk gebied een gemiddelde kans op overstroming van:
Buiten het stedelijk gebied geldt een gemiddelde kans op overstroming van 1:10 per jaar. Er geldt buiten het stedelijk gebied geen norm voor Natura 2000-gebieden (a); gebieden aangewezen op grond van artikel 2.44, tweede lid, van de Omgevingswet en gebieden (b), voor zover niet behorend tot deze onder a of b bedoelde gebieden, aangeduid als natuurtype in het Natuurbeheerplan Provincie Gelderland.
Aan de omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren wordt voldaan met ingang van 1 januari 2024. De omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren zijn inspanningsverplichtingen voor het waterschap. De gemeente mag daar niet van afwijken of deze aanvullen. Dit is alleen mogelijk als de provincie dat mogelijk maakt.
Doorwerking in het plangebied
De gemeente wijkt hier niet van af en vult deze ook niet aan. Er is geen strijdigheid met deze omgevingswaarde.
Op 4 december 2020 is het Regionaal Adaptatie Plan Vallei en Veluwe (RAP) ondertekend door de Manifestregio. In de regio werken 28 gemeenten, waterschap Vallei en Veluwe, provincies Utrecht en Gelderland, Vitens, Veiligheidsregio's en Rijkswaterstaat samen op het gebied van klimaatadaptatie.
Met het RAP geeft de regio invulling aan de landelijke opgave voor overheden om vanaf eind 2020 klimaatadaptief te werken om in 2050 klimaatbestendig te zijn. Deze opgave komt voort uit het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie.
Het klimaat verandert namelijk snel en merkbaar. Klimaatadaptatie is omgaan met het nieuwe klimaat met extremer weer: heftige buien of juist lange periodes van hitte en droogte. De omgeving waarin we leven, werken en ontspannen, maar ook de manier van leven moeten we daarop aanpassen.
In het RAP zijn de regionale aandachtsgebieden voor de komende jaren bepaald, aanvullend op wat elke partij zelf moet of kan doen. Vooraf zijn voor het hele gebied de kwetsbaarheden van wateroverlast, droogte en hitte in kaart gebracht in een klimaateffectatlas. Tevens zijn risicodialogen met elkaar gevoerd over de gevolgen van klimaatverandering en de opgaven voor de regio.
Het RAP is een strategische agenda rondom 4 thema's: Prettig wonen en werken, Aangenaam recreëren, Basisfuncties (elektriciteit, hoofdwegennet, verpleeghuizen, etc.) veilig stellen en Natuurlijk bodem- en watersysteem. Per thema zijn (hoofd)ambities, speerpunten en maatregelen geformuleerd.
Het thema prettig wonen ambieert een klimaatbestendige, veilige en gezond ingerichte stedelijke omgeving. Speerpunten zijn Ketenafspraken klimaatbestendig bouwen, Ontwikkelafspraken met woningcoöperaties, Instrumentenmix voor bestaand stedelijk gebied, Stimuleringsregeling klimaatbestendige maatregelen en Hitteplan.
Het thema Aangenaam recreëren ambieert een klimaatbestendige, veilige en gezond ingericht recreatief buitengebied. Het speerpunt is Groen-blauwe recreatie.
Het thema Basisfuncties ambieert een veilig en robuust ontworpen nutsvoorzieningen en infrastructuur. Speerpunten zijn Natuurbranden preventieplan, Overstromingsbestendige gebieden en gebouwen, (Hoofd)verdeelstations beoordelen en Doorgaande wegen klimaatrobuust.
Het thema Natuurlijk bodem- en watersysteem ambieert een klimaatbestendig, robuust en veerkrachtig natuurlijk bodem- en watersysteembeheer. Speerpunten zijn Loofbomen advies, Waterbeschikbaarheidsstrategie, Duurzaam grondwatersysteem en Verkenning regio Vallei en Veluwe – 2120.
In Werkplannen wordt concreet aangegeven hoe de ambities in het RAP voor telkens een periode van 2 jaar worden uitgewerkt. De opgaven worden regionaal verdeeld en er worden verbindingen gelegd. Van belang is dat ook inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties worden betrokken.
Doorwerking in plangebied
De bevindingen en resultaten zijn beschreven in de weging van het waterbelang (5.14.3).
Ons landelijk gebied is continue in ontwikkeling. Denk daarbij aan veranderingen bij agrarische bedrijven, nieuwbouw aan dorpsranden, aanleg recreatieve routes, inspelen op klimaatverandering, ingrepen in het watersysteem en nieuwe natuuraanleg. Deze ontwikkelingen hebben impact hebben op het landschap: vervlakking dreigt, landschappelijke variatie verdwijnt en verstening neemt toe. Kortom, de eigenheid en herkenbaarheid van het landschap neemt af. Dat raakt de kwaliteit van de leefomgeving en daarmee de vitaliteit van beide mooie regio’s. Ook de beëindiging van agrarische bedrijvigheid heeft zijn impact. Bedrijfsbebouwing die niet meer in gebruik is kan verpauperen. Leegstaande gebouwen kunnen aanleiding zijn voor ondermijning van de maatschappij door gebruik voor criminele activiteiten. Daarnaast draagt de agrarische sector zorg voor het onderhoud en beheer van het landschap. Het veranderen van deze functie heeft daarmee ook gevolgen voor het landschapsbeheer. Al met al leiden veranderingen in de agrarische sector op verschillende vlakken tot impact op de omgevingskwaliteit van het landelijk gebied. Als een agrariër besluit zijn agrarisch onderneming te beëindigen, dan dient een functieverandering plaats te vinden. De agrarische functie komt immers te vervallen. Het functieveranderingsbeleid geeft twee mogelijkheden voor herbestemmen: functieverandering naar ‘Wonen’ of functieverandering naar ‘Werken’. Hieraan zitten voorwaarden verbonden.
Bij een functieverandering van functie 'Agrarisch' naar functie 'Niet-agrarisch' stopt de agrarische onderneming. Na functieverandering mogen op het perceel geen bedrijfsmatige agrarische activiteiten meer worden uitgevoerd. Hobbymatig mogen nog wel dieren gehouden worden. Het aantal is beperkt en afhankelijk van de diersoort. De vrijkomende (of overtollige) agrarische bedrijfsbebouwing dient hierbij te worden gesloopt. Dit noemen we de slooplocatie. Daarnaast is het mogelijk om op de slooplocatie - of elders afhankelijk van gemeentelijke uitwerking - een niet-agrarisch bedrijf toe te voegen. Hiervoor geldt de sloopmetersystematiek, zoals word toegelicht in paragraaf 4.4.2.2. We zien de functie van een kleinschalig niet-agrarisch bedrijf als een aantrekkelijke vervangende functie en het verbeteren van de omgevingskwaliteit en het vitaal houden van het landelijk gebied.
Zodra een wens tot functieverandering kenbaar is gemaakt aan de gemeente kunnen de sloopmeters berekend worden. De gemeente berekent deze aan de hand van de legale aanwezige vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. Inzetbare sloopmeters kunnen ontwikkelingen op eigen locatie mogelijk maken, worden verhandeld en/of elders worden ingezet.
De sloopmetersystematiek is gericht op het waarderen van de sloop van overtollige bedrijfsbebouwing.
Daarbij gaat het om de footprint van het gebouw. De waardering in sloopmeters is niet gebaseerd op de productiecapaciteit van de stal. Ter verduidelijking gaat het bij een stal met een verdiepingsvloer alleen om de footprint, niet om het oppervlak van beide vloerdelen samen.
Om de oppervlakte aan bebouwing in het landelijk gebied niet toe te laten nemen werken we met een omrekening van de sloopmeters. Hiervoor passen we een afroming toe bij het omzetten van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing naar inzetbare sloopmeters. De afroming is afhankelijk van de grootte van de slooplocatie. Hiervoor hanteren we de volgende verdeling:
In voorliggend plan worden sloopmeters ingezet om een niet-agrarisch bedrijf te starten. Hierbij hanteren wij de volgende sytematiek.
Wencopperweg 102, Kootwijkerbroek
Op het perceel staat, naast de bestaande woning, 3210 m² aan voormalige agrarische bebouwing. Na aftrek van het standaardrecht aan bijgebouwen van 80 m² en de verplichte afroming, resteert een inzetbare hoeveelheid van 2.315 m² aan sloopmeters, nadat de sloop is uitgevoerd en dit is geconstateerd.
Er staat geen bebouwing buiten het agrarische bouwvlak, zodat er geen aparte berekening nodig is. Alle inzetbare sloopmeters kunnen direct worden benut voor de nieuwe ontwikkeling.
Benodigd voor de nieuwe ontwikkeling
Samenvatting:
| woningsplitsing | Inhoud bedrijfsgebouw | bedrijfsrecht | Benodigde sloopmeters | ||||||
| Recht na sloop | 2.315 | ||||||||
| Nieuwe ontwikkeling | 80 | 2.131 | 100 | 2.311 | |||||
| Verschil | +4 | ||||||||
Na het onherroepelijk worden van het plan zijn er nog 4 sloopmeters te verkopen.
Kapweg 20, Kootwijkerbroek
Op de locatie staat, naast de bestaande woning, 4.692 m2 aan bebouwing. Na aftrek van het standaardrecht aan bijgebouwen van 80 m2 per woning en de afroming van 1.556 m2, zijn er 3.056 m2 inzetbare sloopmeters aanwezig nadat de functie/bestemming gewijzigd, de bebouwing gesloopt en dit geconstateerd is.
Benodigd voor de nieuwe ontwikkeling
| Uitbreiden woning naar 1.000m³ | Inhoud bedrijfsgebouw | bedrijfsrecht | Benodigde sloopmeters | ||||||
| Recht na sloop | 3.056 | ||||||||
| Nieuwe ontwikkeling | 375 | 2500 | 100 | 2.975 | |||||
| Verschil | +81 | ||||||||
Na het onherroepelijk worden van het plan zijn er nog 81 sloopmeters te verkopen.
Dronkelaarseweg 6, Barneveld
Op de locatie staat, naast de woning, 4.444 m2 aan bebouwing. Na aftrek van het standaardrecht aan bijgebouwen van 80 m2 per woning en de afroming van 1.432 m2, zijn er 2.932 m2 inzetbare sloopmeters aanwezig.
Benodigd voor de nieuwe ontwikkeling
Samenvatting:
| Oppervlakte bedrijfsgebouw | bedrijfsrecht | Benodigde sloopmeters | |||||||
| Recht na sloop | 2.932 | ||||||||
| Nieuwe ontwikkeling | 1750 | 100 | 1.850 | ||||||
| Verschil | +1.082 | ||||||||
Na het onherroepelijk worden van het plan zijn er nog 1.082 sloopmeters te verkopen.
Dwarsgraafweg 3-01, Barneveld
Op de locatie staat, naast de woning, 1437 m2 aan bebouwing. Na aftrek van het standaardrecht aan bijgebouwen van 80 m2 per woning en de afroming van 89 m2, zijn er 1.268 m2 inzetbare sloopmeters aanwezig.
Benodigd voor de nieuwe ontwikkeling
Samenvatting:
| Oppervlakte bedrijfsgebouw | bedrijfsrecht | Benodigde sloopmeters | |||||||
| Recht na sloop | 1.268 | ||||||||
| Nieuwe ontwikkeling | 1.168 | 100 | 1.268 | ||||||
| Verschil | 0 | ||||||||
Na het onherroepelijk worden van het plan zijn er geen sloopmeters meer op te verkopen.
Opmerking:
Alle bedragen zijn indicatief en moeten definitief worden vastgesteld na daadwerkelijke sloop en metingen conform het vigerende gemeentelijk beleid over sloopmeters.
De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes:
Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven- en ondergrond.
Doorwerking in plangebied
De bevindingen en resultaten van de BOVI 2050 zijn beschreven in § 5.18.
Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de Omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven.
Waterveiligheid
Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen.
Watersysteem
Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen.
Wonen en zuiveren
Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem.
Circulaire economie
Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving.
Energietransitie
Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie.
Doorwerking in plangebied
De bevindingen en resultaten van het BOP zijn beschreven in § 5.18.
Op 16 juli 2025 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Barneveld 2040 vastgesteld. In samenhang daarmee is besloten om twee bestaande structuurvisies in te trekken:
Met het vaststellen van de Omgevingsvisie zijn deze structuurvisies komen te vervallen. De omgevingsvisie vormt sindsdien het integrale beleidskader voor de fysieke leefomgeving in zowel het buitengebied als de kernen van de gemeente Barneveld. Voor een toelichting op de inhoud en uitgangspunten van de Omgevingsvisie wordt verwezen naar paragraaf 4.6.2
In de Omgevingsvisie Barneveld 2040 (hierna: Omgevingsvisie) wordt een beeld gegeven van de toekomst van onze gemeente, welke kansen en uitdagingen er op ons pad liggen, welke ontwikkelingen bijdragen aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en welke keuzes we daarin als gemeente maken.
De Omgevingsvisie is de toekomstvisie voor de gemeente Barneveld op het gebied van wonen, werken, recreëren, natuur, duurzaamheid, mobiliteit, cultuurhistorie, ruimtelijke kwaliteit en gezondheid. Ingegaan wordt op belangrijke opgave van groeien en ontwikkelen en koesteren daarbij op de waarden en het karakter van onze gemeente. In de Omgevingsvisie is bepaald wat belangrijk is en wat de ambities en doelen van onze gemeente en onze dorpen zijn.
De Omgevingsvisie geeft richting aan de verdere uitwerking in omgevingsprogramma's naar concrete maatregelen en uitgangspunten. De Omgevingsvisie biedt ook houvast bij het beoordelen van plannen en initiatieven op de mate waarin deze bijdragen aan de ambities en uitdagingen van onze gemeente de stad.
In de Omgevingsvisie zijn vijf hoofdopgaven voor Barneveld benoemd.
1. Gezond en toekomstbestendig Barneveld
Gezondheid en duurzaamheid zijn belangrijk voor de leefbaarheid van Barneveld. De gemeente streeft een schone en veilige omgeving na voor iedereen. Daarbij richten we ons ook op een toekomstbestendige omgeving met aandacht voor klimaat en milieu.
2. Prettig leven in vitale dorpen
Barneveld groeit. Tot 2040 komen er 8.000 nieuwe woningen bij ten opzichte van 2021. De woningen worden verdeeld over alle dorpen, met aandacht voor starters en ouderen en met voldoende goede voorzieningen. Het doel is om onze dorpen leefbaar en toegankelijk te houden voor iedereen, met focus op betaalbaarheid en doorstroom.
3. Ruimte voor ondernemerschap
Ondernemerschap is een kracht van Barneveld. De gemeente ondersteunt dan ook van harte een gezonde groei van bedrijvigheid met vestigingsmogelijkheden op de bedrijventerreinen en in vitale dorpscentra.
4. Waardevol landelijk gebied
Het buitengebied is waardevol voor Barneveld en speelt een belangrijke rol in het behoud van natuur en landschap. Dat geldt voor uiteraard de natuur op de Veluwe. Maar het geldt ook voor de blijvende plek voor onze agrarische sector, met aandacht voor natuurbehoud en minder uitstoot.
5. Bereikbaar nu en in de toekomst
Een goed bereikbare en veilige omgeving voor alle verkeersdeelnemers is essentieel voor de gemeente. De auto blijft belangrijk voor de mobiliteit. Het wegennet wordt waar nodig aangepast. Maar we richten ons ook meer op de noodzakelijke transitie naar andere vormen van mobiliteit, zoals wandelen, fietsen en gebruik van openbaar vervoer (bijvoorbeeld bij stationslocaties en in de nieuwe wijken).
Vijf gebieden en negen dorpen
De opgaven vertalen zich door naar de deelgebieden van de gemeente. Er zijn vijf deelgebieden, elk met hun eigen karakter en ontwikkelingsrichting: de Veluwe, het oostelijk buitengebied, het recreatiegebied Voorthuizen, het verstedelijkt gebied en het westelijk buitengebied. Het profiel van elk gebied is maatgevend voor de keuzes die de gemeente daarvoor maakt. Die keuzes zijn in Omgevingsvisie ook vertaald naar de negen kernen of dorpen die de gemeente Barneveld rijk is. Zo geeft de visie voor elk dorp een afgeleid beeld van de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving naar 2040.
De locaties Dwarsgraafweg 3-01, Kapweg 20 en Wencopperweg 102 liggen in het deelgebied Oostelijk buitengebied. De locatie Dronkelaarseweg 6 ligt in het Westenlijk buitengebied.
Deelgebied Oostelijk buitengebied
Van oorsprong bestaat het oostelijk buitengebied uit een gevarieerd landschap van beekdalen, broek- en heideontginningen en es-complexen aan de oostkant van het gebied. De karakteristieke beken van de gemeente Barneveld droegen bij aan dit kleinschalige landschap. In het gebied liggen de kernen Kootwijkerbroek en Stroe. De buurtschappen Essen en Esveld behoren tot Kootwijkerbroek.
Het oostelijk buitengebied kenmerkt zich door een ondernemend karakter. In dit deel van gemeente Barneveld komt ondernemerschap in al zijn facetten het meest tot uiting. Het ondernemerschap bepaalt hier in belangrijke mate de identiteit van het gebied. Deze dynamiek in het gebied willen we behouden voor de toekomst. Daarom ondersteunen we hier het agrarisch ondernemerschap waar mogelijk. Daarbij houdt de gemeente Barneveld oog voor behoud en versterking van de dragers van het cultuurlandschap, zoals de beken die dit gebied doorstromen. Bij dit gebied hoort bovendien een forse woonambitie voor de kernen.
Doorwerking plangebied:
De stoppende boeren hebben op de planlocaties gekozen voor een niet-agrarisch bedrijf. Dit past in het ondernemende karakter van het gebied en blijft op deze manier behouden.
Deelgebied Westelijk buitengebied
Het westelijk buitengebied in de Gelderse Vallei is het laagstgelegen deelgebied van de gemeente Barneveld. Het ligt grotendeels in het kampenlandschap, een landschapstype dat zich kenmerkt door kleinschaligheid, met een afwisseling van percelen, bosschages, houtsingels en erven. De noordzijde van het gebied is deel van een veenontginning. Dit kenmerkt zich door open landschap met een langgerekte strokenverkaveling en sloten. Landbouw is vooral grondgebonden in dit gebied.
Het westelijk buitengebied is kleinschalig en afwisselend, met een eigen identiteit en dynamiek in onze gemeente. De natuurlijke en landschappelijke elementen en kwaliteiten in dit gebied zien we als een goed fundament om de toeristische en recreatieve sector in dit gebied te verstevigen, ter ontlasting van de recreatieve druk in de Veluwe. De voorziene ontwikkelingen zijn kleinschalig en moeten bijdragen aan de plattelandsontwikkeling. Daarbij zien we er wel op toe dat de effecten die door de spreiding optreden niet tot nieuwe grote problemen leiden in dit gebied. De ambitie richt zich op de doorontwikkeling van het agrarisch bedrijf, zowel grondgebonden als niet grondgebonden. Het hoofdaccent ligt hierbij wel op de ontwikkeling van natuurinclusieve en/of extensievere vormen van landbouw en/of multifunctionele landbouw, in het bijzonder in het Groene Valleilint en in de beekdalen. Door te ondernemen met aandacht voor de groenblauwe kenmerken van het gebied, behouden we het kleinschalige en diverse karakter en versterken we de natuurlijke en landschappelijke waarden.
Doorwerking in plangebied
De stoppende boer op de planlocaties heeft gekozen voor een kleinschalig niet-agrarisch bedrijf. De ontwikkeling draagt bij aan het vitaal houden van het platteland. De locatie is ingepast met aandacht voor de natuurlijke en landschappelijke waarden.
Conclusie
De ontwikkeling sluit aan bij de omgevingsvisie.
De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen.
Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Eind 2021 heeft de gemeenteraad "De warmtevisie Barneveld" vastgesteld, dat de basis vormt voor het verminderen van het gebruik (isoleren) en het uitfaseren van het gebruik van aardgas. Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat de woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd.
Wettelijke eisen Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG)
Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen om een omgevingsvergunning sinds 1 juli 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG).
Warmtepompen
Er zijn voorbeelden van geluidsoverlast veroorzaakt door warmtepompen, omdat er bij de plaatsing geen rekening gehouden is met het geluidsaspect of de warmtepomp verouderd is. Een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de warmtepomp is noodzakelijk en er moet voldaan worden aan een acceptabel geluidsniveau. Als het geluidniveau op 5 meter van warmtepomp hoger is dan 30 dB(A) of als dit het geval is bij een kortere afstand tot de buurwoning dan is het toepassen van een geluiddempende omkasting nodig. Hiervoor komen steeds meer innovaties op de markt (bijvoorbeeld in een dummy schoorsteen).
Sinds 1 april 2021 worden geluidseisen gesteld aan (nieuw te plaatsen) buiten opgestelde installaties voor warmte- of koude opwekking. Het gaat hierbij om warmtepompen en airco's die worden toegepast bij woningen en woongebouwen. Deze installaties mogen niet meer dan 40 dB geluid veroorzaken bij de buren.
Duurzaamheid in het openbaar gebied of op eigen terrein
Er moet aandacht zijn voor energiezuinige openbare verlichting. Daarbij denken we aan een verlichtingsplan, waarbij zo weinig mogelijk lantaarnpalen worden toegepast, uitgevoerd met (dimbare) LED-lampen.
Daarnaast is het vanuit duurzaamheidsoogpunt van belang om de hoeveelheid materiaalgebruik voor wegen en de verharde oppervlakte in het plangebied zo laag mogelijk te houden. Dat kan worden bereikt door de weglengte en -breedte zoveel mogelijk te beperken en doorlatende verharding toe te passen. Bij de keuze voor het materiaalgebruik heeft de gemeente ook hier de voorkeur voor het gebruik van duurzame materialen, bij zowel productie en gebruik en die bij sloop hergebruikt kunnen worden.
Klimaat
Het klimaat verandert met extremer weer als gevolg. We zullen vaker te maken krijgen met hoosbuien / wateroverlast, langere perioden van droogte en hitte. Het veranderende klimaat vraagt om maatregelen op alle schaalniveaus om de gevolgen voor gezondheid, veiligheid, productiviteit en natuur te beperken. Klimaatbestendig handelen en waterrobuust inrichten wordt vanzelfsprekend in het gemeentebrede beleid en handelen vóór 2020. Zodat in 2050 de fysieke ruimte in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is. Eén van de maatregelen is het anders omgaan met het inzamelen van en verwerken van hemelwater dat op verhard oppervlak valt, bijvoorbeeld door het aanleggen van groene daken. Zie voor een verdere beschrijving de weging van het waterbelang (§ 5.15).
Door op een slimme manier om te gaan met (robuust) groen in de openbare ruimte in relatie tot de positionering van de woningen en de productie van zonne-energie op daken van woningen kan het microklimaat in de woningen en in een gebied op een positieve manier beïnvloed worden.
Het plan betreft een afwaardering, er komen geen nieuwe woningen of bedrijfswoningen bij en verharding verdwijnt. Per saldo is er een flinke afname aan verhard oppervlakte. Dit betekent een forse verbetering qua klimaatadaptatie.
Hoewel de betrokken locaties buiten de kernen van de gemeente Barneveld liggen en daarmee formeel buiten de primaire reikwijdte van het Groenstructuurplan (2011) vallen, wordt in de uitwerking van de plannen nadrukkelijk aangesloten bij de doelstellingen ervan.
Door onder meer het behoud van karakteristieke groenstructuren, het toevoegen van inheemse erfbeplanting, de aanleg van houtsingels, bomenrijen, hagen en solitaire bomen, wordt bijgedragen aan de herkenbaarheid en versterking van het groene karakter van het buitengebied.
Deze maatregelen ondersteunen de lange termijn visie van de gemeente ten aanzien van een samenhangend, landschappelijk waardevol en ecologisch robuust groen netwerk. Daarmee leveren de plannen een positieve bijdrage aan de landschappelijke kwaliteit en ruimtelijke samenhang van het buitengebied, geheel in lijn met de verbetervoorstellen uit het Groenstructuurplan Barneveld.
Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd:
Doorwerking in plangebied
De bevindingen en resultaten van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf § 5.18.
Op 17 april 2024 is het Toetsingskader landelijk gebied vastgesteld. Dit toetsingskader ziet vooral toe op functieverandering van agrarische bedrijven en nieuwe niet-agrarische activiteiten in het buitengebied van de gemeente Barneveld. Het toetsingskader loopt vooruit op de vaststelling van de Omgevingsvisie Barneveld 2040. Het beleid ten aanzien van het landelijk gebied zal in deze Omgevingsvisie worden bepaald. Vanwege de druk op het landelijk gebied is dit toetsingskader voorafgaand aan de vaststelling van de Omgevingsvisie vastgesteld en geldt voor alle nieuwe initiatieven vanaf 29 augustus 2023.
Het toetsingskader is gebaseerd op vier deelgebieden die logischerwijs voortkomen uit de natuurlijke en cultuurlandschappelijk opbouw van de gemeente. Ieder gebied heeft zijn eigen karakter en dat is bepalend voor wat er in welk gebied kan. De deelgebieden zijn gebaseerd op de gebiedsindeling uit de Structuurvisie Buitengebied 2011:
Naast specifieke uitgangspunten per deelgebied, gelden voor alle deelgebieden de volgende algemene uitgangspunten:
Doorwerking plangebieden
Wencopperweg 102, Kootwijkerbroek
De locatie ligt in het deelgebied Agrarisch bedrijvenlandschap, zoals benoemd in de Structuurvisie Buitengebied 2011 en als zodanig opgenomen in het Toetsingskader Landelijk Gebied (vastgesteld op 17 april 2024) De ontwikkeling op deze locatie betreft de beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering, sloop van bedrijfsbebouwing en herontwikkeling tot woonlocatie, inclusief formele splitsing van de bestaande woning.
Het plan sluit aan bij het toetsingskader door:
Hiermee wordt invulling gegeven aan de kernwaarden van het toetsingskader: landschappelijke versterking, zorgvuldig ruimtegebruik en duurzaam hergebruik van agrarische erven.
Kapweg 20, Kootwijkerbroek
De locatie ligt in het deelgebied Agrarisch bedrijvenlandschap, zoals benoemd in de Structuurvisie Buitengebied 2011 en als zodanig opgenomen in het Toetsingskader Landelijk Gebied (vastgesteld op 17 april 2024). Het initiatief voorziet in de functiewijziging van een voormalig agrarisch erf naar een kleinschalige bedrijfsfunctie met bijbehorende bedrijfswoning.
De ontwikkeling sluit aantoonbaar aan bij de uitgangspunten voor dit deelgebied door:
De ontwikkeling draagt bij aan het versterken van het cultuurlandschap en het natuurlijk systeem en voldoet daarmee aan de algemene uitgangspunten van het toetsingskader.
Dwarsgraafweg 3-01, Kootwijkerbroek
De locatie Dwarsgraafweg 3-01 valt eveneens binnen het deelgebied Agrarisch bedrijvenlandschap. Het plan voorziet in de beëindiging van agrarisch gebruik en herontwikkeling van het erf met een nieuw bedrijfsgebouw, met een nadrukkelijke focus op landschappelijke en ecologische versterking.
Het initiatief is in lijn met het toetsingskader door:
Dronkelaarseweg 6, Barneveld
De locatie Dronkelaarseweg 6 valt eveneens binnen het Agrarisch-kampen en slagen landschap. Het plan voorziet in de beëindiging van agrarisch gebruik en herontwikkeling van het erf met realisatie van een nieuw bedrijfsgebouw.
De ontwikkeling sluit aan bij het toetsingskader door:
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld.
In het kader van de procedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik.
Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt onder andere plaats op basis van de 'Bodemkwaliteitskaart regio De Vallei 2018' en de bijbehorende 'Nota bodembeheer 2022'. Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties.
Bevindingen
Wencopperweg 102, Kootwijkerbroek
In opdracht van de initiatiefnemer is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Bodemonderzoek Wencopperweg 102) op het perceel aan de Wencopperweg 102 te Kootwijkerbroek. Dit onderzoek is verricht in het kader van een voorgenomen functieverandering van het terrein, waarbij agrarische opstallen worden gesloopt en herontwikkeling plaatsvindt richting wonen en bedrijvigheid.
Tijdens het veld- en laboratoriumonderzoek zijn zowel de vaste bodem als het grondwater geanalyseerd op verontreinigingen. Tevens is een asbestonderzoek uitgevoerd op basis van aanwezige (voormalige) asbestverdachte daken en drupzones.
De belangrijkste bevindingen zijn:
Conclusie
De locatie is overwegend onverdacht. De bodemkwaliteit is als voldoende vastgesteld voor de beoogde functieverandering. Voor hergebruik van vrijkomende grond binnen het terrein zijn geen aanvullende maatregelen vereist. Bij afvoer naar elders is aanvullend PFAS-onderzoek en een AP-04 partijkeuring nodig.
Kapweg 20, Kootwijkerbroek
In opdracht van de initiatiefnemer is op 21 februari 2025 een Bodemonderzoek Kapweg 20 bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd door Hunneman Milieu-Advies. Dit in verband met de voorgenomen functiewijziging van agrarisch naar een niet-agrarische bedrijfsfunctie met nieuwbouw. De bodemopbouw bestaat hoofdzakelijk uit zwak tot matig siltig fijn zand, plaatselijk met puinbijmenging. Er zijn geen verontreinigingen met asbest, minerale olie of metalen vastgesteld boven de interventiewaarde.
De belangrijkste bevindingen:
Conclusie
De locatie wordt milieuhygiënisch geschikt geacht voor de voorgenomen functie. Hergebruik van grond binnen het plangebied is toelaatbaar. Voor afvoer naar derden is aanvullend PFAS-onderzoek en/of partijkeuring vereist.
Dwarsgraafweg 3-01, Kootwijkerbroek
Uit het bodeminformatiesysteem blijkt dat op de betreffende bouwlocatie geen verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd. Voor zover bekend hebben er op dit betreffende terreingedeelte geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden en is het altijd agrarisch (akker/weiland) in gebruik geweest. Het betreft daarom een onverdacht terrein. De milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen nieuwbouw ter plaatse. Bouwen op een perceel zonder voorafgaand bodemonderzoek ter plaatse, houdt het risico in dat mogelijk later blijkt dat de grond toch verontreinigd is. Dit risico is echter aanvaardbaar. Er kan geen sprake zijn van aansprakelijkheid van de gemeente, als achteraf blijkt dat gebouwd is op verontreinigde grond.
Aan-/afvoer van grond, bouwstoffen etc. naar/van de locatie dient te voldoen aan de algemene rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie.
Conclusie
De bodemkwaliteit op deze locatie is milieuhygiënisch aanvaardbaar voor de beoogde ontwikkeling. Er zijn geen belemmeringen op basis van bodemgesteldheid. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen.
Dronkelaarseweg 6, Barneveld
In opdracht van de initiatiefnemer is in november 2024 een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd op de locatie aan de Dronkelaarseweg 6 te Barneveld. Het onderzoek is uitgevoerd door Hunneman Milieu-Advies Raalte BV, in het kader van een voorgenomen bestemmingswijziging van agrarisch naar wonen, met daarbij de sloop van agrarische opstallen en de nieuwbouw van een bedrijfshal.
Het onderzoek richtte zich op het in kaart brengen van de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater. Op de locatie zijn een bedrijfswoning en diverse agrarische opstallen aanwezig, deels omgeven door klinkerverharding, met daaromheen weiland en tuin.
Op basis van historische informatie waren er enkele aandachtslocaties, waaronder een voormalige bovengrondse dieseltank en een noodstroomaggregaat. Daarnaast zijn op het terrein asbestverdachte dakbedekkingen aanwezig geweest, wat aanleiding gaf voor aanvullend asbestonderzoek, met name in de onverdichte zones onder de dakgoten (drupzones).
Er zijn in totaal 43 handboringen verricht, waarvan drie zijn afgewerkt als peilbuis. De bodem bestaat voornamelijk uit matig fijn zand met geringe silt- en humusbijmenging. Zintuiglijk werd in het veld geen asbest of olie waargenomen, hoewel lokaal wel puinbijmenging werd aangetroffen.
Uit de laboratoriumresultaten blijkt dat in de meeste grondmonsters geen overschrijdingen zijn van de normen voor de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur. Uitzondering vormt één mengmonster (MM-05), waarin verhoogde gehalten aan cadmium, zink, PAK en minerale olie zijn aangetroffen; deze locatie is geclassificeerd als matig verontreinigd. Ook op de locatie van het noodstroomaggregaat is een verhoogd gehalte aan minerale olie gemeten; deze plek valt onder de kwaliteitsklasse industrie.
Het grondwater bevat lokaal licht verhoogde gehalten aan arseen en barium, maar deze blijven onder de signaleringswaarden en vormen geen aanleiding tot nader onderzoek.
Wat betreft asbest zijn in de onderzochte zones geen waarden boven de halve interventiewaarde aangetroffen. In één locatie (RE-04) werd 12 mg/kg d.s. gewogen asbest gevonden; dit blijft ruim onder de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s., waardoor geen nader asbestonderzoek noodzakelijk is.
Conclusie
Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten bestaan er geen milieuhygiënische bezwaren tegen de voorgenomen bestemmingswijziging en nieuwbouw. Grond die vrijkomt bij graafwerkzaamheden kan bij voorkeur op het terrein worden hergebruikt. Indien afvoer nodig is, dient aanvullend onderzoek op PFAS en/of partijkeuring (AP-04) plaats te vinden, conform het Besluit bodemkwaliteit.
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie hiervan is het behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
In het Bkl staat dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met in begrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.
Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten:
Bij cultureel erfgoed kan het ook gaan om monumenten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van de fysieke leefomgeving wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving.
Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ontwikkelingen.
De gemeenteraad heeft op 28 september 2010 besloten dat voor deze zone archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 10.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm.
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 besloten dat voor deze zone archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 2.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm.
De gemeenteraad heeft op 28 september 2010 besloten dat voor deze zone archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 250 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm.
Doorwerking plangebied
Dwarsgraafweg 3-01, Barneveld
De locatie Dwarsgraafweg 3-01 valt in een zone met een lage archeologische verwachting. Het project valt binnen de vrijstellingsgrenzen, zodat geen nader onderzoek noodzakelijk is.
Archeologsiche verwachtingenkaart Dwarsgraafweg 3-01
Wencopperweg 102, Kootwijkerbroek
De locatie Wencopperweg 102 ligt in een gebied met een lage, middelhoge en hoge archeologische verwachting. Het nieuw te bouwen bedrijfsgebouw is voor het grootste deel gepland op het deel met een hoge archeologische verwachting. De oppervlakte van het te realiseren bedrijfsgebouw overschrijdt de vrijstellingsgrens. Bij de bouw van de bestaande, te slopen, varkensstal zijn echter eventueel aanwezige archeologische resten al verloren gegaan. Een archeologisch onderzoek ten behoeve van de nieuwbouw is daarom niet zinvol.
Archeologsiche verwachtingenkaart Wencopperweg 102
Kapweg 20, Kootwijkerbroek
Voor de locatie Kapweg 20 geldt volgens de archeologische verwachtingenkaart zowel een lage archeologische verwachting als een middelhoge en hoge archeologische verwachting. Het nieuwe bedrijfsgebouw is deels gepland in de zone met een hoge verwachting en deels in de zone met een middelhoge verwachting.
In 2006 is er een archeologisch onderzoek uitgevoerd op de locatie. Naar hiervan is de locatie vrijgegeven voor graafwerkzaamheden behorende bij sloop en nieuwbouw.
Archeologsiche verwachtingenkaart Kapweg 20
Dronkelaarseweg 6, Barneveld
De locatie ligt grotendeels binnen een gebied met grotendeels hoge archeologische verwachting. De bestemming 'Waarde – Archeologie 3' is van toepassing. De nieuwbouw vindt grotendeels plaats op bestaande bebouwing (veestal, schuur met betonvloer). De bodem onder de veestal is reeds diep verstoord. Nieuwbouw buiten de bestaande fundering beslaat circa 210 m² en blijft daarmee onder de vrijstellingsgrens van 250 m².
Archeologsiche verwachtingenkaart Dronkelaarseweg 6
Conclusie
Het aspect archeologie vormt geen belemmering bij de uitvoering van de plannen op alle genoemde planlocaties.
Voor alle locaties geldt dat indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 19.8 Omgevingswet en artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de RCE) verplicht.
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart wel/geen bijzondere waarde(n).
Bevindingen
Voor de locaties Wencopperweg 102, Kapweg 20, Dronkelaarseweg 6 en Dwarsgraafweg 3-01 geldt dat zij volgens de Historische stedenbouwkundige waardenkaart niet zijn gelegen binnen gebieden met stedenbouwkundig waardevolle kenmerken. Hierdoor zijn er voor deze locaties geen aanvullende stedenbouwkundige randvoorwaarden van toepassing.
Conclusie
De historische stedenbouwkundige waarden vormen geen belemmering voor dit plan.
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ontwikkelingen.
De locaties bevinden zich in een zone met een lage waardering, aangeduid als 'vochtige landbouwontginning'. Dit betreft een landschappelijke typering zonder beperkende gevolgen voor ontwikkeling.
Conclusie
Het aspect cultuurlandschappelijke waarden vormt geen belemmering voor dit plan.
In artikel 5.130 van het Bkl staat waar de regels met betrekking tot behoud van cultureel erfgoed over moeten gaan. Hierin is onder andere opgenomen dat (de omgeving van) monumenten beschermd moet worden door regels in het omgevingsplan.
Bevindingen
Er zijn geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten geregistreerd op of direct nabij de locaties Wencopperweg 102, Kapweg 20, Dronkelaarseweg 6 en Dwarsgraafweg 3-01 in de gemeente Barneveld.
Conclusie
Het aspect monumenten vormt geen belemmering voor dit plan.
Duurzaamheid
In de Omgevingswet worden de aspecten duurzaamheid en natuur specifiek benoemd. De oorzaak hiervan is de klimaatveranderingen en de verslechterde staat van de natuur. Vanwege deze veranderingen zijn aanpassingen van de fysieke leefomgeving nodig. Denk hierbij aan maatregelen tegen wateroverlast (meer waterbergingsmogelijkheden), hittestres (meer groen en bomen), waterveiligheid (dijken) en droogte (beter en langer vasthouden van water).
In de omgevingsvisie kan de gemeente omgevingswaarden met betrekking tot duurzaamheid vaststellen en doorvertalen in het omgevingsplan. Bij de vaststelling moet de gemeente dan onderbouwen welke taken en bevoegdheden zij gaat inzetten om te gaan voldoen aan de opgenomen omgevingswaarde.
In het omgevingsplan zijn in artikel 22.52 energiebetreffende maatregelen opgenomen. Dit geldt voor milieubelastende activiteiten. In lid 4 van dit artikel is bepaald dat dit artikel van toepassing is. Echter is dit artikel per 1 december 2023 komen te vervallen en overgegaan naar het Bal.
Verder zijn er vooralsnog geen specifieke omgevingswaarden vastgesteld met betrekking tot duurzaamheid in de omgevingsvisie van de gemeente Barneveld. Wel is het gemeentelijk energiebeleid van toepassing, zie paragraaf 4.6.3.
Gezondheid
De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden. Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk. Met andere woorden: het wonen in de buurt van een geitenhouderij verhoogt de kans op een longontsteking, maar we tasten nog in het duister wat deze verhoogde kans veroorzaakt.
Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen.
De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen/functies (bijvoorbeeld wonen, scholen en ziekenhuizen) en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer).
Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen.
De GGD-richtlijn betreft een niet-bindende aanbeveling en deze bevat geen harde normen. De richtlijn heeft geen bindende status. De GGD heeft niet willen uitsluiten dat er nieuwe woningen komen in de omgeving van geitenhouderijen. De GGD adviseert doorgaans aan gemeenten om in hun besluitvorming het risico van longontsteking zorgvuldig mee te wegen.
Volgens de GGD is het risico op longontsteking het hoogst binnen een straal van 500 meter. Buiten die straal loopt het verhoogde risico af. Omdat we niet weten waardoor de longontstekingen rondom geitenhouderijen wordt veroorzaakt, ontbreekt het inzicht in effectieve bronmaatregelen om gezondheidsrisico's te voorkomen.
Uit jurisprudentie blijkt dat het gemeentebestuur in de afweging van belangen het zwaarwegende, maatschappelijke belang van de urgente woonbehoefte mag laten prevaleren. Het is zeer belangrijk dat er voldoende woningen worden gebouwd (hier dan nog iets noemen over het aantrekkelijk houden van het buitengebied als er sprake is van functieverandering/verloedering voorkomen/sloop voormalige agrarische bedrijfsbebouwing bevorderen). In gemeente Barneveld is de agrarische sector groot. Het is nu eenmaal een veedicht gebied. Het is dan ook onmogelijk om bij woningbouw overal de strengste voorzorgsrichtlijnen in acht te nemen. Anders zou de woningbouwproductie sterk afnemen.
Kaart ligging geitenhouderijen
Wencopperweg 102, Kootwijkerbroek
Op korte afstand van de locatie Wencopperweg 102 zijn meerdere agrarische bedrijven aanwezig, maar geen geitenhouderijen binnen de relevante afstandscontouren. De voorgenomen ontwikkeling betreft een woning met een beperkte omvang. Gezien het ontbreken van nabijgelegen geitenhouderijen zijn geen gezondheidsrisico's te verwachten conform de GGD-richtlijn en de inzichten uit het VGO-onderzoek.
Kapweg 20, Kootwijkerbroek
De dichtstbijzijnde geitenhouderij bevindt zich aan de Wencopperweg 110, op circa 150 meter afstand van de planlocatie. Op de locatie Kapweg 20 wordt echter geen gevoelige functie (zoals een woning) toegevoegd, maar een bedrijfsfunctie gerealiseerd. Daarmee blijft het project binnen de beleidsruimte zoals geadviseerd in de GGD-richtlijn en zijn geen gezondheidsbezwaren van toepassing.
Dronkelaarseweg 6, Barneveld
Binnen een straal van 2 kilometer rond de locatie Dronkelaarseweg 6 is ten 3 geitenhouderijen gevestigd, waaronder aan de Dronkelaarseweg 30 te Terschuur op circa 1,5 kilometer afstand. Daarmee ligt de locatie binnen de zone waarvoor uit onderzoek van onder andere het RIVM en GGD’s een verhoogd risico op longontsteking is vastgesteld.De voorgenomen ontwikkeling betreft het hergebruik van een bestaand agrarisch erf en de bouw van een nieuw bedrijfsgebouw. Er worden geen gevoelige functies zoals woningen of zorgvoorzieningen toegevoegd. De ontwikkeling blijft daarmee binnen de kaders van het geldende gezondheidsbeleid. Er is geen sprake van een onaanvaardbaar gezondheidsrisico, maar er is wel aanleiding om het aspect volksgezondheid mee te wegen in de besluitvorming.
Dwarsgraafweg 3-01, Kootwijkebroek
Binnen een straal van 2 kilometer rond de locatie aan de Dwarsgraafweg 3-01 is geen geitenhouderij aanwezig. Hierdoor is er geen sprake van een verhoogd gezondheidsrisico op basis van het VGO-onderzoek of de GGD-richtlijn.
Conclusie
Het aspect duurzaamheid en gezondheid vormt geen belemmering voor dit plan.
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang.
De Omgevingswet regelt ook de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”.
Het Bkl en ook het Bal bepalen vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere natuurgebieden en landschappen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet en 2.44 lid 5 Omgevingswet).
Op 24 maart 2000 is De Veluwe aangewezen als Vogelrichtlijngebied en op 7 december 2004 als Habitatrichtlijngebied. Daarmee is De Veluwe aangewezen als Natura 2000-gebied (besluit van 11 juni 2014, bekendgemaakt 26 juni 2014 en gewijzigd bij besluit van 29 september 2016). Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden. Het doel van Natura 2000 is om de soortenrijkom (biodiversiteit) in natuur in stand te houden en zo mogelijk te verbeteren. In het aanwijzingsbesluit zijn de grenzen en de instandhoudingsdoelstellingen opgenomen.
De plangebieden ligt wel in de nabijheid van een Natura 2000-gebied. Gezien de afstand (2 km of meer) tot het Natura 2000-gebied zijn interne effecten op voorhand wel uit te sluiten. Externe effecten op Natura 2000-gebied (met uitzondering van vermesting en verzuring door stikstofdepositie) worden niet verwacht vanwege de afstand en de aard van de activiteiten.
Stikstof
De plangebieden ligt in de nabijheid van)een (stikstofgevoelig) Natura 2000-gebied (zie hiervoor kaart 5 Natura 2000-gebieden van de provinciale Omgevingsvisie Gaaf Gelderland). Het gaat hierbij dan om de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie.
Voor zowel de bouwfase (tijdens de bouw, sloop en aanleg) als voor de gebruiksfase zijn de stikstofemissies beoordeeld. Er zijn voor de locaties AERIUS-berekeningen uitgevoerd van de aangevraagde situatie.
Wencopperweg 102, Kootwijkerbroek
Uit onderzoek (zie Bijlage 9) is gebleken dat in de aanleg- en gebruiksfase (van het totale landgoed) geen netto depositieresultaten plaatsvindt boven de 0,01 mol N/ha/jaar. Conclusie van het rapport is dat er een klein effect is met betrekking tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Hiervoor is een omgevingsvergunning nodig.
Kapweg 20, Kootwijkerbroek
Uit onderzoek (zie Bijlage 1) is gebleken dat in de aanleg- en gebruiksfase (van het totale landgoed) geen netto depositieresultaten plaatsvindt boven de 0,00 mol N/ha/jaar. Conclusie van het de uitgevoerde berekeningen is dat er geen effect is met betrekking tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
Dronkelaarseweg 6, Barneveld
Uit onderzoek (zie Bijlage 10) is gebleken dat in de aanleg- en gebruiksfase (van het totale landgoed) geen netto depositieresultaten plaatsvindt boven de 0,00 mol N/ha/jaar. Conclusie van het de uitgevoerde berekeningen is dat er geen effect is met betrekking tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
Dwarsgraafweg 3-01, Barneveld
Uit onderzoek (zie Bijlage 11) is gebleken dat in de aanleg- en gebruiksfase (van het totale landgoed) geen netto depositieresultaten plaatsvindt boven de 0,02 mol N/ha/jaar. Conclusie van het rapport is dat er een klein effect is met betrekking tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Hiervoor is een omgevingsvergunning nodig.
Conclusie
Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmeringen voor de aanvragen..
Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact.
In Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee natuur categorieën opgenomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) In de Omgevingsverordening (art 5.5 lid 1) staat dat nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toegelaten wordt als uit onderzoek blijkt dat die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. Voor de Groene ontwikkelingszone geldt dat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat (art 5.20, lid 1 en 2 van de Omgevingsverordening).
De plangebieden ligt niet in het GNN of de GO.
Afbeelding: GNN en GO
Voor de GNN/GO geldt geen externe werking. Het plangebied ligt niet in GNN of GO, dus negatieve effecten op GNN/GO zijn op voorhand uit te sluiten.
Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor:
1. vogels (Vogelrichtlijn);
2. strikt beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn;
3. en andere (nationale) soorten / overige soorten.
De volgende soorten zijn door de provincie vrijgesteld: aardmuis, bastaartkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspritsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos.
In het Bal (art. 11.37, 11.45 en 11.54) staat dat het verboden is om exemplaren (en eieren) van soorten (onder 1, 2 en 3 hierboven genoemd) opzettelijk te doden, vangen of te verstoren. Tevens zijn vaste rust- en verblijfplaatsen ook beschermd en mogen deze niet worden verstoord, beschadigd of vernield worden.
Om te beoordelen of er potentieel beschermde soorten in of rondom het plangebied aanwezig zijn en zij negatieve effecten van de geplande ontwikkeling en werkzaamheden ondervinden, is een quickscan / natuurtoets uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn te vinden in Bijlage 6 Flora en fauna Wencopperweg 102,Bijlage 2 Flora en fauna Kapweg 20, Bijlage 7 Flora en Fauna Dwarsgraafweg 3-01 en Bijlage 8 Flora en fauna Dronkelaarseweg 6
Deze onderzoeken bevestigen dat de voorgenomen ontwikkeling ecologisch verantwoord is, geen negatieve impact heeft op natuurwaarden en voldoet aan de eisen van de provinciale regelgeving.
Hieronder worden de uitkomsten per plangebied toegelicht.
Wencopperweg 102, Kootwijkerbroek
In het kader van de voorgenomen herontwikkeling van het agrarisch erf aan de Wencopperweg 102 is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (rapport d.d. 16 mei 2024), bestaande uit een bronnenonderzoek en een veldbezoek op 26 april 2024.
Het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit erfverharding en voormalige agrarische bebouwing. De bebouwing is bouwkundig onaantrekkelijk voor vleermuizen door de afwezigheid van geschikte openingen en de invloed van ammoniakgeuren. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen of waarnemingen van strikt beschermde soorten vastgesteld. Er zijn ook geen geschikte verblijfplaatsen voor grondgebonden zoogdieren, broedvogels, amfibieën of beschermde flora aangetroffen.
De geplande sloop en herontwikkeling veroorzaken geen overtreding van de soortenbeschermingsregels onder de Omgevingswet. De werkzaamheden vallen onder de algemene zorgplicht en vereisen geen aanvullende ontheffing of ecologisch vervolgonderzoek.
Als onderdeel van de ontwikkeling worden natuurinclusieve maatregelen getroffen, waaronder nestkasten, erfbeplanting met inheemse soorten en vergroening van gevels.
Conclusie:
Er zijn geen beschermde soorten of verblijfplaatsen aangetroffen. De werkzaamheden kunnen doorgaan onder de algemene zorgplicht. Ontheffing is niet vereist. Natuurinclusieve maatregelen worden proactief toegepast.
Kapweg 20, Kootwijkerbroek
In het kader van de functieverandering van het agrarisch erf aan de Kapweg 20 is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (rapport d.d. 16 mei 2024), bestaande uit een bronnenonderzoek en een veldbezoek op 26 april 2024.
Het plangebied bestaat grotendeels uit verhard terrein en gesloten agrarische bebouwing. De stallen zijn bouwkundig onaantrekkelijk voor vleermuizen vanwege het ontbreken van openingen en de sterke ammoniakgeur. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen of waarnemingen van strikt beschermde soorten vastgesteld. Er zijn geen geschikte verblijfplaatsen voor grondgebonden zoogdieren, broedvogels, amfibieën of beschermde flora aangetroffen.
De geplande sloop en herontwikkeling veroorzaken geen overtreding van soortenbeschermingsregels onder de Omgevingswet. De werkzaamheden vallen onder de algemene zorgplicht en vereisen geen aanvullende ontheffing of ecologisch vervolgonderzoek.
Natuurinclusieve maatregelen, zoals nestkasten voor de steenuil, gevelgroen en inheemse erfbeplanting, worden toegepast om de biodiversiteit actief te versterken.
Conclusie:
Er zijn geen beschermde soorten of verblijfplaatsen aangetroffen. De werkzaamheden kunnen doorgaan onder de algemene zorgplicht. Ontheffing is niet vereist. Natuurinclusieve maatregelen worden proactief ingezet.
Dronkelaarseweg 6, Barneveld
Voor de ontwikkeling aan de Dronkelaarseweg 6 is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (rapport d.d. 16 mei 2024), bestaande uit een bronnenonderzoek en een veldbezoek op 26 april 2024.
Het plangebied omvat voormalige agrarische stallen, verharding en open terrein. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten of sporen van strikt beschermde flora en fauna vastgesteld. De aanwezige bebouwing is ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, en er zijn geen broedgelegenheden of aanwijzingen voor grondgebonden zoogdieren zoals dassen of marters aangetroffen. Waterpartijen voor amfibieën ontbreken.
De voorgenomen sloop en nieuwbouw vallen onder de algemene zorgplicht van de Omgevingswet. Er zijn geen verbodsbepalingen van toepassing die een ontheffing of nader ecologisch onderzoek vereisen.
Ook hier wordt geadviseerd om via natuurinclusieve maatregelen bij te dragen aan de versterking van de ecologische kwaliteit, bijvoorbeeld door het plaatsen van nestkasten en het realiseren van groenstructuren.
Conclusie:
Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Geen aanvullende maatregelen of ontheffingen zijn vereist. Natuurinclusief bouwen wordt aanbevolen.
Dwarsgraafweg 3-01, Kootwijkerbroek
Voor de ontwikkeling aan de Dwarsgraafweg 3-01 is eveneens een oriënterend ecologisch onderzoek (quickscan) uitgevoerd, gericht op de effecten op beschermde soorten conform de Omgevingswet.
Het erf bestaat uit voormalige agrarische stallen, erfverharding en een grasweide. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten of sporen waargenomen. De bestaande gebouwen zijn ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, en er zijn geen aanwijzingen gevonden voor broedvogels of grondgebonden zoogdieren. Voortplantingswater voor amfibieën ontbreekt volledig.
De geplande sloop, nieuwbouw en herinrichting van het terrein vallen onder de algemene zorgplicht. Er is geen sprake van overtreding van soortenbeschermingsregels onder de Omgevingswet, waardoor een ontheffing of nader onderzoek niet noodzakelijk is.
Hoewel het niet verplicht is, wordt geadviseerd om via natuurinclusieve maatregelen, zoals het aanbrengen van nestvoorzieningen, erfbeplanting en een insectvriendelijke inrichting, actief bij te dragen aan de lokale biodiversiteit.
Conclusie:
De soortenbescherming vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Geen aanvullende maatregelen of ontheffingen zijn vereist.
Onder de Omgevingswet is er een bebouwingscontour houtkap. Uiterlijk in 2032 moet deze contour in het omgevingsplan staan.
De bescherming van houtopstanden heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long.
Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van een oppervlakte van tien are of meer of een bomenrij die twintig (of meer) bomen omvat. Wanneer een houtopstand buiten de vastgestelde bebouwingscontour houtkap ligt en niet onder de uitzonderingen valt (zie artikel 11.111 lid 2 van het Bal) is deze beschermd. Voor het kappen of rooien van een beschermde houtopstand geldt een meld- en herplantplicht (bij de provincie Gelderland).
Bevindingen:
Voor de locaties Wencopperweg 102, Kapweg 20, Dronkelaarseweg 6 en Dwarsgraafweg 3-01 is de regeling inzake houtopstanden niet van toepassing. Er worden geen beschermde houtopstanden gekapt. Een melding of herplantverplichting is niet vereist.
Er gelden algemene en specifieke zorgplichten onder de Omgevingswet. De algemene zorgplichten staan in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet.
In het Bal staan specifieke zorgplichten in de artikelen 11.6 (voor Natura 2000-gebieden), artikel 11.27 en 11.28 (voor alle in het wild levende dieren en planten én ook rode lijstsoorten) en artikel 11.116 (voor houtopstanden).
Gebiedsbescherming zorgplicht (enigszins vrij vertaald),artikel 11.6 Bal
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van Natura 2000 gebieden is verplicht:
Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten in of nabij een Natura 2000-gebied (of bijzonder gebied) nagaat welke natuurwaarden aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op beschermd gebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen. Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen.
Bevindingen – gebiedsbescherming
Wencopperweg 102, Kapweg 20, Dronkelaarseweg 6 en Dwarsgraafweg 3-01
Voor deze vier locaties zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd.
Hieruit blijkt dat:
Conclusie:
De gebiedsbeschermingszorgplicht wordt nageleefd. Een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet vereist.
Soortbescherming specifieke zorgplicht , artikel 11.27 Bal
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde soorten is verplicht:
Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten nagaat welke beschermde soorten (vogels, vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijn soorten, nationaal beschermde soorten, rode lijst soorten) aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op de soort, hun vaste rust-of verblijfplaats en/of essentieel functioneel leefgebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen. Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen.
Bevindingen – soortbescherming
Wencopperweg 102, Kapweg 20, Dronkelaarseweg 6 en Dwarsgraaf 3-01
Voor deze vier locaties zijn quickscans flora en fauna uitgevoerd
Daaruit blijkt dat:
Conclusie:
De specifieke zorgplicht voor soortbescherming wordt nageleefd. Geen aanvullende maatregelen of ontheffingen zijn nodig.
Houtopstanden zorgplicht, artikel 11.116 Bal
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde houtopstand is verplicht:
Dit betekent dat de initatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteit nagaat of er een beschermde houtopstand aanwezig is en of die activiteit een negatief effect heeft op de beschermde houtopstand.
Zorgplicht
Alle in het wild levende (inheemse) dieren zijn beschermd. De werkzaamheden mogen daarom geen verstoring met zich meebrengen aan beschermde flora- en fauna. Door direct voorafgaand aan de werkzaamheden het plangebied en de directe omgeving te controleren op de aanwezigheid van dieren en hun de kans te bieden zich in veiligheid te brengen (of het dier in veiligheid te brengen) kunnen slachtoffers worden voorkomen.
Tevens kan invulling worden gegeven aan de zorgplicht door zorgvuldig en deskundig om te gaan met materieel, zodat geen onnodige schade wordt veroorzaakt of onnodige verstoring van flora en fauna optreedt.
Vleermuizen
Vleermuizen, hun verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes zijn beschermd. Het gebruik van (bouw- of bewakings)verlichting gedurende de schemer en nacht kan verstoring voor vleermuizen veroorzaken. Verstoring kan worden voorkomen door geen verlichting te gebruiken gedurende de schemer en nacht. Als dit toch nodig is dan dient te verlichting zo spaarzaam mogelijk te zijn. De verlichting mag geen uitstraling buiten het plangebied op groen/bomen/water hebben en moet gebundeld naar beneden gericht zijn. Bij voorkeur wordt amberkleurig licht gebruikt.
5.5.5 Conclusie
Voor de onderdelen waar nader onderzoek nodig was is die uitgevoerd en akkoord bevonden. De adviezen die daaruit volgde zullen worden overgenomen. Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Bevindingen
Voor de locaties geldt dat de bestaande bedrijfswoningen behouden blijven als bedrijfswoning en er geen nieuwe geluidsgevoelige gebouwen worden toegevoegd.
Vanwege de gevraagde functie bij de Dwarsgraafweg 3-01, namelijk het voortzetten van de reeds bestaande aannemersactiviteiten, is een geluidsonderzoek gevraagd om aan te kunnen tonen dat belangen van omliggende eigenaren niet worden geschaad. Uit het onderzoek, te vinden in Bijlage 12 Geluid Dwarsgraafweg 3-01, is voldoende aangetoond dat er voldaan wordt aan de eisen van een (voormalig) milieucategorie 2 bedrijf.
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen op de locaties Wencopperweg 102, Kapweg 20, Dronkelaarseweg 6 en Dwarsgraafweg 3-01.
Bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt (artikel 5.92, lid 1 Bkl). Er moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn vastgelegd. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) maakte het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Deze verordening maakt deel uit van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied.
Volgens de instructieregels uit het Bkl wordt getoetst aan de geurnormen op geurgevoelige gebouwen. De definitie van geurgevoelig gebouw zoals in artikel 5.91 eerste lid Bkl, wijkt echter af van de definitie van een geurgevoelig object in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Deze definitie wordt tevens toegepast in de bruidsschatregels, nu onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Door de gemeente Barneveld is ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan bij inwerkingtreding van de omgevingswet. Om dit bewerkstelligen wordt bij de toetsing voor geur aangesloten bij de definitie van geurgevoelig object zoals in het tijdelijke deel van het omgevingsplan en voorheen de Wgv.
Onder een 'geurgevoelig object' wordt daarom verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.
Beoordeling woon- en leefklimaat
Bij alle vier de locaties is getoetst of de geurbelasting vanuit de omgeving leidt tot een aanvaardbaar leefklimaat, uitgaande van:
Als vuistregel geldt: de voorgrondbelasting is bepalend als deze = 50% van de achtergrondbelasting bedraagt.
Wencopperweg 102
Kapweg 20
Dronkelaarseweg 6
Dwarsgraafweg 3-01
| Achtergrondbelasting geur |
Mogelijke kans op geurhinder |
Beoordeling leefklimaat |
|
| OuE/m³ | % | ||
| 1 – 3 | < 5 | Zeer goed | |
| 4 – 8 | 5 – 10 | Goed | |
| 9 – 13 | 10 - 15 | Redelijk goed | |
| 14 - 20 | 15 – 20 | Matig | |
| 21 – 28 | 20 – 25 | Tamelijk slecht | |
| 29 – 38 | 25 – 30 | Slecht | |
| 39 – 50 | 30 – 35 | Zeer slecht | |
| 51 – 65 | 35 - 40 | Extreem slecht | |
Ontwikkelingsruimte omliggende veehouderijen
Voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen geldt:
Afstandsnorm: 50 meter tussen bouwvlak veehouderij en geurgevoelig object.
Voorgrondnorm: max. 20 ouE/m³.
Wencopperweg 102
Kapweg 20
Dronkelaarseweg 6
Dwarsgraafweg 3-01
Conclusie
Voor alle vier de locaties geldt:
Er is daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Deze is opgenomen in artikel 5.129g van het Bkl. In het artikel is primair bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. In artikel 8.0b Bkl is bepaald dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
De nieuwe ladder onder de Omgevingswet verschilt inhoudelijk niet van de ladder zoals deze onder het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid) luidde. Nieuw is dat 'rekening gehouden moet worden met' de ladderplicht in het omgevingsplan en bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan.
Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.
De wet biedt de mogelijkheid om de laddertoets door te schuiven naar de fase van vergunningverlening. In de planfase kan een globaler onderzoek in dat geval volstaan. De zorgvuldigheid vereist aan de wijziging van het omgevingsplan wél een (globaal) onderzoek ten grondslag te leggen, waaruit de behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling blijkt (op grond van artikel 3:2 Awb). Een gedetailleerd ladderonderzoek hoeft niet al in de planfase, maar pas in de vergunningfase te worden uitgevoerd.
Let op: pas als een gemeente voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling in het omgevingsplan of voor een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit daadwerkelijk toepassing heeft gegeven aan de ladder, maakt de nieuwe stedelijke ontwikkeling ook onderdeel uit van de harde plancapaciteit. Als de nieuwe ontwikkeling moet behoren tot de harde plancapaciteit, dan moet je de laddertoets niet doorschuiven, omdat anders andere plannen 'voordringen'.
Bevindingen
De ontwikkelingen op de locaties betreffen:
Bij geen van deze projecten is sprake van een substantiële stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Er wordt uitsluitend voorzien in beperkte functiewijzigingen en kleinschalige bebouwing, passend binnen het bestaande buitengebied.
Er is daarom geen laddertoets vereist.
Conclusie
Het aspect Ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen nieuweidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit plan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geenlaagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.
Conclusie
Het aspect leidingen en laagvliegroutes vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De aanvraag moet beoordeeld worden op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving.
Voor vergunningplichtige (milieubelastende) activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bkl. Deze gaan over:
Bevindingen
Wencopperweg 102, Kapweg 20 en Dronkelaarseweg 6
De plangebieden Wencopperweg 102, Kapweg 20 en Dronkelaarseweg 6 bevinden zich in een aandachtsgebied voor fijnstof (PM10) vanuit veehouderijen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn rijksomgevingswaarden voor fijnstof opgenomen. Er is beoordeeld of ter plaatse van de voorziene gevoelige functies (zoals wonen) aan deze normen kan worden voldaan. Hierbij is specifiek gekeken naar de invloed van de fijnstofuitstoot van omliggende veehouderijen.
Resultaten & beoordeling
In de directe omgeving van de drie plangebieden zijn geen veehouderijen gelegen met een relevante fijnstofemissie (>500 kg per jaar). Hierdoor is geen nadere berekening van de luchtkwaliteit uitgevoerd. Op basis van de situatie ter plaatse wordt verwacht dat aan de geldende grenswaarden voor fijnstof wordt voldaan.
Dwarsgraafweg 3-01
Het plangebied is gelegen in een aandachtsgebied voor fijnstof (PM10) vanuit veehouderijen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan rijksomgevingswaarden voor fijnstof. Er is getoetst of ter plaatse van de gevoelige functie aan de rijksomgevingswaarden kan worden voldaan. Hierbij is gekeken naar de invloed van de fijn stof uitstoot van de omliggende veehouderijen.
Resultaten & beoordeling
In de omgeving ligt binnen een straal van 500 meter een veehouderij met een relevante fijnstof emissie (>500 kg per jaar), aan de Dwarsgraafweg 5. Met het verspreidingsmodel ISL3a is berekend wat de invloed hiervan is op de totale concentratie fijn stof op het plangebied. De resultaten van de berekening staan in onderstaande tabel.
Resultaten fijn stof berekening
Conclusie
Er wordt aan de grenswaarden voldaan. De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is aanvaardbaar.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
Een milieueffectenrapportage (hierna: mer) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. In afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is de regelgeving rondom de mer opgenomen. In afdeling 16.4 van de Ow wordt onderscheid gemaakt in de plan-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.1) en de project-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.2). Uit Bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:
Er zijn drie sporen waarlangs de plan-mer aan de orde is:
Wanneer een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of een plan maakt een kleine wijziging mogelijk, dan kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
Bij een mer-beoordeling oordeelt het bevoegd gezag of er sprake is van aanzienlijke milieugevolgen aan de hand van de criteria van bijlage III bij de EU-richtlijn Milieueffectbeoordeling.
Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid Ow).
Voor de locaties Dronkelaarseweg 6 en Kapweg 20 volgt uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.5) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-mer-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling is hier niet aanwezig.
Voor de locaties Dwarsgraafweg 3-01 en Wencopperweg 102 blijkt uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.5) blijkt dat er voor dit plan een passende beoordeling nodig is.
Het feit dat voor bovengenoemde percelen sprake is van een passende beoordeling leidt ook tot een m.e.r. beoordelingsplicht (uitzondering voor kleine gebieden op lokaal niveau, artikel 11.1, lid 3 Omgevingsbesluit). Daarbij moet worden getoetst aan de criteria uit bijlage II smb-richtlijn: de kenmerken van het plan of programma en de kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed. Uit de m.e.r. beoordeling moet blijken of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu op voorhand zijn uit te sluiten.
Omdat de m.e.r. beoordelingsplicht in dit geval slechts ontstaat vanwege de (zeer) geringe mate van stikstofdepostie, die bovendien ruimschoots intern wordt gesaldeerd, wordt volstaan met een globale/generieke m.e.r.beoordeling:
De twee locaties kenmerken zich door de ligging in het landelijk gebied, waarbij op de locatie een nieuwe kleinschalige bedrijfsactiviteit wordt gevestigd. Deze ontwikkelingen zijn passend in het landelijk gebied en kennen een lage milieubelasting. Uit de beoordeling van de twee betreffende locaties met bedrijfsactiviteiten volgt dat deze activiteiten de omgeving niet zwaar belasten, er is sprake van enige geluidproductie en de verkeersgeneratie is niet meer dan bij het verdwijnende agrarische bedrijf. Andere effecten op de omgeving zijn niet aan de orde. Ook is geen sprake van het op grotere schaal verwerken of produceren van afvalstoffen. Daarnaast geven ook kenmerken van het gebied (zoals archeologische of ecologische waarden) geen aanleiding om belangrijke nadelige gevolgen te verwachten. De ontwikkelingen vinden niet plaats in gebieden met een verhoogd beschermingsniveau.
Op basis van het voorgaande zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu op voorhand uit te sluiten. Het opstellen van een m.e.r. voor de betreffende locaties in plan is niet nodig.
Conclusie
Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor dit plan.
Om milieubelasting bij woningen door bedrijven te voorkomen is een goede afstemming onder de Omgevingswet noodzakelijk. Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen niet onevenredig worden belast op gebied van milieu (geur, geluid etc.) door nabijgelegen bedrijvigheid.
Om dit te borgen zijn in hoofdstuk 3 van het Bal rijksregels voor milieubelastende activiteiten opgenomen. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. De algemene zorgplicht (artikel 1.7) en het algemene verbod (artikel 1.7a) uit de Omgevingswet zijn altijd van toepassing.
De handreiking 'Activiteiten en milieuzonering´ (2024) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gaat uit van zones met oplopende beschikbare milieugebruiksruimte per activiteit, zónder een Lijst van activiteiten bij de regels. De systematiek gaat in hoofdzaak over milieuhinderlijke activiteiten op reguliere bedrijventerreinen en andere werkterreinen, maar de handreiking geeft ook aanbevelingen voor gebieden met functiemenging. Daarnaast biedt de handreiking een hulpmiddel bij het inschatten van de benodigde milieugebruiksruimte van een activiteit.
Bevindingen
Wencopperweg 102, Kootwijkerbroek
De ontwikkeling betreft de functiewijziging van een voormalig agrarisch erf naar één woning. In de directe omgeving zijn geen bedrijven aanwezig die relevante milieubelasting (geluid, geur, stof) veroorzaken.
Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Ook wordt geen beperking opgelegd aan bestaande bedrijfsactiviteiten in de omgeving.
Kapweg 20, Kootwijkerbroek
De ontwikkeling betreft de functieverandering naar een kleinschalige bedrijfsfunctie met beperkte impact.
Op korte afstand bevindt zich een geitenhouderij (Wencopperweg 110), maar er worden géén nieuwe gevoelige functies zoals woningen gerealiseerd.
De ontwikkeling is in overeenstemming met de handreiking 'Activiteiten en milieuzonering'. Er ontstaat geen belemmering voor omliggende bedrijven.
Dronkelaarseweg 6, Barneveld
De ontwikkeling betreft de sloop van bestaande agrarische opstallen en de realisatie van een nieuw kleinschalig bedrijfsgebouw.
Er worden geen milieugevoelige functies toegevoegd. De milieugebruiksruimte van omliggende bedrijven blijft behouden.
De ontwikkeling past binnen de richtlijnen uit de handreiking 'Activiteiten en milieuzonering'.
Dwarsgraafweg 3-01, Kootwijkerbroek
De ontwikkeling betreft de sloop van agrarische bebouwing en de realisatie van een niet-agrarische bedrijfsfunctie van beperkte omvang.
Binnen de invloedsfeer zijn geen bedrijven aanwezig die zorgen voor een onevenredige milieubelasting.
De ontwikkeling is afgestemd op de uitgangspunten van de handreiking 'Activiteiten en milieuzonering'.
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
Zoals aangegeven is in een eerder stadium zijn de erven van Wencopperweg 102, en Kapweg 20 in Dwarsgraafweg 3-01 Kootwijkerbroek, Dronkelaarseweg 6 in Barneveld landschappelijk ingepast, waarbij rekening is gehouden met het historisch landschap. Zoals wordt benoemd in artikel 5.5.1.2 ligt geen van de planlocaties in een GO of GNN.
Conclusie.
Het aspect 'Natuur en landschap' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
In deze paragraaf wordt toegelicht op welke wijze bij de functiewijziging en nieuwbouw op de locaties Wencopperweg 102 te Kootwijkerbroek en Dronkelaarseweg 6 te Barneveld de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises wordt gewaarborgd. Daarbij gaat het om het beperken en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten, en om het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (zoals bedrijven of transport) met gevaarlijke stoffen.
De hoofdlijnen van het wettelijk kader over externe veiligheid zijn opgenomen in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen, die van belang zijn voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de (uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) verschillende milieubelastende) activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor) en buisleidingen met gevaarlijke stoffen én windturbines.
Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s bij risicovolle activiteiten uit het Bal om rekening te houden met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Deze aandachtsgebieden worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid. Binnen de aandachtsgebieden moet bij de vergunningverlening rekening worden gehouden met het groepsrisico (aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) kunnen gelden bij het risico van brand, explosies of gifwolken). Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen gebouwen en locaties toe te laten. Deze zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een planontwikkeling dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn/worden toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Bbl.
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal:
Plaatsgebonden Risico (PR) en Groepsrisico (GR)
Het plaatsgebonden risico is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Het Groepsrisico is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit. Voor een ontwikkeling binnen een aandachtsgebied moet ingegaan worden op het groepsrisico en dient het groepsrisico te worden verantwoord. Hierbij dient ingegaan te worden op de effectscenario's en dienen maatregelen te worden afgewogen. Een hulpmiddel hierbij is het handboek omgevingsveiligheid.
Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen en Plasbrandaandachtsgebied (PAG)
Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte.
Voor bepaalde trajecten binnen het basisnet dient niet alleen gekeken te worden naar risicoplafonds, maar ook naar zogeheten plasbrandaandachtsgebieden (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt.
Beleidsvisie externe veiligheid
In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.
Wencopperweg 102 – Kootwijkerbroek
De locatie Wencopperweg 102 ligt buiten directe aandachtsgebieden voor externe veiligheid. In de omgeving zijn geen buisleidingen, Basisnetroutes of bedrijven aanwezig die vallen onder de risicobronnen zoals bedoeld in het Bkl. Er is geen sprake van intensief transport van gevaarlijke stoffen of opslag van explosieve stoffen in de nabijheid.
Het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) worden niet beïnvloed door de ontwikkeling op deze locatie. Er zijn geen aanvullende veiligheidsmaatregelen vereist op grond van de regels uit het Besluit bouwwerken leefomgeving of het Bkl.
Dronkelaarseweg 6 – Barneveld
De locatie Dronkelaarseweg 6 bevindt zich eveneens buiten aandachtsgebieden die verband houden met externe veiligheid. Er zijn geen risicovolle bedrijven, Basisnetroutes, of andere relevante risicobronnen in de omgeving aanwezig.
De locatie voldoet aan de eisen vanuit het oogpunt van plaatsgebonden en groepsrisico. Toetsing aan de geldende wet- en regelgeving laat zien dat aanvullende veiligheidsmaatregelen niet noodzakelijk zijn.
Kapweg 20 – Kootwijkerbroek
Kapweg 20 ligt in een landelijk gebied zonder directe nabijheid van buisleidingen, risicovolle activiteiten of transportassen voor gevaarlijke stoffen. Er zijn geen windturbines of andere risicobronnen aanwezig zoals bedoeld in bijlage VII van het Bkl.
Er is geen sprake van plaatsgebonden risico of verhoogd groepsrisico. De locatie ligt buiten de aandachtsgebieden voor brand, explosie en gifwolk. Er zijn geen aanvullende eisen aan de ruimtelijke inrichting vanuit externe veiligheid.
Dwarsgraafweg 3-01 – Kootwijkerbroek
De locatie Dwarsgraafweg 3-01 ligt buiten de invloedsgebieden van risicobronnen zoals bedoeld in het Bkl. In de directe omgeving bevinden zich geen buisleidingen, spoorwegen, risicovolle bedrijven of routes voor vervoer van gevaarlijke stoffen.
Het plaatsgebonden risico is verwaarloosbaar en het groepsrisico is niet aan de orde. Er zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk op basis van externe veiligheidscriteria.
Te treffen maatregelen
Om risico's te minimaliseren, moeten veiligheidsmaatregelen worden getroffen ter voorkoming, beperking en bestrijding van branden, rampen en crises.
Nieuwe ontwikkelingen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidsregio's en de eisen voor hoofd- en subaanrijdroutes.
Bij bouw- en inrichtingsplannen worden eisen gesteld aan de bereikbaarheid van openbare wegen voor hulpdiensten. Dit omvat minimale afmetingen en bochtstralen, zodat hulpverleningsvoertuigen een calamiteit goed kunnen bereiken. Ook worden er eisen gesteld aan de beschikbaarheid van bluswater, met normen voor afstanden tussen bluswatervoorzieningen en gebouwen en de vereiste capaciteit.
Binnen de gemeente Barneveld zijn hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Daarnaast gelden opkomsttijden voor brandweervoertuigen, afhankelijk van de functie van een gebouw. Strengere eisen gelden voor gebouwen waarin wordt geslapen of waarin verminderd zelfredzame personen verblijven. De opkomsttijden zijn vastgelegd in de Wet veiligheidsregio's en het bijbehorende Besluit veiligheidsregio's.
Op basis van de ligging van de locaties Wencopperweg 102, Dronkelaarseweg 6, Kapweg 20 en Dwarsgraafweg 3-01 buiten aandachtsgebieden voor explosie, brand of gifwolk en de afwezigheid van risicobronnen zoals buisleidingen, Basisnetroutes of bedrijven met opslag of verwerking van gevaarlijke stoffen, is er geen sprake van een groepsrisico dat boven de oriënterende waarde ligt.
Er bevinden zich geen voorzieningen of activiteiten in de nabijheid die kunnen leiden tot een significante personendichtheid in combinatie met een mogelijke calamiteit met gevaarlijke stoffen. Binnen de planologische kaders worden geen kwetsbare objecten of gebouwen met verhoogde bezettingsgraad toegevoegd die het groepsrisico verhogen.
Hoewel het groepsrisico formeel moet worden afgewogen bij ontwikkelingen binnen aandachtsgebieden, is dat bij deze locaties niet aan de orde. Er is dan ook geen noodzaak tot het treffen van aanvullende maatregelen of het uitvoeren van een nadere verantwoording zoals bedoeld in artikel 5.15 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
De brandweer en de veiligheidsregio zijn niet betrokken in het kader van het groepsrisico, aangezien er geen aanleiding bestaat voor een formele zienswijze of advies. Het aspect omgevingsveiligheid vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen.
Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Gemeente Barneveld heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog.
Volgens dit onderzoek is de planlocatie aan de Wencopperweg 102 te Kootwijkerbroek aangemerkt als verdacht gebied voor ontplofbare oorlogsresten, in het bijzonder afwerpmunitie. Onderstaande afbeelding betreft een uitsnede van de OO-belastingkaart van de gemeente Barneveld, waarop de ligging van het plangebied in relatie tot het verdachte gebied zichtbaar is.
Om risico's te voorkomen zal, voorafgaand aan werkzaamheden in het verdachte gebied, een gecertificeerd opsporingsbedrijf het terrein moeten vrijgeven. De vrijgave dient te worden aangetoond door middel van een Proces-Verbaal van Oplevering (PVO) conform de WSCS-OCE.
Wencopperweg 102 – Kootwijkerbroek
Volgens de gemeentelijke OO-Belastingkaart en het historisch vooronderzoek is de locatie niet als verdacht gebied aangemerkt. In de directe nabijheid ligt een mogelijk voormalig militair onderkomen, maar deze bevindt zich buiten het plangebied en vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
Kapweg 20 – Kootwijkerbroek
Voor deze locatie is vastgesteld dat zij buiten verdacht gebied ligt op basis van het historisch onderzoek en de gemeentelijke OO-kaart.
Dronkelaarseweg 6 – Barneveld
Ten oosten van de locatie bevinden zich twee kraters van vliegtuigbommen, ontstaan vanuit een Engelse Spitfire. Op basis van visuele inspectie en historische gegevens is vastgesteld dat de bommen volledig zijn geëxplodeerd en er geen blindgangers aanwezig zijn.
Dwarsgraafweg 3-01 – Kootwijkerbroek
Ook de planlocatie aan de Dwarsgraafweg ligt buiten de door het historisch vooronderzoek als verdacht aangemerkte gebieden.
Conclusie
Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.
Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.
Beoordeling
Wencopperweg 102 – Kootwijkerbroek
De locatie bevindt zich op ruime afstand van trillingveroorzakende bronnen. Er zijn geen spoorlijnen, industriële installaties of zware transportassen in de directe nabijheid. De ontwikkeling betreft een functiewijziging zonder activiteiten die trillingshinder kunnen veroorzaken.
Kapweg 20 – Kootwijkerbroek
De planlocatie ligt op meer dan 100 meter afstand van de dichtstbijzijnde hoofdspoorweg. Volgens de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen is een nadere beoordeling van trillingen daarom niet nodig. Er worden binnen het plangebied geen functies toegestaan die trillingshinder kunnen veroorzaken. In de directe omgeving zijn geen structurele bronnen van trillingen aanwezig.
Dronkelaarseweg 6 – Barneveld
Deze locatie ligt eveneens in een buitengebied zonder nabijheid van bronnen die structurele trillingen veroorzaken. Ook worden binnen het plan geen nieuwe functies toegestaan die relevant zijn voor trillingsbelasting.
Dwarsgraafweg 3-01 – Kootwijkebroek
Deze locatie ligt in een landelijk gebied zonder nabijheid van trillingveroorzakende infrastructuur zoals spoorlijnen of snelwegen. De functiewijziging maakt geen trillingveroorzakende activiteiten mogelijk. Trillinggevoelige objecten in de directe omgeving zijn afwezig.
Conclusie
Het aspect trillingshinder is niet relevant. Nadere toetsing of mitigerende maatregelen zijn niet noodzakelijk.
Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties hoort ook het goed omgaan met verkeer en parkeren. Ten aanzien van verkeer is het van belang dat de nieuwe functie aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft en dat er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie. Daarnaast moeten er voldoende parkeerplaatsen voor de functie van de beoogde ontwikkeling aanwezig zijn.
Bij de toedeling van functies aan locaties is een goede verkeersafwikkeling essentieel om de bereikbaarheid en leefbaarheid te waarborgen. De beoogde ontwikkeling mag geen onevenredige toename van het verkeer veroorzaken.
De verkeersgeneratie wordt beoordeeld aan de hand van richtlijnen uit de CROW-publicaties en vergelijkbare functies. Hierbij wordt gekeken naar het aantal verkeersbewegingen per etmaal en de spreiding hiervan over de dag. Op basis van deze analyse wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op de verkeersafwikkeling en dat de bestaande infrastructuur voldoende capaciteit biedt om het extra verkeer op te vangen.
Voor de ontwikkeling geldt de parkeernorm uit de Nota Parkeernormen 2020, waarin per woning drie parkeerplaatsen vereist zijn. Bij de verdere uitwerking van het plan moet hiermee rekening worden gehouden. Extra parkeervoorzieningen dienen te worden gerealiseerd op eigen terrein of in de directe omgeving, mits dit ruimtelijk en verkeerskundig aanvaardbaar is en geen overlast veroorzaakt voor omwonenden.
Wencopperweg 102 – Kootwijkerbroek
De planlocatie ligt aan de bestaande Wencopperweg, een gebiedsontsluitingsweg met voldoende capaciteit. De beoogde functiewijziging naar een kleinschalige bedrijfsactiviteit leidt tot een geringe toename van verkeersbewegingen, welke binnen de norm valt. De ontsluiting is verkeerskundig aanvaardbaar, met voldoende zichtlengte en manoeuvreerruimte.
Parkeren vindt plaats op eigen terrein, waarmee wordt voldaan aan de parkeernormen.
Conclusie: De ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de verkeersafwikkeling. Het aspect vormt geen belemmering.
Kapweg 20 – Kootwijkerbroek
De locatie wordt via de bestaande Kapweg ontsloten. Deze weg biedt voldoende capaciteit en wordt momenteel voornamelijk gebruikt voor agrarisch verkeer. De wijziging van agrarisch naar niet-agrarisch gebruik leidt tot een andere, maar niet zwaardere verkeersbelasting. De verwachting is dat het aantal verkeersbewegingen iets toeneemt, maar niet tot knelpunten leidt.
De ontsluiting blijft behouden en is veilig ingericht. Voor parkeren is voorzien in voldoende ruimte op eigen erf, passend bij het gebruik van de locatie als bedrijfsfunctie en twee woonunits (i.v.m. woningsplitsing).
Conclusie: De verkeerseffecten zijn acceptabel en de parkeervoorziening is volledig op eigen terrein gerealiseerd.
Dronkelaarseweg 6 – Barneveld
De Dronkelaarseweg is een rustige plattelandsweg met voldoende ruimte voor afwikkeling van het verkeer. De functieverandering leidt niet tot een relevante toename van verkeer. Vergeleken met de voormalige agrarische functie is zelfs sprake van een lagere verkeersintensiteit. De ontsluiting blijft ongewijzigd en voldoet aan de eisen op het gebied van verkeersveiligheid en zichtlijnen.
Op eigen terrein is ruimte voor parkeren beschikbaar, afgestemd op de functie van een kleinschalig bedrijfsgebouw.
Conclusie: Het plan leidt tot een beperkte verkeersgeneratie en geen extra parkeerdruk. De ontwikkeling past binnen de bestaande infrastructuur.
Dwarsgraafweg 3-01 – Kootwijkebroek
De locatie is via de bestaande Dwarsgraafweg goed bereikbaar. De verkeersstructuur is eenvoudig en overzichtelijk. Het perceel beschikt over een ruime erfoprit en manoeuvreerruimte, waardoor het beoogde bedrijfsgebruik veilig en efficiënt bereikbaar is voor personen- en eventueel vrachtverkeer.
De verkeersgeneratie blijft beperkt tot enkele bewegingen per dag. Op basis van de aard van het gebruik zijn er voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein ingetekend.
Conclusie: De verkeersafwikkeling is probleemloos en de parkeerbehoefte wordt volledig op eigen terrein opgelost. Er is geen sprake van overlast of belemmeringen.
Conclusie
Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor dit plan.
Wencopperweg 102 - Kootwijkerbroek
De gemeente en het waterschap hebben beoordeeld dat de ontwikkeling voldoende waarborgen biedt voor een verantwoorde waterhuishouding. Op verzoek van de gemeente is een bergingsvoorziening uitgewerkt van 64 m³, in de vorm van een wadi met overstort naar de watergang. Hierbij zijn de Gemiddelde gronwaterhoogte, wadibodemhoogte en overstorthoogte aangegeven op de tekening.
De vuilwaterafvoer blijft via de bestaande persleiding en wijzigt niet. Er vindt geen lozing op oppervlaktewater plaats.
Conclusie: De wateraspecten zijn volledig uitgewerkt en afgestemd met de gemeente. Het plan is waterhuishoudkundig inpasbaar en voldoet aan het Bkl.
Kapweg 20 - Kootwijkerbroek
Uit de digitale watertoets blijkt dat het plangebied er:
Er is sprake van een beperkte invloed op het watersysteem. Er is geen extra watervergunning nodig, maar het waterschap vraagt wel om maatregelen voor klimaatadaptatie en waterneutraal bouwen, zoals waterdoorlatende verharding of berging op eigen terrein.
Conclusie: Het plan raakt geen kernbelangen van het waterschap. Klimaatadaptieve maatregelen zijn gewenst. Het plan is inpasbaar binnen de bestaande waterstructuur.
Dronkelaarseweg 6 - Barneveld
De digitale watertoets (resultaatcheck) geeft aan dat per saldo:
De bestaande hemelwaterafvoer blijft gehandhaafd. De ligging en het beperkte bouwvolume zorgen ervoor dat er geen waterhuishoudkundige knelpunten optreden.
Conclusie: Geen aanvullende maatregelen nodig. Het plan is hydrologisch neutraal en past binnen de bestaande situatie.
Dwarsgraafweg 3-01 - Kootwijkerbroek
Voor deze locatie is een wateradvies opgesteld. Belangrijkste aandachtspunten:
Conclusie: Met inachtneming van het wateradvies is het plan volledig inpasbaar. Realisatie vereist uitvoering van bergingsmaatregelen en afstemming met het waterschap.
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van gemeente Barneveld van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In de Bruidsschat zitten onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van de artikelen 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Barneveld. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan de locaties Wencopperweg 102, Kapweg 20, Dwarsgraagweg 3-01 in Kootwijkerbroek en Dronkelaarseweg 6 in Barneveld (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen (zie Begripsbepalingen en Meet- en rekenbepalingen).
Daarnaast is er een toepassingsbereik-bepaling opgenomen in het plan waarmee geregeld wordt dat de nieuwe regels voorrang hebben als ze in strijd zijn met de oude regels (Artikel 3). Een TAM-omgevingsplan zorgt er namelijk niet automatisch voor dat de oude regels op de locatie waarvoor het TAM-omgevingsplan komt te gelden, komen te vervallen. Ook is een plankaart van het wijzigingsgebied van het plan niet direct onderdeel van het omgevingsplan. Daarvoor zijn er in dit plan ook bepalingen opgenomen die dit borgen.
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de Wencopperweg 102, Kapweg 20, Dwarsgraagweg 3-01 in Kootwijkerbroek en Dronkelaarseweg 6, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0203.TAMOP0013-0002 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
De verwachting is dat de komende jaren veel agrarische bedrijven zullen stoppen. Er komen veel stallen en andere bedrijfsgebouwen leeg te staan. De gemeente wil aan deze gebouwen een nieuwe passende functie kunnen geven. Hierbij kan worden gedacht aan nieuwe woningen, diverse vormen van bedrijvigheid, recreatieve of maatschappelijke functies en verbredingsmogelijkheden voor wonen en werken.
Bij functieverandering naar werken is een onderscheid gemaakt voor 'gebiedspassende bedrijven' en 'gebiedsgebonden bedrijven'. Gebiedspassende bedrijven zijn kleinschalige bedrijven die op zich horen op een bedrijventerrein of binnen de bebouwde kom, maar die ruimtelijk verantwoord passen of in te passen zijn in de (delen van) het buitengebied. Gebiedsgebonden bedrijven zijn bedrijven die vanuit de aard van hun bedrijfsvoering in beginsel geplaatst kunnen worden in (bepaalde delen van) het buitengebied, dan wel die vanouds aan het buitengebied gerelateerd worden. Deze bedrijven hebben naar hun aard een zekere relatie met het buitengebied en/of vanuit de historie een plek gevonden in het buitengebied. Onder deze categorie schaart de regio ook agrarische verwante bedrijven (ook wel landelijke bedrijven genoemd).
Een belangrijk doel bij functieverandering is dat er nieuwe ruimtelijke kwaliteiten worden gerealiseerd, waardoor ruimtelijke en maatschappelijke winst ontstaat. Dit gebeurt door investeringen in de kwaliteit van het buitengebied. Die investeringen lopen via het Ontwikkelingsfonds Platteland en hebben betrekking op landbouw, natuur, landschap, cultuurhistorie en archeologie, milieu en water, recreatie en sociaaleconomische revitalisering. De middelen uit dit fonds moeten aan meerdere doelen en thema’s worden besteed zodat een evenwichtig plattelandsontwikkelingsprogramma wordt opgebouwd en uitgevoerd.
In het voorliggende plan is voor zowel woningen, als bedrijfswoningen een afwijkingsmogelijkheid opgenomen waarmee een tweede zelfstandige wooneenheid voor mantelzorg mogelijk wordt gemaakt. De afwijkingsmogelijkheid is gekoppeld aan onder andere een sloopeis. De voorwaarden staan beschreven in de activiteit bouwen, in stand houden en gebruik van bouwwerken (en gronden). Mantelzorg is niet toegestaan binnen 'functie recreatiewoning in het buitengebied' en 'functie wonen in een voormalige recreatiewoning'. Ook wordt mantelzorg niet mogelijk gemaakt in woningen die een toegestane maximale inhoud hebben van 350 m3.
Binnen zowel woningen, kleine woningen, woongebouwen als bedrijfswoningen is onder voorwaarden een aan huis verbonden beroep of kleinschalig bedrijf en/of bed & breakfast bij recht toegestaan. Bij de relevante functies staan de voorwaarden beschreven.
Een aan huis verbonden beroep of kleinschalig bedrijf is niet toegestaan binnen 'functie recreatiewoning in het buitengebied' en 'functie wonen in een voormalige recreatiewoning'. Bed & breakfast is niet mogelijk binnen de 'functie recreatiewoning in het buitengebied' en 'functie wonen in een voormalige recreatiewoning', gelet op het kleinschalige oppervlak van de woning.
De bewoner van de woning mag in de woning een aan huis verbonden beroep, kleinschalig bedrijf (bijvoorbeeld een praktijk- of kantoorruimte) en/of bed & breakfast uitoefenen. In totaal mag hiervoor worden gebruikt maximaal 35% van het vloeroppervlak van de woning, met een maximum van 60 m2. Bij een kleine woning geldt een maximum van 35 m2. De oppervlakte is beperkt om te garanderen dat deze functies ondergeschikt zijn en blijven aan de hoofdfunctie wonen. Om overlast en hinder te voorkomen zijn activiteiten waarvoor een melding of vergunning op basis van de milieuwetgeving vereist is, niet toegestaan. De gemeente wil met deze voorwaarden voorkomen dat er nieuwe bedrijven ontstaan in het buitengebied. Via een afwijking van de gebruiksregels mag een aan huis verbonden beroep of bedrijf en bed & breakfast ook in een bijgebouw worden gerealiseerd.
Ter voorkoming van het ontstaan van een zelfstandige wooneenheid wordt geen keukenblok toegestaan in een bed & breakfast. Een keukenblok wordt niet noodzakelijk geacht voor een bed & breakfast, omdat de verzorging van bed & breakfast zich beperkt tot logies en ontbijt. Ook wordt hiermee de kans op permanente bewoning tegengegaan.
Bij de woning is een paardrijbak (onoverdekte rijbak) voor privé- en hobbymatig gebruik door de bewoners toegestaan.
De afmeting van de paardrijbak bedraagt maximaal 20 bij 40 meter. De paardrijbak is toegestaan binnen de locatie waaraan de functie is toebedeeld en/of functiegebieden waarin een woning of een bedrijfswoning is toegestaan. Een paardrijbak is onder voorwaarden ook toegestaan aansluitend aan het functiegebied waarin de woning zich bevindt. Een paardrijbak die aansluitend aan een functiegebied wordt gerealiseerd ligt in de functie 'agrarische bedrijven'. De voorwaarden die gelden voor een paardrijbak in de functie 'agrarische bedrijven' staan dan ook vermeld in de regels over het gebruik van grond als paardrijbak in het buitengebied.
De paardrijbak moet achter de voorgevelrooilijn worden aangelegd. Om hinder naar buren te voorkomen of te beperken is de minimale afstand tussen de paardrijbak en een woning van een derde minimaal 50 meter. Via een afwijking van de bouwregels is het mogelijk de paardrijbak voor de voorgevelrooilijn te plaatsen. Voorwaarde is dat de belangen van gebruikers/eigenaars van aanliggende gronden niet onevenredig worden geschaad en dat er geen onevenredige aantasting van de milieusituatie plaatsvindt. Hieronder wordt in ieder geval verstaan dat het woon- en leefklimaat (geur, geluid, stof en dergelijke) niet verslechtert en dat wordt voldaan aan de geldende milieuregels. Ook moet rekening worden gehouden met de aanwezige landschapswaarden.
Op basis van nationale wetgeving is het mogelijk om zonnecollectoren op daken te plaatsen. In het buitengebied van de gemeente Barneveld wil de gemeente ook het plaatsen van zonnecollectoren op maaiveld in (beperkte vorm) mogelijk maken. Dit wordt gedaan om een mogelijkheid te bieden voor situaties waarin het plaatsen zonnecollectoren op het dak niet gewenst is. Hierbij kan gedacht worden aan monumentale gebouwen en/of gebouwen met een rieten dak.
Het voorliggende plan biedt mogelijkheden om met voorwaarden bij recht zonnecollectoren te realiseren. Daarnaast bevat het plan een mogelijkheden voor het bouwen van zonnecollectoren op onbebouwde agrarische grond aansluitend aan een functievlak voor bijvoorbeeld de functie 'Wonen'. Hierbij worden eisen gesteld aan zowel de plaats van de zonnecollectoren als de landschappelijke inpassing van deze zonnecollectoren. Bij agrarische bedrijven geldt dat het plan flexibiliteitsbepalingen bevat waarmee de vorm en/of de grootte van de functie kan worden aangepast, die ook kan worden gebruikt voor het plaatsen van zonnecollectoren. Wat betreft de bouwregels worden zonnecollectoren beschouwd als overige bouwwerken geen gebouw zijnde. Dit betekent onder andere dat zonnecollectoren buiten een bouwvlak maximaal 3 meter hoog mogen zijn.
Op sommige locaties staan nog voormalige noodwoningen. In het verleden is een deel van deze woningen gelegaliseerd. Deze woningen hebben de functie 'kleine woning' gekregen. Voor deze woningen is een afwijkende maatvoering opgenomen in de bouwbepalingen. De inhoud van deze woningen mag niet meer bedragen dan 350 m3. De goot- en nokhoogte van de woning bedraagt maximaal 3,5 respectievelijk 6 meter. Bij de kleine woning is 40 m2 bijgebouwen toegestaan. Vervangende nieuwbouw is toegestaan, de woning moet dan wel op dezelfde plek worden teruggebouwd. Onder voorwaarden is een andere plek voor de kleine woning toegestaan. Ook kan de kleine woning onder voorwaarden worden vergroot, als er ook overtollige bebouwing wordt gesloopt.
Niet alle dagrecreatieve activiteiten vinden plaats op een vaste locatie. Wandelen, fietsen, skeeleren en paardrijden kan in het gehele plangebied. In de functies ('agrarische bedrijven', 'paardenhouderij' en 'natuur in buitengebied') is het extensieve recreatieve medegebruik bij recht toegestaan. Deze activiteiten zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving. Activiteiten als boerengolf, paintball en gemotoriseerde sporten (zoals quads, crossmotoren en dergelijke) zijn niet toegestaan om zo de verstoring in de genoemde (natuur)gebieden beperkt te houden.
Voor werken en werkzaamheden die bij het normale onderhoud, gebruik en beheer behoren, is geen omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) nodig. Onder normaal beheer, onderhoud en gebruik wordt verstaan beheer, onderhoud en gebruik die gelet op de toegekende functie, regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer, een goed onderhoud en een goed gebruik van de gronden en van de gebouwen die tot de betreffende functies behoren.
Bij de functie agrarische bedrijven zijn dat bijvoorbeeld werkzaamheden die inherent zijn aan de productie op basis van de huidige cultuur/productiewijze van het bedrijf (veehouderij, akkerbouw, et cetera). Het betreffen werkzaamheden die als onderdeel van de bedrijfsvoering met regelmaat (periodiek, bijvoorbeeld jaarlijks) worden uitgevoerd. Echter, voor werkzaamheden op het agrarisch bouwvlak (of een ander bebouwd perceel, zoals bij een woning of een bedrijf) geldt voor sommige werken of werkzaamheden wel het vereiste van een omgevingsvergunning. Het gaat dan vooral om ingrepen die de archeologische waarden kunnen verstoren of die een grote landschappelijke impact kunnen hebben, zoals het aanleggen van aarden wallen. Het is wel van belang dat andere regelingen zich niet verzetten tegen een ingreep, zoals bijvoorbeeld een beheersovereenkomst. Ook moeten soms ontheffingen op basis van de regels met betrekking tot natuur en natuuractiviteiten (BKL en Bal) worden verleend. Dit soort wettelijke verplichtingen zijn altijd van toepassing, onafhankelijk van de regeling in dit plan.
Algemeen
Aan legaal tot stand gekomen bedrijven wordt een functie voor een landelijke niet-agrarische bedrijven toegekend. Voor bedrijven die verwant zijn aan het landelijk gebied is de functie 'landelijke bedrijven' opgenomen. Een specifieke vorm van niet-agrarische bedrijven zijn de winkels en horecabedrijven. Locaties met deze functies hebben de functie 'detailhandelsbedrijven' of 'horecabedrijven' gekregen.
Toegestane soorten bedrijvigheid
Op alle percelen met de functie 'landelijke niet-agrarische bedrijven' zijn bedrijven uit de milieucategorieën 1 en 2 toegestaan die zijn opgenomen in de 'Staat van Bedrijfsactiviteiten'. Het gaat dan om bedrijven die weinig tot geen milieuhinder veroorzaken. In een bijlage bij de planregels is een compleet overzicht van toegestane bedrijven opgenomen. In het plangebied zijn echter ook 'zwaardere' bedrijven gevestigd. Deze vormen van bedrijvigheid zijn op de verbeelding aangeduid, en hier is dan (naast een categorie 1 of 2 bedrijf) alleen het aangeduide type bedrijvigheid toegestaan. Bij de functie 'landelijke bedrijven' zijn regels opgenomen voor specifieke bedrijvigheid. Binnen de functie 'detailhandelsbedrijven' is met aanduidingen aangegeven welk soort detailhandel is toegestaan.
Binnen de functie 'landelijke niet-agrarische bedrijven' kan voor de locaties met een specifieke aanduiding (dit zijn bedrijven in de milieucategorie 3 of hoger), via afwijking een omgevingsvergunning worden verleend voor het toestaan van een ander type bedrijvigheid uit de 'Staat van Bedrijfsactiviteiten'. Het nieuwe bedrijf moet qua aard en invloed op de omgeving gelijk zijn aan het al toegestane bedrijf. Bevi- en Wgh-inrichtingen zijn uitgesloten van deze bevoegdheid.
Toegestane omvang van het bedrijf
In de planregels is per adres aangegeven wat de maximaal toegestane oppervlakte bedrijfsbebouwing is. Bij bedrijfsbebouwing zijn onderbouwen toegestaan met een totale oppervlakte van maximaal 500 m2. Een onderbouw is een voor mensen toegankelijke ruimte, zoals een souterrain, gelegen onder de begane grondvloer en moet binnen de fundering van een gebouw worden gerealiseerd.
De maximale goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen bedraagt 4 respectievelijk 10 meter. Door middel van een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden een gebouw met een goothoogte van maximaal 6 meter of een bouwhoogte van maximaal 12 meter gerealiseerd worden. Voorwaarde is dat het aantal bouwlagen niet toeneemt, er een bedrijfseconomische noodzaak voor is en de belangen van landschap en beeldkwaliteit niet onevenredig worden aangetast.
Bedrijfswoning
Per functielocatie is één bedrijfswoning toegestaan. Op specifieke locaties is in de regels aangegeven dat er geen bedrijfswoning is toegestaan. Bij een eventuele vervangende nieuwbouw van de bedrijfswoning moet de woning op dezelfde plek terug worden gebouwd. Dit heeft te maken met de afstandsbepalingen uit de Wet geurhinder en veehouderij. Via een afwijking van de planregels is het mogelijk de bedrijfswoning op een andere plek in het functievlak te herbouwen.
De maximale goot- en nokhoogte van de bedrijfswoning bedraagt 3,5 respectievelijk 10 meter, tenzij op de verbeelding een andere goot- en/of nokhoogte is aangeduid. De maximale inhoud van de bedrijfswoning bedraagt 750 m3, inclusief de onderbouw voor zover gelegen boven het maaiveld. Onder een bedrijfswoning is een onderbouw toegestaan, waarbij geldt dat bij vergunningsvrije aanbouwen en bijbehorende bouwwerken van woningen niet vergunningsvrij mogen worden voorzien van een onderbouw. Bij de bedrijfswoning is maximaal 80 m2 aan bijgebouwen toegestaan. De maximale goot- en nokhoogte van de bijgebouwen bedraagt 3 respectievelijk 6 meter.
Detailhandel
Detailhandel dient zoveel mogelijk plaats te vinden in de daarvoor bedoelde kernwinkelgebieden. Dat is het beleid in gemeente Barneveld. Met detailhandel buiten de winkelgebieden gaat de gemeente terughoudend om. Het uitgangspunt is dat detailhandel niet is toegestaan op bedrijventerreinen (en binnen bedrijven) (uitgezonderd ondergeschikte productiegebonden detailhandel). Bij de beoordeling van de ondergeschiktheid moeten de aard, indeling en inrichting van het pand in aanmerking worden genomen en voorts, hoe frequent het bedrijf door particulieren wordt bezocht en hoeveel detailhandeltransacties ter plaatse hebben plaatsgevonden. Het percentage van de omzet kan niet als onderscheidend criterium worden gehanteerd. Als richtlijn kan detailhandel als ondergeschikt worden aangemerkt als de omzet van handel met particulieren minder dan 10 % van de totale omzet bedraagt.
In het plangebied liggen een aantal gasleidingen, rioolleidingen en een hoogspanningsverbinding. Deze leidingen lopen door andere functies heen. Deze leidingen zijn daarom bestemd door middel van de dubbelfuncties 'Leiding - Gas', 'Leiding - Hoogspanning' en 'Leiding - Riool'. Doel van de functies is om de leidingen in het plan op een goede manier te regelen, onder andere om deze te beschermen.
Binnen de functie gasleiding in de kernen/ in het buitengebied zijn regels opgenomen voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden in de bodem. Deze mogen niet worden uitgevoerd zonder dat hier vooraf een omgevingsvergunning voor is verleend. Zo worden de leidingen beschermd tegen breuken en worden onveilige situaties voorkomen. Bebouwing in deze zones mag pas worden opgericht wanneer de leidingbeheerder hier mee heeft ingestemd. Omdat de leidingen door of langs bebouwde percelen lopen is deze voorwaarde noodzakelijk. Voor gebouwen ten behoeve van het leidingbeheer geldt een uitzondering: deze zijn wel direct toegestaan tot een maximum van 40 m2 en een bouwhoogte van 3 meter.
De maximale bouwhoogte van de hoogspanningsmasten binnen de functie hoogspanningsverbinding in de kernen/ in het buitengebied bedraagt 65 meter. Voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een bouwhoogte van 3 meter. Onder de leidingen en de daarbij behorende beschermende zone mag niet worden gebouwd voor andere functies dan ten behoeve van de hoogspanningsverbinding. Van deze regel kan worden afgeweken, mits het behoud van een veilige ligging en de continuïteit van de leidingen is gewaarborgd en het niet gaat om een (bedrijfs)woning. Zo wordt voorkomen dat nieuwe kwetsbare functies onder de leidingen kunnen worden gerealiseerd. De breedte van het functievlak beslaat bij bovengrondse hoogspanningsverbindingen een afstand van 48 meter en bij ondergrondse verbindingen een afstand van 5 meter.
De functie rioolleiding in de kernen/ in het buitengebied is bedoeld voor de bescherming van de rioolleiding. Binnen deze functie mag worden gebouwd ten behoeve van de leiding. Voor andere functies die binnen de leidingstrook gevestigd zijn, mag worden gebouwd nadat in afwijking van het plan een omgevingsvergunning is verleend, mits het behoud van een veilige ligging en de continuïteit van de leidingen zijn gewaarborgd.
In alle gebieden die (nog) niet zijn vrijgegeven na archeologisch onderzoek of waar is besloten tot behoud in situ is een functieaanduiding voor archeologie toegepast. Specifieke regels hiervoor zijn toegepast op specifieke locaties. Hieronder vallen 6 soorten regels;
Met deze functieaanduiding wordt een regeling getroffen ter bescherming van het cultureel erfgoed dat op deze plek aanwezig is. In de voorrangsregeling is aangegeven hoe de regels van het plan zich tot elkaar verhouden. Wordt er op gronden gebouwd die een deze functie hebben, dan dient men zich aan de regels te houden die deze functie geeft. Er zijn regels opgenomen die, onder voorwaarden, het met een omgevingsvergunning toestaan om hiervan af te wijken.
Voor het beschermen van hoge cultuurlandschappelijke waarden is de functie cultuurlandschap in de kernen/ in het buitengebied opgenomen. De regels die hierbij behoren koppelen een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden aan de locatie.
Daarnaast mogen op de gronden met deze functie geen bouwwerken worden gebouwd voor zover deze naar het oordeel van het bevoegd gezag een negatief effect op de aanwezige cultuurlandschappelijke waarden hebben. Hierop zijn uitzonderingen in de regels opgenomen, bijvoorbeeld ter plaatse van een agrarisch bouwvlak of binnen een bedrijfsfunctie gelden die regels niet.
De functie waterhuishouding in de kernen/ in het buitengebied is opgenomen voor het beschermen van de waterhuishoudkundige functie van de betreffende gronden. Het gaat hierbij om gronden die niet de functie water in de kernen/ water in het buitengebied hebben. Aan deze functie is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden gekoppeld.
Op de gronden met deze functie mogen geen bouwwerken worden gebouwd. Uitzonderingen op het bouwverbod zijn alleen mogelijk na schriftelijke instemming van de waterbeheerder.
De initiatiefnemer zal voor eigen rekening en risico de activiteit ten uitvoer brengen. Het gaat in dit geval om een concreet plan met tijdvak. Binnen een redelijke termijn na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning zal worden gestart met de werken en werkzaamheden.
Ook onder de Omgevingswet (Ow) is kostenverhaal in beginsel verplicht bij (bouw)activiteiten die mogelijk worden op grond van een nieuw toegedeelde functie (artikel 13.11 Ow). Net zoals onder de vorige wet (Wet ruimtelijke ordening). Het is verboden een kostenverhaalsplichtige activiteit te verrichten voordat de te verhalen kosten zijn betaald (artikel 13.12 Ow), op straffe van bestuursrechtelijke handhaving. Er geldt tot die tijd dus een bouwverbod.
Onder de Ow geldt kostenverhaal langs privaatrechtelijke weg, door een anterieure overeenkomst te sluiten met de initiatiefnemer, als uitgangspunt. Daarin kunnen ook afspraken worden opgenomen die zien op een betaalregeling. Als partijen er niet in slagen om afspraken te maken in een anterieure overeenkomst over het gemeentelijk kostenverhaal, zal de gemeente het kostenverhaal publiekrechtelijk moeten regelen. Dat doet zij door kostenverhaalregels toe te voegen aan een omgevingsplan of kostenverhaalvoorschriften op te nemen in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Het verhalen van de kosten loopt dan via een kostenverhaalbeschikking. Zodra een initiatiefnemer aan de slag wil, vraagt deze bij de gemeente om die beschikking. Zolang de kostenverhaalbijdrage niet is betaald, is het verboden om de bouwactiviteiten uit te voeren. Dit geldt voor zowel het privaat- als publiekrechtelijke kostenverhaal.
Voor dit initiatief worden de kosten voor het opstellen van het plan gedekt door het heffen van leges. Voor de mogelijke kosten van een tegemoetkoming in schade, zoals bedoeld in artikel 15.1, lid 1 Ow (nadeelcompensatie), is een afzonderlijke overeenkomst gesloten. De inhoud voldoet aan die van een overeenkomst in de zin van artikel 13.13, lid 3 Ow. Er zijn bij dit plan geen andere kosten die in een exploitatieplan of exploitatieovereenkomst opgenomen moeten worden. Het opnemen van kostenverhaalregels in de omgevingsvergunning is daarom niet nodig.
De procedures voor vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan zijn door de wetgever geregeld. Conform artikel 10.2 Omgevingsbesluit en artikel 16.29 Omgevingswet heeft het college op 3 oktober 2024 voor de Dwarsgraafweg 3-01; 10 oktober 2024 voor de Wencopperweg 102; 27 maart 2025 voor de locaties Kapweg 20 en Dronkelaarseweg 6, en 1 mei 2025 voor het gehele plan in de Barneveldse Krant en Barneveld Huis-aan-Huis en langs elektronische weg kennisgegeven van de manier waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiden worden betrokken en is het voornemen om het voorliggende TAM-omgevingsplan voor te bereiden aangekondigd. Aangegeven is verder dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast is er de gelegenheid om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het omgevingsplan opgestart (artikel 16.30 Ow).
Bij het opstellen van een (wijziging)omgevingsplan moet onder de Omgevingswet aangetoond worden hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij het plan zijn betrokken (artikel 10.2 Omgevingsbesluit). Het is de bedoeling om elkaar zo vroeg mogelijk te betrekken in het proces ter voorbereiding van een besluit, zodat vroegtijdig de knelpunten, belangen en verbeterpunten worden gesignaleerd.
Participatie met bestuursorganen en ketenpartners
Bij de voorbereiding van het plan is het in het kader van participatie voorgelegd aan:
Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang.
Het Waterschap Vallei & Veluwe heeft aangegeven dat geen vooroverleg nodig is indien de toename van de verharding kleiner is dan 1500 m2 en de waterhuishoudkundige doelen van het waterschap niet in het geding komen. Hier is sprake van zo een geval. Om die reden heeft er participatie met het waterschap plaatsgevonden.
Er kan worden afgezien van overleg in door de provincie en het Rijk aangegeven gevallen. Ook belangen van omliggende gemeenten zijn bij dit plan niet in het geding.
Gelet op de brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft geen vooroverleg plaatsgevonden, aangezien de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) geen adviserende en coördinerende rol meer heeft met betrekking tot de advisering over de voorbereiding van een gemeentelijke ruimtelijke plannen. Nu er sprake is van een gemeentelijk ruimtelijk plan, waarbij er geen nationale rijksbelangen aan de orde zijn en de betrokken rijksdiensten niet als direct belanghebbende zijn aan te merken, behoeft het plan niet voor vooroverleg naar de ILT opgestuurd te worden.
Aangezien er geen sprake is van een provinciaal belang, heeft er geen participatie plaatsgevonden met de provincie.
Participatie met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties
De participatie met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties voor plannen binnen de gemeente Barneveld is verankerd in beleid dat moet leiden tot plannen met een hogere kwaliteit en een breder draagvlak. Op 20 april 2022 heeft de raad het "Participatiebeleid Gemeente Barneveld" vastgesteld en is in werking getreden.
Het beleid onderscheidt drie sporen:
In het beleid is de participatieladder opgenomen. Die ladder gaat over verschillende gradaties van meedoen en is er om de rol van de deelnemers duidelijk te communiceren. Er zijn vier treden op de ladder:
In dit geval is spoor 1 Participatie bij ruimtelijk initiatieven van het beleid relevant en trede 1 van de participatieladder. De initiatiefnemers hebben aangegeven dat er overleg is geweest met direct omwonende. Er is wel een participatieverslag toegevoegd.
Het TAM-omgevingsplan heeft van 31 oktober tot en met 11 december 2025 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken zijn geen reacties ingediend.