direct naar inhoud van MOTIVERING VAN HET WIJZIGINGSBESLUIT
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Ugchelseweg 219 Ugchelen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.tam0005-vas2

MOTIVERING VAN HET WIJZIGINGSBESLUIT

behorende bij TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Ugchelseweg 219 Ugchelen

1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Ugchelseweg 219 te Ugchelen was voorheen het wasserijbedrijf Texoclean gevestigd. Het terrein is braakliggend en wordt herontwikkeld naar woningen. Er zullen zowel grondgebonden als gestapelde woningen worden gerealiseerd, zodat bijgedragen wordt aan de woningbehoefte van Apeldoorn. Om woningbouw en andere functies mogelijk te maken moet het geldende planologische kader op de locatie worden gewijzigd.

1.2 Ligging en begrenzing

Het besluitgebied betreft de gronden aan de Ugchelseweg 219 te Ugchelen. Aan de noordzijde wordt het besluitgebied begrensd door de Ugchelseweg. Het plangebied wordt aan de westzijde en oostzijde begrensd door bestaande woonpercelen. Aan de zuidzijde is de Ugchelsebeek de grens van het besluitgebied. Het besluitgebied is in onderstaande afbeelding rood omkaderd weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0005-vas2_0001.png"

Afbeelding 1.1: Begrenzing besluitgebied 'Ugchelseweg 219 Ugchelen'.

1.3 Geldend omgevingsplan

Het besluitgebied valt binnen het omgevingsplan 'Gemeente Apeldoorn'. De regels zijn uitgewerkt in het bestemmingsplan 'Ugchelen', vastgesteld op 2 maart 2011. Het noordelijk onderdeel van het plangebied heeft de bestemming 'Bedrijfsdoeleinden' met de aanduidingen 'Goederenvervoersbedrijf' en 'milieuzone 1'. Het zuidelijk deel van het plangebied heeft de bestemmingen 'Groenvoorzieningen' en 'Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarde', met de gebiedsaanduiding 'Beken en sprengen'. Het gehele plangebied heeft tevens de gebiedsaanduiding 'Zeer belangrijke archeologische zone'. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van het bestemmingsplan weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0005-vas2_0002.png"

Afbeelding 1.2: uitsnede bestemmingsplan 'Ugchelen', besluitgebied rood omlijnd (indicatief)

Verder geldt voor het plangebied ook het bestemmingsplan 'Parapluherziening begeleid wonen digitale plannen', vastgesteld 17 januari 2019. Dit bestemmingsplan schrapt de beperkende bepaling van de zogenaamde twee-woningenregeling, die verdergaande extramuralisering in de weg staat.

De overige algemene plannen die over het algemeen het hele gemeentelijke grondgebied betreffen zijn in onderstaand schema weergegeven.

Plannaam   Datum vaststelling  
Parapluherziening parkeren   21 maart 2019  
Standplaatsen voor woonwagens en kermisexploitanten (voorbereidingsbesluit)   11 mei 2023  
Omgevingsplan gemeente Apeldoorn   1 januari 2024 , laatste wijziging in werking 26 april 2024  
TAM-voorbereidingsbesluit voorbereidingsregels kamerverhuurpanden   4 april 2024  
TAM omgevingsplan Hoofdstuk 22q kamerverhuur en woningsplitsing   25 september 2025  

1.4 Werkwijze en opzet van de motivering

De motivering van de wijziging van het omgevingsplan voor de Ugchelseweg 219 Ugchelen is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en toekomstige situatie op de planlocatie. In hoofdstuk 3 wordt het relevante rijksbeleid, de rijksinstructieregels, provinciaal, regionaal en gemeentebeleid behandeld. Tevens wordt ingegaan op het relevante waterschapsbeleid. Hoofdstuk 4 behandeld de aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en het milieu. In hoofdstuk 5 staat het juridisch kader van dit TAM-omgevingsplan beschreven. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de financiële en maatschappelijke haalbaarheid van dit TAM-omgevingsplan uiteengezet.

2 Huidige en toekomstige situatie

2.1 Bestaande situatie

De planlocatie, ook wel bekend als de Texoclean locatie, ligt al geruime tijd braak. Tussen 1908 en circa 2007 was een wasserij op de locatie gevestigd. Uit ouder kaartmateriaal blijkt dat er ook een molen in het plangebied heeft gestaan. De opstallen van de voormalige wasserij hebben geruime tijd leeg gestaan en de bebouwing van de voormalige wasserij is in 2021 gesloopt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0005-vas2_0003.png"

Afbeelding 2.1: Luchtfoto braakliggend plangebied (2023)

2.1.1 Historie

Het plangebied kent een rijke historie en een bijzondere ruimtelijke structuur. Op de oudst geraadpleegde kaarten van het gebied, de kaart van de Heerlijkheid ’t Loo uit 1748 en de kaart van De Man uit 1807 is een molen aangegeven in het plangebied. Op de kaart uit 1748 is deze aangegeven als de Basemolen, op het kruispunt van een twee wegen, nabij de St. Wijzen Bergh, tussen de kern van Ugchelen en een verzameling erven genaamd Hattem. De Kleine Bazemolen/Steenbeek staat dan niet aangegeven, maar er is wel een rode stip ingetekend, indicatief voor bebouwing. De molen in het plangebied staat wel met naam afgebeeld op de kaart van De Man. De wijziging van naam van Kleine Bazemolen naar Steenbeek is ook al verwerkt in deze kaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0005-vas2_0004.png"

Afbeelding 2.2: Uitsnede van de kaart van de Heerlijkheid 't Loo van Leenen uit 1748, plangebied in rood omcirkeld

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0005-vas2_0005.png"

Afbeelding 2.3: uitsnede van de kaart van De Man uit 1807, plangebied in rood omcirkeld

Op recenter historisch kaartmateriaal beschikbaar van het plangebied is te zien dat na het afbreken van de Steenbeek in 1870 het plangebied meermaals met zeer verschillende bebouwing bebouwd is geweest. Er hebben stallen, woonhuizen, wasserijen en schuren in het plangebied gestaan. Op de kadastrale minuutkaart uit 1811-1832 is de watermolen nog duidelijk zichtbaar langs de Ugchelse beek of een aftakking hiervan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0005-vas2_0006.png"

Afbeelding 2.4: de kadastrale minuutkaart uit 1811-1832, plangebied in rood omlijnd

De Steenbeek staat niet met naam aangeduid op recenter kaartmateriaal. Hoewel bekend is dat de molen omstreeks 1870 is gesloopt, is de bebouwing zoals deze in 1832 aanwezig was nog wel aangegeven op de topografische kaarten uit 1880, 1900 en 1922. Wel verschijnt en verdwijnt er in deze periode een aantal bijgebouwen, waarschijnlijk samenhangend met de functieverandering tot buitenplaats van het plangebied.

De grootschalige ontwikkeling van het plangebied vindt plaats in de vroege jaren ’50 van de 20e eeuw, wanneer ook de rest van het dorp Ugchelen onder invloed van een toenemende bevolking en industrialisatie rap groeit. De bebouwing in het plangebied doet dan dienst als wasserij, maar van het beekwater wordt dan al geen gebruik meer gemaakt. De voormalige bebouwing in het plangebied is tot stand gekomen in ongeveer 1980.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0005-vas2_0007.png"

Afbeelding 2.5: Luchtfoto met bebouwing voormalige wasserij (2017)

2.1.2 Groenstructuur

Het terrein van de voormalige wasserij wordt begrensd door volwassen groen.

Binnen het plangebied komen de Schoolbeek en de Ugchelsebeek samen waarna het water in oostelijke richting verder stroomt. Het betreffen twee door de mens gemaakte beken (sprengen) waarmee met het opleiden van de beken watermolens in werking konden worden gesteld. In de huidige situatie stopt de Schoolbeek bij de westelijke grens van het plangebied. De Schoolbeek is nog wel watervoerend, maar dit water wordt eerder stroomopwaarts al afgeleid richting de Ugchelsebeek. Ten zuiden van de Ugchelsebeek ligt openbaar groen, dat in de bestaande situatie in gebruik is als weide.

2.1.3 Verkeer en vervoer

Het plangebied wordt ontsloten via de Ugchelseweg. Er is geen verdere toegang tot het perceel.

2.2 Toekomstige situatie

2.2.1 Algemeen

Ten behoeve van de ontwikkeling van de planlocatie is vooraf een planpresentatie opgesteld, waarin de posiotinering en vormgeving van de bebouwing en de buitenruimte is verwerkt. De volledige planpresentatie is als Bijlage 1 aan deze motivering toegevoegd.

2.2.2 Stedebouwkundige opzet

Langs de Ugchelseweg worden 3 woningen gerealiseerd in lijn met de bestaande lintbebouwing. Noordoostelijk bevind zich de toegang tot de appartementen. Centraal in het plangebied worden twee appartementsgebouwen gerealiseerd, met in totaal 28 appartementen. De gebouwen krijgen een moderne vormgeving met rationele lijnen. Deze vormentaal verwijst naar het industriële karakter die deze plek zolang heeft gehad. De vormgeving van de buitenruimte sluit hierop aan. Centraal in de recreatieve beekzone is een ontmoetingsruimte / theehuis gepositioneerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0005-vas2_0008.png"

Afbeelding 2.6: Stedebouwkundig plan Ugchelseweg 219 Ugchelen

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0005-vas2_0009.png"

Afbeelding 2.7: Impressie bebouwing vogelvlucht Ugchelseweg 219 Ugchelen

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0005-vas2_0010.png"

Afbeelding 2.8: Impressie bebouwing vogelvlucht Ugchelseweg 219 Ugchelen

2.2.3 Landschappelijke inrichting

Globaal bestaat het landschappelijk inrichtingsplan uit drie zones; noordelijk een zone passend bij het straatbeeld, centraal een zone met appartementsgebouwen met een modern, industrieel karakter en verwijzend naar de watermolen en zuidelijk een recreatieve beekzone met weides en vloeiweides. Ten behoeve van de landschappelijke inrichting is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, welke aan deze motivering is verbonden als Bijlage 2.

De Schoolbeek wordt weer watervoerend door het plangebied. Middels een klein waterbouwkundig element wordt het verval in de beek zichtbaar gemaakt. De recreatieve beekzone heeft een open karakter en is ingericht met bloemrijk grasland. Langs de beek is een waterretentiezone ingericht waar water kan worden gebufferd bij zwaardere regenval. Ook het hemelwater van de appartementsgebouwen wordt hier op de Schoolbeek afgekoppeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0005-vas2_0011.png" Afbeelding 2.9: uitsnede beplantingsvisie landschappelijk inpassingsplan

2.2.4 Verkeer en parkeren

De hoofdontsluiting van het plangebied blijft verlopen via de Ugchelseweg. Het plangebied wordt aan de zuidzijde ook toegankelijk gemaakt met een wandelpad die de Ugchelseweg verbind met het winkelcentrum aan de Bogaardslaan.

De grondgebonden woningen aan de Ugchelseweg krijgen een parkeermogelijkheid op eigen terrein. Voor de appartementencomplexen wordt de parkeerbehoefte centraal op het gebied opgevangen.

3 Toetsing aan het beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012. De NOVI is een nieuw instrument uit de Omgevingswet en loopt vooruit op de verwachte inwerkingtreding 1 juni 2022. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang.

Uitgangspunt van de NOVI is dat Nederland staat voor grote en complexe opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal als internationaal spelen. Deze opgaven als klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Daarbij is Omgevingskwaliteit het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit.

De NOVI stelt daartoe als aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Op die manier zullen de volgende vier prioriteiten worden aangepakt:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier prioriteiten geldt dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn, die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen:

  • 1. De NOVI heeft de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is en een duurzame energievoorziening kent. Daartoe moeten per direct functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem. Verder vraagt dit op lange termijn om ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Daarbij zijn aanpassingen aan de energie-infrastructuur voor opslag en transport van duurzame energie nodig;
  • 2. De ambitie voor de lange termijn van de NOVI op het vlak van de 2e prioriteit is: het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening en het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk, goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven én de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken. De uitdaging is om deze lange termijn-ambitie te bereiken, terwijl we op korte termijn proberen de gevolgen van de COVID-19-pandemie voor de economie zoveel als mogelijk te beperken;
  • 3. Voor wat betreft prioriteit 3 zet de NOVI in op het bouwen aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden. De ambitie is om een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's te realiseren door te werken aan de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. De woningbouwontwikkeling moet plaatsvinden in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad wordt verbeterd;
  • 4. De stikstofproblematiek raakt zowel het landelijk gebied als diverse economische sectoren zwaar. De waarde van natuur, landschap én de toekomst van de landbouw staan onder druk. Daarbij is verbetering van de biodiversiteit niet alleen een ecologische, maar nadrukkelijk ook een economische uitdaging, die op de korte termijn om een doortastende aanpak vraagt. Houdbare oplossingen vragen echter tijd. Voor de lange termijn neemt de NOVI zich daarom geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied voor, onder meer gericht op kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap. Dit draagt bij aan een landelijk gebied waar het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland.

Al deze ambities vragen veel van de leefomgeving. Daarbij moeten onvermijdelijk keuzes worden gemaakt. In de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor deze keuzes. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond: een 'omgevingsinclusieve benadering'. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; en
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden.

3.1.2 Nationaal Water Programma 2022-2027

Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen.

Het Nationaal Water Programma 2022-2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water, dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Er is ook aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.

Binnen het waterdomein staat Nederland de komende jaren voor grote uitdagingen en opgaven. Zo moet Nederland zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, moeten we blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en zorgen voor een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water is het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 ontwikkeld.

Beleids- en beheerdoelen

Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van:

  • klimaatadaptatie;
  • waterveiligheid;
  • zoetwater en waterverdeling;
  • waterkwaliteit en natuur;
  • scheepvaart, en;
  • de functies van de rijkswateren.

Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij kijken we naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende watergebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast laten we de raakvlakken zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht in wat ons nu en in de toekomst te wachten staat.

Wettelijke bijlagen bij het NWP

Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. Deze zijn als wettelijke bijlagen opgenomen.

Op grond van de Kaderrichtlijn Water (KRW) worden elke 6 jaar stroomgebiedbeheerplannen (SGBP’s) opgesteld voor de Nederlandse delen van de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems. Hierin staan de doelen, het waterkwaliteitsbeeld en de maatregelen om de waterkwaliteit verder te verbeteren.

Het Overstromingsrisicobeheerplan (ORBP) beschrijft de doelen en maatregelen van het overstromingsrisicobeheer in Nederland.

Het Programma Noordzee combineert onder meer de opgave voor windenergie op de Noordzee met natuurontwikkeling (vergroten biodiversiteit), duurzame visserij en ruimte voor de scheepvaart. Onder de Kaderrichtlijn Mariene Strategie worden maatregelen genomen om de milieutoestand van de Noordzee te verbeteren.

3.2 Rijksinstructieregels

3.2.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is als instructieregel in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g) opgenomen. Doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.

Betekenis voor dit plan

De herontwikkeling van het besluitgebied van de Ugchelseweg 219 te Ugchelen is getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. De toets is als Bijlage 4 toegevoegd aan deze motivering.

Het voornemen bestaat om de voormalige bedrijfslocatie te herontwikkelen naar een nieuw woongebied met 3 grondgebonden woningen en 28 appartementen. Ook wordt een kleinschalige ontmoetingsruimte gerealiseerd. De planlocatie ligt in bestaand stedelijk gebied.

Met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan wordt een bijdrage geleverd aan de in de Woondeal geconstateerde kwantitatieve woningbehoefte in de regio en in Apeldoorn in het bijzonder. Dit initiatief past in de totale opgave van 8.800 woningen. De woningen worden in meerdere prijsklassen aangeboden. De grondgebonden woningen vallen in de prijscategorie 'duur', de appartementen vallen in prijscategorie 'middelduur - 2', conform de maximale koop-/huurprijzen die jaarlijks door de gemeente Apeldoorn worden vastgesteld. Deze prijssegmenten volgen de grenzen voor maximale huur-/koopprijzen van het rijksbeleid.

Geconcludeerd wordt dat met dit initiatief in bestaand stedelijk gebied wordt voorzien in zowel de kwantitatieve als kwalitatieve behoefte aan woningen binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de (her)ontwikkellocatie. De ontwikkeling voldoet daarmee aan de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5.129g van het Bkl).

3.2.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft instructieregels voor omgevingsplannen. Diverse instructieregels hebben betrekking op het waarborgen van verschillende nationale belangen, zoals het Waddengebied, het kustgebied, Rijksvaarwegen, het IJsselmeergebied, de grote rivieren, militaire terreinen en buisleidingen van nationaal belang. In hoofdstuk 4 bij deze motivering wordt ook nog ingegaan op de verschillende van toepassing zijnde rijksinstructieregels.

Betekenis voor dit plan

In voorliggende situatie raakt dit omgevingsplan geen van de nationale belangen die in de instructieregels van het Bkl zijn opgenomen. Een nadere beschouwing van deze instructieregels op dit punt is daarom niet vereist.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland'

Op 19 december 2018 hebben provinciale staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat over 'Gaaf Gelderland'. 'Gaaf' is een woord met twee betekenissen. 'Gaaf' betekent 'mooi' en gaat over wat – historisch en landschappelijk gezien - heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard. Maar 'Gaaf' verwijst ook naar dat wat 'cool' en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard. Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie.

Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal.

Gezond en veilig is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.

Schoon en welvarend is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.

De visie geeft zeven ambities voor een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland, onder andere op het terrein van economisch vestigingsklimaat en het woon- en leefklimaat. Met vier spelregels of Doe-principes' – DOEN, LATEN, ZELF en SAMEN – geeft de provincie hier werking aan. Tezamen vormen zij het kader waarbinnen de provincie werkt en afwegingen maakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0005-vas2_0012.png"

Afbeelding 3.1: Gelderse omgevingsvisie

Ambitie klimaatadaptie

Gestreefd wordt naar een op de toekomst toegerust klimaatbeleid waarbij de provincie samen met partners zich goed voorbereidt en toerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar.

Ambitie biodiversiteit

Gestreefd wordt naar een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit met als ambitie dat het in 2050 goed gaat met de biodiversiteit in Gelderland. In Gelderland wordt natuurinclusief gewerkt. Biodiversiteit wordt overal waar mogelijk versterkt en ingepast, óók buiten de specifiek als natuur aangewezen gebieden. In 2030 is 75% van de Europese doelen van de vogel- en habitatrichtlijn behaald.

Woon- en leefklimaat

Gestreefd wordt naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Ambities vanuit dit streven zijn: Gelderland heeft een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag; voor ieder een passende, duurzame woning. De bestaande bebouwde omgeving wordt optimaal benut met voldoende ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen. Alle nieuwbouw wordt aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. De provincie gaat, zo stelt de visie, in gesprek met de Gelderse regio's en maken regionale afspraken over een goede balans tussen de vraag en het aanbod van woningen. Het omvormen van bestaande en leegstaande bebouwing heeft de voorkeur voor de aanleg van nieuwe woonlocaties.

Cultuurhistorie

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland stelt de provincie over cultuur en erfgoed het volgende: De Gelderse steden kenmerken zich door een sterk historisch karakter, door een hoge ruimtelijke kwaliteit, een goed ontwikkelde culturele infrastructuur en huisvesten enkele topinstellingen. Al deze kwaliteiten dragen in belangrijke mate bij aan een aantrekkelijk woon-, werk- en vestigingsklimaat. Om deze redenen investeert de provincie in de verdere ontwikkeling van erfgoed en cultuur, kennisontwikkeling, cultureel ondernemerschap en innovatie. In alle regio's stimuleert de provincie samen met gemeenten kunst en cultuur die bijdragen aan een sterk vestigingsklimaat, regionale identiteit en vrijetijdseconomie.

Archeologie

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland hebben provinciale staten het provinciale beleid omtrent archeologie vastgelegd: De provincie streeft er naar archeologie expliciet te betrekken bij de integrale afweging bij planontwikkeling. Bij locatiekeuze en planuitwerking moet voldaan worden aan de basiskwaliteitseisen van de bodem, waaronder archeologie. Ruimtelijke plannen en projecten die archeologische gegevenheden in de bodem kunnen aantasten moeten zo veel mogelijk rekening houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.

Betekenis voor dit plan

Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 3 grondgebonden woningen en 28 appartementen met een landschappelijke inrichting. Middels deze landschappelijke inrichting wordt gestreefd naar de versterking van het groen en het leveren van een bijdrage aan biodiversiteit. Daarnaast wordt een bijdrage geleverd aan de cultuurhistorische waarde van het gebied, middels het (weer) watervoerend maken van de Schoolbeek en realisatie van een waterbouwkundig element als referentie naar de historische molen.

Bij de bouw van de woningen wordt rekening gehouden met de vraag naar verschillende woontypen en prijsklassen, passend bij de ambities van de gemeente. De nieuwbouw wordt bovendien aardgasloos gerealiseerd, waarbij geldt dat de daken geschikt zijn voor het leggen van zonnepanelen.

Het initiatief komt overeen met de ambities binnen de Omgevingsvisie en is daarmee in overeenstemming.

3.4 Provinciale instructieregels

3.4.1 Omgevingsverordening Gelderland

Provinciale Staten van Gelderland hebben op 24 september 2014 de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. De meest recente versie van de omgevingsverordening is op 3 maart 2025 in werking getreden. In deze Omgevingsverordening zijn de provinciale verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening samengevoegd. Voor zover het de provinciale verordening betreft bevat de omgevingsverordening alleen regels die tot de gemeentebesturen zijn gericht en geen rechtstreeks werkende, burgers bindende regels.

De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.

De provincie zet de verordening als juridisch instrument voor het afdwingen van de doorwerking van het provinciaal beleid alleen in voor die onderdelen van het beleid waarvoor algemene regels noodzakelijk zijn om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

Wonen

De verordening bevat de regel dat nieuwe woonlocaties alleen zijn toegestaan wanneer dit past in het door Gedeputeerde Staten (GS) vastgestelde regionale woonagenda. Ten behoeve van de flexibiliteit is het wel mogelijk om van een regionale woonagenda af te wijken, vooruitlopend op de actualisatie van die regionale woonagenda. Als er nog geen regionale woonagenda is vastgesteld of als de bestaande regionale woonagenda niet meer actueel is en niet geschikt meer is als beoordelingskader, zal de provincie totdat een nieuwe regionale woonagenda wordt vastgesteld een wijziging van het omgevingsplan die de bouw van nieuwe woningen mogelijk maken toetsen aan de volgende criteria:

  • er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking, als bedoeld in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving;
  • het plan past binnen de meest recente provinciale visie op het woonbeleid;
  • er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden en de provincie stemt in met de ontwikkeling.

Gelderse streek IJsselvallei

De verordening bevat voorts de regel dat voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek IJsselvallei, bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening wordt gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap.

Het plangebied valt binnen de streek IJsselvallei. De begrenzing van de streken is op provinciale schaal bepaald. Daarbij zijn waar mogelijk herkenbare grenzen gehanteerd, zoals de loop van rivieren. Dit betekent dat het in de praktijk kan voorkomen dat een locatie op de grens van twee streken meer kenmerken en kwaliteiten heeft van de streek die naastgelegen is dan die van de streek waar de locatie bij is ingedeeld. In die gevallen moeten de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen die op die locatie het meest van toepassing zijn gehanteerd worden en kunnen bij aantasting van de kernkwaliteiten de bijdragen in de lijn liggen van de daarbij behorende aan de ontwikkeldoelen.

Kernkwaliteiten   Ontwikkeldoelen  
1. De rivier de IJssel, als Rijntak sterk meanderend, met een doorgaand karakter en stromend naar het noorden. Met rijkgeschakeerde open en natuurrijke uiterwaarden (Natura 2000), rivierduinen, richels en geulen, als ecologische verbindingszone tussen Rijn en de Randmeren. Variatie aan dijken met weidse vergezichten. In de uiterwaarden karakteristieke beplantingen: stelsel van hagen, houtsingels en knotwilgen.
Relicten van steenfabricage met oude ovens, hoogwatervrije terreinen, droogvelden, kades en smalspoorrelicten.  
Ruimtelijke ontwikkelingen houden rekening met en dragen zo mogelijk bij aan de kernkwaliteiten van de IJsselvallei. Het doorgaande en landschappelijke en parkachtige karakter van de IJssel behouden en versterken. Zorgvuldige versterking van de IJsseldijken, met respect voor en versterking van de ruimtelijke diversiteit en betekenis van de dijk als scenic route. Behouden en ontwikkelen van cultuurhistorische waarden.  
2. Sterke landschappelijke contrasten daar waar de IJssel het stuwwalmassief van de Veluwe nadert, nabij Hattem in het noorden en langs Arnhem-Dieren in het zuiden. Bijzondere zichtlijnen. Inclusief stedelijke waterfronten van Hanzesteden Doesburg en Zutphen.   Bij ruimtelijke ontwikkelingen de landschappelijke contrasten zichtbaar en beleefbaar houden. De historische stadsgezichten zoveel mogelijk intact laten door geen storende elementen te plaatsen. Blijvende aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit van de ontwikkeling van de stedelijke waterfronten en de relaties met de uiterwaarden.  
3. Rivierenlandschap van uiterwaarden, oeverwallen en lagergelegen broekgebieden gecombineerd met het gradiëntrijk flankenlandschap vanaf de Veluwe aan de westkant. Aan de oostkant is de overgang naar het dekzand-landschap van Achterhoek subtiel.   Zoveel mogelijk de landschappelijke gradiënt respecteren, zichtbaar en beleefbaar maken. Streven naar een duurzame en natuurinclusieve vorm van landbouw. Bij inplaatsing van nieuwe functies het kleinschalig landschap versterken.  
4. In de zuidelijke IJsselvallei afwatering via sprengen en beken direct op de rivier. Kleinschalig mozaïeklandschap met grote afwisseling van relatief open tot besloten landschap met talrijke landgoederen, weide en akkerland.   De regionale waterhuishouding als basis voor ruimtelijke ontwikkeling. Herstel van de loop en vorm van sprengenbeken in hun cultuur-historische betekenis en haar zichtbaarheid vergroten.Kleinschaligheid van landschap behouden en versterken door aanleg van groene landschapselementen, passende grondgebruiksvormen, zorgvuldige inpassing van energietransitie en verbetering van recreatieve toegankelijkheid.  
5. In de noordelijke IJsselvallei afwatering eerst via sprengen en beken, opgevangen via een stelsel van zuid-noord gerichte weteringen.   De regionale waterhuishouding als basis voor ruimtelijke ontwikkeling. Herstel van de loop en vorm van sprengenbeken in hun cultuur-historische betekenis en haar zichtbaarheid vergroten. Geldt ook voor stelsel van weteringen.  
6. In de noordelijke IJsselvallei zijn grote open gebieden met noord-zuid gerichte weteringen en fijnmazige, rechthoekige verkaveling. Contrast met de oeverwal aan de oostzijde en de oplopende Veluwe aan de westzijde.   Zoveel mogelijk de karakteristieke verkaveling respecteren. Behoud van de open weidsheid door terughoudendheid te betrachten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Blijvend benutten voor grondgebonden en duurzame veehouderij en mogelijk voor klimaatadaptatie.  
7. Polder Nijbroek: markante veertiende-eeuwse verkavelings- en slotenpatroon (slagenverkaveling).   Zorgvuldig omgaan met deze historische verkaveling. Het vergroten van de historische afleesbaarheid.  
8. Verstedelijking langs de dorpenweg op de oostflank van de Veluwe en in mindere mate op de oeverwallen.
Dorpen (met dorpsfronten) aan de rivier, sterke relatie tussen dorpen en de IJssel.  
De dorpenweg op de flank van de Veluwe is en blijft de ontwikkelings-as, waarbij de versterking van de kruisende groene ruimten (oost-west) van cruciaal belang is voor de landschapskwaliteit. Het koppelen van recreatieve toegankelijkheid aan deze groene wiggen.  
9. Langs de rand van de Veluwe een fraai kleinschalig mozaïeklandschap: afwisseling van beken, smeltwater-ruggen, oude bouwlanden (essen), weiden, uitlopers van bossen, bosschages, landgoederen, buurtschappen en verspreide bebouwing. Inclusief Apeldoorns Kanaal als structurerend element met cultuurhistorische ensembles van sluizen, bruggen en bebouwing.   Het parkachtig mozaïeklandschap met haar fijnmazige variatie behouden en versterken door alleen passende ontwikkelingen toe te laten en terughoudend te zijn ten aanzien van te grote ingrepen. Verbeteren van de recreatieve toegankelijkheid. Apeldoorns Kanaal als cultuur-historisch lijnelement in het landschap beter bewaren en benutten. De landgoederenstructuur op de zuidoostflank onder de naam Gelders Arcadië meer herkenbaar en beleefbaar maken.  
10. In het midden van de IJsselvallei – het groene hart van de stedendriehoek (Apeldoorn, Zutphen en Deventer (OV) – een parkachtig landschap: afwisseling van landgoederen, waterlopen, recreatiegebieden, natuurterreinen, landbouwgebieden, kleine dorpen en infrastructuur.   Voorkomen dat dit middengebied door mogelijk conflicterende, ruimtelijke ontwikkelingen verrommeld door te sturen op ruimtelijke kwaliteit en in te zetten op aantrekkelijke landschaps-bouw. Zorgvuldige ruimtelijke ordening en ruimtelijke kwaliteit van ontwikkelingen langs Rijksinfrastructuur en opheffen barrièrewerking.  
11. Ecologische waarden met name in de Natura 2000 gebieden. Langs de IJssel Natura 2000 gebied Rijntakken met als bijzondere gebieden Hattemerpoort, Wilpse Klei, Ravenswaarden, Cortenoever en Rivierklimaatpark IJsselpoort. En de Natura 2000 gebieden Veluwe met onder andere het Wisselse Veen, en Natura 2000 gebied Landgoederen Brummen met de Empese en Tondense heide en de landgoederen zone. Verder komen ecologische waarden voor in het Soerens beekdal en in andere beken, sprengen en andere watergangen, in landgoederen en in weidevogelgebieden.   Intensief inzetten op het verder aanleggen van ecologische verbindingszones (o.a. vanaf de Veluwe naar de Achterhoek) en behoud en ontwikkeling van weidevogelgebieden. Beschermen van Natura 2000 waarden. Waar mogelijk combineren met klimaatadaptie en recreatieve toegankelijkheid.  
12. IJssellinie: (relicten van) een historische verdedigingslinie uit de jaren 50 van de 20e eeuw.   De IJssellinie behouden en markante onderdelen herstellen en recreatief toegankelijk maken en mogelijk benutten van de voormalige inundatievelden voor klimaatadaptatie.  
13. Markante IJsselhoeven: beeldbepalende boerderijen in de vallei.   Karakteristieke streekarchitectuur behouden, restaureren en ontwikkelen o.a. door nieuwe functies, passend bij de omgeving.  

Tabel: kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen Gelderse streek IJsselvallei

Groene Ontwikkelzone

Het plan ligt deels in de Groene Ontwikkelzone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Groene ontwikkelingszone, laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat.

Glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied

In de verordening zijn ook regels ten aanzien van glastuinbouwbedrijven opgenomen. Er is opgenomen dat er eenmalig een uitbreiding van een glasopstand tot maximaal vijf hectare kan worden toegelaten bij een bestaand glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied. Daarbij dient te worden aangetoond dat de uitbreiding noodzakelijk is voor een doelmatige voortzetting van het bedrijf, verplaatsing naar een glastuinbouwontwikkelingsgebied bedrijfseconomisch niet haalbaar is en deze uitbreiding zich verdraagt met de ter plaatse relevante omgevingskwaliteiten.

Intrekgebied

Op grond van de verordening geldt dat het verboden is in een intrekgebied een mijnbouwwerk aan te leggen en te exploiteren, behalve voor het opsporen of winnen van aardwarmte.

Klimaatadaptatie

Tot slot geldt dat in de verordening is opgenomen dat in de motivering bij het omgevingsplan een beschrijving dient te worden gegeven van de maatregelen die worden genomen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken.

Betekenis voor dit plan

Wonen

De onderhavige woningbouw binnen het besluitgebied past binnen de afspraken van de vastgestelde regionale woonagenda en de regionale woondeal, zie paragraaf 3.5.1 en 3.5.2.

Gelderse streek IJsselvallei

Voorliggend plan ligt in het deelgebied 'Apeldoorn- Twello- de Hoven' in het midden van de IJsselvallei. Het besluitgebied is gelegen in bestaand stedelijk gebied en maakt onderdeel uit van de kern Ugchelen. Middels de landschappelijke inrichting, zoals in paragraaf 2.2.3 omschreven, wordt een bijdrage geleverd aan het versterken van de landschapsstructuur en de kernkwaliteiten.

Globaal bestaat het landschappelijk inrichtingsplan uit drie zones; noordelijk een zone passend bij het straatbeeld, centraal een zone met appartementsgebouwen met een modern, industrieel karakter en verwijzend naar de watermolen en zuidelijk een recreatieve beekzone met weides en vloeiweides. Aan de zuidrand wordt een parkachtig landschap gerealiseerd. Ook wordt de Schoolbeek watervoerend gemaakt, waarmee de kwaliteit van de waterhuishouding wordt opgewaardeerd. Het inrichtingsplan, aan de motivering verbonden als bijlage 2, realiseert een parkachtig landschap met een waterloop en weide als recreatiegebied. Dit sluit aan op de kernkwaliteit (11) van de Gelderse streek IJsselvallei. Dit geeft ook een kwaliteitsimpuls aan de ecologische waarde. Er is een waterretentiezone ingericht waar water kan worden gebufferd bij zwaardere regenval. Ook het hemelwater van de appartementsgebouwen wordt hier op de Schoolbeek afgekoppeld. De recreatieve beekzone heeft een open karakter en is ingericht met bloemrijk grasland.

Groene Ontwikkelzone

De versterking van de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van de Groene Ontwikkelzone wordt getoetst aan de hand van een puntensysteem. Als onderdeel van deze ontwikkeling is een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld en getoetst aan het puntensysteem. Het landschappelijk inpassingsplan is in deze motivering opgenomen als bijlage 2 . De toetsing aan het puntensysteem is in deze motivering opgenomen als bijlage 3. De Groene Ontwikkelzone ligt op een beperkt deel van het plangebied, waardoor de mogelijkheden tot versterking binnen deze zone beperkt zijn. Een deel van de versterking vindt plaats buiten de zone, maar draagt wel bij aan de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen. Er wordt onder andere een natuurvriendelijke oever, meerdere houtwallen, houtsingels en elzensingels, struweelhagen en kruiden- en faunarijke akker. Het plan voldoet aan het puntensysteem van de Provincie. Op basis van het Provinciaal beleid borgt het inrichtingsplan voldoende in de noodzakelijke versterking van de kernkwaliteiten van het landschap.

Glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied

Er is in voorliggend plan geen sprake van glastuinbouw of de uitbreiding ervan. Derhalve hebben deze regels uit de verordening geen gevolgen voor dit plan.

Intrekgebied

Bij voorliggend plan worden geen mijnbouwwerken gerealiseerd. De regels ten aanzien van een intrekgebied hebben dan ook geen gevolgen voor deze ontwikkeling.

Klimaatadaptatie

In voorliggende situatie wordt de nieuwbouw aardgasloos ontwikkeld en wordt zoveel mogelijk duurzaam materiaal gebruikt. Per saldo wordt bij deze ontwikkeling het aandeel groen op de locatie uitbreid en wordt de kwaliteit van het groen verhoogd. Er wordt voorzien in (extra) waterbergingsmogelijkheden door het bovengronds en watervoerend maken van een beek. Dit is tevens toegelicht in het waterhuishoudingsplan, dat als bijlage 9 aan deze motivering is verbonden. Het afstromend hemelwater wordt vastgehouden in het plangebied en zoveel als mogelijk geinfiltreerd, wat ten goede komt aan de grondwatervoorraad. Ook wordt een wadi aangelegd waar het water zichtbaar blijft en in de bodem kan infiltreren. De wadi krijgt een overstort in de richting van de Schoolbeek. De exacte aanpassingen aan de Schoolbeek worden in samenspraak met het waterschap bepaald. Door het nemen van voorgenoemde maatregelen wordt aangenomen dat voldoende rekening wordt gehouden met de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptie.

3.5 Regionaal beleid

3.5.1 Woonagenda Cleantech Regio 2018

De 'Woonagenda Cleantech Regio 2018' van de Regio Stedendriehoek (vastgesteld door GS op 11 december 2018) is een uitwerking van de provinciale koers "Ruimte voor goed wonen", waarbij voor de komende 10 jaar afspraken worden vastgelegd hoe om te gaan met sturing op de woningbouwprogrammering en welke thema's regionaal verdere aandacht vragen. Dit betreffen de thema's "sterke steden, dynamische kernen en vitaal platteland". Ook wordt ingegaan op het verduurzamen en klimaatbestendig maken van de woningvoorraad alsmede op wonen en zorg.

De Regio zet in op het behouden en versterken van de woonkwaliteit door toevoeging van de juiste woning, voor de juiste doelgroep, op de juiste plek in de regio, waarbij de volgende speerpunten van toepassing zijn:

  • woningbouw draagt bij aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de bestaande stad, wijk, dorp, kern en buitengebied;
  • woningbouw is behoeftegericht, past bij de lokale vraag van een specifieke doelgroep en levert een strategische (toekomstgerichte) aanvulling op het bestaande woningaanbod;
  • de programmering is flexibel en kan aangepast worden om goed te blijven aansluiten op de speerpunten van ons beleid en actuele marktontwikkelingen.

Voor Apeldoorn wordt aangegeven dat, mede door de hoge instroom, de druk op de markt is toegenomen. De woningbouw in Apeldoorn heeft een hoge vlucht genomen. In dit tempo zijn in 2021/2022 alle huidige bouwplannen gerealiseerd en is er risico op een tekort en verder oplopende prijzen. Ook in de sociale huur is sprake van stijgende wachtlijsten. De groei in Apeldoorn bestaat voor een relatief groot deel uit gezinnen en sluit aan bij de inzet van Apeldoorn als gezinsstad. Apeldoorn zoekt naar nieuwe plekken voor woningbouw binnen de bestaande contouren van de stad. Het programma ligt de komende jaren (mede door de druk van buiten) tegen de bovenkant van de bandbreedte van de prognoses. In de sociale woningbouw is op korte termijn een toevoeging van 500 woningen aan de orde om de wachtlijsten te verkorten.

Naast inzet op het kwalitatief programmeren wordt er gekoerst op een kwantitatief realistisch woningbouwprogramma op basis van actuele Primos woningbehoefteprognoses Het is daarbij de bedoeling om deze regionale woonagenda om de twee jaar te herijken, waarbij wordt bekeken of het op basis van analyse van de woningmarkt en de genoemde woningbehoefteprognoses het wenselijk is om de woonvisie aan te passen.

De Woonagenda Cleantech Regio vervangt de "Kwantitatieve Opgave Wonen 2015-2024" en het "Afsprakenkader kwantitatieve woningbouwprogrammering 2015-2024" van de Regio Stedendriehoek. Na de vaststelling wordt een uitvoeringsagenda opgesteld, waarbij gemeenten jaarlijks presenteren wat de lokale voortgang in de bestaande voorraad is aan de hand van de jaarlijkse monitoringsgegevens.

Betekenis voor dit plan

Apeldoorn heeft na vaststelling van de Woonagenda Cleantech Regio 2018 de Woonagenda Apeldoorn 2018-2021 opgesteld. In 2022 is hieraan een addendum toegevoegd voor de periode 2022-2023.

Op 21 september 2023 is het Volkshuisvestingskader 2023 - 2027 vastgesteld door de gemeenteraad. Dit beleidsstuk vervangt de Woonagenda en biedt een actueel kader voor het toetsen van woningbouwplannen in de gemeente Apeldoorn. Hiermee heeft Apeldoorn invulling gegeven aan de afspraken die zijn gemaakt bij de vaststelling van de regionale woonagenda.

3.5.2 Regionale woondeal Stedendriehoek 2022 - 2030

Met het programma Woningbouw zet de minister voor VRO nationaal in op de bouw van in totaal 900.000 woningen tot en met 2030. Het streven is dat ten minste tweederde van deze nieuwbouwwoningen betaalbaar zijn. Voor die betaalbaarheidsdoelstelling is nationaal de bouw van 250.000 sociale corporatiewoningen en 350.000 woningen in het middensegment nodig. Met gemeenten, provincies en Rijk zijn afspraken gemaakt over ieders aandeel in het behalen van deze doelstellingen.

Met de provincie Gelderland zijn op basis van het provinciaal bod van 29 september 2022 afspraken gemaakt over het Gelderse aandeel in de nationale opgaven. Deze afspraken zijn ondertekend op 13 oktober 2022. Het gaat daarbij om de realisatie van totaal 100.000 woningen in de periode tot en met 2030, waarvan minimaal 60% betaalbaar inclusief minimaal 28% sociale huurwoningen. Aan deze aantallen zijn randvoorwaarden verbonden op het vlak van investeringen in bereikbaarheid, dekking van onrendabele toppen, ambtelijke capaciteit en stikstofruimte.In de regionale woondeal wordt een doorvertaling naar gemeenten gemaakt van deze afspraken tussen Rijk en provincie. Het gaat in de regio Stedendriehoek (exclusief gemeente Deventer) om de realisatie van in totaal 17.000 huizen in de periode tot en met 2030 als bijdrage aan de provinciale en nationale opgave, waarvan 70% betaalbaar en inclusief minimaal 30% sociale huurwoningen.

De gemeente Apeldoorn neemt een groot aandeel van de woningbouw in de provincie Gelderland voor haar rekening. Over de uitvoering van deze opgave en bijdrage aan de provinciale opgave treden de provincie Gelderland en de gemeente Apeldoorn in overleg. In Regio Stedendriehoek realiseert de gemeente Apeldoorn met de bouw van 8.800 woningen 51% van de regionale woningbouwopgave. Daarvan behoren 6.700 woningen tot de betaalbare woningen.

Betekenis voor dit plan

Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van 3 grondgebonden woningen en 28 appartementen, die binnen de regionale woondeal onder de kleinere ontwikkelingen valt. De 28 appartementen worden binnen het betaalbare prijssegment gerealiseerd, conform de maximale koopprijzen die jaarlijks worden vastgesteld door de gemeente Apeldoorn. Hiermee levert de ontwikkeling een bijdrage aan de regionale woningbouwopgave van betaalbare woningen.

3.5.3 Waterschapsbeleid

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek gaan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:

  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

In november 2021 heeft Waterschap Vallei en Veluwe het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) 2022-2027 vastgesteld. In het BOP beschrijft het waterschap de ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, wonen en zuiveren, circulair econome en energietransitie. Het waterschap wil een waardevolle leefomgeving waarborgen. Daarom wordt er ingezet op vijf maatschappelijke thema's:

  • 1. Waardevolle leefomgeving
  • 2. Klimaatverandering
  • 3. Energietransitie
  • 4. Circulaire economie
  • 5. Biodiversiteit

Het beheergebied van het waterschap is opgedeeld in vier deelgebieden. De gemeente Apeldoorn valt onder het deelgebied IJsselvallei. De vijf thema's zijn specifiek gemaakt voor de vier deelgebieden in gebiedsdoelen. De gebiedsdoelen zijn onderverdeeld in drie categorieën:

  • 1. Watersysteem,
  • 2. Waterveiligheid
  • 3. Wonen en zuiveren

Betekenis voor dit plan

Bij veranderingen op of rondom het oppervlaktewater en waterkeringen evenals bij de realisatie van voldoende waterberging voor nieuwe ontwikkelingen zijn de regels van de keur van het waterschap van toepassing.

3.6 Gemeentelijk beleid

3.6.1 Omgevingsvisie Woest aantrekkelijk Apeldoorn

Op 24 februari 2022 heeft de gemeenteraad van Apeldoorn de Omgevingsvisie 'Woest aantrekkelijk Apeldoorn' vastgesteld. De Structuurvisie "Apeldoorn biedt ruimte" (vastgesteld op 30 mei 2013) is daarbij ingetrokken.

Een nieuwe Omgevingsvisie is belangrijk, omdat Apeldoorn voor een grote opgave en uitdaging staat: groeien naar een gemeente met meer dan 180.000 inwoners, het versterken van de veelzijdige economie, het ruimte bieden aan de energietransitie en het nog beter en mooier maken van het groen, het sociale leven en het gastheerschap. Met een vastgestelde Omgevingsvisie kan verder gewerkt worden aan de uitwerking van de visie. Dit gebeurt door middel van gebiedsgerichte plannen en het Omgevingsplan. De Omgevingsvisie geeft duidelijkheid over de ruimtelijke koers van de gemeente.

De Omgevingsvisie rust op vier centrale ambities (hoofdopgaven), waarmee Apeldoorn de toekomst tegemoet wil gaan en nóg aantrekkelijker wil worden:

  • 1. 'Stad maken' (het toevoegen van nieuwe woon- en werkmilieus in en aan de stad);
  • 2. 'Vitale dorpen en buitengebied' (ruimte voor wonen en economische vernieuwing waaronder recreatie, grootschalige energieopwekking en transitie van de landbouw);
  • 3. 'Fysiek fundament uitbouwen' (versterking van landschap en natuurwaarden, het groenblauwe casco en belevingswaarden zoals erfgoed), en;
  • 4. 'Sociaal fundament versterken' (gemengde woongebieden met gedifferentieerde en betaalbare woningbouw, aantrekkelijke buitenruimte en nabijheid van voorzieningen in wijken en dorpen).

Onderstaand een nadere toelichting op de beoogde invulling van de vier centrale hoofdopgaven.

Ambities 1 en 2: Stadmaken en Vitale dorpen en buitengebied

Met de invulling van de hoofdopgave Stadmaken gaat Apeldoorn flink ontwikkelen op het gebied van wonen, werken, mobiliteit en omgevingskwaliteit. Zo bouwt Apeldoorn voort op de traditie van groene woonstad en economisch centrum van deze regio en draagt ze stevig bij aan de nationale doelen op het gebied van wonen, werken en duurzame energie. Daarnaast gaat Apeldoorn middels de hoofdopgave Vitaal platteland investeren in het vitaal platteland, in de 12 dorpen en buurtschappen. Dit is als volgt opgebouwd:

Wonen

Voor wonen zijn zowel binnenstedelijke als buitenstedelijke locaties aangewezen. Dit om te voorzien in een groei naar ruim 180.000 inwoners. De gemeente volgt de Ladder voor Duurzame verstedelijking en vult zoveel mogelijk opgaven binnenstedelijk in. Daarbij ligt de focus op sterk verdichten in de bestaande stad, met name in de Binnenstad, de Spoorzone en Kanaalzone Centrum. Buitenstedelijk wordt voorzien in één grote uitbreidingslocatie aan zuidzijde (ten zuiden van de A1).

Uitgegaan wordt van de realisatie van 12.500 woningen, waarvan 8.500 nieuw toe te voegen programma in verschillende financieringscategorieën en woonmilieus (stedelijk, gemengd met werken, rand van de stad, dorpen). Voor de binnenstad wordt voorzien in een transformatie naar Stadspark waarbij veel winkelvastgoed wordt aangewend voor nieuwe woonfuncties. Verdere transformaties naar wonen zijn voorzien in de Kanaalzone Vlijtseweg (Zwitsal en omgeving), Kayersdijk-noord, Sleutelbloemstraat-oost (onderzoek), Jean Monnetpark en Christiaan Geutsweg (onderzoek) en Brouwersmolen (onderzoek).

Omgevingskwaliteit

Ingezet wordt op het verbeteren van de omgevingskwaliteit, met name in de zogenaamde dynamische gebieden, maar ook langs zichtlocaties en infrastructuur.

Mobiliteit

De extra vraag naar mobiliteit in combinatie met de ruimtelijke ambities maakt een goede sturing noodzakelijk. Hiertoe wordt onder meer ingezet op de realisatie van nieuwe transferia aan de toegangswegen van de stad in parkeerhubs aan de centrumrand. De binnenstad wordt autoluw, en veiliger voor langzaam verkeer. Verplaatsing van het busstation naar de zuidzijde van het spoor wordt onderzocht, in combinatie met een stedelijke hub. Dit biedt mogelijk ruimte voor andere ambities van de binnenstad (vergroening, woningbouw). Er wordt voorzien in maatregelen ter verbetering van de doorstroming van verkeer, zowel wat betreft de snelwegen als ook de stadsring en aantakkingen. Er wordt ingezet op een sterk fietsnetwerk en goede wandelroutes.

Economie en recreatie

Er is voorzien in een uitbreiding van 77 hectare aan bedrijventerrein, waarmee tegemoet wordt gekomen aan de aangetoonde behoefte hieraan. De nieuwe bedrijfslocaties bevinden zich ten noorden en oosten van de stad. Aanvullend wordt onderzocht om enkele bedrijfslocaties in de binnenstad de komende 20 jaar te transformeren naar woon-werklocaties ten behoeve van goede binnenstedelijke woningbouwlocaties, eventueel met een gemengd karakter. De bedrijven die daar vertrekken hebben ergens anders ruimte nodig. De uitplaatsingsruimte bedraagt circa 30 hectare en komt boven op de 77 ha uitbreiding waar de behoefte van aangetoond is en wat de gemeente als doel heeft gesteld. De te onderzoeken transformatie betreft de locaties Sleutelbloemstraat en Vlijtseweg, beide gelegen aan het kanaal in noord. In zuid gaat het om de locaties Jean Monnetpark, de Christiaan Geurtsweg en de Brouwersmolen, eerste fase. Een stip op de horizon is de mogelijkheid van een nieuwe voorhalte van het spoor bij Brouwersmolen, onderdeel van een sprinterlijn vanuit Amersfoort, om vooral de Veluwe met openbaar vervoer te ontsluiten. Op wijkniveau wordt ingezet op de transformatie van gedeeltes van het winkelvastgoed naar wijkservicecentra, woon- en werkmilieus gericht op maatschappelijke functies. Verder wordt in Uddel ingezet op het toevoegen van nieuwe bedrijfslocaties voor nieuwe economische functies

De agrarische sector staat voor grote opgaves. Voorzien wordt in de transformatie van de intensieve veehouderijsector met name in Uddel naar duurzame vormen van bedrijvigheid en de geleidelijke transformatie van de overige agrarische sector naar natuur inclusieve landbouw.

Voor het versterken van recreatie wordt het programma Vitale vakantieparken ingezet. Ook wordt bijgedragen aan de Veluweagenda, waaronder de Recreatiezonering Veluwe en wordt ingezet op het versterken van het fiets- en wandelknooppuntennetwerk.

Energie en circulariteit

Voor energie geldt een uiteindelijke doelstelling van energieneutraliteit in 2050. Voor 2030 geldt een tussentijdse doelstelling van 39% energieneutraal. Dit moet mede bereikt worden door de inzet van zonne-energie en windenergie. Uitgegaan wordt van clustering. De concentratie voor zon en wind is voorzien op een drietal zoeklocaties. Allereerst een concentratie van windturbines bij het knooppunt A1 en A50 (ten oosten van de A50), in combinatie met een nieuw aan te leggen park voor zonne-energie. Gedeeltelijk wordt hiermee aangesloten op bestaande initiatieven. Hierdoor ontstaat een concentratie en koppeling tussen zon en wind. De tweede cluster van windturbines is gesitueerd op de Veluwe, eveneens aan de A1, maar meer westelijk gelegen. Voor de zonnevelden is sprake van drie zoeklocaties, waarvan twee alleen voor zon en een gecombineerd met wind. Aan de noordzijde van de stad, bij Beemte Broekland ten oosten van de A50, en ten zuiden van Vaassen zijn zoeklocaties voor zonnevelden voorzien.

Verder wordt bij nieuwe ontwikkelingen energieopwekking gestimuleerd. Vanaf 2025 geldt daarbij voor woningen en bedrijfspanden 'nul op de meter'.

Hiernaast geldt nog dat hergebruik wordt gestimuleerd om de omvang van restafval per persoon/per jaar te verminderen.

Ambities 3 en 4: Uitbouwen fysiek fundament en versterken sociaal fundament

De veelzijdige groei van stad en dorpen vindt plaats via de bodem en het landschap op de overgang van Veluwe en IJsselvallei. De Veluwe biedt - met al z'n groen en water - enorme kansen, die flink worden gemarkeerd. Zo is het uitbouwen van het fysiek fundament de derde hoofdopgave geworden. De fysieke stad is weer de voorwaarde voor een sociaal sterke stad. Daarom is de vierde hoofdopgave: het sociaal fundament versterken. Zo bouwt Apeldoorn aan een inclusieve gemeente. Dit is als volgt opgebouwd:

Natuur en landschap

De groene mal/ het groen- blauwe casco (groen en water) worden verder versterkt. Groen en uitloopgebieden worden vergroot. Er is voorzien in de aanleg van nieuwe (natte) natuur in combinatie met waterberging rond de beekdalen. Er wordt minimaal 175 hectare aan bos toegevoegd. Rond de beekdalen wordt nieuwe (natte) natuur aangelegd in combinatie met waterberging rond de beekdalen.

Natuurinclusief bouwen wordt bevorderd en bij bestaande bouw wordt ingezet op vergroening. Het centrum van Apeldoorn wordt verder vergroend en omgevormd naar stadspark. Ingezet wordt op de bevordering van de biodiversiteit.

Klimaatadaptatie

Voorziene maatregelen gericht op klimaatadaptatie zijn het vasthouden van oppervlaktewater in retentieplassen, als waterreservoir in tijden van droogte en als eerste stap naar een circulair watersysteem, vernatting op de Veluwe ten behoeve van infiltratie van drinkwater en het zo veel mogelijk afkoppelen verhard oppervlak in stedelijk gebied.

In bestaande situaties wordt vergroenen bevorderd en in nieuwe situaties is er de doelstelling van natuurinclusief bouwen. Verdere vergroening van de binnenstad zal bijdragen aan het voorkomen van hittestress.

Milieu en gezondheid

Bij het maken van plannen zal rekening moeten worden gehouden met de aspecten milieu en veiligheid. Geluidbeleid op maat zal hieraan gaan bijdragen.

Daarnaast wordt ingezet op het faciliteren van verblijven in de buitenlucht door voldoende aanbod van groen in nabije leefomgeving en het uitdagen tot meer bewegen, onder meer in een aantrekkelijke buitenruimte.

Inclusiviteit

Op diverse vlakken wordt ingezet op het bevorderen van een inclusieve samenleving. Er zal sprake zijn van variatie in woonmilieus zowel in de verdichtingsopgaven als in de nieuwe uitleg, in verschillende prijsklassen. Ook wordt sporten voor iedereen gestimuleerd, mede door een uitnodigende buitenruimte, en ingezet wordt op het herstructureren/verduurzamen van schoolgebouwen. Op wijkniveau wordt gedacht aan de ontwikkeling van woonzorgzones (gecombineerd met de transformatie van winkelvastgoed).

Op onderstaande afbeelding is weergegeven waar de verschillende ambities hun uitwerking krijgen in de gemeente Apeldoorn:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0005-vas2_0013.png"

Afbeelding 3.2 Uitsnede Omgevingsvisie 'Woest aantrekkelijk Apeldoorn'.

Uitvoering Omgevingsvisie

Gebiedsprofielen

De hoofdopgaven zijn voor een zestal focusgebieden nader beschouwd. Dit betreft de gebieden Binnenstad, Kanaalzone Centrum, Spoorzone centrum, Stadsrand Zuid, Stadsrand noord en Uddel. Aangegeven wordt wat de gewenste ontwikkelrichting is voor deze gebieden en welke vaste waarden hier gelden bij de beoordeling van beoogde ontwikkelingen. De gebiedsprofielen bieden daarmee een verdiepte basis voor de verdere uitwerkingen uitvoering van de Omgevingsvisie.

Afwegingsmatrix

Er is veel nodig om te komen tot planvorming die invulling gaat geven aan de ambities uit de Omgevingsvisie, ook buiten de gebiedsprofielen. Om bij initiatieven duidelijk richting te kunnen geven, is in de Omgevingsvisie een afwegingsmatrix opgenomen. Daarin zijn de globale contouren weergegeven waarbinnen wordt beoordeeld of initiatieven bij de ambities passen. De afwegingsmatrix wordt verder uitgewerkt zodat deze meetbaar en concreet kan worden toegepast.

Onderzoeken

Om te komen tot uitvoering van de ambities uit de Omgevingsvisie is uiteraard nog veel nadere uitwerking noodzakelijk. Ook zal er op verschillende gebieden nog nader onderzoek worden verricht. Ten behoeve van de Omgevingsvisie is een Omgevingseffectrapportage (inclusief een aanvulling daarop) opgesteld. Onder meer de daarin genoemde onderdelen zullen als leidraad dienen voor de te verrichten onderzoeken ten behoeve van de verdere uitwerking van de Omgevingsvisie.

Betekenis voor dit plan

Met de ontwikkelingsmogelijkheden binnen het plan wordt voornamelijk bijgedragen aan de ambities 1, 3 en 4. Door de realisatie wordt voorzien in woningbouw in het stedelijk gebied. Bij de realisatie wordt rekening gehouden met klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen. De nieuwe woongebouwen worden minimaal BENG (Bijna energie neutraal gebouw) uitgevoerd. Deze ontwikkeling past hiermee binnen de ambities van de gemeente, zoals deze in de Omgevingsvisie zijn verwoord.

3.6.2 Volkshuisvestingskader 2023-2027

In de Omgevingsvisie Woest aantrekkelijk Apeldoorn en in de Kadernota Maatschappelijke ontwikkeling staat wat de gemeente belangrijk vindt ten aanzien van wonen en de combinatie wonen en zorg. Dit is verder uitgewerkt in een volkshuisvestingskader.

Op 21 september 2023 is het Volkshuisvestingskader 2023-2027, 'Ruim en ontspannen wonen in de hoofdstad van de Veluwe', door de gemeenteraad van Apeldoorn vastgesteld. Dit Volkshuisvestingskader omschrijft, op basis van trends en ontwikkelingen, de gemeentelijke ambities op bovenstaande onderwerpen voor de langere termijn. Het is een kader voor woonprojecten en projecten voor wonen met zorg.

Belangrijke trends en ontwikkelingen zijn:

  • de grote behoefte aan goedkope en betaalbare woningen;
  • demografische ontwikkelingen: de voortgaande vergrijzing en de groeiende behoefte aan zorg;
  • het belang van verduurzaming en CO2 neutraal bouwen;
  • zorgen voor een ongedeelde stad door te werken aan veerkrachtige wijken en dorpen.

Het Volkshuisvestingskader gaat in op vier onderwerpen:

1. Doorbouwen aan een diverse woningvoorraad:

  • Tot en met 2030 worden bijna 9.000 woningen toegevoegd;
  • De nadruk ligt op het toevoegen van goedkope en betaalbare huur- en koopwoningen;
  • Aandacht voor woningen voor alle doelgroepen.

2. Veerkrachtige wijken en dorpen:

  • Apeldoorn streeft naar gemengde wijken en dorpen;
  • Ontmoeten stimuleren
  • Referentienormen voor voorzieningen;
  • Toegankelijkheid van de omgeving verbeteren waar dat kan.

3. Woningvoorraad verduurzamen:

  • Nieuwbouw zoveel mogelijk energieneutraal en natuurinclusief
  • Focus op verduurzaming van de particuliere woningvoorraad
  • De Transitievisie Warmte zet de lijn uit:
      • a. Isoleren, ventileren en besparen (hoofddoel tot 2030)
      • b. Starten met buurtaanpakken (Wijken van de Toekomst)
      • c. Innoveren

4. Wonen met zorg of ondersteuning:

  • Tot 2030 sturen op realisatie van 800 woningen geschikt voor senioren
  • Bouwen aan gebieden waar voorzieningen, zorggeschikte woningen en zorg nabij zijn
  • Ruimte voor particuliere initiatieven
  • Meer woningen beschikbaar stellen voor jongeren.

Betekenis voor dit plan

Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 31 woningen in bestaand stedelijk gebied nabij voorzieningen. Er wordt een fijne woonomgeving gecreëerd met veel aandacht voor groen, klimaatadaptatie, duurzaamheid en cultuurhistorie. Er worden grondgebonden woningen en appartementen gerealiseerd, passend bij de behoefte in het dorp. Door hier aandacht aan te besteden wordt gestreefd naar een kwalitatieve toevoeging van de woningvoorraad in Ugchelen. Hiernaast wordt openbaar groen gerealiseerd met een ontmoetingsruimte. Hiermee wordt bijgedragen aan de ambities 1, 2 en 3.

3.6.3 Groenbeleid

Het groenbeleid is vastgelegd in de Groene Mal, de Groenstructuurkaart en het Groenplan. Die worden in de navolgende paragrafen besproken.

3.6.3.1 De Groene Mal

Het gemeentelijk groenbeleid is neergelegd in de Groene Mal (oktober 2002), dat het groene kader is waarbinnen andere ruimtelijke functies een plaats krijgen.

Door middel van de Groene Mal wil Apeldoorn zich profileren als groene stad waar het goed wonen en werken is: Meer vulling, differentiatie en contrast in de stad is best, maar dan wel met behoud van de groene identiteit die Apeldoorn tot een gewilde vestigingsstad maakt. Deze identiteit moet duurzaam worden gegarandeerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0005-vas2_0014.png"

Afbeelding 3.3 Kaart Groene Mal

Behoud en versterking van het groen in Apeldoorn heeft dus een hoge prioriteit. Uit onderzoek is gebleken dat met name in verstedelijkte gebieden behoefte is aan meer groen en natuur in de direct woon- en leefomgeving. In de Groene Mal zijn doelstellingen geformuleerd die gericht zijn op drie niveaus.

Het eerste niveau is gericht op de verweving van de stad met het landschap. In de stad is wat betreft het groen de volgende duidelijke tweedeling aan te wijzen: de westkant gelegen in het Veluwebos en de oostkant gelegen in (voormalig) agrarisch gebied. In het westen verloopt de overgang van stad naar bos vrijwel zonder barrières. De oostkant daarentegen heeft de meeste versterking van het groen nodig, wat tot gevolg heeft dat de meeste projecten uit de Groene Mal op dit deel van de stad gericht zijn.

Het tweede niveau is de verbinding van de stad met het omringende landschap. Aan de oostzijde zijn het de groene wiggen, geconcentreerde groencomplexen die de stad vanuit het landelijke gebied binnenlopen.

Het derde niveau is de dooradering van de stad met blauwe en groene structuren, door middel van het sprengen- en bekensysteem alsmede het complex van bos- en bomenlanen met daaraan gelegen parken.

De Groene Mal richt zich bij de ontwikkeling van deze gebieden expliciet op zeven belangrijke groene structuren in de stad. Dit zijn de beken, de sprengen, de kanaalzone, de lanen, de parken, de grote groengebieden en de groene wiggen.

Betekenis voor dit plan

Het besluitgebied is onderdeel van de gronden die zijn toegewezen aan de Groene Mal als groenstructuur die behouden en versterkt moet worden. Dit is op onderstaande afbeelding weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0005-vas2_0015.png"

 Afbeelding 3.4: De Groene Mal

Bij de herontwikkeling van de planlocatie wordt hoogwaardig groen toegevoegd. Dit is nader toegelicht in paragraaf 2.2.3. De bestaande groenstructuren worden versterkt, waarbij de groene zone aan de zuidzijde van het plangebied het karakter van open weide behoudt. De realisatie van een wandelverbinding bevorderd de beleving van het openbaar groen. Ook wordt de beek bovengronds en watervoerend gemaakt.

3.6.3.2 Groenstructuurkaart

In april 2017 heeft de gemeenteraad de Groenstructuurkaart vastgesteld. De kaart geeft de belangrijkste groenstructuren van Apeldoorn weer. Apeldoorn koestert haar groene kwaliteit en wil deze beschermen en versterken. De kaart geeft een gebiedsdekkend toetsingskader en uitgangspunt voor onder andere een consequente beoordeling van ruimtelijke plannen op landschappelijke en groene kwaliteit.

De Groenstructuurkaart bestaat uit verschillende elementen:

  • Groenstructuur: Groene Mal;
  • Groenstructuur: Beken & sprengen, weteringen en kanaal;
  • Groenstructuur: doorgaande wegen buitengebied;
  • Groenstructuur: snelwegcorridors en spoorwegen;
  • Wijkgroenstructuur;
  • Boomrijke gebieden.

Op de kaart zijn die gebieden vastgelegd waar behoud van bestaand groen en ontwikkeling van nieuw groen prioriteit heeft. Het groenstructuurplan werkt door in het kapvergunningenbeleid en het uitgiftebeleid voor snippergroen.

Betekenis voor dit plan

Het plangebied is onderdeel van de wijkgroenstructuur. De wijkgroenstructuur bevat alle lanen en belangrijke bosrijke gebieden uit de nota Bomen over Bomen (2007). Daarnaast zijn de onderdelen van de ecologi-schekaart (1993) toegevoegd en geactualiseerd. De ecologische waarde van groen in de stad is belangrijk. Het biedt leefruimte en mogelijkheid tot uitwisseling voor plant- en diersoorten. Daarnaast zijn nog waardevolle cultuurhistorische groene plekken toegevoegd, zoals begraafplaatsen en waardevolle oude lanen. Enkele belangrijke groene plekken in de stad met een hoge recreatieve waarde zijn ook opgenomen in de wijkstructuur.

Het plangebied is in de bestaande situatie een braakliggende bedrijfslocatie. Middels de landschappelijke inrichting, zoals in paragraaf 2.2.3 beschreven, wordt een bijdrage geleverd aan een kwalitatieve wijkgroenstructuur.

De Schoolbeek is in de groenstructuurkaart opgenomen. De beek wordt in het plangebied weer watervoerend gemaakt.

3.6.3.3 Groenplan

In september 2018 heeft de gemeenteraad het Groenplan vastgesteld. Het Groenplan geeft aan welke groene doelen en opgaven belangrijk zijn voor het behoud en versterking van het groene karakter van de hele gemeente. De groene opgaven bestaan uit versterken van het groen-water netwerk in en om de stad, meer groen in de binnenstad, meer en beter groen in wijken en dorpen en versterken van karakteristieke landschappen. Binnen deze opgaven ligt de focus op het inzetten van groen om de gevolgen van klimaatverandering te beperken, biodiversiteit te versterken en bewoners uit te nodigen tot bewegen en ontmoeten. Dit met een veerkrachtig natuurlijk systeem als basis. Duurzaam groenbeheer, samenwerking en participatie vormen belangrijke pijlers die vorm krijgen in het Uitvoeringsprogramma Groen en biodiversiteit.

Betekenis

Per saldo wordt door herontwikkeling van het besluitgebied het aandeel groen en water binnen het besluitgebied uitbreid en wordt de kwaliteit van het groen verhoogd.

3.6.4 Verkeer en parkeren
3.6.4.1 Verkeersvisie 2016-2030

Het gemeentelijk verkeersbeleid is vastgelegd in de Verkeersvisie 2016 – 2030 (vastgesteld juli 2016). De Verkeersvisie werkt de ambities voor Apeldoorn uit de structuurvisie 'Apeldoorn biedt ruimte' uit voor het onderdeel Mobiliteit.

Comfortabele gezinsstad: iedereen kan zich veilig verplaatsen en er is sprake van een bereikbare , leefbare en aantrekkelijke (binnen)stad. De fiets is het primaire vervoermiddel; ook het openbaar vervoer speelt een belangrijke rol in de verplaatsingen.

Toeristisch toplandschap: de attracties, bezienswaardigheden en evenementen zijn ook bij piekdrukte goed bereikbaar. Na een bezoek aan bijvoorbeeld de attractieparken aan de rand van de Veluwe weet men de weg naar de binnenstad te vinden.

Veelzijdige economie: winkels, kantoren en bedrijven zijn goed bereikbaar. Apeldoorn wordt goed ontsloten door de A1 en de A50 en een aantal provinciale wegen. De doorstroming op de hoofdwegen en met name op de Ring is essentieel. De binnenstad moet met alle vervoermiddelen goed toegankelijk blijven. Bij de bedrijventerreinen en werkgebieden kunnen zowel openbaar vervoer als de (e-)fiets naast de auto een steeds belangrijker rol spelen.

Lokale duurzaamheid: er moet een omslag worden gemaakt van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van elektriciteit en waterstof. Hierin spelen vooral marktpartijen en beslissingen op landelijk en Europees niveau een rol. De (e-)fiets kan eveneens aan de doelstellingen van energieneutraliteit en uitstootvrij en daarmee aan een gezonde en schone leefomgeving bijdragen. Op lokaal niveau zet Apeldoorn zich in voor een snelle overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van duurzame energie.

De ambities uit de structuurvisie zijn vertaald in de volgende kernopgaven:

  • 1. Apeldoorn fietsstad: meer ruimte voor de fiets. Om deze opgave te realiseren wordt het gebruik van de fiets, ook in het voor- en natransport, gestimuleerd; worden de fietsroutes sneller en directer gemaakt en wordt het fietsgebruik veiliger gemaakt.
  • 2. Transitie van aanbodgericht naar vraaggericht en efficiënt openbaar vervoer. Om deze opgave te realiseren wordt een nieuw OV-netwerk ontwikkeld, wordt duurzaam en innovatief openbaar vervoer geïntroduceerd, worden de OV-knooppunten versterkt en worden nieuwe kansen die ontstaan door recreatie- en evenementenstromen benut.
  • 3. Beter en veilig gebruik van de infrastructuur. Om deze opgave te realiseren wordt de doorstroming op de hoofdwegen verbeterd, wordt bijgedragen aan de doorstroming op regionale en landelijke hoofdwegen, wordt (dynamische) informatie over parkeergelegenheden en over de drukte op wegen verstrekt, worden de parkeernormen geactualiseerd en wordt het parkeren gebruikersvriendelijker gemaakt.

In de Verkeersvisie worden deze (kern)opgaven vervolgens uitgewerkt in concrete voorgenomen maatregelen.

3.6.4.2 Parkeerbeleid

Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Beleidsregels Parkeren 2024 (vastgesteld op 13 juni 2024). Met dit beleid wordt beoogt te sturen op leefbaarheid en bereikbaarheid. Het beleid is een sturingselement bij de ontwikkelingen die Apeldoorn de komende jaren te wachten staat. De insteek bij het parkeren is dat parkeeroverlast - zo veel mogelijk - te voorkomen. Uitgangspunt is dat de parkeervraag bij ontwikkelingen niet mag worden afgewenteld naar de openbare weg. Het onderwerp parkeren wordt daarnaast benut in de strategie om Apeldoorn duurzaam en autoluw te ontwikkelen.

De nieuw vastgestelde beleidsregels voor parkeren richten zich enerzijds op het geven van een uitleg over hoe de parkeerregeling in het omgevingsplan zal worden toegepast. In de parkeerregeling die is opgenomen in het omgevingsplan (van rechtswege) wordt naar de ‘Beleidsregel Parkeren’ verwezen. Anderzijds dient deze beleidsregel als een toetsingskader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld.

De parkeernormen voor zowel fietsen als auto's zijn vastgelegd in de Beleidsregel Parkeren 2024. De beleidsregel legt vast wat wordt verstaan onder het realiseren van 'voldoende parkeerruimte voor auto en fiets en voor laden en lossen'. Daarnaast wordt in de beleidsregel ingegaan op deelmobiliteit en hoe deelmobiliteit een rol kan spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen. De beleidsregel geeft inzicht in het aantal, de kwaliteit en de plek van de te realiseren parkeerplaatsen. Het bepalen van 'voldoende parkeerruimte' gebeurt bijvoorbeeld door het hanteren van parkeernormen voor fietsen en auto's.

Betekenis voor dit plan

De grondgebonden woningen aan de Ugchelseweg krijgen parkeerruimte op eigen terrein. Voor de appartementencomplexen wordt de parkeerbehoefte centraal op het gebied opgevangen. De parkeeropgave wordt conform de parkeernota opgevangen. Het aspect parkeren vormt daarmee geen belemmering. De hoofdontsluiting geschiedt via de Ugchelseweg. In het zuidelijk deel van het plangebied wordt een voetpad gerealiseerd.

3.6.5 Water

Het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan 2022-2026 (WRP) is in 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. In het WRP is de gemeentelijke invulling van de zorgplichten voor afvalwater, regenwater en grondwater beschreven. De zorgplichten vormen het kader voor de ruimtelijke invulling van water en riolering en plannen. Het WRP is uitgewerkt in concrete opgaven, onderzoeken en maatregelen met een financiële dekking voor de planperiode.

Speerpunt in het WRP is het herstel van het natuurlijk bodem- en watersysteem, inspelen op de gevolgen van klimaatverandering, zoals wateroverlast door extreme buien en verdroging door langere droge perioden. Effecten van verdroging zijn periodiek lagere grondwaterstanden en lagere beekafvoeren. Deze effecten kunnen worden tegengegaan door de inrichting van de openbare ruimte aan te passen en regenwater van verhardingen niet versneld af te voeren via de riolering, maar af te koppelen en lokaal te infiltreren in de bodem. Bewoners wordt gevraagd zelf actief bij te dragen aan de klimaatopgave door de regenwaterafvoer van hun woningen af te koppelen van het vuilwaterriool en hun tuinen te vergroenen. Door deze afkoppelstrategie langjarig door te zetten ontstaat een klimaatrobuuste omgeving. Door het regenwater meer onderdeel te laten zijn van de openbare ruimte neemt tevens de belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit verder toe.

Betekenis voor dit plan

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een waterhuishoudingsplan opgesteld. Deze is als Bijlage 9 aan deze motivering verbonden. Het waterhuishoudingsplan wordt in paragraaf 4.2 nader behandeld.

3.6.6 Archeologie

Het gemeentelijke archeologisch beleid is vervat in de Archeologische Beleidskaart, vastgesteld door de gemeenteraad op 18 juni 2015. Het beleid kent drie categorieën terreinen met archeologische waarden. Er is vastgesteld dat op deze terreinen archeologische waarden aanwezig zijn of dat het zeer waarschijnlijk is dat deze aanwezig zijn. Daarnaast zijn er drie zones met archeologische verwachtingen. Deze zones geven de dichtheid weer waarop een archeologische vindplaats wordt verwacht.

De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is afhankelijk van de archeologische verwachting voor het gebied én van de omvang van de graafwerkzaamheden. Daarom is aan de verschillende gebiedscategorieën specifiek beleid gekoppeld. Daarbij gaat het om:

Categorie 1: Terrein met monumentale archeologische waarden

Het gaat hier om wettelijk beschermde monumenten en door de gemeente op basis van de Monumentenverordening aangewezen gemeentelijke monumenten. Op deze terreinen is het vrijwel zeker dat bij grondwerkzaamheden schade aan de archeologische vindplaats toegebracht wordt. De bescherming van deze terreinen is geregeld in de Erfgoedwet, de Monumentenwet en de Monumentenverordening.

Categorie 2: Terrein met vastgestelde archeologische waarden

Terreinen met vastgestelde archeologische waarden zijn die gebieden waarvan in het verleden is vastgesteld dat er zich een behoudenswaardige archeologische vindplaats bevindt. Bij verstoringen van de bodem groter dan 50 m² is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.

Categorie 3: Terrein met archeologische waarden

Tot de terreinen met archeologische waarden behoren de enken, dorpskernen en historische locaties. In deze gebieden zijn archeologische waarden aanwezig, maar waar deze precies liggen is niet altijd bekend. Bij bodemingrepen is de kans dan ook zeer aannemelijk dat archeologische waarden worden aangetroffen. In deze gebieden moet bij verstoringen van de bodem groter dan 100 m² archeologisch onderzoek uitgevoerd worden.

Categorie 4: Zone met (middel)hoge archeologische verwachting

In deze categorie vallen de terreinen die op de archeologische kenniskaart een middelhoge en hoge archeologische verwachting bezitten. In deze gebieden wordt verspreide begraving, bewoning en landgebruik voorafgaande aan de dorpsvorming in de Late Middeleeuwen verwacht. Pas bij grotere bodemingrepen wordt de kans groot dat zo'n vindplaats wordt aangetroffen. Daarom hoeft bij verstoringen van de bodem kleiner dan 500 m² geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

Categorie 5: Zone met lage archeologische verwachting

In gebieden met een lage archeologische verwachting is de dichtheid van archeologische vindplaatsen naar verwachting laag. Daarom hoeft er in deze gebieden alleen archeologisch onderzoek te worden gedaan als er meer dan 2.500 m² van de bodem verstoord gaat worden.

Categorie 6: Zone met geen archeologische verwachting

In gebieden waar het bodemarchief door menselijk of natuurlijk toedoen is verdwenen of waar zeker is dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het gaat hier om grote verstoringen van de bodem: wegvlak A1, de spoorlijn ter hoogte van de stuwwal en niet-historisch water. Deze categorie zal in de loop van de tijd groter worden naarmate meer archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Een actueel overzicht van overige gebieden in deze categorie wordt door middel van de archeologische kenniskaart bijgehouden.

Verstoringsdiepte waarvoor onderzoeksplicht geldt

De verplichting om archeologisch onderzoek uit te voeren geldt voor ieder van de genoemde gebiedscategorieën wanneer de totale oppervlakte aan geplande bodemingrepen de betreffende oppervlaktemaat overschrijdt en bij een verstoring dieper dan 35 cm onder het vastgestelde maaiveld.

Een uitzondering op deze diepte wordt gemaakt voor natuurgebieden. Ervaring leert dat archeologische waarden in natuurgebieden relatief dicht aan het oppervlak kunnen liggen. Daarom is in natuurgebieden bij verstoringen van de bodem groter dan 10.000 m² altijd een archeologisch onderzoek nodig, ongeacht de diepte van de verstoring.

Betekenis voor dit plan

Het besluitgebied valt onder categorie 2: "terreinen met vastgesteld archeologische waarden” heeft. Dit betekent dat in het plangebied een onderzoeksplicht geldt bij bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 35 cm -Mv. Ten behoeve van deze ontwikkeling heeft archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Dit wordt in paragraaf 4.4 nader behandeld.

3.6.7 Cultuurhistorie

De Cultuur- en Erfgoednota Apeldoorns Karakter! is door de gemeenteraad vastgesteld op 25 juni 2020. Kern van de nota is dat cultuur en erfgoed van essentieel belang zijn voor de identiteit en herkenbaarheid van Apeldoorn. Erfgoed wordt ingezet om de kwaliteit van de leefomgeving en de herkenbaarheid van deelgebieden in stad, dorpen en buitengebied te vergroten. Daarnaast is het een wettelijke taak van de gemeente om zorg te dragen voor het ruimtelijk erfgoed. Het is daarom belangrijk om erfgoed zo vroeg mogelijk in het planproces mee te nemen. Niet alleen om het aanwezige erfgoed te beschermen en te behouden, maar ook om dit te benutten als uitgangspunt bij ruimtelijke plannen. Daartoe dient tijdig goed archeologisch, cultuurhistorisch en/of bouwhistorisch onderzoek te worden gedaan, waarmee inzicht ontstaat in de aanwezige erfgoedwaarden. Via het onderzoek wordt kennis vergaard en vastgelegd over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur, en op basis hiervan volgen aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen.

Bij de hierboven genoemde nota hoort een cultuurhistorische beleidskaart (vastgesteld door de gemeenteraad op 16 februari 2006). Op die kaart staat de mate waarin de cultuurhistorische waarden een rol dienen te spelen bij ruimtelijke plannen. De attentiewaarde kent drie gradaties:

Hoge attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch onderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden;

Gemiddelde attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch bureauonderzoek verplicht. Afhankelijk van de resultaten kan volledig onderzoek worden verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden;

Lage attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is een cultuurhistorische quick-scan naar objecten verplicht. Aanbevolen wordt om cultuurhistorische waarden te behouden, herstellen en te versterken.

In de nota is vastgelegd dat gebieden met de hoogste cultuurhistorische waarden in het plan een beschermende regeling krijgen.

Implementatienotitie modernisering monumentenzorg

In 2012 heeft de gemeenteraad de Implementatienotitie modernisering monumentenzorg vastgesteld. In deze notitie is vastgelegd dat de iconen (monumenten, beeldbepalende panden en beschermde gezichten of gebieden) worden beschermd via sectorale regels, zoals de Erfgoedwet en de gemeentelijke monumentenverordening. Andere cultuurhistorische waardevolle kwaliteiten worden -waar nodig en mogelijk- door middel van het plan beschermd.

Betekenis voor dit plan

Het besluitgebied ligt in een gebied met deels een gemiddelde attentiewaarde en deels een hoge attentiewaarde. Dit betekent dat er cultuurhistorisch onderzoek moet plaatsvinden. In paragraaf 4.5 zijn de resultaten van het bureauonderzoek opgenomen.

4 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

4.1 Milieuaspecten

4.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet bevat een omgevingsplan in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de verschillende milieu- en omgevingsaspecten onderbouwd.

4.1.2 Bodem

Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dient in planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Voor deze ontwikkellocatie is getoetst of de bodemkwaliteit (inclusief grondwater) de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen toelaat.

Onderzoeksresultaten

Sinds 1988 zijn binnen het besluitgebied bodemonderzoeken uitgevoerd door achtereenvolgens DHV, Eco-Control en Mateboer. In 2016 is door Mateboer een saneringsplan opgesteld waarin de verontreinigingssituatie op basis van het in 2014-2015 uitgevoerde actualiserend en saneringsonderzoek is vastgesteld. In 2023 is opnieuw een actualiserend nader bodemonderzoek uitgevoerd. Deze is als Bijlage 5 aan deze motivering verbonden. Het doel van het onderzoek is de actuele omvang van de verontreiniging met VOCl in de grond boven interventiewaarde in beeld te brengen. Daarnaast wordt de grondwaterverontreiniging geactualiseerd aan de hand van bestaande peilbuizen met als uiteindelijk doel om stabiliteit aan te tonen.

In de grond zijn lichte tot sterke verontreinigingen met tetrachlooretheen aangetoond. Als nevenverontreinigingen zijn plaatselijk tevens lichte tot sterke verontreinigingen met trichlooretheen en 1,2-dichlooretheen aangetoond, vermoedelijk ontstaan als gevolg van biologische afbraak. De verontreiniging met tetrachlooretheen is echter duidelijk maatgevend voor de omvang van de verontreiniging in de grond.

Het hoogste gehalten tetrachlooretheen bedraagt 61 mg/kg d.s. tetrachlooretheen met nevenverontreinigingen van 0,6 mg/kg d.s. trichlooretheen en 2 mg/kg d.s. 1,2-dichloorethenen. De hoogst gemeten concentratie tetrachlooretheen in het grondwater bedraagt 1.600 µg/l.

De hoeveelheid sterk (> interventiewaarde) verontreinigde grond is geraamd op 1.722 m3.

Op basis van de nog (nog aanwezige) herbemonsterde en bijgeplaatste peilbuizen kan de omvang van de grondwaterverontreiniging niet worden geactualiseerd. Dit was ook niet het doel van het onderzoek. De meetresultaten kunnen worden gebruikt in het kader van het aantonen van een stabiele eindsituatie.

Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt verder het volgende:

  • Lokaal is een asbesthoudende buis kapot en half in de grond aangetroffen;
  • Lokaal is een oliegeur waargenomen echter er blijkt geen verontreiniging met minerale olie aantoonbaar;
  • PFAS zijn niet aangetoond boven de achtergrondwaarden.

Saneringsplan

In 2016 is voor de planlocatie een saneringsplan opgesteld. Op basis van het actualiserend nader bodemonderzoek is een gewijzigd saneringsplan opgesteld. Deze is als Bijlage 6 aan deze motivering verbonden. Het gewijzigd saneringsplan dient voor de aanpak van de VOCl-verontreiniging, waarvan de bron zich op het perceel Ugchelseweg 219 te Ugchelen bevindt. Vanuit de bronzone heeft het VOCl zich via het grondwater in noordoostelijke richting verspreid. Dit spoedeisende geval van ernstige bodemverontreiniging is bij de provincie Gelderland bekend onder de locatiecode GE020000382.

4.1.3 Milieuzonering

Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid dient onder de Omgevingswet gebruik gemaakt te worden van de publicatie ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet (Milieuzonering Nieuwe Stijl)’, zoals gepubliceerd op 28 juni 2022 door de VNG.

De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet zijn het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. In de nieuwe systematiek onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van milieuwaarden in plaats van vaste afstanden. Niet met een vaste richtafstand voor iedere activiteit, ongeacht of de activiteit die afstand wel nodig heeft, maar met een concrete waarde per activiteit met daarbij een zo reëel mogelijk ruimtebeslag. Hiermee wordt beoogd discussie over de toewijzing van bedrijven aan milieucategorieën en onnodig grote gebruiksruimte te voorkomen.

Binnen het onderzoeksgebied (ca. 50 meter rond het plangebied) zijn de volgende bedrijven en instellingen gelegen:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0005-vas2_0016.png"

Tabel nabij gelegen bedrijven en instellingen

De planlocatie is gelegen buiten de milieuzones van bovenstaande bedrijven. Het aspect milieuzonering vormt derhalve geen belemmering.

4.1.4 Lichthinder

De Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) heeft in 2021 de geactualiseerde richtlijn Lichthinder uitgegeven. In deze richtlijn zijn grenswaarden opgenomen. De grenswaarden voor de verschillende parameters zijn afhankelijk van de soort verlichting. Grenswaarden zijn opgenomen voor de verticale verlichtingssterkte (Ev lux) en de richtingsafhankelijke lichtsterkte per armatuur (cd). Tevens wordt er een onderscheid gemaakt in de dag- (07.00 tot 19.00 uur), avond- (19.00 tot 23.00 uur) en nachtperiode (23.00 tot 07.00 uur). De grenswaarden zijn afhankelijk van het omgevingstype. Op basis van de richtlijn kan de omgeving worden getypeerd als stedelijk gebied (E3).

Het aspect lichthinder is in voorliggende situatie niet aan de orde. Activiteiten die dergelijke effecten teweeg kunnen brengen zijn immers niet in of in de omgeving van het besluitgebied terug te vinden. Lichthinder vormt geen belemmering voor het plan.

4.1.5 Geluid

In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in afdeling 5.1 (§ 5.1.4.2a.4 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden) regels opgenomen voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in het geluidsaandachtsgebieden van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Er moet akoestisch onderzoek verricht worden wanneer geluidgevoelige gebouwen geheel of gedeeltelijk binnen een geluidaandachtsgebied komen te liggen. Er wordt daarbij gewerkt met een standwaarde en grenswaarde. Voor rijkswegen en provinciale wegen, gemeente- en waterschapswegen, hoofd- en lokale spoorwegen en industrieterreinen gelden ieder eigen standaard- en grenswaarden volgens het Bkl.

De standaardwaarden hebben als doel geluidhinder te voorkomen en te beperken tot aanvaardbare geluidniveaus. Maar ook voor het aspect geluid geldt dat wordt gekeken naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aanvaardbaarheid van zowel geluidbelasting als geluidhinder is afhankelijk van de planologische context; in een woonwijk worden andere geluidniveaus aangetroffen en verwacht dan in een bruisend stadscentrum. Een overschrijding van de standaardwaarden kan daarmee door het bevoegd gezag acceptabel worden geacht en hoeft geen obstakel te zijn. Wel geldt dat in het Bkl grenswaarden zijn opgenomen waarboven er doorgaans geen aanvaardbaar geluidniveau kan bestaan. Bij een geluidbelasting boven deze grenswaarde is de ontwikkeling niet zonder meer mogelijk.

Onderzoeksresultaten

Om de akoestische situatie ter plaatse inzichtelijk te maken is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 7 bij deze motivering gevoegd.

De geluidbelasting op het plan is bepaald op 49 punten rond de bestaande gebouwen waarin de nieuwe woningen worden gerealiseerd. De geluidbelasting bedraagt maximaal 52 dB. De geluidbelasting op het plan is lager dan de standaardwaarden van het Bkl (art. 3.20). Met een standaardgeluidwering, zoals deze wordt vereist in het Bouwbesluit van Ga;k=20 dB, wordt voldaan aan de binnenwaarde van 33 dB.

Het aspect geluid is geen beletsel voor wijzigen van het omgevingsplan. Wat betreft hetgeluidonderzoek onderzoek is sprake van een evenwichtige toedeling van de gewenste functie wonen aan deze locatie.

4.1.6 Trilling

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen.

Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels vooropstellen.

Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de beleidsregel 'Trillingshinder Spoor' en de handreiking 'Nieuwbouw en Spoortrillingen'. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.

Het besluitgebied ligt op meer dan 1.100 meter afstand van het spoortraject Amersfoort-Apeldoorn. Er zijn geen klachten ten aanzien van trillingen bekend. Gezien de afstand tot het spoortraject is geen aanleiding om onderzoek te doen naar trilling. Trilling vormt geen belemmering voor het plan.

4.1.7 Luchtkwaliteit

De Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit zijn geïmplementeerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het doel van deze wetgeving is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De wet is primair gericht op het voorkomen van negatieve effecten op de gezondheid van de mens. Daarnaast zijn er voor de stoffen zwaveldioxide en stikstofoxiden ook normen opgenomen ter bescherming van ecosystemen.

Voor het toetsen van ruimtelijke plannen zijn de volgende omgevingswaarden het meest relevant:

  • PM10 (fijnstof);
      • a. de jaargemiddelde concentratie van 40 µg PM10/m³ mag niet worden overschreden;
      • b. de 24 uursgemiddelde concentratie van 50 µg PM10/m³ mag niet vaker dan 35 keer per jaar worden overschreden;
  • NO2 (stikstofdioxide);
      • a. de jaargemiddelde concentratie van 40 µg NO2/m³ mag niet worden overschreden;
      • b. de uurgemiddelde concentratie van 200 µg NO2/m³ mag niet vaker dan 18 keer per jaar worden overschreden.

Voor de overige stoffen worden in Nederland geen overschrijdingen gerapporteerd.

In de artikelen 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald wanneer activiteiten 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In deze situaties is toetsing aan de omgevingswaarden niet noodzakelijk. Het betreffende plan valt onder de situaties die zijn vastgelegd in de Ministeriële Regeling “Niet in betekenende mate bijdragen”.

4.1.8 Gezondheid

De Omgevingswet zet in op het realiseren van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Daarmee heeft het thema gezondheid een centrale rol bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Gezondheid is een breed thema waarbij gedacht kan worden aan diverse thema's en aspecten die zich richten op de bescherming van de gezondheid van inwoners. Te denken valt aan aspecten als geluid, geur en luchtkwaliteit.

In voorliggende situatie geldt dat uit uitgevoerde onderzoeken volgt dat in en om het besluitgebied een dusdanig milieukwaliteitsniveau heeft dat de gezondheid van toekomstige bewoners niet in het geding komt.

Een ander belangrijk aspect vanuit gezondheid is het bevorderen en stimuleren van de gezondheid van inwoners. Het aspect groen speelt daarbinnen onder meer een belangrijke rol. Zo draagt groen bij aan het realiseren van een positieve mentale gezondheid van mensen, nodigt groen uit tot bewegen en ontmoeten en heeft groen een verkoelende werking. Doordat in voorliggende ontwikkeling zowel fysiek als juridisch-planologisch de groene buitenruimte in het besluitgebied wordt verbeterd en een wandelverbinding wordt gerealiseerd, wordt ook een bijdrage geleverd aan het stimuleren van de gezondheid.

4.1.9 Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid gaat om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Onder omgevingsveiligheid vallen ook de risico's door luchthavens en windturbines. In paragraaf 5.1.2.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de algemene bepalingen met betrekking tot het waarborgen van de veiligheid opgenomen. Hieruit volgt dat in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises, rekening wordt gehouden met het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening. Voor zowel de handelingen met gevaarlijke stoffen bij bedrijven als het transport van gevaarlijke stoffen zijn drie aspecten van belang, het plaatsgebonden risico (PR), aandachtsgebieden en het groepsrisico (GR).

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het gaat om ongevallen vanwege brand, explosie en een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 t/m 4.96 Bbl.) Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingshuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan de gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.

Overige bepalingen

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:

  • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: paragraaf 5.1.2.3 Bkl;
  • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: paragraaf 5.1.2.4 Bkl;
  • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten: paragraaf 5.1.2.5 Bkl;
  • Veiligheid rond luchthavens: paragraaf 5.1.2.6 Bkl.

Onderzoeksresultaten

Ten behoeve van de herontwikkeling van het besluitgebied, is een adviesmemo opgesteld ten aanzien van externe veiligheid. Deze is als Bijlage 8 aan deze motivering verbonden. Om te beoordelen of er sprake is van nabijgelegen risicobronnen is de risicokaart geraadpleegd via de ‘Atlas voor de leefomgeving’.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0005-vas2_0017.png"

Afbeelding 4.1: risicokaart Altas van de leefomgeving

Stationaire bronnen

Blijkens de risicokaart bevinden zich geen stationaire bronnen met risicovolle activiteiten in of nabij het plangebied. Op een afstand van ca. 125m, gelegen aan de Ugchelseweg zou een LPG-vulpunt aanwezig zijn, maar deze is inmiddels verwijderd en derhalve niet meer risicovol. De voorgenomen ontwikkeling valt buiten alle contouren van inrichtingen.

Mobiele bronnen

De autosnelweg A1 bevindt zich in zuidelijke richting van de planlocatie op een afstand van ca. 700 meter. Zoals op de risicokaart is te zien valt het plangebied ook ruim buiten de afstandscontour ten aanzien van het invloedsgebied voor explosies, waardoor geen verantwoording van het groepsrisico benodigd is. Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied (880m) van een toxisch scenario met LT2 stoffen die over de A1 worden vervoerd, hoewel dat niet als zodanig op de risicokaart is opgenomen. Daarmee is wel een verantwoording van het (rest) risico nodig en moet de veiligheidsregio om advies gevraagd worden met betrekking tot bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een calamiteit bij een inrichting of bij transport van toxische stoffen er een lekkage ontstaat en een vloeistofplas vormt. Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Bij een ongeval met een toxisch gas ontstaat direct een toxische gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. In het geval van dit plangebied dient beoordeeld te worden dat het plangebied helemaal aan de buitenrand van de ‘aandachtswolk’ valt. Het gedeelte van het plangebied wat wel binnen de wolk valt, ligt helemaal aan de rand ervan. Dit betekent op haar beurt dat mensen tussen het moment van ongeluk en daadwerkelijk risico op inademen van de wolk voldoende tijd hebben om te vluchten. De woningen in het plangebied worden bestemd voor reguliere woningzoekers, welke zelfstandig en zelfredzaam zijn. Zijn kunnen dus snel vluchten, mits zij het gevaar (her)kennen. Hierover kan men voorafgaand aan de bewoning worden geïnformeerd. Bij het moeten vluchten is het tevens van belang hoe snel mensen de wolk kunnen ontkomen. Omdat de wijk in verschillende richtingen ontsloten wordt en men zelfs te voet heel snel buiten het aandachtsgebied komt, is deze locatie voldoende veilig voor woningbouw en is het risico aanvaardbaar.

Betekenis voor dit plan

Gelet op de afstanden tot nabijgelegen bronnen (hetzij stationaire of mobiele bronnen) bestaat er feitelijk geen basis voor een nadere verantwoording van het Groepsrisico of Plaatsgebonden risico. Om inzichtelijk te maken dat de initiatiefnemer – en in het verlengde daarvan de gemeenteraad van Apeldoorn bij het vaststellen van een wijziging op het Omgevingsplan – wel zorgvuldig heeft gekeken naar deze aspecten is een vergelijk gemaakt met het, nabijgelegen, en dichterbij de A1 gelegen, bestemmingsplan ‘Ugchelsegrensweg en De Oude Klarenbeek Ugchelen’, alsook naar het bestemmingsplan ‘Hoenderloseweg 145a Ugchelen’. Uit deze plannen blijkt dat in geen van beide gevallen uitgebreid onderzoek is gedaan omdat steeds geconcludeerd kon worden dat dit aspect redelijkerwijs niet leidde tot problemen.

Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident te beperken of te voorkomen. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen worden bestreden door de brandweer.

Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden.

Bij een wolkbrandexplosie scenario is het advies om te vluchten van de risicobron af. Zoals gezegd is op ongeveer 700 meter van het plangebied de rijksweg A1 gelegen, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Gelet op de afstand en de tussenliggende dichtheid van bebouwing en aanwezigheid van personen, zal de wijziging zal geen significante invloed hebben op de personendichtheid. Er zal derhalve geen of zeer beperkte toename van het groepsrisico zijn. Uit de nota milieuveiligheid blijkt dat ter hoogte van de planlocatie geen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico levert derhalve geen belemmering voor de planontwikkeling. De afstand tussen de planlocatie en de A1 is groter dan een eventuele plasbrandaandachtsgebied van 25 meter. Derhalve levert het plasbrandaandachtsgebied geen belemmering voor de planontwikkeling.

Op basis van de risicokaart, de afstanden tot stationaire en mobiele bronnen alsook op basis van een planvergelijking is het niet voorstelbaar dat het Groepsrisico of Plaatsgebonden risico toeneemt. Er hoeven dan ook geen nadere eisen te worden gesteld op het aspect externe veiligheid. Ter plekke van het plangebied wordt voldaan aan de eisen op het gebied van externe veiligheid en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.1.10 Elektromagnetische velden

In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn regels opgenomen omtrent milieubelastende activiteiten. Het omzetten van elektrische energie in elektromagnetische stralingsenergie bij een groter elektrisch vermogen dan 4kW is een dergelijke milieubelastende activiteit.

Elektromagnetische velden van antennes kunnen het lichaam opwarmen. Dat kan slecht zijn voor de gezondheid en daarom zijn er blootstellingslimieten. Mensen mogen niet worden blootgesteld aan elektromagnetische straling boven de blootstellingslimieten van de International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP).

De toelatingsregels van het omgevingsplan borgen dat de blootstellingslimieten niet worden overschreden. Meestal blijkt uit de aanvraag voor een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit dat de blootstellingslimieten niet worden overschreden.

Onderzoeksresultaten

In en direct nabij het plangebied bevinden zich geen hoogspanningsleidingen en/of zendmasten. Dit betekent dat er geen belemmeringen zijn met betrekking tot dit aspect.  

4.1.11 Milieueffectrapportage

De wet- en regelgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.

Voor plannen en programma's die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.

De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.

Op basis van toetsing van de activiteiten is geen aanleiding te veronderstellen dat een MER, vormvrije mer of mer-beoordeling nodig is. Overigens is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, als bedoeld in het Omgevingsbesluit. De woningen worden gerealiseerd op een terrein dat reeds als bedrijf in gebruik is en de woningen komen deels in de plaats van bestaande bebouwing.

4.2 Waterhuishouding

Het besluitgebied ligt in bestaand stedelijk gebied. Het besluitgebied bevindt zich niet binnen enige Keurzone en ligt niet binnen de zoekgebieden voor waterberging die de provincie Gelderland in de omgevingsvisie heeft aangegeven. De waterhuishouding is nader toegelicht in een waterhuishoudingsplan, aan deze motivering verbonden als Bijlage 9. Onderstaand wordt kort ingegaan op de wateraspecten.

4.2.1 Bodemopbouw

De regionale bodemopbouw bestaat volgens het REGIS uit een deklaag van zand met een dikte van circa 9 á 10 meter. Op basis van boorprofielen is de lokale bodemopbouw als in onderstaande tabel. Geconcludeerd kan worden dat de bodem ter plaatse als goed doorlatend kan worden geclassificeerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0005-vas2_0018.png"

Afbeelding 4.2: bodemopbouw

4.2.2 Grondwater

Tijdens het verkennend bodemonderzoek is de grondwaterstand aangetroffen op circa 3,5 meter beneden maaiveld. De meest nabijgelegen peilbuis uit het dinoloket betreft put B33B0506. Deze is gelegen op circa 500 meter afstand in noord oostelijke richting en heeft de filterstelling op 3 tot 4 meter beneden maaiveld. Het gemeten verloop in deze peilbuis laat een fluctuatie zien van circa 1 meter met een duidelijk seizoenspatroon, waarbij de grondwaterstand tussen de 1 en 2 meter beneden het maaiveld is aangetroffen.

4.2.3 Oppervlaktewater

In het zuiden van het plangebied lopen twee primaire watergangen. Langs de zuidelijke projectgrens loopt de Ugchelsebeek en daarboven, door het plangebied, loopt de Schoolbeek. De Ugchelsebeek is een historische dorpsbeek met een hoge ecologische waarde. In 2016 is een vistrap aangelegd tussen de Schoolbeek en de Ugchelsebeek. De beken stromen van west naar oost en komen direct ten oosten van het plangebied bij elkaar. In de onderstaande uitsnede van het beheerregister van het waterschap is te zien waar de trappen van de vistrap in de Ugchelsebeek zijn aangelegd. Tevens is te zien dat de Schoolbeek langs de zuidwestgrens van het plangebied beduikerd ligt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0005-vas2_0019.png"

Afbeelding 4.3: Uitsnede beheerregister waterschap Vallei en Veluwe

De Schoolbeek ligt op de westelijke rand van het plangebied beduikerd. In de nieuwe plannen wordt de beek bovengronds gelegd waarbij het verval wordt ingericht middels een kunstwerk waarbij een instroombak en uitstroombak worden gerealiseerd. De nadere uitwerking hiervan is nog niet uitgewerkt.

Om bij de ontmoetingsruimte aan de zuidzijde te komen wordt een duiker in de Schoolbeek gelegd. De dimensies en uitwerking van de duiker zijn nog niet bekend. Indien het profiel van de beek wordt vergraven moet bij de herprofilering in ieder geval leem op de bodem van de beek worden aangebracht om infiltratie van water naar de bodem te voorkomen om de beek zo lang mogelijk watervoerend te houden. Om de beken te kunnen onderhouden wordt een obstakelvrij onderhoudspad langs de beken vrijgehouden. Aan de noordzijde van de Ugchelsebeek en aan de zuidzijde van de Schoolbeek, op het ‘eilandje’ tussen de beken, wordt daarvoor een zone van 5 meter aangehouden.

4.2.4 Afvoer van regenwater

Het afstromende hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering en vastgehouden in het plangebied en zoveel als mogelijk geïnfiltreerd naar de bodem waar het ten goede komt aan de grondwatervoorraad. De exacte uitwerking van het systeem dient nog nader uitgewerkt te worden. De uitgangspunten van het uit te werken systeem zijn al wel bekend. De drie grondgebonden woningen aan de Ugchelseweg dienen de bergingsopgave van 60 mm voor het aan te brengen verhard oppervlak op eigen terrein te realiseren. Een overstort van de te reffen voorzieningen mag bovengronds afvoeren naar de openbare ruimte van de Ugchelseweg.

Het uitgangspunt voor de appartementengebouwen is dat het water bij voorkeur allemaal bovengronds wordt afgevoerd naar een nieuw te realiseren wadi waar het zichtbaar blijft en daar naar de bodem kan infiltreren. Indien bij de nadere uitwerking blijkt dat de bergingsopgave van 60 mm voor het aangesloten verhard oppervlak landschappelijk niet ingepast kan worden, moet een deel van de bergingsopgave ingevuld worden door het aanleggen van ondergrondse bergende voorzieningen onder de parkeerplaatsen. Deze ondergrondse voorziening zal overstorten naar de wadi. De wadi krijgt een overstort in de richting van de Schoolbeek. De overlaat vindt plaats over de gehele lengte van de wadi langs de beek.

De ontmoetingsruitmte die tussen de beken staat zal het afstromende water afvoeren naar een laagte in het maaiveld tussen de beken waar het kan infiltreren. Gelet op de beperkte omvang van het theehuisje zal de berging hier niet als een duidelijke wadi worden vormgegeven, maar als een laagte in het maaiveld.

De waterbergende voorzieningen moeten door de betreffende perceeleigenaren worden onderhouden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0005-vas2_0020.png"

Afbeelding 4.4: Beslisboom voor regenwater, gemeente Apeldoorn

Bij het bepalen van de voorkeursvolgorde in het omgaan met hemelwater wordt de waterladder van Apeldoorn gehanteerd:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0005-vas2_0021.png"

Afbeelding 4.5: Waterladder gemeente Apeldoorn

4.2.5 Afvoer van vuilwater

Binnen het plangebied wordt het vuilwater vanuit de hoogbouw aangesloten op een nieuw aan te leggen vuilwaterriool (VWA). Het nieuwe VWA riool kan op het stelsel in de Ugchelseweg aangesloten worden.

De aansluiting van het nieuw VWA-riool op het gemeentelijk rioolstelsel vindt plaats middels een nieuw te plaatsen “hondenhok” put. De vrijstaande woning en de twee-onder-een-kap woningen sluiten met een nieuwe uitlegger aan op het gemengd riool in de Ugchelseweg.

Voor de woningen en appartementen geldt het uitgangspunt van 2,5 gebruikers (vervuilingseenheden) per woning. De vervuilingseenheden van het vuilwater in de nieuwe situatie bedraagt daarmee 77,5 vervuilingseenheden

4.2.6 Weging van het waterbelang

De bodemopbouw is goed doorlatend en de grondwaterstanden liggen voldoende onder het maaiveld om zowel bovengrondse als ondergrondse infiltratievoorzieningen aan te leggen. Binnen de voorgenomen plannen is voldoende ruimte beschikbaar om de waterbergingsopgave in te vullen.

Voor de werkzaamheden aan de Schoolbeek dient nog nadere afstemming met het waterschap plaats te vinden. De waterbelangen kunnen echter voldoende ingevuld worden binnen de voorgenomen ontwikkeling. Er zijn daarom geen belemmeringen om de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie toe te kunnen staan.

4.3 Flora en Fauna

Soortenbescherming

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid.

Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of:

  • er soorten aanwezig zijn;
  • welke soorten dat zijn.

Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling.

Houtopstanden

Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels heeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten). Degene die zo’n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Er kan ook een meldingsplicht gelden. In paragraaf 11.3.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving is beschreven in welke gevallen een meldplicht geldt voor het vellen van een houtopstand en of er een herplantplicht van toepassing is.

Gemeenten dienen op grond van artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving een bebouwingscontour houtkap op te nemen in het omgevingsplan. De algemene regels over het vellen van houtopstanden uit het Bal zijn alleen van toepassing buiten de ‘bebouwingscontour houtkap’, zoals die is opgenomen in het omgevingsplan. Binnen de bebouwingscontour houtkap gelden uitsluitend de in het omgevingsplan gestelde regels over de kap van bomen. Gemeenten bepalen zelf of zij binnen de bebouwingscontour houtkap regels stellen ten aanzien van houtkap.

Gebiedsbescherming

De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies.

Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als 'Natura 2000-activiteit'. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden.

Onderzoeksresultaten

Cozijnsen Flora Fauna Advies heeft een QuickScan natuur uitgevoerd aan de Ugchelseweg 219 te Ugchelen. Dit onderzoek is als Bijlage 10 verbonden aan deze motivering. In dit verkennend onderzoek is de locatie onderzocht op de aanwezigheid van beschermde plantsoorten en diersoorten. Onderstaan worden de conclusies van het onderzoeken kort genoemd.

Soortenbescherming 

  • De invloedsfeer van de ontwikkeling is lokaal en wordt uitgevoerd op reeds bestaande wegen en verharding. Mogelijk zijn tijdens de werkzaamheden geluid en stof waarneembaar buiten het daadwerkelijke plangebied, deze effecten zijn naar verwachting incidenteel, kortstondig en hebben geen wezenlijke schadelijke invloed op beschermde soorten, rust- of voortplantingsplaatsen buiten het plangebied.
  • De inrichting maakt het daadwerkelijke plangebied tot een weinig geschikt functioneel leefgebied van beschermde dieren en tot een ongeschikte groeiplaats van beschermde planten. Grondgebonden zoogdieren bezetten er geen vaste rust- en voortplantingsplaats. Amfibieën bezetten er een geen (winter)rustplaats. Er nestelen geen vogels in het plangebied en vleermuizen bezetten er geen vaste rust- of voortplantingsplaats. Aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
  • Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van algemeen voorkomende vogelsoorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 augustus. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
  • In het kader van de algemene zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zo veel mogelijk te voorkomen. Voor sommige algemene veel voorkomende soorten is er in de provincie geen vergunning vereist en nader onderzoek is niet noodzakelijk. Wel geldt voor deze soorten de algemene zorgplicht. Te denken valt aan het aanpassen van de werkwijze zodat onverhoopte aanwezige soorten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen.
  • Veel algemene en beschermde diersoorten (bijv. vleermuizen) zijn vooral actief gedurende de vroege ochtend, late avond en nacht. Indien er extra verlichting gebruikt gaat worden dan dient deze afgewend te worden van aanwezige groenstructuren om eventuele aanwezige soorten in de omgeving niet negatief te beïnvloeden en wordt geadviseerd natuurvriendelijk te verlichten door amberkleurige lichtbronnen te gebruiken.
  • De zorgplicht is altijd van toepassing.

Houtopstandenbescherming

Ter plaatse van de inrit van het terrein staat een Atlas ceder, een kleinere berk, een esdoorn en een tweetal sparren. Ten behoeve van de werkzaamheden zullen deze bomen gekapt worden. Daarvoor zal een vergunning aangevraagd moeten worden. De te kappen bomen zijn visueel onderzocht op de aanwezigheid van nesten, holtes, spechtgaten, plakoksels, lengte scheuren en loshangend schors. Deze zijn niet aangetroffen.

Gebiedsbescherming

Het besluitgebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het meest nabije Natura 2000-gebied (Veluwe) ligt op 800 meter afstand. Voor de aanleg- en gebruiksfase is een aeriusberekening door SAB Adviseurs uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 11 aan deze motivering verbonden.

Uit het onderzoek met bijbehorende Aerius-berekening blijkt dat het effect op de Natura 2000-gebieden kleiner is dan 0,00 mol/ha/jaar voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase. Op basis van intern salderen leidt de nieuwe situatie tot een reductie van de emissie ten opzichte van de referentiesituatie. Deze referentiesituatie betreft bij een plan, conform vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna Afdeling) de feitelijk bestaande, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan. Het plan zal niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en significant negatieve effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Veluwe kunnen in beginsel worden uitgesloten.

Op 18 december 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de Rendac-uitspraak de regels c.q. voorwaarden voor intern salderen voor projecten gewijzigd. De Afdeling komt in deze uitspraak tot de conclusie dat er aanleiding is om haar rechtspraak over intern salderen, zoals uiteengezet in de Logtsebaan-uitspraak, te wijzigen. Die wijziging houdt kort gezegd in dat de referentiesituatie niet mag worden betrokken bij de vraag of significante gevolgen van een project op voorhand zijn uitgesloten. In de voortoets mag dus, anders dan voorheen, voor de beoordeling of significante gevolgen zijn uitgesloten, geen vergelijking worden gemaakt van de gevolgen van het toegestane project in de referentiesituatie en de gevolgen van het project na wijziging.

Voorliggende wijziging van het omgevingsplan betreft een plan. De regels c.q. voorwaarden ten aanzien van ten aanzien van plannen zijn niet gewijzigd. Om die reden mag in de planfase nog wel een vergelijking worden gemaakt met de referentiesituatie. Immers, de referentiesituatie in het planspoor betreft feitelijk bestaande, planologisch legale situatie die op moment van vaststelling van het plan aanwezig is (zie uitspraak: ECLI:NL:RVS:2020:212). Uitgaande van de referentiesituatie, afgezet tegen de effecten van het plan, kan worden geconcludeerd dat op basis van interne saldering geen significant negatieve effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied bestaan.

De voornoemde uitspraak van 18 december 2024 heeft mogelijk wel gevolgen voor de uitvoeringsfase. Immers, het aanvragen van een omgevingsvergunning voor de realisatie van de woningbouw en andere functies betreft een project, als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. In de projectfase dient te worden aangetoond dat er geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig is, of er dient uit een passende beoordeling te blijken of significant negatieve effecten zijn uitgesloten. Daartoe is een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit noodzakelijk. Op dit moment is niet uitgesloten dat een dergelijke omgevingsvergunning niet zou kunnen worden verleend. 

4.4 Archeologie

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden.

Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het besluitgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Onderzoeksresultaten

In het besluitgebied heeft archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Kortheidshalve zijn hieronder de conclusies naar aanleiding van de uitgevoerde onderzoeken en het selectiebesluit dat is genomen door het bevoegde gezag. Voor de volledige rapportages wordt naar de bijlage verwezen.

Archeologisch vooronderzoek

Transect B.V. heeft in september 2017 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 12 verbonden aan deze motivering. Uit het vooronderzoek is gebleken dat in het plangebied archeologische waarden aanwezig zijn tussen de funderingen van de bestaande bebouwing. Deze archeologische waarden bestaan uit de funderingen of restanten van de watermolen Kleine Bazemolen of Steenbeek, uit de periode 1648 tot 1870. De verwijdering van de funderingen van de bestaande bebouwing en eventuele milieukundige saneringen bedreigen de archeologische waarden.

Daarnaast is in het overige deel van het plangebied nog sprake van een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden uit de periode Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Deze mogelijke waarden worden bedreigd door de voorgenomen ingrepen in het plangebied, de milieukundige saneringen en sloop. Deze resten worden verwacht in de top van een daluitspoelingswaaier, mogelijk al vanaf maaiveld.

Op basis van de archeologische waarden die tussen de funderingen van de bestaande bebouwing worden verwacht, alsook de hoge verwachting op het aantreffen van intacte archeologische waarden in het overige deel van het plangebied, is geadviseerd om het verwijderen van de funderingen en het uitgraven van eventuele saneringen te verrichten onder archeologische begeleiding. Deze begeleiding kan worden uitgevoerd onder het protocol Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P), karterende en waarderende fase, waarin de behoudenswaardigheid van de archeologische waarden kan worden vastgesteld. Indien wordt vastgesteld dat deze waarden behoudenswaardig zijn, kan er voor worden gekozen deze waarden te onderzoeken conform het protocol Definitieve Opgraving (DO).

Selectiebesluit

Op basis van voornoemd rapport heeft de gemeente Apeldoorn een selectiebesluit genomen. Het selectiebesluit is als Bijlage 13 aan deze motivering verbonden. De gemeente Apeldoorn volgt het advies van Transect. Bij het uitvoeren van welke grondroerende werkzaamheden in het plangebied dan ook, inclusief het verwijderen van bestaande funderingen en het uitvoeren van sanering, is een archeologische begeleiding benodigd. Voor het uitvoeren van de archeologische begeleiding is een door de gemeente Apeldoorn goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) benodigd, dat als indieningsvereiste geldt voor de aanvraag van de omgevingsvergunning.

Programma van Eisen - Inventariserend veldonderzoek

Naar aanleiding van de conclusies op het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen en op basis van het genomen selectiebesluit is een Programma van Eisen voor een proefsleuvenonderzoek opgesteld. Deze is als Bijlage 14 aan deze motivering verbonden. De gemeente Apeldoorn heeft op 28 oktober 2024 ingestemd met het Programma van Eisen. Het proefsleuvenonderzoek moet nog worden uitgevoerd . Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien die voorkomt dat er bodemingrepen plaatsvinden voordat de archeologische waarden van de bodem in voldoende mate zijn vastgesteld door het bevoegd gezag. Op deze wijze is archeologie geborgd en meegewogen in voorliggend plan.

4.5 Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het besluitgebied gelegen werelderfgoed.

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over:

  • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • verplaatsing van beschermde monumenten;
  • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • aantasting van de omgeving van een beschermend monument;
  • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen;
  • conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Cultuurhistorische analyse

Op basis van cultuurhistorische waardenkaart, zoals beschreven in paragraaf 3.6.7, is vastgesteld dat het gebied deels een gemiddelde attentiewaarde (geel) en deels een hoge attentiewaarde (rood) kent.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0005-vas2_0022.png"

Afbeelding 4.6: Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Apeldoorn

Monumenten

Monumenten zijn elementen met een hoge cultuurhistorische waarde die op grond van de Omgevingswet, of gedurende de overgangsfase (tot 2031) door gemeenten op basis van de erfgoedverordening, als monument zijn aangewezen. In het besluitgebied bevinden zich geen monumenten en kandidaat-monumenten.

Karakteristieke panden

Karakteristieke panden hebben geen monumentenstatus maar zijn door hun cultuurhistorische en ruimtelijke waarde van groot belang voor het karakteristieke beeld van hun omgeving. Die waarden komen onder andere tot uitdrukking in de gebiedseigen typologie, markante ligging, bijdrage aan het typische beeld en/of de bijzondere vorm en functie. In het besluitgebied bevinden zich geen karakterstieke panden.

Beektakken zuidelijk plangebied

De twee beektakken aan de zuidkant van de planlocatie hebben hoge cultuurhistorische waarde, omdat deze eeuwen geleden kunstmatig zijn aangelegd ten behoeve van het aandrijven van (papier)watermolens. Dit is een waardevol verschijnsel dat typisch is voor de Oost-Veluwe, en in het bijzonder voor Ugchelen als ‘papiermakersdorp’. Een van deze beektakken loopt deel onder de planlocatie door, ongeveer op de plek waar vroeger de watermolen stond. Deze cultuurhistorische waarde wordt met de ontwikkeling versterkt, omdat de Schoolbeek weer watervoerend wordt gemaakt. Deze locatie wordt tevens beleefbaar gemaakt, middels de realisatie van een wandelpad.

Conclusie

De cultuurhistorische waarden binnen het besluitgebied worden voldoende geborgd.

4.6 Duurzaamheid

4.6.1 Programma Energietransitie 2023-2030

In het Klimaatakkoord (2019) staat hoe Nederland deze overstap wil maken. Het is de bedoeling dat ons land in 2050 ‘energieneutraal’ is. Dat betekent: dat we net zoveel duurzame energie opwekken als we gebruiken. We werken daar op allerlei manieren aan. Als land, maar ook als provincie, regio en gemeente. We proberen alle plannen op elkaar te laten aansluiten. Want samen gaat het sneller. Net als heel Nederland wil Apeldoorn in 2050 evenveel duurzame energie opwekken als we gebruiken. Om daar te komen, maken we eerst plannen tot 2030. Dit zijn de hoofdlijnen:

  • 1. Besparen, besparen, besparen; hoe minder energie je hoeft op te wekken, hoe beter.
  • 2. Zonnepanelen op gebouwen; we kunnen nog veel elektriciteit opwekken met zonnepanelen. Het liefst in de gebouwde omgeving.
  • 3. Opwekken op allerlei plekken; we proberen elke geschikte plek te gebruiken voor het opwekken van energie. Niet alleen daken, maar ook gevels, carports en geluidsschermen.
  • 4. Duurzame stroom dicht bij huis; het is handig om elektriciteit zo dicht mogelijk bij de gebruiker op te wekken, dan kunnen we vraag en aanbod makkelijk aan elkaar koppelen.
  • 5. Duurzame warmte uit de buurt; op plekken waar warmte wordt gevraagd winnen we deze ook zoveel mogelijk. Dat betekent liever geen omweg via elektriciteit of gas gebruiken om warmte mee te maken.
  • 6. Eén energiesysteem; we werken toe naar een energiesysteem waar vraag en aanbod bijeen worden gebracht en elketriciteit ook kan worden opgeslagen.

De Omgevingswet geeft ons de mogelijkheid om onze duurzaamheidswensen en -doelen goede juridische grond te geven. Dit geldt ook voor het onderwerp energie. De Omgevingswet geeft duidelijke richtlijnen en regels mee aan burgers en bedrijven, zodat zij goed weten waar ze aan toe zijn. Daarnaast geeft de Omgevingswet ons de kans om de regels beter te handhaven. Dit helpt om onze doelen te behalen. De Omgevingswet gaat ons op de volgende manier helpenop het gebied van energie:

Voor nieuwbouw

  • In het omgevingsplan nemen we op dat gebouwen met een industriefunctie verplicht zijn hun dak te benutten voor het opwekken van hernieuwbare energie. We kunnen niet eisen dat bedrijven meer opwekken dan ze zelf nodig hebben.
  • In het omgevingsplan leggen we de nul-op-de-meter-eis vast voor nieuwbouw.
  • In het omgevingsplan sturen we op besparing of opwek van energie via de bebouwingsregels en de positionering van het bouwvlak.

Voor bestaande bouw

  • In omgevingsvergunningen nemen we maatwerkvoorschriften op waarbij we eisen dat gebouwen hun daken moeten gebruiken voor de opwek van hernieuwbare energie. We kunnen niet eisen dat bedrijven meer opwekken dan ze zelf nodig hebben.
  • De hybride warmtepomp is vanaf 2026 standaard voor het verwarmen van woningen. Huiseigenaren zijn verplicht om vanaf 2026 bij vervanging van de cv-ketel over te stappen op een hybride warmtepomp. Of op een ander duurzaam alternatief, zoals aansluiting op het warmtenet.

Betekenis voor dit plan

De nieuw te realiseren woningen zullen allen aardgasvrij worden. De woningen zullen moeten voldoen aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) (voorheen het Bouwbesluit 2012). In het Bbl is opgenomen dat nieuwbouwwoningen moeten voldoen aan de Beng-eisen. Beng staat voor Bijna Energieneutrale Gebouw. Hoewel Apeldoorn in haar beleid heeft opgenomen dat voor nieuwbouw geldt dat woningen moeten voldoen aan de nul-op-de-meter-eis kan dit juridisch niet worden afgedwongen. Het Rijk heeft bepaald dat het Bbl een uitputtende werking heeft en gemeenten geen strengere eisen aan (nieuwbouw)woningen mogen stellen.

4.7 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels.

In hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 is aangegeven dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de planlocatie. In deze paragraaf worden de conclusies uit de genoemde hoofdstukken beschreven.

Beleid

De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de herontwikkeling van het (voormalig) terrein van Texolean en de realisatie van 28 appartementen, 3 grondgebonden woningen en een ontmoetingsruimte. Deze functies zijn in overeenstemming met het beleid.

Omgevingskwaliteit

Het plan wordt aan de hand van het beeldkwaliteitsplan stedenbouwkundig en landschappelijk goed ingepast in de omgeving en daarnaast levert bijdrage aan het woningaanbod.

Omgevingsaspecten

De effecten van de beoogde ontwikkeling op de omgeving is positief en er treden geen nadelige gevolgen voor het milieu op.

5 Juridisch kader TAM-omgevingsplan

Een TAM-omgevingsplan biedt een alternatieve mogelijkheid om via de IMRO2012-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan te wijzigen, wanneer gemeenten het omgevingsplan nog niet via de nieuwe standaarden kunnen bekendmaken en beschikbaar stellen. Dit moet voorkomen dat planvorming (en in het bijzonder gebiedsontwikkeling) onaanvaardbare vertraging oploopt bij de invoering van de Omgevingswet.

Onderhavig TAM-omgevingsplan, Hoofdstuk 22e Ugchelseweg 219 Ugchelen, vormt een wijziging van het omgevingsplan Apeldoorn. Woningbouw op deze locatie is in strijd met bestemmingsplan 'Ugchelen', onderdeel uitmakende van het omgevingsplan van rechtswege, waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden.

Het TAM-omgevingsplan is juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de al geldende regels in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan, de zogenaamde bruidsschat. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22e van het omgevingsplan.

Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen

Dit TAM-omgevingsplan maakt als hoofdstuk 22e onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Apeldoorn. Dat betekent dat in principe alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling van het besluitgebied behorende bij dit TAM-omgevingsplan (tenzij ze daarmee strijdig zijn). In artikel 3 (toepassingsbereik) wordt dit toegelicht. Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor het besluitgebied van. Zo is er voor dit plan gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan niet wordt afgeweken van de bruidsschat.

Hoofdstuk 2 - Functies en activiteiten

Conform de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven binnen het besluitgebied. Beoogd is zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan Apeldoorn. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet. Daar waar mogelijk is voorgesorteerd op het nog op te stellen nieuwe, permanente omgevingsplan voor de gemeente Apeldoorn dat op dit moment nog in ontwikkeling is. Hieronder is - indien noodzakelijk - een aanvullende toelichting per functie opgenomen.

Groen

Het structurele en structurerende openbare groen in het besluitgebied heeft de functie Groen. Hier zijn groenvoorzieningen, paden, hondenuitlaatplaatsen, nuts- en speelvoorzieningen toegestaan. Binnen deze functie zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegelaten voor zover deze zijn toegestaan op grond van hoofdstuk 22 van het omgevingsplan.

Verkeer - Verblijfsgebied

De functie Verkeer - Verblijfsgebied is gegeven aan de gebieden die een verblijfsfunctie hebben. Dit betreft de wegen, straten, voet- en fietspaden, bermen en parkeervoorzieningen in de woongebieden.

Water

Het water in het besluitgebied vervult een belangrijke waterhuishoudkundige functie, maar is ook van visuele betekenis. Voor al deze waterpartijen is de functie Water gehanteerd.

Wonen

De functie Wonen is gegeven aan de gebieden waar woningen worden gerealiseerd. Dit geldt zowel voor gestapelde woningen als grondgebonden woningen. Onder het wonen dat op grond van deze functie is toegestaan valt ook zelfstandig wonen met ambulante begeleiding. De goot- en bouwhoogte, alsmede de maximaal te bebouwen oppervlakte met hoofdgebouwen is tevens als 'maatvoering' op de plankaart opgenomen. Binnen de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - gezamenlijke gebruik' is een ontmoetingsruimte voor bewoners toegestaan.

Bijbehorende bouwwerken mogen in principe enkel worden gesitueerd in het achtererfgebied. Er wordt aansluiting gezocht bij hoofdstuk 22 (Bruidsschat) uit het omgevingsplan voor de regeling voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken.

Beroeps- en bedrijfsuitoefening aan huis

Bij recht is het gebruik van een deel van de gebouwen binnen de functies Wonen voor beroepsuitoefening en niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis toegestaan. Daarbij worden enige beperkingen gesteld, waaronder aan de daarvoor te gebruiken oppervlakte, om ervoor te zorgen dat het woonkarakter van de woning het beroeps- of bedrijfsmatige gebruik blijft overheersen. Voor de niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis geldt dat alleen bedrijfsactiviteiten die voorkomen op de Lijst van toegelaten bedrijfsactiviteiten aan huis zijn toegestaan. Voor deze lijst is aansluiting gezocht bij de bedrijven die in de richtafstandenlijst van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (uit 2009) als bedrijven van categorie 1 zijn aangemerkt. Omdat het gaat om activiteiten in een woning op een relatief klein oppervlak is het aantal bedrijfsactiviteiten dat is toegelaten zeer beperkt gehouden.

Beoordelingsregels bouwen hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken zijn in artikel 10 en 11 beoordelingsregels opgenomen. Uitgangspunt is dat een hoofdgebouw uitsluitend is toegestaan binnen een bouwvlak, zoals aangegeven op de plankaart. Dit geldt niet voor de specifieke regelingen die zijn opgenomen voor bijbehorende bouwwerken en bouwwerk, geen gebouw zijnde. Bouwwerken, geen gebouw zijnde zijn buiten het bouwvlak, respectievelijk een aanduiding toegestaan. Verder zijn er maatvoeringen opgenomen in de bouwvlakken, indien noodzakelijk. Het gaat dan bijvoorbeeld om de goot- en bouwhoogten en de maximaal te bebouwen oppervlakten met hoofdgebouwen. Ten aanzien van de bijbehorende bouwwerken zijn de toegestane goot- en bouwhoogte in de regels opgenomen, alsmede de maximale oppervlakte, daar waar nodig.

Bevoegd gezag

Waar in de regels van dit hoofdstuk 22e de bevoegdheid in het leven is geroepen om af te wijken van de regels, is die bevoegdheid toebedeeld aan het bevoegd gezag. Over het algemeen zal dat bevoegd gezag het college van burgemeester en wethouders zijn.

Hoofdstuk 3: Algemene regels

In dit hoofdstuk zijn er algemene regels opgenomen die alleen betrekking hebben op dit TAM-omgevingsplan. Hier zijn bijvoorbeeld opgenomen de algemene bouw- en functieregels, alsmede afwijkingsregels en maatwerkvoorschriften, zoals deze voorheen in de bestemmingsplannen golden. Deze zijn ook opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Apeldoorn.

Voorwaardelijke verplichting - Archeologie

Een deel van het besluitgebied dient alvorens bodemingrepen plaatsmogen vinden archeologisch nader onderzocht te worden aan de hand van een proefsleuvenonderzoek. Hiertoe is reeds een Programma van Eisen opgesteld en goedgekeurd. Er is een verbod opgenomen in de regels om bodemingrepen plaats te laten vinden. Het verbod geldt niet voor regulier onderhoud. Het verbod wordt in feite opgeheven zodra het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd en naar aanleiding hiervan het bevoegd gezag de archeologische waarden in de bodem in voldoende mate heeft vastgesteld.

Voorwaardelijke verplichting - Landschappelijke inrichting

Een deel van het besluitgebied heeft de voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke inrichting. Ter plaatse van deze aanduiding is gebruik van de gronden en bouwwerken en het oprichten van bebouwing ten behoeve van de functies Groen, Water en Wonen uitsluitend toegestaan indien de gronden zijn ingericht en in stand worden gehouden overeenkomstig de in Bijlage 2 landschappelijke inpassing en beplanting.


Hoofdstuk 4: Algemene procedureregeling

In TAM-omgevingsplannen kan overgangsrecht worden opgenomen. In onderhavig TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Ugchelseweg 219 Ugchelen wordt een bestaande functie wegbestemd, waarvoor een andere functie in de plaats komt. Daarom is overgangsrecht opgenomen, zodat de bestaande functies mogen worden voortgezet zolang de nieuwe ontwikkeling nog niet is gerealiseerd.


Bijlagen bij de regels

Bij dit hoofdstuk zijn in totaal 00 bijlagen opgenomen. 00 bijlagen hebben betrekking op de motivering van het wijzigingsbesluit. Er zijn 00 bijlagen bij de regels opgenomen.

Verbeelding

De verbeelding die is opgesteld voor het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Ugchelseweg 219 Ugchelen is opgesteld conform de technische eisen voor bekendmaken en beschikbaar stellen van IMRO2012. Dat betekent dat de verschillende functies in het besluitgebied op de verbeelding als 'enkelbestemming', dan wel 'dubbelbestemming', zijn opgenomen. Maatvoeringsaanduidingen zijn ook als zodanig op de verbeelding opgenomen.

6 Haalbaarheid

6.1 Financiele haalbaarheid

Afdeling 13.6 van de Omgevingswet gaat in over het kostenverhaal bij activiteiten en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Daarin is bepaald dat het niet is toegestaan om aangewezen bouw- of gebruiksactiviteiten te verrichten zonder het kostenverhaal geregeld te hebben. Het kostenverhaal kan daarbij zowel via privaatrechtelijke weg met een overeenkomst als via publiekrechtelijke weg met regels in het omgevingsplan worden vastgelegd.

Het voorliggende plan wordt volledig gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten op 19 oktober 2023 waarin de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemer als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het kostenverhaal voor dit plan verzekerd.

6.2 Maatschappelijke haalbaarheid

Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid.

  • Op 6 december 2023 heeft er een participatieavond plaatsgevonden in het dorpshuis te Ugchelen. Het participatieverslag is als Bijlage 15 verbonden aan deze motivering.
  • De initiatiefnemer beheert een projectwebsite (www.desprengugchelen.nl). Hier kunnen geinteresseerden zich melden om geinformeerd te worden over de voortgang van het project.

Hiermee heeft de initiatiefnemer burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen betrokken bij haar voornemen tot herontwikkeling van de Texoclean locatie aan de Ugchelseweg 219 te Ugchelen.