direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Lichtenvoordsestraatweg 69
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Omgevingsplan Aalten

Dit plan wijzigt het Omgevingsplan gemeente Aalten in die zin dat na hoofdstuk 22 van het 'Omgevingsplan gemeente Aalten' [een hoofdstuk 22c] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan.

De hoofdstukken in dit plan moeten gelezen worden als paragrafen van [hoofdstuk 22c] van het 'Omgevingsplan gemeente Aalten'. In de artikelkop van de artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22c.]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22c.]' gelezen worden.

1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4.

1.3 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat

De regels in afdeling 22.2 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.

1.4 Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-Omgevingsplan woongebied Barlo (hoofdstuk 22c), waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01.

Artikel 2 Begrippen

2.1 Van toepassing verklaring
  • a. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit plan van het omgevingsplan, tenzij daarvan is afgeweken in Artikel 2.
  • b. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in artikel 1 van het bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2015' met identificatienummer NL.IMRO.0197.BP00075-VG04, vastgesteld op 21 maart 2017.
2.2 Aanvullende begrippen

In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit hoofdstuk de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.7 gehanteerd.

2.3 Bodemgevoelige bijbehorende bouwwerken

Bodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

2.4 Plan

Het TAM-omgevingsplan Lichtenvoordsestraatweg 69 (hoofdstuk 22c) met identificatienummer NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01 van de gemeente Aalten.

2.5 TAM-omgevingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

2.6 Locatievlak

Een geometrisch bepaald vlak dat in de regels is aangewezen voor een gebruiksdoel.

2.7 Wonen

Gebruiken van een woning of wooneenheid voor het huisvesten van niet meer dan één huishouden.

Artikel 3 Wijze van meten

In aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van het bepaalde in artikel 22.23 van dit omgevingsplan, gelden de meetbepalingen zoals opgenomen in artikel 2 het bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2015' met identificatienummer NL.IMRO.0197.BP00075-VG04, vastgesteld op 21 maart 2017.

Hoofdstuk 2 Specifieke regels over functies

Artikel 4 Agrarisch met waarden

4.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01 is aangewezen als 'Agrarisch met waarden.

4.2 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als 'Agrarisch met waarden' heeft de volgende functies:

  • c. agrarisch grondgebruik;
  • d. behoud, herstel en ontwikkeling van kleinschalige landschapselementen, zoals bosjes, houtwallen en poelen;
  • e. behoud, herstel en ontwikkeling van hoogteverschillen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - hoogteverschillen';
  • f. watergangen ten behoeve van de waterhuishouding;
  • g. extensieve (dag)recreatie;
  • h. het hobbymatig beweiden van agrarische gronden en/of akker- dan wel tuinbouw, waaronder volkstuinen.
4.3 Gebruiksactiviteiten
4.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 4.2 genoemde functies van de gronden.

4.3.2 Verboden gebruiksactiviteiten

Tot een gebruik, strijdig met deze functie, zoals bedoeld in lid 4.2 wordt in ieder geval gerekend:

  • a. een grondgebonden agrarisch bedrijf;
  • b. een niet grondgebonden agrarische bedrijfsvoering.
4.4 Bouwactiviteiten
4.4.1 Algemeen

Voor het bouwen van bouwwerken geldt het volgende:

  • a. bouwwerken staan ten dienste van de functies genoemd in 4.2;
  • b. er zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.
4.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. uitsluitend de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen worden gebouwd:
    • 1. erf- en terreinafscheidingen

Artikel 5 Groen

5.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01 is aangewezen als 'Groen'.

5.2 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als 'Groen' heeft de volgende functies:

  • a. groenvoorzieningen en bermen;
  • b. voet- en fietspaden;
  • c. speelvoorzieningen;
  • d. parkeervoorzieningen;
  • e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • f. voorzieningen voor de waterhuishouding.
5.3 Gebruiksactiviteiten
5.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 5.2 genoemde functies van de gronden.

5.4 Bouwactiviteiten
5.4.1 Algemeen

Voor het bouwen van bouwwerken geldt het volgende:

  • a. bouwwerken staan ten dienste van de functies genoemd in 5.2;
  • b. er zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.
5.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. uitsluitend de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen worden gebouwd:
    • 1. zitbanken
    • 2. toestellen voor sport en spel;
    • 3. beeldhouwwerken en daarmee gelijk te stellen kunstzinnige elementen;
    • 4. erfafscheidingen en (keer)muren;
    • 5. bouwwerken ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer.
  • b. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2 m bedragen;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder a mag de hoogte van de in lid 5.4.2, sub a onder 2 en 3 genoemde toestellen voor sport en spel en beeldhouwwerken en daarmee gelijk te stellen kunstzinnige elementen niet meer dan 4 m bedragen;
  • d. in afwijking van het bepaalde onder a mag de hoogte van de in lid 5.4.2 sub a onder 5 genoemde bouwwerken ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer niet meer dan 10 m bedragen.
5.5 Vergunningsvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen vergunningsvoorschriften stellen aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.25 van het omgevingsplan, ten behoeve van:

  • a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. een goede woonsituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • f. het behoud van bomen.

Artikel 6 Natuur

6.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01 is aangewezen als 'Natuur'.

6.2 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als 'Natuur' heeft de volgende functies:

  • a. het behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden;
  • b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
6.3 Gebruiksactiviteiten
6.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 6.2 genoemde functies van de gronden.

6.4 Bouwactiviteiten
6.4.1 Algemeen

Op of in de gronden mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd.

6.5 Omgevingsplanactiviteit werken, geen gebouwen zijnde en werkzaamheden
6.5.1 Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op de voor Natuur aangewezen locaties de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het vellen of rooien van gewassen dan wel zodanig handelingen te verrichten die ernstige schade aan de gewassen kunnen veroorzaken;
  • b. het vergraven, afgraven en egaliseren van gronden;
  • c. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen;
  • d. het aanleggen van waterlopen en het vergraven, verruimen en dempen van bestaande waterlopen, poelen en/of kolken.
6.5.2 Weigeringsgrond omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van het werk, geen bouwwerk zijnde of de werkzaamheid dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de natuur- en landschapswaarden en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.

6.5.3 Uitzondering op vereiste omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 6.5.1 is niet vereist voor:

  • a. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, die in overeenstemming zijn met het erfinrichtingsplan, zoals opgenomen in de stedenbouwkundige verkenning in Bijlage 1;
  • b. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, die behoren tot het normale onderhoud en beheer;
  • c. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, die op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.

Artikel 7 Tuin - Gaarde

7.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01 is aangewezen als 'Tuin - Gaarde'.

7.2 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als 'Tuin - Gaarde' heeft de volgende functies:

  • a. tuinen;
  • b. moestuinen;
  • c. boomgaarden;
  • d. akkers;
  • e. weiden;

en daarmee gelijk te stellen doeleinden.

7.3 Gebruiksactiviteiten
7.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 7.2 genoemde functies van de gronden.

7.3.2 Strijdig gebruik

Tot een gebruik, strijdig met deze functie, zoals bedoeld in lid 7.2 wordt in ieder geval gerekend:

  • a. de opslag van mest;
  • b. de opslag van goederen, materiaal en materieel in de openlucht;
  • c. het gebruik als buitenmanege, tennisbaan en zwembad.
7.4 Bouwactiviteiten
7.4.1 Algemeen

Voor het bouwen van bouwwerken geldt het volgende:

  • a. bouwwerken staan ten dienste van de functies genoemd in 7.2;
  • b. er zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde van geringe omvang zoals terreinafscheidingen, voerbakken en waterpompen toegestaan.
7.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van de in lid 7.4.1 sub b genoemde bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen:

  • a. de bouwhoogte mag niet meer dan 2 m bedragen.
7.5 Vergunningsvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen vergunningsvoorschriften stellen aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.25 van het omgevingsplan, ten behoeve van:

  • a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. een goede woonsituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • f. het behoud van bomen.

Artikel 8 Verkeer - Verblijfsgebied

8.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01 is aangewezen als 'Verkeer - Verblijfsgebied'.

8.2 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als 'Verkeer - Verblijfsgebied' heeft de volgende functies:

  • a. wegen met een ondergeschikte verkeersfunctie;
  • b. voet- en fietspaden;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • d. bermen;
  • e. parkeervoorzieningen;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. speelvoorzieningen;
  • h. opstelplaats voor huisvuilcontainers;
  • i. voorzieningen voor de waterhuishouding;
  • j. beeldhouwwerken en daarmee gelijk te stellen kunstzinnige elementen.
8.3 Gebruiksactiviteiten
8.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 8.2 genoemde functies van de gronden.

8.4 Bouwactiviteiten
8.4.1 Algemeen

Voor het bouwen van bouwwerken geldt het volgende:

  • a. bouwwerken staan ten dienste van de functies genoemd in 8.2;
  • b. er zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.
8.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. uitsluitend de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen worden gebouwd:
    • 1. zitbanken;
    • 2. toestellen voor sport en spel;
    • 3. beeldhouwwerken en daarmee gelijk te stellen kunstzinnige elementen;
    • 4. erfafscheidingen en (keer)muren;
    • 5. bouwwerken ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer;
  • b. weg- en waterbouwkundige kunstwerken.
  • c. in afwijking van het bepaalde onder a mag de hoogte van de in lid 8.4.2, sub a onder 2 en 3 genoemde toestellen voor sport en spel en beeldhouwwerken en daarmee gelijk te stellen kunstzinnige elementen niet meer dan 4 m bedragen;
  • d. in afwijking van het bepaalde onder a mag de hoogte van de in lid 8.4.2 sub a onder 5 genoemde bouwwerken ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer niet meer dan 10
8.5 Vergunningsvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen vergunningsvoorschriften stellen aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.25 van het omgevingsplan, ten behoeve van:

  • a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. een goede woonsituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • f. het behoud van bomen.

Artikel 9 Wonen

9.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01 is aangewezen als 'Wonen'.

9.2 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als 'Wonen' heeft de volgende functies:

  • a. wonen;
  • b. aan-huis-gebonden-beroep;
  • c. aan-huis-gebonden-bedrijf;
  • d. bed & breakfast;
  • e. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • f. tuinen en erven;
  • g. parkeer-, speel- en groenvoorzieningen;
  • h. water en voorzieningen voor de waterhuishouding;
  • i. straatmeubilair en nutsvoorzieningen.
9.3 Gebruiksactiviteiten
9.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 9.2 genoemde functies van de gronden.

9.3.2 Strijdig gebruik

Tot een gebruik, strijdig met deze functie, zoals bedoeld in lid 9.2 wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning;
  • b. een gebruik van gronden en bouwwerken voor detailhandel, met uitzondering van detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit in producten die ter plaatse zijn vervaardigd, danwel direct verband houden met een aan huis gebonden beroep of bedrijf;
  • c. opslag, anders dan ten behoeve van woondoeleinden.
9.3.3 Aan-huis-gebonden-beroep en/of een aan-huis-gebonden-bedrijf

Tot een gebruik in overeenstemming met deze functie, zoals bedoeld in 9.2 wordt in ieder geval gerekend het gebruik van ruimten voor een aan-huis-gebonden-beroep en/of een aan-huis-gebonden-bedrijf, waarbij het gezamenlijke vloeroppervlak ten behoeve van het aan-huis-gebonden-beroep of aan-huis-gebonden-bedrijf niet meer dan 50% van de totale vloeroppervlakte van de begane grondbouwlaag van de gebouwen op het betreffende bouwperceel tot een maximum van 50 m2 mag bedragen in verband met het aan huis verbonden beroep of bedrijf geldt dat de parkeerdruk in de omgeving niet onevenredig mag toenemen.

9.3.4 Bewoning bijbehorende bouwwerken

Tot een gebruik in overeenstemming met deze functie, zoals bedoeld in 9.2 wordt in ieder geval gerekend het gebruik van aangebouwde bijbehorende bouwwerken voor (niet-zelfstandige) bewoning voor zover:

  • a. de bijbehorende bouwwerken zijn gelegen op niet meer dan 15 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw c.q. het verlengde daarvan;
  • b. de bijbehorende bouwwerken zijn gelegen op meer dan 15 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw c.q. het verlengde en de woonfunctie slechts op de begane grond plaatsvindt.
9.3.5 Bed & Breakfast

Tot een gebruik in overeenstemming met deze functie, zoals bedoeld in 9.2 wordt in ieder geval gerekend het gebruik van ruimten binnen het hoofdgebouw en/of aangebouwde bijbehorende bouwwerken voor een bed & breakfast, met dien verstande dat ten dienste van deze functie maximaal twee (slaap)kamers voor toeristisch-recreatief nachtverblijf mogen worden gebruikt.

9.4 Bouwactiviteiten
9.4.1 Algemeen
  • a. bouwwerken staan ten dienste van de functies genoemd in 9.2;
  • b. er zijn hoofdgebouwen in de vorm van woningen, aangebouwde bijbehorende bouwwerken met woonfunctie, bijbehorende bouwwerken, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, overkappingen en kelders toegestaan;
  • c. ter plaatse van de aanduiding:
    • 1. 'aaneengebouwd' moeten woningen als rijwoningen worden gebouwd;
    • 2. 'twee-aaneen' moeten woningen halfvrijstaand worden gebouwd;
    • 3. 'vrijstaand' moeten woningen vrijstaand worden gebouwd.
9.4.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van de in lid 9.4.1 sub b genoemde woningen (i.c. hoofdgebouwen) gelden de volgende bepalingen:

  • a. een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de goothoogte en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven, dan wel de bestaande goot- en bouwhoogte;
  • c. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan in het bouwvlak, ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden', is aangegeven.
9.4.3 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van de in lid 9.4.1 sub b genoemde bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

  • a. een bijbehorend bouwwerk mag zowel binnen als buiten een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a. mogen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - bijbehorende bouwwerken' geen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd;
  • c. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend op minimaal 1 m achter de voorgevel van de woning c.q. het verlengde daarvan worden gebouwd;
  • d. bijbehorende bouwwerken dienen vrijstaand van het hoofdgebouw te worden gebouwd, met een minimale tussenafstand van 2 meter tussen de gevels van het hoofdgebouw en het bijbehorende bouwwerk;
  • e. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij een hoofdgebouw, voor zover deze buiten een bouwvlak worden gebouwd, mag niet meer dan 100 m2 bedragen, met dien verstande dat het bepaalde onder g. in acht wordt genomen en dat ook overkappingen als bedoeld in lid 9.4.4 tot deze oppervlakte worden gerekend;
  • f. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag maximaal 3 m bedragen, de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag maximaal 5 m bedragen;
  • g. de gronden gelegen achter de achtergevel van het hoofdgebouw en buiten het bouwvlak moeten voor tenminste 50% onbebouwd blijven, waarbij overkappingen als bedoeld in artikel 9.4.4 ook worden meegerekend bij de bepaling van het bebouwde oppervlak.
9.4.4 Overkappingen

Voor het bouwen van de in lid 9.4.1 sub b genoemde overkappingen gelden de volgende bepalingen:

  • a. overkappingen mogen uitsluitend buiten het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van een overkapping buiten het bouwvlak mag niet meer dan 3 m bedragen;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte van overkappingen, voor zover deze buiten een bouwvlak worden gebouwd, mag niet meer dan 100 m2 bedragen, met dien verstande dat het bepaalde onder g. in acht wordt genomen en dat ook bijbehorende bouwwerken als bedoeld in lid 9.4.3 tot deze oppervlakte worden gerekend;
  • d. in afwijking van het bepaalde onder a. mogen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - bijbehorende bouwwerken' geen overkappingen worden gebouwd;
  • e. in afwijking van het bepaalde onder a. mogen overkappingen binnen het bouwvlak worden gerealiseerd, met dien verstande dat deze overkappingen binnen het bouwvolume van de woning worden gerealiseerd, waarbij zij geen uitbreiding van het bouwvlak vormen en onder het bestaande dakvlak en eventuele verdieping zijn gelegen;
  • f. in afwijking van het bepaalde onder a. mag een overkapping tevens worden gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - overkapping', met dien verstande dat de bouwhoogte van de overkapping ter plaatse van de aanduiding niet meer dan 7 m bedraagt.
  • g. de gronden gelegen achter de achtergevel van het hoofdgebouw en buiten het bouwvlak moeten voor tenminste 50% onbebouwd blijven, waarbij bijbehorende bouwwerken als bedoeld in artikel 9.4.3 ook worden meegerekend bij de bepaling van het bebouwde oppervlak.
9.4.5 Kelders

Voor het bouwen van de in lid 9.4.1 sub b genoemde kelders gelden de volgende bepalingen:

  • a. kelders mogen uitsluitend onder een hoofdgebouw en ten hoogste 5 m uit de gevels daarvan worden gebouwd;
  • b. de (verticale) diepte van een kelder mag maximaal 3,5 m bedragen.
9.5 Afwijken van de bouwregels
9.5.1 Situering en bouw- en goothoogten van de bijbehorende bouwwerken en overkappingen

Van het bepaalde in 9.4.3 onder c, d en f en van het bepaalde in 9.4.4 onder b ten aanzien van de situering en maatvoering van bijbehorende bouwwerken en overkappingen mag worden afgeweken, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:

  • a. de afwijking is wenselijk vanuit stedenbouwkundig en architectonisch oogpunt;
  • b. de karakteristiek van woning en woonomgeving wordt niet onevenredig aangetast.
9.6 Voorwaardelijke verplichtingen

Het gebruik van gronden en gebouwen overeenkomstig de in artikel 9.2 genoemde functies is in strijd met het omgevingsplan indien:

  • a. de landschappelijke inpassing binnen de functies 'Agrarisch met waarden', 'Natuur', 'Groen' 'Tuin - Gaarde', 'Verkeer - Verblijfsgebied' en 'Wonen' niet is gerealiseerd en in stand wordt gehouden overeenkomstig het opgestelde landschappelijk inpassingsplan, waaronder de aanleg van een grondwal, als bedoeld in Bijlage 1;
  • b. er niet wordt voldaan aan de beeldkwaliteitseisen als bedoeld in Bijlage 1, pagina's 22 t/m 23;
  • c. de bedrijfsgebouwen, uitgezonderd de te handhaven bedrijfswoning met de direct daaraan verbonden gebouwen, en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken op het perceel niet volledig zijn gesloopt/geamoveerd;
  • d. de bodemverontreiniging welke is geconstateerd in het verkennend bodemonderzoek (Bijlage 2) is gesaneerd overeenkomstig een door burgemeester en wethouders te accorderen plan van aanpak, teneinde te kunnen voldoen aan de vereiste bodemkwaliteit met het oog op toegekende functie 'Wonen'.
  • e. met het oog op de waterhuishouding en het voorkomen van wateroverlast, niet zodanige maatregelen zijn genomen/waterberging in het plangebied is gerealiseerd dat aan de normen en uitgangspunten van het waterschap Rijn en IJssel wordt voldaan, te weten:
    • 1. bij een bui van T=100+10%, moet 80 millimeter per m2 water worden geborgen, zodat er geen wateroverlast ontstaat.
  • f. niet wordt voldaan aan de parkeernormen, zoals opgenomen in Bijlage 3 van dit plan, te weten het 'Parapluplan gemeente Aalten' met identificatienummer NL.IMRO.0197.BP00094-VG01.

Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies

Artikel 10 Toepassingsbereik

De regels van dit hoofdstuk zijn van toepassing binnen het plangebied zoals opgenomen in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01.

Artikel 11 Aanvraagvereisten

  • a. de aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat:
    • 1. het bepaalde in artikel 22.274 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit in dit plan; en
    • 2. het bepaalde in 22.276 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in dit plan.
  • b. in aanvulling op het bepaalde onder a worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de beoordelingsregels.

Artikel 12 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 13 Bestaande maatvoering

Het in stand houden van bouwwerken waarvan de maatvoering afwijkt van het bepaalde in dit TAM-omgevingsplan is toegestaan indien de bestaande maatvoering bestond op het moment dat dit artikel in werking is getreden en het bouwwerk is gerealiseerd overeenkomstig een daartoe verleende omgevingsvergunning.

Artikel 14 Algemene gebruiksregels

14.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:

  • a. gebruik als seksinrichting, escortbedrijf, sekswinkel, smartshop en coffeeshop;
  • b. gebruik als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, anders dan als stort- en/of opslagplaats voor normaal gebruik.
14.2 Parkeren
14.2.1 Algemene parkeerregels
  • a. Het is verboden te bouwen dan wel het gebruik van gronden en/of bouwwerken te wijzigen indien er niet wordt voldaan aan de op grond van dit artikel gestelde eisen ten aanzien van parkeren en stallen van voertuigen;
  • b. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
14.2.2 Beleidsregels

Burgemeester en wethouders passen deze parkeerregels toe met inachtneming van de beleidsregels met betrekking tot het parkeren, de beleidsregel parkeernormen gemeente Aalten. De beleidsregel parkeernormen gemeente Aalten is opgenomen in Bijlage 3.

14.2.3 Specifieke parkeerregels bij bouwplannen

Een bouwplan dient te voorzien in voldoende parkeermogelijkheden op de bij het bouwplan behorende en daartoe bestemde gronden. De toename van de parkeerbehoefte wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in de beleidsregels. Indien gedurende de planperiode de beleidsregels wijzigen, dan gelden de gewijzigde regels.

Hierbij geldt ter plaatse van de volgende gebiedsaanduiding de parkeernormen behorende bij het gebied zoals opgenomen in de beleidsregel:

  • 1. 'overige zone - rest bebouwde kom' de parkeernormen voor het gebied 'buitengebied'.
14.2.4 Specifieke parkeerregels bij gebruikswijzigingen

Indien het wijzigen van het gebruik van gronden en/of bouwwerken daartoe aanleiding geeft, moet voor wat betreft de toename in de parkeerbehoefte, in voldoende mate ruimte zijn aangebracht op die gronden of op de bij die bouwwerken behorende en daartoe bestemde gronden. De parkeerbehoefte wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in de beleidsregels. Indien gedurende de planperiode de beleidsregels wijzigen, dan gelden de gewijzigde regels.

Hierbij geldt ter plaatse van de volgende gebiedsaanduiding de parkeernormen behorende bij het gebied zoals opgenomen in de beleidsregel:

  • 1. 'overige zone - rest bebouwde kom' de parkeernormen voor het gebied 'buitengebied'.
14.2.5 Specifieke gebruiksregels

Ruimte voor parkeren en stallen van voertuigen, voor zover de aanwezigheid van deze ruimte(n) krachtens deze parkeerregels wordt geëist, dient te allen tijde voor dit doel beschikbaar te blijven. Ander gebruik wordt aangemerkt als strijdig gebruik.

14.2.6 Afwijken van parkeerregels

Burgemeester en Wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 14.2.1 tot en met 14.2.5. Burgemeester en wethouders nemen hierbij, conform de beleidsregels, in overweging of:

  • a. het voldoen aan de parkeerregels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit;
  • b. er op andere wijze in de benodigde parkeerbehoefte wordt voorzien;
  • c. er een financiële voorwaarde dient te worden gesteld.

Artikel 15 Algemene bouwregels

15.1 Algemene afwijkingsbevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. de in het plan voorschreven maatvoering ten aanzien van goothoogten, bouwhoogten en oppervlakten met ten hoogste 10%;
  • b. geringe afwijkingen in situering, welke in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of welke noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de afwijking van de situering niet meer dan 3 m bedraagt en mits dit binnen de toegekende functiegrenzen plaatsvindt.
15.1.1 Beoordelingsregel

De in lid 15.1 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts worden verleend indien en voorzover:

  • a. hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. dit noodzakelijk is voor de stedenbouwkundige dan wel architectonische inpassing.
15.2 Ondergeschikte bouwdelen
15.2.1 Overschrijding bouw- en bestemmingsgrenzen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, gevel- en kroonlijsten, regenpijpen, stoeptreden, luifels, installaties, balkons en overstekende daken, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.

15.2.2 Overschrijding bouwhoogte

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen is overschrijding van de bouwhoogte toegestaan door ondergeschikte bouwdelen, als gevelversieringen, ventilatiekanalen, installaties, regenpijpen, liftkokers e.d., mits de overschrijding van de maximaal toegestane bouwhoogte niet meer dan 1 m bedraagt.

15.3 Bodemgevoelige bijbehorende bouwwerken

In aanvulling op artikel 22.26 en 22.35 van het omgevingsplan mogen bodemgevoelige bijbehorende bouwwerken niet groter zijn dan 50 m2.

Hoofdstuk 4 Regels ter bescherming van waarden en objecten

Artikel 16 Groene ontwikkelingszone

16.1 Voorrangsbepaling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in Hoofdstuk 2 en Hoofdstuk 3.

16.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01 is aangewezen als 'Groene ontwikkelingszone'.

16.3 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als 'Groene ontwikkelingszone' heeft mede als functie de bescherming en ontwikkeling van landschappelijke en ecologische waarden.

Hoofdstuk 5 Overgangsrecht

Artikel 17 Overgangsrecht

17.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a. een omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a. met maximaal 10%.
  • c. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
  • d. Het overgangsrecht geldt vanaf inwerkingtreding van onderhavig TAM-omgevingsplan voor een duur van vijf jaar.
17.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
  • e. Het overgangsrecht geldt vanaf inwerkingtreding van onderhavig TAM-omgevingsplan voor een duur van vijf jaar.