direct naar inhoud van REGELS
Plan: TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22p Gombertstraat 350, Havezate
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0193.TAMh22p-0004

REGELS

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie 'Gombertstraat 350, Havezate' en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22p) van het omgevingsplan van de gemeente Zwolle. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22p van het omgevingsplan van de gemeente Zwolle. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22p.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22p' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten als bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld onder lid 3, voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g van de Invoeringswet Omgevingswet.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie bedoeld onder lid 3, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk 22p.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk 22p zijn van toepassing op de locatie 'Gombertstraat 350, Havezate', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0193.TAMh22p-0004 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk 22p.

2.2 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk 22p gelden aanvullend op artikel 2, lid 1, de volgende begripsbepalingen:

2.2.1 omgevingsplan

het omgevingsplan van de gemeente Zwolle;

2.2.2 TAM omgevingsplan

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p 'Gombertstraat 350, Havezate';

2.2.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van de functie, het gebied en/of de locatie;

2.2.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding, indien het een vlak betreft;

2.2.5 aanvangshuurprijs

de huurprijs per maand bij de start van de huurovereenkomst;

2.2.6 adviescommissie voor omgevingskwaliteit Zwolle

de adviescommissie overeenkomstig de Verordening op de adviescommissies voor omgevingskwaliteit Zwolle.

2.2.7 andere gezondheidszorggebouwen
  • a. verzorgingstehuizen;
  • b. psychiatrische inrichtingen;
  • c. medische centra;
  • d. poliklinieken;
  • e. medische kleuterdagverblijven;
2.2.8 archeologische waarden

de aan een gebied toegekende waarden, gekenmerkt door het belang voor de archeologie en de kennis van de beschavingsgeschiedenis;

2.2.9 bebouwing

één of meer gebouwen, bijbehorende bouwwerken en/of andere bouwwerken;

2.2.10 bedrijf

het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten;

2.2.11 bedrijf aan huis

een bedrijf, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

2.2.12 bedrijfsgebouw

een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

2.2.13 beroep aan huis

een beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

2.2.14 bijzondere woonvorm

een voorziening voor de huisvesting van personen die niet in staat zijn om zelfstandig te wonen en bij hun normale, dagelijkse functioneren huishoudelijke, sociale, sociaal-medische en/of medische begeleiding en/of verzorging behoeven;

2.2.15 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;

2.2.16 carport

een overdekt bouwwerk dat blijkens zijn aard kennelijk is bestemd voor het stallen van een motorvoertuig;

2.2.17 dagrecreatie

recreatie in de open lucht uitsluitend gedurende een dagperiode op speciaal daarvoor ingerichte terreinen, zoals een wandelbos, wandelpark, strandbad, vis- en zwemvijvers, speel- en ligweide, speelterrein, kinderspeelplaats, dierenpark, volkstuinen of nutstuinen;

2.2.18 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

2.2.19 dienstverlenend bedrijf of dienstverlenende instelling

bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van diensten, waarbij, het publiek rechtstreeks al dan niet via een balie te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder zijn begrepen internetcafés, kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio's en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting;

2.2.20 dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij, het publiek rechtstreeks al dan niet via een balie te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder zijn begrepen internetcafés, kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio's en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting;

2.2.21 eengezinshuis

een gebouw, dat één woning omvat;

2.2.22 eerste bouwlaag

de bouwlaag op de begane grond;

2.2.23 erftoegangsweg

een straat of weg waar de doorgaande functie van het verkeer niet meer primair is en waar aandacht kan worden gegeven aan snelheidsreducerende maatregelen;

2.2.24 geluidluwe gevel

gevel die ten opzichte van de andere gevels van een geluidgevoelig gebouw relatief weinig wordt belast door geluid, zijnde de gevel waar de standaardwaarde per bronsoort niet wordt overschreden;

2.2.25 geluidluw spuien

indien het invallend geluid op het lage spuiraam hoger is dan de standaardwaarde, wordt een akoestisch rooster toegepast met een geluidreductie (Rw;ctr) van mimimaal 5 dB. De afmeting van de opening is bepaald voor een bovengrens van de achterliggende verblijfsruimte van 10 m² voor spuiventilatie;

2.2.26 horeca

de bedrijfssector gericht op het verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het exploiteren van zaalaccommodatie en/of het verstrekken van nachtverblijf, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, evenwel met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie;

2.2.27 horecabedrijf

een bedrijf, waar ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken worden verstrekt, zaalaccommodatie wordt geëxploiteerd en/of waarin nachtverblijf wordt verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, evenwel met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie;

2.2.28 huishouden

een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en een gezamenlijke huishouding voeren;

2.2.29 huishoudinkomen

uitgangspunt is het verzamelinkomen in het berekeningsjaar op basis van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), of wanneer bij betrokkene geen inkomstenbelasting wordt geheven, het belastbare loon volgens de Wet op de loonbelasting 1964;

2.2.30 huurprijs

de prijs die bij huur per maand is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woonruimte, exclusief eventueel bijkomende kosten voor bijvoorbeeld gas, water, elektra, servicekosten en administratiekosten;

2.2.31 ingebruikname

het moment waarop een woning voor het eerst feitelijk in gebruik wordt genomen door bewoning;

2.2.32 inwoning

twee huishoudens die één woning bewonen met gemeenschappelijk gebruik van één of meerdere voorzieningen en (verblijfs)ruimten van die woning en waarbij de woning één hoofdtoegang behoudt en de voorzieningen c.q. (verblijfs)ruimten onderling vrij toegankelijk zijn;

2.2.33 kantoor

een ruimte of complex van ruimten, welke dient voor het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder is begrepen congres- en vergaderaccommodatie;

2.2.34 landschapswaarden

de aan een gebied toegekende waarden, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, dat wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van niet-levende en levende natuur;

2.2.35 meergezinshuis

een gebouw, dat meerdere naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden;

2.2.36 normaal onderhoud

werkzaamheden die regelmatig nodig zijn voor een goed beheer van de gronden en/of bouwwerken;

2.2.37 onderbouw

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat wordt afgedekt door een vloer, waarvan de bovenkant minder dan 1,50 meter boven straatpeil is gelegen;

2.2.38 openbare nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van openbaar nut, zoals gas-, water-, elektriciteits- en communicatievoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de inzameling van afval;

2.2.39 opslag

het bewaren van goederen, materialen en stoffen zonder dat ter plaatse sprake is van productie, bewerking, verwerking, handel en/of activiteiten van administratieve aard;

2.2.40 overig bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang, geen gebouw of bijbehorend bouwwerk zijnde;

2.2.41 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

2.2.42 recreatief medegebruik

een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming, waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan;

2.2.43 ruimtelijke kwaliteit

de kwaliteit gevormd door de evenwichtige samenhang tussen (openbare) ruimte en gebouwde elementen;

2.2.44 seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden;
onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan:
een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

2.2.45 serviceflat

een woning waar zelstandig gewoond wordt en waarbij zorg op afroep en zorg op afspraak beschikbaar is vanuit een (direct nabijgelegen) verpleeghuis, verzorgingshuis of woonzorgcentrum en de bewoner gebruik kan maken van centrale voorzieningen en diensten zoals een recreatieruimte, kapper, een maaltijdservice, medische ondersteuning, enz.;

2.2.46 sociale huurwoning

huurwoningen met een aanvangshuurprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag;

2.2.47 sportieve recreatie

vormen van dagrecreatie met een sportief karakter;

2.2.48 stedenbouwkundig beeld

het beeld dat wordt opgeroepen door het samengaan van gebouwde elementen, beplantingselementen en onbebouwde ruimten;

2.2.49 straatpeil
  • voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil);
  • voor overige bouwwerken die geen hoofdtoegang hebben, de hoogte vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven;
2.2.50 verblijfsrecreatie

recreatie in de open lucht en overnachtingen in tenten, caravans, stacaravans, kampeerauto's of recreatiewoningen op speciaal daarvoor ingerichte terreinen;

2.2.51 voorgevel

de naar de weg toegekeerde gevel;

2.2.52 winkel

een gebouw, dat een ruimte omvat, welke door zijn indeling kennelijk bedoeld is te worden gebruikt voor detailhandel;

2.2.53 woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, waarbij inwoning is toegestaan;

2.2.54 zelfredzame personen

personen die een onveilige zone zelfstandig en zonder hulp kunnen verlaten;

2.2.55 zolder

een gedeelte van een gebouw dat door één of meer schuine dakschilden is afgedekt en waarvan de borstwering niet hoger is dan 1 meter;

2.2.56 zorg op afspraak

vanuit het zorgaanbod georganiseerde koppeling tussen wonen en zorg voor professionele zorgverlening aan de bewoners op afspraak, niet zijnde 24-uurs zorg;

2.2.57 zorg op afroep

vanuit het zorgaanbod georganiseerde koppeling tussen wonen en zorg voor professionele zorgverlening aan de bewoners op afroep, niet zijnde 24-uurs zorg;

24-uurs zorg:

vanuit het zorgaanbod georganiseerde koppeling tussen wonen en zorg voor professionele zorgverlening aan de bewoners gedurende 24 uur per dag.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

3.1 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

3.2 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen als bedoeld in artikel, 3, lid 5;

3.3 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren en/of, bij het ontbreken van één of meerdere gevelvlakken, de buitenwerkse maar, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

3.4 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, dan wel tussen het maaiveld bij het ontbreken van een begane grondvloer, de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren en/of, bij het ontbreken van één of meer gevelvlakken, de buitenwerkse maat, en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

3.5 ondergeschikte bouwdelen die buiten beschouwing gelaten moeten worden:
  • a. Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, zoals luchtbehandelingsinstallaties, ventilatiekanalen, schoorstenen, antennes en gevel- en kroonlijsten, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van de maximale toegestane hoogte niet meer dan 1,30 meter bedraagt;
  • b. Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden erkers, balkons en luifels buiten beschouwing gelaten, mits:
    • 1. de overschrijding van de aanduidingsgrens niet meer dan 1,30 meter bedraagt;
    • 2. een erker niet breder is dan 3/5 deel van de betreffende gevel, en gericht naar het openbaar toegankelijk gebied en maximaal één bouwlaag betreft;
  • c. Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen blijven uitstekende delen van ondergeschikte aard, zoals plinten, dorpels, kozijnen, gevelversieringen en overstekende dakgoten tot ten hoogste 0,5 meter buiten beschouwing.

Hoofdstuk 2 Algemeen

Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te (laten) gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.

Artikel 5 Anti-dubbelteltregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Hoofdstuk 3 Functies

Artikel 6 Groen

6.1 Toegelaten gebruiksactiviteiten (functieomschrijving)

In het gebied met de aanduiding 'overige zone - functie Groen' zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. Het gebruiken van gronden voor groenvoorzieningen;
  • b. Het gebruiken van gronden voor voetpaden;
  • c. Het gebruiken van gronden voor waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • d. Het gebruiken van gronden voor recreatief medegebruik;
  • e. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor voorzieningen behorende bij de onder sub a. tot en met d benoemde activiteiten danwel behorende bij de activiteiten genoemd onder artikel 7, lid 1, en arrtikel 9, lid 1, zoals: speel- en sportvoorzieningen, wadi's, voorzieningen gericht op biodiversiteit en natuurinclusiviteit, kunstobjecten, geluidwerende voorzieningen, infrastructurele voorzieningen en nutsvoorzieningen.

Artikel 7 Maatschappelijke voorzieningen

7.1 Toegelaten gebruiksactiviteiten (functieomschrijving)

In het gebied met de aanduiding 'overige zone - functie Maatschappelijke voorzieningen' zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor maatschappelijke voorzieningen, zoals educatieve, medische, sociale ,sociaal-medische, culturele, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening;
  • b. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor bijzondere woonvormen;
  • c. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor voorzieningen behorende bij de onder sub a. en b. benoemde activiteiten en/of de activiteiten genoemd onder artikel 9, lid 1, zoals: wegen en paden, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, infrastructurele voorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, wadi's, voorzieningen gericht op biodiversiteit en natuurinclusiviteit, kunstobjecten, geluidwerende voorzieningen, tuinen en erven.
7.2 Bijbehorende gebruiksactiviteiten

In het gebied met de aanduiding 'overige zone - functie Maatschappelijke voorzieningen' zijn de volgende bijbehorende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor dienstverlening, detailhandel en horeca, mits ondergeschikt aan en uitsluitend ten dienste van de activiteiten genoemd onder artikel 7, lid 1, sub a en b en de activiteiten genoemd onder artikel 9, lid 1, sub a en c;
  • b. De onder artikel 7. lid 1, sub a benoemde gebruiksactiviteit mag tevens ten dienste staan van de onder artikel 9, lid 1, sub a en c genoemde gebruiksactiviteiten.

Artikel 8 Maatschappelijk - Onderwijs

8.1 Toegelaten gebruiksactiviteiten (functieomschrijving)

In het gebied met de aanduiding 'overige zone - functie Maatschappelijk - onderwijs' zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. Het gebruiken van gronden voor onderwijsvoorzieningen;
  • b. Het gebruiken van gronden voor voorzieningen behorende bij de onder sub a. benoemde activiteiten, zoals speelvoorzieningen, wadi's, groen, voorzieningen gericht op biodiversiteit en natuurinclusiviteit, kunstobjecten, geluidwerende voorzieningen, infrastructurele voorzieningen en nutsvoorzieningen.

Artikel 9 Wonen - Meergezinshuizen

9.1 Toegelaten gebruiksactiviteiten (functieomschrijving)

In het gebied met de aanduiding 'overige zone - functie Wonen - Meergezinshuizen' zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor meergezinshuizen, uitsluitend in de vorm van serviceflats en mits het huisvesting van zelfredzame personen betreft;
  • b. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor multifunctionele en gemeenschappelijke ruimten behorende bij het bepaalde onder sub a;
  • c. Het gebruiken van gronden en bebouwing, in afwijking van het bepaalde onder sub a, voor maximaal vier woningen, niet zijnde serviceflats;
  • d. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor voorzieningen behorende bij de onder sub a tot en met c benoemde activiteiten en/of de activiteiten genoemd onder artikel 7, lid 1, onder sub a en b, zoals: wegen en paden, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, infrastructurele voorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, wadi's, voorzieningen gericht op biodiversiteit en natuurinclusieviteit, kunstobjecten, geluidwerende voorzieningen, tuinen en erven.
9.2 Bijbehorende gebruiksactiviteiten

In het gebied met de aanduiding 'overige zone - functie Wonen - Meergezinshuizen' zijn de volgende bijbehorende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. Het gebruiken van gronden en bebouwing voor maatschappelijke voorzieningen, mits ondergeschikt aan en uitsluitend ten dienste van de activiteiten genoemd onder artikel 9, lid 1, sub a en c en de activiteiten genoemd onder artikel 7, lid 1, sub a en b.
9.3 Specifieke functieregels - maximum aantal woningen

In het gebied met de aanduiding 'overige zone – specifieke functieregels – maximum aantal woningen' gelden de volgende specifieke regels:

  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – specifieke functieregels – maximum aantal woningen' geldt als maximum aantal woningen de daar bepaalde norm in aantallen.
9.4 Specifieke functieregels - woningcategorie

In het gebied met de aanduiding 'overige zone – specifieke functieregels – woningcategorie' gelden de volgende specifieke regels:

  • a. Van het totaal aantal toegestane woningen, zoals aangegeven onder artikel 9, lid 3, moeten er minimaal 258 onder de categorie sociale huurwoningen vallen;
  • b. Het gebruik van de onder sub a bedoelde woningen als sociale huurwoningen, dient in stand te blijven voor de doelgroep, gedurende een termijn van 25 jaar na ingebruikname voor sociale huurwoningen;
  • c. De doelgroep voor sociale huurwoningen bestaat uit huishoudens met een huishoudinkomen tot maximaal de hoge inkomensgrens uit het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015.
9.5 Verboden gebruiksactiviteiten

Tot een strijdig gebruik als bedoeld in artikel 4 wordt binnen de functie Wonen-Meergezinshuizen in ieder geval gerekend:

  • a. Het gebruik van vrijstaande gebouwen buiten de aanduiding 'overige zone - regels over bovengronds bouwen - bouwvlak' als zelfstandige woning;
  • b. het gebruik van bebouwing als zeer kwetsbaar gebouw;
  • c. Het verhuren of anderszins beschikbaar stellen van woonruimte aan derden ten behoeve van de uitoefening van een beroep hoe gering ook van omvang tenzij een afwijkend gebruik is toegestaan;
  • d. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  • e. Het gebruik van onbebouwde gronden als opslagplaats anders dan voor opslag ten behoeve van normaal tuinonderhoud;
  • f. Het gebruik van onbebouwde gronden als stallingsplaats of standplaats van kampeermiddelen.

Hoofdstuk 4 Algemene regels over activiteiten

Artikel 10 Bouwactiviteiten

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk gelden de volgende beoordelingsregels:

10.1 Aanvullende beoordelingsregels voor bouwen binnen bouwvlakken
  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regels over bovengronds bouwen – bouwvlak' zijn hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken toegestaan.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regels over bovengronds bouwen - maximale bouwhoogte' geldt als maximum bouwhoogte van een hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken de daar bepaalde norm in meters.
10.2 Aanvullende beoordelingsregels voor bouwen buiten bouwvlakken
  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regels over bovengronds bouwen – bijbehorende bouwwerken' zijn geen hoofdgebouwen toegestaan.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regels over bovengronds bouwen – bijbehorende bouwwerken' zijn bijbehorende bouwwerken toegestaan. De maximum bouwhoogte van een bijbehorende bouwwerk bedraagt 3 meter. Het maximale oppervlak aan bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de aanduiding bedraagt 100 m2.
10.3 Aanvullende beoordelingsregels overige bouwwerken
  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regels over bovengronds bouwen - overige bouwwerken' zijn overige bouwwerken toegestaan.
  • b. De bouwhoogte van erf- of perceelafscheidingen mag niet meer dan 1 meter bedragen, maar de bouwhoogte van erf- of perceelafscheidingen mag niet meer dan 2 meter bedragen, indien:
  • 1. op het erf of perceel al een gebouw staat, waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat;
  • 2. gebouwd wordt achter de naar de weg toegekeerde gevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, niet genoemd onder sub b, mag niet meer dan 10 meter bedragen.
10.4 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten

In afwijking van de beoordelingsregels voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in dit hoofdstuk 22p, kan een omgevingsvergunning toch worden verleend, uitsluitend voor zover het een afwijking betreft van:

  • a. het bepaalde ten aanzien van de maximum bouwhoogte van gebouwen, om toe te staan dat de bouwhoogte van de gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen van bouwdelen die niet van ondergeschikte aard zijn, als liftkokers, trappenhuizen, en lichtkappen, wordt vergroot, mits:
  • 1. de oppervlakte van de vergroting niet meer dan 50 m² bedraagt;
  • 2. de bouwhoogte niet meer dan 1,25 maal de maximum bouwhoogte van het betreffende gebouw bedraagt;
  • b. de aanduidingsgrenzen, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  • c. de aanduidingsgrenzen, ten behoeve van balkons, mits de overschrijding niet meer dan 3 meter bedraagt;
  • d. afwijken, zoals bedoeld onder sub a en sub b, kan uitsluitend onder de voorwaarde dat deze past binnen het stedenbouwkundige beeld dat met het plan wordt beoogd en er geen onevenredige hinder ontstaat voor de omgeving.

Artikel 11 Activiteit uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren;
  • 2. Het verbod, zoals bedoeld in artikel 11, lid 1, geldt uitsluitend voor zover de activiteit werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, van toepassing is verklaard in hoofdstuk 5.

Hoofdstuk 5 Thema's

Artikel 12 Erfgoed - gebieden met archeologische (verwachtings)waarde

12.1 Toepassingsbereik

In het gebied met de aanduiding 'overige zone - thema erfgoed - gebieden met archeologische (verwachtings)waarde' gelden de regels uit dit artikel bij:

  • a. een omgevingsplanactiviteit bouwwerken,
  • b. een omgevingsplanactiviteit uitvoeren werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden,

voor zover, door die activiteit(en), de bodem op een grotere diepte dan 0,5 meter en over een grotere oppervlakte dan 100 m² zal kunnen worden verstoord.

12.2 Oogmerk

De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.

12.3 Beoordelingsregels archeologie
  • a. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en/of een omgevingsvergunning uitvoeren werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, zoals aangegeven in artikel 12, lid 1, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend, indien de archeologische waarden van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld.
12.4 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 12, lid 1 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.
  • b. het verstrekken van een rapport, als bedoeld onder sub a, is niet vereist indien dat, in het belang van de archeologische monumentenzorg, niet noodzakelijk wordt geacht door het bevoegd gezag.
12.5 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. De verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. De verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Artikel 13 Omgevingskwaliteit - Beeldkwaliteit bouwwerken

13.1 Toepassingsbereik
  • a. het gebied met de aanduiding 'overige zone - thema omgevingskwaliteit - beeldkwaliteit bouwwerken' gelden de regels uit dit artikel bij een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, waarvoor een omgevingsvergunning is vereist;
  • b. Het bepaalde in afdeling 22.2 artikel 22.7 en artikel 22.29, lid 1, onder b, is niet van toepassing in het gebied met de aanduiding 'overige zone - thema omgevingskwaliteit - beeldkwaliteit bouwwerken'.
13.2 Oogmerk

De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op het bereiken van een voldoende kwaliteit van het uiterlijk van bouwwerken.

13.3 Beoordelingsregels uiterlijk van bouwwerken
  • a. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit, zoals aangegeven in artikel 13, lid 1, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend onder de voorwaarde dat het uiterlijk van het bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van beeldkwaliteit, beoordeeld volgens de criteria zoals opgenomen in de van dit hoofdstuk 22p deel uitmakende Bijlage 1 Beeldkwaliteit bouwwerken (artikel 13);
  • b. De beoordelingsregel onder sub a is niet van toepassing bij een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is;
  • c. De beoordelingsregel onder sub a is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van de criteria zoals opgenomen in de van dit hoofdstuk 22p deel uitmakende Bijlage 1 Beeldkwaliteit bouwwerken (artikel 13) toch moet worden verleend.
13.4 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, zoals aangegeven in afdeling 22.2 artikel 22.35 onder i, zijn van overeenkomstige toepassing op dit hoofdstuk 22p, bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk, welke beoordeeld wordt volgens de criteria zoals opgenomen in de van dit hoofdstuk 22p deel uitmakende Bijlage 1 Beeldkwaliteit bouwwerken (artikel 13).

13.5 Advies

Een aanvraag om of een ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk wordt voor advies voorgelegd aan de Adviescommissie voor omgevingskwaliteit Zwolle.

13.6 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning kunnen in het belang van het bereiken en in stand houden van een voldoende kwaliteit van het uiterlijk van bouwwerken voorschriften worden verbonden.

13.7 Repressieve beeldkwaliteit
  • a. Het uiterlijk van een een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van beeldkwaliteit, beoordeeld volgens de criteria zoals opgenomen in de van dit hoofdstuk 22p deel uitmakende Bijlage 1 Beeldkwaliteit bouwwerken (artikel 13);
  • b. Indien niet wordt voldaan aan het bepaalde onder sub a, kan het college van burgemeester en wethouders, degene die als eigenaar van een bouwwerk dan wel uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen daaraan, met een maatwerkvoorschrift verplichten tot het binnen een door hem te bepalen termijn treffen van zodanige door hem daarbij aan te geven voorzieningen, dat nadien wordt voldaan aan het bepaalde onder sub a.

Artikel 14 Mobiliteit - Parkeren

14.1 Toepassingsbereik

In het gebied met de aanduiding 'overige zone - thema mobiliteit - regels over parkeren' gelden de regels uit dit artikel bij:

  • a. een omgevingsplanactiviteit bouwwerken;
  • b. een omgevingsplanactiviteit afwijken gebruiksactiviteit.
14.2 Oogmerk

De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op het beschermen van de omgevingskwaliteit en het voorkomen of beperken van parkeerhinder.

14.3 Beoordelingsregels

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en/of een omgevingsvergunning activiteit afwijken gebruik, zoals aangegeven in artikel 14, lid 1, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend onder de voorwaarde dat:

  • a. is verzekerd, dat op eigen terrein, dat bij dat bouwwerk of terrein waarvoor vergunning wordt verleend hoort, wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen. Daarbij moet worden voldaan worden aan de parkeeropgave, zoals neergelegd in de “Regeling Parkeernormen Zwolle” (23 juli 2024). Indien deze regeling wordt gewijzigd, moet rekening worden gehouden met deze wijziging;
  • b. de onder sub a bedoelde plaatsen voor het parkeren van motorvoertuigen afmetingen hebben die afgestemd zijn op gangbare motorvoertuigen, zoals neergelegd in de “Regeling Parkeernormen Zwolle” (23 juli 2024). Indien deze regeling wordt gewijzigd, moet rekening worden gehouden met deze wijziging.
14.4 Specifieke beoordelingsregels parkeren

In afwijking van de beoordelingsregels, zoals aangegeven in artikel 14, lid 3, sub a, kan een omgevingsvergunning toch worden verleend:

  • a. voor zover op andere wijze in de nodige parkeergelegenheid wordt voorzien;
  • b. voor zover door een maatregel geen of minder dan de nodige parkeergelegenheid noodzakelijk is;
  • c. voor zover het voldoen aan die regels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.

Bij de toepassing van deze afwijking wordt rekening gehouden met de afwijkingsvoorwaarden, zoals deze zijn neergelegd in de “Regeling Parkeernormen Zwolle” (23 juli 2024). Indien deze regeling wordt gewijzigd moet rekening worden gehouden met deze wijziging.

14.5 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 14, lid 1, worden, aanvullend op de aanvraagvereisten zoals opgenomen in afdeling 22.2 artikel 22.35, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een beschrijving van de beoogde parkeeroplossing als de aanvraag niet voorziet in parkeren op eigen terrein.
14.6 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning kunnen in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van de omgevingskwaliteit en het voorkomen of beperken van parkeerhinder voorschriften worden verbonden die ertoe strekken dat de toe te passen maatregelen, waarmee aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 14, lid 3 wordt voldaan, worden uitgevoerd en in stand worden gehouden.

Artikel 15 Mobiliteit - Laden en lossen

15.1 Toepassingsbereik

In het gebied met de aanduiding 'overige zone - thema mobiliteit - regels overladen en lossen' gelden de regels uit dit artikel bij:

  • a. een omgevingsplanactiviteit bouwwerken;
  • b. een omgevingsplanactiviteit afwijken gebruiksactiviteit.
15.2 Oogmerk

De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op het beschermen van de omgevingskwaliteit en het voorkomen of beperken van hinder ten gevolge van laden en lossen.

15.3 Beoordelingsregels

Indien de functie van een bouwwerk of een terrein aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen moet, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit en/of een omgevingsvergunning voor een activiteit afwijken gebruik, zoals aangegeven in artikel 15, lid 1, zijn verzekerd, dat op eigen terrein wordt voorzien in voldoende ruimte voor het laden en lossen. Daarbij moet worden voldaan worden aan het bepaalde in de “Regeling Parkeernormen Zwolle” (23 juli 2024). Indien deze regeling wordt gewijzigd, moet rekening worden gehouden met deze wijziging.

15.4 Specifieke beoordelingsregels laden en lossen

In afwijking van de beoordelingsregels, zoals aangegeven in artikel 15, lid 3, kan een omgevingsvergunning toch worden verleend:

  • a. voor zover op andere wijze in de nodige laad- of losruimte wordt voorzien;
  • b. voor zover door een maatregel geen of minder dan de nodige laad- of losruimte noodzakelijk is;
  • c. voor zover het voldoen aan die regels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.

Bij de toepassing van deze afwijking wordt rekening gehouden met de afwijkingsvoorwaarden, zoals deze zijn neergelegd in de “Regeling Parkeernormen Zwolle” (23 juli 2024). Indien deze regeling wordt gewijzigd moet rekening worden gehouden met deze wijziging.

15.5 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning kunnen in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van de omgevingskwaliteit en het voorkomen of beperken van hinder tengevolge van laden en lossen voorschriften worden verbonden die ertoe strekken dat de toe te passen maatregelen, waarmee aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 15, lid 3, wordt voldaan, worden uitgevoerd en in stand worden gehouden.

Artikel 16 Milieu - geluid bij wegen

16.1 Toepassingsbereik

In het gebied met de aanduiding 'overige zone - thema milieu - geluid bij wegen' gelden de regels uit dit artikel bij:

  • a. een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, voor zover het gaat om een geluidgevoelig gebouw.
16.2 Oogmerk

De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en het milieu en in het bijzonder op het voorkomen of beperken van geluidhinder.

16.3 Beoordelingsregels
  • a. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit, zoals aangegeven in artikel 16, lid 1, wordt de omgevingsvergunning verleend onder de voorwaarde dat het geluid van een weg op de gevels van de te bouwen geluidgevoelige gebouwen niet meer bedraagt dan de standaardwaarde, bedoeld in de onderstaande tabel:

Geluidbronsoort   Standaardwaarde  
Provinciale wegen
Rijkwegen  
50 Lden

 
Gemeentewegen
Waterschapswegen  
53 Lden  

  • b. Als het geluid van een weg op gevels van de te bouwen geluidgevoelige gebouwen meer bedraagt dan de standaardwaarde, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend onder de voorwaarde dat:
  • 1. de betreffende woningen ieder minimaal één geluidluwe gevel hebben, en
  • 2. bij woningen met buitenruimte(n), minimaal één buitenruimte aan de minst geluidbelaste gevel van de woning ligt;
  • c. Het geluid van een weg op gevels van de te bouwen geluidgevoelige gebouwen mag niet meer bedragen dan de grenswaarde, bedoeld in de onderstaande tabel:

Geluidbronsoort   Standaardwaarde  
Provinciale wegen
Rijkwegen  
60 Lden  
Gemeentewegen
Waterschapswegen  
70 Lden  

  • d. Bij een omgevingsvergunning kan door het bevoegd gezag worden afgeweken van het bepaalde in sub b door een akoestisch gelijkwaardige maatregel te treffen. Met de gelijkwaardige maatregel moet ten minste hetzelfde resultaat worden bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.
16.4 Specifieke beoordelingsregels geluid
  • a. In afwijking van de beoordelingsregels, zoals aangegeven in artikel 16, lid 3, sub b, onder 1, kan een omgevingsvergunning toch worden verleend, onder de voorwaarde dat bij één geluidgevoelige ruimte geluidluw kan worden gespuid;
  • b. In afwijking van de beoordelingsregels, zoals aangegeven in artikel 16, lid 3, sub b, onder 2, kan een omgevingsvergunning toch worden verleend, onder de voorwaarde dat de buitenruimte wordt uitgevoerd als een inpandige loggia met een geluidabsorberend plafond met een absorptiewaarde van afbeelding "i_NL.IMRO.0193.TAMh22p-0004_0001.png" en een gesloten borstwering met een hoogte van ten minste 1,2 m ten opzichte van de verdiepingsvloer;
  • c. In afwijking van de beoordelingsregels, zoals aangegeven in artikel 16, lid 3, sub c, kan, bij maximaal 14 woningen, een omgevingsvergunning toch worden verleend, onder de voorwaarde dat:
  • 1. een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen gerealiseerd wordt bij die gevel(delen) waar de grenswaarde wordt overschreden,
  • 2. voorzieningen worden aangebracht om geluidluw te kunnen spuien, en
  • 3. er minimaal één geluidluwe gevel aanwezig zal zijn.
  • d. De niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen, als bedoeld in sub c, onder 1, betreft de gevel(delen) zoals aangegeven in de van dit hoofdstuk 22p deel uitmakende Bijlage 2 Niet geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen (artikel 16).
  • e. Bij een omgevingsvergunning kan door het bevoegd gezag worden afgeweken van de voorwaarde in sub b, door een akoestisch gelijkwaardige maatregel te treffen. Met de gelijkwaardige maatregel moet ten minste hetzelfde resultaat worden bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.
16.5 Gezamenlijk geluid
  • a. In het gebied met de aanduiding 'overige zone - thema milieu - geluid bij wegen' geldt, als waarde voor het gezamenlijke geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen, 65 Lden.;
  • b. De waarde voor het gezamenlijk geluid, zoals aangegeven onder sub a, geldt uitsluitend daar waar de standaardwaarde wordt overschreden;
  • c. Met een maatwerkvoorschrift kan het college van burgemeester en wethouders afwijken van de waarde onder sub a.
16.6 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 16, lid 1, worden, aanvullend op de aanvraagvereisten zoals opgenomen in afdeling 22.2 artikel 22.35, gegevens en bescheiden verstrekt waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de beoordelingsregels als bedoeld in artikel 16, lid 3 en, voor zover aan de orde, het bepaalde in artikel 16, lid 4 en lid 5.

16.7 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning kunnen in het belang van het voorkomen of beperken van geluidhinder voorschriften worden verbonden. De voorschriften kunnen zich in ieder geval ertoe strekken dat de toe te passen maatregelen als bedoeld in artikel 16, lid 3, en artikel 16, lid 4, worden uitgevoerd en in stand worden gehouden en dat het gezamenlijke geluid opnieuw wordt bepaald.

16.8 Meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid zijn de in de Omgevingsregeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 17 Omgevingsveiligheid

17.1 Toepassingsbereik
  • a. In het gebied met de aanduiding 'overige zone - thema milieu - omgevingsveiligheid - voorschriftengebied explosiegevaar' gelden de regels uit dit artikel, lid 4, bij een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, voor zover het gaat om het bouwen van nieuwe bouwwerken danwel om het vernieuwen na sloop waarbij alleen de oorspronkelijke fundering resteert;
  • b. In het gebied met de aanduiding 'overige zone - thema milieu - omgevingsveiligheid - vluchtroutes' gelden de regels uit dit artikel, met uitzondering van lid 4, bij een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
17.2 Oogmerk

De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en het milieu en in het bijzonder op het waarborgen van de omgevingsveiligheid.

17.3 Beoordelingsregels
  • a. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit, zoals aangegeven in artikel 17, lid 1, sub b, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend onder de voorwaarde dat de bouwactiviteit voorziet in vluchtmogelijkheden van de rijksweg A28 af gericht;
  • b. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a door een gelijkwaardige maatregel te treffen. Met de gelijkwaardige maatregel moet ten minste hetzelfde resultaat worden bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.
17.4 Voorschriftengebied

Het gebied met de aanduiding 'overige zone - thema milieu - omgevingsveiligheid - voorschriftengebied explosiegevaar' betreft een explosievoorschriftengebied.

17.5 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning kunnen in het belang van het waarborgen van de omgevingsveiligheid voorschriften worden verbonden.

Hoofdstuk 6 Overgangsrecht

Artikel 18 Overgangsrecht bouwen en werken

  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van artikel 18, lid 1, een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  • 3. Werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, welke reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, of uitgevoerd kunnen worden krachtens een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden, zijn toegestaan.
  • 4. Artikel 18, lid 1, is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
  • 5. Artikel 18, lid 3, is niet van toepassing op werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, die uitgevoerd worden op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar uitgevoerd worden zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

Artikel 19 Overgangsrecht gebruik

  • 1. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van de functie (of andere gebiedsaanwijzing) als bedoeld in hoofdstuk 3 dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 19, lid 1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld artikel 19, lid 1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Artikel 19, lid 1, is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met dit omgevingsplan voor de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

Artikel 20 Titel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p'.