| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Buitengebied Uelserweg 110 en Voshaarsweg 13 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0183.TAMBUIUEL110VOSH13-VG01 |
Aan de Uelserweg 110 te Mander bevindt zich een woonperceel met een woning, schuur, kapschuur, kippen- en duivenhok. Buiten de woonfunctie is gestart met de bouw van een nieuw duivenhok (bijbehorend bouwwerk). Tijdens een controleronde is geconstateerd dat er geen omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van een nieuw duivenhok. Er is daarom een bouwstop gelegd op de bouw.
Het nieuwe duivenhok is gebouwd op de locatie van het kippenhok. Het kippenhok is iets ten noorden verplaatst. Dit kippenhok is echter in het verleden illegaal gebouwd en dient om deze reden ook te worden gelegaliseerd. Om de bouwstop op te heffen en het duivenhok en kippenhok te legaliseren worden de planologische mogelijkheden aangepast. Naast het bouwen buiten de woonfunctie worden ook de totale toegestane vierkante meters aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken overschreden. Ten behoeve van de vierkante meters wordt het bestaande duivenhok gesloopt. De overige vierkante meters worden middels Schuur voor Schuur gerealiseerd. Hiervoor wordt een landschapsontsierende mestsilo aan de Voshaarsweg 13 te Harbinkhoek gesloopt.
De ontwikkeling kan mogelijk worden gemaakt door middel van het wijzigen van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen. Met een TAM-IMRO omgevingsplan kan het omgevingsplan gewijzigd worden. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken.
Afbeelding 1.1: Weergave van de huidige situatie aan de Uelserweg 110 in Mander (Bron: initiatiefnemer)
Ligging plangebieden
Uelserweg 110 Mander
Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Tubbergen, sectie C, perceelnummer 3388 en 3154. Dit is weergegeven op Afbeelding 1.2.
Afbeelding 1.2: Weergave van de kadastrale percelen (bron: kadastralekaart.com)
Voshaarsweg 13 Harbrinkhoek
Het perceel van de betreffende mestsilo staat kadastraal bekend als gemeente Tubbergen, sectie I, perceelnummer 5820.
Afbeelding 1.3: Voshaarsweg 13, te slopen bebouwing op perceel met rood weergegeven (bron: kadastralekaart.com)
Beoordelingskader
De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan.
Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen.
De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld.
Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen.
Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen.
De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat.
Belangenafweging
De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.
Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen.
Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd.
Het ontwerp-omgevingsplan heeft met ingang van 10 september 2025 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit omgevingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.
Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.
In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg en het participatietraject. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot is in hoofdstuk 7 een toelichting op de planregels opgenomen.
Aan de Uelserweg 110 te Mander is sprake van een woonerf met enkele bijbehorende bouwwerken. In de huidige situatie is sprake van een erf met een woning, schuur, kapschuur, kippen- en duivenhok. Tussen de schuur en de Uelserweg is een bos aanwezig. De planlocatie ligt in een matenlandschap, oorspronkelijk te herkennen aan natte omstandigheden en beplanting in mozaïek structuren. Over de jaren zijn sinds de jaren '30 van de afgelopen eeuw de beplantingsstructuren grotendeels verdwenen. Tevens is het natte karakter verdwenen door de drooglegging voor landbouwkundig gebruik. Vanaf 1955 is een deel in gebruik genomen als woonerf langs agrarisch grondgebied. De oorspronkelijke gebouwen zijn verdwenen, hiervoor zijn nieuwe gebouwen voor in de plaats gekomen. In afbeelding 2.1 is een recente luchtfoto opgenomen van de planlocatie aan de Uelserweg 110 te Mander.
Afbeelding 2.1: recente luchtfoto planlocatie Uelserweg (bron: PDOK.nl)
Om de benodigde meters voor bijbehorende bouwwerken te verkrijgen wordt er een mestsilo gesloopt aan de Voshaarsweg 13 in Harbrinkhoek. Deze is omcirkeld in onderstaande afbeelding 2.2 en weergegeven op afbeelding 2.3. Het object heeft een oppervlakte van 180 m2.
Afbeelding 2.2: recente luchtfoto slooplocatie, te slopen mestsilo in rood (bron: PDOK.nl)
Afbeelding 2.3: Foto's van het te slopen bouwwerk
Aan de Uelserweg 110 hebben de initiatiefnemers de wensen om de bestaande vierkante meters aan bijbeborende bouwwerken te vergroten. Er is een bijbehorend bouwwerk daarvoor in aanbouw en de toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken wordt daardoor overschreden. Voor het planologisch-juridisch vastleggen van deze ontwikkeling moet gebruik worden gemaakt van de regeling: het uitbreiden van vrijstaande bijbehorende bouwwerken uit het beleid 'Buitengebied met Kwaliteit'. Dit is mogelijk in ruil voor de sloop van landschapsontsierende bebouwing. De benodigde sloopmeters worden verkregen door middel van het slopen van een mestsilo aan de Voshaarsweg 13 in Harbrinkhoek, deze mestsilo heeft 180 m2.
Erfsituatie Uelserweg 110 Mander
Onderstaand is een weergave van de toekomstige erfsituatie zichtbaar. Hierop is het nieuw te bouwen duivenhok (E) en het te verplaatsen kippenhok (F) zichtbaar. Zoals reeds is genoemd, wordt landschapsontsierende bebouwing gesloopt, namelijk het oude duivenhok (D). De locatie voor het nieuwe duivenhok is gebaseerd op de ideale aanvliegroute voor de postduiven. Tevens zijn de duiven meer beschermd van roofvogels aan de bosrand. Het betreft dus een logische locatie voor het gebruik als duivenhok.
Afbeelding 2.4: situatietekening gewenste situatie Uelserweg 110 (N+L Landschapsontwerpers)
Op afbeelding 2.5 is de situatietekening van de slooplocatie weergegeven aan de Voshaarweg 13 in Harbrinkhoek. De te slopen mestsilo is hierin aangegeven met E. De overige elementen blijven behouden, aangegeven met A, B, C, D, F, G, H en I.
Afbeelding 2.5: situatietekening slooplocatie Voshaarsweg 13 (N+L Landschapsontwerpers)
Uelserweg 110
De nieuwe erfsituatie wordt ingepast door het gebouw op een passende wijze in het bestaande erfensemble te situeren. Een schets van het beoogde duivenhok is in de volgende Afbeelding 2.6 zichtbaar. Op de schets is te zien dat het nieuw te bouwen duivenhok passend is in het gebied en past bij de bestaande bebouwing in het landschap. Tegelijkertijd wordt het oude duivenhok, de landschapsontsierende bebouwing, gesloopt.
Door de sloop van het voormalige duivenhok en de nieuwbouw van een duivenhok zoals onderstaand is weergegeven is er sprake van een verbeterde ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving.
Afbeelding 2.6: aanzicht nieuwe schuur aan de voorkant en zijkant (bron: initiatiefnemer)
Voshaarsweg 13
De ontwikkeling voorziet in de sloop van een mestsilo, dit is landschapsontsierende bebouwing. Het gebouw is voorgaand weergegeven in afbeelding 2.2 en afbeelding 2.3. Daarmee is er sprake van een verbeterde ruimtelijke uitstraling, de ruimtelijke kwaliteit wordt zo versterkt.
Zoals in de aanleiding aangegeven passen de plannen van initiatiefnemer niet binnen het huidig planologisch kader. De wens is om een duivenhok te legaliseren, welke buiten de bestaande woonfunctie is gerealiseerd. Ook wordt de toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken overschreden. Daarom wordt een te saneren meststilo ingezet vanaf de locatie Voshaarsweg 13 Harbrinkhoek. Zowel op de locatie Voshaarsweg 13 als op de locatie Ueslerweg 110 moet de nieuwe oppervlakte aan gebouwen worden vastgelegd. Tevens wordt op de locatie Uelserweg 110 de woonfunctie zo vormgegeven dat het nieuwe gebouw binnen het woonerf valt. Om deze redenen is een wijziging van het omgevingsplan gewenst.
Het geldend planologisch kader ter plaatse is het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen met de onderdelen 'Tubbergen Buitengebied 2016' en 'Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan' als voornaamste elementen.
Binnen dit plan is het erf voorzien van de aanduiding 'Wonen' en 'Waarde – Archeologie 4'. Tevens is de aanduiding 'overige zone – geen boom- en sierteelt toegestaan' van toepassing. Deze bevatten enkele regels die niet relevant zijn voor de omvang van de ontwikkeling.
Op de locatie van het (toekomstige) duivenhok is de aanduiding 'Agrarisch - 1' van toepassing. Het planvoornemen om ter plaatse een gebouw te realiseren is op basis van de huidige planregels niet toegestaan. Tevens geldt dat binnen het woonvlak geen extra mogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken zijn. Er is hierbij geen omgevingsplanactiviteit binnen het geldend kader die het voornemen alsnog mogelijk kan maken. Het aanvragen van een wijziging van het omgevingsplan is daarvoor noodzakelijk.
Afbeelding 3.1: uitsnede verbeelding vanuit het omgevingsplan van rechtswege, Uelserweg 110 (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Voor de slooplocatie aan de Voshaarsweg 13 geldt hetzelfde planologisch kader. Op de locatie van de mestsilo is de functie 'Agrarisch - 1' van toepassing. Daarnaast is de locatie voorzien van de gebiedsaanwijzingen 'Leiding - Hoogspanningsverbinding', 'Waarde - Archeologie 3', 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied' en is er een bouwvlak aanwezig. In de toekomstige situatie blijft de agrarische functie behouden, er komt enkel een maximale oppervlakte voor de bijgebouwen in de nieuwe situatie.
Afbeelding 3.2: uitsnede verbeelding vanuit het omgevingsplan van rechtswege, Voshaarsweg 13 (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De bruidsschat bevatten regels over onderwerpen die tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet in nationale regelgeving waren opgenomen (door het Rijk opgestelde regels). Onder de Omgevingswet worden deze door gemeenten geregeld. De bruidsschat maakt onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De bruidsschat bevat regels op het gebied van bouwen, milieubelastende activiteiten en overige activiteiten en is opgenomen in hoofdstuk 22 van de regels van het omgevingsplan. Het grootste gedeelte van deze regels is gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit geldt bijvoorbeeld voor milieuregels (zoals regels over geurnormen en de afstand tot een geurgevoelig object). Voor dat deel van de regels geldt dat het mogelijk is om van het omgevingsplan af te wijken.
De bruidsschat bestaat uit de volgende onderdelen:
De regels van afdeling 22.2 zijn relevant voor onderhavig initiatief omdat deze betrekking hebben op het bouwen van bouwwerken. Met de in dit TAM-omgevingsplan opgestelde regels wordt aan de regels voldaan.
Voor zover sprake is van gemeentelijke verordeningen in het Omgevingsplan van rechtswege wordt aan deze verordeningen getoetst in Hoofdstuk 5 van deze onderbouwing.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Beoordeling van het plan:
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een sloop op de locatie Voshaarsweg en nieuwbouw van een schuur aan de Uelserweg, beide locaties in het buitengebied van de gemeente Tubbergen. De kleine omvang van de ontwikkeling betreft een functiewijziging naar wonen, maar bestaat niet uit een grootschalige uitbreiding. De ontwikkeling voorziet in een beperkte fysieke wijziging, waardoor er vanuit de NOVI geen belemmeringen zijn.
Provinciale omgevingsvisie
De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.
Provinciale omgevingsverordening
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt.
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht
Generieke beleidskeuzes (OF)
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel 2024.
Ontwikkelingsperspectieven (WAAR)
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken (HOE)
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Afbeelding 4.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (bron: Provincie Overijssel)
Doorwerking plan:
In voorliggende geval zijn in het kader van de generieke beleidskeuzes de volgende artikelen relevant:
Onderstaand worden de beleidskeuzes benoemd en beoordeeld op welke wijze in het plan hiermee rekening is gehouden.
Artikel 4.5: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (lid 1)
lid 1
Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:
Beoordeling van het plan:
Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een bijbehorend bouwwerk (duivenhok) gelegen buiten de grenzen van de huidige woonfunctie. De positie van het gerealiseerde gebouw is kwalitatief overwogen, waarbij het rekening houdt met de bestaande groenstructuren. Daarnaast is de locatie van het duivenhok mede bepaald door de aanvliegroute van de postduiven vanuit het zuiden. Het duivenhok grenst aan het bestaande bosschage. Dit is bewust gekozen aangezien de bosschage als beschutting fungeert tegen roofvogels.
Het kippenhok wordt verplaatst zodat het dichter op de bestaande bebouwing komt, waarmee de erfgedachte wordt versterkt. Het oorspronkelijke duivenhok is landschapsontsierende bebouwing, die met de ontwikkeling wordt gesloopt. Hiervoor in de plaats komt een gebouw passend in de uitstraling van het erf. Er is hiermee sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik passend binnen dit artikel van de omgevingsverordening. Geconcludeerd wordt dat de in dit plan besloten ontwikkeling voldoet aan dit artikel van de Omgevingsverordening.
Artikel 4.9: onderbouwing ruimtelijke kwaliteit
Lid 1
Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin:
Beoordeling van het plan:
Zoals blijkt uit de beschrijving in hoofdstuk 2 in combinatie met de verantwoording in dit hoofdstuk worden de erven landschappelijk ingepast conform de ter plaatse geldende gebiedskenmerken (zie verderop in deze paragraaf). Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit plan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met dit artikel.
Artikel 4.55: Nationaal landschap Noordoost-Twente
Lid 1
Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen het Nationaal Landschap Noordoost-Twente als die nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap.
Lid 2
De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn:
Lid 3
Het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat rekening is gehouden met het Ontwikkelperspectief Nationaal Landschap Noordoost-Twente en met bijlage IX van deze verordening (Nader uitgewerkte kernkwaliteiten Nationaal Landschap Noordoost-Twente) waarin de kernkwaliteiten nader zijn uitgewerkt.
Beoordeling van het plan:
De plannen van de eigenaren doen geen afbreuk aan de kernkwaliteiten van het Nationaal landschap Noordoost-Twente. Er wordt voldaan aan de randvoorwaarden voor ruimtelijke kwaliteit, daarmee wordt de ruimtelijke kwaliteit ook behouden met de realisatie van een passend duivenhok en het slopen van landschapsontsierende bebouwing. Hiermee wordt een versterking bewerkstelligd van de kernkwaliteiten.
Ontwikkelingsperspectieven (waar)
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst. Voor het voorliggende plan is het volgende ontwikkelingsperspectief voor de locatie van toepassing.
Uelserweg 110, Mander
Afbeelding 4.2: kaart ontwikkelingsperspectieven, planlocatie rood aangeduid (bron: provincie Overijssel)
Het plangebied aan de Uelserweg valt gedeeltelijk onder 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap', en gedeeltelijk onder 'Zone ondernemen met Natuur en Water buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN)'. Het duivenhok valt buiten het NNN, tevens als het te verplaatsen kippenhok. Hierdoor wordt het NNN niet aangetast.
Voshaarsweg 13, Harbrinkhoek
Afbeelding 4.3: kaart ontwikkelingsperspectieven, planlocatie rood aangeduid (bron: provincie Overijssel)
Het plangebied aan de Voshaarsweg 13 valt onder 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'.
De ontwikkelingen doen geen afbreuk aan het landschap Noordoost Twente doordat er enkel sloop van landschapsontsierende bebouwing plaatsvind. Bovendien worden omliggende functies niet geschaad in de mogelijkheden. Met inachtneming hiervan voldoet het plan aan de toegekende ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken (hoe)
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsopgaven en -voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke -inpassing, infrastructuur,- milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn over het algemeen richtinggevend of inspirerend.
De provincie onderscheidt de volgende vier lagen:
Natuurlijke laag
De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. Zoals grote delen van Overijssel bestond ook het plangebied uit dekzandvlakten en beekdalen met beperkte reliëfverschillen. In de jaren zijn de hoogteverschillen onder andere door zandverstuivingen, het ontginnen van de heidecomplexen en de ontwikkeling in de landbouw nagenoeg verdwenen.
Het beide planlocaties liggen in het gebied dat wordt aangeduid als 'Dekzandvlakte en ruggen'. De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/ nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. De dekzandvlaktes worden dan ook afgewisseld met beekdalen.
Dekzandvlakten en ruggen krijgen een beschermende bestemmingsregeling, gericht op instandhouding van de hoofdlijnen het huidige reliëf. In dit geval is de fysieke impact van de beide ontwikkelingen zeer klein, waardoor het geen afbreuk doet aan de landschapswaarden.
Uelserweg 110, Mander
Afbeelding 4.4: uitsnede kaart natuurlijke laag Uelserweg, plangebied met rood aangeduid (bron: provincie Overijssel)
Voshaarsweg 13, Harbrinkhoek
Afbeelding 4.5: uitsnede kaart natuurlijke laag Voshaarsweg, plangebied met rood angeduid (bron: provincie Overijssel)
Laag van agrarisch cultuurlandschap
Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. Het landschap werd functioneel ingericht waarbij men nooit heeft nagedacht over de schoonheid van dat landschap. Nu waarderen wij juist de ingrepen van destijds. Geconstateerd wordt dat het plangebied in 'Maten- en flierenlandschap' ligt. Het maten- en flierenlandschap is een laaggelegen kleinschalig landschap dat zich langs de beken, in de natuurlijke laagten heeft ontwikkeld. Langs de ontwateringssloten haaks op de beek werd vaak hakhout aangeplant. Dit diende tevens als perceelsafscheiding – daar, waar de ontwateringssloot niet altijd watervoerend – was in geval van beweiding. Rond de beek ontstond een lineair landschap, met daaromheen in de natte laagtes een matenlandschap. Het landschap omvatte veel variatie in ruimtelijke opbouw. De open ruimte van de watergang wordt afgewisseld met de coulissen van hakhoustruweel en de open kamers van hooien weilanden met hier en daar broekbossen op de nattere plekken.
Het Maten en Flierenlandschap is veelal de contramal van het essenlandschap en het oude hoevenlandschap en was daar functioneel aan verbonden.
De plannen voldoen aan deze karakteristieken, gezien de omvang zeer beperkt is. De openheid blijft behouden en er worden geen groenstructuren verwijderd.
Uelserweg 110, Mander
Afbeelding 4.6: uitsnede kaart laag van cultuurlandschap Uelserweg, plangebied met rood aangeduid (bron: provincie Overijssel)
Voshaarsweg 13, Harbrinkhoek
Afbeelding 4.7: uitsnede kaart laag van cultuurlandschap Voshaarsweg, plangebied met rood aangeduid (bron: provincie Overijssel)
Laag van de beleving
Het plangebied ligt aan de Uelserweg in het kenmerk donkerte. Uitgangspunt binnen dit gebied is dat bij ontwikkelingen geen onevenredige lichtvervuiling gaat plaatsvinden. Het voorliggend plan voorziet in een nieuw duivenhok waarbij geen onnodige lichtbronnen worden toegevoegd, enkel vervangen. Als gevolg hiervan treedt geen extra lichtvervuiling op. Ten westen van het perceel ligt historische infrastructuur, hier worden geen wijzigingen aan gebracht en dus geen afbreuk aan gedaan.
Afbeelding 4.8: uitsnede kaart laag van de beleving (bron: provincie Overijssel)
Voor de Voshaarsweg geldt geen kenmerk op basis van de laag van de beleving en wordt daarom niet verder toegelicht. Ten slotte heeft de stedelijke laag op de beide planlocaties geen specifieke kenmerken en blijft daarom verder buiten beschouwing.
Beoordeling van de plannen:
Met de toetsing aan genoemde lagen van de provincie Overijssel kan gesteld worden dat de voorgenomen plannen geen afbreuk doen aan de landschappelijke waarden. Hiermee is het plan volledig in overeenstemming met het provinciaal ruimtelijk beleid en regelgeving uit de Omgevingsverordening en Omgevingsvisie Overijssel.
De gemeenteraad van de gemeente Tubbergen heeft in 2021 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving voor het grondgebied van de gemeente Tubbergen, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Tubbergen en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld.
De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. Die vier principes zijn:
Buitengebied in balans
De gemeente Tubbergen wil een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap van Tubbergen is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden.
In het buitengebied van Tubbergen komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Tubbergen streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht.
Daarbij wordt gewerkt aan speerpunten. Voor het 'Buitengebied in balans' zijn dat:
Beoordeling van de plannen:
Op grond van MijnOmgevingsvisie Tubbergen valt het plangebied Uelserweg onder hoge landschapswaarde. Dit zijn landschappen die gericht zijn op behouden vanwege de hoge waarde en beperkte dynamiek. De waarden omvatten voornamelijk kleinschaligheid, variatie, hoge ecologische waarde en hoge biodiversiteit, en hoge belevingswaarde. Er wordt ingespeeld op behoud van de natuur- en cultuurhistorie en erfkarakteristieken. Daarnaast is het inspelen op belevingswaarde, kleinschaligheid, natuurinclusieve bouwwijze, natuurwaarden en het vasthouden van water van belang voor ontwikkelingen.
Afbeelding 4.9: Waardenkaart van de Omgevingsvisie, plangebied Uelserweg met paars aangeduid (bron: Regelsopdekaart)
Voor het plan aan de Uelserweg 110 geldt dat het een kleinschalige ontwikkeling betreft (vergroten van het woonvlak voor het bouwen van een duivenhok). De wijziging wordt landschappelijk goed ingepast. Er is een zeer beperkte fysieke wijziging, gezien het gebouw op de plaats van een voormalig kippenhok wordt gerealiseerd. Tevens wordt landschapsontsierende bebouwing op deze locatie gesloopt. De ontwikkeling past in de hoge landschappelijke waarde en daarmee in de omgevingsvisie van Tubbergen.
Voshaarsweg 13
Naast de landschappelijke inpassing als bovenstaand is genoemd, wordt er ook landschapsontsierende bebouwing gesloopt aan de Voshaarsweg 13. Het gaat om een mestsilo van 180 m2. De sloop versterkt de ruimtelijke kwaliteit, gezien het gaat om landschapsontsierende bebouwing. De zichtlijnen in het landschap kunnen hierdoor worden versterkt.
Afbeelding 4.10: Waardenkaart van de Omgevingsvisie, plangebied Voshaarsweg met paars aangeduid (bron: gemeente Tubbergen)
In 2022 is door de gemeente Tubbergen het Ruimtelijk beleid buitengebied 'Buitengebied met kwaliteit' vastgesteld. Het buitengebied kenmerkt zich door een mix van functies als landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en wonen, al deze functies vragen om ruimte. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom wordt voor de toepassing van deze beleidsregel het uitgangspunt gehanteerd: de goede functies op de goede plek.
Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. De volgende onderdelen van dit beleid zijn van belang:
Algemene randvoorwaarden
Voor elke ontwikkeling in het buitengebied gelden bepaalde algemene randvoorwaarden waar aan voldaan moet worden. Dit betreffen bijvoorbeeld randvoorwaarden die zijn opgesteld met het oog op 'een goede ruimtelijke ordening' of een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' ingeval de Omgevingswet inwerking is getreden. Deze randvoorwaarden zijn hieronder opgenomen.
Uitbreiden vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij woning
Voor het uitbreiden van bij een woning toegelaten vrijstaande bijbehorende bouwwerken binnen de functie ‘Wonen’, gelden de volgende voorwaarden:
Voor het uitbreiden van een woonperceel met de functie ‘Wonen’, gelden de volgende voorwaarden:
Beoordeling van de plannen
Algemene voorwaarden
Aan de algemene voorwaarden wordt voldaan. De bouw van het duivenhok doet geen afbreuk aan de ruimtelijke kwaliteit, gezien de fysieke kenmerken passen binnen het gebied. De wijziging is van kleine omvang en zal daarom zeer beperkte invloed hebben op het landschappelijke beeld. De sloop van landschapsontsierende bebouwing draagt bij aan behoud van de ruimtelijke kwaliteit.
Daarnaast heeft de ontwikkeling geen relevante toename van de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie tot gevolg en is geen sprake van een onevenredige afbreuk aan de in de omgeving aanwezige functies en waarden, zoals blijkt uit hoofdstuk 5 van deze toelichting.
Specifieke voorwaarden uitbreiden vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij woning
Het uitgangspunt voor het aantal vierkante meters aan bijbehorende bouwwerken bedraagt 224 m2. In de huidige situatie is 179,76m2 (131,6 + 48,16), afgerond 180 m2, gerealiseerd. Er is nog 20 m2 inzetbaar. Het bestaande duivenhok met 24 m2 wordt gesloopt en deze meters worden tevens ingezet.
Het te legaliseren nieuwe duivenhok heeft een oppervlakte van 121 m2. Het kippenhok heeft een oppervlakte van 9 m2, samen 130 m2. Na de 44 m2 die nog ingezet kunnen worden hiervoor, blijft er een hoeveelheid van 86 m2 over. Hiervoor geldt een sloopverhouding van 1 op 1 wanneer het gaat om asbest, en 1 op 2 als er geen asbest aanwezig is.
Voor de voorliggende ontwikkeling wordt er een mestsilo gesloopt aan de Voshaarsweg 13. Het betreft een silo van 180m2 zonder asbest. Op dit moment is er 1520 m2 aan bijbehorende bouwwerken aanwezig. Na de sloop van de mestsilo (180 m2) is het uiteindelijke vierkante meters aan bijbehorende bouwwerken maximaal 1340 m2. Deze maximale oppervlakte wordt opgenomen in de plankaart.
Volgens de genoemde sloopverhouding is het mogelijk om 90 m2 bij te bouwen. Dit is voldoende, aangezien het benodigde aantal extra meters uitkomt op 86m2. Aan de overige voorwaarden wordt eveneens voldaan, de mestsilo is legaal opgericht en wordt in zijn geheel gesloopt. Er is geen sprake van een karakteristiek of cultuurhistorisch waardevol gebouw. De planologische bouwmogelijkheden worden aangepast om de ontwikkeling tevens correct vast te leggen op de bouwlocatie.
Als gevolg van de plannen is uiteindelijk de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken 314 m2 op de bouwlocatie.
Specifieke voorwaarden uitbreiden woonperceel
Hiervoor wordt het woonperceel uitgebreid ten behoeve van het nieuwe bijbehorend bouwwerk. Het duivenhok optimaal gesitueerd ten opzichte van het erf. Vanwege het houden van duiven is het gepast om enige afstand tot de woning te bewaren. Dit is passend in landschappelijk opzicht, gezien het op de plek is van een ander gebouw. De locatie is gekozen op basis van de aanvliegroute van de duiven. Daarnaast zijn ze aan de bosrand meer beschermd van roofvogels. Daarom betreft het een logische locatie voor het beoogde gebruik. Ook wordt er landschapsontsierende bebouwing gesloopt, dit draagt bij aan de openheid van de planlocatie.
In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld.
Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel.
Casco-benadering in de praktijk
De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het 'kleinschalige groene karakter' van het landschap in totaliteit.
De regels van de casco-benadering gelden niet voor:
Voor bovenstaande elementen en het beheer van casco elementen geldt het reguliere beleid van elke afzonderlijke gemeente. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende tabel.
| Landschapstype | Opmerking |
| Elementen die tot het casco behoren | Mogen in principe niet verplaatst worden |
| Elementen die niet tot het casco behoren | Mogen verplaatst worden, als aan de regels van de casco-benadering wordt voldaan |
| Te compenseren elementen | Locaties waar de initiatiefnemer de elementen heen kan verplaatsen |
Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties:
Uelserweg 110 Mander
In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de casco-kaart opgenomen, waarin de diverse casco elementen te zien zijn aan de Uelserweg 110 in Mander. Met de plannen is er geen wijziging betreft de casco structuren. Zowel het kippenhok als het duivenhok wordt of is hierbuiten geplaatst.
|
| Afbeelding 4.11: uitsnede Casco-kaart aan Uelserweg 110 (bron: provincie Overijssel) |
Voshaarsweg 13 in Harbrinkhoek
Afbeelding 4.12: Uitsnede Casco-kaart van de Voshaarsweg 13 in Harbrinkhoek
Beoordeling van de plannen:
De planlocatie Uelserweg 110 in Mander wordt aan de noordkant omgeven door casco-elementen. Op de gewenste locatie voor het duivenhok (noordoostzijde erf) zijn er geen aanwezige casco-lijnen. Tevens wordt er geen beplanting gerooid, de casco-elementen blijven dus behouden. Geconcludeerd wordt dat er met de ontwikkeling volledig wordt voldaan aan de doelstellingen van het Casco-beleid.
Op de planlocatie aan de Voshaarsweg 13 zijn geen casco-elementen aanwezig. De sloop van de mestsilo heeft geen invloed op de casco-elementen, deze blijven behouden. Geconcludeerd wordt dat er met de ontwikkeling volledig wordt voldaan aan de doelstellingen van het Casco-beleid.
In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een principe-uitspraak heeft gedaan.
De provincie Overijssel heeft de 'uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023' vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden.
Onder de uitzonderingenlijst valt 'bijzondere doeleinden', waarin lokale educatieve, sociale, medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, sport- en recreatieve en welzijnsvoorzieningen, evenals maatschappelijke voorzieningen, met bijbehorende voorzieningen zoals wegen en groen zijn uitgezonderd van een provinciaal vooroverleg. De realisatie van een duivenhok valt onder sport- en recreatieve en welzijnsvoorzieningen, waarmee een provinciaal vooroverleg is uitgesloten.
De gemeenteraad heeft het beleid ‘Inwonersparticipatie’ vastgesteld en daarin is een ‘Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie’ opgenomen. Beschrijving van de wijze van participatie, de keuze waarom voor deze wijze van participatie is gekozen en wat het resultaat hiervan is:
Beoordeling van het plan
Het participatieverslag is bijgevoegd als Bijlage 4.
De initiatiefnemers hebben de bewoners van drie omliggende adressen gevraagd om reacties op de voorgenomen ontwikkeling.
Allen waren positief over de ontwikkeling, waardoor de initiatiefnemers geen aanpassingen behoeven.
Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow).
Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
Algemeen
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Artikel 5.129g lid 2 van het Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.
De ladder is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 en ABRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579.
De laddertoets is in ieder geval van toepassing op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand)
Stedelijke ontwikkeling
Voorgenomen ontwikkeling betreft een vergroting van de woonfunctie ten behoeve van de bouw van een duivenhok in het buitengebied. De toename van de functie wonen bedraagt ongeveer 1250 m2 en de toename in bebouwing op de bouwlocatie bedraagt 90 m2. Gelet op de omvang van deze ontwikkeling is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Toepassing van de ladder is niet vereist.
Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen:
De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project.
In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen:
De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een planmilieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn:
In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en lid 4 Ow) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten:
Beoordeling van de plannen:
De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. De voorgenomen activiteit voor het uitbreiden van de woonfunctie, daarbinnen het bouwen van een duivenhok en de sloop van landschapsontsierende bebouwing staat niet benoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er ook geen noodzaak tot een m.e.r.-beoordeling.
Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kenmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'toekomstig parkeren' (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid moet vervolgens worden beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden aangetoond dat de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties.
Het parkeren moet worden getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018, waarbij het uitgangspunt is dat het parkeren op eigen erf plaatsvindt. . Indien nodig worden de aanleg en instandhouding van de parkeerplaatsen opgenomen als voorwaarde aan deze vergunning.
Beoordeling van de plannen:
Locatie Voshaarsweg 13
Voor de locatie aan de Voshaarsweg geldt dat enkel sloop van een landschapsontsierende mestsilo gaat plaatsvinden. Deze ontwikkeling zorgt niet voor wijzigingen als het gaat om structurele verkeersgeneratie en/of parkeren. Nadere toetsing is dan ook niet zinvol.
Locatie Uelserweg 110
Qua verstedelijkingsgraad, stedelijke zone, hoofdgroep en type worden in dit plan de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling)
Het plangebied is in de bestaande situatie ontsloten op de Uelserweg. Het perceel heeft op deze weg één ontsluiting. De verkeersontsluiting blijft in de toekomstige situatie hetzelfde en het nieuw bouwen van een bijbehorend bouwwerk geeft geen structurele extra verkeersbewegingen op de Uelserweg.
Het plan leidt niet tot een verhoging van de verkeersintensiteit op de Uelserweg aangezien geen sprake is van verdere wijzigingen van het gebruik van het woonerf.
Parkeren
Het voornemen ziet toe op het bouwen van een duivenhok als bijbehorend bouwwerk van een woning. Er vindt een functiewijziging van agrarisch naar wonen plaats, ten behoeve van de bouw van een duivenhok. Deze ontwikkeling brengt geen verandering van de parkeerbehoefte met zich mee.
Het plangebied (c.q. het erf Uelserweg 110) is van voldoende omvang om in de overige eigen parkeerbehoefte te kunnen voorzien.
Conclusie
Het voornemen zorgt niet voor onaanvaardbare gevolgen voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren.
Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan.
Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk.
Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:
De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden.
Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.
Situatie plangebieden
Deelgebied Voshaarsweg
Het deelgebied Voshaarsweg ligt op minimaal 5,87 kilometer afstand van Nederlands Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Nederlandse Natura 2000-gebied is de Engbertsdijkvenen. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het deelgebied weergegeven.
Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het deelgebied Voshaarsweg. De ligging van het deelgebied wordt met de rode cirkel aangeduid. Gronden die tot Nederlands Natura 2000 behoren worden met de mintgroene en gele kleur aangeduid (bron: calculator.aerius.nl).
Effectbeoordeling
Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten
Het deelgebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen uitgesloten worden.
Beoordeling stikstof (ontwikkelfase)
Ten behoeve van de totale ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aan- en afvoer van sloopmaterialen en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de afstand tussen het deelgebied en het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en de duur van de ontwikkelfase kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Een stikstofberekening voor de ontwikkelfase wordt niet noodzakelijk geacht.
Beoordeling stikstof (gebruiksfase)
In de nieuwe situatie zal het aantal verkeersbewegingen gelijk blijven. Er wordt geen nieuwbouw gerealiseerd. Daarom kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden uitgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening voor de gebruiksfase is niet noodzakelijk.
Deelgebied Uelserweg
Het deelgebied Uelserweg ligt op minimaal 1,04 kilometer afstand van Nederlands Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Nederlandse Natura 2000-gebied is Springendal & Dal van de Mosbeek. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het deelgebied weergegeven.
Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het deelgebied Uelserweg. De ligging van het deelgebied wordt met de rode omlijning aangeduid. Gronden die tot Nederlands Natura 2000 behoren worden met de okergele kleur aangeduid (bron: calculator.aerius.nl).
Effectbeoordeling
Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten
Het deelgebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen uitgesloten worden.
Beoordeling stikstof (ontwikkelfase)
Ten behoeve van de totale ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aan- en afvoer van (bouw)materialen en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de afstand tussen het deelgebied en het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en de duur van de ontwikkelfase kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden niet uitgesloten worden.
In dit geval kan op basis van de advieslijn van het ODT een stikstofonderzoek voor de ontwikkelfase worden uitgesloten, zie onderstaande tabel. De advieslijn geeft aan dat vanaf een afstand groter dan 700 meter er geen stikstofonderzoek benodigd is in het geval er 1 vrijstaande woning, schuur en verharding wordt gerealiseerd. In dit geval gaat het om een ontwikkeling dat veel kleiner is dan een vrijstaande woning, namelijk de bouw van een duivenhok. De afstand tot een Natura 2000 gebied is meer dan 1 kilometer, dit is ruim boven de 700 meter. Het uitvoeren van een stikstofberekening voor de ontwikkelfase is daarom niet noodzakelijk.
Beoordeling stikstof (gebruiksfase)
In de nieuwe situatie zal het aantal verkeersbewegingen gelijk blijven. Er wordt immers alleen een duivenhok herbouwd. Daarom kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden uitgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening voor de gebruiksfase is niet noodzakelijk.
Conclusie
Deelgebied Voshaarsweg
Het deelgebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking).
Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden op voorhand uitgesloten worden. Een stikstofberekening voor de ontwikkel- en gebruiksfase wordt niet noodzakelijk geacht. Overige negatieve effecten kunnen ook worden uitgesloten.
Deelgebied Uelserweg
Het deelgebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking).
Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied in de ontwikkelfase, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkelfase.
Zoals onder effectbeoordeling reeds is toegelicht voor de locatie Uelserweg 110, kan een stikstofonderzoek tijdens de ontwikkelfase wel uitgesloten worden op basis van de advieslijn van het ODT.
Tijdens de gebruiksfase kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden wel uitgesloten worden en is er geen stikstofberekening nodig. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen ook worden uitgesloten.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.
Situatie planlocaties
Deelgebied Voshaarsweg
Het plangebied ligt op minimaal 2,2 kilometer van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Ligging van Natuurnetwerk Nederland (NNN) in de omgeving van het deelgebied. De ligging van het deelgebied wordt met de rode cirkel aangeduid. Gronden die tot de Natuurnetwerk Natuurnetwerk behoren worden met de mintgroene kleur aangeduid (bron: atlasleefomgeving.nl).
Beschermingsregime
De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking.
Toetsing aan provinciaal beleid
Omdat het deelgebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland. 23
Deelgebied Uelserweg
Het deelgebied Uelserweg grenst aan gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het deelgebied weergegeven.
Ligging van Natuurnetwerk Nederland (NNN) in de omgeving van het deelgebied. De ligging van het deelgebied wordt met de rode omlijning aangeduid. Gronden die tot de Natuurnetwerk Natuurnetwerk behoren worden met de groene kleur aangeduid (bron: atlasleefomgeving.nl).
Beschermingsregime
De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking.
Toetsing aan provinciaal beleid
Omdat het deelgebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland.
Conclusie
De beide deelgebieden behoren niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking).
Voor deelgebied Voshaarsweg kan een negatief effect op Natura 2000-gebied in de ontwikkelfase, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Er hoeft geen stikstofberekening uitgevoerd te worden. Voor deelgebied Uelserweg kan een negatief effect op Natura 2000-gebied in de ontwikkelfase, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkelfase. Tijdens de gebruiksfase kan bij beide deelgebieden een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden uitgesloten worden en is er geen stikstofberekening nodig. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen ook worden uitgesloten.
In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:
Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.
Situatie planlocaties
Vogels
Deelgebied Voshaarsweg
Het deelgebied Voshaarsweg behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk nestelen er jaarlijks vogels in het plangebied. Vogels kunnen nestelen in de beplanting bij de mestsilo. Vogelsoorten die mogelijk in de beplanting kunnen nestelen zijn houtduif, merel, zanglijster, ekster, gaai, roodborst en zwarte kraai. Tijdens het veldbezoek zijn er in het plangebied geen nesten waargenomen en ontbreken sporen zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal in en om het plangebied.
Als gevolg van het slopen van de mestsilo en het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een vogel gedood en een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels neemt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet af.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet:
- Slopen mestsilo tijdens de voortplantingsperiode van vogels;
- Rooien beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels;
Deelgebied Uelserweg
Het deelgebied Uelserweg behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk nestelen er jaarlijks vogels in het plangebied. Vogels kunnen nestelen in beplanting in en rondom het deelgebied of onder dakpannen binnen het deelgebied. Vogelsoorten die mogelijk nestelen in het deelgebied zijn onder andere houtduif, merel, koolmees, pimpelmees, roodborst, zanglijster, ekster, gaai, zwarte kraai en roek. Tijdens het veldbezoek zijn er in het deelgebied geen nesten waargenomen en ontbreken sporen zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal in en om het deelgebied. In de NDFF zijn echter waarnemingen bekend van de bonte vliegenvanger, bosuil en huismus die mogelijk verbinding hebben met het deelgebied. Op basis van verdere gegevens binnen de NDFF is er een vastgesteld territorium uit 2022-2023 van de bosuil bekend. Zoals te zien op onderstaande afbeelding ligt deze geruime afstand (± 2,5 kilometer) van het deelgebied waardoor de voorgenomen werkzaamheden geen invloed hebben op dit territorium.
Waarnemingen van de bosuil in een ruim gebied rondom het deelgebied. Vastgesteld territorium van de bosuil aangegeven met de gele cirkel (bron: NDFF, 2025). Het deelgebied is aangegeven met de rode cirkel.
Huismussen broeden doorgaans onder dakpannen met een beschoten kap. De te slopen schuur beschikt niet over een geschikt dak voor de huismus doordat het dakbeschot hier ontbreekt zoals te zien op onderstaande foto.
Dakbeschot ontbreekt in de te slopen schuur.
Als gevolg van het slopen van de schuur tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een vogel gedood en een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. De betekenis van het plangebied als essentieel foerageergebied voor vogels neemt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet af.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet:
- Slopen schuur tijdens de voortplantingsperiode van vogels;
Grondgebonden zoogdieren
Deelgebied Voshaarsweg
Er zijn in het deelgebied Voshaarsweg geen grondgebonden zoogdieren waargenomen maar het plangebied behoort vermoedelijk tot leefgebied van verschillende algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als: veldmuis, bosmuis, huisspitsmuis, steenmarter, egel en haas. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied als foerageergebied (steenmarter, egel en haas) en functioneel leefgebied (veldmuis, bosmuis en huisspitsmuis) waarbij deze soorten voortplantings- en rustplaatsen kunnen bezetten in holen en gaten in de grond, onder de strooisellaag en onder opgeslagen materialen. Het plangebied biedt geen geschikt habitat voor grote bosmuis, deze soort prefereert open (oude) eiken- of beukenbos met een uitgebreide struiklaag maar weinig ondergroei. Geschikte bebouwing voor de steenmarter om een voortplantings- en rustplaats te bezetten in het plangebied ontbreekt. Er zijn daarnaast geen latrines gevonden die wijzen op een voortplantings- en rustplaats van deze soort. Daarnaast is de bebouwing (mestsilo) niet geïsoleerd waardoor holle ruimtes ontbreken en is de mestsilo verder niet toegankelijk. Ook is het plangebied niet geschikt voor andere kleine marterachtigen zoals de wezel doordat het terrein te open is.
Als gevolg van het rooien van beplanting en het verwijderen van de strooisellaag wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood. Ook wordt mogelijk een voortplantings- en rustplaats beschadigd of vernield. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren neemt door de voorgenomen activiteiten niet af.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet:
- Rooien beplanting;
- Verwijderen strooisellaag;
Deelgebied Uelserweg
Er zijn in het deelgebied Uelserweg geen grondgebonden zoogdieren waargenomen maar het plangebied behoort vermoedelijk tot leefgebied van verschillende algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als: veldmuis, bosmuis, huisspitsmuis, steenmarter, egel en haas. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied als foerageergebied (steenmarter, egel en haas) en functioneel leefgebied (veldmuis, bosmuis en huisspitsmuis) waarbij deze soorten voortplantings- en rustplaatsen kunnen bezetten in holen en gaten in de grond, onder de strooisellaag en onder opgeslagen materialen. Geschikte bebouwing voor de steenmarter om een voortplantings- en rustplaats te bezetten in het plangebied ontbreekt. Er zijn daarnaast geen latrines gevonden die wijzen op een voortplantings- en rustplaats van deze soort. Daarnaast zijn de te slopen/verplaatsen bebouwing niet geschikt voor de steenmarter door het ontbreken van isolatie en is de bebouwing ook niet toegankelijk voor grondgebonden zoogdieren. Verder is het plangebied niet geschikt voor andere kleine marterachtigen zoals de wezel doordat het terrein te open is. Het plangebied behoort echter tot het verspreidingsgebied van de grote bosmuis en bezit functioneel leefgebied van de soort. Binnen de NDFF zijn in een ruim zoekgebied vijf waarnemingen gedaan in de periode 2020-2025. Werkzaamheden die mogelijk de grote bosmuis zouden beïnvloeden zijn echter al uitgevoerd.
Waarnemingen van de grote bosmuis in een ruim gebied rondom het deelgebied (bron: NDFF, 2025). Het deelgebied is aangegeven met de rode cirkel.
Als gevolg van het uitvoeren van grondverzet en het verwijderen van opgeslagen materialen wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood. Er wordt mogelijk een voortplantings- en rustplaats beschadigd of vernield. Door het bebouwen en verharden neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende grondgebonden zoogdieren niet af.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet:
- Uitvoeren grondverzet;
- Verwijderen opgeslagen materialen;
Vleermuizen
Deelgebied Voshaarsweg
• Verblijfplaatsen
Tijdens het veldbezoek zijn geen vleermuizen waargenomen. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn doorgaans eenvoudig te herkennen aan uitwerpselen en prooiresten onder de hangplek. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen die duiden op het gebruik van het plangebied als voortplantings- of rustplaats door vleermuizen. De mestsilo beschikt niet over een spouw of andere openingen die een geschikte verblijfplaats voor een vleermuis zouden bieden. Ook beschikt de beplanting in het plangebied niet over holenbomen of loszittende schors die een verblijfplaats voor vleermuizen zouden kunnen bieden.
Door het slopen van de mestsilo en het rooien van beplanting wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen voortplantings- en rustplaats verstoord, beschadigd of vernield.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet:
- Geen;
• Foerageergebied
Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten rond bebouwing en beplanting in het plangebied. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet:
- Geen;
• Vliegroute
Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen.
Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Het slopen van de mestsilo en het rooien van beplanting heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet:
- Geen;
Plangebied Uelserweg
• Verblijfplaatsen
Tijdens het veldbezoek zijn geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een voortplantings- of rustplaats in het deelgebied bezetten. Er zijn geen sporen zoals uitwerpselen of prooiresten aangetroffen die wijzen op een vleermuisverblijfplaats. In het deelgebied zijn geen potentiële verblijfplaatsen waargenomen doordat de bebouwing niet toegankelijk is. De bomen in het deelgebied zijn gecontroleerd op verblijfplaatsen van vleermuizen. Er zijn geen holtes en loshangend schors aangetroffen waar een vleermuis een verblijfplaats achter kan bezetten. De vleermuizen die mogelijk een verblijfplaats kunnen bezetten in de naastgelegen woning zullen door de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden niet verstoord worden. Tevens blijft de woning ongemoeid.
Door het slopen van de schuur en verplaatsen van het kippenhok wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen voortplantings- of rustplaats verstoord, beschadigd of vernield.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet:
- Geen;
• Foerageergebied
Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten rond bebouwing en beplanting in het plangebied. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd.
Door het slopen van de schuur, verplaatsen van het kippenhok en realiseren van nieuwe bebouwing neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet:
- Geen;
• Vliegroute
Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen.
Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Slopen van de schuur, verplaatsen van het kippenhok en realiseren van nieuwe bebouwing heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet:
- Geen;
Amfibieën
Deelgebied Voshaarsweg
Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor amfibieënsoorten beschouwd. Er ontbreekt een voortplantingsbiotoop. Algemene amfibieënsoorten als bruine kikker, bastaardkikker en gewone pad benutten het erf als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een (winter)rustplaats. Deze soorten kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond of onder opgeslagen materialen, strooisel en bladeren. De mestsilo is niet toegankelijk voor amfibieën. Uit brononderzoek in de NDFF (2025) blijkt dat het plangebied niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten als heikikker, kamsalamander, rugstreeppad of poelkikker wordt beschouwd. Geschikt voortplantingsbiotoop voor deze soorten ontbreekt in het plangebied.
Door het verwijderen van de strooisellaag en rooien van beplanting wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rustplaats beschadigd of vernield. De betekenis van het deelgebied als foerageergebied neemt voor amfibieën niet af.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet:
- Verwijderen strooisellaag;
- Rooien beplanting;
Deelgebied Uelserweg
Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor amfibieënsoorten beschouwd. Er ontbreekt een voortplantingsbiotoop. Algemene amfibieënsoorten als bruine kikker, bastaardkikker en gewone pad benutten het erf als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een (winter)rustplaats. Deze soorten kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond of onder opgeslagen materialen, strooisel en bladeren. De bebouwing in het plangebied is niet toegankelijk voor amfibieën. Uit brononderzoek in de NDFF (2025) blijkt dat het plangebied niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten als heikikker, kamsalamander, rugstreeppad of poelkikker wordt beschouwd. Geschikt voortplantingsbiotoop voor deze soorten ontbreekt in het plangebied.
Door het uitvoeren van grondverzet en het verwijderen van opgeslagen materialen wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rustplaats beschadigd of vernield. De betekenis van het deelgebied als foerageergebied neemt voor amfibieën niet af.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet:
- Uitvoeren grondverzet;
- Verwijderen opgeslagen materialen;
Rode-lijstsoorten
Deelgebied Voshaarsweg
Het deelgebied is gecontroleerd op de aanwezigheid van Rode-lijstsoorten. In de NDFF zijn waarnemingen van de Rode-lijstsoorten torenvalk, graspieper, haas en kneu opgenomen. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden Rode-lijstsoorten echter niet nadelig beïnvloed in het voorkomen op populatieniveau.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet:
- Geen;
Deelgebied Uelserweg
Het deelgebied is gecontroleerd op de aanwezigheid van Rode-lijstsoorten. In de NDFF zijn waarnemingen van de Rode-lijstsoorten patrijs, boerenzwaluw, gele kwikstaart en huismus opgenomen. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden Rode-lijstsoorten echter niet nadelig beïnvloed in het voorkomen op populatieniveau.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet:
- Geen;
Overige soorten
Deelgebieden Voshaarsweg en Uelserweg
Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken de deelgebieden tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.
Conclusie
In onderstaande tabellen worden de wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet weergegeven:
Per soort komt dat samengevat op het volgende neer:
Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn natuurwaardenonderzoeken uitgevoerd door de Natuurbank voor zowel de bouw- als slooplocatie. De resultaten van het onderzoek zijn in dit hoofdstuk opgenomen, en het volledige rapport is bijgevoegd in Bijlage 3.
De voorgenomen activiteiten worden gezien als 'ruimtelijke ontwikkeling'. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepaling 'het opzettelijk beschadigen en vernielen van voortplantings- en rustplaats', als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist of er dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de voortplantings- en rustplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.
De beide deelgebieden behoren niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking).
Voor deelgebied Voshaarsweg kan een negatief effect op Natura 2000-gebied in de ontwikkelfase, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Er hoeft geen stikstofberekening uitgevoerd te worden. Voor deelgebied Uelserweg kan een negatief effect op Natura 2000-gebied in de ontwikkelfase, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkelfase. Tijdens de gebruiksfase kan bij beide deelgebieden een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden uitgesloten worden en is er geen stikstofberekening nodig. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen ook worden uitgesloten.
Deelgebied Voshaarsweg
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren, amfibieën en nachtvlinders er een voortplantingsplaats en/of rustplaats. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied. Het plangebied betreft wel foerageergebied voor vleermuizen.
Door het uitvoeren van het slopen van de mestsilo en het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het beschadigen of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.
Door het onvoorbereid uitvoeren van rooien van beplanting en het verwijderen van de strooisellaag kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen negatief beïnvloed worden geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen voortplantingsplaats- en/of rustplaatsen'. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties.
Indien het verwijderen van de strooisellaag en rooien van beplanting uitgevoerd wordt zonder voorbereiding kan niet uitgesloten worden dat een beschermd amfibie gedood wordt. Ook worden mogelijk (winter)rustplaatsen van een beschermd amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde amfibieënsoorten, die een (winter)rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen'. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van een verbodsbepaling.
Slopen van de mestsilo en het rooien van beplanting hebben geen negatief effect op essentieel foerageergebied van vleermuizen.
Deelgebied Uelserweg
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren, amfibieën en nachtvlinders er een voortplantingsplaats en/of rustplaats. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied. Het plangebied betreft wel foerageergebied voor vleermuizen.
Door het slopen van de schuur tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het beschadigen of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.
Door het onvoorbereid uitvoeren van grondverzet en het verwijderen van opgeslagen materialen kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen negatief beïnvloed worden geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen voortplantingsplaats- en/of rustplaatsen'. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties.
Indien het uitvoeren van grondverzet en het verwijderen van opgeslagen materialen uitgevoerd wordt zonder voorbereiding kan niet uitgesloten worden dat een beschermd amfibie gedood wordt. Ook worden mogelijk (winter)rustplaatsen van een beschermd amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde amfibieënsoorten, die een (winter)rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen'. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van een verbodsbepaling.
Slopen van de schuur, verplaatsen van het kippenhok en realiseren van nieuwe bebouwing hebben geen negatief effect op essentieel foerageergebied van vleermuizen.
Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof.
In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bk). Deze gaan over:
Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate (NIMB) bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBMtool.
Beoordeling van de plannen:
Het voornemen ziet op het bouwen van een duivenhok aan de Uelserweg 110 in Mander. Om deze bouw mogelijk te maken qua bebouwingsoppervlakte wordt op basis van schuur voor schuur een mestsilo gesaneerd aan de Voshaarsweg 13 in Harbrinkhoek. Gezien de minimale omvang van de ontwikkeling en het feit dat als gevolg van de ontwikkeling geen toename is in verkeersgeneratie, zijn er geen veranderingen vanuit het aspect luchtkwaliteit.
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.
Geluid door activiteiten
In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.
Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel.
De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:
Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:
Afbeelding 5.1:Standaardwaarden geluidgevoelige gebouwen (Bron: Art. 5.78T van het Bkl)
Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.
Geluidbeleid
De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Tubbergen' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend.
Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'buitengebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'redelijk rustig' (48 dB) en de bovengrens 'onrustig' (53 dB).
Beoordeling van de plannen:
In voorliggend geval zijn de aspecten railverkeers,- wegverkeers-, en industrielawaai niet van belang, want er wordt geen nieuw geluidsgevoelig object mogelijk gemaakt dat bescherming geniet voor weg of railverkeer. Voor wat betreft het aspect industrielawaai wordt opgemerkt dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van een industrieterrein met geluidproductieplafond (gpp) en hier ook niet nabij is gelegen.
Geluid afkomstig van project op omgeving
De beoogde ontwikkeling van de sloop van landschapsontsierende bebouwing en bouw van een duivenhok levert uiteindelijk niet meer geluid op, gezien er geen sprake is van een nieuwe activiteit. Er was reeds een duivenhok aanwezig, deze wordt nu enkel op een andere locatie gebouwd. De omgeving zal dus geen geluidshinder ervaren.
Geluid van nabijgelegen bedrijven
Het dichtstbijzijnde bedrijf betreft Kaas- en Zuivelboerderij het Hoepel aan de Uelserweg 113 te Mander. Het bouwvlak van het bedrijf bevindt zich op een afstand van ca. 12 meter van het woonperceel aan de Uelserweg 110. De uitbreiding van het woonperceel aan de Uelserweg 110 zal plaatsvinden aan de achterzijde van het erf en wordt niet dichter op de Uelserweg 113 gesitueerd. Derhalve zal Kaas- en Zuivelboerderij het Hoepel niet in haar bedrijfsvoering worden belemmerd.
Conclusie
Geluidhinder vormt in voorliggend geval geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan vanuit zowel de initiatiefnemer zelf als van andere bedrijven op de initiatiefnemer.
In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:
In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.
Beoordeling van de plannen:
Voor de bouw van de duivenhok vind er geen verandering plaats in geur. De nieuwe ontwikkeling vormt dan ook geen hinder voor de omliggende erven en bedrijven.
Andersom geldt dat er ook geen sprake is van hinder van omliggende bedrijven. Zoals in paragraaf 5.6 eveneens is omschreven.
Gelet op het vorenstaande wordt gesteld dat voorliggend plan niet voorziet in een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Andersom vormen de omliggende bedrijven geen hinder voor de betreffende locatie. Er zijn geen belemmeringen voor het plan als het gaat om het aspect geur.
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).
Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:
Beoordeling van de plannen:
Uelserweg 110
Onderstaand volgt de uitsnede uit de risicokaart waarop de locatie Uelserweg 110 is te zien ten opzichte van de meest nabijgelegen risicobron.
Afbeelding 5.3: uitsnede risicokaart ter plaatse van Uelserweg 110 (bron: Atlas Leefomgeving)
Het betreft een gebied met mestvergisting op 110 meter afstand. In onderhavig plan is er sprake van het toevoegen van extra oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken. De afstand tot het plangebied is ruim voldoende en levert geen belemmeringen voor de ontwikkeling.
Voshaarsweg 13
Afbeelding 5.4: uitsnede risicokaart ter plaatse van Voshaarsweg 13 (bron: Atlas Leefomgeving)
Het betreft een terrein met een windturbine op 753 meter afstand. Aan deze locatie is er sprake van sloop van de mestsilo. De afstand van het terrein van de windturbine tot het plangebied is ruim voldoende en levert geen belemmeringen voor de ontwikkeling.
Een en ander brengt met zich mee dat de planvorming in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot omgevingsveiligheid.
In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie.
De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft.
Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.
Het tweede lid van artikel 5.83 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83 lid 2 van het Bkl. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een:
Beoordeling van de plannen:
Als gevolg van de plannen is het aspect trillingshinder niet van belang. Er wordt geen gevoelig object opgericht en andersom zorgen omliggende functies/activiteiten niet voor trillingen. Het aspect vormt geen belemmering voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen.
Voor de locatie aan de Voshaarsweg 13 geldt dat alleen een bestaande mestsilo gesaneerd zal worden. Grond ter plaatse van deze schuur is al geroerd en kent daarom geen archeologische verwachting meer. Van verdere bodemingrepen die relevant kunnen zijn voor het aspect archeologie is geen sprake.
De planlocatie aan de Uelserweg 110 is zichtbaar op de archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Tubbergen, zie onderstaande afbeelding. De locatie ligt in het kenmerk 'beekdalen en overige laagten' en 'dekzandhoogten en – ruggen'. Tevens is de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 4' van toepassing op de planlocatie.
Afbeelding 5.4: uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart, locatie met zwart omcirkeld (gem. Tubbergen)
Archeologisch onderzoek is binnen deze gebieden noodzakelijk in plangebieden groter dan 5000 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 5000 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. De betreffende ontwikkeling ten behoeve van de schuur blijft ruim beneden de 5000 m2 aan bodemingrepen, waardoor archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.
Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in de directe omgeving van beide planlocaties geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn waarop het voorliggende plan mogelijk een negatieve impact heeft (zie afbeelding 5.5 en 5.6). Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
Afbeelding 5.5: uitsnede van cultuurhistorische waardenkaart, locatie Uelserweg 110 met rood omcirkeld (bron: Provincie Overijssel)
Afbeelding 5.6: uitsnede van cultuurhistorische waardenkaart, slooplocatie Voshaarsweg 13 met rood omcirkeld (bron: Provincie Overijssel)
Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.
Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.
Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Beoordeling van de plannen
Door Dumea is voor beide locaties een bodemonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportages zijn bijgevoegd als Bijlage 1 en Bijlage 2. Hieronder wordt per adres de samenvatting en conclusie uit de bodemonderzoeken weergegeven.
Uelserweg 110
Op een locatie gelegen aan de Uelserweg 110 te Mander, kadastraal bekend gemeente: Tubbergen, Sectie: C, nummer(s): 3150 is op 30 april 2025 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd.
Naar aanleiding van de bevindingen van het historisch vooronderzoek wordt de locatie als verdacht beschouwd en wordt als best passende strategie VED-HE gehanteerd.
Verkennend bodemonderzoek NEN5740
Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740.
Gehele locatie
In de bovengrondmengmonsters en in het ondergrondmengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen boven de interventiewaarde. In het grondwatermonster zijn lichte verhogingen ethylbenzeen, tolueen, xylenen en dichloormethaan aangetroffen.
Algemeen
Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De waarde voor nader bodemonderzoek (index >0,5) wordt niet overschreden.
De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.
De boven- en ondergrond valt in de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/natuur. Aangezien geen partijkeuring conform de Regeling Bodemkwaliteit is uitgevoerd, dienen de resultaten in het kader van de Rbk als indicatief beschouwd te worden.
Er heeft geen onderzoek naar de parameters PFAS plaats gevonden. Bij afvoer van grond zal dit wellicht alsnog in een later stadium moeten worden uitgevoerd.
Als grond van de locatie vrijkomt, moet er rekening mee worden gehouden dat deze niet zonder meer elders toepasbaar is. De toepassing van grond elders moet worden gemeld via het ‘Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO)’.
Voshaarweg 13
Op een locatie gelegen aan de Voshaarsweg 13 te Harbrinkhoek, kadastraal bekend gemeente: Tubbergen, Sectie: I, nummer(s): 5820 is op 30 april 2025 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd.
Naar aanleiding van de bevindingen van het historisch vooronderzoek wordt de locatie als verdacht beschouwd en wordt als best passende strategie VED-HE gehanteerd.
Verkennend bodemonderzoek NEN5740
Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740.
Gehele locatie
In het bovengrondmengmonster en in het ondergrondmengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen.
In het grondwatermonster zijn lichte verhogingen tolueen, xylenen, dichloormethaan, zink en barium aangetroffen.
Algemeen
Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De waarde voor nader bodemonderzoek (index >0,5) wordt niet overschreden.
De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.
De boven- en ondergrond valt in de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/natuur. Aangezien geen partijkeuring conform de Regeling Bodemkwaliteit is uitgevoerd, dienen de resultaten in het kader van de Rbk als indicatief beschouwd te worden.
Er heeft geen onderzoek naar de parameters PFAS plaats gevonden. Bij afvoer van grond zal dit wellicht alsnog in een later stadium moeten worden uitgevoerd.
Als grond van de locatie vrijkomt, moet er rekening mee worden gehouden dat deze niet zonder meer elders toepasbaar is. De toepassing van grond elders moet worden gemeld via het ‘Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO)’.
Conclusie
Uit het bodemonderzoek op beide locaties is gebleken dat het aspect geen belemmering vormt voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen
5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn.
Beoordeling van de plannen:
Als gevolg van de plannen wordt er een oppervlakte van circa 120 m2 aan extra verharding aangelegd aan de Uelserweg 110. In de huidige situatie wordt hemelwater op het erf geleidelijk geïnfiltreerd of loopt vertraagd weg naar de in de omgeving aanwezige sloten. Dit blijft ook in de toekomstige situatie het geval.
Omliggend aan het erf zijn voldoende eigen gronden aanwezig die agrarisch in gebruik (en daarmee onbebouwd) zijn. Hemelwater heeft voldoende ruimte om te infiltreren of af te voeren. Het plan heeft geen onevenredige gevolgen voor de waterhuishouding in dit gebied. Tevens is er een watertoets uitgevoerd, de korte procedure is in dit geval van toepassing. Hieruit blijkt dat de ruimtelijke relevante wateraspecten van dit plan gering en/of tijdelijk van aard zijn. Waterschap Vechtstromen heeft geen bezwaar tegen dit plan.
Voor de Voshaarsweg 13 geldt dat er geen relevante aanpassingen zijn waarbij het watersysteem kan worden aangetast. Er wordt geen extra verharding aangelegd, enkel gesloopt. Derhalve wordt dit niet verder toegelicht.
De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente.
De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer.
Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over:
Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het wijzigen van het omgevingsplan. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld.
Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na deze datum worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locaties Uelserweg 110 in Mander en Voshaarsweg 13 in Harbrinkhoek waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0183.TAMBUIUEL110VOSH13-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. de planlocatie opgenomen.
Preambule
De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS
In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar de geldende begrippen voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen
Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.24 al meetbepalingen. In dit artikel zijn alleen meet- en rekenbepalingen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
In de toepassingsbereikbepaling wordt in het eerste lid bepaald dat de ruimtelijke plannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet van toepassing zijn op de locatie waarvoor het TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld.
In het tweede lid is bepaald dat de regels uit de Bruidsschat niet van toepassing zijn, als deze regels in strijd zijn met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan.
In het derde lid worden de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan gekoppeld aan de bijbehorende verbeelding.
HOOFDSTUK 2 FUNCTIES EN ACTIVITEITEN
De functies:
- Artikel 5 Wonen - Wonen in het buitengebied
- Artikel 6 Waarde - Archeologie 3
- Artikel 7 Waarde - Archeologie 4
- Artikel 8 Leiding - Hoogspanningsverbinding
- Artikel 9 Overige zone - geen boom- en sierteelt toegestaan
- Artikel 10 Reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied
zijn overgenomen uit het omgevingsplan van rechtswege. De betreffende functies vallen binnen het plangebied vanwege een voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke investeringen of omdat deze liggen op het (een deel van) het bouw- of functievlak. Inhoudelijk worden bebouwingsmogelijkheden van gebouwen uitgesloten of toegekend voor zover nodig.
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS
Artikel 11 Anti-dubbeltelregel
In dit artikel is aangegeven dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede keer mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren.
Artikel 12 Algemene ruimtelijke bouwregels
In dit artikel zijn regels voor bouwactiviteiten opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied.
Artikel 13 Planologische gebruiksactiviteiten
In dit artikel zijn regels voor functies opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied. In het omgevingsplan geldt dat als er geen regels voor een activiteit zijn opgenomen, deze activiteit zonder meer mag worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan gelden. Het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het TAM-IMRO omgevingsplan moet nadrukkelijk vergunningplichtig worden gemaakt of verboden. In dit geval is gekozen voor een algemeen gebruiksverbod. Aanvullend gelden enkele specifieke gebruiksverboden.
In artikel 11 zijn regels voor parkeren opgenomen, waarbij als uitgangspunt geldt dat op eigen erf in voldoende mate is voorzien in de benodigde parkeerruimte.
Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.5.2 al aanvraagvereisten. Deze zijn van overeenkomstige toepassing verklaart op een omgevingsvergunning die voortkomen uit dit TAM-IMRO omgevingsplan.
HOOFDSTUK 4 OVERGANGSREGELS
In dit artikel zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken, functioneel gebruik en overige activiteiten.