| Plan: | TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22y Buitengebied Kotkampsweg 7 Geesteren |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0183.TAMBUIKOTKAMPSWEG7-VG01 |
Aan de Kotkampsweg 7 in Geesteren bevindt zich een agrarisch erf waar sprake is van het houden van dieren. De initiatiefnemer heeft besloten om deel te nemen aan de landelijke beëindigingsregeling veehouderij (LBV). Dit betekent dat de veehouderij wordt gestaakt. Als gevolg hiervan worden een deel van de agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. De initiatiefnemer wenst zijn bedrijf voort te zetten in de vorm van een akkerbouwbedrijf. Aangezien er geen combinatie is met rood voor rood, schuur voor schuur of andere ruimtelijke regeling en men het agrarisch bedrijf voortzet als volwaardig akkerbouwbedrijf blijven de agrarische bouwregels gelijk. Dit betekent dat er voor de terugbouw dan niet de sloop-/bouwverhouding geldt uit het beleid buitengebied met kwaliteit. Hiervoor blijft een deel van de bebouwing behouden, wordt een deel vergroot en wordt er een nieuwe loods en kleine schuur bijgebouwd. Met de ontwikkeling moet de veehouderij worden uitgesloten.
De ontwikkeling kan mogelijk worden gemaakt door middel van het wijzigen van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen. Met een TAM-IMRO omgevingsplan kan het omgevingsplan gewijzigd worden. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken.
Ligging plangebied
Onderstaand is weergegeven waar de planlocatie Kotkampsweg 7 Geesteren is gelegen op grote schaal. Het is gelegen ten oosten van de kern Geesteren en ten noorden van Tubbergen.
Afbeelding 1.1: Topografische kaart, locatie Kotkampsweg 7 aangegeven met rood
Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Tubbergen, sectie B, perceelnummers 4153, 4155, 4356 en 4483. Het gebied met de kadastrale grenzen is onderstaand weergegeven.
Afbeelding 1.2: Weergave van de kadastrale percelen (bron: kadastralekaart.com)
Beoordelingskader
De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan.
Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen.
De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld.
Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen.
Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen.
De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat.
Belangenafweging
De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.
Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen.
Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.
Zienswijzen
Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan heeft voor periode van zes weken ter inzage gelegen. Het was voor eenieder mogelijk om tegen het ontwerpbesluit een zienswijze in te dienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Conclusie belangenafweging
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.
In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg en het participatietraject. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot is in hoofdstuk 7 een toelichting op de planregels opgenomen.
Aan de Kotkampsweg 7 te Geesteren is sprake van een erf waarop zich een veehouderij bevind als agrarisch bedrijf. Het destijds kleinschalige erf is ontstaan aan de westzijde van de weg, langs de rand van een kamp. Het erf werd omringd door karakteristieke houtwallen. Vanaf eind jaren '50 breidde het erf zich uit en ontstond er ook bebouwing aan de oostzijde van de weg. Verder richting de kamp bouwen was niet logisch, aangezien daar de vruchtbare grond lag. Door de jaren heen is het erf uitgebreid door het toevoegen van schuren, die in een functionele opzet aan het erf werden toegevoegd. Ze hebben daarmee de rechtlijnige opzet van het naastgelegen, jongere heide ontginningslandschap aangehouden. De woning is nog duidelijk het hoofdgebouw op het erf met daarachter de schuren.
Het erf bevindt zich op de overgang van het kampenlandschap naar het heide ontginningslandschap. Het erf is ontstaan aan de westzijde van de weg, aan de flank van een hoger gelegen kamp. In de loop der jaren zijn er ook aan de oostzijde van de weg schuren gebouwd, omdat het geen optie was om verder richting het westen, richting de kamp te bouwen. Het erf heeft zich in de loop der jaren uitgebreid, toen er meer vee en meer machines bijkwamen en is in oostelijke richting uitgebreid. Het erf is, ondanks het feit dat het aan twee kanten van de weg gelegen is, een compact geheel.
Op onderstaande afbeelding is een recente luchtfoto opgenomen van de planlocatie aan de Kotkampsweg 7 te Geesteren.
Afbeelding 2.1: recente luchtfoto planlocatie Kotkampsweg (bron: PDOK.nl)
Aan de Kotkampsweg 7 hebben de initiatiefnemers besloten om deel te nemen aan de landelijke beëindigingsregeling veehouderij (LBV). Oftewel, de veehouderij op deze locatie wordt gestaakt en het bedrijf wordt voortgezet als akkerbouwbedrijf. Dit betekent dat veehouderij wordt uitgesloten.
Een deel van de agrarische gebouwen zal worden gesloopt, een deel blijft behouden, een deel wordt vergroot, er wordt een nieuwe loods bijgebouwd ten behoeve van de machines en oogst van het akkerbouwbedrijf en er wordt een nieuw bijgebouw bij de woning gerealiseerd.
De bestaande woning (A op tekening) blijft behouden, evenals enkele schuren (B). Andere schuren (C) worden gesloopt in het kader van de LBV-regeling. Twee schuren (B.1) aan de oostzijde van de weg worden vergroot zodat ze geschikt zijn om gebruikt te worden voor het akkerbouwbedrijf. Het vergroten levert bovendien een bijdrage aan de compactheid. Er is namelijk geen extra schuur nodig. Naast de woning wordt een nieuw bijgebouw gerealiseerd (D) en voor het akkerbouwbedrijf wordt een nieuwe loods (E) gebouwd. Deze loods zal gebruikt worden voor het stallen van machines en het opslaan van oogsten. Er wordt een nieuwe mestsilo (G) gerealiseerd en de kuilvoerplaten (H) worden verwijderd. Eén kuilvoerplaat zal verplaatst worden en gebruikt worden als opslagplaats voor oogst (I). Hoewel de erfopzet grotendeels behouden blijft, is er in de nieuwe situatie sprake van een compacter geheel. Met name de oostzijde wordt behoorlijk ingeperkt.
Bestaande houtopstanden blijven grotendeels behouden (J). Slechts één houtopstand wordt geveld (K op tekening). Deze is aangelegd als inpassing van de voormalige kuilvoerplaten. In de nieuwe situatie heeft het geen functie meer, waardoor het gebiedsvreemd is. Om de ruimtelijke kwaliteit rondom het erf te versterken wordt een nieuwe houtsingel (L) aangelegd die de bestaande groenstructuur versterkt. Aan de zuidzijde van het erf is een nieuwe bomenrij aangeplant met zomereiken (M). Daar waar kuilvoerplaten (H) of erfverharding worden verwijderd wordt het omgevormd naar gras of weiland. Tenslotte wordt rondom de nieuwe mestsilo (G) een houtsingel aangeplant (N) om het geheel in te passen.
Afbeelding 2.2: situatietekening gewenste situatie Kotkampsweg 7 Geesteren (N+L Landschapsontwerpers)
Ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit worden de volgende maatregelen genomen:
Met de voorgestelde maatregelen kan worden voldaan aan de gestelde eisen van de gemeente en provincie.
Zoals in de aanleiding aangegeven passen de plannen van initiatiefnemer niet binnen het huidig planologisch kader. De wens is om de veehouderij te staken en het agrarische bedrijf voort te zetten als akkerbouwbedrijf. De activiteitaanduiding en het bouwvlak dienen hiervoor gewijzigd worden. Om deze redenen is een wijziging van het omgevingsplan gewenst.
Het geldend planologisch kader ter plaatse is het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen met de onderdelen 'Tubbergen Buitengebied 2016' en 'Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan' als voornaamste elementen.
Binnen dit plan is het erf voorzien van de functie 'Agrarisch - 1' en 'Waarde – Archeologie 3'. Tevens is er een bouwvlak aanwezig.
Het planvoornemen is om het bedrijf voort te zetten als akkerbouwbedrijf waarin enkele landschapsontsierende bebouwing wordt gesloopt, bebouwing wordt vergroot en nieuw gebouwd. Om mee te kunnen doen aan de LBV-regeling is het aanvragen van een wijziging van het omgevingsplan hierrvoor noodzakelijk.
Afbeelding 3.1: uitsnede verbeelding vanuit het omgevingsplan van rechtswege, Kotkampsweg 7 (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De bruidsschat bevatten regels over onderwerpen die tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet in nationale regelgeving waren opgenomen (door het Rijk opgestelde regels). Onder de
Omgevingswet worden deze door gemeenten geregeld. De bruidsschat maakt onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De bruidsschat bevat regels op het gebied van bouwen, milieubelastende activiteiten en overige activiteiten en is opgenomen in hoofdstuk 22 van de regels van het omgevingsplan. Het grootste gedeelte van deze regels is gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit geldt bijvoorbeeld voor milieuregels (zoals regels over geurnormen en de afstand tot een geurgevoelig object). Voor dat deel van de regels geldt dat het mogelijk is om van het omgevingsplan af te wijken.
De bruidsschat bestaat uit de volgende onderdelen:
De regels van afdeling 22.2 zijn rellevant voor onderhavig initiatief omdat deze betrekking hebben op het bouwen van bouwwerken. Met de in dit TAM-omgevingsplan opgestelde regels wordt aan de regels voldaan.
Voor zover sprake is van gemeentelijke verordeningen in het Omgevingsplan van rechtswege wordt aan deze verordeningen getoetst in Hoofdstuk 5 van deze onderbouwing.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Beoordeling van het plan:
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een ontwikkeling van het erf aan de Kotkampsweg waarbij de veehouderij wordt gestaakt en het bedrijf wordt voortgezet als akkerbouwbedrijf. Met de voorgenomen plannen is er sprake van een toekomstbestendige ontwikkeling. De totale verharding neemt namelijk af als gevolg van de ontwikkeling. Tevens resulteert het verwijderen van de kuilvoerplaten in meer ruimte voor een groene omgeving, en kan er om het erf meer water worden opgenomen door de grond.
De ontwikkeling voorziet in een toekomstbestendige ontwikkeling, waardoor er vanuit de NOVI geen belemmeringen zijn.
Provinciale omgevingsvisie
De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.
Provinciale omgevingsverordening
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt.
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht
Generieke beleidskeuzes (OF)
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel 2024.
Ontwikkelingsperspectieven (WAAR)
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken (HOE)
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Afbeelding 4.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (bron: Provincie Overijssel)
Doorwerking plan:
In voorliggende geval zijn in het kader van de generieke beleidskeuzes de volgende artikelen relevant:
Onderstaand worden de beleidskeuzes benoemd en beoordeeld op welke wijze in het plan hiermee rekening is gehouden.
Artikel 4.6: Toekomstbestendigheid
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn en dus:
Beoordeling van het plan:
Voorliggend plan voorziet in de sloop van landschapsontsierende bebouwing, uitbreiding van bijgebouwen en het bouwen van een loods ten behoeve van het voortzetten van agrarische activiteiten in de vorm van akkerbouw.
Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van afname van verharding. Met de landschappelijke inpassing worden de groenstructuren versterkt. Zo geeft het plan invulling aan de natuurlijke voorraden in het gebied en het welzijn van mensen. Daarnaast blijft dit gebied in gebruik als voedselvoorziening, waardoor het op lange termijn toegevoegde waarde heeft. Daarmee is sprake van toekomstbestendigheid passend binnen dit artikel van de omgevingsverordening. Geconcludeerd wordt dat de in dit plan besloten ontwikkeling voldoet aan dit artikel van de Omgevingsverordening.
Artikel 4.9: onderbouwing ruimtelijke kwaliteit
Lid 1
Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin:
Beoordeling van het plan:
Zoals blijkt uit de beschrijving in hoofdstuk 2 in combinatie met de verantwoording in dit hoofdstuk worden de erven landschappelijk ingepast conform de ter plaatse geldende gebiedskenmerken (zie verderop in deze paragraaf). Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit plan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met dit artikel.
Artikel 4.55: Nationaal landschap Noordoost-Twente
Lid 1
Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen het Nationaal Landschap Noordoost-Twente als die nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap.
Lid 2
De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn:
Lid 3
Het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat rekening is gehouden met het Ontwikkelperspectief Nationaal Landschap Noordoost-Twente en met bijlage IX van deze verordening (Nader uitgewerkte kernkwaliteiten Nationaal Landschap Noordoost-Twente) waarin de kernkwaliteiten nader zijn uitgewerkt.
Beoordeling van het plan:
De plannen van de eigenaren doen geen afbreuk aan de kernkwaliteiten van het Nationaal landschap Noordoost-Twente. Er wordt voldaan aan de randvoorwaarden voor ruimtelijke kwaliteit, daarmee wordt de ruimtelijke kwaliteit ook behouden met landschappelijke inpassing. Hiermee wordt een versterking bewerkstelligd van de kernkwaliteiten.
Ontwikkelingsperspectieven (waar)
In de visie zijn drie ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en drie voor de stedelijke omgeving. Deze perspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. Het plangebied is aangemerkt als "Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap". Dat betekent dat diverse functies verweven moeten worden. Het belangrijkste landgebruik blijft melkveehouderij en akkerbouw, maar aan de andere kant is er ruimte voor landschap, natuur, milieubescherming, cultuurhistorie, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. In elk geval staat de ambitie, "voortbouwen op kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen", voorop. De voorgenomen ontwikkeling past bij de gestelde ambitie.
Afbeelding 4.2: kaart ontwikkelingsperspectieven, planlocatie rood aangeduid (bron: provincie Overijssel)
Met inachtneming hiervan voldoet het plan aan de toegekende ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken (hoe)
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsopgaven en -voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke -inpassing, infrastructuur,- milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn over het algemeen richtinggevend of inspirerend.
De provincie onderscheidt de volgende vier lagen:
Natuurlijke laag
De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. De locatie ligt in een dekzandgebied. Onder koude omstandigheden in de laatste ijstijd heeft de wind ervoor gezorgd dat geërodeerd zand werd afgezet. Onder meer ontstonden dekzandruggen en -kopjes. Er is in de omgeving van het plangebied daardoor sprake van hoogteverschillen. In de loop der jaren zijn de hoogteverschillen geërodeerd door de wind, soms juist weer versterkt door de wijze van agrarisch gebruik, maar uiteindelijk weer verminderd door de schaalvergroting in de landbouw. De hoogteverschillen zijn minder geworden, maar nog wel herkenbaar in de omgeving van de planlocatie.
Afbeelding 4.3: uitsnede kaart natuurlijke laag Kotkampsweg, plangebied met rood aangeduid (bron: provincie Overijssel)
Laag van agrarisch cultuurlandschap
Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. Het landschap werd functioneel ingericht waarbij men nooit heeft nagedacht over de schoonheid ervan. Nu waarderen wij juist de ingrepen van destijds. De eerste nederzettingen werden gesticht op de overgang van de stuwwallen en dekzandruggen naar de lagere gronden. Het plangebied is gelegen op de overgang van het kampenlandschap (oude hoevenlandschap) naar het jonge heide -en broekontginningslandschap. De heidegebieden waren functioneel verbonden met het oude hoevenlandschap. Het kampenlandschap kent een organische structuur die de vormen van het landschap volgt. Het landschap kent veel variatie op korte afstand: open, hoger gelegen kampen (zie hoogtekaart hiernaast), kleinschalige flanken met erven, kleinschalige natte laagtes met houtwallen, open heidevelden en ontginningen. We vinden er zware beplantingen, zoals eiken en houtwallen. Door ontwikkelingen in de landbouw, met als belangrijkste uitvinding die van kunstmest, konden de heidevelden ook gebruikt worden als akkergrond. De ontginning werd planmatig en grootschalig aangepakt wat zorgde voor relatief grote, open ruimtes. Erven lagen in blokken aan de weg en de wegen kennen een rechtlijnige structuur. Beplantingen vinden we hier terug in de vorm van lanen en bosjes. De invloed van het ontginningslandschap zien we terug op de planlocatie en is te herkennen aan de openheid en rechtlijnige opzet van het erf.
Afbeelding 4.4: uitsnede kaart laag van cultuurlandschap Kotkampsweg, plangebied met rood aangeduid (bron: provincie Overijssel)
Stedelijke laag en laag van de beleving
Voor de Kotkampsweg geldt geen kenmerk op basis van de stedelijke laag en de laag van de beleving en wordt daarom niet verder toegelicht.
Beoordeling van de plannen:
Met de toetsing aan genoemde lagen van de provincie Overijssel kan gesteld worden dat de voorgenomen plannen geen afbreuk doen aan de landschappelijke waarden. Hiermee is het plan volledig in overeenstemming met het provinciaal ruimtelijk beleid en regelgeving uit de Omgevingsverordening en Omgevingsvisie Overijssel.
De gemeenteraad van de gemeente Tubbergen heeft in 2021 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving voor het grondgebied van de gemeente Tubbergen, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Tubbergen en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld.
De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. Die vier principes zijn:
Buitengebied in balans
De gemeente Tubbergen wil een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap van Tubbergen is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden.
In het buitengebied van Tubbergen komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Tubbergen streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht.
Daarbij wordt gewerkt aan speerpunten. Voor het 'Buitengebied in balans' zijn dat:
Beoordeling van de plannen:
Op grond van MijnOmgevingsvisie Tubbergen valt het plangebied Kotkampsweg onder 'Gericht op ontwikkeling'. Dit zijn landschappen die gericht zijn op ontwikkeling vanwege lage waarde en hoge dynamiek. De waarden omvatten voornamelijk open met vergezichten, efficiënt agrarisch landschap, kavelsloten, wegen met bomenrijen en moderne erfopzet. Er wordt ingespeeld op onder andere de schaal van het landschap, het agrarische karakter, verbeteren van biodiversiteit en erfkarakteristieken. Daarnaast is het inspelen op gemengde functies, opgeruimd landschap, geclusterde bebouwing, heldere structuren en het vasthouden van water van belang voor ontwikkelingen.
Afbeelding 4.5: Waardenkaart van de Omgevingsvisie, plangebied Kotkampsweg met paars aangeduid (bron: Regelsopdekaart)
Voor de ontwikkeling aan Kotkampsweg 7 geldt dat er sprake blijft van agrarische activiteiten. De veehouderij wordt gestaakt, maar de agrarische activiteiten worden voortgezet in de vorm van akkerbouw. De voorgenomen plannen wordt landschappelijk goed ingepast. De wijziging komt ten goede van de ruimtelijke kwaliteit, aangezien er verharding in de vorm van kuilvoerplaten worden verwijderd en op deze locaties er niet iets voor terug komt. De totale verharding neemt als gevolg van de plannen af. De ontwikkeling past in 'Gericht op ontwikkeling' als benoemd door de gemeente Tubbergen.
In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld.
Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel.
Casco-benadering in de praktijk
De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het 'kleinschalige groene karakter' van het landschap in totaliteit.
De regels van de casco-benadering gelden niet voor:
Voor bovenstaande elementen en het beheer van casco elementen geldt het reguliere beleid van elke afzonderlijke gemeente. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende tabel.
| Landschapstype | Opmerking |
| Elementen die tot het casco behoren | Mogen in principe niet verplaatst worden |
| Elementen die niet tot het casco behoren | Mogen verplaatst worden, als aan de regels van de casco-benadering wordt voldaan |
| Te compenseren elementen | Locaties waar de initiatiefnemer de elementen heen kan verplaatsen |
Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties:
Beoordeling van de plannen
De gemeente Tubbergen hanteert, vooral ter bescherming van het bestaande landschap, het casco beleid. In de praktijk werkt de cascobenadering met het principe dat landschapselementen die tot het casco behoren niet verplaatst mogen worden. De landschapselementen buiten het casco mogen wel verplaatst worden, mits voldaan is aan de spelregels voor compensatie. De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen het uitgangspunt van de casco-benadering, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek). Samen bepalen zij de ontwikkelingsrichting voor het toekomstige landschap. Via het cascobeleid is te achterhalen of een ontwikkeling wel of niet in strijd is met elementen welke tot het casco behoren en met welke bouwstenen wordt gewerkt.
Bevindingen cascobeleid
In bijlage 2 van de "Casco-benadering" in Noordoost-Twente" worden de bouwstenen per landschapstype en dynamiekklasse benoemd. De ontwikkeling valt binnen het kampenlandschap met een hoog dynamiek. Hierbij gelden de volgende richtlijnen:
Hierbij zijn gave bestaande groene elementen aangewezen als casco. Er wordt een singel geveld en verplaatst die 'slechts' is ingepast ten behoeve van de kuilvoerplaten en niet de hoofdstructuur versterkt, oftewel een secundaire structuur. De singel kan hiermee worden aangemerkt als niet casco-element gelet op voorgenoemde richtlijnen. Er geldt dat elementen die niet tot het casco behoren mogen worden verplaatst als aan de regels van de cascobenadering wordt voldaan.
Compensatie
De initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de indicatieve casco-kaart. Hoe de compensatie wordt vormgegeven wordt in principe bepaald door het landschap waar de compensatie wordt gerealiseerd. De algemene uitgangspunten zijn:
Binnen het casco beleid is het element gelegen in het kampenlandschap met een hoog dynamiek. De houtsingel valt volgens de "Richtlijnen_ objectivering_Casco_Noord-Oost_Twente" onder het elementtype 'houtige opslag' waarbij geldt dat deze bij verwijderen wordt meegeteld als te compenseren landschapselement als de bomen en evt. struiken (niet alleen struiken) vijf jaar of ouder zijn. Bij twijfel wordt de luchtfoto van 2000 geraadpleegd, indien op de luchtfoto duidelijk sprake is van houtige opslag of zelfs een landschapselement, is dit leidend voor de compensatieplicht. De singel is ouder dan 5 jaar en dient gecompenseerd te worden met de minimale ondergrens van 3 meter. In het kampenlandschap geldt de compensatiefactor van 1,5.
De huidige singel kent een breedte van circa 2,5 meter en 130 m2. Er zou dus 130 x 1,5 = 195 m2 moeten worden herplant. Echter, in de nieuwe situatie wordt de singel circa 5 meter breed en kent een oppervlakte van 195 m2 waarmee er extra kwaliteit aan het compensatie-element wordt gebracht vanwege de breedte. Er wordt ook nog een andere houtsingel aangeplant met een breedte tussen de 4 en 12 meter en een oppervlakte van 245 m2. Hiermee wordt er ruim voldaan de compensatiewaarde. Tevens wordt er voldaan aan de minimale ondergrens omdat beide houtsingels minimaal 3 meter breed zijn.
Kwaliteit element
De bestaande houtsingel is 'slechts' ter inpassing van de kuilvoerplaten aangeplant. De ecologische waarde is momenteel voldoende, maar de landschappelijke waarde is lager omdat de groene 'kamer', kenmerkend voor het kampenlandschap, wordt doorbroken. Het voldoet niet aan de richtlijnen van de genoemde bouwsteen.
Conclusie
Om de cultuurhistorische 'kamer' te herstellen, wordt er een nieuwe houtsingel aangeplant, passend bij de kenmerken van het kampenlandschap (de groene 'kamer' en erfomzoming). Het nieuwe element voldoet hiermee aan de genoemde ondergrens en aan de richtlijnen. De ontwikkeling versterkt de ecologische waarde doordat de nieuwe singel breder is dan de voormalige singel en grotendeels inheemse soorten worden aangeplant. Tevens wordt er een tweede singel aangeplant elders op het erf waarmee er zowel een landschappelijke als ecologische meerwaarde is, mede omdat de nieuwe mestsilo wordt ingepakt. Er kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling geen invloed heeft op de casco elementen en vice versa.
|
| Afbeelding 4.6: uitsnede Casco-kaart aan Kotkampsweg 7 (bron: provincie Overijssel) |
Geconcludeerd wordt dat er met de ontwikkeling volledig wordt voldaan aan de doelstellingen van het Casco-beleid.
De Kapverordening is een gemeentelijke regelgeving die aan het gemeentebestuur een middel geeft om zijn landschapselementen- en bomenbeleid vorm te geven. Met deze bevoegdheid kan de gemeenteraad aan burgemeester en wethouders verzoeken om uitvoering te geven aan het gemeentelijk beleid.
Het volgende artikel is relevant en daarom opgenomen;
- artikel 4: Geen vergunning vereist
Artikel 4: geen vergunning vereist
- c. fruitbomen en windschermen om boomgaarden;
- d. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar;
- e. kweekgoed;
- f. uit populieren of wilgen bestaande:
1. wegbeplantingen;
2. beplantingen langs waterwegen, en
3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden;
tenzij deze zijn geknot;
- h. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij:
1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst;
2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en
3. zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling van de plannen
In dit geval is er sprake van het kappen van een houtsingel zoals is aangegeven in de landschappelijke inpassing. De landschappelijke inpassing en onderbouwing zoals bijgevoegd als Bijlage 4 is onderdeel van en voorwaarde voor dit TAM-omgevingsplan. Daarom is er geen vergunning benodigd voor de voorliggende ontwikkeling.
In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een principe-uitspraak heeft gedaan.
De provincie Overijssel heeft de 'uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023' vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden.
Onder de uitzonderingenlijst valt 'agrarische bebouwing', waarin 'Kleinschalige agrarische bebouwing, zoals bijvoorbeeld een schuilgelegenheid of mestopslag, buiten het bouwperceel' zijn uitgezonderd van provinciaal vooroverleg.
De ontwikkeling bestaat uit het saneren van vrijwel alle kuilvoerplaten en het slopen van landschapsontsierende bebouwing. Het agrarische bedrijf wordt in gebruik genomen als akkerbouwbedrijf in plaats van een veehouderij.
Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat een provinciaal vooroverleg is uitgesloten.
Op 21 augustus 2025 is de digitale watertoets voor de planlocatie uitgevoerd. De korte procedure van het waterschap Vechtstromen is hierbij van toepassing verklaard, waarbij geadviseerd is om de standaard uitgangspunten te hanteren bij het uitwerken van de waterparagraaf. Het aspect water is verder verwerkt in 5.12.
Op basis hiervan is er vanuit het waterschap Vechtstromen geen belemmering voor het voornemen.
De gemeenteraad heeft het beleid ‘Inwonersparticipatie’ vastgesteld en daarin is een ‘Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie’ opgenomen. Beschrijving van de wijze van participatie, de keuze waarom voor deze wijze van participatie is gekozen en wat het resultaat hiervan is:
Beoordeling van het plan
De initiatiefnemer heeft bewoners gesproken van de verschillende adressen. Het volledige verslag is bijgevoegd als Bijlage 2.
De onderstaande adressen zijn bezocht:
Er zijn geen bezwaren van de betreffende bewoners, wel werden enkele vragen gesteld. Als gevolg van de gesprekken zijn er geen aanpassingen aan het plan.
Daarmee is voldaan aan het aspect participatie.
Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow).
Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
Algemeen
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Artikel 5.129g lid 2 van het Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.
De ladder is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 en ABRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579.
De laddertoets is in ieder geval van toepassing op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Stedelijke ontwikkeling
Voorgenomen ontwikkeling betreft het uitsluiten van veehouderij en het voortzetten van het agrarische bedrijf met akkerbouw. De omvang van het bedrijf neemt niet toe als gevolg van de ontwikkeling. Hiermee is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Toepassing van de ladder is niet vereist.
Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen:
De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project.
In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen:
De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een planmilieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn:
In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en lid 4 Ow) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten:
Beoordeling van de plannen:
De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. De voorgenomen activiteit voor het uitsluiten van veehouderij staat niet benoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er ook geen noodzaak tot een m.e.r.-beoordeling.
Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kenmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'toekomstig parkeren' (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid moet vervolgens worden beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden aangetoond dat de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties.
Het parkeren moet worden getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018, waarbij het uitgangspunt is dat het parkeren op eigen erf plaatsvindt. . Indien nodig worden de aanleg en instandhouding van de parkeerplaatsen opgenomen als voorwaarde aan deze vergunning.
Beoordeling van de plannen:
Voor de locatie Kotkampsweg 7 geldt dat enkel uitsluiten van veehouderij en hiervoor wat wijzigingen van gebouwen gaat plaatsvinden, inclusief een mestsilo. De mest van de mestsilo is van derden afkomstig, en kan daarmee zeer beperkte verkeersgeneratie opleveren. Doordat er geen sprake meer is van een veehouderij en enkel akkerbouw, zal de verkeersgeneratie met dit gebruik niet wijzigen of afnemen. Al met al zorgt deze ontwikkeling niet voor wijzigingen als het gaat om structurele verkeersgeneratie en/of parkeren. Nadere toetsing is dan ook niet zinvol.
Conclusie
Het voornemen zorgt niet voor onaanvaardbare gevolgen voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren.
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan.
Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk.
Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:
De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden.
Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.
Situatie planlocatie
Het voorgenomen besluit voorziet in het toestaan van een nieuwe activiteit op Kotkampsweg 7 Geesteren die stikstofdepositie veroorzaakt op stikstofgevoelige habitat(ten) binnen Natura 2000 gebied(en) Springendal & Dal van de Mosbeek. Het nieuwe project wordt aangevraagd in directe samenhang met beëindiging van de bestaande veehouderij-activiteiten op dezelfde Kotkampsweg 7 Geesteren in het kader van de LBV-regeling. Het doel van de regelingen is om daarmee de stikstofemissie door vrijwillige beëindiging van veehouderijlocaties te verlagen en daarmee de stikstofdepositie vanuit de veehouderij op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden te verlagen, zodat die gebieden kunnen worden behouden en kunnen herstellen. Op grond van deze regelingen dient de productie en productiecapaciteit op een veehouderijlocatie definitief en onherroepelijk beëindigd te worden en mag op de locatie slechts een nieuwe activiteit worden verricht als deze maximaal 15% van de oorspronkelijk met het project vergunde stikstofruimte oplevert. Om de stikstofemissie van het aangevraagde nieuwe project te mitigeren wordt de emissie van het reeds toegestane project als referentiesituatie gehanteerd. Daarmee is sprake van een situatie die wordt aangemerkt als intern salderen. Hieronder wordt onderbouwd op welke wijze daarbij wordt voldaan aan de wetgeving en jurisprudentie inzake intern salderen en (indien van toepassing) aan de vereisten die volgen uit provinciale beleidsregels.
Stikstofdepositie aangevraagd project
De aangevraagde activiteit leidt tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebied(en) 'Springendal & Dal van de Mosbeek'. Tabel 1 geeft een overzicht van de habitattypen waarop het project depositie veroorzaakt en de omvang van de depositie.
Tabel 1. Resultaten AERIUS-berekening aangevraagde situatie
Voor bovenstaande habitattypen blijkt uit de natuurdoelanalyses dat eindoordeel ‘nee, tenzij’ wordt gegeven. Dit houdt in dat het vastgestelde pakket aan maatregelen niet volstaat om verslechtering tegen te gaan en realisatie van instandhoudingsdoelstellingen mogelijk te maken. De natuurdoelanalyse maakt in dat geval duidelijk wat de knelpunten zijn. In deze habitattypen is stikstofbelasting een knelpunt. In de natuurdoelanalyses is geconcludeerd dat aanvullende stikstofreducerende maatregelen noodzakelijk zijn voor het behalen van de relevante instandhoudingsdoelstellingen. Zodoende is het noodzakelijk dat aanvullende maatregelen worden getroffen om tot het doelbereik te komen.
Verderop in dit besluit lichten wij verder toe waarom wij van mening zijn dat de mitigerende maatregel, die een in emissie en depositie minimale toekomstige activiteit mogelijk maakt, niet noodzakelijk is om ingezet te worden als aanvullende maatregel voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Wij geven namelijk met de LBV-regeling, waar dit besluit mee samenhangt, en andere passende maatregelen, waaronder, invulling aan HR 6.2.
Referentiesituatie van het project
Om bovenstaande depositie van de aangevraagde activiteit te mitigeren gaat de aanvraag uit van intern salderen met de toegestane activiteit op de locatie. Dit betreft de volgende toestemming:
Tabel 2. Overzicht bestaande toestemming Mitigerende maatregel (intern salderen)
Op grond van de LBV-regeling geldt voor deelnemers de voorwaarde dat na beëindiging van de veehouderijactiviteiten de toestemming niet meer mag bedragen dan de werkelijke stikstofemissie van het nieuwe project, met een maximum van 15% van de eerder toegestane stikstofemissie. Om de nieuw aangevraagde activiteit voldoende te mitigeren dient onderstaand deel van de bestaande toestemming als referentie te worden gehanteerd voor de nieuw aangevraagde activiteit.
Overzicht benodigde restruimte/referentiesituatie
Wanneer de emissies van NH3 en NOx van de bestaande toestemming worden vergeleken met de benodigde ruimte, geldt dat 0.72% van de bestaande toestemming nodig is om het nieuwe project te mitigeren. Aangezien dit minder is dan 15% én een representatieve emissie is behorend bij de nieuw aangevraagde activiteit voldoet de aanvrager daarmee aan de voorwaarden van de LBV- regeling. Met deze mitigerende maatregel zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van het beoogde project uitgesloten.
Het additionaliteitsvereiste
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat getoetst moet worden aan het additionaliteitsvereiste bij het inzetten van mitigerende maatregelen. Uit de PAS- uitspraak van 29 mei 2019 volgt dat een maatregel die als instandhoudings- of passende maatregel ingezet zou kunnen worden, alleen als mitigerende maatregel bij vergunningverlening ingezet mag worden als het behoud van natuurwaarden is geborgd. Hierbij moet worden gelet op de instandhoudingsdoelstellingen en huidige staat van instandhouding, op basis van bijvoorbeeld natuurdoelanalyses. Of, in het geval dat er een verbeter- of hersteldoelstelling geldt, dat doel ook op andere wijze kan worden gerealiseerd.
Hieronder lichten wij toe waarom wij reden zien om een mitigerende maatregel te mogen betrekken bij de beoordeling dat het beoogde nieuwe project geen significante effecten heeft op Natura 2000-gebieden.
Intern salderen als mitigerende maatregel
Gelet op de urgentie om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied(en) 'Springendal & Dal van de Mosbeek' blijvend te verminderen zou de voorliggende mitigerende maatregel in beginsel als een passende of instandhoudingsmaatregel kunnen worden gezien. Echter, de aanvraag dient te worden beschouwd in de context van beëindiging van de veehouderij op de locatie van de aanvrager, waarmee in totaal 99,28% van de toegestane emissie op de locatie wordt ingetrokken. Weliswaar zou het inzetten van het percentage aan overgebleven stikstofruimte op onderhavige projectlocatie ten goede kunnen komen aan de natuur, maar volgens ons is het geen passende maatregel. Er dient een afweging te worden gemaakt tussen enerzijds het scenario van deelname aan de LBV- regeling inclusief het beoogde toekomstige project binnen de circa 1% stikstofruimte en anderzijds het scenario van geen deelname en voortzetting van de volledige bedrijvigheid op onderhavige projectlocatie. Dit overwegende zijn wij van mening dat de mitigerende maatregel die ingezet wordt voor het aangevraagde project in geen verhouding staat tot de passende maatregel die hier uit voortvloeit, zijnde de vrijwillige LBV-regeling. De totale stikstofdepositiereductie als gevolg van beëindiging van de veehouderijactiviteiten en de ontwikkeling van een nieuwe schuur, mestsilo en bijgebouw, op een erf gelegen aan Kotkampsweg 7 te Geesteren, betreft immers 99% op de omliggende Natura 2000-gebied(en) 'Springendal & Dal van de Mosbeek'. Daarnaast draagt deze ontwikkeling ook bij aan reductie van de landelijke stikstofdeken.
Samenvattend heeft het beëindigen van de veehouderijactiviteiten en het toestaan van de nieuwe activiteit een groot effect op het terugdringen van de stikstofbelasting. Door deze stikstofreductie is de LBV-regeling aan te merken als een passende en instandhoudingsmaatregel. De samenhang tussen de beëindiging van de veehouderij en het voornemen tot het nieuw aangevraagde project maakt daarom dat wij de mitigerende maatregel in deze specifieke situatie niet als passende of instandhoudingsmaatregel beoordelen in het kader HR 6.2.
Belang van nieuwe activiteit in het kader van een vrijwillige regeling
De beëindigings- en verplaatsingsregelingen zijn subsidieregelingen voor veehouders die willen stoppen met hun bedrijf of met een locatie van hun bedrijf. Essentieel is dat sprake is van een vrijwillige regeling, waarbij de definitieve en onherroepelijke beëindiging van een veehouderijbedrijf of locatie van een veehouderijbedrijf wordt gesubsidieerd. Ondernemers komen in aanmerking voor één van de regelingen indien zij voldoen aan vastgestelde drempelwaarden voor depositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. De initiatiefnemer van deze aanvraag neemt deel aan een van de regeling.
Deze subsidieregeling maakt het financieel mogelijk voor de aanvrager om het bedrijf op verantwoorde wijze te beëindigen, maar vormt geen dekkende inkomstenbron voor de toekomst. Daarbij is het idee altijd geweest dat er een beperkte hoeveelheid ruimte moet overblijven voor deelnemers om op de betreffende locatie een andere activiteit te verrichten. De aard van de regeling is immers dat de deelnemers op dezelfde locatie blijven zitten en het eigendom over de grond behouden. Dat werkt alleen maar als je de deelnemers ook in staat stelt op die locatie een andere activiteit te ontplooien. Het volledig intrekken voldoet niet aan de doelstelling van die regeling en heeft bovendien sociaaleconomisch ongewenste effecten. Het is dus van belang dat de initiatiefnemers een goed toekomstperspectief geboden krijgen, zodat deelname aantrekkelijk is doordat er financiële zekerheid is. Ter ondersteuning van dit doel is bepaald dat een deelnemer maximaal 15% van de vergunde stikstofemissie mag behouden voor de ontwikkeling van een toekomstige activiteit. Op deze manier vindt minimaal 85% vermindering van de stikstofemissie vanaf de deelnemende locatie plaats, wat ten goede komt aan de natuur en de instandhouding van stikstofgevoelige habitattypen bevordert. Niet onbelangrijk om hierbij te vermelden is dat deelnemers aan de regeling eraan zijn gehouden om slechts de stikstofruimte die benodigd is voor de toekomstige activiteiten te behouden. De 15% betreft dus een maximum waarbij niet meer ruimte behouden mag worden dan nodig voor de beoogde activiteiten. In dit geval is slechts 0,72% (0,01 mol/ha/jr) van de toegestane emissie benodigd voor het nieuw beoogde project. Daarnaast is de vergunninghouder vanuit de regeling ook verplicht om de natuurvergunning in te laten trekken wanneer niet langer gebruik wordt gemaakt van de uit deze vergunning voorvloeiende stikstofruimte. Dit voorschrift volgt uit de bedoelde regelingen. Door een dergelijke intrekking wordt bewerkstelligd dat de stikstofruimte niet meer voor externe saldering beschikbaar is.
Als het voorliggende nieuwe project niet wordt toegestaan kan dit dus betekenen dat voor de aanvrager onvoldoende toekomstperspectief ontstaat om deelname aan de subsidieregeling voort te kunnen zetten. Er bestaat daarmee een reëel risico dat de beëindiging van deze veehouderijlocatie geen doorgang zou vinden en de emissiereductie van 99% niet gerealiseerd zou worden. De regeling zou in zoverre dan dus niet het beoogde effect van een passende en instandhoudingsmaatregel zijn.
Een onvrijwillige beëindiging van alle activiteiten op een locatie behoort in dit kader ook tot de bevoegdheden van het bevoegd gezag, maar heeft over het algemeen een veel langere doorlooptijd met daarnaast hoge maatschappelijke en economische kosten. Deze kosten en langere doorlooptijd, in combinatie met juridische onzekerheid over het te behalen doel, wegen niet op tegen de zeer beperkte extra depositiedaling die een met een onvrijwillige beëindiging van alle activiteiten op een locatie kan worden gerealiseerd.
Conclusie
Op basis van bovenstaande uiteenzetting kan worden geconcludeerd dat:
In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.
Situatie planlocatie
Het plangebied ligt op minimaal 940 meter van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Ligging van Natuurnetwerk Nederland (NNN) in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid. Gronden die tot de Natuurnetwerk Natuurnetwerk behoren worden met de groene kleur aangeduid. (bron: atlasleefomgeving.nl).
Beschermingsregime
De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking.
Toetsing aan provinciaal beleid
Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland.
Slotconclusie
Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, voor zowel de ontwikkel als de gebruiksfase op voorhand uitgesloten worden. Overige negatieve effecten kunnen eveneens worden uitgesloten.
In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:
Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.
Situatie planlocatie
Het plangebied is gelegen aan de Kotkampsweg 7 te Geesteren, gemeente Tubbergen, provincie Overijssel. Het plangebied ligt in het buitengebied ten noordoosten van Geesteren. Het plangebied wordt omgeven door agrarisch cultuurland. Op de onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.
Voor de voorgenomen ontwikkeling is een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd door de Natuurbank voor zowel de planlocatie. De resultaten van het onderzoek zijn in dit hoofdstuk opgenomen, en het volledige rapport is bijgevoegd in Bijlage 1.
De voorgenomen activiteiten worden gezien als 'ruimtelijke ontwikkeling'. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepaling 'het opzettelijk beschadigen en vernielen van voortplantings- en rustplaats', als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een Omgevingsvergunning vereist of er dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de voortplantings- en rustplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.
Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, voor zowel de ontwikkel als de gebruiksfase op voorhand uitgesloten worden. Overige negatieve effecten kunnen eveneens worden uitgesloten.
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren er een voortplantings- of rustplaats en amfibieën een (winter)rustplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend benut als foerageergebied.
Door het slopen van de gebouwen wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de soorten die mogelijk in het plangebied nestelen is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Het slopen van de bebouwing dient buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari.
Mogelijk wordt als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een voortplantings- of rustplaats beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantings- en/of rustplaats negatief beïnvloed worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van voortplantings- en rustplaats'. Voor het opzettelijk doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist.
Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van de verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden en dat (winter)rustplaatsen opzettelijk beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de (winter)rustplaatsen negatief worden beïnvloed geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van voortplantings- of rustplaats'. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken.
Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën opzettelijk gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van de verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.
Uit het natuurwaardenonderzoek van de Natuurbank kan geconcludeerd worden dat, wanneer er zorgvuldig wordt gehandeld, geen beschermde soorten opzettelijk worden gedood. De uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepaling. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit aangevraagd te worden.
Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof.
In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bk). Deze gaan over:
Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate (NIMB) bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBMtool.
Beoordeling van de plannen:
Het voornemen ziet op het uitsluiten van veehouderij aan de Kotkampsweg 7. Zoals eerder is benoemd, is er als gevolg van de ontwikkeling geen toename in verkeersgeneratie. Derhalve zijn er geen veranderingen vanuit het aspect luchtkwaliteit. Juist kan de luchtkwaliteitverbeteren, aangezien de ammoniakemissies van veehouderijen komen te vervallen.
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.
Geluid door activiteiten
In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.
Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel.
De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:
Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:
Afbeelding 5.1:Standaardwaarden geluidgevoelige gebouwen (Bron: Art. 5.78T van het Bkl)
Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.
Geluidbeleid
De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Tubbergen' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend.
Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'buitengebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'redelijk rustig' (48 dB) en de bovengrens 'onrustig' (53 dB).
Beoordeling van de plannen:
In voorliggend geval zijn de aspecten railverkeers,- wegverkeers-, en industrielawaai niet van belang, want er wordt geen nieuw geluidsgevoelig object mogelijk gemaakt dat bescherming geniet voor weg of railverkeer. Voor wat betreft het aspect industrielawaai wordt opgemerkt dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van een industrieterrein met geluidproductieplafond (gpp) en hier ook niet nabij is gelegen.
Geluid afkomstig van project op omgeving
De beoogde ontwikkeling van het uitsluiten van veehouderij en het voortzetten van het agrarisch bedrijf als akkerbouw levert uiteindelijk niet meer geluid op. Volgens de 'VNG handreiking activiteiten en milieuzonering' is de positiewaarde van geluid voor melkveehouderij hetzelfde als voor akkerbouw, dus is er geen wijziging in geluidswaarde. De omgeving zal dus geen geluidshinder ervaren.
Geluid van nabijgelegen bedrijven
In dit geval is er geen sprake van een nieuwe geluidsgevoelige activiteit. Derhalve is een nadere toelichting niet relevant in dit geval.
Conclusie
Geluidhinder vormt in voorliggend geval geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:
In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.
Beoordeling van de plannen:
Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van het het uitsluiten van de mogelijkheid voor het houden van vee. De agrarische bedrijfsfunctie blijft hiermee verder ongewijzigd. Er worden geen geurgevoelige objecten toegevoegd en het wegbestemmen van het houden van vee heeft voor het aspect geur geen ruimtelijk negatief effect op de omgeving.
Met de toevoeging van een nieuwe mestsilo, is er sprake van een beperkte gewijzigde situatie betreft geur. In de huidige situatie is de veehouderij mogelijk, er is geen belemmering wat betreft geur. Met de voorgenomen ontwikkeling neemt de geurbelasting niet toe, juist is er sprake van een afname. Het uitsluiten van de veehouderij heeft daarom juist een positief effect op de omgeving wat betreft geur.
Gelet op het vorenstaande wordt gesteld dat voorliggend plan niet voorziet in een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Andersom vormen de omliggende bedrijven geen hinder voor de betreffende locatie. Er zijn geen belemmeringen voor het plan als het gaat om het aspect geur.
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).
Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:
Beoordeling van de plannen:
Onderstaand volgt de uitsnede uit de risicokaart waarop de locatie Kotkampsweg 7 is te zien ten opzichte van de meest nabijgelegen risicobron.
Afbeelding 5.2: uitsnede risicokaart ter plaatse van Kotkampsweg 7 (bron: Atlas Leefomgeving)
Het betreft een gebied met LPG tankstation op 302 meter afstand. In onderhavig plan is er sprake van het uitsluiten van een veehouderij op een agrarisch bedrijf. De afstand tot het plangebied is ruim voldoende en levert geen belemmeringen voor de ontwikkeling.
Een en ander brengt met zich mee dat de planvorming in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot omgevingsveiligheid.
In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie.
De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft.
Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.
Het tweede lid van artikel 5.83 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83 lid 2 van het Bkl. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een:
Beoordeling van de plannen:
Als gevolg van de plannen is het aspect trillingshinder niet van belang. Er wordt geen gevoelig object opgericht en andersom zorgen omliggende functies/activiteiten niet voor trillingen. Het aspect vormt geen belemmering voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen.
De planlocatie aan de Kotkampsweg 7 is zichtbaar op de archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Tubbergen, zie onderstaande afbeelding. De locatie ligt in het kenmerk 'dekzandhoogten en -ruggen' en 'dekzandwelvingen en –vlakten'. Tevens is de aanduiding 'Waarde – Archeologie 3' van toepassing op de planlocatie.
Afbeelding 5.3: uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart, locatie met zwart omcirkeld (gem. Tubbergen)
Archeologisch onderzoek is binnen deze gebieden noodzakelijk in plangebieden groter dan 2500 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 2500 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. Met de voorliggende ontwikkeling wordt voornamelijk landschapsontsierende bebouwing gesloopt over een grote oppervlakte, daarmee is er geen sprake van bodemingrepen dieper dan 40 cm. De bodemingreep die groter is dan 2500 m2 vindt plaats op een locatie waar eerder een even grote schuur heeft gestaan. Archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in de directe omgeving van beide planlocaties geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn waarop het voorliggende plan mogelijk een negatieve impact heeft. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.
Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.
Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Beoordeling van de plannen
Met deze ontwikkeling geldt dat er geen sprake is van een wijziging van een functie, enkel de veehouderij wordt uitgesloten. Daarmee nemen de overige gebruiks- en bouwmogelijkheden niet toe. Gelet op de uitvoerbaarheid van het plan staat het aspect bodem hieraan niet in de weg.
Derhalve geldt dat er geen verkennend bodemonderzoek benodigd is.
Conclusie
Uit het bodemonderzoek op beide locaties is gebleken dat het aspect geen belemmering vormt voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen
5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn.
Beoordeling van de plannen:
Op 21-08-2025 is de watertoets uitgevoerd voor de Kotkampsweg 7 te Geesteren. Hieruit volgde dat de korte procedure van toepassing is. Hieruit blijkt dat de ruimtelijke relevante wateraspecten van dit plan gering en/of tijdelijk van aard zijn. Waterschap Vechtstromen heeft geen bezwaar tegen dit plan. De waterparagraaf volstaat voor dit plan, bijgevoegd als Bijlage 5.
Als gevolg van de plannen neemt de oppervlakte aan verharding af. In de huidige situatie wordt hemelwater op het erf geleidelijk geïnfiltreerd of loopt vertraagd weg naar de in de omgeving aanwezige sloten. Dit blijft ook in de toekomstige situatie het geval.
De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente.
De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer.
Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over:
Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het wijzigen van het omgevingsplan. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld.
Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na deze datum worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Kotkampsweg 7 in Geesteren waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0183.TAMBUIKOTKAMPSWEG7-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. de planlocatie opgenomen.
Preambule
De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS
In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar de geldende begrippen voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen
Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.24 al meetbepalingen. In dit artikel zijn alleen meet- en rekenbepalingen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
In de toepassingsbereikbepaling wordt in het eerste lid bepaald dat de ruimtelijke plannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet van toepassing zijn op de locatie waarvoor het TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld.
In het tweede lid is bepaald dat de regels uit de Bruidsschat niet van toepassing zijn, als deze regels in strijd zijn met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan.
In het derde lid worden de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan gekoppeld aan de bijbehorende verbeelding.
HOOFDSTUK 2 FUNCTIES EN ACTIVITEITEN
De functies:
- Artikel 5 Waarde - Archeologie 3
zijn overgenomen uit het omgevingsplan van rechtswege. De betreffende functies vallen binnen het plangebied vanwege een voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke investeringen of omdat deze liggen op het (een deel van) het bouw- of functievlak. Inhoudelijk worden bebouwingsmogelijkheden van gebouwen uitgesloten of toegekend voor zover nodig.
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS
In dit artikel is aangegeven dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede keer mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren.
Artikel 8 Algemene ruimtelijke bouwregels
In dit artikel zijn regels voor bouwactiviteiten opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied.
Artikel 9 Planologische gebruiksactiviteiten
In dit artikel zijn regels voor functies opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied. In het omgevingsplan geldt dat als er geen regels voor een activiteit zijn opgenomen, deze activiteit zonder meer mag worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan gelden. Het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het TAM-IMRO omgevingsplan moet nadrukkelijk vergunningplichtig worden gemaakt of verboden. In dit geval is gekozen voor een algemeen gebruiksverbod. Aanvullend gelden enkele specifieke gebruiksverboden.
In artikel 11 zijn regels voor parkeren opgenomen, waarbij als uitgangspunt geldt dat op eigen erf in voldoende mate is voorzien in de benodigde parkeerruimte.
Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.5.2 al aanvraagvereisten. Deze zijn van overeenkomstige toepassing verklaart op een omgevingsvergunning die voortkomen uit dit TAM-IMRO omgevingsplan.
HOOFDSTUK 4 OVERGANGSREGELS
In dit artikel zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken, functioneel gebruik en overige activiteiten.